Verburghen hol

Treckt weer na uw’ verburghen holen“. Zo begint Johannes Stalpaert van der Wiele zijn 296e lied van de Gulde-Jaers Feest-dage (1635), behorende bij de feestdag van Ignatius van Loyola, 31 juli. Het is de eerste regel van de 13 coupletten waaronder zich het ons bekende Ignatiuslied bevindt. Dat eerste couplet verwenst de ketterse hervormers, die maar beter hun verre, heimelijke krochten weer kunnen gaan opzoeken. Een soort pleur op dus, maar dan van een paar eeuwen terug.

Ik moest daaraan denken toen afgelopen zondag, 19 november, in de Verlatzaal van het prachtige, sfeervolle, 15e-eeuwse kasteel Cortewalle te Beveren, de jaarlijkse presentatie plaatsvond van het Tiecelijn-Jaarboek. Naast de voortreffelijke omlijsting van dat evenement met harpmuziek van Mathilde Wauters trof ik ook een drietal Reynaert-gelieerde bieren aan. De Reynaert Grand Cru was er niet, maar in Lochristi kon ik simpel aan een volle krat komen. Wel verraste mij drie producties van brouwerij Domein Reynaert. Het Ysengrin-bier noemde ik al eerder, maar nu blijkt er ook een variant Nobel en Bruun te bestaan. Iets om eens goed in gedachten te houden.

In zijn openingsspeech maakte de Schepen van Beveren melding van een bijzondere archeologische vondst. Die had al eerder de Vlaamse pers gehaald (zie bv. Het Laatste Nieuws en Het Nieuwsblad van 10 oktober) en was ook reeds genoemd in de E-nieuwsbrief van het Reynaertgenootschap.

Foto: Kristof Pieters (Het Laatste Nieuws)

In het kort komt de vondst hierop neer: bij grondwerkzaamheden in verband met verkaveling van een voormalig voetbalveld van KFC Vrasene (gem. Beveren) werd bij archeologische opgravingen een ± 2.000 jaar oude Romeinse voorraadpot gevonden onder een maalsteen, gedeponeerd in een oude, grote dassen- of vossenburcht. De persbronnen suggereren dat we daarbij wellicht hebben te maken met de vossenburcht Malpertuus, het voornaamste vossenhol van onze Reynaert.
Wetenschappelijk bewijs daarvoor ontbreekt vooralsnog. Wel weten we dat Malpertuus tot nu toe nimmer is gelokaliseerd, maar dat we op grond van de oudst bekende Reynaertteksten mogen aannemen dat het zich bevond in de driehoek Gent-Hulst-Antwerpen, waarbinnen Beveren in ieder geval ligt.

Een andere aanwijzing die in die richting zou kunnen wijzen, is dat ik in een studie uit 2007 rond de 180 voorkomens van het toponiem Malpertuus heb gevonden, alle in Frankrijk, en geen in België of Nederland; het meest noordelijk gelegen toponiem is l’île Maupertuis, een (schier-)eiland in de Seine aan de zuidrand van Rouen (76). Nu kan het natuurlijk zo wezen dat Willem, ‘onze’ Reynaertdichter, de naam Malpertuus heeft ontleend aan de iets oudere Franse Roman de Renard, maar daar tegen pleit dat de geografische aanduidingen in de Vlaamse versie (Gent, Hulst, Hijfte, Belsele, Kriekeputte, …) nagenoeg alle in genoemde driehoek rond het Waasland zijn terug te vinden en voor lezers/toehoorders van de Reynaert destijds ook herkenbare locaties waren. Ik houd het voor zeer waarschijnlijk dat ook het in de tekst veelvuldig genoemde Malpertuus, of een schrijfvariant daarvan, een nabije plek was die het publiek onmiddellijk aansprak en waar men ook bij wijze van spreken direct naartoe kon.

Een wetenschappelijk bewijs is het niet, maar het vaststellen dat er een Wase vindplaats van Malpertuus is, zou zeer wel passen in mijn opvattingen rond de verspreiding van de naam van dit verburghen hol van de schurk/schelm Reynaert. In het bijzonder mijn bevinding dat de 180 voorkomens van Malpertuus in hoofdzaak lagen in het gebied van Zuidoost Frankrijk tot Belgica Pars, diagonaal door Frankrijk dus, en mogelijk verwijzen naar plekken die voor de Romeinse legers op weg naar Brittannië moeilijk te doorkruisen waren, pleit daarvoor. En dat er in Vrasene Romeinen zijn geweest, bewijst de archeologische vondst van september 2017 maar al te zeer.

 

Sint en Piet en Reinaert en Tiecelijn

Zoals in het vorige artikel reeds aangekondigd vond op zondag 4 december in Sint-Niklaas de presentatie plaats van het Jaarboek Tiecelijn 2016, een jaarlijks terugkerend evenement, de laatste tijd in de theaterzaal van het Stadsmuseum STEM. Het past in de rijke Reinaerttraditie in het Waasland, vooral in Sint-Niklaas, maar zeker ook elders in Oost-Vlaanderen.

 

Het betrof het 9e Jaarboek; in 2008 besloot de redactie het al 20 jaargangen lopende driemaandelijks tijdschrift Tiecelijn voortaan in de vorm van een Jaarboek uit te brengen – minder werk, minder kosten. De presentatie ervan bestaat uit een of meer voordrachten in een stemmig aangeklede theaterzaal waar tussen de 100 en 200 medewerkers en belangstellende Reinaerdofielen een uur of meer worden geamuseerd met nuttige, diepgaande, schalkse en culturele optredens. Voor de aanwezige steunende leden ligt na afloop het Jaarboek klaar (enorme besparing portokosten; het jongste nummer weegt 1.135 gram en veel leden wonen ook nog eens buiten België), samen met een toepasselijk geschenk, zoals in 2007 een genummerd exemplaar van de houtsnede van Wim de Cock die ook de frontillustratie van jaargang 20 sierde. Zie hiernaast.
Inmiddels is de verzameling artikelen die door de jaren heen in Tiecelijn op bijna 8.000 pagina’s zijn gepubliceerd een niet te passeren bron van kennis en informatie voor iedereen die zich met de Reinaertstudie bezighoudt.

In 2013 memoreerde ik hier in een artikel al dat er rond de Reinaert een heel commercieel en toeristisch circuit is ontstaan. Ik noemde en roemde daar onder meer Reynaertgebak, Reynaertbonbons en Reynaertbier (ik blijf hardnekkig Reinaert met een i schrijven; anderen houden het op Reynaert met een y. Geef spellingvrijheid een kans).
Maar in feite is de hele streek ruim rondom Sint-Niklaas vergeven van de verwijzingen naar Reinaert en andere personages uit het werk. Het blijft ontegenzeggelijk levende materie, en nog eens vol verrassingen ook.
In een van de kroegen aan de Grote Markt, met trots melden de bewoners dat het qua oppervlak het grootste marktplein van België is, kreeg ik geheel onverwacht een fles Ysengrin geserveerd (net als Reynaert Grand Cru 9,5 %) met een glas van Domein Reynaert. Flesje + glas te bekomen aan €10; voor niets gaat de zon op.
Onze Reinaerttekst meldt niet voor niets dat Reinaert en Isegrim familie van elkaar zouden zijn geweest. Wie betaalt daarvoor de prijs?

Ik zie daarentegen geen verband tussen Sinterklaas en Reinaert, behalve dat beide zich overduidelijk manifesteren in Sint-Niklaas: Voor het oude gemeentehuis op de Grote Markt prijkt een groot beeld van de goedheiligman,

 

 

 

 

en aan het einde van de grote middengang van datzelfde gemeentehuis treffen we een aantal glas-in-loodramen aan met Reinaertmotieven.

 

 

 

Met de rug naar het gemeentehuis zie je links voor je de Reinaert Galerij, een niet overdadig groot winkelcentrum, terwijl op deze 4e december de ene Sint na de andere het marktplein oversteekt. En alle Pieten zijn zo zwart als Tiecelijn, een van Wodans luisterraven en boodschappers.

 

 

 

 

Op zoek naar Reynaertgebak en Reynaertbonbons, die nog maar bij vier meester-banketbakkers in Sint-Niklaas verkrijgbaar zijn, passeerde ik de befaamde chocolaterie Wauters, waar alleen maar eetbare Sinterklaasmemorabilia werden aangeboden. Een volgend pleidooi voor absolute spellingvrijheid.


Sint-Niklaas verenigt twee grote personages die met elkaar hoegenaamd niets te maken hebben, behalve dat Reinaert er meesterlijk-listig in slaagt anderen de zwarte piet toe te spelen.

 

Een WISSE ?

Alles hangt met alles samen.
Onze bezigheden met de houtkap in het bos brachten mij op het woord wisse, synoniem met stère en kuub. Maar dat woord past perfect in het rijtje woorden dat ik eerder al publiceerde onder de titel contenu en contenant: een wisse is namelijk tegelijk datgene wat wordt omsloten (stapel brandhout van een kubieke meter) als ook datgene wat omsluit (het touw waarmee de bussel hout wordt bijeengebonden).

En in die laatste betekenis komt het dan ook nog eens voor in de door mij zo geliefde Reinaert. In het Comburgse handschrift komt de hierboven afgebeelde passage voor. Letterlijk staat er:

Doe Reynaert heesschede zijn deele
Andwoerdi hem in scerne :
‘Hu deel willic hu gheven gherne,
Reynaert, scone jonghelinc!
Die wisse daer die bake an hinc,
Becnause, so es so vet.’

Oftewel, in de hertaling door Walter Verniers uit 2002 (zie de site van het Reynaertgenootschap):

… Toen hij wilde weten
waar zijn aandeel in de buit
was, lachte jij hem vierkant uit:
‘Reynaert, mooie jongeling,
het touwtje waar het spek aan hing
is lekker vet! Hier! Zuig eraan!’

Reinaert de vos en Isegrim de wolf waren samen op strooptocht geweest om in een kelder een vette ham te verschalken. Isegrim ging ermee aan de haal, en toen Reinaert zijn deel opeiste, snauwde Isegrim hem toe dat hij maar aan de wisse moest knabbelen, die toch ook zo lekker vet was…  Een wisse was toen dus een van takken of stro gevlochten stuk touw waaraan je spekken en hammen in de kelder kon ophangen; nog steeds tref je wel bij rookworsten aan dat de uiteinden met een touwtje met elkaar zijn verbonden. Om op te hangen bij het roken? Alleen maar voor de Bühne, voor de show, voor de pura-pura?

Ik wil niet zo ver gaan dat ik ook kasteel Wissekerke, voorheen gem. Bazel, nu gem. Kruibeke, Oost-Vlaanderen, en gelegen aan de literair-toeristische Tibeertroute, in dit verhaal betrek, simpelweg omdat ik geen aanknopingspunt (sic!) heb om die naam met het touw in verband te brengen. Maar kasteel Wissekerke was wel de romantische plek waar ik op Pinkstermaandag 2001 een hofdag bijwoonde van de Orde van de Vossenstaart.

Zo heb ik dan toch maar weer van alles uit mijn activiteitenarsenaal bij elkaar weten te binden.