De Zwarte Lage Landen

FILE – In this April 27, 1963 file photo, Brazilian footballer Edson Arantes do Nascimento, known as Pele, left, enjoys a chat with Eusebio da Silva Ferreira in Lisbon, Portugal. Eusebio, the Portuguese football star who was born into poverty in Africa but became an international sporting icon and was voted one of the 10 best players of all time, has died of heart failure aged 71, Sunday, Jan. 5 2014. (AP Photo, File) ORG XMIT: XAF103

Even een historisch zwartboekje opendoen. Onmiskenbaar is de acceptatie van zwarte of gekleurde buitenlanders in West-Europese landen enorm bespoedigd van de overkomst van voetballers van overzee. Italië was daarmee overigens een soort wegbereider door al in de jaren-’30 spelers uit Latijns-Amerika aan te trekken die over een dubbel paspoort beschikten, waardoor zij ook voor het Italiaanse nationale elftal konden uitkomen, iets wat Mussolini zeer goed uitkwam in zijn streven het aanzien van Italië op het wereldtoneel te verhogen. Maar in die gevallen betrof het geen zwarte of gekleurde spelers; die instroom kwam pas op gang vanaf 1950 en dan met name door koloniserende landen als Frankrijk, Engeland, Portugal (Eusebio, de parel van Mozambique! Hier op de foto met Pele), België en Nederland. Over het wel en wee van voornamelijk Congolese spelers in België bestaat een prima uitgebreide studie van Tim Vermeulen uit 2012, die online is te raadplegen. Datzelfde geldt voor het artikel van Bart Jungmann uit 2010 over de eerste Surinaamse spelers in Nederland vanaf eind jaren-’50.

Maar hoewel ontegenzeggelijk de invloed van deze gekleurde spelers groot is geweest, zowel voor de sportprestaties van Europese voetbalteams, als voor de integratie van deze spelers als gelijkwaardig aan blanke, Europese spelers, heeft er van meet af aan een racistisch luchtje aan gehangen. Zo citeert Bart Jungmann de eerste Suriprof in Nederland, Humphrey Mijnals, over zijn debuutwedstrijd: “Mijnals herinnert zich van die wedstrijd vooral een schop in zijn knieholte, waarna hij op een brancard het veld verliet. ‘Iemand op de tribune riep: plak een postzegel van 15 cent op zijn kont en stuur hem terug. Dat was mijn kennismaking met het Nederlandse voetbal.’” En nog steeds is het in de 21e eeuw zo dat spelers van Marokkaanse, Turkse, Molukse of Zwart-Afrikaanse herkomst hartstochtelijk worden bejubeld door de eigen fans, maar dat er door aanhangers van de tegenpartij zo af en toe racistische kreten worden geslaakt, dat zwarte spelers op oerwoudgeluiden worden onthaald en dat er met bananen naar hen wordt gegooid.
De weg van overzee naar Europese acceptatie blijkt toch een lange te zijn. De onophoudelijke pogingen van UEFA en FIFA om onder het motto “Nee Tegen Racisme” de aandacht op het fenomeen te vestigen, tonen in ieder geval aan dat het probleem nog lang niet uit de wereld is, alhoewel die officiële acties wel veel weg hebben van window dressing en voor de Bühne te zijn; aan de bobo’s zal het dus niet liggen.

Wel past er enige nuance in de mate waarin vijandig supportersgedrag een racistisch tintje heeft. Het voetbalplaatje van Humphrey Mijnals uit de serie van Dick Bruynestein moge dan wel karikaturaal heten, maar zijn hele serie plaatjes bestond uit karikaturen, ook dat van Abe Lenstra en Faas Wilkes, toch onversneden representanten van het zuivere blanke ras.
Bij mijn weten is het gescandeerde Hi Ha Hondelul! voornamelijk gericht tegen (blanke) scheidsrechters, en zullen velen zich nog herinneren dat Wim Jansen, Mister Feyenoord, na zijn onvergeeflijke overstap naar Ajax bij de eerstvolgende ontmoeting in De Kuip in december 1980 werd getrakteerd op een welgemikte ijsbal. De gooier uit het publiek, Youseph B., alias De Mascotte, vertelde jaren later: “Iedereen in het publiek gniffelde wat. ‘Wie heeft er gegooid?’, vroeg iedereen. Toen bleek het De Mascotte te zijn. Ik kon meteen alles krijgen: frikandellen, cola, friet, iedereen bood me van alles aan.” (bron: De Staantribune).
Ik ben ervan overtuigd dat zelfs de meest fervente PVV-stemmers in het stadion juichen voor ‘hun’ Marokkaanse spelers.

Maar een beetje zwart-wit blijft het toch nog wel even, zolang er nog steeds oerwoudgeluiden in stadions opklinken, er bananen door de lucht vliegen en de Zwarte-Pietendiscussie niet is teruggebracht tot de eigenlijke historische essentie: de zwarte raven Huginn en Muninn van Wodan. Met dank aan de kerstening van Europa.

Het spel en de regels – de puntentelling

Ik herhaal het nog maar even: mijn reeks van vier artikelen over de voetbalspelregels wil een bijdrage zijn aan de discussie hoe het voetbal sneller, aantrekkelijker, “eerlijker” kan worden, voor zowel spelers als publiek. Velen zijn mij voorgegaan, velen zullen volgen.
In dit bericht wil ik de puntentelling onder de loep nemen, waarbij ik met twee voorstellen kom, die eventueel nog combineerbaar zijn ook.

Historie
Vanaf het seizoen 1995-1996 ging voetballend Nederland over op het zogenaamde driepuntensysteem: de winnaar krijgt 3 punten, de verliezer 0, en bij gelijkspel elk team 1 punt. Daarvoor was het 2 punten voor de winnaar. In Engeland werd dit systeem al in 1981 ingevoerd. Het doorslaggevende argument daarbij was dat het aantrekkelijker werd voor de zege te gaan, dan te kiezen voor de optie “een half ei is beter dan een lege dop“, hetgeen maar al te vaak leidde tot een bloedeloze salonremise om tenminste nog één punt over te houden. Overigens bleven dat soort dramatische remises voorkomen: coaches zijn calculerende burgers, en bijvoorbeeld bij voorronden van een kampioenschap kan het halen van een enkel punt voldoende zijn voor plaatsing in de knockoutfase. Maar ook met het driepuntensysteem kan zoiets beschamends voorkomen: meest trieste voorbeeld daarvan dat ik heb mogen aanschouwen was Duitsland-Oostenrijk op 25 juni 1982 op het WK in Gijon. Door de vroege 1-0 waren beide teams “binnen” op doelsaldo, en dus speelden ze 80 minuten lang de bal in de rondte zonder de intentie ook maar één doelkans te creëren. “Raus! Raus!”, klonk het van de tribunes.

Maar ook het driepuntensysteem is geen garantie voor betere wedstrijden. Door de salonremise bij Groningen-PSV (0-0) op 29 mei 2003 wist PSV dat het niet meer door Ajax kon worden ingehaald en dus kampioen werd, terwijl Groningen wist dat het hiermee de nacompetitie kon ontlopen. Een schandalig wedstrijdverloop was het voorspelbare gevolg.

Er zijn varianten denkbaar om de kans op zo’n doemscenario te minimaliseren. Ik behandel er twee.

No more ties
Bij het ijshockey hebben ze een goede aanzet gegeven: geen enkele wedstrijd mag meer in een gelijkspel eindigen; elke wedstrijd kent een winnaar. Hoe werkt dat? Ik beroep mij op  de officiële regels van de IIHF, de Wereldijshockeybond, het Official Rule Book 2018-2022.

Een wedstrijd duurt 3×20  minuten zuivere speeltijd. Is er daarna geen winnaar, dan wordt er verlengd. Dat kan, afhankelijk van de competitie of het toernooi een periode van 5 of 10 of 20 minuten zijn, steeds volgens het principe van de “golden goal” (voor de winnaar) oftewel “sudden death” (in de ogen van de verliezer); de term “game winning goal” wordt voornamelijk bij American Football gehanteerd, maar duidt op hetzelfde.

De meest memorabele voor mij is de goal van Mike Obiku in de kwartfinale Ajax-Feyenoord van de KNVB-beker in 1995: nadat hij in de verlenging de 1-2 scoorde, was de wedstrijd meteen afgelopen en ging Feyenoord door naar de halve finale.

Mocht er, om terug te keren tot het ijshockey, ook na de verlenging nog geen winnaar zijn, dan volgen shoot outs, penalty shots, eerst 5 om 5, en zonodig daarna nog 1 om 1. Hoe dan ook, de wedstrijd duurt voort tot er een winnaar is.

Puntentelling: winst in reguliere speeltijd (3×20 minuten) levert 3 punten op en 0 punten voor de verliezer; winst in overtime, al dan niet na shoot outs: 2 punten voor de winnaar en 1 voor de verliezer. Dat klinkt al een stuk eerlijker, want de uiteindelijke verliezer wordt aldus toch nog beloond voor het gelijke spel na de reguliere speeltijd, en de uiteindelijke winnaar houdt er een punt meer aan over. Grootste winnaar is echter het publiek, dat meer spel, meer spanning en meer sensatie krijgt voorgeschoteld. De zendgemachtigden moeten het met hun programmering maar zien te plooien.

Zespuntensysteem
Maar nog is daarmee een bestaand onrecht niet verholpen: ook bij het nu vigerende driepuntensysteem levert een moeizame 1-0 thuisoverwinning evenzeer 3 punten op als een eclatante 0-7 zege in een uitwedstrijd. Weliswaar kan uiteindelijk het doelsaldo van beslissende waarde zijn, maar doorgaans is dat van secundair belang.
Ik stel daarom het volgende voor:

  • De winnaar krijgt 6 punten, de verliezer 0.
  • Bij een gelijkspel (als dat nog bestaat): beide teams 3 punten.
  • Voor elk gescoord thuisdoelpunt: 1 punt extra.
  • Voor elk gescoord uitdoelpunt: 2 punten extra.
  • Voor elk gescoord tegendoelpunt thuis: 2 punten aftrek.
  • Voor elk gescoord tegendoelpunt uit: 1 punt aftrek.

Voorbeelden:

  • A speelt thuis tegen B, uitslag 1-0
    A krijgt 6+1=7 punten; B krijgt 0-1=-1 punt.
  • A speelt thuis tegen B, uitslag 4-3
    A krijgt 6+4-6=4 punten; B krijgt 0-4+6=2 punten.
  • A speelt thuis tegen B en speelt 0-0 gelijk
    A en B krijgen elk 3 punten.
  • A speelt thuis tegen B en speelt 3-3 gelijk
    A krijgt 3+3-6=0 punten; B krijgt 3-3+6=3 punten.
  • A speel thuis tegen B en verliest met 1-2
    A krijgt 0+1-4=-3 punten; B krijgt 6-1+4=9 punten.
  • A speelt thuis tegen B en verliest met 3-6
    A krijgt 0+3-12=-9 punten; B krijgt 6-3+12=15 punten.

Je ziet: de score wordt direct in punten vertaald en de puntentotalen van alle teams op de ranglijst zullen verder uiteen gaan lopen. Daarmee wordt de amusementswaarde van de wedstrijd, voor zover doelpunten daaraan een bijdrage leveren, ook in punten uitgedrukt.

Ik zou een programma kunnen schrijven voor de consequentie die dit systeem voor de ranglijst gaat hebben, maar dat heb ik tot nu toe nog niet gedaan. Ik volsta hier even met een becijfering van de eerste 13 speelronden van de huidige eredivisie, dus tot en met 6 december 2018. Zie bijgaand overzicht. Daaruit blijkt dat maar liefst 14 van de 18 teams op een andere positie terechtkomen dan bij het huidige driepuntensysteem. Alleen PSV, Ajax, Feyenoord en Vitesse blijven staan waar ze nu staan. De kans is zeer groot dat het na 34 speeldagen belangrijke consequenties gaat hebben voor zowel kampioenschap, Europese deelname, play-offs, degradatie en nacompetitie. Geen club kan voorspellen of die er beter of slechter van wordt, maar elk team krijgt wel de stimulans om de score zo hoog mogelijk te laten worden en in ieder geval af te zien van de bloedeloze en armetierige salonremises van 0-0 of 1-1.

Laat het publiek de uiteindelijke winnaar zijn, waarvoor de betreffende clubs mede worden beloond.

Als Marco van Basten nog verdere toelichting wenst, nodig ik hem uit contact met mij op te nemen.

____________________________________________

Berichten in deze reeks:

  1. Zuivere speeltijd
  2. Respect en kaarten
  3. Puntentelling (dit bericht)
  4. Belijning

 

 

 

 

 

Het spel en de regels – respect en kaarten

Mijn tweede artikel dat de spelregels bij voetbal onder de loep neemt, gaat over respect als gedroomd gedrag en kaarten als arbitraal correctiemiddel. Het eerste is nog niet zo simpel; het tweede is veel eenvoudiger aan te scherpen. Maar omdat ze met elkaar hebben te maken, neem ik ze hier in één bericht samen.

Overwegingen vooraf
Respect dwing je af. Je krijgt het niet gratis. Maar van wat de voetbalorganisaties ervan proberen te maken, door spelers tot handenschudden vooraf te bewegen, of door alle spelers door elkaar te laten poseren voor een reclamebord voor respect (of tegen racisme) is nooit een positief effect hard gemaakt. Op mij komt het meer over als window dressing of voor de bühne, waarmee de organisaties hun handen in onschuld wassen en naar spelers en/of publiek kunnen wijzen als er iets misgaat. Dat laatste is nog ietsje complexer dan het lijkt, want het heeft er alle schijn van dat wangedrag van spelers overslaat op het publiek en omgekeerd. In die zin is een voetbalwedstrijd een interactieve gebeurtenis.

Even iets wat geen zijsprong is. In het algemeen wordt aangenomen dat ijshockey een veel ruwere, zo niet onbehouwener en gevaarlijker sport is dan veldvoetbal. Het tegendeel is echter het geval. Ja, met enige regelmaat zie je ijshockeyers met elkaar op de vuist gaan, maar dankzij hun overmatige kledij levert dat nooit blessures of erger op. En wordt het te dol, dan zijn er altijd 2 of 3 scheidsrechters die adequaat en kordaat optreden. En als je het niet gelooft, ga dan maar eens turven per hoeveel strekkende spelersminuten er bij ijshockey en bij voetbal een blessure voorkomt. Dan blijkt voetbal de ruwere sport te wezen.

Maar dat is niet alles. IJshockeyers zijn tijdens de wedstrijd respectvoller dan voetballers, zeker binnen de spelregels. Het duidelijkst blijkt dat uit hun gedrag jegens de scheidsrechter. Bij ijshockey betekent een fluitsignaal van de scheidsrechter dat alle spelers daadwerkelijk stoppen en het verloop afwachten; alleen de aanvoerder, met de letter C op de borst, of zijn tijdelijk vervanger, herkenbaar aan een A op de borst mag zich met een van de scheidsrechters verstaan, om uitleg vragen, in discussie gaan. Wie zich niet daaraan houdt, kan naar de strafbank. Kom daar maar eens om bij voetbal. Daar betekent een fluitsignaal keer op keer het sein tot de vorming van een kluwen spelers die in woord en gebaar en duwend en trekkend duidelijk te maken dat de arbiter van dienst iets is tussen “onbenul” en “hondenlul”.

Voor mij begon het allemaal op 6 september 1965 toen Feijenoord in Rotterdam Real Madrid ontving en met 2-1 won. Na een overtreding op icoon Coen Moulijn ontstond er een knok- en schoppartij tussen de spelers, hetgeen verslaggever Bob Spaak bracht tot de bekende woorden “Coen, beheers je! Jongens, jongens, dat kan toch niet! Wat een afschuwelijke vertoning!
Zulk een intermezzo betekent niet alleen tijdverkwisting (vandaar mijn pleidooi voor zuivere speeltijd), maar ook slaan die emoties over op het publiek, met alle mogelijke gevolgen van dien, en bovendien levert het niks positiefs op, want de scheidsrechter komt toch niet terug van zijn beslissing; hooguit vallen er gewonden.
De invoering van de vele camera’s, de VAR, de herhalingen, zullen ongetwijfeld een gunstige invloed op spelers hebben, nu zij het risico lopen dat hun wangedrag op beeld vastligt en mogelijk een staartje gaat krijgen.

Discussie of gemekker
Mijn voorstel op dit punt is een regel invoeren dat tijdens en rond een wedstrijd uitsluitend en alleen de aanvoerders van beide partijen zich tot de scheidsrechter mogen wenden en dat de andere spelers op afstand afwachten wat het resultaat ervan is. En langs de lijn: alleen de trainers/coaches van beide teams mogen zich tot de vierde man wenden, of de clubarts van dienst ingeval hij medisch ingrijpen nodig acht. Ieder ander die zich in of rond het veld in woord of gebaar met de arbitrage bemoeit, kan een kaart tegemoet zien. Zo kan het zinloze en tenenkrommende gemekker tijdens een wedstrijd aanmerkelijk worden geminimaliseerd en komt fatsoenlijk gedrag het respect ten goede.

Kaarten
Al zo’n 50 jaar hanteren diverse sporten een systeem van kaarten die de scheidsrechter kan trekken om een speler of lid van de technische staf (soms zelf het hele team als collectief) te corrigeren en met enig vorm van consequentie te bestraffen. Het varieert van drie soorten kaarten (groene, gele en rode) bij het veldhockey, via twee (gele en rode bij veldvoetbal) tot nul (bij ijshockey). Maar in die laatste sport vigeren andere maatregelen: een speler die naar het oordeel van de arbitrage over de schreef gaat, kan vertrekken naar de strafbank, voor 2, of 5, of 10 minuten, of zelfs voor de hele wedstrijd. Daarvoor zijn geen kaarten nodig, en (respect!) die straffen worden doorgaans zonder al te veel gemekker of gemor geaccepteerd. Wat daarbij mijns inziens een grote rol speelt, is niet dat ijshockeyers in doorsnee nettere mensen zijn dan profvoetballers -waarschijnlijk is dat niet zo, als het al te meten is-, maar dat de spelregels en andere reglementen van ijshockey veel strikter, gedetailleerder zijn dan de voetbalspelregels, waardoor er minder ruimte is voor interpretatie en dus ook voor discussie, gemekker en gemauw, noch bij de spelers, noch bij de staf, noch bij het publiek. Dat impliceert dus ook dat ik pleit voor striktere spelregels bij het voetbal, opdat een ieder weet waaraan je je te houden hebt.

Daar bovenop: handhaaf rustig het uitdelen van gele en rode kaarten, maar voeg er, net als bij ijshockey en veldhockey, een strafbank aan toe, bijvoorbeeld 5 of 10 minuten (zuivere speeltijd uiteraard) bij een gele kaart en de hele wedstrijd bij een rode kaart, welk laatste nu ook al het geval is.

Bijkomend voordeel is de volgende overweging: Team A speelt tegen team B. Een speler van A krijgt een gele kaart, maar kan desalniettemin de wedstrijd voortzetten, ook al is het een beetje met de handrem erop om geen tweede gele kaart te incasseren, want geel+geel=rood. Maar het voordeel van B tijdens die wedstrijd is zeer beperkt. Zou de betreffende speler voor een aantal minuten van het veld moeten, dan is het numeriek voordeel voor B evident. Bovendien: als diezelfde speler van A door die gele kaart een schorsing oploopt en A moet volgende week tegen C spelen, dan is C bevoordeeld door de afwezigheid van die speler, en B benadeeld, want C pakt dan het voordeel dat B, tegen wie de overtreding is begaan, is misgelopen.

Technische complicatie: net als bij ijshockey zou bij veldhockey en veldvoetbal de bestrafte speler niet mogen plaatsnemen in de dug out van zijn team, maar plaats moeten nemen in een aan te leggen strafbank aan de andere kant van het veld, zulks ter voorkoming van contact tussen speler en staf waardoor de bestrafte speler ook nog eens tal van aanwijzingen kan meekrijgen en zo profiteert van zijn uitsluiting. Twee strafbanken zelfs, eentje per team, want het komt niet zelden voor dat van beide teams tegelijk een speler naar de strafbank moet, waarna dat tweetal buiten de lijnen met elkaar op de vuist gaat of zich anderszins misdraagt uit frustratie. Bijgaande uitzonderlijke foto maakte ik op 2 januari 2007 tijdens de kwartfinalewedstrijd Finland-USA (3-6) in het Zweedse Mora. Er zaten maar liefst 4 Finse spelers tegelijk in de strafbank en een van hen sloeg in drie houwen zijn stick op de plexiglas boarding kapot, hetgeen hem nog een bijkomende straf opleverde. Zo iemand wil je toch niet naast je in de dug out hebben zitten…
Tussen beide strafbanken bevindt zich een official die de toegang van de strafbank opent en, de stopwatch in de hand, na het uitzitten van de straf weer opent.

Heren, heren, gedraagt u alstublieft.
En dames binnenkort ook, valt te vrezen.

____________________________________________

Berichten in deze reeks:

  1. Zuivere speeltijd
  2. Respect en kaarten (dit bericht)
  3. Puntentelling
  4. Belijning

 

Het spel en de regels – zuivere speeltijd

Ik had me vlak na het afgelopen WK voorgenomen een viertal artikelen te schrijven over de regels van het edele voetbalspel. Omdat ik echter wel belangrijker zaken te doen had, was dat er nog niet van gekomen. Maar nu ga ik aftrappen met een verdediging van een voorstel tot verbetering: de invoering van de zuivere speeltijd.
Eigenlijk is er wel een meerderheid voor het vervangen van de huidige 2×45 minuten plus eventuele extra tijd, vooral om het spel eerlijker, sneller en aantrekkelijker te maken, maar tussen droom en daad staan logge instanties als FIFA en UEFA in de weg.

Waarom zuivere speeltijd?
Per wedstrijd gaat er zo’n 25 tot 40% aan tijd verloren met dode spelmomenten, dus de periode tussen het affluiten door de scheidsrechter en de daadwerkelijke spelhervatting. Naarmate de wedstrijd vordert en de eindstand waarschijnlijker wordt, neemt het tijdrekken door een van beide partijen merkbaar toe. Dat is onderdeel van het spel, maar daarvoor komt niemand naar het stadion.

Verder kan de arbitrage weliswaar aan het einde van elke helft een min of meer arbitrair aantal minuten aan extra speeltijd toevoegen, maar het spreekt voor zich dat een der partijen en een deel van het publiek die toegevoegde tijd absoluut te kort of juist te lang vinden.

Waarom geen zuivere speeltijd?
Allereerst doordat FIFA en UEFA logge, stoffige en conservatieve instanties zijn die een hekel hebben aan verandering, ook die van de spelregels.

Verder, zo wordt wel geopperd, is er het probleem dat de zendgemachtigden die een live verslag van een wedstrijd verzorgen in de knoop kunnen komen met de programmering, als de werkelijke wedstrijdduur ongewis is.

En ten derde is er het argument van het technische gedoe, want er is een tijdwaarnemer nodig die voortdurend registreert of het spel voortgaat of stil ligt.

Tegen bezwaar 1 breng ik in dat dat de verandering niet tegenhoudt, maar alleen opschort. Een bureaucratische vorm van tijdrekken dus. Maar ook binnen deze instanties zijn er Marco van Bastens genoeg om vroeg of laat de gewenste herzieningen door te voeren; zijn latere interview in De Volkskrant van 21 december 2018 biedt voldoende ondersteuning. Zo is dat ook ten lange leste met de doellijntechnologie en de VAR gegaan.

Bezwaar 2 is om minstens twee redenen volstrekte nonsens. Ten eerste is ook de werkelijke speeltijd van een wedstrijd nu ook al ongewis, nooit precies 2×45 minuten met een kwartier pauze ertussen, maar altijd langer, niet zelden variërend van 5 tot 20 minuten. Ten tweede moeten die zendgemachtigden dan maar eens een kijkje nemen in de keuken van Noord-Amerikaanse zenders van live wedstrijden (basketbal, ijshockey,..); bij die sporten wordt met zuivere speeltijd gewerkt, maar de zenders raken niet in paniek: zij programmeren ruim, en is er tijd over, dan lassen ze een of meer interviews in. Sterker nog: soms weten die commerciële zenders het zo te regelen dat een wedstrijd een minuut of wat wordt stilgelegd voor een zogenaamde commercial break. Niet dat ik daarvan voorstander ben, maar het zegt iets over de flexibiliteit van die omroepen bij wedstrijden met zuivere speeltijd.

Dan is bezwaar 3 een stuk reëler. Wie houdt die tijd bij? De scheidrechter die een accurate stopwatch heeft (dat ding heet niet voor niks zo)? Of een van zijn secondanten langs de lijn, de assistent-scheidsrechters of de vierde man? Of moet er een tijdofficial ergens langs de lijn zitten met één enkele opdracht: de tijdknop op de seconde af aan of uit zetten. En dan moet ook nog eens de verstreken of nog te spelen tijd exact op het scorebord of de jumbotron worden weergegeven, maar dat is bij de huidige stand van de (draadloze) techniek niet zo complex meer. Het antwoord op de vraag naar de tijdwaarnemer kan afhankelijk zijn van het belang/niveau van de wedstrijd: een recreatief potje op zaterdagochtend vereist minder dan een Champions League of WK-wedstrijd waarmee miljoenen zijn gemoeid.

Voorstel
Mijn idee is om een voetbalwedstrijd 2×35 minuten zuivere speeltijd te laten duren met een kwartier pauze ertussen. Dus geen extra/toegevoegde/blessuretijd meer.

Als de scheidrechter fluit om het spel te onderbreken, stopt de tijd. Als de scheidsrechter fluit om het spel te hervatten, start de tijd en zijn er zes piepjes te horen, elke seconde één. Heeft de betreffende partij bij het zesde piepje het spel nog niet hervat (ingooi/intrap, doeltrap, aftrap, enz.), dan fluit de scheidsrechter af en gaat de beurt naar de tegenpartij.

Het is aan de scheidsrechter om te bepalen wanneer hij voor spelhervatting fluit. Zo moet bij een doelpunt de bal naar de middenstip – nog steeds een doodspelperiode. Hoe lang hij echter wil wachten tot de kluwen gelukkige speler over elkaar heen tuimelen, kussend, aaiend, grabbelend, knuffelend, of zich tot de bank of het publiek wenden, lijkt me een kwestie van aanvoelen van de wedstrijd. Een doelpunt mag worden gevierd, maar niet ten koste van de zuivere speeltijd.

Van mij mag 2×35 ook 2×30 worden, en mogen de zes seconden er ook wel vijf worden; het is aan de statistici daarover een zinnige uitspraak te doen. En als er een verlenging noodzakelijk is: hooguit 2×10 minuten zuivere speeltijd.

Dit voorstel staat los van mijn voorstellen in de volgende artikelen, maar ook weer niet helemaal. Dat wordt binnenkort wel duidelijk.

____________________________________________

Berichten in deze reeks:

  1. Zuivere speeltijd (dit bericht)
  2. Respect en kaarten
  3. Puntentelling
  4. Belijning

Voetbal? Bah!

Toen in maart 2001 nevenstaande VPRO-gids bij ons in de bus viel, zo herinner ik me nog, had ik het aanvankelijk niet in de gaten en dacht ik dat er een serieuze programmapagina op de voorkant was afgedrukt.
Beetje saai en fantasieloos dus.

Bij nadere beschouwing bleek ik er, zo meldt Herman Zjuiphof, toch weer ingetuind.

 


Ik had dit nummer van de VPRO-gids altijd bewaard en vond het bij opruimen afgelopen weekend weer eens terug. Omdat sommigen van jullie het nummer misschien niet hebben bewaard, of zelfs nooit ontvangen, geef ik die voorpagina hier onverkort en zonder verder commentaar weer.

Het is humor van het kaliber van het tegenscript, een andere oude voorpagina (of binnenpagina – weet ik niet meer) van de VPRO-gids, eerder op deze weblog gepresenteerd.