Panta rhei

Het Griekse panta rhei (voor de kenners: πάντα ῥεῖ) is net als zijn Latijnse pendant perpetuum mobile een tegeltjeswijsheid die je te pas en te onpas kunt gebruiken, maar waarvan de wetenschappelijke en feitelijke waarheid op los zand berust. Dat besefte ik maar weer eens vorige week tijdens een wandelingetje bij de spoorwegovergang in Rosoy: uit het fonteintje aan de bron van de Amance kwam opeens geen water meer.

Sinds ons verblijf in Rosoy in 1998 had ik het een enkele maal eerder meegemaakt: des zomers bij lange droogteperioden en des winters bij langdurige strenge vorst, als er alleen maar een ijspegel aan de uitloop hing. Maar kennelijk was augustus 2017 dermate droog dat er geen nieuw water uit de bron meer voorhanden was.
Heel veel scheelde het niet, want in de nabij, en iets lager gelegen publieke tapkraan, waar boeren en burgers hun watertanks gratis kunnen vullen, of de auto voor niks kunnen wassen, kwam nog wel water. Ook die tapplaats, kan ik me herinneren, heeft in hete, droge zomers wel eens droog gestaan.
Zo niet nu. Ook dit jaar kon ik enkele malen derwaarts rijden en voldoende water tappen om de dagelijkse bewatering van bloemen, groeten en fruit te kunnen volbrengen, zo weinig als dat in 2017 nodig was.

Toch weerspiegelt panta rhei in zekeren zin wel het sentiment van een dorp als Rosoy: alles heeft zijn loop, en laat het alsjeblieft altijd zo blijven. De volgende gedachtestap is dan dat elke verandering een boze indringer is die het fragiele, maar langdurige evenwicht dreigt te verstoren. De mentaliteit van “laat alles bij het oude”, het teren en vertrouwen op eeuwenoude tradities die het leven leefbaar maken en overzichtelijk houden heeft zo zijn aantrekkelijke kanten. Geen aanpassing is vereist. Als je ’s ochtends opstaat, is alles zoals toen je gisteren naar bed ging. Vandaar dat je kunt constateren dat men hier zo’n 50 jaar achter loopt.

Au quai, een enkele keer is de voortschrijdende techniek niet tegen te houden.
Er kwam elektriciteit in het dorp (we schrijven 1924). Er kwam tv; eerst alleen zwart-wit en later, revolutionair, ook in kleur. Dat verschil heeft, tussen haakjes, lang doorgesudderd in de Franse bureaucratie: tot voor kort moesten de tv-bezitters bij hun belastingaangifte voor kijk- en luistergeld aangeven of ze alleen zwart-wit dan wel kleur hadden, waar verschillende belastingtarieven bij hoorden. Dat is inmiddels gelijk getrokken.
Er kwam glasvezel. Dat wil zeggen: in Rosoy en omliggende dorpen ondergronds door alle hoofdstraten tot aan de plaatselijke centrale, maar nog niet van die hoofdleiding naar de huizen, zodat je nog steeds met een stuk bovengrondse telefoonkabel zit en het debiet nog steeds beneden alle peil is.
Er kwamen ledlampen in de straatlantaarns, vorige maand zijn ze in Rosoy allemaal vervangen. Het bespaart stroomkosten en geeft veel beter licht. Alleen gaan ze om half elf al uit, zodat je er niet lang van kunt genieten.

 

Vind je het dan gek dat Marine le Pen in deze contreien hoog scoort? Bij de recente eerste ronde van de presidentsverkiezingen behaalde zij in het departement Haute-Marne 33% tegen Macron 18%. Bij de tweede ronde was dat 50% voor Macron en 49% voor Le Pen. In de wat dunner bevolkte gebieden als de gemeente Haute-Amance, waaronder Rosoy valt, was het nog explicieter: daar scoorde Le Pen in de eerste ronde 36% (Macron 16%) en bij de tweede ronde 52% (Macron 48%).

Het is niet zo dat men hier maalt om immigratieproblematiek. Het ligt algemener en dieper: elke verandering is een bedreiging, zoals ik hierboven al aangaf, en dat betreft ook indringers van buitenaf. Ik zit hier nu bijna 20 jaar, en nog steeds hoor ik er niet helemaal bij. Buitenlanders worden getolereerd omdat zij hier panden opknappen en geld investeren. En als je af en toe stroopwafels uit Nederland meeneemt, worden die in dank aangenomen en verpeuzeld. Maar liever beperkt men zich tot het ons kent ons. Alleen al het feit dat zo ongeveer iedereen hier in het dorp familie is van iedereen is daarvan een overduidelijke blijk. Verder is het niet zo dat het met name moslims zijn die men liever ziet gaan dan komen. Veel wantrouwiger kijkt de inheemse bevolking aan tegen lieden uit Parijs of Marseille – xenofobie is geen buitenlandersprobleem, maar veeleer een departementaal probleem.

Een politieke dorpspartij als Pantaray zou hier wellicht hoog scoren.

A propos: nu, begin oktober, komt er gelukkig weer water uit het fonteintje boven aan de straat, dus toch een beetje panta rhei.

 

 

VESI

Het mag in de krant. Afgelopen donderdag kwam de uitgever vroeg in de ochtend mijn hele oplage van La vérité et son image thuis afleveren, en zulks binnen de afgesproken termijn. Dat vormde het sluitstuk van een inspanning die 15 jaar geleden begon toen we tot onze verrassing de brieven en andere documenten uit 1914-1918 tussen de rommel aantroffen in het pas gekochte huis in Rosoy. Die zijn nu dus definitief voor het nageslacht bewaard.

VESI staat voor La vérité et son image (“De waarheid en derzelver beeld”).
Behalve dat ik, met de voortvarende medewerking van de opmaakafdeling van de uitgeverij, het boek er mooi vind uitzien, wil ik twee argumenten benadrukken waarom ik deze becommentarieerde en geïllustreerde documenten zo graag zag uitgegeven. Immers: wat heeft een Nederlander nu met de Eerste Wereldoorlog, zo lang geleden en zo ver van huis?

Het eerste argument is dat ik het vele gevonden authentieke materiaal op deze manier wilde behoeden voor de vergankelijkheid, voor de stort, voor de oud-papieractie waarvan de opbrengst per kilo naar de plaatselijke carnavalsvereniging gaat. Bovendien, het gaat hier om het familie-erfgoed, daterend van eind 19e eeuw tot na de Tweede Wereldoorlog, van mensen van wie ik nog steeds het idee heb dat ik nu woon in hun huis, met het karakter dat zij erin hebben aangebracht, met de vele spullen die zij erin hebben achtergelaten. Een hommage dus aan een gezin dat zonder nageslacht in de vergetelheid dreigde te geraken.
Daarom ben ik blij hier nu een stapel van hun verleden te hebben liggen onder het toeziend oog van dochter Solange Parisot (1900-1997). Zie mijn bericht Zomaar een muur voor de wordingsgeschiedenis van die buste.

Het tweede argument betreft mijn visie op de berichtgeving over oorlogen. Alle oorlogen, de 30-jarige, 80-jarige, 100-jarige; de 1e of 2e (of 3e) Wereldoorlog, de als regionaal bestempelde oorlogen op de Balkan of in het Midden-Oosten. Natuurlijk is het uiterst zinvol dat al die gruwelijkheden in hun totaliteit worden beschreven, vastgelegd in boeken, in films, op internet – zij die het kunnen navertellen, worden steeds schaarser en de les van het verleden kan richting geven aan de toekomst.

Maar hoe groter de oorlog, hoe groter het aantal miljoenen zinloze slachtoffers, des te meer dreigt het “kleine leed” uit het zicht te verdwijnen.
Toen ik over de plundering en verwoesting schreef van het dorp Hortes in 1636, hier twee kilometer vandaan, richtte ik mij met opzet niet op de gigantische ellende, van de Jura tot aan Sleeswijk-Holstein, die de “Kroatische bendes” teweeg brachten, maar bracht ik de minutieus beschreven gebeurtenissen van één septemberweek in 1636 terug tot de belevenissen van één enkele, nota bene door mij verzonnen familie in Hortes die het allemaal over zich heen kreeg.

Vanuit mijn opvatting dat het Kleine Leed groter is dan de Grote Oorlog vielen mij de documenten van de familie Parisot-Millot uit Rosoy dan ook als een godsgeschenk in de schoot. Niet alleen kreeg ik eerstehandinformatie over wat één persoon, de vader, allemaal aan het front moest meemaken tussen 1914 en 1918, maar ook kwam overduidelijk aan de oppervlakte wat de rest van de familie, de moeder met haar twee kinderen, geboren in 1900 en 1909, moesten doorstaan, ook al was dat ver van het front verwijderd. Zonder elektriciteit of machines, zelfs zonder paard of karren, moesten zij naast het bewerkelijke huishouden ook voor de weggevallen inkomsten zorgen, om over “opvoeding” en school maar te zwijgen. De noodzaak van zelfvoorzienendheid hield de haast onmogelijke klus in de tegen de honderd stukken land die het gezin bezat te moeten bewerken. Weilanden, akkergrond, wijngaarden, bosgrond. Alles met de hand bewerken en lopend transporteren. Twee koeien, een varken, wat kippen in en om het huis. Slechte hygiëne, nauwelijks medische zorg (als je een dokter nodig had, moest die per fiets uit Fayl-Billot komen, 12 kilometer verderop, maar je had geen geld om hem te betalen). Ze hebben het alle vier overleefd, stierven achtereenvolgens in 1948, 1962, 1982 en 1997.

Geen “echt” oorlogsverhaal dus, want dan moet je sneuvelen of minstens wat ledematen verliezen, en moet je de kogelgaten in je helm kunnen laten zien. Maar wat deze familie overhield na de getekende vrede in 1918 was die andere soort van littekens waarmee zij tot hun dood verder moesten leven en die meestal buiten de oorlogsboeken en -films blijft. Dat is de reden dat ik mij gelukkig prijs deze zo persoonlijke documentatie in boekvorm te hebben kunnen vastleggen.

Voor wie het nog niet uit andere berichten heeft meegekregen: een uitgebreid overzicht, aangevuld met meer dan 500 gescande documenten, foto’s, kaarten en wat dies meer zij, heb ik bijeengebracht op de website rond La vérité et son image: https://www.rosoy.nl/parisot. Helemaal in het Frans en het Nederlands, opdat u niets ontga.

 

 

 

La Filature Magnier Aîné

Eigenlijk was het maar bijvangst.
Bij het samenstellen van mijn WO-I-publicatie stiet ik in de periode 1900-1920 herhaaldelijk op de Filature Magnier Aîné te Rosoy, bij ons net om de hoek op nog geen 100 meter.
Slechts heel weinig wisten de dorpelingen erover te vertellen. Dus maar zelf weer eens een onderzoekje gestart.

Ik wijd in mijn verhaal over WO-I ook een hoofdstuk aan het dagelijks leven in Rosoy in de jaren ruim rond 1914. Daartoe maak ik o.m. gebruik van de vijfjaarlijkse volkstellingen waarbij van alle getelde bewoners ook het beroep wordt vermeld. Zo viel het me op dat er tussen 1901 en 1931 nogal wat Roseaux werkzaam waren bij de Compagnie de l’Est, het spoorwegbedrijf dat de lijn Parijs-Basel exploiteerde voor de SNCF het in 1938 nationaliseerde, maar ook bij de Filature Magnier Aîné, de spinnerij-weverij langs het riviertje dat door Rosoy loopt (en daar nog net niet de Amance heet, overigens). Dat aantal werknemers (timmerlieden, technici, enz.) en werkneemsters (naaisters vooral) beliep soms wel meer dan 30. De rest van de bevolking was gewoon boer. Of cultivateur of viticulteur, want dat klinkt iets beschaafder.

Au Mouton Docile, prijkt er als devies boven alle verworven medailles. In het Makke Schaap, alsof je bij Het Hijgende Hert of De Rustende Jager binnenstapt. Of het vrolijke vee bewondert van de smeerkaas van La Vache Qui Rit.
Pleure pas, Grosse Bête! Tu iras chez J.L. Bailly, probeert deze slager annex traiteur uit het naburige Chalindrey er nog schaamteloos van te maken, Niet geweend, lekker zwijn, bij Bailly heb je ’t pas fijn, zoals er in Oost-Brabant en Noord-Limburg nogal wat veevervoerwagens rondrijden met lachende biggetjes erop – wie het laatst slacht, slacht het best. Goeie slager, overigens, daar niet van.

Het devies van het bedrijf, dat heeft bestaan van ±1860 tot ±1970, doet vermoeden dat er in hoofdzaak wol werd gesponnen en verder verwerkt, maar het was toch vooral katoen die werd gebruikt voor het weven van sokken, tricots, kleden en wat dies meer zij. Die katoen zal ongetwijfeld zijn geïmporteerd; Rosoy had immers sinds 1853 een Heusche IJzeren Spoorverbinding. Als het al niet katoen betrof die in het mediterrane gebied van Frankrijk werd verbouwd, dan toch zeker die uit de vele Franse Koloniën in Noord-Afrika. Wol en katoen; nog steeds tref je in de fabriek wat restanten ervan aan.

Het bedrijf ging uiteindelijk ten onder aan min of meer (achteraf) voorspelbare oorzaken:

  • de toenemende import van textielwaren uit lagelonenlanden, gevoegd bij de toegenomen transportmogelijkheden per spoor van ver weg, dus eenzelfde omgekeerd voordeel als bij de wijnbouw in de Haute-Marne
  • de opkomst van synthetische garens
  • de opkomst van winkelcentra en supermarkten bijvoorbeeld rond Langres, waardoor men de sokken goedkoper bij Leclerc of de Intermarché kon kopen
  • het plotseling overlijden van de eigenaar (vliegtuigongeluk bij Venezuela, begin jaren-’60) zonder opvolging. Daarna is er nog een periode van déstockage gekomen, waarin de liggende voorraden zo veel mogelijk werd uitverkocht.

Maar voor het zo ver was, vormde la Filature toch een sociaal-economische factor van belang in het verder zo agrarische dorpje. Het was de eerste, enige en tevens laatste fabriek in Rosoy die met machines werkte. Alle andere negoties dreven op handwerk. Die machines werden zeer lange tijd aangedreven door een stoommachine. Op de prentbriefkaart hier bovenaan zie je de bijbehorende lange schoorsteen met onderaan rechts een schuin afdakje. Daaronder bevond zich een ingenieus samenstel van wateraanvoer: uit een hoger lopend stroompje, inmiddels afgedamd wegens overlast en hygiënische bezwaren, stroomden vier kanaaltjes naar het fabrieksgebouw. Onder het afdakje zat een enorm groot houten schoepenrad waarop het water terecht kwam. Werd het rad in beweging gezet, dan schepten de schoepen water in de ketel binnen in de fabriek en kwam er witte rook uit de schoorsteen. Niet alleen maar wit overigens, als je naar de muur kijkt achter waar ooit die ketel stond te branden. Het toestel dat je midden op de foto ziet, is een soort blaasbalg die het vuurtje nog eens goed kon opstoken.

Al deze wijsheid heb ik opgedaan doordat ik eindelijk, na jaren van gedrentel en getreuzel, contact zocht met de huidige eigenaar van het hele pand, een achterkleinzoon of kleinzoon van de overleden laatste fabrikant Magnier. Een heel aardige man van een jaar of 35, die mij, blij als hij leek te zijn met de getoonde belangstelling, een dik uur rondleidde door het inmiddels aan verval, spinnewebben en onbetrouwbare houten vloeren onderhevige fabriekspand, de twee haaks op elkaar staande gebouwen achter het woonhuis op de voorgrond langs de straat. Een nauwelijks te omschrijven zooi van restanten, documenten, kisten, dozen, verroeste machines, religieuze afbeeldingen, lege flessen – kortom net zoiets als wij aantroffen toen we in 1998 ons huis kochten. Heerlijk, wat een onderzoeksdomein…
Hier zit een aparte publicatie in, probeerde ik mij niet in te prenten. Maar als een ander het wil gaan doen, verstrek ik alvast wel de nodige aanzet en informatie.

 

Uit een stoffig schap ergens onder een tafel haalde hij nog een paar lage sokken tevoorschijn.
“Hier”, zei hij, “nog helemaal nieuw. Moet tussen 1900 en 1910 zijn geweven. Kijk eens wat een kwaliteit. Neem maar mee”.
Van weven, haken en breien heb ik totaal geen verstand, maar kenners hebben inmiddels dit staaltje van weefkunst al geroemd. Die nog perfecte functionerende stretchboorden, gewoon één recht één averecht. Alsof dat zo logisch is als wat, na dik honderd jaar liggen niksen op het schap.

 

Misschien was ik nog wel het meeste verrast door zijn verhaal over het gebouwtje dat je op de luchtfoto hierboven rechts bovenaan nog net gedeeltelijk kunt zien staan. Magnier&Co waren niet alleen bij de tijd: al zeker tien jaar voordat er in Rosoy elektriciteit werd aangelegd, hadden zij al als eersten een telefoon- en telegraafaansluiting: Téléphone No 1, vermeldt de factuur uit 1930 trots, hetgeen al werd bevestigd in de telefoongids van de Haute-Marne anno 1914; als iemand in het dorp dus gauw een dokter moest hebben, vlug even naar de Filature om te bellen en dan kwam de dokter van ver wel aangefietst.
Maar de Magniers waren sociaal gezien hun tijd ook ver vooruit. Dat gebouwtje was ingericht, vermoedelijk na de aanleg van eletriciteit, als bioscoop, in principe voor het eigen personeel dat de op een witte muur geprojecteerde rolprenten kon aanschouwen, maar soms ook voor anderen uit het dorp, waarmee het nuttige met het aangename werd verenigd en de sociale band (met het bedrijf) danig werd verstevigd. Philips in het klein, met zijn POC, het Philips Ontspannings Centrum. Net als Philips: een staatje in de staat.
Het bouwsel ziet er nu uit als helemaal achteraan bovenstaande foto tussen het fabriekspand en het veldkruis: nagenoeg helemaal ingestort, slechts één muur gedeeltelijk nog overeind, en naar mijn inschatting ooit eens afgebrand.

 

Fabrice, de huidige eigenaar, komt nog maar sporadisch in zijn onroerend goed te Rosoy. Hij lijkt te twijfelen wat hij met het pand en de duizenden m² grond erachter aan moet. Restaureren is veel te duur, en waartoe ook? Een zinvolle bestemming moet eerst maar eens opdoemen. Een cultureel centrum? Op kosten van een bevolking die daarin nauwelijks geïnteresseerd lijkt? Een horecagelegenheid, waarvan er zo vele in de regio al binnen een jaar de deuren hebben moeten sluiten? Een kleinschalig bedrijvencentrum? De jeugd van Rosoy trekt weg naar de steden, waar het leven nog perspectief biedt.

 

Wie een betaalbare en nuttige bestemming denkt te weten, mag zich melden. De Van Nellefabriek is tenslotte ook aan de sloop ontsnapt.

 

La Grande Collecte – vervolg(2)

Ergens halverwege tussen Compiègne en Soissons ligt Vic-sur-Aisne, een stadje van rond de 1000 inwoners in ’14-’18, hier te zien op een Michelinkaart van ± 1912.
Uit zijn brieven en zakboekje blijkt dat Eugène Parisot daar van half februari tot eind juli 1915 gelegerd is geweest, en dat het daar toen geen prettig verblijf was, gelet op de voortdurende bombardementen. Het is ook de plek waar hij op 1 juni 1915 in zijn zakboekje zijn testament opstelde, dat ik eerder al heb getoond. Tijd om er ook een aangrijpende brief bij te gaan vermelden.

Uit zijn periode-Vic stamt ook bijgaande briefkaartfoto. Ik neem aan dat de fotograaf glasplaten gebruikte (i.p.v. een celluloid filmrolletje), en dat men op de in negatief afgebeelde foto met zwarte inkt het zichtbare bijschrift toevoegde, waarna de plaat in de drukkerij of donkere kamer op briefkaarten in positief werd afgedrukt. Het is goed te zien dat het niet meevalt met inkt op een glasplaat te schrijven.
In het kasteel van Vic was vanaf augustus 1914 een militair hospitaal gevestigd, dat echter in september door de Duitsers werd veroverd. Enkele weken later heroverden de Fransen het kasteel en het hele dorp weer. Ik schat dat de foto begin 1915 is gemaakt. Er valt veel op te zien. De huizen lijken nog intact te zijn, maar behalve militairen is er geen mens te zien. Ook van enige burgerbedrijvigheid (bv. rond de winkels rechts) is geen sprake. Wel wappert de Franse vlag van het gebouw links, dat niet het (huidige) gemeentehuis is. Als ik mij niet vergis, is de staande militair in het midden op de voorgrond Eugène Parisot. Dan moet de foto zijn genomen tussen 16 februari en 20 juli 1915, en wel in die eerste maand want daarna meldt hij herhaaldelijk dat het dorp eindeloos lang en zwaar wordt gebombardeerd. Zijn vertrek uit Vic in juli is dan ook meer een terugtocht dan dat de klus zou zijn geklaard.
De briefkaart is aan de achterzijde niet beschreven. Hij heeft dus niet ergens een kaart gekocht en die verstuurd, maar vermoedelijk een exemplaar van de foto (met hem er dus op) gekregen en die bij een van zijn brieven ingesloten, in de wetenschap dat zijn gezin hem wel op de voorgrond zou herkennen. Foto’s van verwoeste stadjes stuurde je niet naar het thuisfront.
Ik ben de foto nergens op internet tegengekomen; reden om aan te nemen dat het hier niet om een commercieel serieproduct ging, maar een uniek exemplaar, of in ieder geval een zeer beperkte oplage.

Zondag 23 mei 1915
Hoewel zijn zakboekje en veel van zijn brieven indrukwekkende passages bevatten, kan ik er de brief van 23 mei 1915 uitlichten die Eugène Parisot aan zijn vrouw en kinderen stuurde. Het is de meest aangrijpende van alle 180 brieven die ik heb getranscribeerd, vooral omdat het stilistisch gezien ook de best geschreven brief van allemaal is. Weliswaar vind ik het opvallend dat hij op 1 juni, in de diepste ellende, te Vic zijn testament optekent in zijn zakboekje (toen wist hij nog niet dat hij in 1916 in de Slag aan de Somme verzeild zou raken, die nog vele malen erger en bedreigender was), maar dat hij van die doodsangst in feite geen gewag maakt in zijn brieven – niet voor 1 juni en niet na 1 juni. Alleen de brief van 23 mei kunnen we, zij het achteraf, beschouwen als een hint dat het niet goed met hem ging. De vraag is hoe ze dat bij hem thuis zullen hebben ingeschat, want per saldo beklaagt, betreurt en bewondert hij alles en iedereen, behalve zichzelf.

Ik geef van die brief de eerste van vier pagina’s weer in diplomatische uitgave, d.w.z. zonder er ook maar een stipje of jota aan te veranderen. Ik ga de passage ook niet vertalen. Elke vertaling is een verarming. Als je al lezende niet goed snapt wat er staat, terwijl je toch over enige kennis van het Frans beschikt, dan is het raadzaam “op z’n Frans” hardop te lezen wat er staat (er is bv. geen uitspraakverschil tussen parti, partie en partit, of tussen deux, d’eux en d’œufs), want vaak hoor je dan wat hij bedoelde te schrijven.
Inhoudelijk één enkele toelichting: de bijstelling “fraire rouge” in de eerste tekstregel. Dat heeft me nogal wat hoofdbrekens gekost, maar na lange tijd, en met behulp van ouderen hier in het dorp en een Franse-taalforum op internet, kon ik het uiteindelijk plaatsen: Van Pinksteren tot en met Sacramentsdag (de 2e zondag na Pinksteren) vonden er in Rosoy en het naburige Hortes, net als elders in Frankrijk, religieus-feestelijke processies plaats. Alle straten van het dorp waren dan gepavoiseerd met guirlandes van bloemen, bloemenbogen over de weg, en zowel in de processie als vanuit het talrijke publiek op de trottoirs werden bloemen uitgestrooid. Op Sacramentsdag waren die in hoofdzaak wit, met Pinksteren rood, conform de liturgische kazuifelkleuren wit en rood. Dat verklaart “rouge”. Om “fraire” te kunnen verklaren, moet je een beetje plat kunnen praten en slecht kunnen spellen: het blijkt een wat fonetische variant te zijn van “férie” (van Lat. feries, “feestdag”, vgl. Duits Ferientag) en moeten we concluderen dat de uitspraak van “frairerouge” en “férierouge” kennelijk niet zo gek ver uiteen lagen. Een tweede mogelijkheid is dat het niet een variant is van férie, maar van frairie, een woord dat in diverse Franse regio’s schijnt voor te komen ter benaming van lokale (religieuze) feesten. In dat geval heeft hij dus alleen de tweede i vergeten te schrijven. Dit woord frairie wordt gemeld in het lokale spraakgebruik in Charante/Charante-Maritime en de Limousin – niet echt naast de deur.
De rest van de pagina lijkt mij wel voor zich spreken. 

Dimanche 23 Mai jour de la Pentecôte // Ma Chère Louise // Pentecôte fraire rouge deja la! et toujours // pas plus avancé; les heures, les jours, les semaines // les mois se succedent, et rien! toujours rien! ah // que cest donc long oui bien trop long // Trop long pour vous pauvre femmes de Françe // qui reste seul au pays avec un courage admirable // remplacez les absents, Trop long pour tous ces // pauvres vieux qui ont repris le collier du // travail et qui assure avec resignation lexecution // du travail quotidient, Trop long pour ces jeunes // qui ne sont pas encore assez robuste et qui // neanmoins travaille resolument telle ma grande // Solange. Trop long pour tous ces pauvres // petits qui sont privé du necessaire Mais bien // trop long surtout pour ceux qui aurons perdu un // des leurs, un père, un mari, un frère, puis egalement // pour ces pauvres estropié ceux qui leurs manque // un membre, et enfin trop long pour nous // defenseur de la Patrie et cependant tous ont obei // on se resigne il le faut cest la guerre // 

_________________________________
Vorige berichten:
http://nardloonen.nl/2013/11/27/la-grande-collecte-1914-1918/
http://nardloonen.nl/2013/12/11/la-grande-collecte-vervolg-1/ 

La Grande Collecte – vervolg (1)

Het is, na mijn vorige bericht, weer een tijdje stil geweest, maar (wie zei het ook weer; minister Ien Dales, geloof ik) een broedende kip moet je niet storen.
Ik ben intussen dagelijks druk bezig de originele documenten 1914-1918 te transcriberen. Ontcijferen liever gezegd, want het valt af en toe niet mee.
Intussen is wel één ding duidelijk: wat meer input is dringend gewenst. Vandaar mijn oproep. Nooit geschoten is altijd mis, al is dat in het kader van WO-I misschien niet de meest passende beeldspraak.

Ik ben, meer specifiek geformuleerd, op zoek naar elk type documentatie omtrent een bepaald gebied en een bepaalde tijdspanne. Het gaat me om gedetailleerde landkaarten, brieven, ansichtkaarten, foto’s en wat al niet meer uit de periode van november 1914 tot juli 1915 in het gebied ruim rond Soissons (02-Aisne), d.w.z. van minimaal Nampteuil-sous-Muret in het oosten tot Vic-sur-Aisne in het westen. Crouy in het noorden en de vernielde spoorwegtunnel van Vierzy in het zuiden zijn daarbij ook inbegrepen.

Op internet is er zeer veel te vinden, zo veel dat ik het spoor bijster raak. Misschien kan iemand mij een handje helpen.

Er is in die tijd op die plek veel vreselijks gebeurd wat niemand van ons zou willen meemaken. Honderd jaar na dato mag dat best eens in herinnering worden geroepen.

Graag een reactie. En ik houd jullie, via dit medium, wel op de hoogte.
_________________________________
Vorig bericht: http://nardloonen.nl/2013/11/27/la-grande-collecte-1914-1918/
Volgend bericht: http://nardloonen.nl/2014/07/24/la-grande-collecte-vervolg2/ 

 

La Grande Collecte 1914-1918

Met 2014 in het verschiet is er een grote inzameling in gang gezet om documenten, foto’s en andere herinneringen uit de Eerste Wereldoorlog in gedigitaliseerde vorm voor het publiek toegankelijk te maken. De organisatie berust bij Europeana, een in Den Haag gevestigde instelling, maar opererend over heel Europa.
Als Nederlander heb ik niet zoveel met 14-18, maar als bewoner van ons huis in Rosoy des te meer. Vandaar dit bericht.

Toen wij eind december 1998 het huis betrokken, was het van binnen één grote troep: half kapotte stromatrassen, meubels, boeken, kledingstukken, heel veel spinnewebben en een paar dichtgeknoopte lakens met daarin allerhande papieren, brieven, rekeningen, foto’s en röntgenfoto’s, oude aktes, aandelen van de Russische Tsaristische Spoorwegen – noem maar op. Rond het houtkacheltje gezeten zijn we toen alles eerst maar eens gaan schiften in stapels “te bewaren” en stapels “weg te gooien”. Al het papier- en fotowerk bewaarden we.

Bij nadere bestudering bleek er nogal wat documentatie uit de periode 1914-1918 tussen te zitten. De laatste bewoners van ons huis, een broer en zus, beiden ongehuwd, hadden het bewaard als herinnering aan hun ouders. Hun vader, Eugène Parisot (1874-1962), bleek in 1914 gemobiliseerd te zijn geweest en was tot1919 in actieve dienst zo ongeveer heel Noord-Frankrijk doorgetrokken. Hier poseert hij met zijn vrouw Louise Millot voor wat nu ons huis is, naar ik aanneem vlak voor zijn vertrek naar het front. Met grote regelmaat, één à twee keer per week, stuurde hij een brief of briefkaart naar Rosoy, waar zijn vrouw en hun twee kinderen Solange en André al die jaren verbleven.
Louise naaide elke brief vast aan de vorige, zodat er uiteindelijk een vijf cm dik pak ontstond. Al lezende krijg je dan een zeker beeld van hoe, wat en waar hun man en vader een en ander aan het front beleefde. Voeg daarbij nog een aantal vaak vage en piepkleine, maar wel originele foto’s van  het front uit die periode en je denkt een vrij compleet beeld van de rauwe werkelijkheid te hebben teruggevonden.

Maar dat bleek al ras een valse beeldvorming te wezen. In een van de dichtgeknoopte lakens troffen we namelijk ook een zakboekje aan waarvan gauw duidelijk was dat Eugène dat de hele oorlog door in zijn borstzak had bewaard en waarin hij voortdurend had bijgehouden wat hij meemaakte en waarvan hij notities moest maken.
Zelfs bij vluchtige, diagonale lezing van brieven en zakboekje kwam de realiteit boven tafel: er bestond een werkelijkheid (die in het zakboekje stond) en een beeld van de werkelijkheid (dat in de brieven was te lezen – ongetwijfeld om het thuisfront niet te zeer te confronteren met het oorlogsfront). Toen het hem al te bang te moede werd, in Vic-sur-Aisne, op 1 juni 1915 (“année terrible”) schreef hij in dat boekje zelfs zijn testament.

Ik nam mij voor deze hele verzameling documenten ooit eens goed uit te gaan pluizen, de twee waarheden met elkaar te gaan vergelijken en alles eventueel ooit eens een keer tot een publicatie te verwerken. Toen half november 2013 het departementale archief van de Haute-Marne in Chaumont drie dagen organiseerde waarop mensen hun gevonden en bewaarde documenten konden aanbieden ter digitalisatie, ging ik daar met mijn dossier naartoe. De twee archivarissen die mij te woord stonden verklaarden dat dit de grootste en vooral meest complete persoonlijke berichtgeving was die zij uit die periode onder ogen hadden gekregen, groter ook dan zij uit andere departementen kenden. Omdat ik met het uitzoeken nog lang niet klaar was, spraken wij af dat ik mijn voorwerk eerst zou gaan voltooien. Dat betekent: al die brieven uiterst voorzichtig loshalen uit het pakket, alle draadjes garen met een fijn pincet proberen los te peuteren, want de brieven waren -papierschaarste- zonder enige marge rondom tot de rand toe beschreven, maar door het aaneennaaien zaten er in elke vouw wel 20, 30 gaatjes geprikt. Vervolgens de circa 170, meestal nog opmerkelijk goed leesbare brieven rubriceren naar datum en plaats van verzending en ten slotte transcriberen om de tekst digitaal beschikbaar te hebben. Dan het zakboekje pogen te ontcijferen: het vaak heel priegelig kleine handschrift met erg veel spelfouten proberen te lezen en uit te typen, met aanduiding ook van datum en plaats, voor zover mogelijk. Van enkele foto’s is bovendien wel te schatten wie er op staan en waar/wanneer ze zijn gemaakt.

Als ik met dit alles min of meer klaar ben, kan ik weer terecht op het departementaal archief, waar men van elk stuk, elke pagina, een scan zal maken die ik dan, in het kader van La Grande Collecte van Europeana, gratis op CD ter beschikking krijg. De originele documenten mag ik behouden, dan wel aan het archief schenken of belenen, zoals ik jaren geleden ook al eens alle hier gevonden aktes uit de periode 1745-1899 op dat archief heb gedeponeerd; de aktes van 1900-1982 heb ik nog hier, omdat ze mij veel informatie over het huis en de laatste bewoners verschaffen.

Dit bericht is al met al stellig niet het laatste over dit onderwerp, maar ik voorzie wel dat er erg veel tijd in zal gaan zitten voordat een eventuele publicatie in de boekwinkel ligt. Ik hoop dat het er hoe dan ook wel ooit van komt – de inhoud is alleszins de moeite waard.


Verdere algemene info over Europeana en La Grande Collecte 1914-1918 :

http://www.bnf.fr/fr/la_bnf/anx_actu_bib/a.grande_collecte_14-18.html
http://www.europeana1914-1918.eu/nl

Eerdere berichten:

http://nardloonen.nl/2013/01/21/histoire-de-rosoy-1919/

De Grote Oorlog


Volgende berichten:
http://nardloonen.nl/2013/12/11/la-grande-collecte-vervolg-1/
http://nardloonen.nl/2014/07/24/la-grande-collecte-vervolg2/ 

 

De cave

Zoals onder Nederlandse huizen wel eens een kelder wil zitten, zo bevat een Franse boerderij een cave, vanouds de koelkast voordat er koelkasten bestonden, half ondergronds, inpandig, met een ’s zomers en ’s winters zo constant mogelijke temperatuur tussen de 5 en 10 graden. De ideale bewaarplaats voor wijn en al dan niet geconserveerde voedselvoorraden – ook een pretpark voor muizen en ratten.

Wij troffen er in Rosoy ook eentje aan, al was de vreugde daarom aanvankelijk niet echt heel groot.
Een ruimte van 4×4 meter ongeveer met een lemen vloer waarop veel vuil en stro lag, vier muren van de bekende natuursteen: de harde blauwe en de zachte gele (Rosoy ligt op een breukvlak van twee steensoorten: de bazaltachtige harde blauwe steen en de gelige kalkzandsteen; het wordt at random door elkaar opgestapeld); de buitenmuur ligt half ondergronds, want het terrein rond het huis loopt schuin en het huis is min of meer recht gebouwd, een klein raampje op maaiveldhoogte voor de nodige ventilatie en boven het geheel het plafond. Dat was kunstig ontworpen: zware, eiken balken op 25 cm van elkaar steunden op de muren links en rechts. Ze waren een beetje taps gezaagd met de grootste opening bovenaan, waarin zo lang mogelijke zware stenen klem in waren gelegd. Daar bovenop een 15 tot 20 centimeter dikke laag van mest, stro, kapotte dakpannen en wat al niet, alles voor de broodnodige isolatie.

De werking van een cave is vrij simpel: geen direct zonlicht, maar wel ventilatie. Het vocht van onder uit de vloer en van de natuurstenen muren verdampt waardoor er warmte aan de circulerende lucht wordt onttrokken. Als het goed is, kan daarmee een zeker evenwicht en dus een min of meer constante binnentemperatuur worden gegarandeerd.

In de cave bevond zich, naast een (helaas lekke) weckketel, een grote hoeveelheid flessen en weckpotten.
In de flessen zaten sperzieboontjes. Afgedicht met een kurk met een waslaag eroverheen waren ze ondersteboven in gaten van een eiken plank gehangen. Getuige enkele etiketten dateerde die inmaak uit de jaren-’60 en -’70. Later besefte ik de onvergankelijkheid van de traditie: in een van de schriftjes uit de schooltas van André trof ik een verslagje van hem aan dat hij op school moest schrijven over hoe hij de grote vakantie had doorgebracht, begin jaren-’20. Vanwege een verstuikte voet kon hij helaas niet met zijn vriendjes gaan voetballen. Daarom was hij aan het werk gezet en moest hij de hele dag geblancheerde sperzieboontjes in flessen stoppen…
De weckpotten waren, ook rond 1970, gevuld met perziken, witte boontjes, pruimen, kersen, alles op sap. Ze stonden ook op hun kop op planken om zodoende optimaal luchtdicht te blijven. Mijn verlangen om ervan te proeven was niet echt groot, maar Claud, toch wat roeklozer of plattelanderiger dan ik, zei dat het heus wel kon, zolang die vruchten maar onder het sap stonden. Ten bewijze opende hij een pot en at wat pruimen ervan op. Hij leeft nog steeds en ik merk niets vreemds aan hem.

Ook, en dat vond ik gunstiger, lagen en behoorlijk wat flessen gevuld met zelfgemaakte wijn, likeur en iets daar tussenin. Meestal met een laag alcoholpercentage (notenwijn, kersenwijn), soms ook duidelijk destillaten (pseudo-Marc en Arquebuse van zeker 40%). Vroeger kwam er in alle dorpen met enige regelmaat de destilleerkar langs van de boer die daarvoor een vergunning had. Tegen inlevering van een paar kilo fruit kreeg je van hem dan een of meer flessen zelf gestookte alcohol. Toen ik eens aan de voor-vorige burgemeester vroeg of die kar nog wel eens langskwam, antwoordde hij ontkennend. Het vergunningenstelsel is erg strikt tegenwoordig. Toen ik daarop vroeg of ik dan niet toch stiekem bij iemand aan 90% alcohol kon komen om mijn Cointreau te maken, zei hij doodleuk: “Ja, bij mij”.

Van die wijnen bleek overigens de helft helemaal om te zijn; de andere helft smaakte prima. En nu drogisten ook al geen alcohol 90% meer mogen verkopen aan particulieren, haal ik die voortaan maar gewoon in Luxemburg bij het tankstation.

Terug de cave in. Door ouderdom en achterstallig onderhoud waren de eiken balken vervaarlijk doorgezakt en bovendien uitgedroogd en gaan wijken, waardoor her en der de lange, zware stenen erdoorheen begonnen te zakken. Die moest je niet op je hoofd krijgen. Je kon ook niet meer rechtop in de cave lopen. Niet alleen zijn Fransen kleiner dan Nederlanders, maar ook de uitgezakte balken verhinderden een onbelemmerde doorgang. Tijd dus voor een allesomvattende renovatie.

Eerst alle geconserveerde etenswaren veilig elders opgeborgen. Toen met een kettingzaag de eiken balken doorgezaagd en alles maar op de vloer laten vallen, inclusief de eindeloze hoeveelheid troep die er als isolatie bovenop lag, en met stofmaskers voor de hele vloer leeggeruimd.

Ik doe graag zo veel mogelijk zelf, maar af en toe moet er toch even een aannemer aan te pas komen. Ik vroeg het in juli aan hem om de vloer wat te verlagen, een nieuw, goed geïsoleerd en strak plafond aan te brengen en rondom een betonnen stoepje te maken waarop we kasten konden zetten. De lemen vloer bleef leem, maar zou dan wel met een grindlaag worden bedekt om stoffigheid te vermijden en toch de ventilerende werking van de bodem in tact te houden.

De bouwvakkers kwamen het tussen kerst en nieuwjaar doen. Probeer in Frankrijk maar eens een datum af te spreken waaraan men zich ook houdt. Het vroor in de cave-ruimte 4°, buiten ietsje meer. Als ze water nodig hadden om cement aan te maken, moesten ze in de waterton eerst de ijslaag kapotslaan. Maar je schijnt ook onder nul te kunnen metselen. Nooit geweten. Uiteindelijk hadden ze in vier dagen de zaak voor elkaar zoals ook was gepland en afgesproken en konden we onze nieuwe cave gaan inruimen.

Het is een rijkdom om een dergelijke ruimte in  huis te hebben met het vliegenkastje (de garde-manger) en het eiermandje-waar-de-ratten-niet-bij-kunnen, al moet ik wel toegeven dat haar klimatologische constantheid te wensen overlaat: in 2003, bij wekenlange temperaturen van 35-40°werd het in de cave tegen de 24°, altijd nog de meest koele plek om je even in terug te trekken. In januari 2012, langer dan een week rond de min 20°, vroor het vier graden in de cave. De wijnvoorraad, zeker de rode, dus voor alle zekerheid toch maar in de keuken opgeslagen. Maar veruit het grootste deel van het jaar doet die cave wat hij moet doen: een heel grote koelkast zijn.

En wat die muizen en ratten betreft: eerst met korreltjes rattengif hun looproute gedetecteerd en toen maar het hele voorraadrek van de muur gehaald om met pur en cement de betreffende muurdelen en voegen te gaan dichten (zoals een Eindhovense aannemer hier uit de buurt het formuleert: “Wilde daddet zit, dan vatte kit, kiekde d’r dur, dan vatte pur” – hij heeft gelijk). Sindsien is er geen rat meer die mijn aardappelvoorraad aanvreet. Je kunt toch ook niet de kat een nacht in de cave opsluiten om het ongedierte te verjagen.

 

 

 

 

Verkeer(d) in Rosoy 1924

Voor wij het huis in Rosoy kochten, was het bewoond geweest door Solange en André Parisot, beiden ongehuwd. Hun ouders, Eugène en Louise, waren al enige tijd overleden. Wij troffen in het huis een enorme hoeveelheid documenten en foto’s aan, inclusief bankafschriften en röntgenfoto’s, maar ook enkele zeer memorabele stukken, zoals aktes, bidprentjes, foto’s van het front, correspondentie en identiteitsbewijzen. Uit die verzameling presenteer ik zo nu en dan het een en ander. Hier een verslag van de passage van een automobiel door Rosoy in 1924 door André Parisot (1909-1981).

Rosoy-sur-Amance, Rue Basse, anno 1909

In de jaren-’20 was Rosoy een nog volstrekt landelijk, ruraal dorp. Open riolen aan weerszijden van de hoofdstraat, nauwelijks verharde wegen en het vervoer beperkte zich voornamelijk tot paard en wagen. Heel sporadisch waagde een automobilist het om met zijn vehikel het dorp te doorkruisen, wat voor de nodige consternatie zorgde.

Zo kreeg André op 22 februari 1924 een stelopdracht waarvan de omschrijving luidde: “Het is 11 uur. Je verlaat de school. Het dorpsplein is rustig en verlaten. Plotseling komt er een auto aanstormen. Iedereen wijkt uit. Beschrijf de scène van dat moment en geef er je commentaar bij.”
André, nog geen 15 jaar, likt aan zijn pen en komt met het volgende verslag:

 

Rosoy-sur-Amance, Rue Borgaud ±1910

“Het is elf uur en wij gaan de school uit. Het plein is rustig en verlaten en tal van arbeiders zijn aan het werk en komen voorbij. De smid is een paard aan het beslaan, waarvan de eigenaar het been vasthoudt. De wegwerker veegt de straat schoon. Een boer keert langzaam terug naar huis, gezeten op zijn kar. Midden op het wegdek zijn nogal wat kippen op zoek naar wat graankorreltjes. Alles is vredig en vrolijk, een brandende zon maakt ons een beetje loom. Plotsklaps komt er een automobiel aan; slechts met moeite kon je zijn toeter horen. Met een duizelingwekkende snelheid nadert hij mijn klasgenoten, die zich snel uit de voeten maken. De boer springt subiet van zijn kar en grijpt de teugels van het paard dat al begint te steigeren. De auto rijdt vlak langs het paard dat de hoefsmid aan het beslaan was. Het dier trapt met de achterbenen naar achteren zodat de smid en de eigenaar opzij moeten springen. De wegwerker schiet met zijn gereedschap de stoep op, net als ieder ander. Op het nippertje kunnen de kippen wegfladderen, eentje wordt er overreden, de haan kraait intussen om de andere terug te roepen. De automobilist is gepasseerd en laat niets anders dan een dikke stofwolk achter.
Eindelijk is dan de auto weg. Wat een waaghals, die chauffeur! Gelukkig maar voor hem dat er geen slachtoffers zijn gevallen. Op straat moet je voorzichtig en oplettend zijn, en als het om een chauffeur gaat, nog des te meer.”

Het opstel werd voorzien van correcties, maar over het geheel beoordeeld als “passabel”, voldoende. 

Ik begon met de mededeling dat Rosoy in die jaren een nogal achtergebleven gebied was. Dat blijkt ook wel uit het volgende.
Ongetwijfeld werden de leermethoden centraal vanuit Parijs vastgesteld en konden die hooguit op details per departement nog wat worden ingekleurd. En uiteraard keek men toen in Parijs al lang niet meer op van een paar auto’s meer of minder. En zo kon het gebeuren dat diezelfde André bijna twee jaar eerder, op 22 maart 1922, al het volgende redactiesommetje kreeg aangeboden:

 

“Een wielrijder verlaat Rosoy om 8 uur ’s ochtends richting Chaumont en rijdt gemiddeld 15 km/uur. Om half 10 vertrekt een automobiel naar Chaumont en haalt 40 km/uur. Hoe laat zal de auto de wielrijder hebben ingehaald en op welke afstand van Rosoy gebeurt dat?”

 

 

Zo ongewoon waren auto’s kennelijk dus niet in 1922. André lost het vraagstuk op zijn manier, en in ieder geval nagenoeg correct op: de twee ontmoeten elkaar na 54 minuten (hij had moeten zeggen: “om 10 uur 24”) op 36 km van Rosoy.
Niet slecht voor iemand van twaalf.

 

 

 

Histoire de Rosoy 1919

Voor wij het huis in Rosoy kochten, was het bewoond geweest door Solange en André Parisot, beiden ongehuwd. Hun ouders, Eugène en Louise, waren al enige tijd overleden. Wij troffen in het huis een enorme hoeveelheid documenten en foto’s aan, inclusief bankafschriften en röntgenfoto’s, maar ook enkele zeer memorabele stukken, zoals aktes, bidprentjes, foto’s van het front, correspondentie en identiteitsbewijzen. Uit die verzameling presenteer ik zo nu en dan het een en ander. Nu de gefantaseerde Histoire de Rosoy 1919 door André Parisot (1909-1981).

Tussen alle rommel troffen wij een halfvergane lederen tas aan met daarin tientallen schoolschriftjes en losse bladen van de kleine André, hier bij zijn plechtige communie in ±1921. Zijn vader was in de Wereldoorlog gemobiliseerd geweest, was langs het hele noordelijke front van Mulhouse tot Le Havre getrokken, maar kwam desondanks toch weer min of meer ongeschonden thuis. We weten natuurlijk niet wat hij precies aan zijn jonge kinderen allemaal heeft verteld, en op welke manier. Wel zien we dat het bij de kleine André kennelijk de fantasie heeft geprikkeld: hij trekt elementen uit de oorlog naar zijn eigen hier en nu en komt dan als tienjarige in 1919 met onderstaand boeiend relaas. Ik laat al zijn grammatica- en spelfouten staan zoals ik ze aantrof; het verhaal lijdt er niet onder.

 

Histoire de Rosoy 1919
Pendant l’année 1919 une guerre commença «Français contre Prussiens».
1º Le … à une heure fixe les deux battaillons sont armés et partent au combat. Ils se campent à la base d’une petite colline nommée Belmont.
2º Le champ de bataille est un parc, entouré de fils de fer et au bout duquel est un tas de rocaille, recouvert de mousse et emplanté d’arbres fruitiers.
3º Les Prussiens arrivés, précipités prennent la tranchée principal du parc.
4º Les Français n’en on plus, mais ils …



… montent jusq’au sommet du parc de champ de bataille et ils se campent.
5º La guerre commence; d’une heure à deux heures la bataille commence sans discontinuer.
6º Cette guerre se divise en trois grandes offansives.
     1º La défaite des prussiens. Ils sont disperssés, pêle-mêle tout par notre armée.
     2º La déroute des Français; qui émerveillés de leur succès sont surpris par l’ennemi.
     3º La nouvelle défaite des allemands qui sont poursuivi par les français dans le verger. …


 

…. 7º La Victoire des Français.
Les prussiens sont poursuivi par les français, ils se réfuguient dans les roches du verger ou ils sont battu de fond en comble. Enfin ils nous échappent et s’enfuissent dans le sou-sol de leur tranchée. Mais voici l’orage qui les surprend et ils sont obligés de sortir; mais nous somme là et nous les prenons. On se refait allié … la france est victorieuse; et vivement ensemble ont place des cailloux dans l’eau, on enjambe la rivière et l’on se met à l’abri dans une cabane voisine en attendant que l’orage se passe.
8º Quand l’orage fut passé ont sorti et l’on ordonna à l’honneur …



… de la victoire et de la paix une course dont une partie de chaque armée la composait.

L’armée française revint au village toute joyeuse de la victoire quelle venait de raporter.

 

(Daarna volgt het later toegevoegde begin van een volgende oorlog, in 1922, tegen China. Omdat ik daarvan het vervolg nog niet heb gevonden, stel ik dat verhaal tot nader order even uit.).

 

Vertaling:

Geschiedenis van Rosoy 1919
In de loop van 1919 brak er een oorlog uit “Frankrijk tegen de Pruisen”.
1. Op … bewapenen twee bataljons zich op een afgesproken tijdstip en trekken ten strijde. Het gevecht vindt plaats aan de voet van een kleine heuvel die Belmont heet.
2. Het gevecht speelt zich af in een strijdperk afgezet met ijzerdraad dat uitloopt in een rotsachtig terrein met mos overdekt waarin enkele fruitbomen staan.
3. De bewapende Pruisen nemen meteen de grootste loopgraaf in.
4. De Fransen lopen die kans mis, maar ze beklimmen de heuvel en het gevecht brandt los.
5. De oorlog is begonnen. Tussen de een en twee uur duurt de strijd ononderbroken.
6. Deze oorlog kent drie offensieve momenten:

  • 1. De Pruisen worden verslagen en naar alle kanten verjaagd door ons leger.
  • 2. De ontreddering bij de Fransen die, verblind door hun succes, worden verrast door de vijand.
  • 3. Opnieuw een nederlaag voor de Duitsers die door de Fransen worden achtervolgd tot in de boomgaard.

7. De overwinning van de Fransen.
De Pruisen worden achtervolgd door de Fransen, ze verschuilen zich tussen de rotsen van de boomgaard waar ze compleet in de pan worden gehakt. Uiteindelijk weten ze te ontsnappen en ze vluchten half ondergronds in hun loopgraaf. Maar dan breekt er een onweer los. Daardoor verrast moeten ze uit hun stellingen vluchten; maar wij zijn daar en nemen ze gevangen. Dan wordt de vrede getekend … Frankrijk heeft gewonnen. En vlug gooien ze stenen in het water om de rivier te kunnen oversteken en te gaan schuilen in een naburige hut aan de overkant om het einde van de onweersbui af te wachten.
8. Toen het onweer was overgetrokken kwamen ze naar buiten en organiseerden ze een wedstrijd ter ere van de overwinning en de vrede. Elk van beide legers vormde daarbij een partij.
In opperbeste stemming keert het Franse leger terug naar het dorp, om daar de zege te kunnen gaan verkondigen.