Frida Balk-Smit Duyzentkunst

Vandaag, bijna een maand na haar overlijden, publiceerde Peter de Waard in de Volkskrant een necrologie van Frida Balk-Smit Duyzentkunst (1929-2013). Wel wat laat, maar wellicht kwam haar overlijden toch nog onverwacht en had de redactie niets op de plank klaarliggen voor het geval dat. De necrologie is netjes en eervol, zij het wat afstandelijk van toonzetting. En niet erg compleet, maar dat is ook ondoenlijk na haar zo veelzijdige wetenschappelijke carrière. Als student Nederlands aan de UvA (1968-1973) heb ik veel met haar te maken gehad. Reden om wat aanvullende bespiegelingen aan de necrologie toe te voegen.

Frida was, in het roerige jaar 1968, de mentrix van de groep eerstejaars studenten waarvan ik deel uitmaakte. Ik herinner mij dat ze samen met ons het curriculum van de opleiding doornam, met wat daarvan in het eerste jaar aan bod zou komen. Op innemende, haast moederlijke toon wijdde ze ons in in wat ons op deze opleiding te wachten stond. Mijn verbazing was echter groot: had ik niet gekozen voor een opleiding Nederlands omdat op de middelbare school mijn opstellen bovenmodaal werden gewaardeerd en het inderdaad zo was dat ik graag non-fictie schreef, zoals ook nu nog? Hoe kon het dan zijn dat in het hele curriculum aan de UvA het onderdeel “creatief schrijven”, “opstellen schrijven”, “artikelen redigeren”, of hoe je het wilt noemen, in geen velden of wegen te bekennen viel? Ik vroeg het haar tijdens die inaugurale bijeenkomst.

De revolutie was nog niet tot in alle haarvaten doorgesiepeld. Wij werden nog met “u” aangesproken. Maar het was niet alleen dat, dat ervoor heeft gezorgd dat haar antwoord mij tot op de dag van vandaag is bijgebleven: “Mijnheer, als u denkt dat u een begenadigd schrijver bent, moet u een uitgever zoeken, maar niet hier komen studeren.”

Ik heb vervolgens een heerlijke en zinvolle studententijd gehad, deels ook door haar inzet en fascinerende bekwaamheid. Haar colleges close reading, uit een tekst halen wat er in zit, bezaten een onweerspreekbare overtuigingskracht. Met haar scherpe redeneerwijze wist zij Harry Mulisch danig van repliek te dienen toen die in zijn wetenschappelijk weinig hoogstaande pamflet Soep lepelen met een vork (1972) fulmineerde tegen spellingshervormers.

Of ik het helemaal scherp heb kunnen analyseren weet ik niet, maar zij wekte op mij de indruk dat ze, samen met haar collega’s, tevens mijn docenten Hugo Brandt Corstius en Herman Pleij bijvoorbeeld, geen uitgesproken exponenten waren binnen de richtingenstrijd die rond 1970 op de UvA in alle hevigheid losbarstte. De breuk die daarvan het gevolg was, met de traditionele oude garde van Hellinga en Lulofs aan de ene kant en de TGG-vernieuwers Kraak, Klooster, Van Dort en Verkuyl aan de andere kant, heb ik altijd in hoge mate betreurd. Binnen de wetenschap is elke nieuwe ontwikkeling schatplichtig aan oudere inzichten en verworvenheden. En ook al was en ben ik fervent aanhanger van het generatieve taalkundedenken (zinnen worden in ons hoofd opgebouwd, gegenereerd, niet afgebroken, ontleed), de hele TGG had nooit kunnen ontstaan als er niet het structuralisme aan voorafgegaan was, om maar een voorbeeld te noemen. En waarom Den Hertog als 19e-eeuws taalschoolmeester verguizen als diens scherpe grammaticale analyses niet tot op de dag van vandaag nog steeds uiterst waardevol blijken te zijn, niet op de laatste plaats voor het taalonderwijs? Ik ben dus ook altijd een ontleedbeest gebleven. Overigens vond ik niet dat Frida Balk de “beste”, “meest complete” of wat dan ook grammatica heeft geschreven. Peter de Waard noemt het “het standaardwerk”, maar ten eerste verzuimt hij de juiste titel te noemen: De woorden en hun zin; hij volstaat met de ondertitel Grammatica voor iedereen, terwijl juist de hoofdtitel zo prachtig homoniem is, typisch Balk. Verder haalt deze grammatica uit 1994 het qua omvang en diepgang niet bij die van Den Hertogs Nederlandsche Spraakkunst (3 delen; rond 1900), Van den Toorns Nederlandse Grammatica (laatste druk 1984), de ANS (1997) of Kloosters Grammatica van het hedendaags Nederlands (2001). Wel ben ik uitermate gecharmeerd van haar bijna furieuze inleiding (“… Geen wonder dat zoveel mensen met een recent vwo-diploma slecht lezen en schrijven en geen vreemde talen kennen, behoudens een beetje Engels. Dat komt door de waanideeën van modieuze onderwijshervormers. In recordtempo ontwierpen zij nieuwe vaagheid die uitmondde in het bureaucratisch terrorisme dat van het Nederlandse onderwijs een puinhoop heeft gemaakt. Of er sprake is van bewuste misleiding of van louter onbenul is moeilijk uit te maken,…”; p.7). Typisch Balk, wederom.

Bij mijn afstuderen was Frida Balk de voorzitter van de examencommissie waarbij zij, samen met Marjolein van Dort, mij in een mondelinge, niet geheel pro-formazitting nog enkele vragen stelde en raadgevingen meegaf. Haar laatste opmerking voordat ik het diploma kreeg uitgereikt was dat zij hoopte mij ooit nog eens binnen de taalwetenschap terug te kunnen zien. Ik heb dat ten dele waargemaakt, want die woorden bleven maar in mijn hoofd rondzingen. Het resulteerde erin dat ik, zij het pas tussen 1997 en 2003, aan een promotie-onderzoek heb gewerkt over voorzetsels o.a. in het Nederlands, Italiaans en Tsjechisch. Helaas was zij daarbij niet actief betrokken, wel Marjolein van Dort en Wim Klooster, als meelezers. En Henk Verkuyl trad op als promotor. Misschien speelde hier toch nog iets van de richtingenstrijd uit de zeventiger jaren mee; in ieder geval spijt het me dat ik haar aanmoediging bij mijn afstuderen niet met haar persoonlijk heb weten waar te maken.

Ook als blijk van waardering voor iemand wiens stimulerende invloed voor een groot deel steeds de sleutel is geweest en gebleven voor mijn interesse in taal en taalkunde. Ik blijf mij Frida met grote dank en bewondering herinneren.

_________________________

(De foto bovenaan is genomen uit Folia Civitatis van 28 oktober 1972, p.10, bij een recensie van haar inaugurale rede “Een referentiële identiteitskrisis“)