Fluchtpunkt

In de teken-, schilder- en filmkunst en in de fotografie is het begrip perspectief een der meest essentiële, tevens meest lastige elementen. Het reduceren van een driedimensionele werkelijkheid tot een tweedimensionale weergave op een plat vlak vraagt immers om een hoge mate van abstractie om de illusie van de realiteit te creëren.
Ik ben geen tekenleraar, maar voor het hoofdonderwerp van dit bericht heb ik even wat basale gegevens nodig. Voor professionele ondersteuning zie bijvoorbeeld https://www.kunstacademiehaarlem.nl/perspectief.html
.

Vraag een kind een tekening te maken van een trein op spoorrails. Dikke kans dat dat kind komt aanzetten met een tekening waarbij de rails meer lijken op een rechtopstaande ladder, of vaker nog op een dwarsliggende opstaande ladder.
Net als taalvermogen is bij ons mensen ook abstractievermogen weliswaar aangeboren, maar dat vermogen moet nog helemaal worden ontwikkeld, en dat kost vele jaren. Deels heet dat ‘opvoeding’, deels ‘waarneming’, deels ‘ervaring’.

Toch zal dat kind mijn foto van een dubbele spoorbaan van Parijs naar Basel bij Chaudenay (52 Haute-Marne) ‘begrijpen’ en herkennen en als zodanig ook accepteren, al zal de nu volgende uitleg aan het kind voorbijgaan.

Op die foto zie je dat de spoorstaven van de linker baan in de verte elkaar raken. Voor de rechter baan geldt dat ook. Het geldt zelfs voor de twee middelste rails. En toch is het zo dat die rails tot in Basel nergens dichter bij elkaar komen, en dus is de foto een optische illusie. Geen trompe l’œil, want dat is wat anders, blijkt onderaan dit artikel.

Het punt waar die vier rails samen lijken te komen noemen wij het verdwijnpunt. Duitsers spreken van een Fluchtpunkt, Fransen van point de fuite, maar al die termen duiden niet precies de essentie van de weergave aan. Noch het samenstel van rails, noch dat punt van samenkomst ‘verdwijnt’, laat staan dat het is ‘gevlucht’. Ik heb de foto uit de heup geschoten en daarmee de lengte van de weergegeven rails bepaald. Had ik gefotografeerd van boven mijn hoofd, dan was er, zeker in dit vlakke stuk terrein, een langer stuk rails te zien; had ik de camera op de grond gelegd tussen de rails, dan was er nauwelijks nog lengte zichtbaar geweest. Het kind van de rechtopstaande ladder heeft in zoverre gelijk, dat het meest verweg gelegen stuk rails op het platte vlak hoger ligt (ik bedoel: dichter bij de bovenrand van het papier) dan de rails die vlakbij de camera ligt, maar het kind beseft niet dat dat een kwestie is van de camerapositie, van de kijkhoek. Het kind suggereert in vogelvlucht recht boven de rails te hangen; ik stond gewoon op de grond. Mijn foto is perfect, maar het is niet de realiteit, alleen maar een suggestie, een illusionaire weergave van iets wat ik driedimensionaal heb waargenomen.

Tot zover dit minilesje perspectieftekenen.
Waar het mij om is te doen, is het Sebastiaanschilderij van Antonello da Messina (±1478) dat in de Gemäldegalerie Alte Meister te Dresden hangt. Ik heb het werk in mijn serie Acht op Sebastiaan al eerder ter sprake gebracht, namelijk in:

https://nardloonen.nl/2012/11/26/acht-op-sebastiaan-48/ (over entourages)
https://nardloonen.nl/2012/11/25/acht-op-sebastiaan-58/ (over kleding)
https://nardloonen.nl/2012/11/23/acht-op-sebastiaan-78/ (over houdingen), en in
https://nardloonen.nl/2012/11/23/sebastiaan-als-schijnheilige/

Over dit werk, en in het bijzonder over de restauratie ervan tussen 1999 en 2002, is in 2005 een zeer uitgebreide en gedegen beschrijving verschenen:

Henning, Andreas & Günther Ohlhoff, Antonello da Messina : Der heilige Sebastian.
Dresden : Michel Sandstein Verlag und Staatliche Kunstsammlungen Dresden 2005. ISBN 3-937 602-49-6.
92 blzz.; 27×24 cm. € 17,50.

Ik kreeg kort geleden dit boek ter beschikking en dat is ook de aanleiding geweest voor dit artikel, en waarschijnlijk ook nog voor een vervolgartikel. Ik wil me nu immers beperken tot het element ‘perspectief’, een van de vele onderwerpen die Henning ter sprake brengt.

Zo wijst hij onder meer op het verdwijnpunt, der Fluchtpunkt dus, van het schilderij. Bij de restauratie was al gebleken dat Antonello hulplijntjes had getrokken om de voegen van het marmeren plaveisel in goed perspectief te kunnen schilderen. Een compositie als deze teken je niet zo maar uit de losse pols. Maar bij nadere beschouwing blijkt de hele entourage te zijn ingericht naar één enkel verwdijnpunt. Ik kon aan de hand van zijn beschrijving bijgaande schets maken, waarop de rode en gele perspectieflijnen samenkomen in één punt: het linker scheenbeen van Sebastiaan. Dat lijkt vreemd, maar logisch is het wel.

Natuurlijk ligt het verdwijnpunt niet op zijn scheenbeen, maar ergens in de verte, en dat ter hoogte van de horizon, ver weg, aan het water. Of je nu lijnen trekt van het plaveisel (de rode lijnen) of van de gevels, zelfs aan hun bovenzijde (de gele lijnen), je komt steeds weer op dat ene punt uit. Het maakt, ik beaam Hennings opvatting, dat dit schilderij een absoluut meesterwerk van de Renaissance-schilderkunst vormt. De enorme dieptewerking die Antonello heeft gecreëerd getuigt van grote klasse. Merk daarbij op dat het verdwijnpunt, en dus ook de horizon, op 20% van onderen ligt, terwijl meestal bij landschapschilderijen een horizon op 30% van boven wordt gepropageerd, anders krijg je te veel lucht boven je objecten.

Vanuit die optiek is er echter naar mijn mening op het schilderij één storend element: dat is Sebastiaan zelve. Ik licht dat toe.

De kijkhoek, zeg maar de camerapositie, is opvallend laag: rechtuit gefotografeerd kom je precies op dat verdwijnpunt terecht. Maar omdat hij meer wilde vertonen dan alleen een onderbeen, namelijk een totale persoon in long shot en een entourage met aan weerszijden hoge gebouwen, moest hij de camera wat achterover houden. Je ziet dat bijvoorbeeld duidelijk aan de twee bogen aan weerszijden van Sebastiaans bovenbenen: daar kijk je tegen de onderzijde van de bogen aan. Ik geef de fotografen niet te eten die ervoor zouden kiezen de camera rechtuit te richten op zijn navel, en de meer amateuristische fotografen op zijn gezicht. Dat levert dan helaas de vele mislukte kiekjes op waarbij het hoofd van het hoofdobject precies in het midden van de foto staat, met daaronder een helaas half afgesneden torso en daarboven een heleboel zinloze lucht of muur. Dat heet dan met een beetje goede wil een poging tot portretfotografie, maar het heeft niets te maken met de renaissancistische opvatting dat het hoofdobject pontificaal en prominent gecentreerd op het doek moet verschijnen.

En toch is er een maar. Ik grijp dan weer terug op het minilesje hier bovenaan. Als ik in de keuken een stuk pvc-buis tegen de tegelwand plaats en die recht van voren fotografeer, ontstaat het beeld als links op de foto. De horizontale tegelvoegen lopen parallel, de verticale ook. Boven en onder is de buis even dik. Alles in orde. Als ik nu echter de camera lager houd, ter hoogte van de voet van de buis, dan ontstaat er vertekening, een vorm van perspectief, doordat de bovenste tegels verder van de cameralens verwijderd zijn dan de onderste tegels. De verticale voegen zijn dan te vergelijken met de spoorrails aan het begin van dit artikel. Trek je die voeglijnen naar boven door, dan zullen ze convergerend elkaar ergens op zes hoog raken, optisch dan. Aan de horizontale voegen verandert niets, want ik bleef recht voor de buis staan. Let ook op de weerspiegeling van de hanglamp boven de keukentafel: links zit die op de vierde en vijfde tegel van onderen, rechts op de derde en vierde tegel. Het was dus bewust dat ik die lamp aan liet bij het fotograferen. Ik hield de camera 20 cm lager, de weerspiegeling verhuist 10½ cm naar onderen. En let ook op de merknaam MARTONI: links loopt de derde horizontale voeg door de letter T, rechts door de letter R. En toch had ik de buis niet verplaatst, en mijn afstand tot de buis al evenmin. Dat komt, kan ik verklappen, door de dikte van de buis en het daaruit voortvloeiende verschil in afstand tot de buis en tot de muur. Op de rechter afbeelding lopen de zijkanten van de buis nog steeds parallel met de nu niet meer parallel lopende verticale voegen, hetgeen betekent dat de buis bovenaan smaller lijkt dan onderaan, maar dat is dus de genoemde optische illusie.

Nu komt mijn probleem. Ik verander de pvc-buis door een Sebastiaanfiguur en ga fotograferen. Als ik dan de camera op navelhoogte houd, dus met een afstand kruin-navel gelijk aan de afstand navel-tenen, treedt er niet of nauwelijks vertekening aan hoofd of voeten op. Maar als ik, zoals Antonello deed, de camera laag houd, zou zijn hoofd relatief smaller moeten lijken te zijn dan op het schilderij, en (denk aan de voeg door de letters T resp. R) zijn benen relatief te lang.

Voor wie nog twijfelt, heb ik ooit een houten gepolychromeerde Sebastiaan gefotografeerd in het naburige Voisey; daar is dat effect duidelijk zichtbaar bij een vergelijking van beide foto’s: links min of meer recht van voren gefotografeerd, rechts meer van onderen. Vooral het optische lengteverschil van zijn rechter onderbeen is evident.

Ik kan nog iets preciezer zijn. Als ik de klassieke Vitruviusman erbij neem, lang geldend als het toppunt van esthetica, waarvan ook Leonardo da Vinci in 1490 gebruik maakte, dan zie je in verticale zin precies in het midden de lijn M-N lopen, dwars door zijn schaamhaar, lager dus dan de navel. Dat is het ideale proportiebeeld waarmee ook Renaissanceschilders graag werkten. En als ik Photoshop of PhotoPaint erbij pak, loopt die lijn M-N inderdaad door Sebastiaans virtuele schaamhaar. Ook beider navels en tepels zitten op gelijke hoogte. Alleen Sebastiaans hoofd, schuin ten hemel gericht, de beenhouding met een linker standbeen en een rechter speelbeen, en de plaatsing der voeten (waarvoor weer andere wetten in zwang waren) stemmen niet overeen. Maar hoe dan ook: Sebastiaan als modelheilige, en dan ook nog eens naar ‘moderne’ Venetiaanse mode gekleed, in plaats van de frekwenter afgebeelde lendendoek. In elk geval vereenvoudigt dat de anatomische vergelijking met de Vitruviusman.

Wat is nu mijn probeem? Gelet op het voorgaande zou de van onderuit bekeken Sebastiaan juist NIET moeten voldoen aan het Vitruviusraster; net als bij de pvc-buis zouden zijn benen langer en zijn bovenlijf korter moeten zijn, en zou zijn hoofd relatief te klein uitvallen; zouden de verticale lijnen drie links en drie rechts van de punten A en B, die door de oksels gaan, naar boven taps moeten toelopen, maar dat doen ze niet. Het feit dat Sebastiaans bovenlijf licht naar links is gedraaid, doet daaraan niets af.

En zo durf ik de vraag te stellen of het niet zo zou kunnen zijn, dat Antonello allereerst de Venetiaanse entourage heeft geschilderd met zijn perfecte perspectief en verdwijnpunt, en dat hij later daaraan een ‘perspectiefloze’, dat wil zeggen: op schaamhaarhoogte bekeken Sebastiaan heeft toegevoegd, er overheen heeft geschilderd, zo niet gephotoshopt. Graag zou ik hem daaromtrent eens willen mailen.

Het is echter vooralsnog een hypothese, maar de gedachte daaraan wordt versterkt door het signatuurbriefje dat op het schilderij links onderaan nog net is te zien. Velen zouden dat briefje in bijbehorend perspectief, op de bruine plavuis hebben geschilderd. Zo niet Antonello da Messina: die schilderde dat als een opgeplakte post-it. Kijk maar naar de rechter zijrand, die verticaal, en dus niet in perspectief staat, en naar de vage schaduwranden rechts en onder, alsof de lijm blijkbaar niet goed meer bleef plakken.

En dat is nou weer wel een heuse trompe l’oeil.

Toch stond Antonello niet aan de basis van dit perspectivisch fenomeen: al in 1427 schilderde Masaccio zijn beroemde grote fresco Trinità dat is te bewonderen in de Basilica di Santa Mairia Novella te Florence. We zien het extreem uitgevoerde tongewelf met diepte-illusie, terwijl God de Vader, de Zoon aan het kruis en de Heilige Geest als duif tussen beiden in recht van voren lijken te zijn neergezet, evenals de twee figuren aan de onderkant van het schilderij, terwijl Maria links en Johannes de Doper rechts lijken te zijn bezien van onder af. Op internet is zeer veel over dit schilderij te vinden, bijvoorbeeld op https://it.wikipedia.org/wiki/Masaccio#La_Trinit%C3%A0.
Ik weet niet of Antonello deze Trinità heeft gekend, maar het door hem gehanteerde perspectief doet er wel aan denken.

Ik ga dit artikel eens voorleggen aan ter zake deskundigen en kom er dan zo nodig nog op of van terug.

Scheef perspectief

Zo rond de eeuwwisseling verzorgde ik een college “Logica en taal” aan de eerstegraads opleiding in Nijmegen. Omdat veel van de inhoud van die bijeenkomsten nog steeds zinvolle informatie bevat, en de actualiteit dat nog eens onderstreept, licht ik er een tweetal onderdelen uit: het correct gebruik van oorzaak-gevolgrelaties (argumentatieleer) en het egocentrisch perspectief (communicatieleer). Wie het leest, zal het wel herkennen, of op z’n minst snappen.

Geldige conclusies trekken uit waarnemingen of aannames is geen sine cure, al is het maar omdat de spreker/schrijver wellicht bijbedoelingen heeft (zoals in de reclame of De Telegraaf) en zo tot ongeldige of betwistbare conclusies kan komen. Of gewoon slordig is. Of het niet kan opbrengen de schuld bij zichzelf te zoeken – het “extern attribueren”, waarover verderop meer.

Een geweldig mooi, klassiek voorbeeld van moeizaam, maar gedegen analyseren en argumenteren staat in Hempel, Filosofie van de natuurwetenschappen. Aula 453. Het is het verhaal van dokter Semmelweis die rond 1850 werkte in een Weens ziekenhuis en werd geconfronteerd met het verschijnsel dat er op de ene kraamafdeling vier keer zo veel vrouwen aan kraamvrouwenkoorts overleden als op de andere afdeling. Zijn eerste vijf conclusies op grond van waarnemingen, vooronderstellingen en aannames bleken onjuist te zijn; pas bij zijn zesde poging kwam de ware oorzaak aan het licht (hygiëne) en kon de juiste conclusie worden getrokken (handen wassen). Lees het hele verhaal er maar op na; het is uiterst illustratief.

Een voorbeeld uit de meer recente tijd is de volgende situatie: je auto heeft net in de garage een grote beurt gehad. Je rijdt ermee weg, maar na een tijdje constateer je dat bij rechtuit rijden het stuur toch een tikkie scheef staat. Foutje van de garage dus, is de eerste gedachte, extern attribueren. Maar misschien zit je zelf wel te bellen onder het rijden en heb je niet in de gaten dat je aan het slingeren bent.
Natuurlijk kan het zo zijn, dat ze in de garage het stuur eraf hebben gehad en niet recht op de stuurkolom hebben teruggezet. Of dat ze de voorwielen niet correct hebben uitgelijnd. Informeer daar rustig naar. Maar niet voordat je eerst even analyseert/controleert of:

  • er een verschil in bandenspanning is tussen linker en rechter voorwiel;
  • er een straffe zijwind staat;
  • de weg niet een flauwe bocht maakt;
  • het wegdek een beetje schuin afloopt;
  • er een of ander defect in de stuurinrichting is.

Ik bedoel maar: niet te gauw denken dat je weet op wie je de schuld kunt schuiven.

Een en ander staat niet los van het begrip “perspectief”; noem het “gezichtspunt” of “point of view”. Heel simpel: als de heilige Sebastiaan met pijlen wordt beschoten, staat hij voor de boom, de schutters staan voor hem en Sebastiaan staat voor het schutterspeloton. Maar de pijlenvangman die alle misgeschoten pijlen moet gaan oprapen zal met even veel recht beweren dat Sebastiaan achter de boom staat en het vuurpeloton achter Sebastiaan.

Ander voorbeeld: je doet bij pech de motorkap van de auto open en moet dan, volgens het boekje, van het linker tankje de dop afschroeven om vloeistof bij te vullen. Waar zit dat tankje? Links vanuit de ontredderde bestuurder gezien die voor de auto gebukt staat, of links vanuit de angstige bijrijdster gezien die in de auto is blijven zitten omdat het regent? In de Dauphine is het nog veel leuker: daar zit de motor achterin, en laatst las ik in een instructieblad van een stroboscoop dat ik van de voorste bougie de kabel moest aftrekken. Ik had geen flauw idee om welke van de vier bougies het ging.
Dit perspectiefprobleem lost zich vaak spontaan op: van veel voorwerpen is het evident dat er een soort intrinsieke voorkant is: menselijk lichaam, auto, huis, waarmee begrippen als voor-, achter en zijkant eenduidig zijn aan te geven. Maar een aansteker heeft geen voorkant, en een boom al helemaal niet.

Dan nog ben je er niet, en iedereen die zich met schilderkunst, beeldhouwkunst of fotografie bezighoudt, herkent dat probleem: als je recht voor de meneer op bijgaande foto gaat staan, kijkt hij je stoïcijns aan; sta je wat van opzij, zoals op de foto, dan kijkt hij je niet meer aan.

 

 

 

Maar mijn grootvader, hier op bijgaande foto en schilderij, kijkt je niet aan, of je er nou recht voor gaat staan, of van opzij, noch op de foto, noch op het schilderij.

 

 

 

En een tv-komiek die recht in de lens kijkt (of net iets daarboven, heeft men mij ooit eens verteld) blijft je aankijken, ook al ga je een eind opzij staan; daar is geen ontkomen aan. Dat is het verschil tussen twee- en driedimensionale weergaven; laat ik het daar maar op houden.

 

De ervaring leert, en weest allen daarop bedacht, dat mensen nogal vlotjes geneigd en genegen zijn het zogenaamde “egocentrisch perspectief” te hanteren. Zoals ooit eens Jerusalem het middelpunt der toen nog platte aarde was, en later Rome -weer iets later liep het met Berlijn minder florissant af- gaan wij er quasi spontaan van uit dat wij zelf het middelpunt van de situatie zijn, en dat we alle daarbuiten gelegen waarnemingen en gebeurtenissen vanuit ons eigen perspectief mogen beschouwen. Zeker als het om iets slechts of gevaarlijks gaat: doet de pc niet wat je wilt, dan deugt het programma niet of is de pc gewoon kapot. Extern attribueren, heet dat. De schuld aan een ander geven, zonder je te realiseren dat je misschien wel zelf op een verkeerde knop hebt gedrukt.
Het mooiste voorbeeld van egocentrisch perspectief vind ik:

(Bijrijdster tegen chauffeur:) “Pas op! Daar komt een bocht aan!”
Het is de bekende probleemstelling of je in een rijdende trein nu stilzit of je voortbeweegt.

Ook wel aardig: toen ik eens op het dak van ons schuurtje in Boxmeer de dakgoot aan het schoonmaken was, riep het buurjongetje, dat mij bezig zag: “Buurman, waar is jouw buurvrouw?” Kinderen hanteren bij uitstek het egocentrisch perspectief, omdat zij nog zo in hun belevingswereld zitten gevangen dat ze zich niet in die van een ander kunnen verplaatsen. En dus gaan zij er met het grootste gemak van uit dat ieder die bij hen over de vloer komt ook weet wie Tante Joke en Ome Klaas zijn.

Ik kwam op dit bericht door die Jamaicaanse VN-mevrouw die gisteren doodleuk beweerde dat wij sinterklaas maar moeten afschaffen. Als een volleerd kind zat ze zo in haar culturele Santa-Clauswereld opgesloten dat ze zich warempel serieus afvroeg waarom die idiote Hollanders twee Santa Clauses moeten hebben. En om de VOC-mentaliteit nog maar te onderstrepen, maakte het bijbehorende Engelstalige VN-advies gewag van “Swarte Piet”; zie de 2e alinea van bladzij 1.

Laat haar met Prem een glaasje arômatische Rhum gaan drinken, ergens op een onbewoond eiland.