Corsica 5 van 8

Het was een dapper plan, dat we van tevoren hadden bedacht: vanuit Bigorno dwars het eiland oversteken om de Gorges (=kloof) de Spelunca en de Calanches (=grillige rotsformaties aan de kustlijn) de Piana te gaan bezoeken. De folders en reisgidsen hadden ons daarvoor lekker gemaakt. En met ons nog honderden anderen, helaas.
Niet doen, zei Alexandre. Je bent zeker drie uur onderweg en dan nog eens drie uur terug; ga dan liever de Scala di Santa Regina bekijken, dat is veel dichterbij en daar kom je toch langs. Ook onze buren hier zeiden: Wat een onderneming!

Uiteindelijk kozen we voor een CDA-oplossing: eerst maar eens kijken wat voor weer het werd, daarna op weg gaan en dan maar zien hoe ver we dachten te kunnen komen. Je kunt je van alles voornemen, maar gaandeweg de rit bepaal je het doel en de route. Dat heet dan de gulden middenweg. Alleen: er loopt maar één weg van oost naar west.
We hebben het gehaald, en zonder enige spijt. Laat de beelden verder spreken.

Even voor de geïnteresseerde weggebruikers: klik maar eens op bovenstaande kaart. Tot aan Francardo, over de T20/N193, is er hoegenaamd niets aan de hand. Maar dan ga je westwaarts naar de andere kust toe en begint het rijavontuur. Bijna uitsluitend bochtige, smalle weggetjes; rechts verticale rotswanden met vervaarlijk uitstekende rotspunten, links de steile afgrond de verre diepte in, zonder vangrail of zo, hooguit wat losliggende stenen als randversiering. Kies zelf maar. Het meeste rijd je in de 2e versnelling, af en toe even in z’n 3. Achter elke bocht loert een potentiële tegenligger die er eigenlijk niet langs kan. Maar zoals gezegd, Corsicanen rijden beschaafd, begripvol en behoedzaam. Om de 50 meter is er wel links of rechts een in- of uithammetje waar een van de twee even stopt om de ander te laten passeren. Kort met het groot licht knipperen of een hand opsteken om te bedanken en dan weer op naar het volgende dreigende gevaar.
Zoals alle ritten heb ik ook deze rit volledig met de dashcam opgenomen, alleen al deze dag tweemaal vijf uur lang. Als je je slaapzak meeneemt, mag je die film van tien uren komen bekijken.

Alexandre had gelijk: de Scala di Santa Regina is indrukwekkend en betoverend. Diep in de verte stroomt de Golo, nu een ongevaarlijk stroompje, in het voorjaar vermoedelijk een woest kolkende watermassa. Hier, net als op andere plaatsen, wordt ervan gebruik gemaakt door er een waterkrachtcentrale in aan te leggen. Aan weerszijden verheffen zich hoge rotswanden tot 600 meter hoogte. Zal elders ter wereld ook wel te bewonderen zijn, maar we bevinden ons nu hier en we genieten ervan door enkele malen te stoppen om ernaar te kijken en veel foto’s te maken.

Intussen houd ik de klok in de gaten: elk uur dat we rijden, moeten we ook weer terug, en we willen voor donker, dat is: 8 uur ’s avonds, weer thuis zijn om niet in het donker te hoeven rijden over dit soort weggetjes. We besluiten dat we nog wel een eind verder kunnen gaan, op weg naar het volgende ijkpunt: de Col de Vergio, met 1477 meter letterlijk het hoogtepunt van de reis. Het laatste stuk, kijk maar weer op de uitvergrote kaart, is niet voor de poes. Wel het domein van een paar families zwarte of bonte varkens of zwijnen, you name it, die zich weg en bermen toe-eigenen.

De Col de Vergio is een verzamelpunt voor lieden van allerhande allooi: lokale passanten, mensen die zich met langlaufstokken (Waar blijft die sneeuw nou? Er is hier toch ook een skilift, daar links op de foto?) voortploeteren, motorrijders die zich, liefst massaal groepsgewijs, tegoed doen aan het vocaal omlijsten van hun aanwezigheid, is het niet door hun brullende heng-heng-motoren te demonstreren, dan wel met de daarop gemonteerde ghetto blaster decibellissimo de feestvreugde te verhogen.
Even iets drinken en dan weer gauw wegwezen, terug naar de rust van de natuurlijke omgeving aan de andere kant van de departementsgrens.

Nog steeds tijd genoeg, dus op naar de Gorges de Spelunca. Die lijken een beetje op de Scala di Santa Regina van eerder vandaag, maar dan nog vele malen indrukwekkender en met toppen boven de 1000 meter. De folders en reisgidsen hebben volstrekt gelijk. Het schijnt er leuk wandelen te zijn, maar dat lijkt ons meer iets voor frisse en geoefende klauteraars.

De klok staat toe dat we verder gaan naar het eindpunt: de kustlijn tussen Porto en Piana.
Hadden we dat maar niet gedaan.

Reden 1: de verhoopte magnifieke rotspartijen die in zee verdwijnen, zijn vanaf de weg niet te zien en per auto al helemaal niet bereikbaar. Dan moet je een boottocht arrangeren, of een helikoptervlucht, maar daarvoor ontbrak ons de tijd, en hoogstwaarschijnlijk ook het geld, want het prijspeil is hier aangepast aan de omstandigheden, zal ik maar zeggen.
Reden 2: vermoedelijk is dat overal op Corsica langs de kustlijn, maar in elk geval is dat hier, tussen Porto en Piana het geval: het is een en al toeristisch, bezaaid met campings, uitspanningen, souvernirwinkeltjes, botenverhuurderijen, waar busladingen vol toeristen op af komen, en niet alleen autobussen, maar ook campers en vooral veel motorrijders die, het liefst met alle 6 of 10 in konvooi achter elkaar zich tussen de auto’s door proberen te wurmen. Alle parkeerplaatsen, en dat zijn er best veel, staan overvol met auto’s. En omdat de Corsicaanse VVV heeft vergeten voor voldoende bewegwijzering en informatieborden te zorgen, lijkt iedereen wanhopig de plek te zoeken waarvan niemand weet waar die precies is.
Ik gun iedereen zijn vakantie; wij zijn zelf per slot van rekening hier ook op reis, maar leuk is anders.
Hoe dan ook, we waren blij de 125 km terug zonder enig probleem af te leggen en zelfs een uur voor zonsondergang onze uitvalsbasis in Bigorno weer te hebben bereikt. Nogmaals: zonder enige spijt de hele tocht te hebben ondernomen, want de indrukken en ervaringen waren van adembenemende schoonheid.
Alleen jammer dat er… Nou ja, laat maar zitten.
_____________________________________________________
De hele reeks:
Dag 1: 28 aug.
Dag 2: 29 aug.
Dag 3: 30 aug.
Dag 4: 31 aug.
Dag 5: (dit verslag)
Dag 6: 2 sept.
Dag 7: 3 sept.
Dag 8: 4 sept.

Porto


Wel eens in Porto geweest?
Ik ook niet.

Totdat het (verjaardags-)lot mij gunstig gezind was en ik een lang weekend Porto, vlucht+hotel, kreeg aangeboden voor twee personen.
Vanaf vliegveld Dôle ben je er rechtstreeks in een uur of twee en dan kun je er je eerste Portugal-ervaringen gaan opdoen.
Conclusie: Doen. De stad is het alleszins waard.

Eind vorige maand vertrokken we. Bij vertrek in Rosoy lag er 13 cm sneeuw, maar de 120 km lange rit naar Dôle had daarvan geen hinder. Zeker als je bedenkt dat we bij aankomst onder een strak blauwe lucht en 17° in een echt andere wereld terecht kwamen, neem je wat glibberigheid vooraf wel voor lief.
Vliegveld Dôle op zich is al een aanrader: je parkeert er op werkelijk 20 meter van de aankomsthal, gratis en voor niks. Kom daar maar eens om op Schiphol, of in Düsseldorf of Charleroi. Klein, maar met alle nodige voorzieningen, redelijk goede koffie en goede friet.

Het eerste wat mij op het spiksplinternieuwe vliegveld van Porto opviel was het gevarieerde en artistiek ontworpen plaveisel. En laat ik het maar meteen vertellen: ik ga er nog eens naar toe met als enige doel het maken van een uitgebreide fotoserie over plaveisel, plavuizen, trottoirs, wandbetegeling en wat dies meer zij. Want Porto is niet alleen in zijn totaliteit enorm fotogeniek, alleen al wat je onder je voeten en aan de wanden ziet verschijnen is een hoofdstuk apart.

Maar er is meer. In Porto wordt port gefabriceerd. Hoewel ik sherry prefereer boven port, wilde ik niet kinderachtig wezen en liet ik me de avances van de fabrikanten graag aanleunen. De twee gratis proefdrankjes die bij de gondeltocht boven de zuidelijke wijk Gaia over de vele portofabrieken waren inbegrepen, smaakten wonderwel, al was het nog in de ochtenduren.

Je komt in Gaia over de befaamde Luis-I-brug over de Douro, na met een tandradbaan naar onderen te zijn afgedaald. Die brug, ontwerp uit 1886 van een compagnon van Gustave Eiffel, heeft twee dekken op 45 meter hoogte van elkaar. Op de bovenste rijdt de metro en kun je wandelen en fietsen; op de onderste rijden bussen en auto’s, en kun je ook wandelen en fietsen. De brug is de Eiffeltoren op zijn kant, zogezegd.

Dan is er ook nog het schrijnende contrast tussen oude en modern, tussen rijk en arm. Er zitten bedelaars op straat. Sterker nog, ze achtervolgen je om zogenaamd hun openbaarvervoerkaart te kunnen opladen. Maar draai je je om, dat straalt de rijkdom je tegemoet. Strakke, moderne bouw contrasteert met dagenlang buiten hangend wasgoed, maar ook met de art-decogebouwen die er op tal van plaatsen zijn te vinden. Bijvoorbeeld het heerlijke café Majestic, met iets te hoge prijzen, maar een nog veel hogere uitstraling.
Of, hoogtepunt op een van de wandelingen, boekhandel Lello. Boeken interesseren mij hoegenaamd niets, maar het gebouw alleen al is een vlucht naar Porto waard. Overtuig jezelf door naar de afbeeldingen te kijken.
Het enige boek dat mij wel interesseerde, de Portugese versie van Kuifjes Sigaren van de Farao, hadden ze niet eens op voorraad. Ik ben daarvoor vijf boekwinkels af gemoeten om mijn collectie met een ontbrekend exemplaar te kunnen uitbreiden.

Als oud-Amsterdammer ben ik tramgek. Dat hebben ze in Porto goed begrepen. Er rijden nog drie tramlijnen door de stad, lijn 1, 18 en 22, die goed op elkaar aansluiten en waarmee je een groot deel van de stad, tot aan de kust van de Atlantische Oceaan, kunt doorkruisen. Motorwagens van begin 20e eeuw, in begin 21e eeuw keurig gerestaureerd, klauteren kreunend heuvels op en remmen kermend heuvels af, terwijl je intussen belangrijke toeristische hoogtepunten van de stad passeert. Want toeristisch is het in Porto. Alleen, vreemd genoeg, waar ik, zelfs als toerist, een vreselijk hekel aan toeristen heb omdat ze het straatbeeld verpesten en de inrichting van de stad totaal vercommercialiseren, iets waaraan Praag bijvoorbeeld inmiddels ten gronde is gegaan, had ik daarvan in Porto totaal geen last. De stad is uitermate toeristvriendelijk, zonder aan eigenwaarde in te boeten.

Naast het plaveisel valt ook op dat zoveel gebouwen zijn bekleed met, laat ik het maar noemen, Delftsblauwe betegeling. Kerken, gewone gebouwen, en het magnifieke hoofdstation Estação de São Bento, een niet te missen bezienswaardigheid.

Om de Hollandse zuinigheid wat te paaien: we zaten in een achenebbisj hotelletje hartje centrum voor € 30 per kamer per nacht. In een straatje waar sommigen niet zonder pepperspray ’s avonds naar buiten zouden durven gaan. Delftsblauwe tegeltjes van buiten, deels afgesleten, zeer goede bedden op de kamer, een badkamer met heus ligbad, een oliegevuld radiatortje dat het meestal wel deed als je er een klap op gaf en een mini-beeldbuis-tv’tje waarop in hoofdzaak meer sneeuw werd vertoond dan wij bij vertrek in Rosoy achterlieten en waar zo te horen Portugees geluid uit kwam. Maar we waren er alleen maar om te slapen, en dat ging prima. Vanuit dat hotel liepen we binnen een paar minuten naar belangrijke hotspots als de Luis-I-brug, de kathedraal, de tramhalte, en al het schoons dat een stadscentrum nu eenmaal heeft te bieden.

Ik ken geen stad waar je op zo veel plekken kunt eten als in Porto. Werkelijk 1 op de 3 winkelpanden in Porto is een eettent. Koffie (van een kwaliteit waar ze in Frankrijk geen weet van hebben), broodjes, gebak, warme en koude gerechten, … In welke zichzelf respecterende stad krijg je een kop prima espresso voor € 0,65 ? Of kersverse broodjes voor € 0,10 het stuk? En ook in zeer sjieke restaurants hebben we gemerkt dat niet alleen het eten van uitstekende kwaliteit is, maar dat je als extra verrassing een rekening krijgt gepresenteerd waarvan je in eerste instantie denkt dat ze het voorgerecht, de wijn en het toetje zijn vergeten te berekenen.

En dan sta je ineens, na een echt enerverende rit met lijn 1, aan de kust van de Atlantische Oceaan. Palmbomen, een pier, een vuurtoren. Strak blauwe lucht, nog steeds. Zeventien graden. Aan de overkant ligt Amerika. Opeens besefte ik dat het mijn meest westelijke punt ooit was, want het ligt westelijker dan Lands End, mijn record tot dan toe. Ik heb dat gevierd door een banaan op te eten die ik nog bij had voor het geval ik in het vliegtuig honger kreeg.
Maar in een vliegtuig heb ik het veel te druk met naar beneden kijken, al zie je alleen maar wolken. Vliegen is immers alles overstijgen waar je niet middenin wilt zitten, terwijl je toch het overzicht behoudt.

Doe het mij maar na. Ga een keertje naar Porto.
En geniet.