Kattentaal

Over Louki heb ik het zes jaar geleden al uitgebreid gehad. Ze dateert van april 2010 en telt nu dus zo ongeveer 50 mensenjaren. Die gaat dus nog wel een tijdje mee.
Ze heeft, na allerhande perikelen, ziekten en ongevallen in de eerste twee jaar, nu verder een onbezorgd, gelukkig en gezond leven en vertoont nog immer de aanhankelijkheid en gezeggelijkheid die een Noorse boskat eigen zijn, maar ze is kats genoeg om ook over het egoïsme te beschikken dat we van alle volwassen katten kennen en ook haar kopieergedrag als een nog niet volleerde baby laat niets te wensen over.

Om van dat laatste een paar voorbeelden te geven: in al die jaren is ze nog nooit op de keukentafel of aanrecht gesprongen, want daar zitten wij ook nooit op. Maar als je van je stoel opstaat, vooral die bij de lekker warme cuisinière, is ze er als de kippen bij om jouw plaats in te nemen. Daar past ze eigenlijk helemaal niet op en er hangt van alles buitenboord, maar katten mauwen niet zoals mensen.
Net als wij ligt zij graag op bed; als wij daar ook liggen, tolereert zij dat. Maar niet zelden treffen we haar alleen op bed aan zoals wij doorgaans ook liggen: aan het hoofdeinde met haar kop precies op het kussen. En als de kookwekker afloopt, komt ze aangesneld, want ze weet dat er dan wordt gegeten.

Maar ik zou het over kattentaal hebben, en ook op dat gebied gaat de gelijkenis met een baby aardig op.
In de loop der jaren is het mij gaan opvallen dat zij over enige vorm van taalvermogen beschikt, zowel receptief als productief, zelfs zo, dat onze Franse buurvrouw zich erover verbaasde dat Louki Nederlands verstond.
Het begon met het moment waarop wij tot onze stomme verbazing constateerden dat zij haar naam verstond en begreep. Als je Louki roept, of zegt, want je hoeft niet eens te schreeuwen, kijkt ze je meteen aan of komt ze uit een hoekje tevoorschijn. En bij een gedecideerd Nee! trekt ze zich terug of gaat ze bedremmeld naar buiten als een stout kind dat de klas wordt uitgestuurd.
Later ontdekte ik dat zij, als je met de hoofden dicht bij elkaar bent en je zegt op neutrale toon Neusje, de kop spitst en haar neus tegen de mijne drukt. Zeg je Handje, of zoiets, dan doet ze dat niet. Honden geven pootjes, katten trekken hun neus daarvoor op.
Als je haar aanmoedigt om mee naar binnen of naar buiten te gaan dan reageert zij niet op Kom maar! of op Doe maar!, maar steevast wel op Toe maar! Geloof het of niet, het is zo. Het ligt dus niet puur aan de intonatie of situatie; het is taalgebonden adequaat gedrag.
Als je haar wil vragen of ze naar een van de slaapkamers boven wil -we hebben daar een rode, gele en blauwe kamer-, dan volstaat het om te vragen Wil je naar de rooie kamer? Eenmaal boven zoekt ze dan zelf wel uit welk van de drie kamers ze prefereert, maar als je haar boven op de overloop corrigeert en zegt Nee, niet de bláuwe kamer, de róoie, dan loopt ze netjes naar de desbetreffende deur.

Alsof dat alles nog niet menselijk genoeg is, heeft ze ook enige vorm van productief taalgebruik ontwikkeld. In ieder gezin floreert wel een soort familietaal, met woorden en formuleringen die alleen door de gezinsleden worden gebezigd en begrepen, en Louki is evident lid van de familie.
Natuurlijk schreeuwt ze het uit als je per ongeluk op haar poten trapt, want ze loopt je voortdurend voor de voeten, maar dat is nog niet echt wat ik taal noem. Anders wordt dat als ze wil eten en dat kenbaar maakt met een hoog piepje op één toon. Je hoeft niet eens te kijken; met dichte ogen herken en begrijp je haar mededeling. Produceert ze een mauwtje op hoge toon met stijgende toonhoogte: je hoeft niet te kijken, dan zit ze bij de deur naar boven en wil ze naar een van de slaapkamers. Daarbij helpt ze je ook een beetje, door met beide voorpoten omhoog tegen de deur te drukken, dan gaat het wat makkelijker. (Ter vergelijking: de onbehouwen kat van de buren, zo eentje van vuilnisbakkenras, heeft jou daarbij niet nodig. Die springt gewoon op om zelf aan de deurkruk te trekken en zich toegang tot het door haar gewenste deel van haar territorium te verschaffen, maar Louki is te netjes om zoiets ongevraagd te doen.)
En het blijft niet bij een mauwtje zus of zo. Haar door ons verstrekt voedsel bestaat uit brokjes, die hier “croquettes” heten, en één zakje natvoer ’s daags, dat wij gemakshalve “warm eten” noemen, omdat ze dat meestal krijgt in de loop van de middag als wij ook aan warm eten beginnen te denken. Daar zij nagenoeg volstrekt vegetarisch is, hoef je haar geen vlees of vis voor te schotelen; kaas, slagroom of abrikozenvlaai gaat er nog wel in. Maar natvoer is voor haar toch wat voor velen biefstuk met doperwtjes is: het lekkerste wat je kunt bedenken. En tot mijn stomme verbazing viel het me vanaf een gegeven moment op dat zij er een woord voor heeft bedacht om daarom te schooien. Hoor je haar Auw! piepen, ongelogen: dan moet er een zakje natvoer worden aangerukt en geserveerd.

De eeuwigdurende baby die haar eerste woordjes heeft leren gebruiken en waarop wij als ouders maar wat trots zijn.
Zo vindt zij vakkundig, zonder staart, maar toch niet minder behendig, ook in taalgebruik de balans tussen mens en dier, als lid van de familie waarvan zij al zolang deel uitmaakt. En taal is toch immers niets anders dan een samenstel van conventies binnen een beperkte gemeenschap.