God is geen man

In 2018 verscheen God is geen man: de noodzakelijke taalupdate na 3000 jaar van Mieke van Nistelrooij. Het is een boek dat mij erg aansprak omdat daarin het feminisme en het daarmee verbonden verschijnsel van mannelijke predominantie wordt belicht vanuit taalkundig perspectief. Ik ben geen feminist, wel taalkundige, en ik wil er in dier voege wel een beschouwing aan wijden.

 

 

Veranderingen komen niet in één keer tot stand, stelt zij correct op blz.4, waar zij gelukkig meteen het vreselijke woord taalupdate verbetert in taalaanpassing. Op zinloze anglicismen zitten we niet te wachten. Op blz. 13 specificeert zij haar uitspraak: Soms wordt er gedacht dat we er al zijn met vrouwenemancipatie. Maar ongelijkheid en onvrijheid die duizenden jaren de gewoonte was, is niet in enkele tientallen jaren recht te trekken. Dat klopt, want tussen droom en daad staan (taalkundige) wetten in de weg en lastige (cultureel-historische) bezwaren.

Er lijkt in haar kruistocht tegen de mannelijke, christelijke God en haar roep om een taalaanpassing na 3000 jaar een onjuistheid te bestaan, als we bedenken dat het christendom niet veel ouder is dan amper 2000 jaar, maar dat weerlegt zij al op blz. 4 door te verklaren dat de oudste Bijbelboeken reeds 2768 jaar oud zijn. Het zij zo.
En bovendien: God de Vader is wereldwijd niet de enige mannelijke oppergod, ook al kennen wij ook sporadisch een moedergodin, waarover op Wikipedia uitgebreid wordt ingegaan. Onder meer lezing van De oorlog om de moedergodin van Theun de Vries (het openingsverhaal van de bundel Eidola, 1979, zich afspelend op het oude Malta, tussen 3000 en 2000 voor onze jaartelling) of van mijn artikel n.a.v. Het zondagsbed (1975) getuigt daarvan. Daarnaast kennen we vanuit de getallensymboliek het opmerkelijke feit dat de drie ‘totaal verschillende’ alma-materfiguren Venus, Freia en Maria elk uit 5 letters bestaan, wat dan weer de basis vormt om de meimaand, vijfde maand, tot Mariamaand te bestempelen. Maar voorkomens van matriarchale maatschappijen behoren tot de zeldzaamheden – de oppergod is bij voorkeur een man, en die geslachtsaanduiding berust in ieder geval niet op fysieke kwaliteiten.

Anders dan bijvoorbeeld Boeddha, Jezus Christus en de profeet Mohammed, zijn Zeus, Jupiter, God de Vader (sic!) en Wodan geen fysiek-concreet bestaande of bestaan hebbende personages. In termen van Aristoteles zijn zij “de eerste onbewogen beweger“, maar daarmee niet specifiek mannelijk. Jezus Christus en Mozart hadden een piemeltje; ik, en nog bijna de helft der wereldbevolking hebben dat ook. Maar van Zeus tot God de Vader weten we dat niet, omdat zij nooit fysiek iets deskenmerkends van zich hebben laten zien. Dat Christus naakt aan het kruis moet hebben gehangen, zoals niemand minder dan Michelangelo dat ook verbeeldde, is zeer waarschijnlijk, daarmee ook zijn mannelijkheid demonstrerend.
Maar dat de Grieken heel soms Zeus naakt afbeelden en zulks als man, is een feitelijke onjuistheid, althans onbewezenheid, hooguit wishful thinking, oftewel een gedroomde werkelijkheid. En achter Zeus aan vinden we soortgelijke representaties van Jupiter, Hercules en al dat soort stoere mannen die kunstenaars door de eeuwen heen hebben geïnspireerd om de mannelijke grootsheid (al is dat om puriteinse redenen opvallend vaak in maatje-pink; dat heet dan het verschil tussen kunst en porno – voor fallussymbolen ligt dat weer wat anders) in volle naakte glorie te vereeuwigen.
Met moedergodinnen als Maria en Freia werd doorgaans kuiser omgesprongen, maar opmerkelijk genoeg konden bij Venus de remmen der losbandigheid wel weer helemaal los.

Mutatis mutandis geldt die wishful thinking ook voor de vrouwelijke Christus (“Jésus Christa“) van de Franse kunstenaar Patrice Lambert;
je kunt Christus wel ophangen, maar niet ontmannelijken.
En dat Scandinaviërs alleen al om klimatologische redenen minder geneigd zijn tot naaktafbeeldingen van bijvoorbeeld Wodan/Odin dan de oude Grieken en Romeinen, verbaast mij niets, al moet ik toegeven dat Wodan wel een baard heeft en een snor.
Met dat al lijkt het erop dat de oppergodse mannelijkheid een projectie is, bedacht door de geest en de (machts-)behoefte van een patriarchale maatschappij.

Merk tussen de regels door dat ik de bespreking van het onderwerp patriarchaat met dat al heb verbreed van taalkundig tot artistiek. Terecht, want communicatie verloopt dan wel hoofdzakelijk via taal, maar uit zich ook in de kunst. Die was in het verleden een voornaam communcatiemiddel vanwege het wijdverbreide analfabetisme, maar ook nu nog steeds zijn films, foto’s en andere afbeeldingen een perfecte manier om met anderen in contact te komen. Niet voor niets hanteerde Jan Vos (1610-1667), schrijver van exuberante spektakeltoneelstukken, het motto: Het zien gaat voor het zeggen. Onze hedendaagse reclamewereld floreert erdoor. En over de afgrijselijke, op mannen en hun denken gerichte reclamespotjes zal ik het nu maar even niet hebben. Ik volsta met de laatste stelling uit mijn proefschrift: Het volstaat niet commerciële reclame op radio en televisie te kwalificeren als infantilisering van taal en denken. De permanente zweem van misleiding, volstrekt niet ter zake doende associaties tussen het aangeboden product en de setting van de reclame-uiting, het kwetsen van individuele burgers die op uiterlijke of innerlijke kwaliteiten niet voldoen aan de norm die door reclame-uitingen wordt gesuggereerd als standaard en goed, alsmede het gebrek aan juiste en voldoende consumentenvoorlichting die in reclame-uitingen wordt aangetroffen, vragen om verdergaande regelgeving dan de bevoegdheid en werkwijze van de Reclame Code Commissie tot op dit moment.

Over patriarchaal gesproken: in God is geen man is er bij voortduring sprake van “paternalistisch” waar naar mijn mening “patriarchaal” wordt bedoeld. Als taalkundige wil ik het verschil tussen beide begrippen benadrukken: “patriarchaal” wijst als neutrale, objectieve term op een sociaal-cultureel systeem en patroon, terwijl “paternalistisch” een individueel gedrag benoemt en een subjectieve term is met een doorgaans negatieve connotatie.

Mieke Van Nistelrooij voegt de daad bij het woord. Zijn constateert niet alleen dat ons taalgebruik is doorspekt van mannelijkheid; zij verbaast zich ook erover, het woord kwaadheid valt zelfs, maar zij wil daaraan ook wat doen. En daarmee wil ze ook een eind maken aan geforceerd sociaalcorrecte wendingen als “m/v” of “waar hij staat kan ook zij worden gelezen”. Haar voorstel is om in het Nederlands twee nieuwe genderneutrale voornaamwoorden te introduceren: het persoonlijk voornaamwoord vij als vervanger van hij en zij, en ins als vervanger van de bezittelijke voornaamwoorden zijn en haar. Zij vat die samen onder het OOIA-concept: Onzijdig, Onbekend geslacht, Interseksueel, Alle geslachten. In feite is dat de kern van haar boek. Terloops valt het mij daarbij op dat zij alleen spreekt over voornaamwoorden (hij, zij, zijn, haar) in het enkelvoud. Immers, in het meervoud zijn die in het Nederlands al OOIA-proof: zij/ze en hun, net als het Engelse they en their en het Duitse sie, maar weer wel ihr (m) en ihre (v), terwijl het Frans consequent ils (m) en elles (v) hanteert; in bijvoorbeeld het Italiaans en Tsjechisch ligt het nog weer een heel stuk complexer. Hoe gaat Van Nistelrooij dàt allemaal aanpakken?
En passant (hoofdstuk 7: Exit woordgeslacht) hekelt zij daarbij ook de traditionele taalkundige indeling in mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden, voor zover niet betrekking hebbend op specifiek mannelijke of vrouwelijke entiteiten. Jammer vind ik dat zij daarbij niet ingaat op de onverklaarbare modehype van de haarziekte, waarover ik me al meermaals erg druk heb gemaakt. Zoek in mijn weblog maar op de term haarziekte om enkele artikelen daarover te vinden.

De traditie van woordgeslachten (mannelijk, vrouwelijk, onzijdig) gaat terug op de leer van Aristoteles en is in Europese talen met meer of minder aanpassingen overgenomen vanuit het Oudgrieks en het Latijn.
Voorbeelden van aanpassingen:
– In het Tsjechisch bestaan er vier geslachten: mannelijk-levend, mannelijk-niet levend, vrouwelijk en onzijdig, elke met aparte rijtjes met uitgangen; wat precies de zin daarvan is, zal niemand mij duidelijk kunnen maken.
– In het Engels wordt naar niet-evident mannelijke of vrouwelijke benamingen voor levende wezens niet verwezen met he of she, maar met it, m.u.v. stoomschepen, waarnaar met she wordt verwezen.
– In het Frans zijn alle auto’s vrouwelijk: la voiture, la Renault, la Mercedes, la Xantia, in het Italiaans idem dito: la macchina, la Renault etc., maar in het Duits zijn ze steevast onzijdig: das Auto, das Opel, das Peugeot, das Volvo. In het Nederlands zijn ze ‘niks’, en dus (!) mannelijk en krijgen ze de als lidwoord en zijn als bezittelijk voornaamwoord.

Deze traditioneel verankerde indeling kan met recht als willekeurig, of althans als niet-functioneel worden bestempeld, maar dat wil niet zeggen dat je haar (!) zomaar overboord kunt gooien, zeker niet zolang ze in het Vlaams en Noord-Nederlandse dialecten nog levend is.

Alle goede bedoelingen ten spijt acht ik de kans echter uiterst gering dat er, van  bovenaf of van onderop, nieuwe vormen van een persoonlijk (vij) en bezittelijk (ins) voornaamwoord kunnen worden doorgevoerd. Neologismen treffen we aan bij de open klassen van zelfstandige naamwoorden, werkwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden. Ze komen tot ons door ontlening vanuit andere talen, door de straattaal of door taalkunstenaars/goochelaars als Kees van Kooten of Johan Cruijff. Aan de andere kant van het spectrum staan de volstrekt gesloten klassen van de lidwoorden, voornaamwoorden en voegwoorden. De voorzetsels nemen als ‘poreuze’ klasse een tussenpositie in, weet ik uit betrouwbare bron. Dat is geen puur Nederlands verschijnsel, ook het Engels en Arabisch, die Van Nistelrooij in bijlage aandraagt ter verbreding van door haar geopperde taalaanpassing, kennen een vergelijkbare verdeling in gesloten en open woordklassen.

Detail: de keuze voor vij als vervanger van hij en zij vind ik fonetisch wat ongelukkig. Binnen het Nederlands taalgebied wordt de ij-klank in Den Haag, in Brabant, in Limburg, Friesland en in Vlaanderen verschillend uitgesproken, in ieder geval niet als de ‘correcte’ [ει]-klank; niet-Nederlandstaligen weten zich al helemaal geen raad met de Nederlandse ij en ei. Dat neemt niet weg dat Van Nistelrooij meer doet dan de vinger, of een waardevrije pleister, op de zere wond leggen. Zij draagt een goed onderbouwd alternatief aan, al voorziet zij het levensgrote probleem dat ik bovenaan dit artikel ook al aanhaalde: Veranderingen komen niet in één keer tot stand.

Over de niet strikt taalkundige onderwerpen die zij in het 208 bladzijden tellende boek bespreekt, wil ik het op een later moment nog wel eens hebben. Ga eerst zelf het boek maar eens lezen.
_____________________________

Nistelrooij, Mieke van, God is geen man: de noodzakelijke taalupdate na 3000 jaar.
Z.pl. [Makkum]:Booklight 2018. 208 p., 25 cm. ISBN 9789492595065. Prijs € 24,50
Website: godisgeenman.nl