Datief / Dativus

Merkwaardig. Terwijl Nederlanders, Engelsen, Fransen, Italianen en Spanjaarden ervan schijnen te gruwen en dan nog liever voorzetsels gebruiken, zijn sprekers van Duits (een beetje) en van Slavische talen (een heleboel) er tuk op: het gebruik van naamvallen. Hier even een poging de dativus in ere te herstellen, want we zijn er in het Nederlands nog lang niet van af.

Sinds de oudste Nederlandse grammatica’s voor zinsontleding is in feite elke datief gekoppeld aan het “meewerkend voorwerp”, MV; evt. “belanghebbend voorwerp”, BV. In feite is dit weinig elegant.
Vanuit het Latijn bestaan er zeker negen gebruiksmogelijkheden van de dativus, waarvan alleen eentje (dativus commodi) een echt MV is. Daardoor kun je in problemen komen voor de klas, namelijk wanneer er een ander soort datief staat die je toch als MV moet benoemen, maar alle proeven mislukken. Vandaar even een overzichtje, dan ben je gewaarschuwd.

  • 1. Dativus na een voorzetsel
    In het Nederlands regeren alle voorzetsels tegenwoordig de 4e naamval (accusatief), behalve het voorzetsel te (te zelfder tijd; ten kantore van,…).
  • 2. Dativus commodi / incommodi
    Hiermee wordt de bevoordeelde/benadeelde partij aangeduid, dus de ontvanger of belanghebbende. Geef mij dat boek even. Vertel mij dat eens, enz. Onder omstandigheden kan/moet deze datief worden voorafgegaan door aan of voor
    Dit is in feite het echte meewerkend/belanghebbend voorwerp.
  • 3. Dativus ethicus
    Geeft de persoon aan die bij de zaak betrokken is. Dat was me wat, Maak het me niet te moeilijk, enz. Toevoeging van aan of voor is niet steeds mogelijk.
  • 4. Dativus possessivus
    Geeft de eigenaar aan van een elders genoemde entiteit:

    Hij haalt me het vel over de oren →  Hij haalt mijn vel over de oren.
    Het is me tot genoegen afgehandeld → Het is tot mijn genoegen afgehandeld.
    Nu is me de buit ontglipt → Nu is mijn buit ontglipt.
    In feite is dit dus een variant van een constructie met een genitief/bezittelijk voornaamwoord. Komt veel voor in het Nederlands, maar de MV-proeven werken niet.
  • 5. Dativus iudicandis
    Geeft de persoon aan die over de gebeurtenis een mening heeft, te parafraseren met “wat mij betreft” of iets dergelijks:

    Dat eten is me te zout. (wat mij betreft)
    Dat komt me erg vreemd voor. (naar mijn oordeel)
    Het wordt me te gortig. (naar mijn mening)

Dan zijn er nog Latijnse en Griekse datieven die we, bij mijn weten, in het Nederlands niet gebruiken. Berucht is het Latijnse: Mihi domus est → “Aan mij is een huis” Ik heb een huis.
Volgens mij is deze gebruiksvorm in het Nederlands onbekend, tenzij misschien in dialecten.

Hetzelfde geldt voor de dubbele datief, de zgn. dativus finalis:
tibi laetitiae → “voor jou tot vreugde” → om jou een plezier te doen.
Waar het Duits nog evt. kan zeggen “Er lebt nur seiner Arbeit, moeten we in het Nederlands een voorzetsel gebruiken: Hij leeft slechts voor zijn werk.

Compleet is dit overzicht niet. Zoek maar verder in de ANS, bij Van den Toorn, bij Den Hertog, bij Wikipedia, via Google. En lees op deze weblog de aanvulling in het artikel De band lek.

Ook interessant: 

  • F. Balk-Smit Duyzentkunst, Het meewerkend voorwerp. Een grammaticale vergissing. Verschenen in Levende Talen 243 (1968), p.5-12.
  • M. van den Toorn, Enkele opmerkingen over het indirect object. Verschenen als reactie in Levende Talen 274 (1971), p.32-40.
  • Beide artikelen zijn ook te vinden in H.Hulshof, Transformationeel-generatieve grammatica in artikelen (1975), p.281-309.

 

 

Frida Balk-Smit Duyzentkunst

Vandaag, bijna een maand na haar overlijden, publiceerde Peter de Waard in de Volkskrant een necrologie van Frida Balk-Smit Duyzentkunst (1929-2013). Wel wat laat, maar wellicht kwam haar overlijden toch nog onverwacht en had de redactie niets op de plank klaarliggen voor het geval dat. De necrologie is netjes en eervol, zij het wat afstandelijk van toonzetting. En niet erg compleet, maar dat is ook ondoenlijk na haar zo veelzijdige wetenschappelijke carrière. Als student Nederlands aan de UvA (1968-1973) heb ik veel met haar te maken gehad. Reden om wat aanvullende bespiegelingen aan de necrologie toe te voegen.

Frida was, in het roerige jaar 1968, de mentrix van de groep eerstejaars studenten waarvan ik deel uitmaakte. Ik herinner mij dat ze samen met ons het curriculum van de opleiding doornam, met wat daarvan in het eerste jaar aan bod zou komen. Op innemende, haast moederlijke toon wijdde ze ons in in wat ons op deze opleiding te wachten stond. Mijn verbazing was echter groot: had ik niet gekozen voor een opleiding Nederlands omdat op de middelbare school mijn opstellen bovenmodaal werden gewaardeerd en het inderdaad zo was dat ik graag non-fictie schreef, zoals ook nu nog? Hoe kon het dan zijn dat in het hele curriculum aan de UvA het onderdeel “creatief schrijven”, “opstellen schrijven”, “artikelen redigeren”, of hoe je het wilt noemen, in geen velden of wegen te bekennen viel? Ik vroeg het haar tijdens die inaugurale bijeenkomst.

De revolutie was nog niet tot in alle haarvaten doorgesiepeld. Wij werden nog met “u” aangesproken. Maar het was niet alleen dat, dat ervoor heeft gezorgd dat haar antwoord mij tot op de dag van vandaag is bijgebleven: “Mijnheer, als u denkt dat u een begenadigd schrijver bent, moet u een uitgever zoeken, maar niet hier komen studeren.”

Ik heb vervolgens een heerlijke en zinvolle studententijd gehad, deels ook door haar inzet en fascinerende bekwaamheid. Haar colleges close reading, uit een tekst halen wat er in zit, bezaten een onweerspreekbare overtuigingskracht. Met haar scherpe redeneerwijze wist zij Harry Mulisch danig van repliek te dienen toen die in zijn wetenschappelijk weinig hoogstaande pamflet Soep lepelen met een vork (1972) fulmineerde tegen spellingshervormers.

Of ik het helemaal scherp heb kunnen analyseren weet ik niet, maar zij wekte op mij de indruk dat ze, samen met haar collega’s, tevens mijn docenten Hugo Brandt Corstius en Herman Pleij bijvoorbeeld, geen uitgesproken exponenten waren binnen de richtingenstrijd die rond 1970 op de UvA in alle hevigheid losbarstte. De breuk die daarvan het gevolg was, met de traditionele oude garde van Hellinga en Lulofs aan de ene kant en de TGG-vernieuwers Kraak, Klooster, Van Dort en Verkuyl aan de andere kant, heb ik altijd in hoge mate betreurd. Binnen de wetenschap is elke nieuwe ontwikkeling schatplichtig aan oudere inzichten en verworvenheden. En ook al was en ben ik fervent aanhanger van het generatieve taalkundedenken (zinnen worden in ons hoofd opgebouwd, gegenereerd, niet afgebroken, ontleed), de hele TGG had nooit kunnen ontstaan als er niet het structuralisme aan voorafgegaan was, om maar een voorbeeld te noemen. En waarom Den Hertog als 19e-eeuws taalschoolmeester verguizen als diens scherpe grammaticale analyses niet tot op de dag van vandaag nog steeds uiterst waardevol blijken te zijn, niet op de laatste plaats voor het taalonderwijs? Ik ben dus ook altijd een ontleedbeest gebleven. Overigens vond ik niet dat Frida Balk de “beste”, “meest complete” of wat dan ook grammatica heeft geschreven. Peter de Waard noemt het “het standaardwerk”, maar ten eerste verzuimt hij de juiste titel te noemen: De woorden en hun zin; hij volstaat met de ondertitel Grammatica voor iedereen, terwijl juist de hoofdtitel zo prachtig homoniem is, typisch Balk. Verder haalt deze grammatica uit 1994 het qua omvang en diepgang niet bij die van Den Hertogs Nederlandsche Spraakkunst (3 delen; rond 1900), Van den Toorns Nederlandse Grammatica (laatste druk 1984), de ANS (1997) of Kloosters Grammatica van het hedendaags Nederlands (2001). Wel ben ik uitermate gecharmeerd van haar bijna furieuze inleiding (“… Geen wonder dat zoveel mensen met een recent vwo-diploma slecht lezen en schrijven en geen vreemde talen kennen, behoudens een beetje Engels. Dat komt door de waanideeën van modieuze onderwijshervormers. In recordtempo ontwierpen zij nieuwe vaagheid die uitmondde in het bureaucratisch terrorisme dat van het Nederlandse onderwijs een puinhoop heeft gemaakt. Of er sprake is van bewuste misleiding of van louter onbenul is moeilijk uit te maken,…”; p.7). Typisch Balk, wederom.

Bij mijn afstuderen was Frida Balk de voorzitter van de examencommissie waarbij zij, samen met Marjolein van Dort, mij in een mondelinge, niet geheel pro-formazitting nog enkele vragen stelde en raadgevingen meegaf. Haar laatste opmerking voordat ik het diploma kreeg uitgereikt was dat zij hoopte mij ooit nog eens binnen de taalwetenschap terug te kunnen zien. Ik heb dat ten dele waargemaakt, want die woorden bleven maar in mijn hoofd rondzingen. Het resulteerde erin dat ik, zij het pas tussen 1997 en 2003, aan een promotie-onderzoek heb gewerkt over voorzetsels o.a. in het Nederlands, Italiaans en Tsjechisch. Helaas was zij daarbij niet actief betrokken, wel Marjolein van Dort en Wim Klooster, als meelezers. En Henk Verkuyl trad op als promotor. Misschien speelde hier toch nog iets van de richtingenstrijd uit de zeventiger jaren mee; in ieder geval spijt het me dat ik haar aanmoediging bij mijn afstuderen niet met haar persoonlijk heb weten waar te maken.

Ook als blijk van waardering voor iemand wiens stimulerende invloed voor een groot deel steeds de sleutel is geweest en gebleven voor mijn interesse in taal en taalkunde. Ik blijf mij Frida met grote dank en bewondering herinneren.

_________________________

(De foto bovenaan is genomen uit Folia Civitatis van 28 oktober 1972, p.10, bij een recensie van haar inaugurale rede “Een referentiële identiteitskrisis“)

 

 

Voorzetsels (1)

Eigenlijk was het mijn verbazing tijdens de periode dat ik docent Nederlands was op diverse middelbare scholen en HBO-instellingen, dat leerlingen en studenten op geen enkele wijze binnen de Nederlandse grammatica een didactiek krijgen aangeboden voor het correcte gebruik van voorzetsels. De meeste boekjes beperken zich tot invuloefeningetjes, waarvoor je dan een voldoende of onvoldoende krijgt, maar onderwijs op dat punt, ho maar. Dat leidde ertoe dat ik me in dat onderwerp ging verdiepen en er tussen 1997 en 2003 een proefschrift over schreef. Hier een eerste kennismaking met mijn voorzetselmanie.

Ik zal me hier vooralsnog beperken tot de volgende vragen:

  • Wat is een voorzetsel?
  • Zijn voorzetsels eigenlijk wel woorden?
  • Hoeveel voorzetsels zijn er?
  • Hoe kunnen we ze onderverdelen?

Wat is een voorzetsel?
Al vanaf de eerste Nederlandse grammatica’s (16e eeuw) worden Nederlandse woorden grofweg onderverdeeld in tien woordsoorten (werkwoorden, naamwoorden, lidwoorden, voorzetsels, e.d.) Voor geen van die woordsoorten bestaat er een sluitende definitie, niet wetenschappelijk, niet voor onderwijskundig gebruik. Hooguit kennen we foefjes, die niet meer blijken te zijn dan een enkele eigenschap of gebruiksmogelijkheid van woorden uit die woordklasse: een werkwoord is een woord dat een tegenwoordige en verleden tijd kent: komt, kwam; een zelfstandig naamwoord is een woord waar je de, het of een voor kunt zetten; een voorzetsel is een woord dat past op de puntjes van … het kooitje of … de lessen (om ook gedurende, tijdens en tussen te kunnen afdekken). Daar moeten leerlingen het dan maar mee doen. Maar om goed te kunnen bepalen of een woord een voorzetsel is, en hoeveel voorzetsels er in het Nederlands dan wel bestaan, is een scherpere afbakening nodig.

Een echte definitie bestaat er niet. In de aanloop nar mijn proefschrift mailde emeritus hoogleraar Nederlandse taalkunde Wim Klooster mij: “Pogingen niet-mathematische objecten te definiëren zijn altijd hachelijk. Bij een concrete linguïstische beschrijving, die niet strikt uitgaat van een specifieke theorie, zou je kunnen streven naar een opsomming van criteria. (Toetsing daarvan berust overigens uiteindelijk steeds op impliciete kennis.) Bij het onderhavige onderzoek moet het didactische doel in het oog worden gehouden. Hoe waterdicht moet een begripsafbakening in een schoolgrammatica zijn? De functie ervan is voor een deel psychologisch: het is fijn om vastigheid te hebben. Voor een ander deel moet de definitie helpen bij het beslissen in onduidelijke gevallen. Even in het midden latend hoe ver je moet gaan in het confronteren van leerlingen met onduidelijke gevallen, kun je in ieder geval constateren dat dat niet elk geval voor iedereen even duidelijk is. Een afbakening in de zin van het geven van criteria heeft dus waarschijnlijk wel enige zin.”

Later voegde hij mij daar mondeling nog aan toe dat het ontbreken van een sluitende definitie van “de zin” nooit heeft belet dat er al eeuwen lang wereldwijd voortreffelijke uitspraken over zinnen zijn gedaan.

Een definitie van het voorzetsel in strikte zin is dus niet voorhanden. Net zomin als voor andere woordsoorten, overigens. En dat hoeft ook niet erg te zijn; een overzicht van de eigenschappen en criteria die bij voorzetsels een rol spelen is veel nuttiger, en dat heb ik ook gepoogd tot stand te brengen.

Zijn voorzetsels eigenlijk wel woorden?
Wij leunen, zoals gezegd, al eeuwenlang op een traditie van onderverdeling van woorden in woordsoorten. Die traditie vindt haar herkomst in het klassieke Grieks en Latijn. In grote lijnen lijkt die dus wel te voldoen, niet alleen voor het Nederlands, maar ook de meeste van de ons omringende talen. In heel veel schoolgrammatica’s treffen we pogingen tot omschrijvingen aan van wat een voorzetsel is, maar bij nadere beschouwing blijken die bijna altijd een weergave of opsomming te zijn van voorzetseleigenschappen, zoals die van het beruchte kooitje. De alleraardigste trof ik aan in een Britse grammatica: “A preposition is a word a sentence never should end with”. Los van het feit dat dit een complete paradox is, is het ook eigenlijk niet waar wat er staat. Ik kom daar zo op terug. De allerslechtste heb ik ooit bij Paardekooper aangetroffen (ik meen in De ontleedkundige les, maar daarvan ben ik niet zeker): “Een voorzetsel is een woord waarmee een lijdend voorwerp nooit begint”. Die is slecht omdat hij niet waar is (in de zin “Ik zie van alles” is van alles een lijdend voorwerp dat met een voorzetsel begint) en bovendien een cirkelredenering bevat als je zijn omschrijving van het lijdend voorwerp erbij pakt: “Een lijdend voorwerp is een zinsdeel dat nooit met een voorzetsel begint”.

Ik ben tijdens mijn onderzoek gaandeweg tot de conclusie gekomen dat het veel beter zou zijn om een voorzetsel helemaal niet te beschouwen als een woord, maar als een functie. Voorzetsels vormen volgens mij helemaal geen aparte woordsoort, zoals bijvoorbeeld “onderwerp” en “toegeving” dat ook niet zijn. Ik houd het hier beknopt en volsta daarom met een paar argumenten zonder verdere uitgebreide discussie.

  • In het hedendaags “snellere” Nederlands is het niet ongebruikelijk dat voorzetsels worden weggelaten. We kennen allemaal het voorbeeld van “We vertrekken richting zuiden”, waarin dan richting opeens tot voorzetsel zou zijn geworden. Maar het is gewoon een zelfstandig naamwoord dat, bij afwezigheid van het weggelaten “in de ~ van” de richtingaanduidende voorzetselfunctie op zich heeft moeten nemen. Dit procedé (in mijn proefschrift betiteld als n-to-p-hopping) doet zich bij zeker 17 Nederlandse zelfstandige naamwoorden voor, zoals kantje boord, randje buitenspel, hoek Keizersgracht, begin 20e eeuw, enz.
  • Al vanaf de middeleeuwen is een soortgelijk inkortingsprocedé al werkzaam geweest, zowel in het Nederlands als in het Engels, Frans en Duits. Bekend zijn de Duitse voorzetselvoorbeelden kraft (uit aus Kraft), laut (uit nach Laut) en statt (uit an Statt); in het Nederlands hebben we al heel lang trots en spijt als “nieuwe” voorzetsels die op gelijke wijze zijn ontstaan. Beide voorzetsels zijn trouwens al bijna weer verdwenen uit ons alledaags taalgebruik.
  • Bovengenoemde voorbeelden beschouw ik als gevallen waarin de functie voorzetsel is komen te rusten op woorden die tot de woordsoort zelfstandig naamwoord behoren. Iets soortgelijks doet zich voor bij (tegenwoordige of voltooide) deelwoorden die “opeens” voorzetsel zijn: gegeven, gezien, hangende, &c. Dit zien we ook heel frequent in het Engels, Frans, Duits, Italiaans en Tsjechisch, om maar een paar talen te noemen. Alweer: het is de woordsoort werkwoord waarop de functie voorzetsel komt te vallen.
  • Goed doordenkend in termen van functie: ook het apestaartje @ vervult de voorzetselfunctie, terwijl het traditioneel niet eens tot een woordsoort behoort, maar het is wel vervangbaar door het Engelse at.
  • Nog verder doordenkend: als je naast elkaar beschouwt “Het einde der wereld” en “Het einde van de wereld” dat is het evident dat de functie van het voorzetsel van kan worden overgenomen door de 2e naamval (genitief) der wereld. Dat leidt er via-via toe dat de stelling verdedigbaar is dat naamvallen ook de voorzetselfunctie herbergen en dus ook voorzetsels zijn. Hetzelfde geldt voor de dubbele punt, want daar achter volgt meestal een lijdend voorwerp, en dus is “:” een markeerder van een 4e naamval, oftewel een soort wapperend vlaggetje van “Pas op! Daar komt een accusatief aan!”. Voorzetsel dus. Traditioneel kunnen we echter naamvallen en leestekens niet onderbrengen in een bepaalde woordsoort, dus, zeg ik, voorzetsels zijn geen elementen van een bepaalde woordsoort, maar functies die we aan bepaalde taalelementen kunnen hechten.
  • In dat laatste argument word ik gesterkt door het statistisch verkregen gegeven dat een taal meer traditionele voorzetsels gebruikt naarmate het minder naamvallen hanteert: in het Italiaans, dat nog minder naamvallen gebruikt dan het Nederlands, is 1 op de 5½ woorden een voorzetsel; in het geschreven Nederlands is dat ongeveer 1 op de 8; in het Tsjechisch, dat nog heel sterk 7 naamvallen hanteert, is dat nog slechts 1 op de 15. Dat verraadt op z’n minst een verband tussen voorzetsels en naamvallen, maar wat mij betreft ook een omgekeerde evenredigheid. Overigens is het wel zo, dat in het Nederlands (heel vaag), in het Duits en het Tsjechisch (heel sterk) een traditioneel voorzetsel altijd een zekere naamval regeert, denk aan het rijtje mit, nach nebst, samt, bei,… uit Schwere Wörter, en dat je dus al tellende bij elk voorzetsel er een naamval gratis bij krijgt.

Hoeveel voorzetsels zijn er?
Ik weet het niet. Niemand weet het. Wel heel veel. Maar zolang je geen definitie hebt, kun je niet zuiver tellen. Ik heb mijn eigen criteria gehanteerd, en kwam tot de volgende schattingen van het aantal verschillende voorzetsels in zes talen:

  • Nederlands: 375
  • Engels: 128 (alleen eenwoordige, dus niet as far as of for the sake of; tel je die ook mee, dan worden het er 389)
  • Duits: 128
  • Tsjechisch: 126
  • Italiaans: 79
  • Latijn: 58

Er zijn ook (goede!) taalkundige werken waarin voor het Nederlands wordt gesproken van “een dikke 30” voorzetsels, of “ongeveer 70”. Wat maar aangeeft, dat er over de criteria allerminst overeenstemming bestaat. Waarover wel overeenstemming bestaat, is dat er groep van 25 à 30 voorzetsels is die “iedereen” spontaan als voorzetsel zal benoemen, en ook omgekeerd: als je aan een klas vraagt: “Schrijf eens tien voorzetsels op”, dan zullen er voor meer dan 95% woorden uit dat subgroepje verschijnen. En dus niet voorzetsels als krachtens, overmits, spijts, zijdens. Maar ook dat zijn traditioneel voorzetsels.

Hoe kunnen we ze onderverdelen?
Heel vaak is al geprobeerd de woordklasse der voorzetsels op te splitsen in groepen, steeds weer op andere gronden. Bijvoorbeeld: het gesloten, vaste groepje van 25 à 30 hierboven aan de ene kant en een heel grote, meer poreuze groep aan de andere kant. Poreus, omdat er in de loop der tijden juist uit die grote groep voorzetsels verdwijnen (zoals hent (“tot aan”), puf (“ondanks”), reis (“gelijk met”)) en voorzetsels bijkomen (zoals halverwege, medio, onverkort).

Een andere manier, die ik in 19e-eeuwse Franse grammatica’s aantref, is een onderverdeling naar de functie die een voorzetsel heeft. Ervan uitgaande dat voorzetsels “relatiewoorden” zijn, d.w.z. woorden die een relatie leggen tussen wat er pal achter staat en iets wat elders in de zin staat, zoals dus in “Het boek ligt op de tafel” het voorzetsel op een verband legt tussen “het boek ligt” en “de tafel”. Het valt mij op dat die verschillende functies, rapports in het Frans, opvallend sterk overeenkomen met de soorten bijwoordelijke bepalingen die wij ook in het Nederlands kennen, dus van tijd, plaats, hoedanigheid, toegeving, enzovoort.

Zelf heb ik het nog anders aangepakt: aan elk van mijn 375 voorzetsels heb ik een zescijferige code gehecht waarvan de eerste drie cijfers iets zeggen over de functie en de laatste drie over de vorm van dat voorzetsel. De werkwoordsvormen betreffende, gedurende, hangende enz. krijgen daarbij allemaal code xxx110 (voor een tegenwoordig deelwoord), terwijl dankzij, krachtens, vanwege een code 112xxx krijgen (omdat zij een oorzaak aanduiden). Daarmee heb ik mezelf een basis verschaft om later, als ik groot ben, iets nuttigs te gaan ontwikkelen voor het onderwijs in het gebruik van het correcte voorzetsel.

Maar dat wordt weer een ander lang artikel.

 

 

Antoniemen gesorteerd

In alle talen, dus ook in het Nederlands, komen zogenaamde antoniemen voor. Dat zijn woordparen waarvan de leden in zekere zin een aan elkaar tegengestelde betekenis hebben: vroeg – laat, dik – dun, opbouwen – afbreken, man – vrouw, antoniem – synoniem.
Buiten beschouwing laat ik de zogenaamde basaltwoorden, woorden die uit twee delen bestaan die met elkaar een oppositie vormen: basalt, volledig, morgenavond en boosaardig bijvoorbeeld (bas-alt, vol-ledig, morgen-avond, boos-aardig). Daarvan heeft Battus er in zijn Opperlandse Taal- & Letterkunde (1981) een zeventigtal beschreven.

Binnen de groep van Nederlandse antoniemen bestaat er echter ook een deelverzameling van woordparen waarvan beide leden identiek zijn. Ik beschrijf van die groep enkele voorbeelden:

  • gijzelaar kan zowel actief de gijzelnemer betekenen, als passief de gegijzelde.
    Zo ook:
  • martelaar actief: folteraar; passief: bloedgetuige.
  • model kan zowel duiden op het origineel waarvan nabootsingen worden gemaakt: fotomodel, modelschool, als op de nabootsing van een origineel: modelbouw, modelspoorbaan.
  • gesorteerd. Kopen we gesorteerde appels of eieren, dan zijn die zoveel mogelijk overeenkomend in gewichtsklasse, grootte, kleur of soort; kopen we echter gesorteerde bonbons, dan krijgen we bonbons die juist zoveel mogelijk verschillend in gewichtsklasse, grootte, soort of kleur zijn.
  • knalpot is een onderdeel van het uitlaatsysteem onder een auto, bedoeld om het geluid van de explosiemotor te dempen, maar ook kan het rond oudjaar om een vuurwerkartikel gaan, bedoeld om juist zo veel mogelijk explosielawaai te produceren.
  • slaap kan zowel de oorzaak als het gevolg betekenen: Wie slaap heeft, heeft slaap nodig.
  • direct heeft zowel de betekenis nu, onmiddellijk, als niet nu, straks: Op het verzoek “Wil je direct hier komen!” kan als reactie komen: “Ja, ik kom nu direct” / “Nee, ik kom direct wel”.
  • meteen hetzelfde als direct: nu, onmiddellijk dan wel niet nu, straks. Voorbeeld: “Wil je meteen hier komen!” met als mogelijke reacties: “Ja, ik kom nu meteen” / “Nee, ik kom meteen wel”.
  • dadelijk hetzelfde als direct en meteen. Merk op dat bij deze drie woorden de betekenis “niet nu, maar straks” kan worden uitgedrukt door er zo voor te zetten en/of wel er achter: “Ik kom zo dadelijk wel”, “zo meteen wel”, “zo direct wel”.
  • voor niets kan zowel betekenen dat het je niks kost (“gratis“) als dat het je niks oplevert (“zinloos, nutteloos“) in bijvoorbeeld een zin als “Ik heb het voor niets gedaan“.

Het verschijnsel doet zich niet alleen bij naamwoorden voor; ook sommige werkwoorden horen tot deze speciale groep antoniemen:

  • afmaken heeft zowel de betekenis “de constructie voltooien” als “de destructie voltooien”. “Het hondenhok afmaken” is wezenlijk een andere activiteit dan “de hond afmaken”. Zie bij de reacties hieronder voor meer informatie over het voorvoegsel af- in dit verband.
  • in elkaar timmeren herbergt een soortgelijke dubbelzinnigheid. De zin “Ik ben ons hondenhok in elkaar aan het timmeren” kan zowel op de constructie als op de destructie duiden.
  • informeren kan het vragen naar informatie betekenen (“Zij informeerde naar onze plannen”), dus van A naar B, maar ook juist het verstrekken van informatie (“Wij informeerden haar over onze plannen”), dus van B naar A. Let wel dat hier het te kiezen voorzetsel dinstinctief is, net als bij terugkomen op (“van niets iets maken”) versus terugkomen van (“van iets niets maken”). Iets om bij de redactie van het NOS-journaal nog eens onder de aandacht te brengen.

Naar mijn mening kunnen we tot bedoelde groep van antoniemen ook hele zinnen rekenen die, afhankelijk van de intonatie, van de context of van de verhouding die gesprekspartners tot elkaar hebben twee elkaar tegengestelde betekenissen dragen:

  • “Dat moet je eens proberen!” kan een aansporing zijn om iets wel te doen, maar ook een waarschuwing om juist iets niet te doen.
  • “Vind je dit niet de moeite?” kan betekenen dat de spreker het zelf eigenlijk wel de moeite vindt, maar ook dat de spreker vermoedt dat de aangesprokene het zelf niet de moeite vindt. De betekenissen laten zich parafraseren door: “Ben je het met me eens dat dit de moeite is?” en: “Is het zo dat jij dit niet de moeite vindt?”
  • “Als hij niet snel contact opneemt, kan hij gemist worden.” In deze zin ligt de betekenis besloten “…kan het zijn dat ze hem kwijt zijn“, d.w.z. is hij er niet terwijl hij er wel had moeten wezen, maar ook “…kunnen ze ook wel zonder hem“, d.w.z. is hij er wel terwijl ze liever hadden dat hij er niet meer was.

Ken je meer van dit soort antoniemen?
Stuur me die dan in een reactie of per e-mail toe aub.

Het GEBOEFTE – een bijzonder soort

Een collectivum is een woord waarbij je noodzakelijkerwijs moet denken aan een verzameling van bij elkaar horende mensen of dingen. Voorbeelden: “hersenen”, “ingewanden”, “kudde”, “visite”. Veel van deze woorden, zoals de eerste twee voorbeelden, kennen we uitsluitend in het meervoud. Andere, zoals de laatste twee voorbeelden, staan meestal in het enkelvoud. Hieronder volgt een niet compleet overzicht, met bijzondere aandacht voor een speciale subgroep van enkelvoudige collectiva: de woorden van het type “geboefte”.

Meervoudige collectiva
Het gaat bij een collectivum (meervoud: collectiva of collectieven) om woorden als de reeds genoemde hersenen en ingewanden, verder ook luitjes, werklieden, zeelieden, wegwerkzaamhedenOlympische Spelen enzovoort. Kenmerkend daarbij is, dat je er van die verzameling niet eentje kunt aanduiden, zoals één ingewand of één Olympisch Spel. En als een dergelijk enkelvoud wel bestaat, heeft het een andere betekenis dan “eentje uit het geheel”. Zo kan “het ingewand” wel duiden op het inwendige, het binnenste, de gemoedstoestand, maar niet op één darm of één maag. In de meeste gevallen wordt het enkelvoudige woord helemaal nooit gebruikt. Er bestaat niet zoiets als één luitje of één wegwerkzaamheid.
Alles bij elkaar lijkt dit volstrekt logisch: we duiden in het Nederlands een meervoudig begrip ook aan met een meervoudig woord. Maar het kan ook anders.

Enkelvoudige collectiva
Nog vaker dan meervoudige collectiva kent het Nederlands enkelvoudige collectiva. Enkelvoudige woorden dus waarbij je noodzakelijkerwijs moet denken aan een verzameling van bij elkaar horende eenheden, zoals het haar (in tegenstelling tot de haar). In de dierenwereld: de grote groep waartoe ook horde, kudde, meute, roedel, troep, vee en vlucht behoren. In de mensenwereld: bevolking, familie, gezin, lui (werklui, zeelui,…), natie, publiek, visite, volk; vaak in negatieve zin ook wel meute, horde, troep enzovoort, als het om toeristen, demonstranten, hooligans of andere ontevredenen gaat. In de geüniformeerde wereld: bataljon, eskader, leger, marechaussee, peloton, politie. In de sport: achterhoede, as, middenlinie, voorhoede, elftal, (reserve-)bank, bus, kopgroep, peloton en vele andere. In het huishouden: afwas, bestek, couvert, meubilair, servies, vaat, zitje. Daarnaast nog woorden als archipel, gewas, kwartet, vracht. De meeste van deze woorden kennen we ook in het meervoud: voor een voetbalwedstrijd zijn immers twee elftallen nodig en in Friesland lopen heel wat kuddes of kudden koeien in de wei. Ook al staan deze collectiva in het enkelvoud, ze betreffen altijd een meervoudig begrip. Dat wordt in het Engels bijvoorbeeld benadrukt door achter deze woorden dan ook een meervoudige persoonsvorm te zetten: Het volk heeft gesproken is niet * The people has spoken, maar The people have spoken.

Een bijzondere soort
Binnen de enkelvoudige collectiva kunnen we in het Nederlands een speciale groep ontdekken, namelijk van enkelvoudige collectiva die beginnen met ge- en eindigen op -te. Een redelijk compleet rijtje van deze woorden staat in de tabel hieronder.

gebeente
gedoente
gesteente
gebefte
geduinte
gesternte
gebergte
gehalte
gestoelte
gebinte
? gehemelte
getakte
geboefte
gelofte
getimmerte
geboomte
gemeente
gevaarte
gebladerte
gemuurte
gevederte
? geboorte
genachte
geveerte
gebuurte
geneugte
gevleugelte
? gedaante
gepluimte
gevogelte
? gedachte
geraamte
gewolkte
gedarmte
gestalte
gewoonte
? gedeelte
gestarnte
gewormte
gedierte/ongedierte
 
gezindte

We kunnen deze woorden beschouwen als voorbeelden van hun overkoepelende betekenis: “het geheel van …” of “de verzameling van …”. In die betekenis is er geen verschil met de eerder genoemde enkelvoudige collectiva; de woorden van het type geboefte zijn daarvan dan ook een echte deelverzameling.

Een aantal eigenaardigheden van deze deelverzameling is het vermelden waard:

  • In het Nederlands zijn alle woorden van het type geboefte onzijdig (het-woorden).
  • De woordvorming ge-STAM-te is typisch Nederlands. In het Duits kennen we woorden als GebäckGebälk, Geflügel, Geschirr en Gehirn, ook collectiva, wel beginnend met Ge-, maar zonder de uitgang -te.
  • De groep collectiva ge-STAM-te lijkt niet productief te zijn, dat wil zeggen, er ontstaan niet met enige regelmaat nieuwe vormen van dit type. Op zich zou het wel kunnen: naast meubilair zou er ook gemeubelte kunnen bestaan (welk woord ik ook in deze blog heb gebruikt in het bericht Schaalvergroting !), en naast tegelwerk bijvoorbeeld getegelte, maar dit soort neologismen komen we niet of nauwelijks tegen. De groep collectiva van het type geboefte noemen we dan ook een gesloten groep.
  • Die productiviteit zou er best wel kunnen zijn, maar vaak kiest het Nederlands voor een meervoudsvorm (klanten) of een enkelvoudig collectivum (klantenkring). Dat doet het Frans ook: les clients naast la clientèle, maar als we in het Nederlands daarvoor het geklante zouden hebben, was daar niks vreemds aan. Sterker nog geldt dat voor het Franse collectivum le pneumatique, waarmee het geheel van de banden van bv. een auto wordt bedoeld. Ook les pneus is gangbaar. Onze auto’s hebben alleen maar banden, maar waarom dan niet ook het gebandte?
  • Bij sommige woorden is het twijfelachtig of ze wel tot de collectiva mogen worden gerekend: geboorte, gedaante, gedachte, gedeelte en gehemelte lijken niet noodzakelijkerwijs te duiden op een verzameling van bij elkaar horende dingen. Daarom staat er in de tabel ook een vraagteken voor vermeld.
  • Lang niet alle Nederlandse woorden die beginnen met ge- en eindigen op -te zijn collectiva. Sterker nog, het aantal woorden ge(…)te die niet een collectivum zijn is groter dat het bovenstaande aantal collectiva. Denk aan woorden als gekte en geste, en aan samenstellingen als geslachtsziekte, geldboete, gemeentebeambte en gebedsruimte. Hun aantal loopt zeker tegen de 60, tegenover de 41 genoemde collectiva.