De zijkant van Shoah (2 van 2)

Mijn eerste onderwijsbetrekking betrof een invalbaan van anderhalf jaar in 1972-1973 aan het Sint-Ignatiuscollege in Amsterdam. Ik maakte daar deel uit van een voortreffelijke sectie Nederlands, waarvan ik nog steeds vind dat ik er heel veel van heb geleerd en onthouden. Een van de lessen die mij tot op heden is bijgebleven was de aanzegging: “Je mag kinderen niet nadragen wat je hun ouders kunt verwijten“. We zaten net in een periode dat middelbare scholen deels werden bevolkt door kinderen met foute ouders. Zeker in Amsterdam leidde dat er gauw toe dat je van de een of ander geneigd was te denken: “Oh, dat is er eentje van die foute banketbakker op de Overtoom” of zoiets. Dat mocht dus niet.

Het was een reactie op de anti-Duitse sentimenten die in de hoofdstad floreerden, in mijn geval nog eens flink aangewakkerd ten tijde van het huwelijk van Beatrix en Claus in mijn eindexamenjaar door het eerste boek van Mulisch dat ik las: Bericht aan de rattenkoning. Dat boek imponeerde mij dusdanig dat ik besloot meer, zo niet alles van Mulisch te gaan lezen, inclusief De zaak 40/61 over het proces-Eichmann. Ik heb mijn zucht naar Mulisch volgehouden tot De pupil (1987); daar knapte ik erop af. Aan De ontdekking van de hemel ben ik nooit toegekomen.
Overigens leidde de opgedragen houding van non-discriminatie van kinderen van foute ouders al gauw tot een positieve discriminatie: dat je die leerlingen de hand boven het hoofd ging houden, om ze te beschermen tegen de boze buitenwereld en ze te behoeden voor nog meer ellende.

Zouden de bedenkers en uitvoerders van de Holocaust zich hebben gerealiseerd welke consequenties hun optreden decennialang zou gaan hebben bij mensen die an sich part noch deel hadden aan de hele operatie? En dat zijn er nogal wat: het overgrote merendeel van de Duitse burgerbevolking. Weliswaar hadden die Hitler in 1933 langs democratische weg aan de macht geholpen, maar van wat dat zou gaan betekenen, inclusief de geallieerde bombardementen, hadden zij toen geen weet. Slachtoffer werden zij wel. Ook Mulisch’ Het stenen bruidsbed heb ik gelezen.

In het bijzonder denk ik daarnaast aan die Duitsers die tegen wil en dank in het proces werden betrokken: de spoorwegbeambten, machinisten en stokers, die er maar voor hadden te zorgen dat de treinen reden en op tijd aankwamen. Natuurlijk wisten zij, nou ja, konden zij weten, wat ze aan het doen waren. Machinisten in Polen kregen wodka van de Duitsers als bonus, om maar door te werken met de transporten die zij niet konden verdragen, krijgen we in Shoah te horen. Ook voor Nederlandse, Franse, Italiaanse, Griekse, … tram- en spoorwegwerknemers op de trein, op de stations geldt: zij wisten het, maar deden wat er van hen werd gevraagd. Niet uit overtuiging meestal, maar gewoon omdat het deel uitmaakte van hun opgedragen werk. Niet te veel nadenken, maar gewoon doen. Tot welke wroeging en complexen dat later vaak heeft geleid, laat zich raden.

En dan die passanten op straat die lijn 7 voorbij zien rijden? Was het zien, maar niet kijken? Vermoeden, maar niet beseffen? Weten, maar niet reageren? Dan belanden we op het niveau van Belcampo’s Het grote gebeuren: als de omstandigheden zó ver af komen te staan van wat men in het gewone dagelijkse leven gewend is, dan raken mensen verkrampt en proberen ze in een natuurlijke reflex weg te kijken, in de hoop er niet ook in te worden meegezogen.

Sommigen reageerden wat actiever: Frans Dijkgraaf, in WA man van Theun de Vries, eerste druk 1944, gepubliceerd onder het pseudoniem M. Swaertreger, kiest ervoor zich aan de nieuwe situatie aan te passen. Om nog meer ellende te vermijden meldt hij zich aan voor de WA. Ook dat werd natuurlijk een deceptie, eerst al vanwege de verstoorde verhouding met zijn ouders en omgeving, later ook in de uitvoering van zijn gekozen baan die van alles inhield waarvoor hij niet wilde kiezen. Hoe heeft die na de oorlog verder geleefd?

En hoe lang wil een mens leven met gevoelens van schuld en schaamte zonder erover te willen of durven praten? Stel je bijvoorbeeld eens voor: iemand wiens vader een fietsenzaak had in Amsterdam. Toen de Duitsers aldaar fietsen gingen vorderen, een meer dan symbolisch vergrijp, kreeg hij de opdracht die inbeslaggenomen rijwielen op te knappen voordat ze naar Duitsland werden getransporteerd. En dat nota bene nog wel in Amsterdam. Hij wilde dat niet. Hij had een vrouw en 7 kinderen te onderhouden. Hij deed het dus toch. En met die houding bleef hij na de oorlog danig in de knoop zitten. Maar pas pas decennia later zijn die kinderen zo ver dat zij erover willen praten. Al die tijd hadden zij erover gezwegen; konden maar niet verwoorden dat ook zij met nare gevoelens leefden omdat zij een ‘foute’ vader hadden gehad, die deed wat velen van ons in gelijke omstandigheden in een belangenafweging ook gedaan zouden hebben, ten koste van wat dan ook.


Die hele Judenfrage had nog wel meer bizarre consequenties, zoals in de kunst, entartet. Ik beperk me maar even tot Felix Mendelssohn Bartholdy (1809-1847; zeker ook een aanstichter van WO-II?), die verklaarde Jood wiens muziek opeens bij het grof vuil ging, maar die wel degene was die Bachs Matthäus Passion aan de vergetelheid onttrok. En bovendien: als je al Mendelssohn tot Untermensch wilt degraderen, betekent dat nog niet dat zijn muziek entartet is, zoals die van min of meer tijd- en genregenoten als Schubert, Schumann en Chopin ook niet in de ban werden gedaan.


Wat dan, om maar af te ronden, te denken van Adolf Eichmann? Als we Mulisch’ redenering volgen in De zaak 40/61, lopen wij allemaal het risico een grote boef te worden door te handelen naar de omstandigheden, de mogelijkheden van het moment, de verwachting te kunnen voldoen aan wat er van je wordt verlangd. Maar in zijn kortetermijndenken was geen plek voor het besef dat hij niet alleen miljoenen onschuldige Joden trof, maar daarnaast en daarna ook nog eens miljoenen Joden en niet-Joden in heel Europa. Jammer dat hij de doodstraf kreeg, na een politiek showproces. Ik ben in en uit principe tegen de doodstraf. Er zijn er al genoeg gesneuveld, al dan niet voor volk en vaderland. Beter ware het geweest hem de verdere rest van zijn leven met die gevolgen te confronteren en hem met schade en schande te overladen, al weet ik niet wie daarbij in feite gebaat zouden zijn.

Wij zijn niet geboren om te oordelen over anderen“, was ooit een uitspraak van Huub Oosterhuis. Dries van Agt bepleitte in 1972 de gratie voor de Drie van Breda op humanitaire gronden.
Nog even, en het probleem heeft zichzelf op natuurlijke vergrijzingswijze opgelost. Maar zij die er de kinderen van zijn, moeten het er nog een tijd mee doen.
________________________________________________
Vorige berichten:
Tramlijn 8
Mauthausen
De zijkant van Shoah (1 van 2)