De zijkant van Shoah (2 van 2)

Mijn eerste onderwijsbetrekking betrof een invalbaan van anderhalf jaar in 1972-1973 aan het Sint-Ignatiuscollege in Amsterdam. Ik maakte daar deel uit van een voortreffelijke sectie Nederlands, waarvan ik nog steeds vind dat ik er heel veel van heb geleerd en onthouden. Een van de lessen die mij tot op heden is bijgebleven was de aanzegging: “Je mag kinderen niet nadragen wat je hun ouders kunt verwijten“. We zaten net in een periode dat middelbare scholen deels werden bevolkt door kinderen met foute ouders. Zeker in Amsterdam leidde dat er gauw toe dat je van de een of ander geneigd was te denken: “Oh, dat is er eentje van die foute banketbakker op de Overtoom” of zoiets. Dat mocht dus niet.

Het was een reactie op de anti-Duitse sentimenten die in de hoofdstad floreerden, in mijn geval nog eens flink aangewakkerd ten tijde van het huwelijk van Beatrix en Claus in mijn eindexamenjaar door het eerste boek van Mulisch dat ik las: Bericht aan de rattenkoning. Dat boek imponeerde mij dusdanig dat ik besloot meer, zo niet alles van Mulisch te gaan lezen, inclusief De zaak 40/61 over het proces-Eichmann. Ik heb mijn zucht naar Mulisch volgehouden tot De pupil (1987); daar knapte ik erop af. Aan De ontdekking van de hemel ben ik nooit toegekomen.
Overigens leidde de opgedragen houding van non-discriminatie van kinderen van foute ouders al gauw tot een positieve discriminatie: dat je die leerlingen de hand boven het hoofd ging houden, om ze te beschermen tegen de boze buitenwereld en ze te behoeden voor nog meer ellende.

Zouden de bedenkers en uitvoerders van de Holocaust zich hebben gerealiseerd welke consequenties hun optreden decennialang zou gaan hebben bij mensen die an sich part noch deel hadden aan de hele operatie? En dat zijn er nogal wat: het overgrote merendeel van de Duitse burgerbevolking. Weliswaar hadden die Hitler in 1933 langs democratische weg aan de macht geholpen, maar van wat dat zou gaan betekenen, inclusief de geallieerde bombardementen, hadden zij toen geen weet. Slachtoffer werden zij wel. Ook Mulisch’ Het stenen bruidsbed heb ik gelezen.

In het bijzonder denk ik daarnaast aan die Duitsers die tegen wil en dank in het proces werden betrokken: de spoorwegbeambten, machinisten en stokers, die er maar voor hadden te zorgen dat de treinen reden en op tijd aankwamen. Natuurlijk wisten zij, nou ja, konden zij weten, wat ze aan het doen waren. Machinisten in Polen kregen wodka van de Duitsers als bonus, om maar door te werken met de transporten die zij niet konden verdragen, krijgen we in Shoah te horen. Ook voor Nederlandse, Franse, Italiaanse, Griekse, … tram- en spoorwegwerknemers op de trein, op de stations geldt: zij wisten het, maar deden wat er van hen werd gevraagd. Niet uit overtuiging meestal, maar gewoon omdat het deel uitmaakte van hun opgedragen werk. Niet te veel nadenken, maar gewoon doen. Tot welke wroeging en complexen dat later vaak heeft geleid, laat zich raden.

En dan die passanten op straat die lijn 7 voorbij zien rijden? Was het zien, maar niet kijken? Vermoeden, maar niet beseffen? Weten, maar niet reageren? Dan belanden we op het niveau van Belcampo’s Het grote gebeuren: als de omstandigheden zó ver af komen te staan van wat men in het gewone dagelijkse leven gewend is, dan raken mensen verkrampt en proberen ze in een natuurlijke reflex weg te kijken, in de hoop er niet ook in te worden meegezogen.

Sommigen reageerden wat actiever: Frans Dijkgraaf, in WA man van Theun de Vries, eerste druk 1944, gepubliceerd onder het pseudoniem M. Swaertreger, kiest ervoor zich aan de nieuwe situatie aan te passen. Om nog meer ellende te vermijden meldt hij zich aan voor de WA. Ook dat werd natuurlijk een deceptie, eerst al vanwege de verstoorde verhouding met zijn ouders en omgeving, later ook in de uitvoering van zijn gekozen baan die van alles inhield waarvoor hij niet wilde kiezen. Hoe heeft die na de oorlog verder geleefd?

En hoe lang wil een mens leven met gevoelens van schuld en schaamte zonder erover te willen of durven praten? Stel je bijvoorbeeld eens voor: iemand wiens vader een fietsenzaak had in Amsterdam. Toen de Duitsers aldaar fietsen gingen vorderen, een meer dan symbolisch vergrijp, kreeg hij de opdracht die inbeslaggenomen rijwielen op te knappen voordat ze naar Duitsland werden getransporteerd. En dat nota bene nog wel in Amsterdam. Hij wilde dat niet. Hij had een vrouw en 7 kinderen te onderhouden. Hij deed het dus toch. En met die houding bleef hij na de oorlog danig in de knoop zitten. Maar pas pas decennia later zijn die kinderen zo ver dat zij erover willen praten. Al die tijd hadden zij erover gezwegen; konden maar niet verwoorden dat ook zij met nare gevoelens leefden omdat zij een ‘foute’ vader hadden gehad, die deed wat velen van ons in gelijke omstandigheden in een belangenafweging ook gedaan zouden hebben, ten koste van wat dan ook.


Die hele Judenfrage had nog wel meer bizarre consequenties, zoals in de kunst, entartet. Ik beperk me maar even tot Felix Mendelssohn Bartholdy (1809-1847; zeker ook een aanstichter van WO-II?), die verklaarde Jood wiens muziek opeens bij het grof vuil ging, maar die wel degene was die Bachs Matthäus Passion aan de vergetelheid onttrok. En bovendien: als je al Mendelssohn tot Untermensch wilt degraderen, betekent dat nog niet dat zijn muziek entartet is, zoals die van min of meer tijd- en genregenoten als Schubert, Schumann en Chopin ook niet in de ban werden gedaan.


Wat dan, om maar af te ronden, te denken van Adolf Eichmann? Als we Mulisch’ redenering volgen in De zaak 40/61, lopen wij allemaal het risico een grote boef te worden door te handelen naar de omstandigheden, de mogelijkheden van het moment, de verwachting te kunnen voldoen aan wat er van je wordt verlangd. Maar in zijn kortetermijndenken was geen plek voor het besef dat hij niet alleen miljoenen onschuldige Joden trof, maar daarnaast en daarna ook nog eens miljoenen Joden en niet-Joden in heel Europa. Jammer dat hij de doodstraf kreeg, na een politiek showproces. Ik ben in en uit principe tegen de doodstraf. Er zijn er al genoeg gesneuveld, al dan niet voor volk en vaderland. Beter ware het geweest hem de verdere rest van zijn leven met die gevolgen te confronteren en hem met schade en schande te overladen, al weet ik niet wie daarbij in feite gebaat zouden zijn.

Wij zijn niet geboren om te oordelen over anderen“, was ooit een uitspraak van Huub Oosterhuis. Dries van Agt bepleitte in 1972 de gratie voor de Drie van Breda op humanitaire gronden.
Nog even, en het probleem heeft zichzelf op natuurlijke vergrijzingswijze opgelost. Maar zij die er de kinderen van zijn, moeten het er nog een tijd mee doen.
________________________________________________
Vorige berichten:
Tramlijn 8
Mauthausen
De zijkant van Shoah (1 van 2)

 

De zijkant van Shoah (1 van 2)

Shoah belicht de gebeurtenissen rond de concentratiekampen bewust en essentieel van drie kanten, door ex-geïnterneerden aan het woord te laten, maar ook Duitse ex-kampbewakers en vooral Poolse omwonenden van diverse kampen. Onder andere die opzet maakt de film een memorabel document, zeker doordat over enkele jaren er te weinig of geen eerstehands getuigen meer in leven zullen zijn.

Ik wil, zoals eerder beloofd, twee zijeffecten aan de orde stellen die alles met de Endlösung te maken hebben, maar in Shoah niet of nauwelijks aan bod komen. In dit bericht: de logistieke complicatie van het vooropgestelde plan van de uitroeiing van het Joodse ras in het gebied onder de Groot-Duitse invloedsfeer.

Het is maar zeer de vraag in hoeverre de Duitse Top (Hitler, Göring, Himmler, Heydrich, Frank, Eichmann,…) bij dat plan in hoofdzaak was gefocust op het ‘ideologische’ vraagstuk, met als argument dat de Joden de schuld hadden aan het uitbreken van de oorlog, en in hoeverre deze leiders en verantwoordelijken daarbij de praktische kant van de uitvoering tot in al zijn consequenties hadden voorzien of konden voorzien. Dat geldt zeker voor Eichmann, die met de organisatie en uitvoering van het plan was belast. Het doel werd in ieder geval niet bereikt. Dat hadden zij ook wel kunnen weten, zeker daar de Nazi’s zelf al in de jaren-’30 de emigratie van Joden sterk hadden gepropageerd (Nederland stond niet te popelen). Maar vele Joden waren al vertrokken, of gingen naar landen als Zwitserland, Zweden, Engeland, Portugal of ergens in Amerika; hun bleef zodoende de ellende en uitroeiing van de vele miljoenen Joden bespaard en zij zouden wellicht later toch weer naar Duitsland terugkeren.

Ook in een ander aspect van de opzet faalde het project: het systematisch uitmoorden van alle Joden moest zo veel mogelijk aan het oog van de wereld worden onttrokken, naar ik aanneem om protesten tijdens, en (juridische) nare consequenties na de oorlog te vermijden. Daarom zag kamp Auschwitz er vanuit de lucht ook uit als een vriendelijk, net Pools dorpje. Niets verdachts aan te zien.
Ik noem een paar ‘lekken’ in de uitvoering van die opzet:

Al bij de razzia’s wisten velen wat er zich afspeelde, de buren, omstanders. De Amsterdamse trams die opgepakte Joden naar het station brachten reden bij voorkeur ’s nachts, maar ook dan: hoe kon het zijn dat er opeens midden in de nacht een tram door de straat reed tijdens Sperrzeit? Wie of wat kan daar dan wel niet in zitten? En de al eerder geplaatste foto van lijn 7 overdag vertoont passanten die klip en klaar konden zien wat er zich afspeelde.

Iets dergelijks geldt voor Compiègne, waar de gevangenen, waaronder vele Joden, vanuit het verzamelkamp aan de zuidkant in wat nu de Avenue des Martyrs de la Liberté heet, vier kilometer door de straten naar het treinstation werden gejaagd ter deportatie: iedereen kon dat zien gebeuren. Iets soortgelijks zien we in Mauthausen: het kamp had geen eigen spoorbaan, dus de gedeporteerden moesten van het station in de stad lopend naar het buiten de stad gelegen kamp, een voor iedereen zichtbare gebeurtenis langs de kilometers lange route (ook al was dat kijken verboden, maar tussen de gordijnen door was het toch zicht- en hoorbaar). Voorts kennen we genoeg verhalen van Amsterdamse woningen waaruit Joden werden weggevoerd en die al vrij snel door buurtbewoners werden geplunderd, voor kostbaarheden, hout om te stoken, andere nuttige zaken. Men wist het goed: die komen toch niet meer terug.

(Klik HIER voor het hele artikel.)
Veel van die woningen werden gepulst, d.w.z. door de verhuisfirma A. Puls leeggehaald. Men wist het, d.w.z. misschien niet tot in details, maar dat het een definitief afscheid betrof moet menigeen toch hebben beseft. En dus faalde het systeem om de Endlösung aan het oog der wereld te onttrekken.

Ik schaar het maar onder de noemer ‘logistieke problemen’, waarvan er wel wat meer waren:

 

 

Op diverse plekken moesten, ook al was het maar ‘tijdelijk’, stukken spoor worden aangelegd, zoals dat van Hooghalen naar Westerbork, door de toenmalige Prorail, de NV Het Spoorbouwbedrijf, dochter van de NS. Een tijdelijke aftakking die “wieder entfernt wird sobald das Lager seinen Zweck erfüllt hat“, wat ook daadwerkelijk is gebeurd.
Ook al werd dit werk vaak door al dan niet Joodse dwangarbeiders gedaan, het onttrok zich totaal niet aan het oog van het lokale bestuur en de omwonenden. Lees meer daarover op drentheindeoorlog.
Het transport per spoor was een enorme uitdaging. Vanuit Amsterdam (uiteindelijk naar Westerbork ® Auschwitz) ging dat nog met personenwagons, 3e klasse. Later meestal, maar niet altijd, met goederen- of veewagons. Saillant in dit verband is de getuigenis in Shoah dat er ook treinen met rijke Joden aankwamen in luxe Pullman-rijtuigen. Die hadden zich aldus kunnen inkopen voor een luxetransport. Aan hun eindbestemming veranderde dat evenwel niets.

Het logistieke probleem zat hem voorts deels in de dienstregeling van het spoorwegnet in Duitsland en Polen. Je had een ‘reguliere’ dienstregeling voor personen- en vrachtvervoer, waartussendoor Sondertransporte moesten worden ingelast. Iedereen die iets van spoorboekjes afweet, kent de problematiek die dat herbergt. De Deutsche Reichsbahn was weliswaar genationaliseerd, maar daarmee nog geen onderdeel van het militair gezag. Dat vereiste dus overleg tussen ministeries en afdelingen om de onregelmatige ritten naar de concentratiekampen door de reguliere dienstregeling te vlechten. Voor het gedeelte in bezet Pools gebied viel die logistieke organisatie onder de GEDOB, de Generaldirektion Ostbahn, wat niets anders was dan het bestuur van de genaaste Poolse NS.

Naast deze logistieke problemen was er ook het vraagstuk van de financiering. Zoals ook in andere tijden en andere landen gebruikelijk is, proberen ministeries van Defensie/Oorlog de kosten af te wentelen, bijvoorbeeld op het ministerie van Verkeer, zoals we dat in Nederland nog kennen van de kosten voor de bouw van (zinloze, want nooit gebruikte) atoomschuilkelders bij de sluizencomplexen langs de Maas en de versteviging van de de druksterkte van de Middenpeelweg om die, als verbindingsweg tussen de vliegbases Volkel en De Peel, geschikt te maken als start/landingsbaan ingeval de Sovjets die vliegvelden zouden bombarderen.

Over de reiskosten van de deportatieritten bestaan uiteenlopende verhalen. De schatting komt uit op zo’n 4 Reichspfennig per reizigerskilometer op basis van vervoer 3e klasse. Ook goederen-/veewagons werden als 3e-klasse rijtuigen bestempeld. Die prijs was dan gebaseerd op het zogenaamde groepstarief, geldend vanaf minimaal 40 reizigers en op basis van een retourreis; immers, een speciale trein die heen rijdt, moet ook weer terug, vol of leeg. Als ‘goede klant’ kreeg de SS bij transporten van minstens 400 personen nog een forse korting van wel 50%. Ook gaat het verhaal dat de ritprijs werd berekend per wagon in plaats van per persoon, net als nu nog steeds vaak in hotels: je betaalt per kamer en niet per persoon. En omdat, naast de beperkte beschikbaarheid van personenwagons, goederen-/veewagons meer personen kunnen herbergen dan personenrijtuigen, geschiedden veel transporten op deze ongemakkelijke en onterende wijze.

Daar waar die niet-militaire financier de rekening toch weer bij Defensie neerlegde, had die de noodfinanciering al voor elkaar: de Joden moesten hun eigen transport betalen, zo niet contant, dan uit de opbrengst van hun geroofde bezittingen. Daaromtrent zijn heel wat bewijsstukken voorhanden, zoals:


Tussen juli 1942 en september 1944 worden 102.000 Joden en enkele honderden Roma en Sinti vanuit kamp Westerbork per trein naar Duitsland en Polen vervoerd. De treinen gingen van Hooghalen naar Assen, dan naar Haren en even buiten Haren ging het over het goederenspoor naar Waterhuizen. Daar sluit het spoor aan op het traject Groningen – Nieuweschans. De Nederlandse Spoorwegen stellen de dienstregelingen voor deze transporten op en de treinen worden tot de Nederlands-Duitse grens gereden door Nederlandse stokers en machinisten. De kosten voor deze transporten declareert de NS bij de Duitsers. Het gaat om dertig rekeningen. De SS betaalt die rekeningen met het geld dat ze Joden hebben afgepakt. Op 27 januari 2015 meldt het programma Brandpunt dat de NS 409.000 gulden verdiende aan de transporten (omgerekend 2,5 miljoen euro) van Joden naar Kamp Westerbork en de Duitse grens. De Duitse bezetter betaalt bijvoorbeeld voor het vervoer van honderd Joden van Amsterdam Muiderpoort naar Assen 480 gulden.
Bron: http://www.drentheindeoorlog.nl/?aid=519

Dit bericht wordt onderschreven door nevenstaande pagina van NOS-Teletekst van 27 november 2018. Met indexatie erbij gaat het inderdaad om niet geringe bedragen (nu in Euro’s!).
Laten we het maar op toeval houden dat nu net dit aspect van de Jodentransporten onder de aandacht komt, met de rol van de NS en de beloofde compensatieregeling in de hoofdrol. Teletekst kwam er op 27 november als eerste mee; daarna pikten het NOS-journaal en de dagbladpers het op, bijvoorbeeld met het twee pagina’s omvattende artikel in De Volkskrant van 29 november, Ten eerste, pagina 4 en 5. Zie hieronder.

Zeven maanden later, om precies te zijn op 26 juni 2019, bereikte de commissie-Cohen en de NS een akkoord over de compensatie, een soort Wiedergutmachung, van gedeporteerden, voor zover nog in leven, en hun nabestaanden. Al is het leed niet in geld uit te drukken, het gebaar is correct. Voor Nederlandse begrippen is dit akkoord opvallend snel tot stand gekomen, hetgeen in ieder geval iets zegt over het besef dat de NS destijds niet helemaal zuiver heeft geopereerd.


Op 19 mei 1941 nam de top van het Duitse Reichskommissariat Niederlande (Arthur Seyss-Inquart en zijn vier Generalkommissare) het besluit dat alle Joden uit Nederland zouden moeten verdwijnen. Hun totale vermogen zou onder leiding van de Generalkommissar für Finanz und Wirtschaft als sluitstuk van de uitplundering van de Joden worden gevorderd om de operatie te betalen. De Joden zouden dus hun eigen deportatie moeten betalen.
Bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Holocaust_in_Nederland


Uiteindelijk, op 24 februari 2020, wist Teletekst te melden dat de NS uitkeringen ter compensatie had verricht, in totaal € 32 miljoen; omgerekend is dat om ende bij € 8.000 per persoon, hetgeen ook voor de nabestaanden was gevraagd. Wat de weinige nog levende overlevenden van het transport hebben gekregen stond niet vermeld.

 

 

 

Voor nog meer informatie hierover zie onder meer ook:
http://www.mit-der-reichsbahn-in-den-tod.de/reichsbahnmehr.html
en
https://www.welt.de/geschichte/zweiter-weltkrieg/article113200916/Zwei-Pfennig-pro-Kopf-und-Bahnkilometer-ins-KZ.html


Dit financieringsprobleem kende nog een bijkomende barrière: door de oorlog was het normale deviezenverkeer tussen diverse landen zo goed als onmogelijk. En omdat de regel bestond dat transporten buiten de Duitse landsgrenzen, dus het traject door Nederland, Frankrijk, Griekenland, Roemenië enzovoort, in lokale valuta aan de lokale spoorwegmaatschappijen moest worden afgerekend, moest ook dat vanuit Berlijn worden georganiseerd. Dit hield in dat van de te deporteren personen uit die landen geld en bezittingen werden afgenomen, hetgeen lokale valuta opleverde, die vervolgens ofwel naar de desbetreffende maatschappij gingen, of zo nodig via sluiproutes van louche internationaal opererende reisbureaus, zoals het Mitteleuropäische Reiseburo MER, tegen provisie konden worden omgewisseld ter financiering van de transportkosten in Reichsmarken.

We mogen concluderen dat er rond de uitvoering van de deportatieritten een heel economisch circuit ontstond waaraan grof geld is verdiend, zowel door private als staatsondernemingen; niet ongebruikelijk in oorlogssituaties.

Dat alles wetende kunnen we, afsluitend, naast de grote groep profiteurs drie categorieën slachtoffers definiëren:

Allereerst de gedeporteerden zelf. Zij die ten prooi vielen aan directe of indirecte vernietiging in de kampen, of, als ze al terugkwamen en niet werden geloofd en een allerminst warm welkom genoten, er een levenslang trauma aan overhielden.
Verder: zij die als verantwoordelijke Duitsers/Oostenrijkers, vaak zonder dwang, behoudens het opgelegde Befehl ist befehl, er actief aan deelnamen en daarvoor later veelal hebben moeten boeten. Shoah geeft daarvan in enkele interviews wat voorbeelden.

Over de derde categorie, zij die gedwongen werden eraan mee te werken, gaat mijn volgende bericht.

___________________________

Vorige berichten: Tramlijn 8 en Mauthausen
Volgend bericht: De zijkant van Shoah (2 van 2)

Mauthausen

Eigenlijk wilde ik het helemaal niet over Mauthausen gaan hebben, maar omdat ik er vandaag op de terugweg vanuit Wenen langskwam, kon ik de verleiding niet weerstaan de afslag van de A1 richting die memorabele plaats te nemen en bezocht ik de gedenkplaats van het concentratiekamp aldaar. Het gaf mij net dat zetje om eindelijk, na ruim twee jaar, mijn reflectie op de film Shoah te geven.

Over concentratiekamp Mauthausen zelf hoef ik niet veel te vertellen: genoeg teksten en beeldmateriaal daarover op internet te vinden. Wel bekroop mij het gevoel dat ik ook eerder al had bij mijn bezoeken aan Terezín (Theresienstadt) en Auschwitz: het is er zo clean. Dat kan ook moeilijk anders. Zeker Auschwitz, dat er vanuit de lucht als een vriendelijk dorpje uitziet, maar ook Mauthausen. Ook de jeugd moet, hoe dan ook, de herinnering in zich opnemen om herhaling te voorkomen. En het moet gezegd: de herinneringsplaats is uitermate informatief opgezet met toelichtingen en tentoonstellingen, alsmede met een groot aantal nationale herdenkingsmonumenten van diverse landen. Bij de ingangspoort van Mauthausen geen inspirerende leuzen als Arbeit macht frei (Dachau, Auschwitz) of Jedem das seine (Buchenwald). SS-ers begroetten binnengevoerde gevangenen met de simpele melding: “Door deze poort komen jullie dit kamp binnen; door die pijp“, wijzend op de lange schoorsteen, “zullen jullie het weer verlaten.
De beruchte dodentrap is via een omweg van dichtbij te bekijken (slecht aangegeven), maar eenmaal daar beland krijg je met eigen ogen een indrukwekkend beeld van wat je uit internetverhalen en -beelden in principe al lang wist.


Toen eind april 2016 de VPRO de film Shoah van Claude Lanzmann uitzond, volbracht ik het niet de zes (deels nachtelijke) uren aan de buis gekluisterd te blijven, maar dankzij internet kan ik er sindsdien vaak en op gepaste tijdstippen naar kijken.

Door de documentaireachtige stijl van de film spreekt er een ingetogenheid uit, maar het is tevens overduidelijk een ingehouden woede. Laat de beelden en de woorden spreken, dan is verder commentaar overbodig. Net zoals Eisenhower vlak na de bevrijding van Mauthausen in 1945 de lokale bevolking uit de omgeving dwong zelf in het kamp te komen kijken en zich er een oordeel over te laten vormen, zonder verder commentaar.

Shoah laat de feiten en interviews het werk doen, niet de onderliggende emoties. Er is ook niet veel verbeelding nodig om achter de coulissen van de vertoonde beelden zelf te constateren dat de film een beeld schetst van een niet te bevatten werkelijkheid die zich niet laat rijmen met de werkelijkheid en normen van nu, ook al krijgen wij uit andere delen van de wereld nog steeds zoveel signalen van middeleeuwse praktijken die wij hier alleen uit 1939-1945 kennen.

Op zich heb ik daaraan niets toe te voegen, maar Shoah zette mij op het spoor (sorry voor de beeldspraak) van twee bijkomende aspecten, ongetwijfeld minder desastreus dan het lot van de Joden, zigeuners, homo’s, Slaven, Jehova’s, communisten en andere asocialen, maar die toch onlosmakelijk met de bezetting en de Endlosung zijn verbonden.

Ik ga daarover twee vervolgartikelen publiceren. Eentje over de logistieke problematiek van de treintransporten naar de diverse kampen, en eentje over de levenslange wroeging en schaamte van hen die zelf, of hun ouders, geconfronteerd zijn of zijn geweest van samenwerking, gedwongen of niet, collaboratie, vrijwillig of niet. Ik vraag me af in hoeverre de top van het Derde Rijk zich van beide aspecten en hun consequenties bewust is geweest.

Ik ben zelf geen oorlogsslachtoffer. Weliswaar verwekt in een voormalig Jappenkamp in Tha Muang in Siam en prenataal opgegroeid al varend en reizend van Siam naar Oss door het Suezkanaal, verdien ik slechts het predicaat “tweede generatie”. Maar als nakomertje kreeg ik wel te maken met de verhalen van alle andere gezinsleden, in mijn herinnering elke dag weer aan tafel, maar ook nu nog steeds als er tijdens familiebijeenkomsten wordt gespeecht. De jappenkampen en de nagelaten wonden zijn nog steeds aanwezig, behalve bij mijn vader die, jarenlang werkzaam aan de Birmaspoorlijn, tot zijn dood de kaken op elkaar hield. Nog steeds koopt niemand van ons een Japanse auto. Het wachten is op de terugkeer van, of de compensatie voor de 12-cilinder Dodge D-8135 van mijn vader die hij in Bandoeng bij de internering in 1942 moest achterlaten.

In mijn familie heeft iedereen de oorlog overleefd, behoudens mijn achterachteroudoom Pierre Loonen (1884-1944) die na Buchenwald (1943) en Majdanek/Lublin (1944) als vermist staat genoteerd.

 


Dat de Tweede Wereldoorlog nog steeds de gemoederen bezighoudt, is voor mij een stimulans te meer de herinnering eraan levend te houden en door te geven.
__________________________________________________________________________

Vorig bericht: Tramlijn 8
Volgende berichten: De zijkant van Shoah (1 van 2) en De zijkant van Shoah (2 van 2)