Nationale Volksliederen

Ik heb iets met nationale volksliederen. Steeds rond een EK of WK blijken het melodieën te zijn die zich lange tijd als oorwurmen met weerhaakjes in mijn hoofd vastzetten.
Dan zoemt de hele dag het Zweedse, Zwitserse of Spaanse volkslied door mijn oren en lukt het me niet me ervan te ontdoen.
Over nationale volksliederen heb ik me al eerder uitgelaten, maar nu ga ik er wat specifieker op in.

 

 

Als we de zin of onzin van nationale volksliederen willen duiden, moeten we een drietal terreinen van elkaar onderscheiden: de pure muziek ervan, de tekst ervan, de huidige functionele waarde ervan.

Om met dat laatste te beginnen: het lijkt soms een beetje op de beruchte zwartepietendiscussie, waar volstrekt onvergelijkbare argumenten van allerhande snit strijden om het eigen gelijk en waar uiteindelijk een polderoplossing uit tevoorschijn komt. Om me maar even tot het Wilhelmus te beperken: tegenstanders ervan beweren terecht dat wij heden ten dage niets meer hebben of willen hebben met het Dietsche Bloed of met de Koning van Hispaniën. Voorstanders benadrukken de mogelijkheid om verbondenheid tot uitdrukking te brengen, een soort Community Singing, dat het bij de verzamelde massa zoals in stadions goed doet. Het doet me ook denken aan het gebruik bij de goede oude radio in de periode na de oorlog, waar ’s ochtends de VARA-uitzendingen steevast werden geopend met een socialistisch strijdlied, en waar alle omroepen als dagsluiting rond middernacht het Wilhelmus speelden. Ik meen dat de AVRO de laatste (en meest gezagsgetrouwe) omroep was die dat nog placht te doen. En als tegenstanders van het Wilhelmus er in het geheel niets op tegen hebben dat voetbalpubliek voor en tijdens wedstrijden clubliederen aanheft, iets waarvan in Nederland Feyenoord met afstand het meest veelzijdige repertoire bezit, en waarvan Engelse clubs bol staan, waarom zou je dan ingeval van het Nederlands elftal niet het Nationale Clublied mogen zingen?
Maar ook daar is wel wat op af te dingen; ik kom dan op de discussie over de (on-)wenselijkheid van het begrip Nationale Staten, iets wat mede door het handhaven van het Nationale Volkslied in stand wordt gehouden. Waar volksliederen zo uitbundig en hartstochtelijk worden gezongen -ik heb de Braziliaanse mascottemeisjes al eerder vertoond-, is het veelzeggend dat het zogenaamde Europese Volkslied door geen enkele meute wordt aangeheven. De nationale staat gaat kennelijk ver boven de Europese droom.
Pogingen het Wilhelmus af te schaffen en te vervangen door een ander lied is in ieder geval oude wijn in nieuwe zakken. Het nationalistische gevoel blijft overeind.

Het tweede terrein is dat van de tekst.  Een globaal overzicht leert dat de meeste volksliederen ofwel de schoonheid van het land bezingen (Denemarken, Zweden, Finland, Bulgarije, Tsjechië, Wales, de Filippijnen, zelfs Noord-Korea), ofwel het moedige volk dat zich aan de onderdrukking heeft ontworsteld (een heel lange lijst van landen), ofwel de monarchie en derzelver godsvrucht bezingen (Groot-Brittannië, Nederland), ofwel de nationale eenheid van land en volk vooropstellen (West-Duitsland en de DDR na 1945, Micronesië en nog vele andere), ofwel zelfs geen tekst heeft (Spanje, Argentinië, Verenigde Arabische Emiraten). Voor Argentinië geldt overigens dat het volkslied wel degelijk 9 coupletten tekst en een refrein kent, maar de opera-achtige muziek wordt door het publiek met la-la-la meegezongen, net als door het Spaanse publiek, waar na Franco niemand zich meer aan een tekstontwerp heeft gewaagd.
Er valt inderdaad veel af te dingen op de “wenselijkheid” van veel van deze krijgshaftige teksten en het in ere houden van de bloedige frasen (l’étendard sanglant est levé!). Je kunt ook veel afdingen op de “onbegrijpelijkheid” van veel teksten of tekstgedeelten. Maar dan komen we terecht in dezelfde discussie die in de jaren-’60 ontstond rond de volkstaalliturgie: omdat alles “begrijpelijk” moest worden (een soort democratisering van het katholicisme), moest het Latijn wijken voor normaal Nederlands, met nogal wat afhakers als gevolg, die nu opeens in de gaten kregen wat al onzin ze al die tijd in de kerk hadden gezongen en gemurmeld. Op dat specifieke onderwerp kom ik in een ander artikel later nog wel terug. Dan gaat het over Huub Oosterhuis en zijn teksten.
Maar, zoals Godfried Bomans al heel lang geleden beweerde, het is deels juist die onbegrijpelijkheid van een tekst (kapoentje, tabberd,…) die aan een tekst iets magisch verleent, alsof je door het samen zingen samen op een hoger plan wordt getild. Dan doet het er dus helemaal niets toe wat Mijn schild ende betrouwen betekent, als je het maar samen zingend kunt beleven. Of, zoals Gerard Wijdeveld schreef: Maar wat uw hart hier heeft gekregen aan ware klank, aan edel woord, samen gezongen, samen gehoord, bewaar dat, vriend, op al uw wegen.

Ik begon dit artikel met de oorwurmpjes, en die hebben uitsluitend betrekking op de muziek, het laatste van de drie terreinen ter bespreking van het Nationale Volkslied.
Ik kan het ook niet helpen dat ik bij het afgelopen EK-voetbal voortdurend het Zweedse en Zwitserse volkslied de hele dag door in mijn hoofd hoorde zoemen; bij WK’s ijshockey is dat steeds het Canadese – dat wordt nou eenmaal het meeste gespeeld in die branche.

De meeste nationale volksliederen zijn hymnen of marsen en, vooral in Latijns-Amerika, operacomposities, om daarmede de plechtstatigheid dan wel de fierheid van land en volk ten toon te spreiden. Veel volksliederen stammen uit de 19e eeuw, en dat verklaart al veel van hun karakter, of uit de 20e eeuw. Grotendeels heeft dat ermee te maken dat in die perioden nieuwe nationale staten ontstonden. Maar er zijn uitzonderingen: het Japanse volkslied schijnt de oudste der nationale volksliederen te zijn, gevolgd door het Nederlandse en het Britse; de Nederlandse tekst is wel de oudste die nog als nationaal volkslied fungeert.

Hoe kleiner het land, hoe langer het volkslied. Een soort Calimero-achtige compensatie, lijkt het wel. Beluister er maar een paar op http://www.lengua.com/hymnen.htm. Hoge scores boeken Vaticaanstad, Monaco, Oost-Timor, Luxemburg en IJsland, maar over dat laatste land geen kwaad woord meer sinds het EK. Dat van de DDR ontbreekt overigens op die website, althans het geeft een dode link, maar dan kun je op https://www.youtube.com/watch?v=DTV92wqYjfA constateren dat dat land met bijna 3 minuten wel een van de langste aller landen heeft. Alhoewel, ik herinner me dat een of andere malloot in de organisatie van een schaatstoernooi het in zijn hoofd haalde om van het Sovjet-volkslied (of de huidige Russische variant ervan) alle 12 coupletten te laten schallen ter ere van de goudenmedaillewinnaar; duur: dik 3½ minuut. Frank Snoeks kon er zijn besmuikte humor wel over kwijt, en de drie op het ereschavot stonden er wat lacherig bij te kijken.

Ik schat dat de meeste nationale volksliederen in vierkwartsmaat staan, wat voor een mars ook een must is. Polen heeft weliswaar als volkslied de “Mars van Dąbrowski“, maar het is een mazurka in driekwartsmaat, met in het refrein de tekst “Marsz, marsz, Dąbrowski “. Hoe dat marcheert, weet ik niet. Het Britse “God save the Queen” is een gaillarde in statige driekwartsmaat, zoals ik in een eerder bericht al heb toegelicht.
Nederland en Friesland hebben de eigenaardigheid van een wisselend metrum. Italië lijkt dat ook te hebben, maar halverwege verandert niet de vierkwartsmaat, maar wel de toonsoort en het ritme.

Wat ik misschien wel het meest opmerkelijke vind, besefte ik toen ik heel lang geleden Christian Chivu, die toen nog in Nederland bij de verkeerde club speelde, voor een interlandwedstrijd vol overgave het nieuwe, post-Ceauşescu volkslied zag meezingen. Het was zoals wij het nu zo goed kennen van Gianluigi Buffon, de absolute meester van de dramatische volksliedvertolking.
Maar wat mij opviel, was dat dat nieuwe Roemeense volkslied in mineur was. Het zal toch niet waar wezen. Er schijnen verhalen te bestaan dat er een muzikaal verband is tussen dat Roemeense en het Israëlische volkslied, dat eveneens in mineur is trouwens. Het derde trieste land dat maar niet Europees wil worden is Turkije: ook al een volkslied in mineur. Geen wonder dat het voetbal van die landen nooit tot grote hoogte zal stijgen als je je wedstrijden al in mineur moet beginnen.

Elk nationaal volkslied kent wel zijn eigen verhaal over oorsprong, verspreiding, verguizing, verheerlijking en onaantastbaarheid. In dat laatste verband: voor een vertolking van een volkslied toon je enig respect en van een nationaal volkslied blijf je af. De betekenis ervan is voor te veel mensen te groot. Ik vond het dan ook misschien wel Bernard Huijbers’ grootste misser ooit dat hij Lied tegen de Derde Wereldoorlog (“Wij die met eigen ogen de wereld zien verscheurd”), een van Oosterhuis’ betere teksten, toonzette op de melodie van het Wilhelmus. Zoiets vond en vind ik dus niet kunnen. Gelukkig dat Antoine Oomen enige tijd later er een magnifieke andere composite onder zette. Die zal wel ergens op internet of via een andere bron te beluisteren zijn. Probeer bijvoorbeeld eens HIER.

Behalve informatie bij Wikipedia is er in 2000 een voortreffelijke verzameling van nationale volksliederen bijeengebracht door Margreet Fogteloo en Bert Wiskie. Een ruim 5 cm dikke pil waarin rond de 200 nationale volksliederen onder de loep worden genomen met tekst en Nederlandse vertaling erbij, plus de bladmuziek van 23 ervan in een apart boekje en een audio-cd met 25 uitvoeringen. Dat alles in een kartonnen doos. In ons antiquariaat Lu & approuvé hebben we er een exemplaar van in de verkoop (€ 32,75 plus € 2,25 bijdrage in de verzendkosten).

Of je nationale volksliederen mooi vind of niet, laat ik hier buiten beschouwing.
Zoals ik Bach verafgood en Beethoven haat, is voor mij de appreciatie van om het even welk volkslied geen punt van discussie. Het ging mij in dit bericht om andere waarden ervan.