Straatnamen en voorzetsels

Bovenste foto: © Nationaal Archief. Onderste foto: eigen opname

In heel veel talen is de keuze voor het juiste voorzetsels een lastig probleem, ook voor moedertaalsprekers. Dat geldt zeker ook voor het Nederlands met zijn vele voorzetsels. Een af te bakenen groep taaluitingen waar dit speelt zien we bij straatnamen: woon je nu IN, OP of AAN de Steenstraat? Wat zijn daarbij de overwegingen en waarom geven we de voorkeur aan het een of het ander?


Voordat die vragen aan een beantwoording toekomen, dienen we eerst vast te stellen wat het woord “straat” eigenlijk inhoudt. Het blijkt namelijk dat “straat” op twee verschillende begrippen kan slaan.

Enerzijds kennen we allemaal “straat” als laatste deel van een bepaalde begaanbare doorgang van punt A naar punt B waarlangs zich huizen bevinden: de Kerkstraat, Hoofdstraat, Anne Frankstraat enzovoort. Dit in tegenstelling tot uitgangen als -weg, -laan, -baan, -gracht, -dreef, -kade en nog veel meer.

Bron: Google Maps


Soms is dat een beetje verwarrend. Zo bevindt zich in het Belgische Sint-Niklaas zowel een Nijverheidslaan als een Nijverheidsstraat. De lokale Commissie had dat beter kunnen voorkomen.

 

 

Anderzijds gebruiken we “straat” ook als een verzamelbegrip voor alle begaanbare doorgangen van A naar B, ongeacht of die benamingen nu eindigen op -straat, -laan,
-weg
enzovoort. In die betekenis is “straat” een collectivum, een soort categorie om alle mogelijke benamingen onder één term te vangen. Zo zul je bij een stadsplattegrond vaak een straatnamenregister aantreffen, waarin niet alleen de Parkstraat, maar ook de Parkweg, Parklaan en Parkdreef kunnen staan vermeld. Voor dat collectieve begrip “straat” hebben we eigelijk geen echt Nederlands woord beschikbaar. Slechts weinigen zullen de officiële term “hodoniem” kennen. Dat woord is uit het Grieks (via het latijn) overgenomen en is samengesteld uit οδός (“weg, straat”) en όνομα (“naam”). Dat “odos” kennen we nog wel in woorden als “methode” (“de weg waarlangs“), “exodus” (“uitweg“) en “synode” (“samen op weg“).

In het verloop van dit bericht zal ik het woord “straat” in principe in de eerstgenoemde betekenis gebruiken; voor de tweede, collectieve betekenis, zal het woord “hodoniem” voorkomen. Over het algemeen zal dit onderscheid overigens eerder warrig zijn dan verwarrend. Bedenk dat we in het Nederlands binnen de bebouwde kom doorgaans spreken van het “stratenplan“, maar buiten de bebouwde kom van het “wegennet“, maar dat de Nederlandse Spoorwegen en gemeente-vervoerbedrijven als GVB, HTM en RET een “lijnenkaart” presenteren. Ook bij woorden als “uitweg“, “luchtweg“, “vluchtweg“, “vaarweg” kiezen we voor “weg“.
En in het Engels zien we de woorden “airlines” en “airways” naast elkaar bestaan. Maar het Engelse “tramway” is opmerkelijk genoeg niet vernederlandst, in tegenstelling tot talen als het Frans (“tramway“), Tsjechisch (“tramvaj“) en Spaans (“tranvía“).


Met dit alles in het achterhoofd kunnen we kijken naar het voorzetsel dat bij een straat hoort, want velen zullen twijfelen of je nu IN de Tulpstraat woont, of OP de Tulpstraat of AAN de Tulpstraat. Waar komt die twijfel vandaan?

Die heeft van alles te maken met het concept “straat“, dat wil zeggen: bij wat we ons moeten voorstellen bij een straat. Er zijn minstens twee nogal verschillende ideeën over.

Ofwel we zien een straat als een tweedimensionaal begrip, een doorgang met uitsluitend een lengte en een breedte, en daarbinnen kunnen we nog onderscheid maken tussen een breedte tot aan de perceelsgrenzen aan weerszijden, in welk geval je AAN de Tulpstraat woont, en een breedte inclusief de bebouwing, in welk geval je OP de Tulpstraat woont. Alleen dan kun je je OP straat bevinden, dus zonder lidwoord; AAN straat en IN straat zijn incorrect Nederlands.
Ofwel we beschouwen een straat als een driedimensionaal begip, een doorgang als een soort tunnel met lengte, breedte en hoogte, in welk geval je IN de Tulpstraat woont.
Het een is niet beter of slechter dan het ander; het is de manier van beschouwen van het begrip “straat” en/of het is in de taaltraditie zo gegroeid dat een van de voorzetsels het meest is ingeburgerd.

Dat laatste zien we vaker op treden bij hodoniemen eindigend op -weg. Je zult niet vaak horen zeggen “Ik woon IN de Amstelveenseweg“. Vermoedelijk komt dat doordat van oorsprong een weg een verbinding is tussen twee bebouwde kommen, maar zelf geen bebouwing kent, waarvoor alleen bovengenoemde tweedimensionale betekenis van “doorgang met lengte en breedte” geldt, en perceelsgrenzen niet aan de orde waren. Als dan in de loop der tijd toch de twee bebouwde kommen aaneengesloten worden dichtgebouwd, zal hooguit “Amstelveenscheweg” worden aangepast tot “Amstelveenseweg“, maar kun je er nog steeds niet IN wonen.

Het voorzetsel in brengt een zekere omsluiting met zich mee, dus een ruimte met lengte, breedte en hoogte. Die visie dringt zich op als die hoogte ook evident is, bijvoorbeeld door bomenrijen met bijbehorende hodoniemen als “-laan” of “-dreef“, terwijl we in het omgekeerde geval, waarin er niet van hoogte maar van diepte sprake is, het gebruik van in uit den boze is: je kunt kwalijn beweren dat je IN de Keizersgracht woont.

In sommige gevallen is de derde dimensie, hoogte of diepte, voor het gevoel afwezig. Dan kun je er ook niet IN wonen, maar alleen OP (dus met een breedte inclusief bebouwing) of AAN (dus met een breedte tot aan de perceelsgrenzen). Zo kun je dus wonen OP of AAN het Keizer Karelplein of OP dan wel AAN de Champs Élysées. Achterliggende overweging daarbij is dat “plein” en “veld” (“champ” betekent “veld“) een platte ruimte voorstellen met een omvangrijk oppervlak zonder daarbij aan een verticale dimensie te denken.

Dat er desondanks een Nederlandse achternaam als In ’t Veld” voorkomt, heeft met hodoniemen niets te maken, of het zou op een vlakte met heel hoog gras moeten duiden. De ook voorkomende naam “Op ’t Veld” verwijst meer naar de (tweedimensionale) vlakte.
En voor de doordenkers: Waarom gebruiken we OP straat, OP weg en OP pad, maar IN de weg lopen?

 

De V-LIJST

Een centraal punt in mijn proefschrift over voorzetsels (2003) was de zogenaamde V-lijst, een opsomming van vaste voorzetselverbindingen in het Nederlands, Omdat over die lijst het laatste woord nog niet is gesproken, wil ik die hier nog even in herinnering roepen en toelichten. De betreffende lijst stuur ik, op verzoek, in Excelformaat graag toe.

 

Uitgangspunt
De voornaamste reden dat ik mij zo ging vastbijten in voorzetsels (“Heb je niks beters te doen?”) was een onderwijservaring. Zeker op de middelbare school, maar vermoedelijk is het op de basisschool niet anders gesteld, bestaat er geen behulpzame voorzetseldidactiek. De meeste methoden gaan niet verder dan invuloefeningetjes van het type “vul op de stippeltjes het juiste voorzetsel in”. Leerlingen doen dat dan en krijgen vervolgens een 6 of een 2 of een 9 voor die oefening, en men gaat over tot de orde van de dag. In het gunstigste geval staat er nog ergens de volstrekt onvolledige, zelfs onjuiste definitie: “een voorzetsel is een woord dat past op de stippeltjes van … het kooitje”. Onvolledig, omdat de voorzetsels van tijd daarmee niet worden ondervangen, dus zeg in plaats van “het kooitje” liever “het kooitje of de vergaderingen” om ook tijdens, gedurende, na en tussen erbij te krijgen. Ook onvolledig, omdat voorzetsels die niet plaatsaanduidend zijn, zoals krachtens en vanwege, niet erg voor de hand liggen ter invulling. Onjuist, omdat je op die stippeltjes ook wel mogelijk, zelfs of juist kunt plaatsen, evident niet-voorzetsels. Als leerling had ik het er niet zo moeilijk mee, maar eenmaal voor de klas staande had ik geen zin een leerling een onvoldoende te geven zonder ook maar enige handreiking te kunnen bieden hoe het volgende keer beter zou kunnen gaan. En het kan beter, is mijn overtuiging.

Ontstaan
Ik merkte dat problemen bij leerlingen niet zozeer zaten in het juiste voorzetselgebruik als het gaat om tijd- of plaatsbepaling; voor en achter, voor en na, dat lukt meestal nog wel (hoewel ik daarover ook schrijnende verhalen kan vertellen). De grootste problemen vormden de zogenaamde “betekenisloze voorzetsels”, waarmee eerlijk gezegd wordt bedoeld dat de leraar, of het lesboek, zelf niet weten welke betekenis ze eraan moeten geven: verzot zijn op, in tegenspraak tot en zo. Daarom begon ik op een gegeven moment met het samenstellen van een lijst van vaste-voorzetselverbindingen. Toen die al enige honderden gevallen lang was, legde ik een en ander voor aan een groep vierdejaars studenten van de deeltijdopleiding MO-Nederlands in Arnhem met een verzoek tot aanvulling, en twee weken later hadden we rond de 700 gevallen bij elkaar staan. Met mijn immer aanwezig enthousiasme verklaarde ik toen dat ik schatte dat het er zeker wel duizend zouden zijn. Enige jaren later publiceerde ik een lijst van 3867 van deze verbindingen.

Beperkingen
Aan de lijst kleven enkele beperkingen.

Allereerst weet ik niet of het een complete opgave is. Maar tot troost van mezelf kan ik het volgende zeggen: Jarenlang liep ik dagelijks rond met een papiertje en potlood in mijn zak en elke vaste-voorzetselverbinding die mij inviel, of die ik hoorde op straat of op de radio (2x op met een verschillende betekenis !) noteerde ik en dan werkte ik later mijn verzameling op de pc bij. Na mijn promotie werd ik minder fanatiek, maar met een scheef oor hoorde ik altijd nog wel interessante gevallen. Steeds echter bleken die al in mijn lijst te staan, en zo kan ik stellen dat ik in de afgelopen tien jaar er in feite niet eentje meer heb bijgevonden, zodat ik van een vrij complete lijst kant spreken.

Vervolgens heb ik mij bewust beperkt tot gevallen waarin het voorzetsel niet plaats of tijd aanduidt. Dus wel: “Hij stond voor zijn belofte”, maar niet “Hij stond voor zijn auto”. Het ging mij dus uitsluitend om wat ik maar noem “figuurlijke” voorzetsels, d.w.z. niet van plaats of tijd.

Voorts beperkte ik me tot de gevallen waarin het voorzetsel achter het trefwoord staat waarmee het een vaste verbinding vormt. Dus wel verzot zijn op, maar niet Op chique gaan” (trefwoord en voorzetsel zijn onderstreept).

Deze laatste twee beperkingen hebben natuurlijk alles te maken met het onderwijskundig probleem dat aan mijn hele onderzoek ten grondslag lag.

Codes
Behalve het noteren van de vaste verbinding, met een voorbeeldzinnetje erbij, deed ik nog iets: aan elke verbinding koppelde ik een zescijferige code. De eerste drie cijfers daarvan zeggen iets over de betekenis van het voorzetsel, de laatste drie cijfers over de vorm van de vaste verbinding. Bijvoorbeeld:

Betekenisode 111xxx duidt erop dat het voorzetsel de functie heeft van “reden”, een uitvloeisel van iets wat bewust en van tevoren is bedacht: condoleren met, kwaad zijn over, smalen om, en nog zo’n 220 andere verbindingen.

Betekeniscode 820xxx duidt erop dat wat achter het voorzetsel staat de functie heeft van lijdend voorwerp bij het trefwoord (maar zo niet mag heten bij het ontleden): dromen van, lesgeven in, vertrouwen op, en nog zo’n 540 andere verbindingen.

Vormcode xxx300 wijst op een combinatie van werkwoord + vast voorzetsel, dus wijzen op of snakken naar.

Vormcode xxx550 wijst op de combinatie van een naamwoordelijk gezegde + vast voorzetsel: aansprakelijk zijn voor, vol zijn van, enzovoort.

Ik kan niet beweren dat de lijst met coderingen feilloos is, maar het is wel de eerste keer dat ik een dergelijke zo complete verzameling ben tegengekomen. En ik had wel wat redenen om die poging te wagen.

Bruikbaarheid
Een eerste voordeel van de gecodeerde lijst is dat je door te hersorteren heel eenvoudig een deelverzameling kunt trekken van vaste-voorzetselcombinaties die op een bepaalde (vormelijke of inhoudelijke) eigenschap bij elkaar horen. Dat kan binnen het onderwijs handig zijn om groepen min of meer identieke gevallen onder ogen te krijgen (iets wat Den Hertog in zijn Grammatica uit ±1900 overigens ook al deed!), en bovendien kan het helpen bij het verkrijgen van inzicht in de betekenis van wat men zo graag “betekenisloze voorzetsels” pleegt te noemen. Ik geef twee voorbeelden:

Wij kunnen lijden, omkomen, sterven, enz. van of aan iets. Als je die combinaties goed gaat bekijken, zie je dat met aan de inwendige ziektes worden gecombineerd: kanker, de pest, malaria; in combinatie met van is het meer een van buiten komend onheil, of juist het gebrek aan iets wat van buiten had moeten komen: de kou, honger, dorst, ellende, enzovoort. Zo willekeurig is de keuze van het voorzetsel dus ook weer niet.

Ander voorbeeld: als de (hiërarchische) verhouding tussen twee mensen ongelijk is, dan gebruikt het Nederlands naar wanneer de lager geplaatste zich richt tot de hoger geplaatste, of wanneer de lager geplaatste iets hogers wil bereiken: opkijken, een hang hebben, solliciteren, verlangen naar; omgekeerd: als er van bovenaf wordt neergekeken op de/het lagere, gebruikt het Nederlands op: neerkijken, afgeven, boos/kwaad/pissig zijn op. Ook hier lijkt er een constante tendens waarneembaar.

Als een ander voordeel van de gecodeerde lijst zie ik de mogelijkheid die coderingen te gebruiken in tekstverwerkers of andere taalprogramma’s op de pc. Het moet mogelijk zijn ofwel de gebruiker vooraf een bruikbare suggestie te doen voor het juiste voorzetsel binnen een gegeven context, dan wel achteraf een wellicht onjuist gebruikt voorzetsel te corrigeren.

Is dit allemaal zo nodig? Ik denk van wel, als je verzorgd taalgebruik tot een groot goed rekent. Weten, en begrijpen dat terugkomen van iets anders is dan terugkomen op, net zoals omdat iets anders is dan doordat, en tijdens niet hetzelfde betekent als gedurende. Zelfs in het NOS-journaal hoor je dat soort vergissingen maar al te vaak. Nogmaals, ik heb het niet over de voorzetsels van plaats of tijd, want daar is de ramp nog wel te overzien (alhoewel: lees mijn verhaal over de Sventest er nog maar eens op na), maar in het bijzonder over de zogenaamde figuurlijke voorzetsels, dus niet van tijd of plaats. Daaromtrent heb ik in het kader van mijn proefschrift een aantal uitgebreide tests afgenomen waaruit bleek dat het met de kennis van het juiste voorzetsel maar matigjes is gesteld. Grof samengevat: op MAVO-niveau bleek een goedscore van 50% ongeveer het gemiddelde; leerlingen uit de HAVO-/VWO-top scoorden niet of nauwelijks boven de 70%; alleen bij hoger opgeleiden, academici of mensen met veel werkervaring kwamen er percentages van 80 of 90 uit de bus. Er is dus voor het taalonderwijzend personeel nog heel wat werk te verzetten. Daarbij kun je overigens ook uitstekend gebruikmaken van bestaande voorzetselboeken als die van Vindevogel (meer op Zuid-Nederlands gericht), Hus (meer Noord-Nederlands), en de behandeling bij Den Hertog, eerste stuk (die over oorzakelijk voorwerp spreekt, waar wij voorzetselvoorwerp bedoelen), en in het derde stuk (over voorzetsels). Zie de literatuuropgave hieronder.

Literatuur

  • HERTOG, C.H. DEN, Handleiding ten dienste van aanstaande (taal)onderwijzers. 3 delen in 1 band.   1e stuk: De leer van den enkelvoudigen zin. Tweede Druk. Amsterdam 18921-19032. 2e stuk: De leer van den samengestelden zin. Eerste Druk. Amsterdam 1892. 3e stuk: De leer der woordsoorten. Tweede druk. Amsterdam 18951-19032. W. Versluys.
  • HUS, W.J.B. en R.REINSMA, Voorzetselwijzer. Baarn 1997. Nijgh Versluys. Auctor.
  • LOONEN, L.J.M., Stante pede gaande van dichtbij langs AF bestemming @. Boxmeer 2003. Diss.  Uitsluitend uitgebracht op CD. ISBN 9039332193.
  • VINDEVOGEL, Th., Het juiste voorzetsel. 4e Druk. Antwerpen 1993. Taalpockets. Heideland/Orbis.

Sventest

Bij het samenstellen van mijn proefschrift, handelend over voorzetsels in het Nederlands en andere talen in het algemeen, en voorzetseldidactiek in het bijzonder, heeft de door mij ontworpen Sventest een belangrijke rol gespeeld. Ik zal hier die test presenteren en kort toelichten, waarbij later bleek dat die ook nog een literair vervolg kreeg.

 

Onderstaand blad bood ik in 1997 aan 235 eerstejaars studenten aan van de diverse lerarenopleidingen van de HAN in Nijmegen, alsmede aan 56 eerstejaars studenten van de Stichting Vakopleiding Candidaat Deurwaarder te Utrecht, SVCD, de latere Mr. dr. M. Teekens Stichting.

Wat ik ermee wilde testen was hoe het bij de proefpersonen was gesteld met voorzetselkennis op twee gebieden: enerzijds in hoeverre kan iemand aan de hand van het voorzetsel de tijdsvolgorde der dingen bepalen, anderzijds kan iemand aan de hand van het voorzetsel bepalen of er tussen twee genoemde gebeurtenissen een causaal (oorzakelijk of redengevend) verband bestaat.
Iets eenvoudiger geformuleerd:
1. Er vindt een explosie plaats en Sven verlaat het huis. Wat gebeurde er nu eerst, en wat daarna?
2. Verlaat Sven het huis vanwege het horen van die explosie, of staat zijn vertrek los daarvan?
De resultaten vielen mij niet mee. Zonder die nu uit te splitsen naar opleiding, kwam de totaalscore van de 291 proefpersonen hierop neer:

ver voor net voor gelijk net na ver na % goed
Bij het horen van de explosie verliet Sven het huis 1 20 125 145 0 92,8
Na het horen van de explosie verliet Sven het huis 1 3 1 249 37 98,3
Om de explosie te horen verliet Sven het huis 19 254 3 14 1 93,8
Ondanks het horen van de explosie verliet Sven het huis 0 13 28 235 15 85,9
Op het horen van de explosie verliet Sven het huis 0 21 137 130 3 44,7
Het horen van de explosie ten spijt verliet Sven het huis 0 37 22 213 19 73,2
Tijdens het horen van de explosie verliet Sven het huis 1 11 228 50 1 77,7
Vóór het horen van de explosie verliet Sven het huis 25 258 1 7 0 97,3
Wegens het horen van de explosie verliet Sven het huis 0 17 17 247 10 88,3
Zonder de explosie te horen verliet Sven het huis 17 109 55 99 11 52,9

TABEL 2-II: Ingevulde aantallen bij de vraag naar de tijdsvolgorde

In Tabel 2-II staan achter elke zin vijf kolommen waarin, van links naar rechts is vermeld hoeveel studenten aangaven dat het vertrek van Sven plaatsvond ver voor, vlak voor, gelijktijdig met, vlak na, of ver na het klinken van de explosie. De rode getallen geven de plaats aan waar naar mijn mening het juiste antwoord zich dient te bevinden.
Dat het mij niet meeviel, ligt aan het opmerkelijke verschil tussen de scores van bij en op, en de magere score van het kennelijk door velen niet gekende ten spijt.
Het verschil tussen voor en na weten we allemaal wel (vreemd dat dat niet geldt voor tijdens!), maar het verschil tussen bij en op is velen te geraffineerd. En zonder ten slotte geeft aan dat de twee evenementen met elkaar niets te maken hebben, maar de explosie moet wel klinken, anders kan Sven hem niet niet horen.
Een zelfde soort staatje voor het causale verband:

JA % goed NEE ?
Bij het horen van de explosie verliet Sven het huis 200 69 89 2
Na het horen van de explosie verliet Sven het huis 223 77 65 3
Om de explosie te horen verliet Sven het huis 263 90 27 1
Ondanks het horen van de explosie verliet Sven het huis 56 79 229 6
Op het horen van de explosie verliet Sven het huis 192 66 92 7
Het horen van de explosie ten spijt verliet Sven het huis 83 69 201 7
Tijdens het horen van de explosie verliet Sven het huis 87 67 195 9
Vóór het horen van de explosie verliet Sven het huis 29 89 258 4
Wegens het horen van de explosie verliet Sven het huis 280 96 9 2
Zonder de explosie te horen verliet Sven het huis 6 96 279 6

TABEL 2-III: Ingevulde aantallen bij de vraag naar een causaal verband

Wederom twijfels alom bij bij, op en ten spijt. Het verbaast mij dat de “neutrale”, d.w.z. geen causaal verband leggende voorzetsels tijdens en zonder een zo groot verschil in score te zien geven.
Ik concludeerde dat er behoefte bestaat aan een voorzetseldidactiek die op z’n minst leerlingen in staat stelt de tijdsvolgorde der dingen correct te lezen, maar ook om gebeurtenissen al dan niet met elkaar in (causaal) verband te brengen. Er bestaat in feite geen aparte voorzetseldidactiek; hooguit zijn er invuloefeningetjes waarvoor een leerling dan een voldoende of onvoldoende krijgt, tout court.
Ik had die test SVENTEST genoemd naar ene Sven die ik als leerling op het Luzac-college in de klas had en die bij een andere voorzetseltest zo uitmuntend had gepresteerd, dat ik zijn naam aan de hier gepresenteerde test wilde verbinden.

Hans Wegman tijdens zijn speech in Gent op het promotiefeest. Aan de ronde tafel, achter de vele flesjes Reinaertbier, rechts de andere paranimf Frans van Zaalen en zijn vrouw, en links promotor Henk Verkuyl en zijn vrouw.

Dat bleef niet zonder gevolgen. Bij het feest in Gent na afloop van de verdediging van mijn proefschrift in 2003 nam Hans Wegman het woord. Hij was, samen met Frans van Zaalen, collega-taalkundige van mij op de HAN en zij fungeerden tijdens die verdediging als paranimfen. Het relaas van Hans volgt hier.


De ontwikkeling van een sonnet
Bij de promotie van Nard Loonen

In 1945 schreef J.C. Bloem een sonnet dat tot de bekendste Nederlandse poëzie is gaan behoren: De Dapperstraat. Hij deed dat aan het einde van een bijzonder bewogen periode in de vaderlandse geschiedenis, waar echter in het gedicht niets van blijkt. Zelfs niet tussen de regels. Hij schreef het bovendien niet in Amsterdam, wat je zou verwachten, maar in Warnsveld in de Achterhoek, waar hij in pension was bij de gezusters Bilderbeek. Voor wie het niet onmiddellijk paraat heeft:

Natuur is voor tevredenen en legen
En dan: wat is natuur nog in dit land
Een stukje bos ter grootte van een krant
Een heuvel met wat villaatjes ertegen

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen
De in kaden vastgeklonken waterkant
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen langs de lucht bewegen

Alles is veel voor wie niet veel verwacht
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hoge staat

Dit heb ik bij mijzelve overdacht
Verregend, op een miezerige morgen
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat

Opgeleid tot jurist, wijdde Bloem zich zijn hele leven aan het Woord. We kunnen niet zeggen dat Bloems maatschappelijke loopbaan een aaneenschakeling van hoogtepunten was. Hij probeerde het een aantal malen als griffier bij marginale kantongerechten zoals Lemmer, Breukelen en ten slotte Zutphen. Clara Eggink vermeldt in haar ‘Leven met J.C. Bloem’: “Jacques was bepaald geen ideale griffier, verre van dat, maar dat was nog geen reden om hem zo beledigend en vernederend te behandelen.”
Alleen iemand over wie zoiets gezegd moet worden, kan een Dapperstraat schrijven, zo bezield en diepgaand, dat het al meer dan een halve eeuw mensen inspireert tot lezen en schrijven.

Komrij
40 jaar later, de oorlog lang verleden tijd, hingen er opnieuw kruitdampen en rookwolken op tal van plaatsen in het land. In Nijmegen in de Piersonstraat, in Amsterdam rond de Grote Keyser. Gerrit Komrij, de huidige hofdichter en Staatspoeet, schreef in die dagen in de NRC pastiches op bekende Nederlandse gedichten.

Een pastiche is een gedicht dat qua vorm (rijmschema, metrum, beklemtoonde vocalen) sterk doet denken aan of is afgeleid van een beroemd gedicht, maar dat een geheel eigen inhoud meekrijgt. Het mooiste is natuurlijk wanneer iemand die een pastiche leest, onmiddellijk het oorspronkelijk vers hoort doorklinken.
Komrij’s gedicht heet Het slap gepraat en handelt over krakers, kraakpanden en rellen:

Het slap gepraat

Te huur: die mededeling staat me tegen
Is niet aan wie nog huur stort in dit land
Een steekje los? Zo’n grote speculant
Zit heus niet om wat extraatjes verlegen

Geef mij dus gauw een redelijk gelegen
Genadig weggeschonken krakerspand
En vrienden, nooit zo stoned dan als ze, omrand
Door bedspiralen, op het dak bewegen

Alles is gratis voor wie geld niet acht
De glasruit houdt zijn winkelwaar verborgen
Tot er, opeens, een grote kei door gaat

Dit heb ik nota bene zelf bedacht
Ik voel me, vrij van miezerige zorgen,
Domweg gelukkig met mijn slap gepraat

Stante pede
20 juni 2003. In de aula van de Universiteit van Utrecht promoveert Nard Loonen op een proefschrift getiteld: Stante pede gaande van dichtbij langs AF bestemming @. Daarin karakteriseert en categoriseert hij de Nederlandse voorzetsels. Een van de experimentjes die hij in het kader daarvan heeft uitgevoerd was de zogenaamde SVEN-test, een serietje zinnetjes rond de figuur van ene SVEN die een explosie meemaakt en vervolgens zijn huis verlaat. Bijvoorbeeld:

Op het horen van de explosie verliet SVEN het huis.
Ondanks het horen van de explosie verliet SVEN het huis.
Bij het horen van de explosie verliet SVEN het huis.

De proefpersoon moest invullen wanneer SVEN het huis verliet, voor, na of gelijktijdig met de explosie. Nard vertelde me ooit dat het idee voor de test werd geboren tijdens zijn werk als docent Nederlands op het LUZAC-college en misschien wel daarom…
Er waren meer dingen die hij mij vertelde over het LUZAC. Over de leerlingen bijvoorbeeld en de collega’s aldaar. Die verhalen zijn de aanleiding voor de volgende pastiche:

Luzac-docent, voor velen een veeg teken
Dat instituut staat voor succes garant
Maar het is los daarvan een bron van trammelant
En heus geen leerschool voor het ware leven

Daar dreigt het vak al gauw te gaan verweken
De leerling is bij kas maar niet echt bijdehand
Zo’n klas wordt, afgezien van lammen, beklant
Door onbekwamen die thuis hennep kweken

Luzac heeft toch meer voortgebracht
Je hield SVEN’s oorsprong goed voor ons verborgen
Totdat dat jong plots levend voor ons staat

SVEN voor en na, steeds op een knal bedacht
Explosies bij het opstaan iedere morgen
SVEN blijkt de jongen die er achter staat

De laatste zin is niet sterk. Als we hadden kunnen besluiten met SVEN blijkt de jongen die er achter zit, was dat nog een redelijk zinvolle mededeling geweest. Nu is het een loze, eigenlijk onbegrijpelijke frase. Dat overdacht ik bij mijzelve tijdens Nards verdediging van zijn proefschrift. Aangekomen in het feesthotel te Gent, had ik, leek me, een aardig alternatief. Ik besloot het gedicht met:

SVEN voor en na, steeds op een knal bedacht|
Explosies bij het opstaan iedere morgen
Kortom een type voor als de wereld vergaat

Maar het uitspreken van die laatste zin al, stemde me wat ontevreden. Het is het nog niet! Het is zeker geen KNAL-effect, zoals gepland, noch stemt het melancholisch zoals in Bloems vers. Een zonovergoten zomervakantie volgde en leverde ten slotte deze laatste strofe:

SVEN voor en na, steeds op een knal bedacht
Explosies ondergaat hij zonder zorgen
Stomweg omdat hij fluks het huis verlaat.

(Hans Wegman, 5 september 2003)


 

Het is, in weerwoord, hetzelfde sonnet Dapperstraat dat ik heb gebruikt voor mijn bericht Domweg de Amstel in, elders op deze weblog.