Hebbedingetje of akkefietje?

Na mijn recente artikelen over morfologie en lettergreepscheiding, en dat over de vorming van het meervoud in het Nederlands, voltooi ik mijn taaltrilogie nu met enige overpeinzingen over de verkleinvormen in het Nederlands, ook al zo’n gruwel om snel even aan iemand uit te leggen. Je kunt het fenomeen van de technische, meer formele kant benaderen of van de praktische, meer pragmatische kant, maar simpeltjes gaat het in beide gevallen niet.
Wat hieronder volgt is geen proeve van cursusmateriaal, maar een verzameling van overpeinzingen over het verkleinwoord, die ik min of meer geordend wil presenteren.

Hierboven staat pagina 17 uit Het verkleinwoord in het Nederlands. Publikatie nr.1 van het Instituut voor Algemene Taalwetenschap van de UvA, 1971. Dat was in de periode dat er naarstig werd gezocht naar passende formalisaties binnen het Transformationeel-generatieve kader. Hoewel die studie heel gedegen, diepgaand en vernieuwend was, zal de doorsnee taalgebruiker er niet erg blij mee zijn. Maar voor hen was het dan ook niet bedoeld.
Dat de werkgroep er niet helemaal uit is gekomen, is geen schande. Het was in feite een nieuw onderzoeksterrein binnen een nieuwe wijze van taalbeschrijving, en al formaliserend doemden er steeds weer meer nieuwe probleemgevallen op.
Daar doorheen speelde ook de tegenstellingen tussen de othodoxe, Chomskiaanse syntactici, die puur op de vorm letten, en de daarop volgende stroming van de generatieve semantici, die de betekenis erin verwerkt wilden zien.
Op geen enkele manier wordt in die Publikatie verklaard waarom we naast bloempjes ook bloemetjes hebben, terwijl dat toch niet zo’n probleem zou hoeven zijn: onderscheid gewoon bloem1 (vruchtdragend deel van een plant, met bloempje als diminutief) en bloem2 (drie of meer bijeengebonden elementen uit de verzameling van bloem1, met bloemetje als collectief diminutief), al heb je daarmee nog niet kunnen verklaren waarom we kindjes naast kindertjes hebben (en in mindere mate het dialectische kinders naast kinderen).
Ook in meer leesbare publicaties zien we de complexiteit van het verkleinwoord. Naast elkaar hier bij Van den Toorn, Klooster en de AWS (klik om te vergroten):

Van den Toorn (1984) besteedt er nauwelijks 1 volle bladzij aan (deel van p.155-156), waarbij het me opvalt dat er boven de eerste regel een of meer regels ontbreken (zetfout?).

Klooster (2001) heeft er rond de 2 bladzijden voor nodig (deel van p.15-17), maar net als bij Van den Toorn zie je dat het niet bepaald gaat om brugklasleerstof.

De AWS (Afrikaanse Woordelys & Spelreëls) (2018) is nog de meest uitgebreide (p.209-213).
Mense wat dink dat Afrikaans ’n eenvoudige taaltjie is, oorspronklik uit die 17de-eeuse Nederlands, ook grammaties, is verkeerd: die verkleiningsvorme in Afrikaans is ook baie ingewikkeld vir Afrikaanssprekendes.

Dat het verkleinwoord in het Nederlands behoorlijk ingewikkeld kan zijn, blijkt uit de probleemgevallen, waarvan bij gebrek aan een deugdelijke, complete beschrijving maar al te vaak wordt gezegd dat het “uitzonderingen” betreft. Dat is wetenschappelijk onverantwoord. Daarmee wordt het gebrek aan studieresultaat teveel verdoezeld; een beschrijving dient compleet en allesomvattend te zijn.
Als voorbeeld beperk ik me hier nu even tot de problematiek bij woorden als:
Plas ® plasje, maar glas ® glaasje. Pad (dier) ® padje, maar pad (weg) ® padje of paadje en pad (koffiecup) ® padje. Meer daarover is te vinden op https://taaladvies.net/taal/advies/vraag/1514.

Nog ietsje (of: een pietsie) ingewikkelder wordt het als we zien dat verkleinvormen niet alleen bestaan bij zelfstandige naamwoorden, wat iedereen wel denkt en weet, maar dat er ook een niet erg productieve verzameling van bijwoorden en telwoorden bestaat op -je(s):
warmpjes, koeltjes, eventjes, netjes (“keurig“), strakjes (“zo dadelijk“), vlotjes, simpeltjes, dunnetjes. En dan hebben we ook nog eentje, tweetjes, drietjes en zijn er veel ditjes en datjes, waarbij de -s evident een meervoud aanduidt.
Is die -s in de andere gevallen een zgn. adverbiale -s ? En vindt die zijn oorsprong in een Oud-Nederlandse 5e of 6e naamval, bv. de instrumentalis of ablatief? Ik heb dat altijd vermoed bij woorden als hebbes en lopes (“Ga je met de fiets? Nee, ik ga lopes.”)? Maar daarvan heb ik tot nu toe nergens een sluitend bewijs kunnen vinden.

Al deze genoemde voorbeeldwoorden hebben een zekere sfeer van colloquiaal gemak of nonchalance om zich hangen en zullen in officiële en serieuze taal weinig te vinden zijn. Mijn inschatting is dat de gebruikte verkleinvorm iets familiairs of minzaams heeft, die aansluit bij de knussigheid die we ook bij veel zelfstandige naamwoorden in de verkleinvorm kennen. Het is de vermeende oer-Hollandse gezelligheid, welk woord Jaap de Hoop Scheffer vergeefs poogde uit te leggen aan Bush jr. Daarna had hij het woord knus nog ter tafel kunnen brengen. Laten we die verkleinwoorden maar eens wat nader bekijken.
Immers, er zijn zeker vier domeinen waarbinnen we in het Nederlands de verkleinvorm van zelfstandige naamwoorden hanteren.

Allereerst is dat natuurlijk de mogelijkheid om aan te geven dat er sprake is van een klein exemplaar: een tafeltje is kleiner dan een tafel, een wokpan is geen pannetje, een ommetje of een blokje om is geen rondrit, een kruimeltje is geen homp, en wie het hoekje om gaat, is op z’n Amsterdams kassiewijle of kassieses, wat ook verkleinvormen zijn van een zeswandige kast. Maar bij “mag het een onsje meer zijn?” blijft het helaas vaak niet beperkt tot minder dan 100 gram, en bij een koopje is niet de gekochte waar klein, maar de ervoor betaalde prijs. En wat we met de vormen centje (pijn), fluitje (van een cent), stuivertje (wisselen), dubbeltje (op zijn kant, of geboren zijn voor een ~), kwartje (kan vallen) en oortje (versnoept hebben) aan moeten, is niet zo simpel te duiden ter verklaring van de verkleinvorm.
Hoe subjectief vaak ook, dit is een woordgebruik dat je niemand hoeft uit te leggen.

Iets anders ligt dat bij het tweede domein: woorden waarvan de grondvorm eigenlijk niet, althans niet in dezelfde betekenis voorkomt: een hebbedingetje, een akkefietje, een kattebelletje, een niemendalletje, een rozenhoedje, een hopje, een saucijzenbroodje of worstenbroodje, een dropje/snoepje (telbaar; drop/snoep is dat niet), snotje (iets in het ~ hebben; als je tenminste snot niet ziet als een variant van snuit), en in de categorie flora en fauna: madeliefje, herderstasje, sneeuwklokje, stokstaartje, zilvervisje, … Hier speelt ofwel het in de loop der eeuwen verloren zijn gegaan van de niet-verkleinvorm, of de aanduiding van een geheel ander begrip dan door de niet-verkleinvorm wordt bedoeld.

In mei 2005 bracht ik een bezoek aan de universiteit van het Russische Pskov, op 300 km van Leningrad, waar een groep studenten zich onder de vastberaden, wakende hoede van Lenin bekwaamden in het Nederlands, en daar wonderbaarlijk goed in slaagden.
Het leverde mij een onverwacht inzicht op; zoals zo vaak moet je buitenlands taalgebied betreden om het Nederlands beter te kunnen analyseren. Daarzonder had ik ook nooit mijn studie naar Nederlandse voorzetsels kunnen voltooien.

Zowel de colleges als het lesmateriaal van docent Poda vertoonden ontegenzeggelijk Vlaamse invloeden, maar dat was op zich geen probleem. Wat mij frappeerde, was de nadruk die hij erop legde dat het Nederlands zich veel meer dan bijvoorbeeld het Russisch bedient van verkleinwoordjes, vooral voor begrippen die helemaal niet zo klein zijn. De studenten en studentes pikten het wel op, maar zij misten de taalroutine om het vlekkeloos toe te passen, hetgeen geen wonder is.

 

Dat is dus de derde mogelijkheid: met het verkleinwoord druk je de bovengenoemde knussigheid uit; in de consumptieve sfeer: een kopje koffie, een borreltje/biertje, een hapje eten, een vorkje prikken, een frietje/patatje,… Je zult niet gauw een bezoekje aan de paus afleggen; dan noem je het hooguit een bliksembezoek of korte audiëntie, waarvoor het Witte Boekje zelfs geen verkleinvorm aangeeft, maar je neemt wel graag een bloemetje mee (geen bloempje aub!), of een bosje bloemen, waarvoor je met Pasen met een kort woordje wordt bedankt.
Aan de andere kant kan het ook een zekere minachting uitdrukken, in elke geval iets minder vleiends: een Pietje precies, een haantje de voorste, lekker weertje, hè? (als het stortregent).

Dat alles verklaart wellicht ook het vierde domein: dat van de kindertaal. Dat is een wisselwerking. Aan de ene kant zijn kinderen klein en bezien zij veel dingen ook in miniformaat, maar aan de andere kant zijn het ook de ouders of opvoeders, thuis, op school, op straat, die de vreemdsoortige eigenschap hebben tegen kinderen in bovenmatig veel verkleinwoorden te spreken, waardoor die kinderen dat als norm gaan overnemen. Taalontwikkeling verloopt immers grotendeels via analogie en nabootsen. Van slabbetje tot hansopje, van bordje tot lepeltje, drankje, pilletje, vitamientjes, van bedje tot slaapje doen. Ons nationale kinderliedrepertoir doet er graag aan mee: Slaap, kindje, slaap. Een karretje op de zandweg reed. Lammetje loop je zo eenzaam te dwalen. Daar zaten zeven kikkertjes. Advocaatje, leef je nog. Zakdoekje leggen. Berend Botje, Moriaantje zo zwart als roet (…) bolletje (…) parasolletje, …
Bij wat ik in mijn schoentje vind en een snoezig jurkje kant en klaar kun je nog vermoeden dat het gaat om ritmische dwang, maar toch komt het verkleinwoord wel binnen. Waarom vatte Katharina Leopold in 1898 de koetjes niet bij de ritmisch passender hoorntjes: Een pop met vlechtjes in het haar, een snoezig jurkje kant en klaar, drie kaatseballetjes in een net, een lettertje van banket. Zo klaar als een klontje toch?
Maar dan hebben we natuurlijk nog altijd uit de Fabeltjeskrant: oogjes dicht en snaveltjes toe.

Geen wonder dat kinderen dus ook graag doktertje, tikkertje, krijgertje, verstoppertje of diefje met verlos spelen.

Allemaal knusse gezelligheid, voor de veilige geborgenheid van de tere kinderziel.