Meervoudsvorming in het Nederlands

In de nasleep van mijn artikel over morfologie stiet ik op een skripsie die ik als 4e-jaars kandidaatsstudent met een 3- of 4-tal medestudenten aan de UvA in juni 1972 bij elkaar schreef. Het is niet de bedoeling deze tekst te hanteren als lesstof voor de doorsnee brugklas vwo-havo; wel geeft hij aan op welk nivo wij destijds bezig waren en hoe diepgaand wij te werk gingen, zonder er overigens helemaal tevreden uit te komen. Dat vonden wij zelf, maar de dienstdoende docent Albert Kraak was er lyries over.

Ik herinner het mij als de dag van gisteren. Het was stralend weer, wij waren gedemokratiseerd en een deel van het Lambert ten Katehuis was bezet door de ASVA ter voorbereidng van aksies, of onbruikbaar vanwege interne troebelen binnen de staf van de neerlandistiek, of we hadden gewoon zin om buiten in de achtertuin in het gras te gaan zitten ter nabespreking van ons werk. We dronken tee, want koffie kostte een dubbeltje en tee was maar ƒ 0,05 (suiker gratis). Kraak, over wie in een volgend artikel nog wel wat meer, wilde kostwatkost weten door wie dit stuk was geschreven. Maar wij waren gedemokratiseerd en als doorgewinterde kollektivisten eisten wij op dat er een groepswaardering aan werd toegekend. Kraak hield maar vol, wilde dan op z’n minst weten wie de eindredaksie had verzorgd. Wij jokkebrokken zeiden dat die er niet was. Hij kon niet weten dat het lettertype onmiskenbaar van mijn Underwood mitrajeursnest was; misschien was ik ook wel de enige die op mijn kamer over een schrijfmasjien beschikte en het was het me zelfs gelukt de [ə] tevoorschijn te toveren, door gewoon een [e] te typen, die uit te knippen en dan met gluton omgekeerd op het te stensilen vel te plakken.
Wij kregen allen dezelfde hoge waardering, welke weet ik niet eksakt meer.

Toen ik onlangs het stuk nog eens doorlas, was ik nogal verrast over de inhoud, de uitgebreidheid, de diepgang en de gehanteerde werkwijze. Ik had dat in m’n eentje nooit voor elkaar kunnen krijgen, en je kunt studenten niet verwijten dat ze de uiteindelijke formalisering in bikkelharde regels niet als resultaat hadden weten te krijgen – wel een aanzet daartoe. Ik aksepteer immers alleen taalregels die zodanig zijn geformuleerd dat er geen uitzonderingen op hoeven te worden gemaakt met sterretjes en voetnoten. Je kunt het natuurlijk op z’n Paardekooperiaans doen: gewoon alle nederlandse zelfstandige naamwoorden opsommen met hun meervoudsvorm. Zo doen woordenboeken en woordenlijsten het ook. Maar daarvan is het nadeel dat zelfs de achterachterkleinkinderen van Piet Paardekooper nog niet erin zullen slagen zelfs maar de letter A te voltooien. Los daarvan: die metode zou bij Kraak een dikke onvoldoende hebben opgeleverd; daarover meer in mijn Kraakartikel.
Wat wel duidelijk werd, was dat de meervoudvorming van nederlandse woorden enorm kompleks is en nog lastiger te beschrijven dan de verkleinvormen van onze zelfstandige naamwoorden. En ook al is de skripsie nu bijna 50 jaar oud, de observasies zijn nog steeds geldig en bruikbaar, al zullen de inmiddels vele nieuwe uitheemse woorden nog wel tot wat verdere verfijning en beregeling dwingen. Mij schiet zo meteen alleen crash te binnen (nog niet in Van Dale 8e druk 1961), meervoud: crashes, dat door de toenmalige regels volgens mij niet wordt gedekt, of het zou moeten zijn dat het woord als [VREEMD] wordt gelabeld en zijn oorspronkelijke, engelse meervoud behoudt. Maar dan heb je ook nog putsch (al wel in Van Dale 8e druk 1961), ook [VREEMD], maar dat krijgt dan weer niet zijn duitse meervoud putsche, maar het vernederlandste putschen. Misschien een goed argument om maar liever over neerstorting(en) en staatsgreep/-epen te spreken.

Ik heb de 19 paginaas van het stuk niet overgetypt, maar gescand. Hieronder de gedigitaliseerde versie van de originele foliovellen:







Pas 31 jaar later zou Kraak erachter komen wie de typist van dit stuk was geweest. Dat verklap ik nou nog even niet.

 

Ik heb een tien voor taal

De heruitzending op 6 januari 2019 van het programma TV Monument: Drs.P. (2017, BNNVARA) bracht mij in herinnering dat ik mij tijdens mijn docentjaren op het Elzendaalcollege te Boxmeer vrij intensief heb beziggehouden met het liedrepertoire van de Drs. en vooral met zijn ongeëvenaarde rijmkunst.
Onder het motto “Ik heb een tien voor taal, maar rijmen doe ik niet aan mee” stelde ik in 1980, in de aanloop naar Sinterklaas, een overzicht samen van soorten rijm in het Nederlands. Het werd een beknopt, maar alleszins veelomvattend taalwetenschappelijk werkje met een vette glimlach. Getypt op mijn elektrische IBM-bolletjesschrijfmachine, want tekstverwerken was er toen nog niet bij.
Omdat ik niet wil uitsluiten dat sommige leerlingen van destijds het boekje niet meer beschikbaar hebben, en omdat er wellicht ook nog anderen in zijn geïnteresseerd, laat ik het hier gescand en integraal volgen, met alleen een kleine aanpassing op pagina 2.
Vrij te gebruiken/verspreiden voor wie daaraan behoefte gevoelt.


Apetrots en keileuk

Ik ben hondsdol op taalkundige verzamelingen. Zo begon ik ooit aan een verzameling van vastevoorzetselverbindingen, denkend dat het er “vast wel duizend” zouden worden. Na jaren stond de teller op bijna vierduizend. Geen taal ter wereld doet dat het Nederlands na.

Misschien geldt iets dergelijks voor bijvoeglijke naamwoorden/bijwoorden die uit twee leden bestaan en waarvan het eerste lid de betekenis heeft “heel erg“, zoals in apetrots en keileuk: heel erg trots/leuk. In het Nederlands kan dat, net als in het Duits (heilfroh, sturzbetrunken, stinklangweilig, en met tegenzin de regel uit het Nazilied: Blut muß fließen knüppelhageldick, …), doordat onze woordvormingregels dat toelaten, anders dan bijvoorbeeld in het Frans of Italiaans. Maar de vierduizend zal de reeks bij lange na niet halen, schat ik.

Ik trapte op 2 september 2018 maar even af met een voorlopige reeks van 80 stuks verschillende versterkingswoorden, op één zondag in de auto bij elkaar bedacht, en vroeg lezers de lijst aan te vullen. Tot 26 maart 2020 had ik er nog eens 136 nieuwe aan kunnen toevoegen en weer vijf moeten verwijderen omdat ze niet aan de voorwaarden voldeden (honkvast, moederziel, plompverloren, polyinterpretabel en steevast), zodat er 211 resteerden. Lees hieronder en bij de reacties de motivatie voor dat schrappen van die woorden.
Na het samenvoegen op 11 april 2020 van deze lijst met die uit Opperlans! van Battus (Querido 2002, ISBN 9789021454337) nam het aantal met 41 toe, waardoor er nu, 29 april 2020, na ook het toevoegen van sterhelder, parelwit, nachtzwart en baggervet, een verzameling van 256 versterkende voorvoegsels is ontstaan. Zie ook het verslag van die samenvoeging.

Spelregels: het moet gaan om tweeledige samenstellingen die in hun geheel bijvoeglijke naamwoorden of bijwoorden zijn, dus geen zelfstandige naamwoorden als het eigeel of het droomdebuut. Verder moet het eerste lid duidelijk een graadaanduidende, versterkende werking hebben; eigeel en mariablauw als bijvoeglijke naamwoorden/bijwoorden hebben dat niet, net zomin als hondsdolvlaamsgezind, bloedstollend, hemelsbreed, kamerbreedkopsterk, zinneprikkelend of kankerverwekkend. Die voorwoorden geven een specificatie of een soort lijdend voorwerp of zoiets, maar geen versterking. Probeer maar het eerste lid te vervangen door “heel erg” of “helemaal“; als dat lukt, dan zit je goed. Ook als je de samenstelling X-Y kunt vervangen door “zo Y als X“, “zo zoet als honing“, “heel erg zoet“, lijkt het een voltreffer te zijn.
Om die reden heb ik de verzameling woorden die eindigen op -loos niet opgenomen, zoals bodemloos, eindeloos, mateloos, oeverloos, radeloos, tomeloos en zielloos. Bij die woorden kun je niet parafraseren met “heel erg loos“. Integendeel. Loos heeft hier de betekenis ‘zonder‘, zodat in feite het omgekeerde het geval is: deze woorden laten zich parafraseren als “zonder bodem/einde/maat/oever/raad/toom/ziel“, en horen dus niet in de reeks thuis, want het eerste lid is geen versterkend deel, maar het hoofddeel.
Soms is er twijfel mogelijk: zo vind ik ruimhartig en breedvoerig niet passen in de reeks, want de parafrases “heel erg hartig” en “heel erg voerig” lijken mij incorrect. Sneeuwwit en snotverkouden zijn eigenlijk ook twijfelgevallen; duiden ze een soort aan of een versterking? Grootmoedig heb ik wel in de lijst opgenomen, al betekent moedig doorgaans iets anders.
Een van de respondenten wees mij op het feit dat poly-, als in polyinterpretabel, geen versterkend eerste deel is, maar een hoeveelheid aanduidt. Dat geldt dan ook voor woorden als meervoudig, multifunctioneel, veelzijdig e.d. Daar is het niet de betekenis “heel erg“/”helemaal“, maar de betekenis “heel erg veel“, waarmee het geen gradatie aanduidt, maar een kwantiteit. Om die reden heb ik ook polyinterpretabel uit de lijst geschrapt.
Een ander twijfel- of randgeval is roodgloeiend. In Hoogoventermen kun je rood als een specificatie van gloeiend lezen, maar als de telefoon roodgloeiend staat, gaat dat niet op. Denk ook aan witheet met zijn figuurlijke lezing, waarin wit wel degelijk een versterkend deel is.
En wat te denken van dagdagelijks? Betekent dat echt “heel erg dagelijks; alledaags, gewoontjes“? Ik heb het vooralsnog maar niet opgenomen.

Let wel, het gaat hier alleen om de versterkende woorddelen, dus om woorden waarvan het eerste, versterkende lid niet al in de lijst voorkomt, bijvoorbeeld: superstaat al in de lijst, dus supermooi, supersnel, superintelligent &c insturen heeft geen zin, want supergaaf staat er al.

  1. aalglad
  2. aardedonker
  3. aartslui
  4. almachtig *)
  5. apetrots
  6. appelweek
  7. asgrauw
  8. baggervet
  9. barstensvol
  10. beeldschoon
  11. beendroog
  12. bekaf
  13. beresterk
  14. berstensvol
  15. bikkelhard
  16. bitterkoud
  17. bladstil
  18. blafheet
  19. blakstil
  20. bliksemsnel
  21. bloedserieus
  22. bokkoud
  23. bom(metje)vol
  24. boomlang
  25. boordevol
  26. borendevol
  27. boterzacht
  28. brandschoon
  29. bremzout
  30. brilfokkingjant **)
  31. broodnodig
  32. dagenlang
  33. dieptriest
  34. dikverdiend
  35. doldriest
  36. donszacht
  37. doodsbang
  38. doodziek
  39. doornat
  40. drijfnat
  41. druipnat
  42. duifgrijs
  43. duimendik
  44. eeuwenlang
  45. eivol
  46. ellenlang
  47. extreemrechts
  48. ezelsdom
  49. felbegeerd
  50. fliederdun
  51. flinterdun
  52. fluweelzacht
  53. foeilelijk
  54. fonkelnieuw
  55. gifgroen
  56. gigagroot
  57. gitzwart
  58. glashelder
  59. gloednieuw
  60. gloeiendheet
  61. godsonmogelijk
  62. gortdroog
  63. goudeerlijk
  64. graatmager
  65. grootmoedig
  66. haarfijn
  67. hagelblank
  68. helverlicht
  69. hemelhoog
  70. hemelsmooi
  71. hondsmoe
  72. honingzoet
  73. hoogbejaard
  74. hoogstwaarschijnlijk
  75. hoorndol
  76. huize(n)hoog
  77. hyperintelligent
  78. ijskoud
  79. ijzersterk
  80. inktzwart
  81. intriest
  82. kaarsrecht
  83. kakelvers
  84. kanondoof
  85. kanonnenzat
  86. katjelam
  87. keileuk
  88. kerngezond
  89. kersvers
  90. kiezelhard
  91. kikkergroen
  92. kipfit
  93. klaarwakker
  94. kleddernat
  95. klemvast
  96. kletsnat
  97. klinkklaar
  98. knakeduur
  99. knalrood
  100. knaphandig
  101. kneite(r)hard
  102. knettergek
  103. knoepduur
  104. knoerthard
  105. knotsgek
  106. koekerond
  107. koekwarm
  108. kogelrond
  109. kokendheet
  110. kotsmisselijk
  111. kraakhelder
  112. krijtwit
  113. kristalhelder
  114. kurkdroog
  115. kwarteldoof
  116. ladderzat
  117. lammerzacht
  118. lelieblank
  119. lentefris
  120. leplazarus
  121. levensecht
  122. lijkbleek
  123. lijnrecht
  124. loeihard
  125. loepzuiver
  126. loodzwaar
  127. megagroot
  128. melkwit
  129. messcherp
  130. metershoog
  131. mierzoet
  132. mijlenver
  133. moddervet
  134. mokerhard
  135. mollenvellig
  136. morsdood
  137. mud(je)vol
  138. muisstil
  139. muurvast
  140. naaldscherp
  141. nachtzwart
  142. nagelvast
  143. nokvol
  144. oersaai
  145. okselfris
  146. oliedom
  147. oppermachtig
  148. ovenvers
  149. overheerlijk
  150. paardenzat
  151. paasbest
  152. paddenmoedernaakt
  153. panklaar ***)
  154. papierdun
  155. parelwit
  156. pauwmooi
  157. peperduur
  158. piekfijn
  159. piemelnaakt
  160. piepklein
  161. piernaakt
  162. pijlsnel
  163. pik(ke)donker
  164. pimpelpaars
  165. pislink
  166. poedelnaakt
  167. poep(ie)link
  168. poeslief
  169. pokkensaai
  170. pompaf
  171. potdicht
  172. prinsheerlijk
  173. proppensvol
  174. propvol
  175. pufheet
  176. puikbest
  177. puntgaaf
  178. ragfijn
  179. rasecht
  180. ravenzwart
  181. razendsnel
  182. retegoed
  183. reuzeblij
  184. roetzwart
  185. roodgloeiend
  186. roomblank
  187. rotsvast
  188. schathemeltjerijk
  189. schatrijk
  190. schijtnerveus
  191. smoorverliefd
  192. sneeuwwit
  193. snikheet
  194. snipverkouden
  195. snoeihard
  196. snorziek
  197. snotverkouden
  198. spekglad
  199. spiegelglad
  200. spierwit
  201. spijkerhard
  202. spiksplinternieuw
  203. spinnijdig
  204. spotgoedkoop
  205. splinternieuw
  206. sprietmager
  207. springlevend
  208. spuugzat
  209. staalblauw
  210. stampensvol
  211. stampvol
  212. stapelgek
  213. starnakelzat
  214. steenrijk
  215. stekeblind
  216. sterhelder
  217. stervenskoud
  218. stiervervelend
  219. stijfbevroren
  220. stikdonker
  221. stinkrijk
  222. stokstijf
  223. stomverbaasd
  224. straalbezopen
  225. straatarm
  226. strakblauw
  227. strontziek
  228. supergaaf
  229. tintelfris
  230. tjokvol
  231. tjopvol
  232. toeterzat
  233. ton(ne)rond
  234. topfit
  235. torenhoog
  236. torrezat
  237. ultramodern
  238. vederlicht
  239. vliegensvlug
  240. vliesdun
  241. vlijmscherp
  242. vlinderlicht
  243. vogelvrij
  244. volvet
  245. vuistdik
  246. vuurrood
  247. wagenwijd
  248. watervlug
  249. wijdverbreid
  250. wildvreemd
  251. witheet
  252. wonderschoon
  253. zeiknat
  254. zielsgelukkig
  255. zijdezacht
  256. zonneklaar

Ik wacht verdere reacties af.
_______________________________
*) Tot de groep woorden beginnend met het versterkingsdeel al- behoort ook een grote reeks Frans-Vlaamse woorden als albachten, albuuten. alzeeker; ze zijn te vinden op p.17-18 van het digitale Frans-Vlaamse woordenboek dat HIER online is te raadplegen.
**) brilfokkingjant is een vreemde eend in de bijt, met dank aan Paulien Cornelisse.
Ik neem aan dat het een samenstelling is van briljant en het versterkingsdeel fokking.
Daarmee is het het enige woord in de lijst waarbij het versterkende element niet vooraan het woord staat, maar tussenin is ingelast.
***) Zie voor een discussie over panklaar hier onderaan bij de reactie van 9 december 2019.

Futuristisch

Om aan te geven dat een gebeurtenis of handeling in de toekomst plaatsvindt, gebruik je in principe de toekomende tijd (ook wel futurum of future genoemd). Daarvoor staan er diverse taalvormen ter beschikking. Maar per taal verschillen de mogelijkheden nogal. Voor het Nederlands zijn er dat alles bij elkaar vier.

Zuid-Europese (Romaanse) talen als het Frans, Italiaans en Spaans hebben een werkwoordsvorm die specifiek is bestemd om een toekomstige handeling of gebeurtenis aan te geven. In die talen kun je dus aan de werkwoordsvorm zien dat de toekomende tijd wordt bedoeld. Een voorbeeldje, als je wilt aangeven “dat wij er later nog wel over spreken” (de werkwoordsvormen staan onderstreept):

(1) (Frans) Nous en parlerons plus tard.
(2) (Italiaans) Ne parleremo più tardi.
(3) (Spaans) Hablaremos de eso más tarde.

Meer noordelijker Europese talen als Nederlands, Engels, Duits, Deens en Zweeds kennen deze speciale werkwoordsvorm niet. In die talen moet je je dus van andere middelen bedienen.

Alternatieven voor het Nederlands

In ieder geval voor het Nederlands geldt dat er vier mogelijkheden zijn om over de toekomst te spreken:

  • 1. De meest eenvoudig is de zin gewoon in de tegenwoordige tijd te zetten, in de hoop dat de hoorder/lezer wel snapt dat je het over de toekomst hebt:

(4) Nog één zo’n opmerking en ik vertrek!
(5) IJs en weder dienende kom ik bij je langs.

  • 2. Wil je nog iets duidelijker zijn dan voeg je aan de zin in de tegenwoordige tijd een tijdsbepaling toe die vooruit in de tijd ligt, dus rechts van NU op de tijdlijn:

(6) Morgen bel ik je nog wel op.
(7) Binnenkort ben ik jarig. Ik nodig dan de hele familie uit.

  • 3. De derde mogelijkheid is het gebruik van een speciaal hulpwerkwoord (“van de toekomende tijd”):

(8) Als hij de foto’s onder ogen krijgt, gaat hij wel wat spraakzamer worden.
(9) Wat dit voor gevolgen heeft, zal de toekomst ons nog leren.

  • 4. Een bijzondere manier is het gebruik van een pseudokoppelwerkwoord als raken of komen. Van onze enige drie echte koppelwerkwoorden zijnworden en blijven*) kennen de eerste twee enkele stilistische nevenvormen. Voor zijn, dat wijst op de huidige situatie, dus tegenwoordige tijd, zijn dat staanzittenvormen en vallen (Het staat/valt/is te bezien. Zo’n onweer vormt/is geen uitzondering. De doos zit/is vol). Voor worden, dat wijst op een toekomstige situatie, zijn dat raken en komen te: zeg je “Ik raak vermoeid“, dan bedoel je aan te geven dat er een begin wordt gemaakt met jouw vermoeid zijn. Zeg je “Deze regeling komt te vervallen“, dan bedoel je aan te geven dat er in de toekomst een moment komt waarop de regeling niet meer van kracht is.

Gaan of zullen?

In zeer veel taalmethoden en grammatica’s staat het hulpwerkwoord zullen genoemd als de ‘normale’ aanduider van de toekomende tijd, maar eigenlijk is dat onjuist.
Zullen behoort tot het rijtje van modale hulpwerkwoorden (zullenwillenkunnenmogenmoetenlaten). Deze werkwoorden hebben als overeenkomstige betekeniskenmerk dat zij de bijbehorende bewering plaatsen op de lijn van ofwel onwaarschijnlijk naar waarschijnlijk, ofwel ongewenst naar gewenst. Zo drukt zal in zin (9) niet zozeer de toekomst uit, als wel de waarschijnlijkheid die de spreker wenst uit te drukken. Bij gebruik van zullen is er dus steeds, en hoofdzakelijk, sprake van een (on)waarschijnlijkheid of een (on)gewenstheid; daarom heet het ook een modaal hulpwerkwoord.

Bij gaan ligt dat geheel anders. Dat werkwoord kan wijzen op een verplaatsing:

(10) Ik ga naar boven.
(11) In de wintermaanden gaan zij altijd naar Spanje.

In die zinnen betekent gaan: “zich verplaatsen“, en drukt het ook niet noodzakelijk een toekomst uit. Maar gaan, als het niet “zich verplaatsen” betekent, doet dat wel:

(12) Ik ga nadenken hoe ik hierop moet reageren.
(13) Dat gaat nog een hele kluif worden!

In deze en soortgelijke gevallen plaatst gaan de gebeurtenis op de tijdlijn, de lijn van links=vroeger naar rechts=later, en wel op een moment later dan het moment NU, dat midden op die tijdlijn ligt. Toekomende tijd dus. Zie bovenstaande afbeelding.
Dit gebruik van gaan als enige Nederlandse hulpwerkwoord van de toekomende tijd treffen we al aan in het Middelnederlands (1200-1500). Opmerkelijk is, dat het grote Woordenboek der Nederlandsche taal, dat het Nederlands beschrijft van 1500-±1920, dit gebruik afwijst als ‘gallicisme’, dus een te sterk van het Frans overgenomen gebruiksvorm, vooral in ons taalgebied binnengeslopen via het Vlaams.

Dat brengt mij weer even bij zin (1) hierboven. Ook het Frans kent namelijk een andere manier voor de toekomende tijd dan die specifieke werkwoordsvorm (in dit geval: parlerons). Naast die vorm hoor je met grote regelmaat, en zonder kennelijk betekenisverschil, het gebruik van aller (“gaan“) als hulpwerkwoord van de toekomende tijd:

(1a) Nous allons en parler plus tard.

en kun je naast elkaar gebruiken, zonder betekenisverschil, als je wilt uitdrukken dat “het wel zal lukken“:

(14a) Ça ira (toekomende-tijdvorm)
(14b) Ça va aller (va als hulpwerkwoord van de toekomende tijd; vergelijk het Vlaamse “Dat gaat wel gaan“.

Nog steeds gebruiken Vlamingen het toekomende gaan veel vaker dat Noord-Nederlanders:

(15) Dat gaat niet goed gaan.
(16) Je gaat de nieuwste ontwikkelingen niet kunnen tegenhouden.

Over het verschil in gebruik en betekenis tussen gaan en zullen is op internet nog veel meer te vinden.

Ook als gaan in de verleden tijd wordt gebruikt, kan het nog wel degelijk op de toekomst wijzen. We kennen in het Nederlands daarom ook de afkorting OVTT (Onvoltooid Verleden Toekomende Tijd).
Een wat ingewikkelde situatieschets: Sander wil buiten gaan voetballen, maar hij weet dat zijn ouders het niet op prijs stellen als hij te laat thuiskomt om te eten. Hij stelt daarom voor vertrek de vraag:

(17) Hoe laat gingen we ook al weer eten?

Wat Sander hier op de tijdlijn doet is uiterst boeiend: hij spreekt de zin op het moment NU, dat ligt bij X . Door de verleden tijd gingen te gebruiken (dus gelegen links van NU; vroeger in de afbeelding), refereert hij aan een eerdere uitspraak die het etenstijdstip bevatte, maar die betrekking had op een later moment (dus rechts van NU; toekomst in de afbeelding) waarop dat eten zal beginnen. Merk daarbij tevens op dat Sander de toekomst niet uitdrukt met zullen, maar met gaan. Zullen is hier niet mogelijk als hulpwerkwoord van toekomende tijd, maar uitsluitend als hulpwerkwoord van modaliteit. Zou hij hebben gevraagd:

(17) Hoe laat zouden we ook al weer eten?

dan drukt hij een waarschijnlijkheid uit, of eventueel een wenselijkheid, terwijl hij nu juist de zekere afspraak van de etenstijd wilde bevragen.

Het “ook al weer” is een typisch Nederlandse gewoonte om met behulp van stop- en bijwoordjes het grijs tussen zwart en wit aan te geven, of, in dit geval, Sanders onzekerheid over het afgesproken tijdstip. Een heel boeiende zin, alles bij elkaar.

Kort samengevat: Het hulpwerkwoord zullen heeft in hoofdzaak een modale betekenis (dus van waarschijnlijkheid of gewenstheid). Als er al een verwijzing naar de toekomst in de zin ligt, komt dat meer op rekening van de context en/of de rest van de zin, dan op het gebruik van zullen.
Het hulpwerkwoord gaan (niet in de betekenis van “zich verplaatsen“) wijst op een handeling of toestand in de toekomst, en is als zodanig ook het enige echte hulpwerkwoord van de toekomende tijd.
In Vlaams-Nederlands, zeker in gesproken Vlaams, is het gebruikelijker dan in het Noord-Nederlands om gaan te gebruiken als hulpwerkwoord van toekomende tijd. Het is al zó ingeburgerd, dat het niet langer zinvol is het als ‘gallicisme’ af te wijzen. Integendeel: als functiedrager van de toekomende tijd is het veel zuiverder dan het modale zullen.
_________________
*) Zie daarvoor mijn artikel op
https://educatie-en-school.infonu.nl/taal/18451-koppelwerkwoorden-hoeveel-en-waarom.html 

 

Heel conditioneel

Is het een kwestie van rijkdom of van armoe, als een taal veel verschillende manieren heeft om hetzelfde uit te drukken?
Nederlandstalige stilisten zullen blij zijn met de geboden variatie;
niet-Nederlandstaligen zullen er geen barst van begrijpen.
Een bijgewerkte versie van wat ik mijn studenten-Nederlands in 2005 probeerde duidelijk te maken.

Een concept is een abstracte voorstelling van een toestand of gebeurtenis, die met taalmiddelen kan worden uitgedrukt. Zo betekent bijvoorbeeld het concept GEVEN dat er iets overgaat van iemand (de gever) naar iemand (de krijger), waarvoor wij werkwoorden als geven, gooien, toesturen kennen, maar ook ontvangen, opvragen, ontfutselen enz.

Het concept waarover ik het hier wil hebben, is het concept VOORWAARDE. In termen van de logica: een bewering is waar, alleen, maar niet uitsluitend, als aan de vermelde voorwaarde is voldaan. Simpel voorbeeld: Als het regent (voorwaarde), wordt de stoep nat (bewering). De stoep kan natuurlijk ook nat worden doordat ik er een emmer water overheen gooi, maar dat is nu niet aan de orde en wordt door de gegeven zin ook niet ontkend.

Ik denk dat het concept VOORWAARDE tot de taaluniversalia behoort, d.w.z. dat alle talen over de mogelijkheid beschikken dat concept talig uit te drukken.

Het Nederlands beschikt volgens mij over zeker acht syntactische (de taalvorm betreffende) constructies die duidelijk maken dat we een voorwaardelijke bewering willen uiten. Ik som ze hier op, met enig toelichtend commentaar.

 

1. Met behulp van een voegwoord van voorwaarde + inversie:

(1a)      Als hij morgen nog niet heeft geantwoord, (dan) bel ik hem op.
(1b)      Indien hij morgen nog niet heeft geantwoord, (dan) bel ik hem op.
(1c)      Ingeval hij morgen nog niet heeft geantwoord, (dan) bel ik hem op.
(1d)      Wanneer hij morgen nog niet heeft geantwoord, (dan) bel ik hem op.
(1e)      Zo hij morgen nog niet heeft geantwoord, (dan) bel ik hem op.
(1f)       En g’ hebt, van zo gij roert, mijn man, uw laatste dag geleefd!
(1g)      Zodra hij iets van zich laat horen, (dan) geef ik hem jouw oplossing.
(1h)      Zolang (als) hij niks van zich laat horen, geef ik hem jouw oplossing niet.

Commentaar: inversie wil zeggen, dat na de linker zin (de voorwaarde), eerst de persoonsvorm volgt en dan pas het onderwerp: bel ik, in plaats van ik bel. Dat op zich is niet vreemd: in Nederlandse hoofdzinnen staat de persoonsvorm op de tweede zinsplaats. Hier vormen de voorwaardelijke linker zinnen de eerste zinsplaats, en staat de persoonsvorm dus keurig op de tweede plaats. Eventueel kan het aanwijzend bijwoord dan tussen beide zinnen worden geplaatst of gedacht als een soort herhalende bepaling.
In (1f), een zin uit Boerke Naas van Guido Gezelle, treedt geen inversie op, maar na vooropplaatsing: Van zo gij roert, hebt ge uw… weer gewoon wel.
Zinnen met als of indien zijn in feite de standaardvorm voor een voorwaardelijke uitspraak. Bij sommige van de andere vormen (wanneer, zodra, zolang) zou je ook kunnen denken aan een concept OMSTANDIGHEID naast dat van VOORWAARDE.

 

2. Met behulp van een hulpww. van modaliteit in de tegenwoordige tijd + vraagzinvorm:

(2a)      Wil hij morgen nog niet hebben geantwoord, dan bel ik hem op.
(2b)      Ik bel hem morgen op, wil hij dan nog niet hebben geantwoord.
(2c)      Laat hij morgen nog niet hebben geantwoord, dan bel ik hem op.

Commentaar: Hulpwerkwoorden van modaliteit (dat zijn kunnen, zullen, willen, moeten, mogen en laten) zijn hulpmiddelen om een bewering ergens te plaatsen op de realiteitslijn van 0 (helemaal onwaarschijnlijk) tot 1 (absoluut zeker); de meeste van onze beweringen zijn niet zo uiterst zwart of wit, maar enige vorm van grijs: ergens tussen 0 en 1 in. Hij kan komen zit ergens in het midden; hij zal wel niet komen nogal aan de linker kant, dicht bij 0.
Door in de zinnen (2a) t/m (2c) wil of laat te gebruiken, houdt de spreker open of de voorwaarde realiteit zal zijn, dus het opbellen is onzeker, zolang het niet zeker is of aan de voorwaarde wordt voldaan.

 

3. Met behulp van een hulpww. van modaliteit in de verleden tijd + vraagzinvorm:

(3a)      Mocht hij morgen nog niet hebben geantwoord, (dan) bel ik hem op.
(3b)      Zou hij morgen nog niet hebben geantwoord, (dan) bel ik hem op.

Commentaar: Voor een deel geldt hier hetzelfde als bij 2., namelijk v.w.b. het gebruik van een modaal hulpwerkwoord. Wat echter opvallend is, is het gebruik van de verleden tijd, terwijl we het toch over “morgen” hebben. Ik vermoed dat mocht en zou, weliswaar in de vorm van de verleden tijd, in wezen een conjunctief is (= subjonctif = aanvoegende wijs); in voorkomende gevallen zou het Frans eût gebruiken (subjonctif) in plaats van de verleden tijd avait en het Duits möchte (konjunktiv) in plaats van de verleden tijd mochte. Daarmee wordt, behalve het voorwaardelijke aspect, ook het modale, onzekere aspect geduid: je weet morgen pas of hij wel of niet heeft geantwoord.

 

 4. Met behulp van de vraagzinvorm:

(4a)      Heeft hij morgen nog niet geantwoord, (dan) bel ik hem op.
(4b)      Kun je nog zingen, zing dan mee.
(4c)      Houd je van vlees, (dan) braad je in Croma. *)
(4d)      Was/Ware dat niet gebeurd, (dan) had ik meteen maatregelen getroffen.
(4e)      Was/Ware dat niet gebeurd, ik had meteen maatregelen getroffen. 

Commentaar: De zinnen (4a) t/m (4c) zijn een meer moderne, kortere manier om VOORWAARDE uit te drukken: gewoon de tegenwoordige tijd gebruiken, maar de vraagzinvolgorde gebruiken (heeft hij in plaats van hij heeft) en door de intonatie aangeven dat je een voorwaarde stelt. Luister bij jezelf maar naar het intonatieverschil tussen (4a1) en (4a2):
(4a1)    Heeft hij morgen nog niet geantwoord, dan bel ik hem op.
(4a2)    Heeft hij morgen nog niet geantwoord? Dan bel ik hem op

Uit (4d)-(4e) blijkt dat we die vraagzinvolgorde ook kunnen hanteren in de verleden tijd, en hier zien we dat de aanvoegende wijs (zie hierboven bij 3.) opeens ook zichtbaar kan worden: ware.
Verder: Uit het feit dat in (4e) de hoofdzin ik had meteen… niet met de persoonsvorm begint (zoals in alle zinnen (4a) t/m (4d)), maar met het onderwerp, mag je afleiden dat het hier eigenlijk niet om een voorwaarde, maar een toegeving gaat, net als in zinnen als: Al zeur je nog zo lang, je krijgt die auto niet.”; Ook al deed zij haar best, het lukte haar niet.”.

 

5. Met behulp van een hypothetisch werkwoord in de gebiedende-wijsvorm + object:

(5a)      Stel dat hij morgen nog niet heeft geantwoord, dan bel ik hem op.
(5b)      Stel je voor dat hij morgen nog niet heeft geantwoord, dan bel ik hem op.
(5c)      Veronderstel dat hij morgen nog niet heeft geantwoord, dan bel ik hem op

Commentaar: Behalve dat hier sprake is van een voorwaarde (het morgen nog niet geantwoord hebben) is ook ingebouwd dat de spreker het open houdt of daaraan zal worden voldaan, door bijna neutraal de mogelijkheid te opperen dat die gebeurtenis zal plaatsvinden. Stellen, voorstellen en veronderstellen zijn werkwoorden die het evenement ongeveer halverwege de onder punt 2. al eerder genoemde realiteitslijn van “zeker niet” tot “zeker wel” plaatsen.

 

6. Met behulp van een hypothetisch werkwoord in de deelwoordvorm + object:

(6a)      Aangenomen dat hij morgen nog niet heeft geantwoord, bel ik hem op.
(6b)      Gesteld dat hij morgen nog niet heeft geantwoord, dan bel ik hem op.
(6c)      Verondersteld dat hij morgen nog niet heeft geantwoord, dan bel ik hem op.
(6d)      Vooropgezet dat hij morgen nog niet heeft geantwoord, dan bel ik hem op.
(6e)      Ervan uitgaande dat hij morgen nog niet heeft geantwoord, dan bel ik hem op. 

Commentaar: Bij deze zinnen geldt hetzelfde als bij de zinnen onder 5., al is de variatie van de positie op de realiteitslijn wat groter: aangenomen plaatst het evenement wat meer naar rechts (richting “zeker wel”), en voor ervan uitgaande dat geldt dat in nog sterkere mate.
Bij alle zinnen (5a) t/m (6e) is het qua zinsconstructie en betekenis mogelijk het eerste, vetgedrukte gedeelte te vervangen door als of indien, waarmee die constructie op gelijk niveau staat met zin (1a).

 

7. Met behulp van een nevenschikking in de tegenwoordige tijd met voegwoord en of of:

(7a)      Nog één doelpunt van de thuisploeg en het staat weer gelijk.
(7b)      Je hoeft hem maar één kans te geven of het staat weer gelijk.
(7c)      Je hoeft je handtekening maar te zetten en/of je zit eraan vast.
(7d)      Nog ietsje verder voorover bukken en je valt in het water

Commentaar: Zin (7a) is een wat curieuze constructie: het voegwoord en verbindt hier niet twee nevengeschikte zinnen, want het linker lid (“Nog één doelpunt van de thuisploeg“) is geen zin. Toch is een zin als (7a) zeer gangbaar. Van (7d) kan worden gesteld dat het linker deel een ellips is (de persoonsvorm ontbreekt), al is het niet of nauwelijks mogelijk die weer aan de zin toe te voegen met gelijkblijvende nevenschikkende en-constructie.
Bij (7b)-(7c) staat die persoonsvorm er wel (hoeft), maar hier is het opvallend dat het nevenschikkende of kan worden gebruikt, terwijl er toch van een keuze helemaal geen sprake is. Daarbij komt ook nog dat hoeft wordt gebruikt, terwijl de zin geen ontkenning bevat, hetgeen bij het gebruik van hoeven wel de standaard is (anders gebruik je moeten).
Dit gebruik van of doet denken aan de zgn. balansschikking (“Ik was nog niet thuis of het begon te regenen“; “Je kunt het zo gek niet bedenken of hij weet er wel een oplossing voor“) waarin het linker lid echter wel altijd altijd een ontkenning moet bevatten **). Bij de balansschikking is er van een voorwaarde helemaal geen sprake; ook is het zo dat of in al deze gevallen niet een keuze uitdrukt, net als bij (7b) en (7c).
Zie voor mijn uitgebreide behandeling van de balansschikking DIT artikel.

 

8. Met behulp van een idiomatische verbinding + bijvoeglijke bijzin:

(8a)      In het geval dat hij morgen nog niet heeft geantwoord, bel ik hem op.
(8b)      Op voorwaarde dat je het niet verder vertelt, noem ik je een paar namen.
(8c)      Onder beding dat je het niet verder vertelt, noem ik je een paar namen.
(8d)      Onder/Op conditie dat je het niet verder vertelt, noem ik je een paar namen.

Commentaar: Deze inleiders van de voorwaarde zijn alle varianten van als/indien, waarbij slechts een licht nuanceverschil in de betekenis valt waar te nemen. Ongetwijfeld is deze reeks (8a)-(8d) nog uitbreidbaar. Het verschil met de voorbeelden (5a) t/m (6e) is alleen van syntactische aard: onder 5. en 6. treffen we een werkwoordsvorm aan gevolgd door een bijbehorend object (lijdend voorwerp of voorzetselvoorwerp, beginnend met dat), onder 8. staan voorbeelden van een zelfstandig naamwoord (geval, voorwaarde, beding, conditie) met een bijbehorende bijvoeglijke bijzin, wederom ingeleid door dat. Het aspect VOORWAARDELIJK blijft niettemin geheel intact.

______________________________________

*) Klooster (Grammatica van het hedendaags Nederlands, 2001, p.324-325) spreekt in dit verband van Croma-zinnen.

**) Voor de balansschikking: zie Van den Toorn, Nederlandse Grammatica, 19849, p.107-109.

 

 

 

De V-LIJST

Een centraal punt in mijn proefschrift over voorzetsels (2003) was de zogenaamde V-lijst, een opsomming van vaste voorzetselverbindingen in het Nederlands, Omdat over die lijst het laatste woord nog niet is gesproken, wil ik die hier nog even in herinnering roepen en toelichten. De betreffende lijst stuur ik, op verzoek, in Excelformaat graag toe.

 

Uitgangspunt
De voornaamste reden dat ik mij zo ging vastbijten in voorzetsels (“Heb je niks beters te doen?”) was een onderwijservaring. Zeker op de middelbare school, maar vermoedelijk is het op de basisschool niet anders gesteld, bestaat er geen behulpzame voorzetseldidactiek. De meeste methoden gaan niet verder dan invuloefeningetjes van het type “vul op de stippeltjes het juiste voorzetsel in”. Leerlingen doen dat dan en krijgen vervolgens een 6 of een 2 of een 9 voor die oefening, en men gaat over tot de orde van de dag. In het gunstigste geval staat er nog ergens de volstrekt onvolledige, zelfs onjuiste definitie: “een voorzetsel is een woord dat past op de stippeltjes van … het kooitje”. Onvolledig, omdat de voorzetsels van tijd daarmee niet worden ondervangen, dus zeg in plaats van “het kooitje” liever “het kooitje of de vergaderingen” om ook tijdens, gedurende, na en tussen erbij te krijgen. Ook onvolledig, omdat voorzetsels die niet plaatsaanduidend zijn, zoals krachtens en vanwege, niet erg voor de hand liggen ter invulling. Onjuist, omdat je op die stippeltjes ook wel mogelijk, zelfs of juist kunt plaatsen, evident niet-voorzetsels. Als leerling had ik het er niet zo moeilijk mee, maar eenmaal voor de klas staande had ik geen zin een leerling een onvoldoende te geven zonder ook maar enige handreiking te kunnen bieden hoe het volgende keer beter zou kunnen gaan. En het kan beter, is mijn overtuiging.

Ontstaan
Ik merkte dat problemen bij leerlingen niet zozeer zaten in het juiste voorzetselgebruik als het gaat om tijd- of plaatsbepaling; voor en achter, voor en na, dat lukt meestal nog wel (hoewel ik daarover ook schrijnende verhalen kan vertellen). De grootste problemen vormden de zogenaamde “betekenisloze voorzetsels”, waarmee eerlijk gezegd wordt bedoeld dat de leraar, of het lesboek, zelf niet weten welke betekenis ze eraan moeten geven: verzot zijn op, in tegenspraak tot en zo. Daarom begon ik op een gegeven moment met het samenstellen van een lijst van vaste-voorzetselverbindingen. Toen die al enige honderden gevallen lang was, legde ik een en ander voor aan een groep vierdejaars studenten van de deeltijdopleiding MO-Nederlands in Arnhem met een verzoek tot aanvulling, en twee weken later hadden we rond de 700 gevallen bij elkaar staan. Met mijn immer aanwezig enthousiasme verklaarde ik toen dat ik schatte dat het er zeker wel duizend zouden zijn. Enige jaren later publiceerde ik een lijst van 3867 van deze verbindingen.

Beperkingen
Aan de lijst kleven enkele beperkingen.

Allereerst weet ik niet of het een complete opgave is. Maar tot troost van mezelf kan ik het volgende zeggen: Jarenlang liep ik dagelijks rond met een papiertje en potlood in mijn zak en elke vaste-voorzetselverbinding die mij inviel, of die ik hoorde op straat of op de radio (2x op met een verschillende betekenis !) noteerde ik en dan werkte ik later mijn verzameling op de pc bij. Na mijn promotie werd ik minder fanatiek, maar met een scheef oor hoorde ik altijd nog wel interessante gevallen. Steeds echter bleken die al in mijn lijst te staan, en zo kan ik stellen dat ik in de afgelopen tien jaar er in feite niet eentje meer heb bijgevonden, zodat ik van een vrij complete lijst kant spreken.

Vervolgens heb ik mij bewust beperkt tot gevallen waarin het voorzetsel niet plaats of tijd aanduidt. Dus wel: “Hij stond voor zijn belofte”, maar niet “Hij stond voor zijn auto”. Het ging mij dus uitsluitend om wat ik maar noem “figuurlijke” voorzetsels, d.w.z. niet van plaats of tijd.

Voorts beperkte ik me tot de gevallen waarin het voorzetsel achter het trefwoord staat waarmee het een vaste verbinding vormt. Dus wel verzot zijn op, maar niet Op chique gaan” (trefwoord en voorzetsel zijn onderstreept).

Deze laatste twee beperkingen hebben natuurlijk alles te maken met het onderwijskundig probleem dat aan mijn hele onderzoek ten grondslag lag.

Codes
Behalve het noteren van de vaste verbinding, met een voorbeeldzinnetje erbij, deed ik nog iets: aan elke verbinding koppelde ik een zescijferige code. De eerste drie cijfers daarvan zeggen iets over de betekenis van het voorzetsel, de laatste drie cijfers over de vorm van de vaste verbinding. Bijvoorbeeld:

Betekenisode 111xxx duidt erop dat het voorzetsel de functie heeft van “reden”, een uitvloeisel van iets wat bewust en van tevoren is bedacht: condoleren met, kwaad zijn over, smalen om, en nog zo’n 220 andere verbindingen.

Betekeniscode 820xxx duidt erop dat wat achter het voorzetsel staat de functie heeft van lijdend voorwerp bij het trefwoord (maar zo niet mag heten bij het ontleden): dromen van, lesgeven in, vertrouwen op, en nog zo’n 540 andere verbindingen.

Vormcode xxx300 wijst op een combinatie van werkwoord + vast voorzetsel, dus wijzen op of snakken naar.

Vormcode xxx550 wijst op de combinatie van een naamwoordelijk gezegde + vast voorzetsel: aansprakelijk zijn voor, vol zijn van, enzovoort.

Ik kan niet beweren dat de lijst met coderingen feilloos is, maar het is wel de eerste keer dat ik een dergelijke zo complete verzameling ben tegengekomen. En ik had wel wat redenen om die poging te wagen.

Bruikbaarheid
Een eerste voordeel van de gecodeerde lijst is dat je door te hersorteren heel eenvoudig een deelverzameling kunt trekken van vaste-voorzetselcombinaties die op een bepaalde (vormelijke of inhoudelijke) eigenschap bij elkaar horen. Dat kan binnen het onderwijs handig zijn om groepen min of meer identieke gevallen onder ogen te krijgen (iets wat Den Hertog in zijn Grammatica uit ±1900 overigens ook al deed!), en bovendien kan het helpen bij het verkrijgen van inzicht in de betekenis van wat men zo graag “betekenisloze voorzetsels” pleegt te noemen. Ik geef twee voorbeelden:

Wij kunnen lijden, omkomen, sterven, enz. van of aan iets. Als je die combinaties goed gaat bekijken, zie je dat met aan de inwendige ziektes worden gecombineerd: kanker, de pest, malaria; in combinatie met van is het meer een van buiten komend onheil, of juist het gebrek aan iets wat van buiten had moeten komen: de kou, honger, dorst, ellende, enzovoort. Zo willekeurig is de keuze van het voorzetsel dus ook weer niet.

Ander voorbeeld: als de (hiërarchische) verhouding tussen twee mensen ongelijk is, dan gebruikt het Nederlands naar wanneer de lager geplaatste zich richt tot de hoger geplaatste, of wanneer de lager geplaatste iets hogers wil bereiken: opkijken, een hang hebben, solliciteren, verlangen naar; omgekeerd: als er van bovenaf wordt neergekeken op de/het lagere, gebruikt het Nederlands op: neerkijken, afgeven, boos/kwaad/pissig zijn op. Ook hier lijkt er een constante tendens waarneembaar.

Als een ander voordeel van de gecodeerde lijst zie ik de mogelijkheid die coderingen te gebruiken in tekstverwerkers of andere taalprogramma’s op de pc. Het moet mogelijk zijn ofwel de gebruiker vooraf een bruikbare suggestie te doen voor het juiste voorzetsel binnen een gegeven context, dan wel achteraf een wellicht onjuist gebruikt voorzetsel te corrigeren.

Is dit allemaal zo nodig? Ik denk van wel, als je verzorgd taalgebruik tot een groot goed rekent. Weten, en begrijpen dat terugkomen van iets anders is dan terugkomen op, net zoals omdat iets anders is dan doordat, en tijdens niet hetzelfde betekent als gedurende. Zelfs in het NOS-journaal hoor je dat soort vergissingen maar al te vaak. Nogmaals, ik heb het niet over de voorzetsels van plaats of tijd, want daar is de ramp nog wel te overzien (alhoewel: lees mijn verhaal over de Sventest er nog maar eens op na), maar in het bijzonder over de zogenaamde figuurlijke voorzetsels, dus niet van tijd of plaats. Daaromtrent heb ik in het kader van mijn proefschrift een aantal uitgebreide tests afgenomen waaruit bleek dat het met de kennis van het juiste voorzetsel maar matigjes is gesteld. Grof samengevat: op MAVO-niveau bleek een goedscore van 50% ongeveer het gemiddelde; leerlingen uit de HAVO-/VWO-top scoorden niet of nauwelijks boven de 70%; alleen bij hoger opgeleiden, academici of mensen met veel werkervaring kwamen er percentages van 80 of 90 uit de bus. Er is dus voor het taalonderwijzend personeel nog heel wat werk te verzetten. Daarbij kun je overigens ook uitstekend gebruikmaken van bestaande voorzetselboeken als die van Vindevogel (meer op Zuid-Nederlands gericht), Hus (meer Noord-Nederlands), en de behandeling bij Den Hertog, eerste stuk (die over oorzakelijk voorwerp spreekt, waar wij voorzetselvoorwerp bedoelen), en in het derde stuk (over voorzetsels). Zie de literatuuropgave hieronder.

Literatuur

  • HERTOG, C.H. DEN, Handleiding ten dienste van aanstaande (taal)onderwijzers. 3 delen in 1 band.   1e stuk: De leer van den enkelvoudigen zin. Tweede Druk. Amsterdam 18921-19032. 2e stuk: De leer van den samengestelden zin. Eerste Druk. Amsterdam 1892. 3e stuk: De leer der woordsoorten. Tweede druk. Amsterdam 18951-19032. W. Versluys.
  • HUS, W.J.B. en R.REINSMA, Voorzetselwijzer. Baarn 1997. Nijgh Versluys. Auctor.
  • LOONEN, L.J.M., Stante pede gaande van dichtbij langs AF bestemming @. Boxmeer 2003. Diss.  Uitsluitend uitgebracht op CD. ISBN 9039332193.
  • VINDEVOGEL, Th., Het juiste voorzetsel. 4e Druk. Antwerpen 1993. Taalpockets. Heideland/Orbis.

Datief / Dativus

Merkwaardig. Terwijl Nederlanders, Engelsen, Fransen, Italianen en Spanjaarden ervan schijnen te gruwen en dan nog liever voorzetsels gebruiken, zijn sprekers van Duits (een beetje) en van Slavische talen (een heleboel) er tuk op: het gebruik van naamvallen. Hier even een poging de dativus in ere te herstellen, want we zijn er in het Nederlands nog lang niet van af.

Sinds de oudste Nederlandse grammatica’s voor zinsontleding is in feite elke datief gekoppeld aan het “meewerkend voorwerp”, MV; evt. “belanghebbend voorwerp”, BV. In feite is dit weinig elegant.
Vanuit het Latijn bestaan er zeker negen gebruiksmogelijkheden van de dativus, waarvan alleen eentje (dativus commodi) een echt MV is. Daardoor kun je in problemen komen voor de klas, namelijk wanneer er een ander soort datief staat die je toch als MV moet benoemen, maar alle proeven mislukken. Vandaar even een overzichtje, dan ben je gewaarschuwd.

  • 1. Dativus na een voorzetsel
    In het Nederlands regeren alle voorzetsels tegenwoordig de 4e naamval (accusatief), behalve het voorzetsel te (te zelfder tijd; ten kantore van,…).
  • 2. Dativus commodi / incommodi
    Hiermee wordt de bevoordeelde/benadeelde partij aangeduid, dus de ontvanger of belanghebbende. Geef mij dat boek even. Vertel mij dat eens, enz. Onder omstandigheden kan/moet deze datief worden voorafgegaan door aan of voor
    Dit is in feite het echte meewerkend/belanghebbend voorwerp.
  • 3. Dativus ethicus
    Geeft de persoon aan die bij de zaak betrokken is. Dat was me wat, Maak het me niet te moeilijk, enz. Toevoeging van aan of voor is niet steeds mogelijk.
  • 4. Dativus possessivus
    Geeft de eigenaar aan van een elders genoemde entiteit:

    Hij haalt me het vel over de oren →  Hij haalt mijn vel over de oren.
    Het is me tot genoegen afgehandeld → Het is tot mijn genoegen afgehandeld.
    Nu is me de buit ontglipt → Nu is mijn buit ontglipt.
    In feite is dit dus een variant van een constructie met een genitief/bezittelijk voornaamwoord. Komt veel voor in het Nederlands, maar de MV-proeven werken niet.
  • 5. Dativus iudicandis
    Geeft de persoon aan die over de gebeurtenis een mening heeft, te parafraseren met “wat mij betreft” of iets dergelijks:

    Dat eten is me te zout. (wat mij betreft)
    Dat komt me erg vreemd voor. (naar mijn oordeel)
    Het wordt me te gortig. (naar mijn mening)

Dan zijn er nog Latijnse en Griekse datieven die we, bij mijn weten, in het Nederlands niet gebruiken. Berucht is het Latijnse: Mihi domus est → “Aan mij is een huis” Ik heb een huis.
Volgens mij is deze gebruiksvorm in het Nederlands onbekend, tenzij misschien in dialecten.

Hetzelfde geldt voor de dubbele datief, de zgn. dativus finalis:
tibi laetitiae → “voor jou tot vreugde” → om jou een plezier te doen.
Waar het Duits nog evt. kan zeggen “Er lebt nur seiner Arbeit, moeten we in het Nederlands een voorzetsel gebruiken: Hij leeft slechts voor zijn werk.

Compleet is dit overzicht niet. Zoek maar verder in de ANS, bij Van den Toorn, bij Den Hertog, bij Wikipedia, via Google. En lees op deze weblog de aanvulling in het artikel De band lek.

Ook interessant: 

  • F. Balk-Smit Duyzentkunst, Het meewerkend voorwerp. Een grammaticale vergissing. Verschenen in Levende Talen 243 (1968), p.5-12.
  • M. van den Toorn, Enkele opmerkingen over het indirect object. Verschenen als reactie in Levende Talen 274 (1971), p.32-40.
  • Beide artikelen zijn ook te vinden in H.Hulshof, Transformationeel-generatieve grammatica in artikelen (1975), p.281-309.

 

 

Frida Balk-Smit Duyzentkunst

Vandaag, bijna een maand na haar overlijden, publiceerde Peter de Waard in de Volkskrant een necrologie van Frida Balk-Smit Duyzentkunst (1929-2013). Wel wat laat, maar wellicht kwam haar overlijden toch nog onverwacht en had de redactie niets op de plank klaarliggen voor het geval dat. De necrologie is netjes en eervol, zij het wat afstandelijk van toonzetting. En niet erg compleet, maar dat is ook ondoenlijk na haar zo veelzijdige wetenschappelijke carrière. Als student Nederlands aan de UvA (1968-1973) heb ik veel met haar te maken gehad. Reden om wat aanvullende bespiegelingen aan de necrologie toe te voegen.

Frida was, in het roerige jaar 1968, de mentrix van de groep eerstejaars studenten waarvan ik deel uitmaakte. Ik herinner mij dat ze samen met ons het curriculum van de opleiding doornam, met wat daarvan in het eerste jaar aan bod zou komen. Op innemende, haast moederlijke toon wijdde ze ons in in wat ons op deze opleiding te wachten stond. Mijn verbazing was echter groot: had ik niet gekozen voor een opleiding Nederlands omdat op de middelbare school mijn opstellen bovenmodaal werden gewaardeerd en het inderdaad zo was dat ik graag non-fictie schreef, zoals ook nu nog? Hoe kon het dan zijn dat in het hele curriculum aan de UvA het onderdeel “creatief schrijven”, “opstellen schrijven”, “artikelen redigeren”, of hoe je het wilt noemen, in geen velden of wegen te bekennen viel? Ik vroeg het haar tijdens die inaugurale bijeenkomst.

De revolutie was nog niet tot in alle haarvaten doorgesiepeld. Wij werden nog met “u” aangesproken. Maar het was niet alleen dat, dat ervoor heeft gezorgd dat haar antwoord mij tot op de dag van vandaag is bijgebleven: “Mijnheer, als u denkt dat u een begenadigd schrijver bent, moet u een uitgever zoeken, maar niet hier komen studeren.”

Ik heb vervolgens een heerlijke en zinvolle studententijd gehad, deels ook door haar inzet en fascinerende bekwaamheid. Haar colleges close reading, uit een tekst halen wat er in zit, bezaten een onweerspreekbare overtuigingskracht. Met haar scherpe redeneerwijze wist zij Harry Mulisch danig van repliek te dienen toen die in zijn wetenschappelijk weinig hoogstaande pamflet Soep lepelen met een vork (1972) fulmineerde tegen spellingshervormers.

Of ik het helemaal scherp heb kunnen analyseren weet ik niet, maar zij wekte op mij de indruk dat ze, samen met haar collega’s, tevens mijn docenten Hugo Brandt Corstius en Herman Pleij bijvoorbeeld, geen uitgesproken exponenten waren binnen de richtingenstrijd die rond 1970 op de UvA in alle hevigheid losbarstte. De breuk die daarvan het gevolg was, met de traditionele oude garde van Hellinga en Lulofs aan de ene kant en de TGG-vernieuwers Kraak, Klooster, Van Dort en Verkuyl aan de andere kant, heb ik altijd in hoge mate betreurd. Binnen de wetenschap is elke nieuwe ontwikkeling schatplichtig aan oudere inzichten en verworvenheden. En ook al was en ben ik fervent aanhanger van het generatieve taalkundedenken (zinnen worden in ons hoofd opgebouwd, gegenereerd, niet afgebroken, ontleed), de hele TGG had nooit kunnen ontstaan als er niet het structuralisme aan voorafgegaan was, om maar een voorbeeld te noemen. En waarom Den Hertog als 19e-eeuws taalschoolmeester verguizen als diens scherpe grammaticale analyses niet tot op de dag van vandaag nog steeds uiterst waardevol blijken te zijn, niet op de laatste plaats voor het taalonderwijs? Ik ben dus ook altijd een ontleedbeest gebleven. Overigens vond ik niet dat Frida Balk de “beste”, “meest complete” of wat dan ook grammatica heeft geschreven. Peter de Waard noemt het “het standaardwerk”, maar ten eerste verzuimt hij de juiste titel te noemen: De woorden en hun zin; hij volstaat met de ondertitel Grammatica voor iedereen, terwijl juist de hoofdtitel zo prachtig homoniem is, typisch Balk. Verder haalt deze grammatica uit 1994 het qua omvang en diepgang niet bij die van Den Hertogs Nederlandsche Spraakkunst (3 delen; rond 1900), Van den Toorns Nederlandse Grammatica (laatste druk 1984), de ANS (1997) of Kloosters Grammatica van het hedendaags Nederlands (2001). Wel ben ik uitermate gecharmeerd van haar bijna furieuze inleiding (“… Geen wonder dat zoveel mensen met een recent vwo-diploma slecht lezen en schrijven en geen vreemde talen kennen, behoudens een beetje Engels. Dat komt door de waanideeën van modieuze onderwijshervormers. In recordtempo ontwierpen zij nieuwe vaagheid die uitmondde in het bureaucratisch terrorisme dat van het Nederlandse onderwijs een puinhoop heeft gemaakt. Of er sprake is van bewuste misleiding of van louter onbenul is moeilijk uit te maken,…”; p.7). Typisch Balk, wederom.

Bij mijn afstuderen was Frida Balk de voorzitter van de examencommissie waarbij zij, samen met Marjolein van Dort, mij in een mondelinge, niet geheel pro-formazitting nog enkele vragen stelde en raadgevingen meegaf. Haar laatste opmerking voordat ik het diploma kreeg uitgereikt was dat zij hoopte mij ooit nog eens binnen de taalwetenschap terug te kunnen zien. Ik heb dat ten dele waargemaakt, want die woorden bleven maar in mijn hoofd rondzingen. Het resulteerde erin dat ik, zij het pas tussen 1997 en 2003, aan een promotie-onderzoek heb gewerkt over voorzetsels o.a. in het Nederlands, Italiaans en Tsjechisch. Helaas was zij daarbij niet actief betrokken, wel Marjolein van Dort en Wim Klooster, als meelezers. En Henk Verkuyl trad op als promotor. Misschien speelde hier toch nog iets van de richtingenstrijd uit de zeventiger jaren mee; in ieder geval spijt het me dat ik haar aanmoediging bij mijn afstuderen niet met haar persoonlijk heb weten waar te maken.

Ook als blijk van waardering voor iemand wiens stimulerende invloed voor een groot deel steeds de sleutel is geweest en gebleven voor mijn interesse in taal en taalkunde. Ik blijf mij Frida met grote dank en bewondering herinneren.

_________________________

(De foto bovenaan is genomen uit Folia Civitatis van 28 oktober 1972, p.10, bij een recensie van haar inaugurale rede “Een referentiële identiteitskrisis“)

 

 

Koppelwerkwoorden – hoeveel en waarom?

In de Nederlandse grammatica maken we traditioneel onderscheid tussen werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde. Het naamwoordelijk gezegde kenmerkt zich door de aanwezigheid van een koppelwerkwoord en een naamwoordelijk deel. Vroeger werden als koppelwerkwoord beschouwd: zijn, worden, blijven, lijken, blijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen. Sinds enkele tientallen jaren zijn dat alleen nog maar de eerste drie van dat rijtje. Hoe zit dat nu precies en zijn het er echt nog maar drie?

Kenmerk van het naamwoordelijk gezegde
Het naamwoordelijk gezegde drukt een eigenschap, hoedanigheid, beroep of functie van het onderwerp uit, ofwel, om het in voorbeelden weer te geven:

  • (1) Damiaan is volwassen
  • (2) Damiaan is de weg kwijt
  • (3) Damiaan is monteur
  • (4) Damiaan is penningmeester

Soms, zoals bij de zinnen (1)-(2), kunnen we dat in het Nederlands ook uitdrukken met behulp van een bijvoeglijk naamwoord:

  • (1a) De volwassen Damiaan
  • (2a) De afwezige Damiaan

Omgekeerd kunnen we een bijvoeglijk naamwoord + zelfstandig naamwoord ook omzetten in een naamwoordelijke constructie:

  • (5) het mooie schilderij → Het schilderij is mooi
  • (6) de geslaagde vakantie  De vakantie is geslaagd

In feite doet het koppelwerkwoord zijn dus niets anders dan een koppeling leggen tussen het onderwerp en het naamwoordelijk deel met als bijkomend gegeven dat dat op dit moment zo is, in het nu dus. Dat verklaart ook dat bij een naamwoordelijk gezegde nooit een lijdend voorwerp kan optreden. Wel een voorzetselvoorwerp (we noemen dat dan een oorzakelijk voorwerp) in zinnen als (het oorzakelijk voorwerp staat onderstreept):

  • (7) Zij is de zwemkunst machtig
  • (8) Hij is moe van al die discussies
  • (9) Hij is oud en der dagen zat

Zoals gezegd: het koppelwerkwoord zijn legt een relatie in het nu. Willen we uitdrukken dat die relatie er nu nog niet is, maar in de toekomst wel, dat gebruiken we het koppelwerkwoord worden:

  • (1b) Damiaan wordt volwassen
  • (2b) Damiaan wordt de weg kwijt (*)
  • (3b) Damiaan wordt monteur
  • (4b) Damiaan wordt penningmeester
  • (5b) Het schilderij wordt mooi
  • (6b) De vakantie wordt geslaagd
  • (7b) Zij wordt de zwemkunst machtig
  • (8b) Hij wordt moe van al die discussies
  • (9b) Hij wordt oud en der dagen zat

(*) Deze zin is voor de meeste Nederlands sprekenden niet acceptabel; liever zeggen zij Damiaan raakt de weg kwijt. Daarover meer in de volgende paragraaf.

Er is nog een derde mogelijkheid: we willen uitdrukken dat de bedoelde relatie er al was, er nu nog is, en er ook in de toekomst zal zijn. Daarvoor dient het koppelwerkwoord blijven. Dat is misschien niet zo zinvol in alle voorbeelden van zinnen (1)-(9), maar in een groot aantal wel:

  • (3c) Damiaan blijft monteur
  • (4c) Damiaan blijft penningmeester
  • (5c) Het schilderij blijft mooi
  • (6c) De vakantie blijft geslaagd
  • (7c) Zij blijft de zwemkunst machtig

En als we alleen maar willen aangeven dat die relatie er in het verleden was, dan gebruiken we gewoon de verleden tijd: is wordt dan waswordt wordt dan werd en blijft wordt dan bleef.

Meer dan drie koppelwerkwoorden
De drie koppelwerkwoorden zijn, worden en blijven kunnen (soms: moeten) in een andere gedaante voorkomen, maar ook dan spreken we van een naamwoordelijk gezegde. Meestal is de parallel met een bijvoeglijk naamwoord+zelfstandig naamwoord dan ook goed mogelijk.

Die varianten zijn:

Voor zijn:

  • luiden : Het antwoord is/luidt ontkennend → het ontkennende antwoord
  • staan : Dat is/staat nog te bezien
  • vallen : Dat idee is/valt te overwegen  het te overwegen idee
  • vormen : Dat is/vormt geen beletsel
  • wezen : Die opmerking kan wel waar zijn/wezen  die ware opmerking
  • zitten : De suikerpot is/zit propvol  de propvolle suikerpot

Voor worden:

  • gaan : Deze poging gaat fout  de foute poging
  • komen : Deze paragraaf komt te vervallen  de vervallen paragraaf
  • raken : De automobilist raakt bekneld; de acteur wordt/raakt vermoeid  de beknelde automobilist; de vermoeide acteur

Voor blijven kennen we geen varianten.

Het rijtje lijken, blijken, schijnen, heten , dunken, voorkomen
Er zijn minstens twee redenen om de andere zes werkwoorden die vroeger ook wel koppelwerkwoord werden genoemd niet langer zo te benoemen.

De eerste reden is een vormkwestie. Immers, bijna altijd kunnen we aan een zin waarin een van die zes werkwoorden het hoofdwerkwoord vormt toevoegen: (…) te zijn/wezen, of (…) te worden/raken, of (…) te blijven:

  • (1d) Damiaan lijkt volwassen te zijn
  • (2d) Damiaan schijnt de weg kwijt te raken
  • (3d) Damiaan blijkt monteur te zijn
  • (4d) Damiaan heet penningmeester te zijn
  • (5d) Het schilderij dunkt me mooi te wezen
  • (6d) De vakantie komt me voor geslaagd te zijn
  • (7d) Zij lijkt de zwemkunst machtig te zijn
  • (8d) Hij blijkt moe van al die discussies te zijn
  • (9d) Hij schijnt oud en der dagen zat te wezen

Vaak is het trouwens zo dat die toevoeging (te zijn enz.) er ook al staat. In die gevallen zul je dat toegevoegde werkwoord ook weg kunnen laten.
In genoemde voorbeelden is het achterste werkwoord (dus zijn/wezen, of worden/raken) het koppelwerkwoord. En omdat we in één zin niet twee koppelwerkwoorden kunnen hebben, moeten we het eerste werkwoord dus hulpwerkwoord noemen. Maar nogmaals, dit is een vormelijk en een beetje technisch argument.

De tweede reden echter is een inhoudelijke en als argument minstens even dwingend. Zoals hierboven uitgelegd drukt het koppelwerkwoord niets meer of minder uit dan een relatie tussen onderwerp en naamwoordelijk deel. De werkwoorden lijken, blijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen doen dat helemaal niet: die drukken iets anders uit, namelijk de mate van waarschijnlijkheid dat die relatie bestaat, of de mening van de spreker over die mogelijke relatie. Daarmee staan ze op één lijn met de hulpwerkwoorden van modaliteit, zoals kunnen, willen, mogen, proberen, weigeren.

Conclusie
Zo is het antwoord op de vraag in de titel naar het aantal koppelwerkwoord tweeledig:

  • Het zijn er minder dan de negen van het “vroegere” rijtje: zijn, worden, blijven, lijken, blijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen. Alleen de eerste drie drukken een relatie uit, de andere zes doen dat niet.
  • Het zijn er meer dan de “tegenwoordige” drie: zijn, worden en blijven. Er zijn in het Nederlands varianten in omloop: gaan, komen, luiden, raken, staan, vallen, vormen, wezen en zitten kunnen als vervanger optreden van zijn of worden.

Spijbelen in Nederlandse dialecten

Spijbelen kan heel spannend zijn, maar even spannend is het om na te gaan hoe het begrip spijbelen in het Nederlands door de eeuwen heen en in dialecten is genoemd en wat daarbij de verwantschap is met het Frans. Een beknopt overzicht.

De eerste en (geloof ik) enige keer dat ik heb gespijbeld was toen ik nota bene nog op de kleuterschool zat. Dat was ergens begin jaren-’50 en ik besloot toen met een klasgenootje in het Vondelpark te gaan dwalen in plaats van naar school te gaan. Ik kon toen niet beseffen dat ik een historisch zeer verantwoorde beslissing had genomen.

Vanaf de Middeleeuwen
Spijbelen kwam al in de Middeleeuwen voor. Een spibelaer was iemand die ongeoorloofd de school verzuimde, maar die betekenis was afgeleid van de eigenlijke betekenis: vagebond, landloper, dus iemand die zich in bossen en struiken min of meer heimelijk ophoudt. Het Middelnederlandsch Woordenboek legt dat allemaal uit. Het is een van de weinige oer-Nederlandse woorden.

Uit latere tijd vinden we in het Frans-Nederlandse woordenboek van Halma uit 1733 voor spijbelen ook nog de Nederlandse uitdrukkingen loopen schobben, lieren, stutten in de betekenis uit de school blijven om te speelen. Deze uitdrukkingen zijn inmiddels verloren geraakt, behalve dat we nog het woord schobbejak kennen waarvan de betekenis, een berooid persoon die zijn levensonderhoud bij elkaar moet grabbelen, dicht tegen die van een vagebond of landloper aanligt.
De woorden schobben en stutten komen nog wel voor in het grote Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) dat woorden uit de periode van grofweg 1500-1920 behandelt en in dit geval ook naar Halma verwijst:

SCHOBBEN: Heimelijk de school verzuimen, spijbelen. Loopen schobben; stutjes draayen. Faire l’école buissonnière.
(Een schobbe zou dan, in oostelijke dialecten, een bosje bijeengelezen aren zijn)

STUTTEN: Heimelijk van school (of van het werk) wegblijven. Schobben, speelen loopen in plaats van school of te werk te gaan. Faire l’école buissonniere, aller ou courir jouer au lieu d’aller à l’école ou à l’ouvrage.
(Afgeleid van het woord stut waarvan het WNT o.a. vermeldt: “Stutten behalven dat het beteekend schooren, soo beteekend het ook beletten: en voor een Amsterdams jongens loopje, stutten loopen, schaabullen, piereweien, ens.”)

Huidige dialecten
Wij kennen het woord spijbelen nu nog steeds en velen zullen die sport ook wel af en toe beoefenen. Maar het is uiterst opvallend om te merken dat er voor het begrip spijbelen in Nederlandse dialecten tientallen varianten bestaan, van fatsen tot platlopen, van haagschool doen tot puzzeren. Voor de Taalatlas van Noord- en Zuid-Nederland zijn er tussen 1925 en 1953 meer dan 80 varianten van opgetekend. Op de bijbehorende kaart (afl.7, no.10) uit 1957 is precies te zien in welk gebied welke variant is waargenomen.
Franse invloed
Een van de dingen die mij daarbij opviel, was dat in het zuiden, dus langs de grens met Wallonië en Frankrijk, de varianten met haag of heg en bus zo frekwent voorkomen.

En omdat ik momenteel in Frankrijk woon en ook wel eens wilde weten hoe Franse kinderen spijbelen, zocht ik het woord op en vond daarvoor in het Frans het ook al hierboven vermelde faire l’école buissonnière, hetgeen zoiets betekent als een openluchtschool houden. Een buisson is in het Nederlands een struikgewas of kreupelbosje, een buis een buxusplant, waarvan zo vaak een heg wordt gemaakt.

Dat verklaart heel veel:

  • Ten eerste: iemand die spijbelt is een landloper, want hij gaat de bosjes in, in plaats van gewoon naar school, of dat nu in de wilde natuur is of in het Vondelpark, dat maakt niet uit.
  • Verder: al die Nederlandse dialectvormen met haag (en dat zijn er zeker 17, allemaal in de Zuidelijke Nederlanden) zijn een rechtstreekse vertaling van het Franse buis(son).
  • Ten slotte: de weinig voorkomende dialectvormen busje kappen en bussen maken, beide voorkomend in Belgisch West-Vlaanderen en Frans-Vlaanderen, dus het gebied tussen zeg maar Brugge en Duinkerken, zijn een verbastering van het Franse buis.

Nooit geweten dat spijbelen zo interessant kon wezen!

 

Antoniemen gesorteerd

In alle talen, dus ook in het Nederlands, komen zogenaamde antoniemen voor. Dat zijn woordparen waarvan de leden in zekere zin een aan elkaar tegengestelde betekenis hebben: vroeg – laat, dik – dun, opbouwen – afbreken, man – vrouw, antoniem – synoniem.
Buiten beschouwing laat ik de zogenaamde basaltwoorden, woorden die uit twee delen bestaan die met elkaar een oppositie vormen: basalt, volledig, morgenavond en boosaardig bijvoorbeeld (bas-alt, vol-ledig, morgen-avond, boos-aardig). Daarvan heeft Battus er in zijn Opperlandse Taal- & Letterkunde (1981) een zeventigtal beschreven.

Binnen de groep van Nederlandse antoniemen bestaat er echter ook een deelverzameling van woordparen waarvan beide leden identiek zijn. Ik beschrijf van die groep enkele voorbeelden:

  • gijzelaar kan zowel actief de gijzelnemer betekenen, als passief de gegijzelde.
    Zo ook:
  • martelaar actief: folteraar; passief: bloedgetuige.
  • model kan zowel duiden op het origineel waarvan nabootsingen worden gemaakt: fotomodel, modelschool, als op de nabootsing van een origineel: modelbouw, modelspoorbaan.
  • gesorteerd. Kopen we gesorteerde appels of eieren, dan zijn die zoveel mogelijk overeenkomend in gewichtsklasse, grootte, kleur of soort; kopen we echter gesorteerde bonbons, dan krijgen we bonbons die juist zoveel mogelijk verschillend in gewichtsklasse, grootte, soort of kleur zijn.
  • knalpot is een onderdeel van het uitlaatsysteem onder een auto, bedoeld om het geluid van de explosiemotor te dempen, maar ook kan het rond oudjaar om een vuurwerkartikel gaan, bedoeld om juist zo veel mogelijk explosielawaai te produceren.
  • slaap kan zowel de oorzaak als het gevolg betekenen: Wie slaap heeft, heeft slaap nodig.
  • direct heeft zowel de betekenis nu, onmiddellijk, als niet nu, straks: Op het verzoek “Wil je direct hier komen!” kan als reactie komen: “Ja, ik kom nu direct” / “Nee, ik kom direct wel”.
  • meteen hetzelfde als direct: nu, onmiddellijk dan wel niet nu, straks. Voorbeeld: “Wil je meteen hier komen!” met als mogelijke reacties: “Ja, ik kom nu meteen” / “Nee, ik kom meteen wel”.
  • dadelijk hetzelfde als direct en meteen. Merk op dat bij deze drie woorden de betekenis “niet nu, maar straks” kan worden uitgedrukt door er zo voor te zetten en/of wel er achter: “Ik kom zo dadelijk wel”, “zo meteen wel”, “zo direct wel”.
  • voor niets kan zowel betekenen dat het je niks kost (“gratis“) als dat het je niks oplevert (“zinloos, nutteloos“) in bijvoorbeeld een zin als “Ik heb het voor niets gedaan“.

Het verschijnsel doet zich niet alleen bij naamwoorden voor; ook sommige werkwoorden horen tot deze speciale groep antoniemen:

  • afmaken heeft zowel de betekenis “de constructie voltooien” als “de destructie voltooien”. “Het hondenhok afmaken” is wezenlijk een andere activiteit dan “de hond afmaken”. Zie bij de reacties hieronder voor meer informatie over het voorvoegsel af- in dit verband.
  • in elkaar timmeren herbergt een soortgelijke dubbelzinnigheid. De zin “Ik ben ons hondenhok in elkaar aan het timmeren” kan zowel op de constructie als op de destructie duiden.
  • informeren kan het vragen naar informatie betekenen (“Zij informeerde naar onze plannen”), dus van A naar B, maar ook juist het verstrekken van informatie (“Wij informeerden haar over onze plannen”), dus van B naar A. Let wel dat hier het te kiezen voorzetsel dinstinctief is, net als bij terugkomen op (“van niets iets maken”) versus terugkomen van (“van iets niets maken”). Iets om bij de redactie van het NOS-journaal nog eens onder de aandacht te brengen.

Naar mijn mening kunnen we tot bedoelde groep van antoniemen ook hele zinnen rekenen die, afhankelijk van de intonatie, van de context of van de verhouding die gesprekspartners tot elkaar hebben twee elkaar tegengestelde betekenissen dragen:

  • “Dat moet je eens proberen!” kan een aansporing zijn om iets wel te doen, maar ook een waarschuwing om juist iets niet te doen.
  • “Vind je dit niet de moeite?” kan betekenen dat de spreker het zelf eigenlijk wel de moeite vindt, maar ook dat de spreker vermoedt dat de aangesprokene het zelf niet de moeite vindt. De betekenissen laten zich parafraseren door: “Ben je het met me eens dat dit de moeite is?” en: “Is het zo dat jij dit niet de moeite vindt?”
  • “Als hij niet snel contact opneemt, kan hij gemist worden.” In deze zin ligt de betekenis besloten “…kan het zijn dat ze hem kwijt zijn“, d.w.z. is hij er niet terwijl hij er wel had moeten wezen, maar ook “…kunnen ze ook wel zonder hem“, d.w.z. is hij er wel terwijl ze liever hadden dat hij er niet meer was.

Ken je meer van dit soort antoniemen?
Stuur me die dan in een reactie of per e-mail toe aub.

Het GEBOEFTE – een bijzonder soort

Een collectivum is een woord waarbij je noodzakelijkerwijs moet denken aan een verzameling van bij elkaar horende mensen of dingen. Voorbeelden: “hersenen”, “ingewanden”, “kudde”, “visite”. Veel van deze woorden, zoals de eerste twee voorbeelden, kennen we uitsluitend in het meervoud. Andere, zoals de laatste twee voorbeelden, staan meestal in het enkelvoud. Hieronder volgt een niet compleet overzicht, met bijzondere aandacht voor een speciale subgroep van enkelvoudige collectiva: de woorden van het type “geboefte”.

Meervoudige collectiva
Het gaat bij een collectivum (meervoud: collectiva of collectieven) om woorden als de reeds genoemde hersenen en ingewanden, verder ook luitjes, werklieden, zeelieden, wegwerkzaamhedenOlympische Spelen enzovoort. Kenmerkend daarbij is, dat je er van die verzameling niet eentje kunt aanduiden, zoals één ingewand of één Olympisch Spel. En als een dergelijk enkelvoud wel bestaat, heeft het een andere betekenis dan “eentje uit het geheel”. Zo kan “het ingewand” wel duiden op het inwendige, het binnenste, de gemoedstoestand, maar niet op één darm of één maag. In de meeste gevallen wordt het enkelvoudige woord helemaal nooit gebruikt. Er bestaat niet zoiets als één luitje of één wegwerkzaamheid.
Alles bij elkaar lijkt dit volstrekt logisch: we duiden in het Nederlands een meervoudig begrip ook aan met een meervoudig woord. Maar het kan ook anders.

Enkelvoudige collectiva
Nog vaker dan meervoudige collectiva kent het Nederlands enkelvoudige collectiva. Enkelvoudige woorden dus waarbij je noodzakelijkerwijs moet denken aan een verzameling van bij elkaar horende eenheden, zoals het haar (in tegenstelling tot de haar). In de dierenwereld: de grote groep waartoe ook horde, kudde, meute, roedel, troep, vee en vlucht behoren. In de mensenwereld: bevolking, familie, gezin, lui (werklui, zeelui,…), natie, publiek, visite, volk; vaak in negatieve zin ook wel meute, horde, troep enzovoort, als het om toeristen, demonstranten, hooligans of andere ontevredenen gaat. In de geüniformeerde wereld: bataljon, eskader, leger, marechaussee, peloton, politie. In de sport: achterhoede, as, middenlinie, voorhoede, elftal, (reserve-)bank, bus, kopgroep, peloton en vele andere. In het huishouden: afwas, bestek, couvert, meubilair, servies, vaat, zitje. Daarnaast nog woorden als archipel, gewas, kwartet, vracht. De meeste van deze woorden kennen we ook in het meervoud: voor een voetbalwedstrijd zijn immers twee elftallen nodig en in Friesland lopen heel wat kuddes of kudden koeien in de wei. Ook al staan deze collectiva in het enkelvoud, ze betreffen altijd een meervoudig begrip. Dat wordt in het Engels bijvoorbeeld benadrukt door achter deze woorden dan ook een meervoudige persoonsvorm te zetten: Het volk heeft gesproken is niet * The people has spoken, maar The people have spoken.

Een bijzondere soort
Binnen de enkelvoudige collectiva kunnen we in het Nederlands een speciale groep ontdekken, namelijk van enkelvoudige collectiva die beginnen met ge- en eindigen op -te. Een redelijk compleet rijtje van deze woorden staat in de tabel hieronder.

gebeente
gedoente
gesteente
gebefte
geduinte
gesternte
gebergte
gehalte
gestoelte
gebinte
? gehemelte
getakte
geboefte
gelofte
getimmerte
geboomte
gemeente
gevaarte
gebladerte
gemuurte
gevederte
? geboorte
genachte
geveerte
gebuurte
geneugte
gevleugelte
? gedaante
gepluimte
gevogelte
? gedachte
geraamte
gewolkte
gedarmte
gestalte
gewoonte
? gedeelte
gestarnte
gewormte
gedierte/ongedierte
 
gezindte

We kunnen deze woorden beschouwen als voorbeelden van hun overkoepelende betekenis: “het geheel van …” of “de verzameling van …”. In die betekenis is er geen verschil met de eerder genoemde enkelvoudige collectiva; de woorden van het type geboefte zijn daarvan dan ook een echte deelverzameling.

Een aantal eigenaardigheden van deze deelverzameling is het vermelden waard:

  • In het Nederlands zijn alle woorden van het type geboefte onzijdig (het-woorden).
  • De woordvorming ge-STAM-te is typisch Nederlands. In het Duits kennen we woorden als GebäckGebälk, Geflügel, Geschirr en Gehirn, ook collectiva, wel beginnend met Ge-, maar zonder de uitgang -te.
  • De groep collectiva ge-STAM-te lijkt niet productief te zijn, dat wil zeggen, er ontstaan niet met enige regelmaat nieuwe vormen van dit type. Op zich zou het wel kunnen: naast meubilair zou er ook gemeubelte kunnen bestaan (welk woord ik ook in deze blog heb gebruikt in het bericht Schaalvergroting !), en naast tegelwerk bijvoorbeeld getegelte, maar dit soort neologismen komen we niet of nauwelijks tegen. De groep collectiva van het type geboefte noemen we dan ook een gesloten groep.
  • Die productiviteit zou er best wel kunnen zijn, maar vaak kiest het Nederlands voor een meervoudsvorm (klanten) of een enkelvoudig collectivum (klantenkring). Dat doet het Frans ook: les clients naast la clientèle, maar als we in het Nederlands daarvoor het geklante zouden hebben, was daar niks vreemds aan. Sterker nog geldt dat voor het Franse collectivum le pneumatique, waarmee het geheel van de banden van bv. een auto wordt bedoeld. Ook les pneus is gangbaar. Onze auto’s hebben alleen maar banden, maar waarom dan niet ook het gebandte?
  • Bij sommige woorden is het twijfelachtig of ze wel tot de collectiva mogen worden gerekend: geboorte, gedaante, gedachte, gedeelte en gehemelte lijken niet noodzakelijkerwijs te duiden op een verzameling van bij elkaar horende dingen. Daarom staat er in de tabel ook een vraagteken voor vermeld.
  • Lang niet alle Nederlandse woorden die beginnen met ge- en eindigen op -te zijn collectiva. Sterker nog, het aantal woorden ge(…)te die niet een collectivum zijn is groter dat het bovenstaande aantal collectiva. Denk aan woorden als gekte en geste, en aan samenstellingen als geslachtsziekte, geldboete, gemeentebeambte en gebedsruimte. Hun aantal loopt zeker tegen de 60, tegenover de 41 genoemde collectiva.