Kerstroep-4: Kyrie

Als eerste onderdeel van Pascha’s Vianočná Omša neem ik het Kyrie onder de loep. Geen ingewikkeld stuk, zoals zal blijken, maar er valt niettemin nog genoeg over te melden. En voor nog één keer mag de vergelijking met de kerstmis van Ryba niet ontbreken.

Alle onderdelen van beide kerstmissen zijn modulair opgebouwd; ze bestaan uit een reeks van passages, in de partituren geletterd A, B, C, enz., die van elkaar zijn onderscheiden door een duidelijke cesuur in de tekst, en/of een wisseling van toonsoort, ritme, maat, dynamiek, koor-/orkestbezetting, overgang van majeur naar mineur of omgekeerd. Bij Pascha bestaat het Kyrie uit de delen ABCB, alsof het een rijmschema betreft. A en B zijn het Kyrie eleison, C is het Christe eleison, en B is een herhaling van de eerdere B.

Anders dan bij Ryba handhaaft Pascha in het hele Kyrie consequent de toonsoort F majeur, maar de cesuur is merkbaar, niet alleen door de tekst, maar ook door het Andante (A) en Allegro (B) Kyrie, gevolgd door een gedragen Lento Christe in C (uitsluitend sopraansolo) en afgesloten met een herhaald en tutti Allegro Kyrie (B).

Ook anders dan bij Ryba, die in zijn hele werk uitsluitend Tsjechischtalige teksten heeft opgenomen, houdt Pascha het in het Kyrie bij de bekende Latijnse tekst: Kyrie eleison, Christe eleison, Kyrie eleison.

Evident is het dat Pascha’s Kyrie fungeert als een exposé: het tentoonstellen van koor en orkest aan het kerkvolk. Naast het vierstemmig koor presenteert hij zowat het hele orkest, minus alleen de nonnenviool, de bellen, de pauken en de grote trom; er moet nog wat overblijven voor het latere vuurwerk. Bovendien zet hij nadrukkelijk meteen al de toon: F groot, zoals gezegd, maar ook de lydische toonladder (zie en luister bij Kerstroep-2), afgewisseld met de “gewone” grote-tertstoonladder.

En er is meer: het kerkvolk moet niet alleen dienen als toehoorder van een muziekstuk, het moet ook nadrukkelijk worden opgeroepen erbij aanwezig te zijn en aan de hele ceremonie deel te nemen. Ik noem dat het convocatief element; we treffen het overduidelijk meteen al in het begin aan bij Ryba zowel als bij Pascha. Het uit zich in het niet te missen gebruik van het dalende tertsinterval (zie ook bij Kerstroep-1 aan het einde).
Ik heb voor de duidelijkheid de beginmaten van de koorpartijen van beide missen even achter elkaar gezet (en Pascha voor de gelegenheid even getransponeerd van F-groot naar G-groot). Klik HIER om te beluisteren.
Let op de vele rood omcirkelde convocatieve intervallen; dat kan toch geen toeval meer zijn. De toehoorders worden geroepen, maar impliciet is het ook een verwijzing naar de engelen in het in beide missen opgenomen kerstverhaal die de herders oproepen om naar het stalletje in Bethlehem te gaan. Vandaar ook de serietitel Kerstroep.

Heeft Ryba (1796) dit gekopieerd van Pascha (1770)? Er valt niks uit te sluiten, maar meer voor de hand liggend is de oerkracht van de convocatieve terts, zoals in Kerstroep-1 ook al aangestipt, die door beide componisten los van elkaar is gehanteerd. Daarmee hoort die “roepklank” tot de conventionele signalen, door menigeen gekend en herkend, min of meer te vergelijken met de trompet- en hoornsignalen die bij de jacht en in het leger worden geblazen.

Het Kyrie van Pascha is al met al een weinig gecompliceerd stuk, noch voor de toehoorders, die alles ervan wel eenvoudig kunnen “snappen”, noch voor de uitvoerenden, van wie geen heksentoeren worden verlangd. Het is een binnenkomertje, een introïtus, zonder fratsen, dat het fundament legt voor de delen die gaan komen.

________________________________________
Vorige berichten:
Kerstroep-1: Jakub Jan Ryba

Kerstroep-2: Edmund Pascha (?)
Kerstroep-3: Pascha documentatie
Volgende berichten:
Kerstroep-5: Gloria
Kerstroep-6: Credo
Kerstroep-7: Sanctus-Benedictus-Agnus Dei