Ryba en Pascha; CZ en SK

In deze weblog is de kerstmis van Jakub Jan Ryba al vaker langsgekomen. Zie onderaan dit bericht de links naar die artikelen. En toch moet ik er nog even op terugkomen, zowel wat betreft de typering van die Česká mše vánoční, als wat betreft zijn verhouding tot die andere, Slowaakse kerstmis van Edmund Pascha (of van Zrunek).
Een enkele aanvulling dus en een kleine correctie.

Eerst de correctie: zo ik, of iemand anders, ooit de suggestie heeft gewekt dat Ryba’s kerstmis tot de (Tsjechische) barok kan worden gerekend, wil ik dat hier ontkrachten. Ten eerste omdat het ontstaan van de compositie (1796) erg aan de late kant is om nog als nieuwe barokcompositie te boek te kunnen staan, en ten tweede omdat er in dit muziekstuk nauwelijks barokelementen waarneembaar zijn.
Bezien wij Ryba op de tijdlijn in combinatie met Bach en Mozart, dan blijkt dat Bach (1685-1750) helemaal vóór Ryba (1756-1813) leefde, en dat Ryba en Mozart (1756-1791) tijdgenoten waren. In principe kan de kerstmis dus door beiden zijn geïnspireerd, maar wie goed luistert, hoort voornamelijk Mozartiaanse invloeden, naast ontegenzeggelijk de klanken van Boheemse volksmuziek, herdersliederen, pastorella’s. De ‘eenvoud’ van die volksmuziek was onder meer oorzaak en gevolg tegelijk van de lokale instrumenten met al hun beperkingen. Zo is de doedelzak uitermate geschikt om een lang aanhoudende grondtoon ten gehore te brengen en hebben pauken binnen een muziekstuk een beperkt toonscala. Ryba’s meest recente partituur bevat overigens geen doedelzak; wel pauken.
Dat ook Bach een matenlang voortdurende grondtoon in de baspartij hanteert, zoals in het begin van de Matthäus Passion, zie de maten 1-5 en 9-13 hierboven, maakt Ryba’s kerstmis nog niet tot barok à la Bach, wanneer hij iets soortgelijks componeert in de maten 12-19 bij zowel de cello en de contrabas als in de linkerhand van de orgelpartij. Zie het voorbeeld hiernaast. Eerder horen we hier de weerklank van Boheemse volks- en herdersmuziek, zoals dat ook het geval is in Pascha’s kerstmis. Wie dus susggereert dat Ryba zich op Bach heeft gebaseerd heeft het mis. Dan zou ook de Schotse en Asturische doedelzakmuziek door Bach zijn ingegeven, maar alleen al chronologisch gezien is dit een absurde gedachte. Dan eerder nog het omgekeerde: dat Bach het wezenskenmerk van de doedelzak als basis van veel van zijn composities heeft gebruikt. Maar ook die opvatting komt niet uit mijn mond.

Dan de aanvulling. Die is niet muzikaal van inhoud, maar demografisch, sociaal-cultureel en politiek.
Vanaf 1968 heb ik frequent Tsjechoslowakije bezocht. Heel vaak met Praag als bestemming, maar ook veel andere steden in Bohemen, in Moravië en tot diep in Slowakije, niet ver van de grens met de Sovjet-Unie; Banska Bystrica, Brezno, net bezuiden de Lage Tatra. Parallel daaraan volgde ik aan de UvA een tweejarige cursus Tsjechisch als gekozen verplichte Tweede Bijvak. Beide feiten samen zorgden ervoor dat ik enige kennis en vaardigheid opdeed in actieve en meer nog passieve kennis van het Tsjechisch. Maar dat werd in de gegeven omstandigheden vaak wel wat vertroebeld door mijn contact met Slowaken en het Slowaaks, een taal die dicht tegen het Tsjechisch aanleunt, maar toch duidelijk ervan valt te onderscheiden. Meer dan Nederlands en Vlaams, minder dan Deens en Noors, of dan Nederlands en Duits.
Van 1960 tot 1990 vormden Bohemen, Moravië en Slowakije één staat: de ČSSR. Daarna volgde een overgangsperiode van twee jaar als de wat geforceerde “Tsjechische en Slowaakse Federale Republiek”, ČSFR, waarna de scheiding in twee afzonderlijke staten in 1992 een feit werd.
Als ik de verhalen mag geloven, is die boedelscheiding niet helemaal ideaal verlopen. Niet alleen moesten allerhande zaken formeel en praktisch worden afgehandeld, zoals bijvoorbeeld de betaalmiddelen: alleen al het om het jaar slaan en in omloop brengen van nieuwe munten, zoals hier 5-kroonmunten uit 1993 (ČR), 1991 (ČSFR) en 1989 (ČSSR) kost een paar kroon, maar dan heb je ook wat, namelijk een verscheurd land. En Slowakije mag dan ook nog eens Euromunten en -biljetten in omloop brengen (behalve de 10-Euromunt van Pascha – de zoveelste miskleun; zie dit eerder bericht). Ook circuleert het bericht dat er bij de verdeling van het materieel van de Tsjechoslowaakse Spoorwegen ČSD 2/3 naar de Tsjechische Republiek ging, en Slowakije met 1/3 genoegen moest nemen.
Dat laatste met name illustreert de mentaliteit die ik gaandeweg al op het spoor was gekomen: er heerste in Tsjechoslowakije, en zeker in Praag, een gevoel van suprematie dat zich ook doet gevoelen in Amsterdam, Parijs, Rome, Londen. Het al dan niet magisch centrum van de wereld bevindt zich in die Grote Steden; de rest eromheen is minderwaardige provincie. Niet iedereen lijdt aan die kwaal, velen wel. Daaruit vloeit ook voort dat sommige landen zich superieur voelen aan anderen. Denk aan een bestaand beeld van Nederlanders, Hollanders liever, ten aanzien van Vlaanderen, met de vele Belgenmoppen over domme Vlamingen als uitingsvorm, aan de wijze waarop ik Denen hoor reageren op Noren, Tsjechen op Slowaken, PVV-ers op Afrikanen – die lijst is wel erg lang te maken, zelfs als je het Nazidenken uit WO-II niet eens meetelt.
In mijn, overigens zeer gedegen en nuttige, colleges Tsjechisch ging ik ervaren dat Tsjechisch superieur is aan Slowaaks, want Tsjechen zijn superieur aan Slowaken, als betrof het een soort Ajax-Feyenoordsyndroom. Toen ik op zeker moment aan de docente vroeg waarom je in het Tsjechisch Itálie moest zeggen voor Italië, en waarom niet (ook) Taliansko, werd mij gedecideerd te verstaan gegeven dat Taliansko niet bestaat en dat zij dat woord ook niet kende. Nee. Klopt. Het is Slowaaks, en dat woord had ik achterop een LP-hoes gelezen. Maar die plaat was niet van Supraphon (Tsjechisch), maar van Opus (Slowaaks). Sorry, hoor.

Zo kom ik toch weer een beetje bij muziek.
De fraaie uitgave van de kerstmis van Ryba is, uiteraard, Tsjechisch. Het is een 270 pagina’s tellende volledige partituur in bijna A4-formaat, uitgegeven door, jawel, Supraphon in 1973 in 1000 exemplaren en door mij in 1978 aangeschaft voor de vasteboekprijs van Kčs 60, wat destijds neerkwam op ƒ 0,60, zwart gewisseld dan.
Voor de inleiding tekent PhDr. Eva Mikanová (1935-2010), gerespecteerd musicologe.
Die inleiding bevat veel nuttige informatie, zowel over Ryba zelf als over zijn bewuste compositie. Bijvoorbeeld de interessante observatie dat de hele mis in majeur is genoteerd, nergens dus een omslag naar mineur. En de notitie dat ten behoeve van het stembereik der sopranen de mis een volle toon lager is genoteerd, dus bijvoorbeeld het Kyrie van oorspronkelijk A-groot naar G-groot, omdat het bereik tot c”’ te hoge eisen stelt. Een zichzelf respecterende componist zou ervan gruwen, al moet ik daaraan toevoegen dat wij niet alles weten over hoe de instrumenten in vroeger eeuwen exact waren gestemd. De norm van a=440 Hz stamt van later datum. Ook appelleert zij aan de Boheemse boeren-oeruitvoeringswijze van pastorella’s die werden begeleid door doedelzakken, waarover ik hierboven ook al sprak; reden te meer om eerder aan het lokale platteland te denken dan aan de barok van Bach c.s.
Maar even treffend en opvallend vind ik de wat hautain overkomende ontkenning door het Praagse culturele establishment dat zij in haar hele inleiding met geen woord rept over de kerstmis van Pascha/Zrunek. Die beide Franciscanen waren immers Slowaken (als het tenminste geen Moraviërs waren), en naast de ‘verplichte’ Latijnse misteksten bevat die mis volkstaalteksten in het Slowaaks, en daar zitten ze in Praag niet op te wachten. Maar het zou me niks verbazen als Ryba die Slowaakse compositie van een halve eeuw eerder heeft gekend en er wat van heeft meegenomen, zal ik maar zeggen.

Pascha/Zrunek (ik blijf het maar in het midden houden) componeerden in 1750 een kerstmis die wel degelijk te bestempelen valt als een mengeling van barokmuziek en volksmuziek uit de Slowaaks-Moravische heuvelen. Mozart kwam er in geen geval aan te pas, want die werd pas in 1756 geboren, en van Mozart kun je zeggen wat je wilt, maar een prenataal wonderkind was hij niet. De vele versieringen wijzen op een baroktraditie zoals we die ook van Bach kennen.
Eerder al sprak ik in dit verband van “eindeloos herhaalde muzikale motiefjes, lydisch en niet-lydisch, met voorspelbare harmonisatie en om de melodie heen dartelende fluiten en violen, evenzeer barokkerig te noemen als kenmerkend voor lokale volksdansmuziek“.

Een frappant voorbeeld vinden we in het Credo, in het fragment dat begint met “Qui propter nos homines…” en dan, via een Slowaaks intermezzo culminerend in “Et incarnatus est de Spirito Sancto ex Maria virgine et homo factus est.” (Gelukkig hoef ik hier geen tekstverklaring of bijbelexegese te geven…).
Trek er even 2½ minut voor uit om dat
te beluisteren door hierboven te klikken.

Ter aanvulling geef ik hier de door dirigent Miroslav Venhoda handgeschreven partituur van de laatste passage van dat fragment; je kunt dan nog beter de afzonderlijke partijen bekijken en beluisteren, vooral die van de baslijn bij diverse instrumenten.

_______________________________

Wien mij kan helpen aan een exemplaar van Mária Jana Terrayová, Vianočná omša F dur = Weihnachtsmesse F-dur : Harmonia pastoralis,  uitgegeven door Opus Bratislava 1987, met daarin de volledige partituur, valt eeuwige dankbaar- en erkentelijkheid alsmede roem ten deel.
___________________________________
Links naar eerdere berichten over dit onderwerp met ook beeld- en geluidsfragmenten (openen in een nieuw venster):
Kerstroep-1 (het eerste uit een reeks van 7 artikelen, waarin je onderaan steeds kunt linken naar een vorig/volgend artikel.
Kerstmix (recent artikel van eerder deze maand over kerstliederen).

 

Kerstroep-5: Gloria

In het Gloria trekt Pascha (of Zrunek) alle registers open. Ik zal dat toelichten op drie niveaus: dat van de tekst en de context, dat van de gebruikte instrumenten en dat van de muziek en harmonisatie.
En verzuim niet voor en na het lezen van dit artikel de eerder al genoemde YouTubelink te volgen en het Gloria te beluisteren, dat loopt van 4’10” tot 16’36”. Dik twaalf minuten, da’s niet niks.

Net als alle andere onderdelen van de mis is ook het Gloria onderverdeeld in secties/modulen. Na de modulen A, B en C van het Kyrie omvat het Gloria de modulen D t/m W. En meteen al in sectie D is het kerkvolk wakker geschud: na de bekende gregoriaanse aanhef “Gloria in excelsis Deo” volgt er een rauwe stoot van een overgeblazen dulciaan die in glissando naar de grondtoon F afdaalt. Daarop roept een herder (bariton solo) de dorpelingen wakker – er is iets aan de hand. En weer het glissando van de dulciaan. Het zijn in totaal 18 seconden. Beluister ze HIER. Daarna volgt de rest van het kerstverhaal.

Tekst en context
Min of meer parallel aan de onderverdeling in secties is de wisseling tussen Latijnse en Slowaakse tekstpassages. De Latijnse passages volgen de “officiële” tekst van het Gloria, met weglating van enkele delen. Vergelijk de tekst hieronder op dat punt maar met de complete tekst die je op Wikipedia kunt vinden, als je hem niet nog uit het hoofd kent. Dat die Latijnse delen soms wat onbeholpen en zonder de passende dictie zijn getoonzet, in tegenstelling tot de perfect getoonzette Slowaakse delen, zal ik bij het Credo nog nader toelichten. In ieder geval lijkt het erop dat de componist de Latijnse tekst van beduidend minder waarde achtte voor het gestelde doel: een volksmis maken.

Hieronder de Gloria-tekst zoals ik die heb gevonden op zrunek.info. Daar wordt er een (complete) Engelse en (incomplete) Duitse vertaling bij gegeven, zodat ik niet ook nog een Nederlandse vertaling denk te hoeven produceren. Omdat de hier weergegeven tekst op onderdelen en zeker in de spelling afwijkt van de Venhoda-versie die ik volg, heb ik de tekst hier en daar enigszins aangepast. Spellingsvarianten bij een tekst uit 1770 zijn uiteraard niet zo verwonderlijk; dat geldt ook voor Nederlandse teksten uit de Gouden Eeuw en later. Bovendien hebben we hier te maken met een tekst in een Slowaaks-Moravisch grensdialect, hetgeen de spellingszaak niet simpeler maakt.
De Latijnse tekstdelen staan cursief. In rood de letters van de secties in de partituur.

D
Gloria! Bratrové, [v]stávajte!  (Gloria! Brothers, arise!)
Gloria! Na retu volajte!  (Gloria! Call out for help!)
Gloria! Zahynúť nedajte!  (Gloria! God preserve us!)
Gloria! Ozaj nás tu straší, v tom našem salaši,  (Gloria! Hark, terror has seized us)
Gloria! počúvajte!  (Gloria! in our sheep fold!)

E
Gloria! Počuj, Jano, vejdi ven,  (Gloria! Listen John, come out,)
nech sa ozve, kerý ten,  (let whoever wants to speak)
nech si neprefentuje v salaši,  (don’t try to boss us,)
nech si nerozkazuje.  (don’t try to bully us.)
A keď sa neponíži, že mu Juro poslúži,  (And if there’s one who won’t show respect, then George)
zahude mu na hlavje polenem,  (will serve him well with a log over his head,)
já to dvakrát neréknem.  (I won’t tell you twice.)

F
Gloria in excelsis Deo!  (Glory to God in the highest!)

G
Já sem jeden valach starý, dobre počúvajte,  (I am an old shepherd, listen to me,)
poslaný od starej rady, koho tu hledáte,  (I have been sent by the Elders, who are you looking for?)
a ked mi nepovíte, veru sa osmjelím,  (And if you won’t tell me, I’ll venture to beat)
a vám bok s dreveným olejem namastím!  (your side with a wooden stick!)

H
Gloria in excelsis Deo! (Glory to God in the highest!

I
Nebojte sa, pastíri, noviny počujte:  (Fear not, shepherds, listen to my news:)
porodila Panenka,  (the Maiden has given birth,)
do Betlema bježte,  (run to Bethlehem,)
kterého ste čekali, a od vjekú žádali,  (to the one you have waited and called for for so long.)
dnes sa vám juž narodil, slávu svú vyjevil,  (Today He was born and revealed His glory,)
protož nemeškajte dary sebú berte,  (so don’t tarry, take gifts with you,)
jeho privítejte, ,Gloria‘ spívajte:  (welcome Him, sing Gloria:)

J
Gloria in excelsis Deo!  (Glory to God in the highest!)

K
Et in terra pax hominibus bonae voluntatis.  (and on earth peace to people of good will.)

L
(Recitativo)
Juž sem vykonal rozkaz starej rady  (I have fulfilled the command of the Elders)
a čo sem tam počul, ani by ste sa nenazdali,  (and you wouldn’t believe what I’ve heard.)
prišli anjelové k našemu majíru,  (Angels have come to our fields,)
spívajíce slávu Mesiáši Králu,  (singing glory to the Messiah, the King)
že sa juž narodil v Betlehemje mjeste,  (born in the town of Bethlehem,)
a to mi pravili, pospolu tam bježte.  (and they told me, run there together.)
A já na to myslím, by sme se zebrali  (And I think we should gather)
a o tejto vjeci dobre se poradili,  (to discuss this matter,)
my sme sprostí lidé, a to je Pán velký,  (we are simple folk, and the Lord is great,)
není to malá vjec, k takému Pánu jíti,  (it’s no small thing to behold such a Lord,)
včilej je púlnoci, vstávajte pospolu,  (it’s now midnight, arise one and all,)
at’ móžeme dojít do dňa k Betlehému!  (so that we can reach Bethlehem by morning!)

M (instr.)
N
Laudamus te, benedicimus te, adoramus te,  (We praise you, we bless you, we adore you,)
glorificamus te;  (we glorify you;)
Gratias agimus tibi, propter magnam gloriam tuam.  (We give you thanks for your great glory.)

O (instr.)
P
Ked sme sa zebrali,  (Now we have gathered,)
poradme sa tady,  (let us discuss)
čo si veznem.  (what to bring with us.)
Domine Deus, Rex Coelestis, Deus Pater.  (Lord God, heavenly King, O God the Father.)
Jeden vezne gajdy,  (One of us should take)
zagajduje všady,  (some bagpipes and play)
kady pújdem.  (wherever we go.)
Domine Fili unigenite, Jesu Christe.  (Lord Jesus Christ, Only Begotten Son.)
Na peci sú husle, na lavici drumle,  (There is a violin on the stove, a Jew’s harp on the bench,)
píščalky sú v košári, na hrebíku trúby,  (and pennywhistles in the fold, hanging on a nail,)
juhás nech zatrúbi tú včerajšú.  (let the young shepherd blow his horn and play the tune from yesterday.)
Domine Deus, Agnus Dei, Filius Patris.  (Lord God, Lamb of God, Son of the Father.)
Sláva Bohu Otci,  (Glory be to the Lord our Father,)
nech jest rovnej moci,  (may He be equal in power)
Ježišku malému, dnes narozenému,  (to baby Jesus, born today,)
Králičku našemu, hop, hop, hop, hop.  (our infant King, hop, hop, hop, hop.)
Dana, dana, dajdom, dana, dana, didom,
dana, dana, dajdom, dini, dini, didom,
dajdom, dajdom, dajdom, dajdom, dajdom.

Q
Qui tollis peccata mundi.  (You take away the sins of the world.)

R
O Beránku tichý, který snímáš hríchy,  (O peaceful Lamb, who takes away our sins,)
my sme k Tobje prišli,  (we have come to You,)
príď zas ty k nám, chceš-li,  (come to us if You want,)
nehanbi sa za nás, že sme lidé hríšní.  (don’t be ashamed of us, that we are sinful people.)

S
Qui sedes ad dexteram Patris.  (You are seated at the right hand of the Father.)

T
Prijmi naše dary, které sme Ti vzali,  (Accept the gifts, which we have brought for You)
až nám víc požehnáš naše koze bary,  (so that You bless us more, and may he who gives You)
zaskočí kerý-ten, lepší Ťa obdarí.  (most gifts enjoy the finest goats and rams.)

U
Quoniam tu solus Sanctus, tu solus Dominus.  (For you alone are the Holy One, you alone are the Lord.)
Tys’ Svatý nad svatými,  (You are holy, the holiest)
nejvyšší na nebi, ó, Ježiši,  (of Holiest in Heaven, oh Jesus,)
my to uznáváme, za pravdu držíme,  (that is what we believe, we believe that)
že si Ty Mesiáš, tu solus, si Svatý,  (You are the Messiah, You are Holy,)
tu solus, si Svatý nad svatými.  (you are Holy, Holiest of the Holy.)

V
Cum Sancto Spiritu in Gloria Dei Patris. Amen.  (With the Holy Spirit in the glory of God the Father. Amen.)

W
Jano, počni, jako umíš, na píščalku,  (Start playing the pennywhistle as well as you can,)
však ti Jano zanotuje všelijakú.  (John will sing you any song.)
Nadarmo si štyri hukny nové zedral,  (You didn’t wear out four straps for no reason,)
keds’ na muziku k rechtorovi chodíval,  (when you went to the music master to learn how to play,)
probuj ješče, dám ti fruštuk,  (try again, I’ll give you breakfast)
jestli vyvedeš majsterštuk,  (if you play a masterpiece,)
páleného, ovseného!  (I’ll pour you a shot of oat wisky!)
Jaj, prosím ťa, zanechaj tak,  (Or better, leave it, please,)
ješče ti dám jeden turák,  (I’ll give you another coin instead)
nerob račši hanbu vječší.  (so that you don’t embarrass yourself anymore.)
Ondrej, vezmi tvú farfajku, všaks’ ty múdrý,  (Andrew, take your trumpet because you)
býváš mezi muzikanty všady první.  (were clever among musicians, always first.)
Trúb, Ondrejko, veselo,  (Play the trumpet cheerfully)
aby to všade znelo v Betlehemje.  (so that you can hear it everywhere in Bethlehem.)
Juro juž gajdy nadúvá,  (George is already blowing the pipes,)
huk na pleco si zapíná,  (putting the strap on his shoulder,)
dobre hrajte, Boha chválte,  (play well, praise the Lord,)
dajdom, dajdom, dajdom, dajdom!

Het Slowaakse deel geeft ons het welbekende kerstverhaal: een van de herders ziet een fel lichtende komeet langs de hemel trekken en hij alarmeert de oudste van het dorp. Zie in dat verband de prachtige, door Josef Lada vervaardigde animatiefilm bij het Kyrie van Ryba, waaruit ook het screen shot hierboven is genomen.
In niet mis te verstane bewoordingen sommeert de dorpsoudste dan de anderen te talmen noch te dralen, naar buiten te komen en mee te gaan. Immers, hij heeft, behalve de komeet, ook nog engelen gezien en gehoord die kwamen aanvliegen en hem vertelden dat ze allemaal de komeet moeten volgen naar Bethlehem omdat daar een koning is geboren. De herders voelen zich wat ongemakkelijk: zij als eenvoudige boerenlieden op bezoek gaan bij een koning… En wat moeten ze dan wel niet als cadeautjes meenemen?
Uiteindelijk gaan ze op pad, de komeet achterna, op kraamvisite in Bethlehem.
Het is de Slowaakse versie van ons “’t Is geboren, het god’lijk kind. Komt, herders, speelt op uw feestschalmeien…”

Een dergelijk verhaal sprak de boerenbevolking van het dorp wel aan, bracht hun de mystiek, de magie van het wonder bij en de uitdrukkelijke oproep daarvan getuige te zijn en daarbij zelf aanwezig te zijn. Lezen konden de meesten niet, maar juist dan vertoont zich de kracht van de orale overlevering: het steeds maar weer doorvertellen van hetzelfde verhaal (bedenk dat bij Ryba hetzelfde verhaal in de mis wordt verteld!). Beide kerstmissen zijn, volgens diverse bronnen, dan ook bepaald niet gecomponeerd om binnen kloostermuren te worden uitgevoerd. Nee, ze hoorden thuis in de dorpen, op het platteland, in onherbergzame streken, waar de te kleine en te koude kerkjes gevuld waren met muzikanten uit het dorp die hun eigen lokale, zelfvervaardigde instrumenten bespeelden, en verder met zoveel mogelijk dorpelingen als maar mogelijk. Misschien was een enkeling te ziek. Misschien bleef er wel iemand achter om op het vee te passen, opdat niets ervan ging uitweiden of werd geroofd. Misschien ook namen ze het meest kwetsbare deel van het vee, de lammetjes, wel mee naar de kerk. Daarover meer bij het Benedictus. Samen verwoordden en bezongen ze het kerstverhaal, voor hen de opening naar een beter leven – niet voor niets is kerstmis niks anders dan het heidense midwinterfeest, de zonnewende, waarna de dagen lengen en de lente dra zal volgen.
In die context valt het Gloria met al zijn verrassende veelzijdigheid goed te plaatsen.

Instrumentatie
Op de hobo’s en de fagot na komen alle instrumenten die ik in Kerstroep-2 heb opgesomd in het Gloria aan bod. Het valt mij op dat in bijna alle YouTube-films van de mis nogal wat van die volksinstrumenten ontbreken: niet iedereen heeft immers thuis nog een nonnenviool in de kast staan, of een schalmei, of een dulciaan. Voor de Venhoda-uitvoering lag dat anders: de Praagse Madrigalisten waren destijds sterk gelieerd aan de muziekafdeling van het Nationaal Museum, en daar waren die authentieke volksinstrumenten in bespeelbare staat aanwezig. Anderen, die minder geluk hebben, moeten zich met vervangende instrumenten behelpen, wat overigens nog wel op aanvaardbare wijze is te doen: neem voor de nonnenviool een trompet of trombone (zachtjes bespelen), voor de dulciaan, een soort kromhoorn, en de schalmei kan eventueel een fagot resp. klarinet worden gekozen. Voor de zink zo’n lange waldhoorn of Alpenhoorn; niet zo’n ronde koperen – men had daar destijds geen duur koper. En als er geen cymbaal voorhanden is, kan als uitstekend equivalent een santoor uitkomst bieden, al is dat ook geen alledaags instrument. Iets dergelijks zal er toch wel moeten zijn, want de cymbaalpartij is uiterst karakteristiek voor deze mis en voor de weergave van de lokale folklore van West-Slowakije. Voor het orgel geldt dat het beslist niet een van die majestueuze Praagse topstukken moet zijn, maar een bescheiden dorpsorgel. Veel wordt er niet van geëist, als het maar harder en zachter kan spelen, desnoods met een zwelpedaal.
Eigenlijk moeten alle gebruikte instrumenten naar gras en mest rieken.

Muziek en harmonisatie
Wat bij het luisteren eenvoudig opvalt, is dat de muziekgedeelten met Latijnse tekst bijna steeds (maar Pascha is daarin niet strikt consequent) westers, d.w.z. Duits/Oostenrijks zijn georiënteerd, terwijl de passages met Slowaakse tekst meer de kenmerken van Balkanmuziek dragen. Dat blijkt niet alleen uit de al eerder gememoreerde lydische toonladder, maar ook uit het ritme. Weliswaar staat het hele Gloria genoteerd in 2-, 3- of 4-kwartsmaat, dus nergens bijvoorbeeld een 5- of 7-kwartsmaat, maar ritme is iets anders dan maat. Waar wij eraan zijn gewend dat je bij een vierkwartsmaat de nadruk legt op de eerste tel, eventueel een lichtere nadruk op de derde, accentueert het ‘Balkanritme’ juist nadrukkelijk de tweede en vierde tel, wat een opzwepend effect heeft en zeer zeker zijn invloed heeft op de volksdans die bij die muziek wordt uitgevoerd.
Module L bestaat uit een heus recitatief. Dat is zeer opmerkelijk. Weliswaar was het recitatief al in zwang gekomen in passies (de Matthäus!), oratoria en meer nog in de opera, maar in een mis, en zeker in een dorpsmis, ver weg van de cultuurtempels der grote steden, moet het een nouveauté van de eerste orde zijn geweest. Het betreft hier een zogenaamd recitativo accompagnato: een solist, hier een zware basstem, vertelt al zingend schier maat- en ritmeloos, slechts het ritme van de zinnen volgend, zijn verhaal en hij wordt daarbij ondersteund door diverse instrumenten. In dit geval zijn dat het orgel, strijkers, fluit en basfluit, vooral het cimbaal, en in de laatste akkoorden: tutti. Wat deze begeleiding hier doet, is precies wat muziek moet doen, namelijk het ondersteunen van de gezongen tekst, het creëren van een ambiance waarin die tekst beter tot uiting komt, het neerzetten van rustmomenten. Bij goede filmmuziek is het niet anders. Nieuw of niet, de dorpelingen in de plaatselijke kerk zullen er kippenvel bij hebben gekregen, want op deze wijze moet de tekst indringender zijn overgekomen dan wanneer die gewoon was voorgelezen, of in het strakke keurslijf van een 2-, 3- of 4-kwartsmaat was geperst.
Aan het einde van het recitatief treedt iets bijzonders op: een in de barokmuziek doorontwikkelde vorm van een versiering aan het einde van een recitatief (zie daarvoor Willemze (1979), §713. In plaats van de verwachte terugkeer naar de grondtoon zou er bij het laatste woord Bet-le-hé-mu moeten staan: a-bes-f-f, maar er staat, en wordt ook gezongen: a-bes-bes-f. Willemze geeft aan dat dit type versiering in brede kring voorkwam, van Händel tot Verdi. Daarom is het niet zo verrassend het
 in 1770 bij Pascha tegen te komen. Niet verrassend, wel opmerkelijk.

Voor mij is L het hoogtepunt van dit Gloria, en daarom heb ik het 1’40” durende recitatief HIER even apart te luisteren gezet.
Maar beter nog is het, dit Gloria in zijn geheel enkele malen aandachtig te beluisteren en er de schoonheid van te ervaren. 

_______________________________________________________
Voor een Engelse vertaling van de Slowaakse en Latijnse teksten zie de zrunek-info; vertaling buiten mijn verantwoordelijkheid.

Vorige berichten:
Kerstroep-1: Jakub Jan Ryba
Kerstroep-2: Edmund Pascha (?)
Kerstroep-3: Pascha documentatie
Kerstroep-4: Kyrie
Volgende berichten:
Kerstroep-6: Credo
Kerstroep-7: Sanctus-Benedictus-Agnus Dei 

Kerstroep-3: Pascha documentatie

Voordat ik overga tot een gedetailleerde beschrijving van Pascha’s (of Zruneks) Vianočná Omša geef ik hier eerst een opgave van de broodnodige documentatie. Wie erin is geïnteresseerd, kan zich daarmee behoorlijk in de materie inlezen en een uitvoering van de kerstmis beluisteren.
Mocht iemand nog aanvullingen hebben, dan houd ik mij van harte aanbevolen.

 

 

Om te luisteren:
Teneinde mijn beschikbare serverruimte niet te zeer te belasten, verwijs ik voor een zeer goede weergave van de kerstmis, in de door mij beschreven uitvoering door de Praagse Madrigalisten o.l.v. Miroslav Venhoda, naar DEZE link in YouTube. Totale lengte: bijna 34 minuten.

Om te lezen:
De volgende bronnen zijn door mij gehanteerd of nog te raadplegen.
Onlangs was de redactie van het Slowaakse tijdschrift Katolické Noviny (Katholiek Nieuws) zo vriendelijk mij een fotokopie toe te sturen van het artikel van Gajdoš uit 1973, waarvoor mijn hartelijke dank.
Naar het boek van Terrayová (1987) en het artikel van Kačic ben ik al geruime tijd vruchteloos op zoek. Het boek is uitverkocht en antiquarisch ben ik het nog nergens tegengekomen. Hetzelfde geldt voor het nummer van het tijdschift Hudobný život. Wie een tip heeft (of een exemplaar!) kan zich bij mij onsterfelijk maken.

  • Buchner, Alexandr en Jaroslv Pohanka, Hudební nástroje ve vývoji České instrumentální hudby. Praha. Státní hudebni vydavatelství. 3e druk 1963. 20 blzz.; A-5. Z/w-foto’s.
  • Demo, Ondrej, Z klenotnice slovenských l‘udových piesní. Bratislava. Opus 1981. 408 blzz.; 25×18 cm. Foto’s in kleur en z/w. [Bundel met 477 Slowaakse volksliedjes].
  • Gajdoš, V.J.Slovenské texty v Paschovej Vianočnej omši. In: Katolícke noviny, Vianoce [Kerstmis] 1973. Bratislava. Katolické Noviny 1973.
  • Höweler, Casper, XYZ der muziek. Haarlem. De Haan. 21e druk 1976.
  • Kačic, Ladislav, Juraj Zrunek – autor Harmónie pastoralis? In: Hudobný život, jg.26, 1989, nr.26, p. 10. Bratislava. Hudobný život 1989.
  • Kunz, Ludvík, Die Volksmusikinstrumente der Tschechoslowakei. Teil 1. Leipzig (DDR). VEB Deutscher Verlag für Musik 1974. Serie Handbuch der europäischen Volksmusikinstrumente. Herausgegeben von Ernst Emsheimer und Erich Stockmann. Serie I-Band 2. 188 blzz.; A4. Rijk geïllustreerd in z/w met tekeningen en foto’s. Registers.
  • Pascha, Edmund, Vianočná Omša F dur/Koledy / Christmas Mass/Carols. LP. Bratislava. Opus 1973. Stereo-LP 91120208. Pražskí Madrigalisti/Miroslav Venhoda. Hoestekst [Slowaaks en Engels]: Mária Jana Terrayová.
  • Pascha, Edmund, Vianočná Omša F dur/Koledy. LP. Praha. Supraphon 1969. Stereo-LP 1120821. Pražskí Madrigalisti/Miroslav Venhoda. Hoestekst [Slowaaks]: Mária Jana Terrayová.
  • Reinberger, Jiří (samenst.), Pražské Varhany [Praagse orgels]. Dubbel-LP. Praha. Supraphon/Gramofonový Klub 1969. Stereo 1110661/1110662. [Bevat tevens tekstboek (20 blzz.) met toelichtingen en foto’s van Praagse orgels.]
  • Ryba, Jakub Jan, Česká Mše Vánoční/Böhmische Hirtenmesse. Partitura/Partitur. Bew. Josef Hercl. Duitse vertaling Helmut Fritsch. Praha/Hamburg. Editio Supraphon/Anton J. Benjamin 1973. XII+270 blzz.; 26×19 cm. [Volledige partituur met teksten in Tsjechisch en Duits.]
  • Ryba, Jan Jakub, Czech Christmas Mass. 16 blzz.; 29×29 cm. Tekstboek bij LP Supraphon SUA ST 50768. Volledig libretto in Tsjechisch, Engels, Duits en Frans. Praha. Supraphon/Artia z.j. [1963].
  • Ryba, Jan Jakub, Czech Christmas Mass/Pastorelle Sweet Nightingale. LP Supraphon SUA ST 50768. Czech Philharmonic Chorus/Prague Symphony Orchestra. Conductor Václav Smetáček. Opnamen uit 1963. Praha. Supraphon/Artia z.j. [1971].
  • Terrayová, Mária Jana, Edmund Pascha. Vianočná Omša F dur. Bratislava. Opus 1987. [Facsimile-uitgave van originele autograaf en commentaar]. 2 (3?) delen. OCLC nummer 165530159.
  • Vanický, Jaroslav en Miroslav Venhoda (samenst.), Prague National Museum. Historical Musical Instruments. LP Supraphon SUA 10741. Praha. Supraphon/Artia 1966. Hoestekst [Engels, Russisch, Duits, Frans]: Jaroslav Vanický.
  • Venhoda, Miroslav (arr.), Edmund Pascha. Vianočná Omša in F. [Handgeschreven volledige partituur]. Praha 1969. 130 bladen in folio.
  • Vranecký, Joža Ország, A měl sem já píščalenku. O lidových hudebních nástrojích, dětských hříčkách a hrách na Moravském Valašsku. Ostrava, Krajské Nakladatelství 1963. 138 blzz. + 30 z/w-foto’s; 21×15 cm. Z/w-illustraties. Registers. Resumé in Russisch en Duits. [Over volksmuziekinstrumenten, kinderspelen en kinderspeelgoed in Walachije (Oost-Moravië)].
  • Willemze, Theo, Algemene muziekleer. Utrecht/Antwerpen. Uitgeverij Het Spectrum. 7e druk 1979. Aula 644. 532 blzz. Z/w-illustraties. Uitgebreide registers. ISBN 9027454043.
  • Willemze, Theo, Muziekinstrumenten. Utrecht/Antwerpen. Prisma-Boeken 1966. Prisma-Compendia 29. 448 blzz. Z/w-illustraties. Register.
  • Zrunek, Gregorius, Harmonia Pastoralis/Prosæ Pastorales. [Handschrift verlucht met klurenillustraties, bevattende 2 Latijns-Slowaakse missen en de Latijnse antifoon Tota pulchra, alsmede een verzameling van 25 kerst-, nieuwjaars- en driekoningenliederen/-pastorella’s]. Žilina 1766. [Bibliotheek Franciscanenklooster Žilina, sign. A XXXVIII/67]
  • Daarnaast talloze internetpagina’s, voor een groot deel bij Wikipedia en op YouTube.

__________________________________________
Vorige berichten:
Kerstroep-1: Jakub Jan Ryba
Kerstroep-2: Edmund Pascha
Volgende berichten:

Kerstroep-4: Kyrie
Kerstroep-5: Gloria
Kerstroep-6: Credo
Kerstroep-7: Sanctus-Benedictus-Agnus Dei  

 

Kerstroep-2: Edmund Pascha (?)

Al geruime tijd is het een van mijn onvervulde dromen geweest ooit eens een uitvoering te mogen verzorgen van de Slowaakse Vianočná Omša uit ±1770 van Edmund Pascha, de kerstmis waarop ik in het vorige artikel doelde.
Maar tussen droom en daad…
Iets over lastige bezwaren en een juweel van een compositie.

 

Allereerst moet ik het over een afknappertje hebben.

Tientallen jaren al doen geruchten de ronde dat niet Edmund Pascha de componist is van deze mis, maar dat die moet worden toegeschreven aan Jozef Juraj (Georg) Zrunek (1736-1789), tijdgenoot van Pascha en eveneens Franciscaan, organist en componist in het Franciscanenklooster te Žilina. Harde bewijzen ontbreken.
Het enige origineel dat we bezitten, is een manuscript uit 1770, Harmonia pastoralis, waarin de hier besproken kerstmis voorkomt; zie het begin daarvan hiernaast.
Die foliant, je weet hoe zoiets gaat, werd pas in 1930 op een stoffige kloosterzolder ‘ontdekt’ door een andere Franciscaan, pater Celestín Alojz Lepáček, die er in een aantal artikelen ruchtbaarheid aan gaf. Toen duurde het nog bijna 40 jaar voordat Miroslav Venhoda van de Praagse Madrigalisten een georchestreerde uitvoering ervan op langspeelplaat uitbracht – met Pascha als vermeld componist. De twijfels kwamen pas later, eind jaren-’80. Inmiddels is het al een dusdanige onzekerheid geworden, dat de Nationale Bank van Slowakije in juli 2013 besloot de zilveren €10 Pascha-herdenkingsmunt uit de planning te halen, waarvan de uitgifte voor november 2014 op de kalender stond. Al mijn pogingen om aan die munt te komen, liepen dus steeds stuk op van niets wetende handelaren en verouderde websites. Uiteindelijk vond ik het “press release statement” van de NBS uit 2013:

The Bank Board decided that a €10 silver collector coin commemorating the 300th anniversary of the birth of the musician Edmund Pascha will be removed from the 2014 issue plan for Slovak commemorative and collector coins. The decision was taken after experts at the Slovak Academy of Sciences (from the Institute of Musicology and Ján Stanislav Institute of Slavistics) disclosed new information indicating that significant Baroque compositions credited to Edmund Pascha were not written by him.

Men wilde er dus de vingers niet aan branden, al twijfelt niemand eraan dat Pascha toch echt in 1714 was geboren, noch aan het feit dat hij musicus was. Waarom dan niet op z’n minst een nikkelen €5 herdenkingsmunt?

Pascha of Zrunek, de compositie wordt er niet minder om, en mijn waardering ervoor al evenmin. Gemakshalve houd ik het hier op Pascha, maar de voetnoot is bij dezen geplaatst.

We bezitten, zoals gezegd, één authentieke bron van de mis. Daarin treffen we de meerstemmige zangpartij aan met orgelbegeleiding en schaarse aanduidingen voor andere instrumenten als klarinet, fluit en tuba. In de jaren-’60 heeft Miroslav Venhoda (1915-1987), musicoloog en dirigent van de Pražští Madrigalisté, samen met musicoloog Jaroslav Krček gewerkt aan een volwaardige, grote orkestversie van de mis. Die werd vervolgens uitgevoerd in december 1969, van welke uitvoering een plaatopname verscheen bij Supraphon (1969) en later nog bij Opus (1973). In 1995 verscheen de CD-versie. Het is deze ‘wereldpremière’ die ik als uitgangspunt neem en ik zal verderop ook verklaren waarom ik dat doe.

Er zijn nog andere arrangementen en orkestraties van deze mis in F van Pascha/Zrunek vervaardigd. Op internet vind je bijvoorbeeld enkele uitvoeringen van de op naam van Zrunek geafficheerde versie. Helaas vrij amateuristische opnamen: kleumende zangers en orkestleden in een kerkje dat op instorten lijkt te staan, slecht camerawerk, slechte geluidsopname/mixage en dan ook nog eens een vrij zwak muzikaal niveau. Dat alles in een compleet andere orkestratie dan die van Venhoda. Jammer van die slechte kwaliteit, want mogelijkerwijs is deze ‘Zrunek-variant’ authentieker, dichter bij het origineel, dan de veel hoogstaander, maar gecultiveerde ‘Venhoda-versie’. Ik raak hiermee aan een discussie die we al decennialang kennen rond de Matthäus Passion: moet je kiezen voor een soberder, want authentiekere versie of voor een meer barokkerige, tegen het romantische aan. Dat het juist Mendelssohn was die de Matthäus herontdekte, zal wel aan die discussie mede ten grondslag liggen.

Overigens ontken ik met klem dat de sobere, kale versie die van Zrunek zou zijn en de vollere, meer theatrale die van Pascha. De interpretatiekwestie is een geheel andere dan de auteurskwestie. Maar omdat op de Venhoda-platen en CD’s nu eenmaal “Pascha” staat, en bij de sobere YouTube-varianten, zoals die uit het West-Tsjechische Kadaň “Zrunek”, lijkt die parallellie te bestaan, zij het dan ten onrechte. Ik ga daar verder niet op in, ook niet op de vraag wat ‘beter’ is. Laten de rekkelijken en preciezen het onderling maar uitvechten.

De mis die ik hier in het vervolg onder de loep neem, is traditioneel opgebouwd: Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus/Benedictus en Agnus Dei. De grote verrassing zit in de tekst: de Latijnse teksten volgens het ordinarium blijven wel grotendeels gehandhaafd, maar zij worden gelardeerd met Slowaakse pastorella’s, teksten van herdersliedjes uit de lokale folkloristische traditie. Misschien kunnen we beter stellen: de mis bestaat uit Slowaakse pastorella’s die worden gelardeerd met Latijnse teksten uit het misboek. Pascha, volkstaalliturgist-avant-la-lettre, scheen ervan overtuigd te zijn dat het kerkvolk meer gebaat was bij herkenbare verhalen uit de eigen streek dan bij onverstaanbare en onverklaarbare Latijnse formules volgens een rite die niet des volks was. Dat werd hem overigens niet in dank afgenomen: ergens in het manuscript uit 1770 staat als bijschrift bij een van de Slowaakse passages “hic textus slavonicus nihil valet” (“deze Slowaakse tekst hier is helemaal niks waard”). Op die teksten kom ik in een vervolgartikel nog nader te spreken.

Muzikaal gezien is het van hetzelfde laken een pak. Bedenk dat de compositie ontstond, en vermoedelijk ook oorspronkelijk werd uitgevoerd, in het grensgebied van Oost-Moravië en West-Slowakije. Dat is meer dan de huidige staatsgrens tussen de Tsjechische Republiek en Slowakije; het is ook de scheiding tussen het meer op Oostenrijk en Zuid-Duitsland georiënteerde westen tegenover het meer op Hongarije en de Balkan georiënteerde oosten. Dat heeft zo zijn consequenties, want Tsjechische barok is iets anders dan Slowaakse barok. In deze mis vinden we beide terug, bijvoorbeeld in de vermening van de (West-Europese) grotetertstoonladder en de (Oost-Europese) lydische toonladder, de toonladder met de overmatige kwart. Om het simpel te houden: speel op de piano van f naar f op alleen maar witte toetsen en je hebt een lydische toonladder; luister maar even 2 seconden naar DEZE basstem, met name de vierde noot. Speel je van c naar c dat heb je de ‘gewone’ grotetertstoonladder; DIE zingt dezelfde bas zes maten verderop. Let weer op de vierde noot.
Het verschil blijkt ook uit de frequente wisselingen van het ritme: naast de ‘gewone’ drie- en vierkwartsmaten horen we vaak meer complexe ritmes die refereren aan folkloristische dansen uit de Balkan.
En, niet in het minst: de gebruikte instrumenten, althans zoals Venhoda die na jarenlange studie erin heeft aangebracht en die hem ook ter beschikking stonden vanuit het Nationaal Museum in Praag, waarmee de Madrigalisten destijds zo nauw waren verbonden.

Tableau de la troupe:

  • vierstemmig koor (2 sopranen, 2 alten, 1 tenor, 2 baritons, 1 bas)
  • 2 blokfluiten
  • basfluit
  • 2 hobo’s
  • schalmei
  • zink
  • dulciaan
  • fagot
  • cimbaal
  • orgel
  • eerste viool
  • tweede viool
  • derde viool/viola
  • cello
  • nonnenviool (trumšajt; zie hieronder)
  • bas viola da gamba
  • contrabas
  • bellen
  • pauken
  • grote trom 

Dat heb je op zondagochtend niet zo maar bij elkaar in de dorpskerk.

Wellicht het meest onbekend is die nonnenviool, in het Tsjechisch en Slowaaks trumšajt of trumšejt genoemd, in het Duits Trumscheit of Rumpelmarie.
Het is een tussen 94 en 112 cm lang strijkinstrument met één enkele snaar (latere versies ook met 2 of 3 snaren) die door een staande speler met een strijkstok wordt bespeeld. Het meest kenmerkende aspect van deze tromba marina (een verbastering van Trompette Marianne) is dat de kam waarover de snaar onderaan loopt de vorm heeft van een damesschoentje waarvan de hoge hak vastzit aan de ter plaatse versterkte klankkast, maar de neus ietsje boven de klankkast zweeft. Komt nu de snaar in een trillende beweging, dan ratelt dat teentje klepperend tegen de klankkast, hetgeen een trompetachtige klank voortbrengt. ZO dus ongeveer.
Het instrument is tot in de 19e eeuw in Centraal Europa in zwang geweest, maar inmiddels overal van het toneel verdwenen.

Ik ga niet beginnen aan een vervolgartikel waarin ik de afzonderlijke delen van de Vianočná Omša behandel, voordat ik eerst de onontbeerlijke anekdote heb verteld die aan de wieg stond van mijn fascinatie voor deze kerstmis.

Ik kwam op het spoor van zowel de mis van Ryba als die van Pascha doordat een van mijn Praagse kennissen mij er begin jaren-’70 op attent maakte. Mijn bewondering was zo groot, met name voor die van Pascha, dat hij mij in contact bracht met Miroslav Venhoda, die kort daarvoor de mis op LP had uitgebracht. Ik sprak enige tijd met hem over die compositie en zei dat ik het geweldig zou vinden als die ooit ook eens in Nederland zou kunnen worden uitgevoerd. Hij vond dat een goed idee, maar opperde wel een stuitend bezwaar: van de Vianočná Omša bestond er geen enkele partituur. Toen ik verbaasd vroeg hoe hij dan de uitvoering had kunnen realiseren, liep hij even naar een andere kamer en kwam terug met een groezelig pak papier van 130 vellen op folioformaat. “Dit”, zei hij, lichtelijk verontschuldigend, “dit is het enige wat er is. Ik heb de mis met de hand uitgeschreven en er dirigeer- en regieannotaties bij geschreven.” Hoewel ik ervan overtuigd was dat er dan toch minstens ook wel deelpartijen moesten zijn voor het koor, de organist, en de andere instrumenten, stond ik stomverbaasd hoe Tsjechoslowaken erin slaagden met zo beperkte middelen een zo hoog muzikaal niveau te bereiken.

“Komt u nog vaker naar Praag?”, vroeg hij mij daarop. Ik antwoordde bevestigend, want ik reisde destijds zeker tweemaal ’s jaars naar de ČSSR. “Neem dit dan mee, dan kunt u het overschrijven of kopiëren, en brengt u het bij een volgend bezoek weer terug.”

Een ongehoorde geste: het unieke, handgeschreven exemplaar van een moeizaam tot stand gekomen compositie aan een wildvreemde buitenlander meegeven…

In Nederland heb ik toen zorgvuldig van elk blad een foto gemaakt met Agfa-Ortho documentfilm, en ik heb hem de bladen enige maanden daarna weer teruggegeven; kreeg bij dat bezoek weer allerhande nuttige speel- en uitvoeringsaanwijzingen, valkuilen en andere aandachtspunten van hem.

Veel later heb ik die diapositieven ook nog gedigitaliseerd, maar tot die tijd (computers hadden we nog niet, laat staan programmatuur om partituren uit te schrijven) ben ik eindeloos lang bezig geweest met de fijnste Rotring-pennetjes het geheel over te schrijven op bladen met 18 notenbalken onder elkaar. Een monnikenwerk, kan ik verzekeren. Ik ben, na vele jaren, ook nooit verder gekomen dan halverwege het Gloria.

Mocht er nog eens een moment komen dat een uitvoering tot de reële mogelijkheden gaat behoren, dan zal ik de hele partituur wel op de pc gaan invoeren.

 

 

___________________________________
vorig bericht:
Kerstroep-1 Jakub Jan Ryba
volgende berichten:
Kerstroep-3: Pascha documentatie
Kerstroep-4: Kyrie
Kerstroep-5: Gloria
Kerstroep-6: Credo
Kerstroep-7: Sanctus-Benedictus-Agnus Dei