Amper

Intrigerende observatie van Ronny Boogaart op blz.22 van zijn bundel Een sprinter is een stoptrein zonder wc (AUP, 2015), dat veel van zijn studenten, en zulks in toenemende mate, bij nauwelijks honderd denken aan 98 of 99, in plaats van het correcte aantal van 101 of 102. Blijkbaar dwingt de negatieve connotatie van nauwelijks tot een interpretatie van “net niet” in plaats van “maar net”.

Ik kan Boogaart geruststellen. Zijn observatie hoort niet thuis binnen het typisch domein van steeds slechter wordende studenten, noch is zij regionaal beperkt tot Leiden e.o. Bij nagenoeg alle Nederlands sprekende volwassenen aan wie ik de vraag voorlegde, kwam spontaan hetzelfde antwoord “net niet”.

We kunnen die misinterpretatie niet wijten aan de beginletter n van nauwelijks, want nauwelijks is niet de negatieve pendant van auwelijks, zoals nergens tegenover ergens staat en nooit tegenover ooit. Het moet louter en alleen zitten in genoemde negatieve connotatie, een overheersend beeld dat mensen erbij hebben, waardoor zij denken dat het genoemde aantal niet wordt gehaald. Boogaart heeft gelijk: als er nauwelijks tien studenten zijn geslaagd, dan overheerst het gevoel dat er dat maar bitter weinig zijn, zelfs al weet je niet hoe veel studenten er niet zijn geslaagd. Wel weet je dat het aantal niet-geslaagden groter zal zijn geweest dan een of twee, want het gebruik van nauwelijks impliceert een tegenvallend resultaat. Maar toch slaagden er 10 tot 12 studenten.

Ik kan Boogaart nog meer geruststellen. Leg aan degenen die bij nauwelijks honderd aan <100 denken eens de zin voor:

(1a) Ik was (nog maar) nauwelijks thuis, of het begon te regenen
al kan

(1b) Ik was nog niet thuis, of het begon te regenen
je op een dwaalspoor brengen

Een van de kenmerken van zinnen als deze, luisterend naar de constructienaam balansschikking, is dat het linker lid, dus voor het voegwoord of, een negatie of negatieve gevoelswaarde moet hebben. Zinnen als

(1b) *Ik was al uren thuis of het begon te regenen

zijn niet gebruikelijk.

Ik schat dat iedere Nederlands sprekende bij het horen van zin (1a) zal interpreteren dat ik al thuis was, weliswaar nog niet zo lang, toen de eerste druppels vielen. Ergo: nauwelijks betekent (nog maar) net wel en dus niet: (nog maar) net niet. De negatieve lading van nauwelijks zit hem dus niet in het niet halen van het gewenste aantal of moment, maar in de korte ruimte tussen dat ijkpunt en wat daarna volgt.

Ook leuk is, als ik me niet vergis, dat nauwelijks in alle gevallen vervangbaar is door ternauwernood. Het is de vraag of dat woord in even grote mate wordt gemisinterpreteerd als net niet in plaats van maar net. Het zou me niet verbazen als die score gunstiger uitpakte.
Het omgekeerde lijkt mij overigens niet het geval: niet bij elk voorkomen van ternauwernood kun je nauwelijks invullen, namelijk in die gevallen waarbij de zin al een negatie of althans een negatieve lading herbergt (de vetgedrukte woorden):

(2a) Bij de lawine waren zij ternauwernood aan de dood ontsnapt
(2b) * Bij de lawine waren zij nauwelijks aan de dood ontsnapt
(3a) Door die nieuwe controlepoortjes had ik ternauwernood de trein van 8.19 gemist
(3b) * Door die nieuwe controlepoortjes had ik nauwelijks de trein van 8.19 gemist
(4a) Ondanks de KNMI-waarschuwing had het vannacht ternauwernood niet gevroren
(4b) * Ondanks de KNMI-waarschuwing had het vannacht nauwelijks niet gevroren

Er is nog een zogenaamd synoniem voor nauwelijks. Ik zeg zogenaamd, omdat echte synoniemen eigenlijk niet bestaan. Een wetmatigheid bij taalgebruikers is dat als twee woorden precies dezelfde betekenis en gevoels- en gebruikswaarde hebben of beginnen te krijgen, een van beide woorden ofwel van betekenis/gevoelswaarde verandert, ofwel het loodje legt. Zo kennen bijvoorbeeld de “synoniemen” fiets en rijwiel het verschil dat Tom Dumoulin wel op zijn fiets stapt, maar niet op zijn rijwiel, en dat je bij een medische controle wel “Dag dokter” kunt zeggen, maar niet “Dag arts”.

Het woord waarop ik doel, is amper. Jarenlang hield ik, tegen beter weten in, mijn leerlingen voor dat er maar vier echt origineel Nederlandse woorden bestaan: jas, pet, das en oorlog. Ik zei dat om de angst voor verengelsing van het Nederlands wat te relativeren: wij hebben bijna al onze woorden van over de landsgrenzen gehaald, zonder dat je kunt volhouden dat onze taal daardoor is verloederd. Maar amper hoort wel degelijk bij de oer-Nederlandse woorden. In het Frans, Duits en Engels spreek je van à peine, kaum en barely, alleen in Nederland en Vlaanderen heet het amper.

De herkomst van het woord is onduidelijk. Het grote Woordenboek der Nederlandsche taal blijft er wat vaag over; ook het Etymologisch Woordenboek der Nederlandsche taal van Frank-Van Wijk somt heel wat suggesties op, maar blijft de herkomst “mogelijk, maar onzeker” vinden. In zijn boekje Soebatten, sarongs en sinjo’s (Bzztôh 1990, ISBN 9789062915590) noemt Joop van den Berg op blz.82 het woord amper als een van de Nederlandse woorden van Indonesische herkomst, met als Nederlands synoniem: nauwelijks, maar bovenstaand citaat uit het WNT lijkt dat te ontkrachten.

Amper is bruikbaar in bovengenoemde vier (a)-zinnen, inclusief (1a) en (1b); bij zin (2b) heb ik mijn twijfels, maar (3b) en (4b) lijken mij niet geschikt om amper te bevatten.

Voor mensen als Ronny Boogaart en mij is er nog wel werk aan de winkel. Op mijnwoordenboek.nl vind je bij amper de omschrijving:

nog geen, bijna niet – ne… guère
– een kind van amper twee jaar – un enfant de même pas deux ans

Nog geen twee jaar dus; mij lijkt toch dat dat niet de correcte Franse vertaling is. Dit kind heeft onlangs nog twee kaarsjes uitgeblazen.

– Ik kan het amper geloven – J’ai de la peine à le croire

staat er dan als tweede voorbeeld bij. Je kunt het dus wel geloven, zij het met moeite.

Amper is net wel, op het nippertje, kantje boord, net als nauwelijks en ternauwernood, en niet een woord dat heen en weer zwalkt tussen nog niet en net wel, zoals mijnwoordenboek.nl suggereert, want bijna niet betekent net wel.

En dan heb ik het nog niet gehad over de bij dat lemma genoemde synoniemen voor amper: koud en schoonmaakmiddel. Klik daar maar op en je snapt er niets meer van.

Om met een omweg echter weer terug thuis te komen: in zin (1a) kun je nauwelijks inderdaad vervangen door koud:

(1d) Ik was koud thuis, of het begon te regenen

Maar die trouvaille heb ik niet van die site kunnen plukken.