Lomanstraat 6

Toen op 27 november 1912 door de Gemeente Amsterdam vergunning werd verleend om op het terrein aan de Lomanstraat, kadastraal bekend als Sectie U, No 6079, “twee perceelen op te richten, vermoedelyk te nummeren met Lomanstraat 4 en 6, met bestemming van elk perceel tot twee afzonderlyke woningen“, lag de Lomanstraat aan de uiterste zuidrand van de Amsterdamse bebouwing, zoals uit de plattegrond hiernaast blijkt.

Maar niet voor lang, want kort daarop vonden er nogal wat uitbreidingen in zuidelijke richting plaats. Bij de oplevering in november 1914 van beide panden, gefundeerd op 13 meter lange heipalen, met in de eindinspectie de volgende aantekening: “Vier woonhuizen elk voor twee gezinnen. Met meer dan drie vertrekken. Huurprijs ƒ 850 + ƒ 750 = ƒ 1600,–” waren de uitbreidingen ten zuiden van de Lomanstraat al in volle gang. Achtereenvolgens noteren we:

  • De bouw van kopstation Willemspark (1915), in 1933 omgedoopt tot Station Haarlemmermeer.
  • De aanleg van de Cornelis Krusemanstraat (1917), oorspronkelijk als Aertsenstraat gepland, die vanaf 1919, in het verlengde van de De Lairessestraat de Amsteveenseweg bij het Haarlemmermeerstation nog steeds een west-oostverbinding met het centrum vormt richting Museumplein.
  • De bouw van de Agneskerk (1919-1932), op bovenstaande kaart te lokaliseren aan de Amstelveensche Weg, midden tussen de woorden SPOORBAAN en LOMANSTRAAT.
  • De uitvoering van Berlages Plan Zuid uit 1914, zij het pas van 1919-1925 in delen uitgevoerd (Apollobuurt, Rivierenbuurt, Stadionbuurt) en niet geheel volgens oorspronkeijk ontwerp.
  • De afbraak in 1929 van het oude stadion uit 1913 en de bouw van het nieuwe Olympisch Stadion in 1928 aan de westkant van de Amstelveenseweg.
  • (foto: Amsterdamse-school.nl)

Maar zo ver zijn we nog niet. Eerst even terug naar het ontwerp en de uitvoering van Lomanstraat 6.
Wie in bouwtekeningen en Gemeentelijke Bouwvoorschriften aan het begin van de 20e eeuw is geïnteresserd, kan zijn hart ophalen aan de vele archiefstukken die het Stadsarchief Amsterdam van het pand heeft bewaard. Dat Archief stuurde mij onlangs 55 stukken toe uit de periode 1912-1967, waarvan ik hier rijkelijk gebruik maak.
Voor mij, die er van 8 mei 1956 tot 3 februari 1967 woonde, is al die informatie in het bijzonder waardevol. Ik heb er op deze weblog al vaker over verhaald, eerst in 2012 in het artikel Schaalvergroting en later nog in het artikel Van S naar 6 uit 2016.

De bouwvergunning, verleend op 27 november 1912, maakt melding van “negen teekeningen, gemerkt 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 (voor wie nog niet tot 10 kon tellen) en materialenstaat“.
Daaruit valt heel wat op te maken, al is de inpandige uitwerking wat summier – de tekeningen van blad 2 betreffen vooral maatvoering, fundering, balklagen, muurdiktes, schoorsteenafwerking e.d. van de “vier Heerenhuizen“, de huisnummers 4, 6, 8 en 10. Let ook op het fraaie lettertype van Architectenbureau De Winter rechtsonder!

Op blad 1 van bijgevoegde tekeningen worden we al iets wijzer, maar helemaal correct is die tekening niet. Onderaan staat Lohmanstraat, wat Lomanstraat moet zijn; een fout die je wel vaker tegenkomt, vermoedelijk ontstaan uit verwarring met de AR-/CHU-politicus De Savorin Lohman. Verder staan middenboven de huisnummers 4 en 2 vermeld, die resp. 6 en 4 hadden moeten wezen. Een derde verschil merk ik op rond de badkamer op de eerste verdieping. In mijn tijd was op de 1e verdieping de ingang van de badkamer via een halletje vanuit de overloop, zoals ook is geschetst op de 3e verdieping. Ik weet niet of die wijziging al bij de bouw is aagebracht, of bij een latere verbouwing.
Wat wel duidelijk is uit de situatieschetsen en verdere documenten, is dat het hier wel degelijk ging om statige, ruime en vrij luxe Heerenhuizen. Let bijvoorbeeld op de getekende rookkanalen; alle grote kamers op alle verdiepingen hadden een aansluiting vanuit een aanwezige schouw/schoorsteen. Aanvankelijk voor kolenstook, later olie en nog iets later voor aardgaskachels.
Een ander detail, niet op de tekeningen zichtbaar, maar wel in de bouwvergunning opgenomen was bijvoorbeeld de voorwaarde, krachtens de Bouwverordening art. 218 en 245: “Voor den afvoer van de drekstoffen en het huis- en hemelwater wordt voor ieder perceel afzonderlijk één grondleiding aangelegd“. Voorts gold het voorschrift dat “de privaten van waterdoorspoeling zyn voorzien elk met een reservoir van ten minste 9 L. inhoud“.

Als je bedenkt dat nummer 4 en 6 elk waren ontworpen om twee gezinnen te huisvesten, dan is de gedachte aan Groote en Kinderrijke Gezinnen uit de eerste helft van de 20e eeuw niet vreemd. In mijn stamboom kom ik uit de eeuwen daarvoor gezinnen met 15 kinderen tegen; tegenwoordig kom je daarvoor alleen nog op Urk terecht.

De splitsing per woning bestond uit de woonlagen begane grond (6hs; gelijkstraats) + eerste verdieping, met de linker deur als voordeur, en de woonlagen 2, 3 + zolder samen, die de rechter voordeur hadden. Dan kom je in ons geval dus beneden op een woning met twee grote kamers en suite met schuifdeuren, een slaapkamer, hal, toilet, uitgebouwde keuken, tuin aan de noordzijde van bescheiden omvang (krap 7×4 meter) en het geheel onderkelderd, waarvan het deel onder de gang over de volle lengte begaanbaar, en boven vier slaapkamers (waarvan eentje als Logeer of bodekamer ingetekend), toilet en een badkamer met toilet, ligbad en wastafel. Heel wat gezinnen uit die tijd zouden ervan dromen. Wij konden er met 6 kinderen ruimschoots onze plek vinden.
Wie de wooneenheid boven bewoonden, hadden het nog iets luxer, al moesten ze het zonder tuin en kelder stellen: 2e, 3e verdieping en zolder samen bevatten 9 kamers, 2 wc’s, keuken en badkamer. Geen wonder dus dat vanaf de pil de eigenaar in 1962 het wijze besluit nam de bovenste wooneenheid te splitsen in twee wooneenheden, waarbij in elk geval het trappenhuis danig moest worden verbouwd. Verdieping 2 werd één wooneenheid en verdieping 3 + zolder ook één. Begrote kosten ƒ 3.621,= plus ƒ 18,= leges. Daarvan kon de huisbaas wel een mij onbekend bedrag aan subsidie aftrekken, omdat hij immers, in tijden van woningschaarste, extra woonruimte creëerde voor modale, minder kinderrijke gezinnen.
Wij hebben van die verbouwing hoegenaamd niets meegekregen, omdat de opgang naar de bovenverdiepingen via de rechter voordeur ging, en wij, via de linker deur, met een aparte trap naar 1 hoog konden gaan.

Een bijzonder detail bij die verbouwing vormden de brievenbussen in de voordeur. Ambtenarij of bureaucratie, ik wil er af wezen, er was ooit een tijd dat er dagelijks post werd bezorgd, en soms kwam de postbode zelfs tweemaal ’s daags langs. Vandaar de strikte regeling voor de maatvoering. In PTT-jargon is een brievenbus niet zomaar een gat in de deur, maar een heuse briefinwerpgleuf. Bouw- en Woningtoezicht bemoeide zich dus ook met zaken achter de voordeur, en de bepaling dat het een horizontale gleuf moest wezen vind ik opmerkelijk, daar ik tal van oudere woningen ken waarvan de briefinwerpgleuf verticaal is aangebracht in de muur naast de voordeur. Maar dat werd dus in 1962 niet (meer) toegestaan.

Ik neem aan dat de huiseigenaar deze verbouwing (met als gevolg voortaan dubbele huurinkomsten!) pas kon doorvoeren toen de huurders van de bovenwoning de huur hadden beëindigd. Enerzijds neem ik dat aan vanwege bestaande huurdersbescherming, maar er is nog een argument dat daarop wijst:

Wij verhuisden naar Buitenveldert op 3 februari 1967. De huur was dus al enige tijd tevoren opgezegd. Huiseigenaar Van Joolen was er als de kippen bij om wederom een splitsing te gaan doorvoeren: Lomanstraat 6hs en Lomanstraat 6′ moesten 2 wooneenheden gaan worden. Hij diende daartoe reeds op 25 januari 1967 een aanvraag in bij de Gemeente, die hem werd verstrekt op 20 juni 1967. Tegen een aangenomen som van ƒ 6.570,= plus ƒ 39,= leges klaarden 2 (twee) arbeiders in 3 (drie) weken de klus die op 17 juli 1967 ambtelijk was afgelopen.
Ik geef de werktekening van de bestaande toestand op 16 januari 1967 hier weer, omdat het de toestand was toen wij er nog net even woonden, en zij daarmee onze woonsituatie het beste weergeeft:

De nu aanwezige 4 woonlagen zijn dus in feite appartementen geworden. Je ziet vergelijkbare etages in de Lomanstraat nu wel eens te koop aangeboden voor 1 tot 1½ miljoen Euro per stuk.

Begane grond en 1 hoog heb ik in de afgelopen jaren nog een paar maal bezocht, met de gebruikelijke mengeling van weemoed, nostalgie, jeugdsentiment en treurnis om vergane glorie; het schuifraam van waaruit ik tien jaar lang vanaf mijn hoofdkussen naar buiten staarde, naar de Okeghemstraat en het huis van de familie Terlingen, waaronder oud-Ignatiaan Apollo Henkie;
maar ook het ventilatieroostertje, dat volgens onderstaand bouwvoorschrift in alle kamers aangebracht diende te zijn:

 

Geloof me, of niet. Maar al die tien jaren had ik dat roostertje, links boven het raam, nooit opgemerkt. Pas vier jaar geleden consteerde ik dat het er al die jaren al heeft moeten zitten.

 

 

Tenzij er zich zaken hebben voorgedaan die niet voor kinderoortjes waren bestemd, heb ik nooit iets gehoord van problemen met de huiseigenaar.
Wat ik me nog wel herinner, is dat ik met zijn zoon, ongeveer van mijn leeftijd, regelmatig samen speelde, meestal in de huisvestingsfeer, want aan voetballen deed hij niet. Was het niet in onze tuin, waar het grind beter gedijde dan de hortensia’s, dan was het wel bij ons in de woonkamer waar wij zaten te Monopoliën.
Hij won niet altijd.

 

50 jaar later

Als je, zoals ik vorige week, na 50 jaar het ouderlijk huis betreedt waar je van 1956 tot 1966 je pubertijd hebt doorgemaakt, gaat er heel wat door je heen aan gevoelens, weemoed, zoete en zure herinneringen, details en het grote geheel van de Lomanstraat anno toen en nu. De foto hiernaast, genomen in april 1961, toont de witgekalkte 6 nog beter dan de door mij gemaakte foto uit 1962 die ik eerder hier publiceerde. En er is veel meer dat nog steeds hetzelfde is gebleven, naast al wat er is veranderd.

 

Ik heb het dan niet alleen over heel kleine dingetjes, zoals het gaatje in het kozijn op mijn slaapkamer, waar je een pin doorheen kunt steken om het schuifraam een stukje open te laten staan, met mijn toen dagelijkse uitzicht op de Okeghemstraat en het balkon van huize Terlingen. Niet alleen over de barst die ik ontwaarde in de marmeren plaat van de schouw op de grote slaapkamer aan de voorkant, die in mijn herinnering er toen ook al in zat. Niet alleen over de deurkruk van de wc beneden – nog precies dezelfde als toen, en zelfs het haakje dat je 180° kon kantelen van VRIJ naar BEZET – nog precies hetzelfde als toen.

Iets grotere dingetjes dan: de maatvoering die nu ineens heel anders blijkt dan hij toen leek: de kamers-ensuite beneden die nu opeens veel kleiner oogt dan de balzalen die ze mij toen voorkwamen. In de meeste benedenhuizen van de Lomanstraat zal het om die reden zijn dat men de schuifdeuren en inbouwkasten, waartussen wij op een klassenavond in 1962 nog De Menæchmi opvoerden, heeft uitgebroken om er één grote kamer van te maken.
Zo ook in Lomanstraat 6, maar niet in het nu te koop/huur staande pand waarvan ik gauw even een foto maakte. Ook de tuin, die ook toen al niet echt groot was, bleek nu een beklemmend klein plaatsje te zijn, op het noorden ook nog eens, zodat ik het eigenlijk direct kon koppelen aan de trieste en verstikkende ambiance van Richard, zelfde tijd, zelfde leeftijd ook, in “De elektriseermachine van Wimshurst” van W.F. Hermans. Mijn slaapkamer daarentegen kwam mij nu groter voor dan ik vanuit die jaren in mijn hoofd had. Wellicht doordat mijn opklapbed nogal fors aan de maat was, en ook het bureau ruim genoeg was bemeten voor al die schoolboeken, zodat er aan loopruimte destijds maar weinig overbleef. En ook viel mij ineens op hoe hoog de plafonds zijn, zeker op de eerste verdieping. Misschien heb je als kind voor dat soort dingen weinig oog. Het kan ook zijn dat je intussen totaal andere referenties in je hoofd hebt na zo vele jaren en zo vele verhuizingen.

Nog een slagje groter: de (zeven?) struikelstenen die in de Lomanstraat voor de voordeuren van enkele huizen zijn geplaatst ter nagedachtenis aan van daaruit gedeporteerde joodse bewoners. En natuurlijk het volgens mij bewust zo ontworpen meest markante aspect van de Lomanstraat: de platanenboog, nu nog voller en imposanter dan de staatsiefoto die Hans Aarsman er rond 1993 van maakte.

Een waardevol weerzien, al met al, met dank aan de huidige bewoners die met liefde en plezier “open huis” hielden. Zij snapten ook wel wat zoiets na 50 jaar allemaal kan betekenen.

 

 

Lomanstraat – Van S naar 6

Eindelijk lukte het me begin deze maand, na zo vele jaren, weer eens een bezoek te brengen aan mijn ouderlijk huis Lomanstraat 6. Herinneringen, emoties, weemoed.
Plus de (vermoedelijke) oplossing van een mysterie waar ik nog nooit goed uit was gekomen. De huidige bewoners wisten het ook niet, maar het Stadsarchief bracht me op een idee. De vraag was: wat doet die inmiddels verdwenen witgekalkte 6 onder het huisnummerbordje, en wat heeft daar oorspronkelijk gestaan?

Ik weet zo goed als zeker dat er in 1956, toen we er kwamen wonen, geen 6 stond gekalkt, maar een grote dikke S. Je kunt ook op de foto uit 1962 zien dat er op de plaats van die 6 iets was weggepoetst. Altijd dacht ik, waarschijnlijk omdat me dat door wie dan ook was verteld, dat die S stond voor SD, dat wil zeggen dat informanten een S kalkten om de SD te alarmeren dat een bezoek aan dat huis erg zinvol zou zijn. Daarbij hoort het verhaal dat er bij ons in de kelder een gedeelte kruipruimte was, waarin je door een gat in de muur kon komen, en dat daar in de oorlog joden waren ondergedoken geweest. Enig bewijs daarvoor ontbrak echter.

Wel is het zo, dat er in de oorlog in de Lomanstraat joden woonden, net als in de Rivierenbuurt. Onlangs zijn er zeven (meen ik) zogenaamde struikelstenen geplaatst in de stoep van de Lomanstraat bij de huizen van waaruit joden zijn gedeporteerd. Maar voor nummer 6 ligt niet zo’n struikelsteen.


Navraag bij het Stadsarchief leverde vrij snel een alternatieve betekenis op. Peter Kroesen berichtte mij desgevraagd:

De witgekalkte 6 is in de oorlogsjaren aangebracht i.v.m. de verduisteringsvoorschriften. In de schemering gaven de witgekalkte cijfers nog enige oriëntatie in de verduisterde straten.
De S staat voor schuilkelder. Hiermee werd aangegeven dat er, in geval van luchtalarm, in een openbaar toegankelijke schuilkelder geschuild kon worden.
Of er op een bepaald adres onderduikers hebben gezeten, kan niet worden nagegaan. Er zijn geen lijsten van onderduikadressen o.i.d. Het geheime karakter van de onderduik sluit registratie uit.
De aanwezigheid van een openbaar toegankelijke schuilkelder overigens, maakt het m.i. minder waarschijnlijk dat er onderduikers gezeten zouden hebben.

Ook voor die aanwijzing als schuilkelder ontbreekt overigens ieder bewijs. Er is geen foto van te vinden, en op internet is ook geen ondersteunend bewijs dat er in de Lomanstraat, dus ook niet op nummer 6, een publieke schuilkelder is geweest, noch tijdens de oorlog, noch tijdens de Koude Oorlog toen de BB er van alles aan deed om ons bang te maken voor de Russen en er her en der weer schuilkelders werden ingericht. Vreemd is het ook, dat die S is verdwenen en er een 6 voor in de plaats is gekomen. Ik zou toch verwachten dat beide in de oorlog tegelijk zichtbaar aanwezig waren, en zo niet, dat dan de 6 zou zijn overgekalkt met een S. Maar het omgekeerde was het geval. En van die witgekalkte huisnummers i.v.m. verduistering is wel wat te vinden uit onder andere de Rivierenbuurt. Zie HIER.

Er bestaat dus toch nog een onopgelost stukje historische puzzel.
Intussen zal ik de huidige eigenaar van Lomanstraat 6 huis vragen of die 6 weer kan worden aangebracht. Mooi stukje historisch erfgoed.