Door het oog van de naald

Het was meer list dan baraet waarmee het ons is gelukt mijn Reinaertlezing van 11 maart in de bibliotheek van Boxmeer doorgang te hebben kunnen laten vinden. Immers, alle activiteiten daar waren die ochtend nog voor onbepaalde tijd opgeschort of geannuleerd, maar door vakkundig gesoebat van de betrokken organisatie maakte de bieb voor deze keer nog eenmaal een uitzondering. Niet meer dan 20 mensen en een meter uit elkaar en daarvoor en daarna maar goed handen wassen (en zeker niet schudden).
Bijkomend voordeel was dat ik mijn verhaal niet hoefde af te raffelen, want de geplande erop volgende activiteit was geschrapt. Dus kon ik wat meer details melden en was er voldoende tijd voor vragen en antwoorden na afloop.

Zoals ik een week daarvoor HIER al had aangekondigd spitste ik het verhaal toe op twee vragen: wanneer en om welke reden werd de Vlaamse Van den vos Reynaerde eigenlijk geschreven, en de vraag hoe het mogelijk is dat dit dierenepos nu al zeker 750 jaar binnen en buiten Vlaanderen en Nederland populair blijft en steeds weer wordt aangepast aan de gevoelens en behoeften van de tijd en het publiek.

Wij weten niet van de hoed en de rand als het gaat over de omstandigheden waaronder Willem zijn Reinaert schreef (ik schrijf zelf steeds Reinaert; anderen prefereren Reynaert of Reynaerde; maakt niet uit). We weten wel dat hij putte uit de 12e-eeuwse Franse Roman de Renart, een compilatie van op zich staande branches, verhalen, die op hun beurt weer bewerkingen zijn van nog veel oudere dierverhalen en fabels. In die zin kun je het vergelijken met de Arabische Vertellingen van 1001-nacht. Dat Willem die Franse bron hanteerde, blijkt overduidelijk uit de inhoud met passages en motieven die ook in de Franse voorloper staan, maar ook uit het feit dat al in regel 8 van zowel het Comburgse als het Dyksche handschrift klip en klaar staat dat deze Dietsche tekst uit de Walsche (=Franse) bron afkomstig is.

Het grote verschil is, dat ‘onze’ Reinaert vele malen scherper, cynischer, satirischer is dan eerdere vossenverhalen, waaruit ik afleid dat er iets moet hebben gespeeld waarmee de tekst de draak steekt, de vloer aanveegt, geëngageerd is. Maar wat en wie precies op de hak wordt genomen blijft vooralsnog een raadsel.

Hebben we het over de tweede vraag dan valt er een en ander in het oog.
Wat Van den vos Reynaerde met Multatuli’s Max Havelaar gemeen heeft, is niet alleen dat deze twee werken tot de absolute top van de Nederlandse literatuur behoren, maar ook dat het juist deze twee zijn, en geen andere voor zover ik weet, die een buitentekstuele uitzaai hebben beleefd. Aan de Max Havelaar hebben wij de Max-Havelaarkoffie overgehouden, welk keurmerk later nog is uitgebreid met de toevoeging FairTrade, waardoor je nu bijvoorbeeld in Nederland Max Havelaar kinderbananen kunt kopen, en ik onlangs in Langres bij de fruitafdeling Max Havelaar bananen zag liggen uit Ivoorkust.

Rond de Reinaert is de buitentekstuele doorwerking nog veelzijdiger: toeristische routes, Reynaertbier, Reynaertgebak en -bonbons (waarvan ik er een stel daags tevoren in Sint-Niklaas was gaan ophalen), standbeelden, glas-in-loodramen, grafische kunst, banken, bomen, horecagelegenheden, winkelcentra, campings, alles met verwijzingen naar het overbekende verhaal, vooral in het Waasland, zeg maar binnen de driehoek Gent-Hulst-Antwerpen.

Blijven we binnen de tekst, dan wil ik de vergelijking maken met een zevensnarige viool of gitaar. Daarop kun je ontelbare en zeer verschillende composities ten gehore brengen door de ‘melodie’, het accent te leggen op een of meer van de andere snaren, of door een of meer snaren juist NIET te bespelen. Zo zal een Roomsch-Katholieke Reinaertbewerking minder antiklerikaal zijn en al helemaal minder erotisch, wat natuurlijk ook speelt in bewerkingen voor kinderen.

De bovenste, rode snaar is de verhaallijn. Die moet altijd aanwezig zijn, in welke bewerking dan ook. Een soort basso continuo, maar dan anders. Van de overige snaren geldt: bespeel precies die snaren waarmee je het publiek het beste kunt bespelen, want ieder tijdperk en ieder publiek krijgt de Reinaert die het verdient; ik kan het niet vaak genoeg zeggen.

In mijn 11-maartlezing maakte ik dat in extremis duidelijk door na de pauze de uitzonderlijke, maar technisch voortreffelijke kleurenanimatiefilm Van den Vos Reynaerde uit 1943 te berde te brengen naar het gelijknamige boek van Robert van Genechten uit 1941 met zijn antisemitische inslag, gepersonifieerd door Jodocus het neushoorndier, en daarna, per saldo niet minder grimmig, de Suske en Wiske De rebelse Reinaert uit 1998 met zijn ondertoon van de kwestie Marc Dutroux. Daarvoor moet je wel goed zijn ingevoerd in de Belgische ministeriële en justitiële perikelen eind jaren-’90, en moet je goed in de gaten hebben dat die strip verscheen nog voor het grote proces-Dutroux plaatsvond (2004), maar nadat hij voor eerdere vergrijpen gevangen had gezeten maar vervroegd was vrijgekomen (1992). Zo nauw luistert het dus bij de datering van een literair werk.

Wat beide Reinaertbewerkingen gemeen hebben, is dat het sterk geëngageerde werken zijn en dat Reinaert op de een of andere manier naar voren komt als de volksheld, de patriot die het gezag tart en schoon schip wil maken met (al dan niet vermeende) misstanden.

Een paar dagen geleden sprak ik hier in de buurt een hoofd der school (die nu dus ook een paar weken verplicht verlof heeft) die me vertelde nog nooit van de Roman de Renart te hebben gehoord. Hij was de eerste Fransman die ik dat hoorde zeggen. Soit.

Voor alle Nederlanders en Vlamingen geldt: laat je de kans niet ontnemen door de Reinaert tot je persoonlijke standaaruitrusting te maken, in welke bewerking dan ook. Boekbewerkingen zijn er genoeg, en als je toch gedwongen thuis zit, struin internet dan maar eens erover af.

 

Reinaertlezing 11 maart

Op woensdag 11 maart houd ik in de bibliotheek van Boxmeer een lezing over Van den vos Reynaerde. Iedereen weet van dat verhaal wel iets, maar niemand weet er alles van. De officiële aankondiging van Biblioplus staat hiernaast afgebeeld.
De verwijzing daarin naar een virusbesmetting dateert van voor de uitbraak van Covid19, en berust dus op louter toeval.

De ware oorzaak van mijn Reinaertvirus ligt uitsluitend in de bevlogen colleges die ik als tweedejaars student in Amsterdam volgde van Frank Lulofs, een van de prominentste Reinaert-onderzoekers. Nadien is mijn grote interesse voor dit literaire werk alleen maar toegenomen. Samen met de Max Havelaar beschouw ik het als het beste wat de Nederlandse literatuur ooit heeft voortgebracht, en dat, in het geval van de Reinaert, al ruim 750 jaar lang.

De kracht van de Reinaert zit hem niet alleen in de literaire kwaliteit, maar ook op het vlak van Middelnederlandse taalkunde, op sociaal, moreel, juridisch en religieus vlak opent hij de ogen. En dat geldt niet alleen voor de ‘oorspronkelijke’ tekst, die we nog niet eens bezitten, maar ook voor de vele honderden bewerkingen die ervan zijn verschenen in binnen- en buitenland tussen medio 13e eeuw en vandaag de dag. Daarin zien we steeds de waardering van de vos zich aanpassen aan de tijdgeest en de geografische en sociale omgeving, zoals Niels Schalley dat in 2018 omschreef: “Schalkse deugniet, charmante losbol, nationalistische volksheld en hypocriet liegebeest. Reinaert is het allemaal (geweest)”. Kortom:

Ieder tijdsgewricht en ieder publiek krijgt de Reinaert die het verdient.

Ik passeer in die lezing met nadruk ook de NSB-animatiefilm uit 1943 en de Suske-en-Wiske strip De rebelse Reinaert (Dutroux!) om wat uitersten in de Reinaertevolutie van de afgelopen eeuw te demonstreren. En om de invloed van de Reinaert buiten de literatuur om te accentueren heb ik het ook nog over het onvolprezen Reinaertbier en kunnen deelnemers zich tegoed doen aan de befaamde Reynaertbonbons.

Bezoekers van de lezing krijgen vooraf de volgende achtergrondinformatie uitgereikt:

Vooraf aanmelden is prettig vanwege de benodigde voorbereidingen, maar niet strikt noodzakelijk. Als het niet te hard regent, ligt de bibliotheek op loopafstand van NS-station Boxmeer. Welkom dus en komt dat horen.

We hebben (het) ermee te doen

In het Comburgse handschrift van Van den vos Reynaerde, waarvan de tekst online HIER is te raadplegen, lezen we in regel 57-60 de volgende opmerkelijke mededeling:

Doe al dat hof versamet was,
Was daer niemen, sonder die das,
Hine hadde te claghene over Reynaerde,
Den fellen metten grijsen baerde.

(“Toen heel het hof verzameld was,
was daar niemand buiten de das,
of hij had te klagen over Reinaert,
de felle met de grijze baard.”)

We hebben ermee te doen. Niet met Reinaert, want die kletst zich er wel uit, maar met de zinsconstructie hebben te + infinitief + -e.

Een vergelijkbare constructie vinden we in regel 112-113:

So en es hier jonc no hout,
Hine hebbe te wroughene jeghen hu.

(“Hier is niemand, jong of oud,
die zich niet bij u te beklagen heeft.“)

Realiseer je om te beginnen het wezenlijke betekenisverschil tussen (1a) en (1b):

(1a) We hebben ermee te doen.
(1b) We hebben het ermee te doen.

In (1a) overheerst het medelijden, de empathie, de lotsverbondenheid, en betreft het een negatieve gebeurtenis of toestand rond een niet nader genoemde persoon of situatie.
In (1b) daarentegen overheerst de berusting, het genoegen nemen met minder dan gehoopt. Dat is niet hetzelfde.

Het opmerkelijke aan de bovenvermelde citaten uit de Reinaert is niet zozeer dat men had te klagen over Reinaert, maar dat er staat hadde te claghene resp. hebbe te wroughene. Dat is de derde naamval van de hele werkwoord claghen en wroughen. Maar werkwoorden kennen geen naamvallen, en dus volg ik de meeste grammatica’s en concludeer dat in deze constructie klagen een zelfstandig naamwoord is geworden. Werkwoorden doen dat wel vaker, bijvoorbeeld “Het eten van vlees wordt ontmoedigd“. En aangezien deze overgang van werkwoord naar zelfstandig naamwoord al vele eeuwen lang voorkomt, kan het zijn dat er dan tot ±1400 ook nog eens een zichtbare 2e of 3e naamvalsuitgang aan wordt toegevoegd, te weten de genitiefuitgang -s (stervens koud, tot bloedens toe), of een datiefuitgang -e, zoals in de onderhavige citaten. En die gevallen staan niet alleen. Kijken we in hetzelfde handschrift naar regel 1678-1687 dan lezen we wat Grimbeert de das besluit te doen na de biecht van zijn neef Reinaert:

Daer na, in gherechten raden,
Riet hi hem goet te wesene
Ende te wakene ende te lesene
Ende te vastene ende te vierne
Ende te weghe waert te stierne
Alle die hi buten weghe saghe,
Ende hi voert alle sine daghe
Behendelike soude gheneeren.
Hier na so dedi hem verzweeren
Beede roven ende stelen.

Ik volg even de fraaie hedendaagse bewerking van Karel  Eykman:

om hem daarna aan te raden
voortaan een goed leven te leiden,
zich aan nachtwake en bidden te wijden,
de feestdagen te vieren en te vasten
en het rechte pad te wijzen aan gasten
die hij af zou zien dwalen
opdat zij geen streken meer uit zouden halen
en een leven gaan leiden vol fatsoen.
Hierna moest hij een eed doen
om nooit meer te stelen en te roven.

In de Middelnederlandse tekst hebben we in kort bestek te maken met zes maal de datiefvorm van een gesubstantiveerde infinitief, maar opvallend genoeg ook met tweemaal de ‘gewone’ vorm, roven en stelen, zonder naamvalsuitgang. Terzijde: in het Dyckse handschrift, r.1668-1677, dat HIER online is te raadplegen, staan al deze infinitieven genoteerd zonder de datiefuitgang -e.

In de Eykmanversie wijs ik op de derde regel, waar nachtwake en bidden nevenschikkend zijn verbonden en beide dus kunnen worden gezien als zelfstandige naamwoorden. Verder vallen er de vele infinitieven op waaraan te voorafgaat, ook stelen en roven ditmaal.

Vaak wijst het gebruik van de gerundiumconstructie in het Nederlands op een (voorgenomen) doel; vergelijk dat met de twee betekenissen van het Engelse to, het Franse à en het Duitse zu. Die doel-betekenis, ofwel finale betekenis, wordt duidelijk en aannemelijk als we in het Eykmancitaat hierboven het doel-aanduidende om inlassen:

om hem daarna aan te raden
om voortaan een goed leven te leiden,
om zich aan nachtwake en bidden te wijden,
om de feestdagen te vieren en te vasten
en om het rechte pad te wijzen aan gasten
die hij af zou zien dwalen
opdat zij geen streken meer uit zouden halen
en een leven gaan leiden vol fatsoen.
Hierna moest hij een eed doen
om nooit meer te stelen en te roven.

Maar het lukt niet altijd om de bedoelde constructies te parafraseren met om, zeker niet in de constructie hebben+te+infinitief als aan het begin van dit artikel. Daar speelt veeleer een andere betekenislaag: die van de modaliteitlijn. Op die lijn kun je een bewering plaatsen uiteenlopend van “onwaarschijnlijk/ongewenst” naar “zeer waarschijnlijk/gewenst“. De meest gebruikelijke manier in het Nederlands is dan ook het gebruik maken van een van de modale hulpwerkwoorden: kunnen, zullen, willen, mogen, moeten en laten en enkele varianten. De verschillen zijn vaak heel subtiel; vergelijk:

(2a) Kan ik het raam even dichtdoen?
(2b) Zal ik het raam even dichtdoen?
(2c) Wil ik het raam even dichtdoen?
(2d) Mag ik het raam even dichtdoen?
(2e) Moet ik het raam even dichtdoen?
(2f) Laat ik het raam even dichtdoen. (impliciete vraag of de ander dat toelaat)

Het voornemen (“raam dichtdoen“) wordt door de keuze van het modale hulpwerkwoord op de modaliteitlijn meer naar links of rechts geplaatst, afhankelijk van de wens van de gesprekspartner.

Zo is het ook bij de constructie “hebben+te+infinitief”, waar steeds een modaliteitfactor een rol speelt. Merk daarbij op dat in sommige gevallen (maar niet alle!) er een toekomende tijd mogelijk is; daarbij gebruiken we krijgen in plaats van hebben. Dat is zelfs mogelijk in de verleden tijd: We hadden/kregen gisteren zes mensen te eten. De verklaring volgt uit de plaatsing van het moment van de bewering en dat van het beweerde op de tijdlijn: de spreker verwijst terug in de tijd naar een moment waarop ofwel het eten plaatsvond (hadden) en de zes mensen al aanwezig/aan tafel waren, ofwel naar een moment vóór het eten waarop vaststond dat er zes mensen zouden komen eten, maar ze nog niet aanwezig waren, althans niet al aan tafel zaten (kregen). Beetje ingewikkeld, maar niettemin correct en verklaarbaar.

(3a) Je hebt maar te gehoorzamen
(3b) Ze hadden het zwaar te verduren
(3c) De schaatser had nog 100 meter af te leggen
(3d) De meesten hadden nog heel wat sommetjes te maken
(3e) Gij hebt niets te vrezen
(3f) Veel had zij niet te verwachten
(3g) De directie had weinig nieuws te melden
(3h) Ik heb er niets op aan te merken
(3i) Ik heb wel wat anders te doen
(3j) In feite hebben we in de politiek niks te vertellen/zeggen
(3k) We hadden gisteren zes mensen te eten
(3l) We hebben te maken met klimaatverandering
(3m) We hebben veel met hen te doen
(3n) Ze hadden weinig te besteden/te makken/te eten
(3o) Ze hebben er veel mee te stellen

Allereerst: er zit weinig modaals in de gevallen We hebben te doen met klimaatverandering en We hebben te maken met klimaatverandering. Ik verklaar dat vanuit het gegeven dat maken en doen twee Nederlandse werkwoorden zijn waarvoor het Frans (faire), Italiaans (fare) en Latijn (facere) in principe één werkwoord gebruiken.

Verder valt in de reeks voorbeeldzinnen (3) op dat er enkele zijn waarbij er een vastevoorzetselverbinding in het spel is, zoals: te maken hebben met, te doen hebben met, te stellen hebben met, aan te merken hebben op. Ook in deze gevallen lijkt er nauwelijks van een modale betekenis of ondertoon sprake te zijn.

Wat we wel kunnen constateren:

  • In de zinnen (3a) t/m (3d) heeft hebben de modale betekenis van “(verplicht of onontkoombaar) moeten“. In (3e) en (3f) de ontkenning van moeten: hoeven.
  • In de zinnen (3g) en (3h) overheerst de modale betekenis van kunnen (=in staat zijn, de mogelijkheid hebben) of willen/wensen.
  • De modale betekenis willen overheerst in (3i)
  • De modale betekenis mogen overheerst in (3j)
  • In de zinnen (3k) t/m (3o) is er geen in het oog springende modale betekenis aanwezig, en is dus een parafrase met een van de genoemde modale hulpwerkwoorden niet goed mogelijk.
  • Als hebben de betekenis “bezitten” heeft, zoals in (3n) is er geen modaliteit aanwezig. Datzelfde zou kunnen gelden voor (3g), als de directie inderdaad geen informatie beschikbaar had. Meestal is het echter een kwestie van informatie bewust achterhouden, waarmee willen op de voorgrond treedt.
  • Het aantal gevallen waarin om kan worden toegevoegd is beperkt: alleen in (3c), (3d), (3n) en eventueel (3g) in de lezing dat er echt geen informatie voorhanden was. De toevoegbaarheid van om wijst in de richting van een doel-aanduiding, zoals hierboven al is aangestipt, waarmee ook een ander soort beknopte bijzin ontstaat. In mijn optiek is er een ontleedverschil tussen (3n1) en (3n2):

(3n1) Ze hadden weinig te eten
(3n2) Ze hadden weinig om te eten.

Mijn argument daarbij is dat er in (3n1) sprake is van de constructie hebben+te+infinitief, maar in (3n2) staat een zelfstandig werkwoord hebben (=bezitten) gevolgd door een beknopte bijzin om te+infinitief. In beide gevallen blijft de vraag of eten daarbij moet worden opgevat als een onverbogen werkwoordsvorm, of als een gesubstantiveerd werkwoord, dus een zelfstandig naamwoord, dat ooit, in vervlogen tijden, een datiefuitgang -e kon krijgen.

Uit dit artikel valt op te maken dat de laatste mogelijkheid het waarschijnlijkst is

Daar hebben we het dan maar mee te doen.

________________________

Dit bericht is een beknopte samenvatting van een uitgebreider artikel dat elders zal worden gepubliceerd.

Sint en Piet en Reinaert en Tiecelijn

Zoals in het vorige artikel reeds aangekondigd vond op zondag 4 december in Sint-Niklaas de presentatie plaats van het Jaarboek Tiecelijn 2016, een jaarlijks terugkerend evenement, de laatste tijd in de theaterzaal van het Stadsmuseum STEM. Het past in de rijke Reinaerttraditie in het Waasland, vooral in Sint-Niklaas, maar zeker ook elders in Oost-Vlaanderen.

 

Het betrof het 9e Jaarboek; in 2008 besloot de redactie het al 20 jaargangen lopende driemaandelijks tijdschrift Tiecelijn voortaan in de vorm van een Jaarboek uit te brengen – minder werk, minder kosten. De presentatie ervan bestaat uit een of meer voordrachten in een stemmig aangeklede theaterzaal waar tussen de 100 en 200 medewerkers en belangstellende Reinaerdofielen een uur of meer worden geamuseerd met nuttige, diepgaande, schalkse en culturele optredens. Voor de aanwezige steunende leden ligt na afloop het Jaarboek klaar (enorme besparing portokosten; het jongste nummer weegt 1.135 gram en veel leden wonen ook nog eens buiten België), samen met een toepasselijk geschenk, zoals in 2007 een genummerd exemplaar van de houtsnede van Wim de Cock die ook de frontillustratie van jaargang 20 sierde. Zie hiernaast.
Inmiddels is de verzameling artikelen die door de jaren heen in Tiecelijn op bijna 8.000 pagina’s zijn gepubliceerd een niet te passeren bron van kennis en informatie voor iedereen die zich met de Reinaertstudie bezighoudt.

In 2013 memoreerde ik hier in een artikel al dat er rond de Reinaert een heel commercieel en toeristisch circuit is ontstaan. Ik noemde en roemde daar onder meer Reynaertgebak, Reynaertbonbons en Reynaertbier (ik blijf hardnekkig Reinaert met een i schrijven; anderen houden het op Reynaert met een y. Geef spellingvrijheid een kans).
Maar in feite is de hele streek ruim rondom Sint-Niklaas vergeven van de verwijzingen naar Reinaert en andere personages uit het werk. Het blijft ontegenzeggelijk levende materie, en nog eens vol verrassingen ook.
In een van de kroegen aan de Grote Markt, met trots melden de bewoners dat het qua oppervlak het grootste marktplein van België is, kreeg ik geheel onverwacht een fles Ysengrin geserveerd (net als Reynaert Grand Cru 9,5 %) met een glas van Domein Reynaert. Flesje + glas te bekomen aan €10; voor niets gaat de zon op.
Onze Reinaerttekst meldt niet voor niets dat Reinaert en Isegrim familie van elkaar zouden zijn geweest. Wie betaalt daarvoor de prijs?

Ik zie daarentegen geen verband tussen Sinterklaas en Reinaert, behalve dat beide zich overduidelijk manifesteren in Sint-Niklaas: Voor het oude gemeentehuis op de Grote Markt prijkt een groot beeld van de goedheiligman,

 

 

 

 

en aan het einde van de grote middengang van datzelfde gemeentehuis treffen we een aantal glas-in-loodramen aan met Reinaertmotieven.

 

 

 

Met de rug naar het gemeentehuis zie je links voor je de Reinaert Galerij, een niet overdadig groot winkelcentrum, terwijl op deze 4e december de ene Sint na de andere het marktplein oversteekt. En alle Pieten zijn zo zwart als Tiecelijn, een van Wodans luisterraven en boodschappers.

 

 

 

 

Op zoek naar Reynaertgebak en Reynaertbonbons, die nog maar bij vier meester-banketbakkers in Sint-Niklaas verkrijgbaar zijn, passeerde ik de befaamde chocolaterie Wauters, waar alleen maar eetbare Sinterklaasmemorabilia werden aangeboden. Een volgend pleidooi voor absolute spellingvrijheid.


Sint-Niklaas verenigt twee grote personages die met elkaar hoegenaamd niets te maken hebben, behalve dat Reinaert er meesterlijk-listig in slaagt anderen de zwarte piet toe te spelen.

 

Een WISSE ?

Alles hangt met alles samen.
Onze bezigheden met de houtkap in het bos brachten mij op het woord wisse, synoniem met stère en kuub. Maar dat woord past perfect in het rijtje woorden dat ik eerder al publiceerde onder de titel contenu en contenant: een wisse is namelijk tegelijk datgene wat wordt omsloten (stapel brandhout van een kubieke meter) als ook datgene wat omsluit (het touw waarmee de bussel hout wordt bijeengebonden).

En in die laatste betekenis komt het dan ook nog eens voor in de door mij zo geliefde Reinaert. In het Comburgse handschrift komt de hierboven afgebeelde passage voor. Letterlijk staat er:

Doe Reynaert heesschede zijn deele
Andwoerdi hem in scerne :
‘Hu deel willic hu gheven gherne,
Reynaert, scone jonghelinc!
Die wisse daer die bake an hinc,
Becnause, so es so vet.’

Oftewel, in de hertaling door Walter Verniers uit 2002 (zie de site van het Reynaertgenootschap):

… Toen hij wilde weten
waar zijn aandeel in de buit
was, lachte jij hem vierkant uit:
‘Reynaert, mooie jongeling,
het touwtje waar het spek aan hing
is lekker vet! Hier! Zuig eraan!’

Reinaert de vos en Isegrim de wolf waren samen op strooptocht geweest om in een kelder een vette ham te verschalken. Isegrim ging ermee aan de haal, en toen Reinaert zijn deel opeiste, snauwde Isegrim hem toe dat hij maar aan de wisse moest knabbelen, die toch ook zo lekker vet was…  Een wisse was toen dus een van takken of stro gevlochten stuk touw waaraan je spekken en hammen in de kelder kon ophangen; nog steeds tref je wel bij rookworsten aan dat de uiteinden met een touwtje met elkaar zijn verbonden. Om op te hangen bij het roken? Alleen maar voor de Bühne, voor de show, voor de pura-pura?

Ik wil niet zo ver gaan dat ik ook kasteel Wissekerke, voorheen gem. Bazel, nu gem. Kruibeke, Oost-Vlaanderen, en gelegen aan de literair-toeristische Tibeertroute, in dit verhaal betrek, simpelweg omdat ik geen aanknopingspunt (sic!) heb om die naam met het touw in verband te brengen. Maar kasteel Wissekerke was wel de romantische plek waar ik op Pinkstermaandag 2001 een hofdag bijwoonde van de Orde van de Vossenstaart.

Zo heb ik dan toch maar weer van alles uit mijn activiteitenarsenaal bij elkaar weten te binden.

 

 

In ieder mens schuilt wel een Reinaert

Het verhaal van Reinaert de Vos (ook wel: Van den vos Reynaerde) is misschien niet het oudste dierenverhaal uit de Nederlandse letterkunde, maar wel het bekendste en het blijft nu al ruim zeven eeuwen populair. Hoe kan dit verhaal uit de 13e eeuw zijn uitgegroeid tot de topstukken van onze literatuur, in kwaliteit vergelijkbaar met Multatuli’s Max Havelaar? Daarvoor zijn veel argumenten te noemen, want Reinaert is meer dan zo maar een verhaal over dieren, rechtspraak, seks en kerkelijk gezag.

Vorm
Allereerst komt dat door de vorm: zowel kinderen als volwassenen houden van dieren en van verhalen, en dus ook van dierenverhalen. Dat is van alle tijden en van alle volken. Het bijzondere in de Reinaert is daarbij nog enerzijds dat achter alle optredende dieren mensen schuil gaan met hun ge- en misdragingen, streken en listen, maar anderzijds dat de dieren toch ook steeds gewoon dier blijven met al hun (on-)hebbelijkheden. Dat Reinaert door de tijden heen is gezien als schurk, moordenaar, bedrieger, en als schelm, listig, anderen betrappend op hun zwakheden, is waar. Maar bedenk daarbij wel dat veel van wat Reinaert als “mens” doet, zoals moorden en bedriegen, wettelijk strafbare feiten oplevert, maar dat het precies die gedragingen zijn die we van hem als dier natuurlijk en vanzelfsprekend vinden.

Tijdgeest
Iedere tijd creëert zijn eigen Reinaert. In de late middeleeuwen was dat de slimmerik die in staat bleek het wereldlijk en geestelijk gezag te tarten, op zijn nummer te zetten, erover te triomferen. Dat vonden de gewone burgers wel leuk: zien dat de hoogwaardigheidsbekleders fouten maken en onderuit gaan. Later werd Reinaert weer meer gezien als de schurk die model stond voor de slechte gedragingen van burgers. Rond de Tweede Wereldoorlog was er zelfs een fascistische Reinaertversie waarin hij als tegenspeler een lelijke neushoorn Jodocus had die een jodenster droeg. En tegenwoordig is Reinaert weer meer de slimme jongen die zich omhoog weet te werken over de ruggen van wie boven hem staan.

Seks
Ook van alle tijden is het genoegen om te horen of te lezen over seksschandaaltjes. Dat is nu niet anders dan vele eeuwen geleden. Ook al mag het niet, we vinden het wel boeiend dat Reinaert een verhouding heeft met de vrouw van de wolf (en, naar later blijkt, al zeven jaar lang!), dat hij Cuwaert de haas (Coward; lafaard) “kapelaan maakt”, wat destijds betekende: homoseksueel bevredigde van achteren. En als het deftige hondje klaagt dat Reinaert aan zijn worst heeft gezeten, dan weet de goede lezer al genoeg.
Dat de pastoor in de beruchte scène met Tibeert de kater helemaal bloot uit bed kwam (en een vrouw en zoon had, wat eigenlijk niet mocht, maar het gebeurde gewoon toch), haalt hem al behoorlijk van zijn voetstuk. Maar als Tibeert in doodsangst hem dan ook nog eens naar zijn klokkenspel springt en er een klepel afbijt, is dat voor de toehoorders geweldig: zo zet je het ontuchtig geestelijk gezag eventjes op zijn nummer! Tekenend voor de tijdgeest is de manier waarop Reinaertedities in de loop der eeuwen met deze scène zijn omgesprongen. Dat varieert van helemaal weglaten (de gekuiste versie dus), tot de melding dat Tibeert naar de neus van de pastoor sprong (de verminkte versie dus), tot de recht-voor-zijn-raapvariant waarin je dus alles open en bloot te lezen en liefst ook nog te zien krijgt (de jaren’70-versie dus).

Recht
De originele Vlaamse Reinaerttekst vertelt ons heel veel over het recht in Vlaanderen eind 13e eeuw. Zo moet Reinaert worden gedaagd voor het hof, want bij verstek kon je iemand niet veroordelen, omdat er hoor en wederhoor moest plaatsvinden. Nu kan dat wel. Er moesten maximaal drie dagvaardingen plaatsvinden (driemaal is niet alleen scheepsrecht, maar ook oud Vlaams recht) en als de gedaagde dan nog niet verscheen, kon hij wegens verstek worden veroordeeld, dus puur omdat hij niet was komen opdagen. Dat kan tegenwoordig niet. Als Reinaert niet zou verschijnen, zou niet alleen hij vogelvrij zijn, maar ook zijn familie en zou zijn huis worden afgebroken. Daarin kun je het tegenwoordige optreden van het Israëlische leger in de Palestijnse gebieden herkennen, maar binnen ons West-Europese recht is het ondenkbaar.

Geografie
Er worden in de Reinaert veel plaatsnamen genoemd. De meeste kunnen we nog steeds op de kaart terugvinden, vooral binnen de driehoek Antwerpen-Hulst-Gent, maar ook daarbuiten (Londen, Ardennen,…). Destijds gaf dat een verhaal een hoger waarheidsgehalte; tegenwoordig vinden we eerder dat die herkenning het verhaal leesbaarder maakt, althans meer iets van hier en nu, en niet iets van een sprookje ergens ver weg.
Het voornaamste kasteel van Reinaert heet Malpertuus. Die naam komen we in Vlaanderen niet tegen, maar in heel Frankrijk meer dan 180 keer. Daar duidt het steeds op een plek die vroeger moeilijk doordringbaar was, zoals Reinaerts kasteel een onneembare vesting heet te zijn. De naam Malpertuus in “ons” verhaal is overgenomen uit de oudere Franse Roman de Renart, waar Malpertuis voor iedereen duidelijk verwees naar de vele plekken in Frankrijk die ook zo heetten. Op het kaartje hiernaast zie je de Franse departementen met daarbij alle voorkomende varianten van de plaatsnaam “Maupertuis”.
Een uitgebreid artikel daarover heb ik in 2007 gepubliceerd in het tijdschrift Tiecelijn (jg.20); het is integraal te raadplegen op de website van DBNL.

Symboliek
De Reinaert staan bol van de symbolen en van magie. Veel daarvan herkennen wij nu niet meer, maar oorspronkelijk moet het de mensen heel veel hebben gezegd. Of het nu gaat om de steeds terugkerende getallen 3 en 40, of over naammagie of boommagie, de voorbeelden zijn talrijk. Daarbij speelt ook de middeleeuwse spanning tussen (christelijk) geloof en (heidens) bijgeloof een rol. Wie zich daarin verdiept, kan ook vandaag de dag daarvan nog wel wat voorbeelden vinden. Zo is kerstmis van oorsprong een heidens (midwinter)feest, zijn de zwarte pieten van Sinterklaas eigenlijk de zwarte raven van Wodan die als sociale controleurs de mensen via de schoorsteen bespiedden en afluisterden om dat dan aan de baas te gaan vertellen.

Taal
We hebben aan de Reinaert tal van uitdrukkingen overgehouden:

  • het haasje zijn (Cuwaert!)
  • als de vos de passie preekt, boer pas op je kippen
  • een vos verliest wel zijn haren, maar niet zijn streken
  • een kat in het nauw maakt rare sprongen (Tibeert!)
  • tot over de oren in … zitten (Bruun!)

En nog wel meer bekende of minder bekende zegswijzen. Los daarvan kunnen we uit de oude Vlaamse tekst veel leren over de taal van die tijd in Vlaanderen, en door de tekst te vergelijken met oudere en nieuwere teksten, over de taalontwikkeling in de late middeleeuwen.

Commercie
Er zijn niet veel literaire werken die erin zijn geslaagd een commerciële beweging in gang te zetten. Multatuli kon het: we hebben nu onze Max-Havelaarkoffie. Rond de Reinaert is er een heel commercieel circuit ontstaan. Dat begon vlak voor de Tweede Wereldoorlog met een Reinaertstandbeeld in Hulst en dat heeft zich later in een ruim gebied daaromheen verspreid. Wie in het Land van Waes (het gebied tussen Hulst, Antwerpen en Gent) rondtoert, ontkomt er niet aan: de talloze Reinaertafbeeldingen en -verwijzingen; twee ANWB-Reinaertroutes, zelfs Reinaertbier en Reinaertgebak zijn bij speciaalzaken verkrijgbaar.

Brasserie ’t Vosken in Gent (sinds 1908)

Veel gelegenheden (winkelcentra, horecagelegenheden e.d.) zijn naar Reinaert vernoemd. En er bestaat in de serie Suske en Wiske een aflevering De rebelse Reinaert, die ongenadig de actuele Belgische politiek aan de kaak stelt!

Al deze toeristische en commerciële verwijzingen naar Reinaert, maar ook het feit dat het verhaal ook in onze tijd nog veel als toneelstuk wordt opgevoerd en dat er tentoonstellingen aan Reinaert worden gewijd vormen het bewijs dat Van den vos Reynaerde nog steeds behoorlijk populair is. Misschien ook wel omdat veel mensen in zichzelf graag een Reinaert zien zitten.

Veel meer informatie over de Reinaert bieden de site van het Reynaertgenootschap en de culturele/toeristische site van het Land van Reinaert.

 

Homo homini vulpes *)

Op gezette tijden vallen er zuinig afgeknipte stukjes papier bij ons in Nederland in de brievenbus die aandacht vragen voor “leuke bijverdiensten”, “het naderende buurtfeest”, of een ander triest, onbetrouwbaar of folkloristisch verschijnsel.
Als taalkundige blijf ik toch het meest gecharmeerd van dit bericht van een paar jaar geleden:

Op 20-3 komen wij de glazewassers
Bij uw langs
heb uw intressen, plak dan a.u.b.
dit briefje duiddelijk op uw raam,
of deur, kosten hiervan in overleg
De Glazewassers

Omdat deze wervende tekst mij onvoldoende garantie bood voor de kwaliteit van de te leveren dienst, ben ik op het verzoek niet verder ingegaan.

Als Reinaerdofiel echter werd ik onlangs diep geraakt door het drama dat op het volgende vlugschrift stond te lezen:

Beste bewoner(s),
Help, wij zijn onze witte dove kater kwijt!
Hij is ontsnapt op donderdagavond 14 juni 2007 (normaal doen we hem aan een lijntje in de tuin omdat hij doof is, maar hij is wel eens eerder ontsnapt en gewoon teruggekomen).
Hij had een rood tuigje om, hij is gecastreerd en 4 jaar oud. Wij, maar vooral onze dochter kan echt niet zonder hem en we missen hem heel erg, dus als u ook maar de geringste aanwijzing of vermoeden hebt waar hij op of vlak na die datum was, of waar hij nu kan zijn, laat het ons alstublieft weten! Hij miauwt vaak, dus daar moet hij makkelijk aan te herkennen zijn, en hij kan uit zichzelf niet ver zijn weggelopen, omdat hij dat niet gewend was. Omdat dit al onze derde verdwenen kat binnen 6 jaar is, ga ik door tot ik weet wat er met onze prachtige lieve Witje is gebeurd; asiels en dierenartsen hebben niks gevonden. Help ons alstublieft, voor tips kunt u mij desnoods anoniem bellen (…). Alvast bedankt!

Ik zie het al helemaal voor me. Witje heeft, deerlijk en op merkwaardig hoge toon miauwend, met het touw nog om de nek en de oren zwaar gehavend door een steenworp, weten te ontsnappen uit de Tuin van Eden, de heer des huizes, tenminste mentaal al moedernaect, in vertwijfeling achterlatend, tot woede en wanhoop van de ontroostbare dochter die zich, met een bang voorgevoel gewekt door het onheilspellend laweit in de tuin, slechts in haar naveltruitje met spaghettibandjes gekleed naar beneden spoedde en ook niets meer kon waarnemen dan een gat in de buxushaag, niet groot, maar voor een kat in het nauw licht groot genoeg, waardoorheen het dier zich, spijt al zijn auditieve beperkingen, een vrijheid dacht tegemoet te snellen die ongetwijfeld beklemmender, zo niet levensbedreigender zou blijken te wezen dan de huisdierdetentie waaraan het al vier jaren was onderworpen. Maar dat kon Witje niet weten, net zomin als Bruintje en Grijsje die hem op vergelijkbare wijze en op ongetwijfeld identieke gronden in de afgelopen 6 jaren waren voorgegaan.

Vanuit zijn zoldervelux sloeg Reinhart het schouwspel in de tuin van de buren gade. Afwisselend liet hij zijn blikken rusten op de radeloos rondbenende heer Depape die vanuit een soort plaatsvervangend schuldbewustzijn tegen beter weten in, doch niettemin de valse hoop koesterend dat het dier wellicht toch begiftigd was met Oost-Indische oren, poogde met zoetgevooisde roepjes de dovemanskater te laten herintreden, dan weer op de door het maanlicht voluptueus beschenen wulpse vormen van dochter Yulok, “welke vormen zij met zorg meer omhulde dan verborg”, zoals Drs.P dat in zijn lied Oud velhaal zo treffend weet te formuleren.

Hij had de schurft aan katten en kattengejank. Weliswaar had hij de steen niet geworpen, eerder met een boogje laten vallen, maar die nu al weken durende heropvoering van nocturnes door een kat met gecastreerde oren in de tuin van de buren kostte hem echt te veel van zijn concentratie op waar hij zo graag mee bezig wilde zijn op zijn zolderkamer.

Homo homini vulpes. Morgen zou hij, nog intens nagenietend van zijn succes en de eruit voortvloeiende consternatie, met genoegen Yulok opzoeken om zijn leeftijdgenote zijn diepe leedwezen met het geleden verlies te betuigen. Wie weet zat er nog wel meer in het vat voor hem. Hij legde zich weer op zijn bed, de handen tevreden onder het hoofd.

In ieder mens schuilt wel een Reinaert. Ook het houden van huisdieren is immers een kwestie van belang. En wanneer het om uiteenlopend belang gaat, dient list ende baraet. Er zijn mensen die er een cavia op na houden, populair bij scholieren om te dienen als ultieme smoes (“Meneer, ik heb mijn huiswerk niet kunnen maken, want mijn cavia is gisteren doodgegaan”). Velen kiezen, tot mijn afgrijzen, voor een hond (“U hoeft niet bang te zijn hoor; hij doet helemaal niets!”). Ik heb eens een student gekend die thuis een gedomesticeerd fret hield dat hij ’s nachts mee naar bed nam en aan zijn hoofdkussen vleide; het blijft behelpen. In Frankrijk is de puik werkende vossenklem nu bij wet verboden omdat het herhaaldelijk bleek voor te komen dat de honden van de jagers erin bekneld raakten, en dat is zielig en schadelijk tegelijk. De Spaanse douane, zo meldde het NOS-journaal kort geleden, weet zich geen raad met al die onderschepte berberaapjes uit Marokko die als speeltjes naar het luxe West-Europa worden gesmokkeld.

25 april 1954

Helaas heb ik het zelf de facto nooit verder geschopt dan een goudvis die ik ter gelegenheid van mijn Eerste Heilige Communie bij het ontbijt kreeg in een kleine, ronde kom waarin vanuit een soort milieubewustzijn-avant-la-lettre ook wat groene plantensliertjes dreven. Toen ik na een week of zo iets minder consciëntieus werd met het voederen, dobberde hij op een kwade dag met zijn bleke buikje naar boven doelloos aan het wateroppervlak. Dood, zei mijn moeder, en zij spoelde hem weg door de wc.

Misschien ga ik er nog wel eens op uit om een opgezette vos te bemachtigen. “Opzetten” heet in het Frans “naturaliser”, en sinds Rita Verdonk uit het Haagse Carnaval der Dieren is vertrokken, is die procedure aanmerkelijk versoepeld.
Vooralsnog overweeg ik binnenkort huis-aan-huis een noodkreet in zoveel mogelijk brievenbussen te stoppen met de volgende strekking:

Beste bewoner(s),
Help, wij hebben weer last van vossen!
Op Zaterdagavond 14 Juli 2007 verscheen er alweer eentje in onze tuin (normaal leggen we een heleboel uien langs de heg in de tuin omdat ze die nie blieven, maar komen ze er soms toch doorheen).
Nu heeft hij een van onze kuikentjens meegenomen, die was pas 4 weken oud. Wij, maar vooral onze dochter kan echt niet zonder haar knuffeltje en we missen het heel erg, dus als u ook maar de geringste aanwijzing of vermoeden hebt waar die vos op of vlak na die datum vandaan kwam, of waar hij nu kan zijn, laat het ons alstublieft weten! Hij maakt nauwelijks geluid, dus daar kan hij moeilijk aan te herkennen zijn, echter kan hij niet van ver weg komen, want hij komt iedere keer weer terug. Omdat dit al onze derde verdwenen kuikentje binnen 6 jaar is, ga ik door tot ik weet waar die vieze schadelijke vos thuishoort en van de politie hoor je ook niks als je ze nodig hebt. Help ons alstublieft, voor tips kunt u mij desnoods anoniem bellen (…). Alvast bedankt!

Rosoy-sur-Amance, juli 2007

_________________________
*) Homo homini vulpes (“De mens is de mens tot vos”) is een variant op de uitdrukking Homo homini lupus (“De mens is de mens tot wolf”; “Mensen zijn wolven voor elkaar”) van de Romeinse schrijver Plautus (± 200 v.Chr.) .