Compiègne tussen Parijs en Vic-sur-Aisne

Het is maar goed ook, kan ik nu op 14 november zeggen, dat ik niet een week later naar Parijs ben gegaan. Ik was er vrijdag 6 november om op de ambassade mijn paspoort te vernieuwen, waarna ik daags erop een lezing moest houden in Vic-sur-Aisne over La vérité et son image.
Tussen die twee evenementen in bezocht ik Compiègne, en dat was alleszins de moeite waard.

Over Parijs kan ik kort zijn. Op de ambassade kon ik me laven aan de Hollandse bureaucratie, maar goed, over een week of wat zal ik mijn nieuwe paspoort wel hebben en dan voor tien jaar onder de pannen zijn. Daarna was mijn gps zo vriendelijk mij, op weg naar Compiègne, een “snelste route” aan te bieden dwars door Parijs, over de Champs-Élysées en de Périphérique, dat alles een aaneenschakeling van files waar ik wonder boven wonder zonder kleer- of blikscheuren na anderhalf uur van verlost was.

Ook over de lezing in Vic-sur-Aisne kan ik kort zijn. Er waren maar enkele tientallen mensen, maar het waren wel experts met wie geanimeerd en zinvol te discussiëren viel, zodat ik er, naast de verkoop van een redelijk aantal exemplaren, ook inhoudelijk veel aan heb gehad.

Compiègne dus, een stad van zo’n 40.000 inwoners tussen Parijs en Vic-sur-Aisne met een historie die terugvoert tot de Gallische tijd, en groot werd (tevens berucht: lees bij Jos Heitmann maar het verhaal over de Carmelitessen die in Compiègne onder de guillotine stierven) in de keizerlijke tijd, zeg maar de 19e eeuw.

Maar eveneens is de stad nauw verbonden met beide Wereldoorlogen. 

Macaber symbool daarvan is de treinwagon vlakbij Compiègne waarin op 11 november 1918 de wapenstilstand tussen Frankrijk en Duitsland werd getekend, maar waarin Hitler ook organiseerde dat er de Franse overgave op 22 juni 1940 werd bezegeld. Lees verder maar oeverloos veel over Compiègne op internet.

Via deze omweg kwam ik weer terug bij mijn genealogische bijvangst van april 2015, het verhaal over de broertjes Robert (1878) en Pierre (1884) Loonen. Zij hadden ook nog een oudere zus, Suzanne (1877) die zich later in hoge adellijke kringen ging bewegen, en nog een jongere broer François (1890), die in Afrika als tolk Engels-Frans, en verder als geroutineerd vechtjas doorontwikkelde. Van die laatste twee weet ik nog onvoldoende om er een doortimmerd verhaal over te kunnen schrijven, maar van de eerste twee juist steeds meer. Om ze even in mijn stamboom te plaatsen: maak vanuit mij een reuzen-paardensprong van 6 omhoog en dan weer 4 schuin omlaag en je bent bij dat kwartet Loonens aanbeland. Ze zitten dus qua generatie in de 10e graad op het niveau van mijn grootouders. te weinig om nog aanspraak op een deel van de erfenis te kunnen maken. Jammer, want de ouders lieten naast het Châteu Loonen en de florerende Etablissements Brosserie Loonen in Tracy-le-Mont, nog een vermogen van meer van FF 10.000.000 na. De drie jongens waren, zoals Fransen betaamt, notoire vechtjassen, namen vrijwillig dienst in het leger, en dachten zo de notabele carrière van hun vader te kunnen evenaren. François deed dat voornamelijk in (Frans) Marokko en Algerije, de andere twee bleven in Europa. In hun vrije tijd zaten deze gewiekste boefjes voornamelijk in het gevang. Van Robert heb ik in het april-artikel al een en ander belicht; nu, na mijn bezoek aan Compiègne, kan ik Pierre wat beter gaan inkleuren. Ik blijf nog wel een tijdje doorzoeken om het naadje van de kous te weten. Volgende boek?

Pierre blijkt toch heel wat minder onschuldig te zijn dan hij in een rechtszaak tegen Robert betoogde. Aan zijn militaire staat van dienst hangt een hele lap kattebelletjes met zijn veroordelingen: 1 maand, 2 maanden, 4 maanden, 6 maanden, 2 jaar celstraf, plus telkens een geringe boete (zeker voor een multimiljonair als hij geweest moet zijn) en terugbetaling van achterovergedrukte zaken. Steeds ging het om vermogensdelicten als diefstal, uitgifte van ongedekte cheques, oplichting, verduistering, alles vallend onder de noemer “abus de confiance”, oftewel “handelen in strijd met de redelijkheid en billijkheid” waaronder het “misbruik van vertrouwen” juridisch in Nederland valt.
Appeltje-eitje dus om hem, met documenten gestaafd, compleet af te zagen. Maar…

Zijn staat van dienst vermeldt ook nog gans andere zaken, en verder onderzoek bevestigt en versterkt dat alleen maar. Aan de leuke kant van de balans: hij mocht, nog student, in 1902 met pa mee naar Japan op zakenreis (waar hij heel wat paniek en malversaties schijnt te hebben veroorzaakt), en in 1910 naar Amerika. Zijn vader bezat een grote borstelfabriek in Tracy-le-Mont met vestigingen wereldwijd en het gezin verkeerde ook in Parijs in de hoogste diplomatieke en adelijke kringen. Tussendoor, van 1905-1907, vocht hij mee in de campagne Algerije.

Aan de minder leuke kant: hij vocht in 1914-1918 aan het Franse noordelijke front en werd in mei 1918 aan de Chemin des Dames krijgsgevangen gemaakt door de Duitsers. Vier maanden later werd hij daaruit bevrijd en kon hij zijn militaire verplichtingen weer overdroten voortzetten tot hij in oktober 1931 met groot verlof ging.
Of die krijgsgevangenschap zijn verdere carrière heeft gestuurd, durf ik niet te beweren. Wel weet ik dat Pierre vanaf 1927 tot diep in de jaren-’30 regelmatig in de rechtszaal vertoefde en dientengevolge in de gevangenis (“La Santé”, eufemistisch genoeg). Op zijn militaire conduitestaat prijkt dan ook als zijn woonadres per januari 1932 de Prison de la Santé in Parijs. Best mogelijk dat hij om die reden uit dienst is ontslagen, omdat hij bij voortduring niet echt inzetbaar bleek te zijn.

Wat dreef hem zo op het criminele pad? Was dat de onverwerkte oorlogservaring uit 1918, of vond het (ook) zijn oorzaak in de volstrekt onbezorgde jeugd, vol luxe, met miljoenen francs op de bank, zeker na het overlijden van zijn moeder in 1909 en zijn vader in 1913, hetgeen in vergelijkbare gevallen ertoe leidt dat de kinderen zich met al dat vermogen geen raad weten en buitensporig gedrag gaan vertonen, dat zelfs tot criminalteit kan leiden? Ik moet hierbij steeds denken aan de Baarnse moordzaak uit 1960, ook al speelde die zich onder andere omstandigheden af.

Maar het verhaal Pierre is nog niet af. Ik vermoed dat hij in 1939/1940 niet gevangen zat. Wellicht was hij reisagent, zoals op zijn conduitestaat is bijgeschreven, of makelaar in onroerend goed (na zijn geflopte periode als zwendelaar in roerend goed). Wat ik wel weet: in mei 1943 werd hij door de Gestapo opgepakt en in Compiègne geïnterneerd. In die jaren vervulde Compiègne dezelfde rol als Westerbork in Nederland: het was het vertrekstation van de veewagons voor de deportaties naar de Duitse en Poolse kampen. Op 16 september begon voor hem de twee dagen durende reis naar Buchenwald, mogelijk als “politischer Häftling”, maar het kan ook zijn als asociaal of subversief individu – wat maakt het uit. De registers die in het indrukwekkende Mémorial de l’Internement et de la déportation te Compiègne raadpleegbaar zijn, evenals op internet trouwens, vermelden niet meer dan dat hij niet is teruggekeerd en dus vermoedelijk in 1943 in Buchenwald is overleden. Zijn vrouw, eveneens vanuit Compiègne gedeporteerd, maar in 1944 en naar Ravensbrück, is in mei 1945 bevrijd en naar Frankrijk teruggekeerd. Zij hertrouwde in 1956, daarmee de facto het overlijden van haar eerste man bevestigend.
Beide echtelieden staan vermeld op de immense glazen herdenkingswand in Compiègne tussen de andere 40.000 gedeporteerden.

Toch had ik nog zo mijn vraagtekens. Nader speurwerk leidde mij naar de archiefdienst van Buchenwald zelf, van waar ik binnen een paar dagen het volgende bericht ontving:

Sehr geehrter Herr Loonen,
vielen Dank für Ihre freundliche Anfrage an die Gedenkstätte Buchenwald. Nach Durchsicht der uns vorliegenden Unterlagen, die sich leider nur aus einer unvollständigen Sammlung zusammensetzen, können wir Ihnen folgendes mitteilen:
Pierre Loonen (*23.06.1884 in Tracy le Mont) ist im Juli 1943 verhaftet worden. Der Grund ist uns leider nicht bekannt. Anschließend inhaftierte man ihn in Compiegne. Von dort wurde er am 18.09.1943 in das Konzentrationslager Buchenwald eingeliefert.
In Buchenwald wurde P. Loonen als politischer Französischer Häftling mit der Haftnummer 21019 registriert. Es ist unklar, wo genau im Lager er untergebracht war und ob er hier Zwangsarbeit leisten musste.
Am 15.01.1944 ist Pierre Loonen von Buchenwald in das KZ Majdanek bei Lublin überstellt worden. Leider liegen uns keine weiteren Hinweise auf sein Schicksal vor.
Herr Loonen, es tut mir leid, dass wir Ihre Fragen nach dem genauen Haftgrund und dem Verbleib von Pierre Loonen nicht abschließend beantworten können. Um weitere Informationen zu erhalten möchte ich eine Anfrage an den Internationalen Suchdienst (ITS) in Bad Arolsen zu stellen.(…)

Daarop heb ik zowel de ITS als KZ Majdanek aangeschreven, maar op een antwoord wacht ik nog steeds.
Ik heb geduld – ooit komt de waarheid wel boven tafel.

Het valt me niet mee een eenduidig oordeel over een ver familielid te vormen.
Wel weet ik dat ik voor geen goud met hem zou willen ruilen.
Met empathie alleen kom je er niet. Hij mag dan nog zo’n ploert zijn geweest, daarmee verdien je nog niet wat hij in twee Wereldoorlogen heeft moeten meemaken, en uiteindelijk met de dood heeft moeten bekopen.
________________
Nagekomen mededeling: op 17 februari 2017 kwam er antwoord van het ITS. Lees daarover HIER.

 

 

 

 

Genealogische bijvangst 14-18

Net terug van een drietal dagen rondzwerven in Vic-sur-Aisne, Compiègne en omstreken, om met eigen ogen de plekken te zien waarover ik in mijn a.s. WO-I-publicatie zo uitvoerig bericht. Nader nieuws daarover volgt spoedig, als ik het akkoord met de uitgever helemaal rond heb.
In het naburige Tracy-le-Mont kwam ik, niet geheel toevallig, enkele herinneringen tegen aan een achterachterachteroudoom van mij, ene Charles Loonen en zijn zoon Robert.

Beide heren waren mij door stamboomonderzoek al langer bekend, met allerhande details ook, maar nu zag ik wat zij in en voor Tracy moeten hebben betekend.

Pa was een gevierd zakenman, stammend uit een tak van de familie die, vanuit Breda, waar zijn vader een bakkerij had, nadrukkelijk in de handel was terechtgekomen. Als de leden van die tak niet al naar Ons Indië vertrokken om goud geld te verdienen, dan toch op z’n minst naar Amsterdam (Kalverstraat) of Parijs. Deze Charles had een borstelfabriek (nooit geweten dat je daarmee miljonair kunt worden), met nogal wat vestigingen wereldwijd. Zie bijgaande bedrijfsbrief. Naast zijn fabriek in Tracy-le-Mont met 2.000 werknemers (!) had hij verkooppunten in Parijs, Londen en New York. Bovendien was hij auteur van “Le Japon moderne” (1894), een boek dat nog slechts sporadisch in de oorspronkelijke editie is te vinden; wel in latere herdrukken. Je kunt het niettemin volledig HIER raadplegen dankzij de voortreffelijke Franse bibliotheekdocumentatie. Van het een komt het ander: hij werd benoemd tot Chevalier de la Légion d’Honneur en was burgemeester van Tracy-le-Mont (1892-1912). Een jaar later overleed hij aldaar. Wat in ieder geval nog van hem rest is een naar hem vernoemd plein.

Hij had vier kinderen van wie ik er twee een beetje heb kunnen volgen: de broers Robert (1878) en Pierre (1884). Toen hun vader was overleden (hun moeder stierf al vier jaar voordien) erfden zij elk 2 miljoen francs waarmee ze wel raad wisten. Zij kochten twee luxe appartementen in Parijs en lieten zich allerhande tapijten, meubels en sieraden op zicht toesturen, die ze vervolgens kochten, maar “vergaten” te betalen. Zij konden hun geld wel beter besteden: ze trokken naar Monte Carlo en joegen daar hun gehele fortuin er door. Als gokverslaafden wisten zij, leden van een “zeer honorabele handelsfamilie uit het noorden” bij dezen en genen grote sommen geld af te troggelen die ze vervolgens weer vergokten, tot ze uiteindelijk (maart 1914) werden opgepakt en veroordeeld wegens verduistering en afpersing.

Van Pierre weet ik niet veel meer af dan dat hij op 16 september 1943 vanuit Compiègne is gedeporteerd naar Buchenwald. Zie daarvoor mijn vervolgartikel. (Gek toch, dat je van zo’n crimineel familielid vreselijk kunt gaan houden, een soort innige liefde tot voorbij de dood, maar dat heeft de Parijse SiPo op z’n geweten.)
Maar voor Sous-Lieutenant Robert duurde de gevangenschap niet zo lang: in augustus 1914 werd hij rechtstreeks vanuit de gevangenis gemobiliseerd en binnen 5 maanden, in januari 1915, overleed hij ten gevolge van oorlogsverwondingen in Noordoost-Frankrijk. Zijn naam prijkt tot op heden op de zuil van het oorlogsmonument van Tracy-le-Mont.


Min of meer bij toeval kwam ik zijn handel en wandel tot in details tegen in het New Yorkse dagblad The Sun van 1 maart 1914. Een beetje moeilijk leesbaar, maar na enig turen haal je er toch wel het nodige uit, inclusief zijn echtscheiding van zijn Amerikaanse vrouw Josephine Morse. Het originele pdf-bestand, iets minder slecht leesbaar, vind je HIER.

Even verder speuren levert op dat Robert klaarblijkelijk een draaideurcrimineel was (een knuffelcrimineel lijkt hij me niet te zijn geweest) die door zijn vader, vlak voor diens dood in 1913, nota bene ook al was verstoten, maar niet onterfd.
“Het heeft me al een miljoen francs gekost om die jongen uit de penarie te halen”, verzucht de notabele vader, blijkens een artikel in diezelfde Sun van 10 maart 1913, dat een beknopt overzichtje geeft van het al vanaf 2 juni 1911 lopende proces tegen Robert dat hem in hoger beroep 3 jaar cel opleverde, conform een eerder vonnis, plus een boete van, omgerekend, $10. En ook moest hij de gestolen $35.000 terugbetalen aan de rechtmatige eigenaar.

Een hele reeks van persberichten, vanaf The New York Times van 21 decemebr 1910 en zoals bijvoorbeeld te vinden in het Parijse Dagblad Le Rappel tussen 1911 en 1914, legt de handel en wandel van ons illustere familielid bloot, zulks tot wanhoop van zijn succesvolle en alom gerespecteerde vader, en schijnbaar ook van zijn broer Pierre die droogjes voor de rechter verklaarde zich eerder slachtoffer van zijn broer te voelen dan crimineel compagnon.


Leuk, zo’n omhoog en omlaag gevallen rijkeluiszoontje in de familie, en dat zo maar als bijvangst bij een heel ander onderzoek.

(Rechtsboven: artikel in The Sun, maart 1913;
linksboven: The New York Times, 21 december 1910;
linksonder: Le Rappel van 17 maart 1914)