Niet kijken – toch zien

Ik kom er even niet los van, een dialoog die wellicht eerder thuishoort in de psycholinguïstiek of sociolinguïstiek; of de argumentatieleer; of de logica – niet helemaal mijn terrein, maar niettemin toch interessant. 
Gedachtekronkels als de hier bedoelde heb ik ook in veelvoud te horen en te lezen gekregen van mijn universiteitsdocent Hugo Brandt Corstius, alias Piet Grijs, die mij als student zo vaak wist te triggeren met zinnen die balanceerden op het slappe koord van bevattelijkheid.

Het gaat mij nu om de passage onderaan op pagina 62 van de roman Rolien en Ralien van Josepha Mendels, eerste druk 1947, laatstelijk herdrukt in 2017. Eind jaren-’80 heb ik het boek gelezen, omdat een van mijn leerlingen het op zijn literatuurlijst voor het schoolonderzoek had gezet. In die roman is Rolien in gesprek met haar vader over schuttingtaal. Hij stelt vastberaden: “Dat is geen woord, maar een toevallige samenstelling van twee medeklinkers met een klinker in het midden (…). Wat overigens op schuttingen staat, moet je uitvegen of je moet er niet naar kijken“, iets wat op zich al een merkwaardige suggestie is. Maar het gevatte antwoord van Rolien stelt ons voor een raadsel: “Dan zal ik een stofdoek in mijn schooltas doen, want voordat ik er niet naar gekeken heb, heb ik het al gezien“.

Daarmee is het probleem bepaald: wat is het verschil tussen kijken en zien (en tussen luisteren en horen, want dat geeft een identieke complicatie).

Eerst even een grammaticale constatering: kijken en luisteren vereisen een voorzetselcomplement met naar; je kunt niet iets kijken of iets luisteren, terwijl zien en horen wel een gewoon lijdend voorwerp nemen: je hoort/ziet iets. Verder constateer ik dat het bij kijken of luisteren niet per se nodig is dat je ook daadwerkelijk iets ziet/hoort. Je kunt een hele nacht in bed liggen luisteren of je inbrekers hoort, zonder dat zij feitelijk wederrechtelijk binnendringen, of zo zij dat toch doen, zonder lawaai te maken. Met zien en horen ligt dat anders: dan is er echt iemand of iets het voorwerp van waarneming. Wil je kijken of luisteren koppelen aan een bepaald iets of iemand, dan hebben we daarvoor in het Nederlands de samengestelde vormen bekijken en beluisteren. Het voorvoegsel be– heeft de betekenis “helemaal, van alle kanten“, zoals je iets kunt bepalen of beperken door er paal en perk aan te stellen, dus door er paaltjes omheen te slaan. Iets beluisteren of bekijken houdt dus een bewuste, vrij intensieve handeling in van daadwerkelijk willen waarnemen. En als je bewust niet wil kijken, heeft het Nederlands een prima ander samengesteld werkwoord: wegkijken.

Piet Grijs is gek!” is geen schuttingtaal, maar evenmin een compliment. Hij zou het kunnen uitvegen, maar hem kennende zou hij het negeren en doorlopen. Zou Rolien ook hebben kunnen doen. Het doet mij denken aan de dag dat ik op een middag ons huis in de Lomanstraat uitliep en voor mij op de stoeptegels gekrijt zag staan: “NARD IS OP SILLA“. Silla, ongeveer van mijn leeftijd, zeg 14, 15 jaar, woonde verderop in Lomanstraat of een van de zijstraten. Zij was de dochter van de gevierde Joods-Amsterdamse zakenman Loe Lap die een aantal winkels had met legerdumpgoederen, vooral, net na de oorlog, Amerikaanse en Britse. Zijn Joods-Amsterdamse humor kenschetsend adverteerde hij onder meer met de leuze: “Als uw parachute niet opengaat, dan komt u maar even bij ons terug“. Net zo’n onmogelijke zin als de uitspraak van Rolien, vanwege de interne tegenstrijdigheid; net zo moeilijk interpreteerbaar als de zin “Alles wat ik zeg, is gelogen“.

Overigens vond ik Silla best wel aardig, maar ook niet veel meer dan dat, dus ik wist niet goed of ik de stoeptegeltjeswijsheid nu moest zien als een aansporing of een belediging. Misschien had ze het zelf wel gekalkt, of juist een jaloers vriendje. Met mijn voetzool heb ik de aanmatigende tekst gewist. Had Rolien beter ook kunnen doen misschien.