Heel conditioneel

Is het een kwestie van rijkdom of van armoe, als een taal veel verschillende manieren heeft om hetzelfde uit te drukken?
Nederlandstalige stilisten zullen blij zijn met de geboden variatie;
niet-Nederlandstaligen zullen er geen barst van begrijpen.
Een bijgewerkte versie van wat ik mijn studenten-Nederlands in 2005 probeerde duidelijk te maken.

Een concept is een abstracte voorstelling van een toestand of gebeurtenis, die met taalmiddelen kan worden uitgedrukt. Zo betekent bijvoorbeeld het concept GEVEN dat er iets overgaat van iemand (de gever) naar iemand (de krijger), waarvoor wij werkwoorden als geven, gooien, toesturen kennen, maar ook ontvangen, opvragen, ontfutselen enz.

Het concept waarover ik het hier wil hebben, is het concept VOORWAARDE. In termen van de logica: een bewering is waar, alleen, maar niet uitsluitend, als aan de vermelde voorwaarde is voldaan. Simpel voorbeeld: Als het regent (voorwaarde), wordt de stoep nat (bewering). De stoep kan natuurlijk ook nat worden doordat ik er een emmer water overheen gooi, maar dat is nu niet aan de orde en wordt door de gegeven zin ook niet ontkend.

Ik denk dat het concept VOORWAARDE tot de taaluniversalia behoort, d.w.z. dat alle talen over de mogelijkheid beschikken dat concept talig uit te drukken.

Het Nederlands beschikt volgens mij over zeker acht syntactische (de taalvorm betreffende) constructies die duidelijk maken dat we een voorwaardelijke bewering willen uiten. Ik som ze hier op, met enig toelichtend commentaar.

 

1. Met behulp van een voegwoord van voorwaarde + inversie:

(1a)      Als hij morgen nog niet heeft geantwoord, (dan) bel ik hem op.
(1b)      Indien hij morgen nog niet heeft geantwoord, (dan) bel ik hem op.
(1c)      Ingeval hij morgen nog niet heeft geantwoord, (dan) bel ik hem op.
(1d)      Wanneer hij morgen nog niet heeft geantwoord, (dan) bel ik hem op.
(1e)      Zo hij morgen nog niet heeft geantwoord, (dan) bel ik hem op.
(1f)       En g’ hebt, van zo gij roert, mijn man, uw laatste dag geleefd!
(1g)      Zodra hij iets van zich laat horen, (dan) geef ik hem jouw oplossing.
(1h)      Zolang (als) hij niks van zich laat horen, geef ik hem jouw oplossing niet.

Commentaar: inversie wil zeggen, dat na de linker zin (de voorwaarde), eerst de persoonsvorm volgt en dan pas het onderwerp: bel ik, in plaats van ik bel. Dat op zich is niet vreemd: in Nederlandse hoofdzinnen staat de persoonsvorm op de tweede zinsplaats. Hier vormen de voorwaardelijke linker zinnen de eerste zinsplaats, en staat de persoonsvorm dus keurig op de tweede plaats. Eventueel kan het aanwijzend bijwoord dan tussen beide zinnen worden geplaatst of gedacht als een soort herhalende bepaling.
In (1f), een zin uit Boerke Naas van Guido Gezelle, treedt geen inversie op, maar na vooropplaatsing: Van zo gij roert, hebt ge uw… weer gewoon wel.
Zinnen met als of indien zijn in feite de standaardvorm voor een voorwaardelijke uitspraak. Bij sommige van de andere vormen (wanneer, zodra, zolang) zou je ook kunnen denken aan een concept OMSTANDIGHEID naast dat van VOORWAARDE.

 

2. Met behulp van een hulpww. van modaliteit in de tegenwoordige tijd + vraagzinvorm:

(2a)      Wil hij morgen nog niet hebben geantwoord, dan bel ik hem op.
(2b)      Ik bel hem morgen op, wil hij dan nog niet hebben geantwoord.
(2c)      Laat hij morgen nog niet hebben geantwoord, dan bel ik hem op.

Commentaar: Hulpwerkwoorden van modaliteit (dat zijn kunnen, zullen, willen, moeten, mogen en laten) zijn hulpmiddelen om een bewering ergens te plaatsen op de realiteitslijn van 0 (helemaal onwaarschijnlijk) tot 1 (absoluut zeker); de meeste van onze beweringen zijn niet zo uiterst zwart of wit, maar enige vorm van grijs: ergens tussen 0 en 1 in. Hij kan komen zit ergens in het midden; hij zal wel niet komen nogal aan de linker kant, dicht bij 0.
Door in de zinnen (2a) t/m (2c) wil of laat te gebruiken, houdt de spreker open of de voorwaarde realiteit zal zijn, dus het opbellen is onzeker, zolang het niet zeker is of aan de voorwaarde wordt voldaan.

 

3. Met behulp van een hulpww. van modaliteit in de verleden tijd + vraagzinvorm:

(3a)      Mocht hij morgen nog niet hebben geantwoord, (dan) bel ik hem op.
(3b)      Zou hij morgen nog niet hebben geantwoord, (dan) bel ik hem op.

Commentaar: Voor een deel geldt hier hetzelfde als bij 2., namelijk v.w.b. het gebruik van een modaal hulpwerkwoord. Wat echter opvallend is, is het gebruik van de verleden tijd, terwijl we het toch over “morgen” hebben. Ik vermoed dat mocht en zou, weliswaar in de vorm van de verleden tijd, in wezen een conjunctief is (= subjonctif = aanvoegende wijs); in voorkomende gevallen zou het Frans eût gebruiken (subjonctif) in plaats van de verleden tijd avait en het Duits möchte (konjunktiv) in plaats van de verleden tijd mochte. Daarmee wordt, behalve het voorwaardelijke aspect, ook het modale, onzekere aspect geduid: je weet morgen pas of hij wel of niet heeft geantwoord.

 

 4. Met behulp van de vraagzinvorm:

(4a)      Heeft hij morgen nog niet geantwoord, (dan) bel ik hem op.
(4b)      Kun je nog zingen, zing dan mee.
(4c)      Houd je van vlees, (dan) braad je in Croma. *)
(4d)      Was/Ware dat niet gebeurd, (dan) had ik meteen maatregelen getroffen.
(4e)      Was/Ware dat niet gebeurd, ik had meteen maatregelen getroffen. 

Commentaar: De zinnen (4a) t/m (4c) zijn een meer moderne, kortere manier om VOORWAARDE uit te drukken: gewoon de tegenwoordige tijd gebruiken, maar de vraagzinvolgorde gebruiken (heeft hij in plaats van hij heeft) en door de intonatie aangeven dat je een voorwaarde stelt. Luister bij jezelf maar naar het intonatieverschil tussen (4a1) en (4a2):
(4a1)    Heeft hij morgen nog niet geantwoord, dan bel ik hem op.
(4a2)    Heeft hij morgen nog niet geantwoord? Dan bel ik hem op

Uit (4d)-(4e) blijkt dat we die vraagzinvolgorde ook kunnen hanteren in de verleden tijd, en hier zien we dat de aanvoegende wijs (zie hierboven bij 3.) opeens ook zichtbaar kan worden: ware.
Verder: Uit het feit dat in (4e) de hoofdzin ik had meteen… niet met de persoonsvorm begint (zoals in alle zinnen (4a) t/m (4d)), maar met het onderwerp, mag je afleiden dat het hier eigenlijk niet om een voorwaarde, maar een toegeving gaat, net als in zinnen als: Al zeur je nog zo lang, je krijgt die auto niet.”; Ook al deed zij haar best, het lukte haar niet.”.

 

5. Met behulp van een hypothetisch werkwoord in de gebiedende-wijsvorm + object:

(5a)      Stel dat hij morgen nog niet heeft geantwoord, dan bel ik hem op.
(5b)      Stel je voor dat hij morgen nog niet heeft geantwoord, dan bel ik hem op.
(5c)      Veronderstel dat hij morgen nog niet heeft geantwoord, dan bel ik hem op

Commentaar: Behalve dat hier sprake is van een voorwaarde (het morgen nog niet geantwoord hebben) is ook ingebouwd dat de spreker het open houdt of daaraan zal worden voldaan, door bijna neutraal de mogelijkheid te opperen dat die gebeurtenis zal plaatsvinden. Stellen, voorstellen en veronderstellen zijn werkwoorden die het evenement ongeveer halverwege de onder punt 2. al eerder genoemde realiteitslijn van “zeker niet” tot “zeker wel” plaatsen.

 

6. Met behulp van een hypothetisch werkwoord in de deelwoordvorm + object:

(6a)      Aangenomen dat hij morgen nog niet heeft geantwoord, bel ik hem op.
(6b)      Gesteld dat hij morgen nog niet heeft geantwoord, dan bel ik hem op.
(6c)      Verondersteld dat hij morgen nog niet heeft geantwoord, dan bel ik hem op.
(6d)      Vooropgezet dat hij morgen nog niet heeft geantwoord, dan bel ik hem op.
(6e)      Ervan uitgaande dat hij morgen nog niet heeft geantwoord, dan bel ik hem op. 

Commentaar: Bij deze zinnen geldt hetzelfde als bij de zinnen onder 5., al is de variatie van de positie op de realiteitslijn wat groter: aangenomen plaatst het evenement wat meer naar rechts (richting “zeker wel”), en voor ervan uitgaande dat geldt dat in nog sterkere mate.
Bij alle zinnen (5a) t/m (6e) is het qua zinsconstructie en betekenis mogelijk het eerste, vetgedrukte gedeelte te vervangen door als of indien, waarmee die constructie op gelijk niveau staat met zin (1a).

 

7. Met behulp van een nevenschikking in de tegenwoordige tijd met voegwoord en of of:

(7a)      Nog één doelpunt van de thuisploeg en het staat weer gelijk.
(7b)      Je hoeft hem maar één kans te geven of het staat weer gelijk.
(7c)      Je hoeft je handtekening maar te zetten en/of je zit eraan vast.
(7d)      Nog ietsje verder voorover bukken en je valt in het water

Commentaar: Zin (7a) is een wat curieuze constructie: het voegwoord en verbindt hier niet twee nevengeschikte zinnen, want het linker lid (“Nog één doelpunt van de thuisploeg“) is geen zin. Toch is een zin als (7a) zeer gangbaar. Van (7d) kan worden gesteld dat het linker deel een ellips is (de persoonsvorm ontbreekt), al is het niet of nauwelijks mogelijk die weer aan de zin toe te voegen met gelijkblijvende nevenschikkende en-constructie.
Bij (7b)-(7c) staat die persoonsvorm er wel (hoeft), maar hier is het opvallend dat het nevenschikkende of kan worden gebruikt, terwijl er toch van een keuze helemaal geen sprake is. Daarbij komt ook nog dat hoeft wordt gebruikt, terwijl de zin geen ontkenning bevat, hetgeen bij het gebruik van hoeven wel de standaard is (anders gebruik je moeten).
Dit gebruik van of doet denken aan de zgn. balansschikking (“Ik was nog niet thuis of het begon te regenen“; “Je kunt het zo gek niet bedenken of hij weet er wel een oplossing voor“) waarin het linker lid echter wel altijd altijd een ontkenning moet bevatten **). Bij de balansschikking is er van een voorwaarde helemaal geen sprake; ook is het zo dat of in al deze gevallen niet een keuze uitdrukt, net als bij (7b) en (7c).
Zie voor mijn uitgebreide behandeling van de balansschikking DIT artikel.

 

8. Met behulp van een idiomatische verbinding + bijvoeglijke bijzin:

(8a)      In het geval dat hij morgen nog niet heeft geantwoord, bel ik hem op.
(8b)      Op voorwaarde dat je het niet verder vertelt, noem ik je een paar namen.
(8c)      Onder beding dat je het niet verder vertelt, noem ik je een paar namen.
(8d)      Onder/Op conditie dat je het niet verder vertelt, noem ik je een paar namen.

Commentaar: Deze inleiders van de voorwaarde zijn alle varianten van als/indien, waarbij slechts een licht nuanceverschil in de betekenis valt waar te nemen. Ongetwijfeld is deze reeks (8a)-(8d) nog uitbreidbaar. Het verschil met de voorbeelden (5a) t/m (6e) is alleen van syntactische aard: onder 5. en 6. treffen we een werkwoordsvorm aan gevolgd door een bijbehorend object (lijdend voorwerp of voorzetselvoorwerp, beginnend met dat), onder 8. staan voorbeelden van een zelfstandig naamwoord (geval, voorwaarde, beding, conditie) met een bijbehorende bijvoeglijke bijzin, wederom ingeleid door dat. Het aspect VOORWAARDELIJK blijft niettemin geheel intact.

______________________________________

*) Klooster (Grammatica van het hedendaags Nederlands, 2001, p.324-325) spreekt in dit verband van Croma-zinnen.

**) Voor de balansschikking: zie Van den Toorn, Nederlandse Grammatica, 19849, p.107-109.