Een WISSE ?

Alles hangt met alles samen.
Onze bezigheden met de houtkap in het bos brachten mij op het woord wisse, synoniem met stère en kuub. Maar dat woord past perfect in het rijtje woorden dat ik eerder al publiceerde onder de titel contenu en contenant: een wisse is namelijk tegelijk datgene wat wordt omsloten (stapel brandhout van een kubieke meter) als ook datgene wat omsluit (het touw waarmee de bussel hout wordt bijeengebonden).

En in die laatste betekenis komt het dan ook nog eens voor in de door mij zo geliefde Reinaert. In het Comburgse handschrift komt de hierboven afgebeelde passage voor. Letterlijk staat er:

Doe Reynaert heesschede zijn deele
Andwoerdi hem in scerne :
‘Hu deel willic hu gheven gherne,
Reynaert, scone jonghelinc!
Die wisse daer die bake an hinc,
Becnause, so es so vet.’

Oftewel, in de hertaling door Walter Verniers uit 2002 (zie de site van het Reynaertgenootschap):

… Toen hij wilde weten
waar zijn aandeel in de buit
was, lachte jij hem vierkant uit:
‘Reynaert, mooie jongeling,
het touwtje waar het spek aan hing
is lekker vet! Hier! Zuig eraan!’

Reinaert de vos en Isegrim de wolf waren samen op strooptocht geweest om in een kelder een vette ham te verschalken. Isegrim ging ermee aan de haal, en toen Reinaert zijn deel opeiste, snauwde Isegrim hem toe dat hij maar aan de wisse moest knabbelen, die toch ook zo lekker vet was…  Een wisse was toen dus een van takken of stro gevlochten stuk touw waaraan je spekken en hammen in de kelder kon ophangen; nog steeds tref je wel bij rookworsten aan dat de uiteinden met een touwtje met elkaar zijn verbonden. Om op te hangen bij het roken? Alleen maar voor de Bühne, voor de show, voor de pura-pura?

Ik wil niet zo ver gaan dat ik ook kasteel Wissekerke, voorheen gem. Bazel, nu gem. Kruibeke, Oost-Vlaanderen, en gelegen aan de literair-toeristische Tibeertroute, in dit verhaal betrek, simpelweg omdat ik geen aanknopingspunt (sic!) heb om die naam met het touw in verband te brengen. Maar kasteel Wissekerke was wel de romantische plek waar ik op Pinkstermaandag 2001 een hofdag bijwoonde van de Orde van de Vossenstaart.

Zo heb ik dan toch maar weer van alles uit mijn activiteitenarsenaal bij elkaar weten te binden.

 

 

Niet langer in ’t ongewisse

Fase 2 van de megaklus zit er inmiddels ook op: al ons hout uit het bos ligt nu bij ons in de tuin. Eén à twee jaar laten drogen en dan stoken maar.
Dat de hele transportonderneming vrij vlot is verlopen en voltooid, maakt ons een stuk rustiger.

We hadden bij dat transport gelukkig het voordeel van de hier zeer gebruikelijke burenhulp: onze buurman reed een aantal malen met zijn 4×4-japanner al dan niet met een soort aanhangwagen er achter; daarmee kon hij in het bos op plekken komen waar wij ons met onze luxe limousine niet heen waagden, zeker niet met onze aanhanger aangekoppeld. Dat zijn transportmiddel en -wijze niet geheel RDW-proof was, bleef gelukkig buiten onze verantwoordelijkheid. De Franse slag is hier af en toe nog zeer populair.

Onder de auvent konden wij, economisch stapelend, in totaal 14 stères te drogen leggen; de rest moet het doen met een buitenverblijf, tussen de toch al vrij zieke perzikbomen, en met een dekzeil om de regen tegen te houden, terwijl toch de wind en de zon het drogen kunnen bespoedigen. Louki was er als de kippen bij om, zonder iets te vragen, de grootste stapel tot haar troon te maken van waaruit zij een strategisch gunstig zicht op de wijde omgeving heeft.

De stapels die buiten liggen meten wij op vier wissen, zodat het nu wel duidelijk is dat wij in totaal 18 kuub hout te verstoken zullen hebben (genoeg voor 3 tot 4 jaar; hangt een beetje van het weer af), waarvan ons de helft in rekening zal worden gebracht. Omtrent de hoeveelheid verkeren wij nu dus meer niet in ’t ongewisse.

Alles optellend lijkt dat spotgoedkoop, € 2,25 voor een kuub haardhout. Wij weten echter ook wel dat als je alles meerekent (aanschaf kettingzaag + reserveketting, benzine en olie; aanschaf kloofbijlen; diesel voor tientallen malen naar het bos rijden en terug; een paar flessen van ’t een of ’t ander voor de behulpzame buurman; 7 maanden zwoegen en zweten; en zo meer) het veel goedkoper zou zijn geweest om hier in de buurt ergens bij iemand 18 kuub droog hout te kopen, gekloofd en gezaagd, thuis afgeleverd.
Het is net als met uien en doperwtjes uit eigen tuin: in de winkel kopen is goedkoper dan zelf verbouwen. Maar dan mis je het psychologisch genot van eigen arbeid.

______________________________________

Vorige berichten over dit onderwerp:

 

 

De wisse maat genomen

Fase 1 van de megaklus zit erop. Op de twee dikke stukken 51 na die we nog moeten kloven zijn alle bomen geveld, gezaagd en gekloofd, en ligt alles langs de rand van het bospad op transport naar huis te wachten. Niet dat dat een fluitje van een cent is, dat transport, maar met hulp van de buren gaat dat wel lukken. En dan nog alle opgestapelde meters in drieën zagen zodat ze, eenmaal gedroogd, na één of twee jaar in de cuisinière kunnen verdwijnen.

Vandaag hadden we de noodzakelijke afspraak met de houtvester die de stapels kwam monsteren en opmeten. Hij had een serieuze maatstok bij zich, een lat van dik een meter lang met twee ijzeren punten op een meter van elkaar, waarmee hij, in een mengeling van conscientieus en nonchalant handelen hoogte, breedte en diepte van alle stapels afpaste en dat op een officieel CERFA-formulier noteerde. Daarbij liet hij stapels van takken en dunnere stammetjes van minder dan 8 cm dikte buiten beschouwing. Bovendien was hij aardig genoeg om alle volumes naar beneden af te ronden.
Van de stapel 51 hier op de foto telde het middenstuk dus niet mee en schatte hij de rest van dit geheel op 2½ kuub. Zo kwam hij uiteindelijk in totaal uit op 9 kuub te factureren hout. Overigens, op die factuur (die pas begin 2014 zal komen, zo stelde hij ons gerust) zal niet € 3,50 worden berekend, maar € 4,50 per stère, waarmee wij voor vier tientjes, vele uren werk en liters zweet, hout voor enkele jaren ter beschikking hebben. Want in plaats van de negen berekende stères houd ik het op zeker 14 kuub aan linde-, haagbeuk- en eikenhout die we per saldo kunnen stoken.
Alleen al de grote bulk van nummer 49, hier bij elkaar gelegd, beloopt volgens mij 6 kuub; op het staatsformulier staat er 3 stères genoteerd.

Een wisse daad

Eindelijk is het wat beter weer geworden: boven de 10°, zonnig met soms wat regenbuien en ook is er ’s nachts geen vorst meer. Je ziet de natuur onmiddellijk reageren: alles spuit de grond uit en begint in het blad te schieten. Dat betekent wel dat er nu in ieder geval haast is geboden bij het vellen van de bomen, want de stammen zuigen zich vol met vocht, wat lastiger zaagt en trager droogt. Met wat burenhulp hebben we dat nu voor elkaar: alle door ons zelf te vellen bomen liggen plat op de grond en nu kunnen we meters gaan maken om op stapels van 1x1x1 op te tassen.

Bomen vellen is wel een vak apart. Omdat het in ons geval voornamelijk haagbeuken betreft van zeker 20 meter lang, bomen waarvan de kaarsrechte stam de eerste 15 meter geen takken heeft en daarboven een vrij brede kruin, heb je geen idee welke kant zo’n boom gaan omvallen. Bovendien zit elke kruin wel verstrengeld in een of meer kruinen van belendende bomen. Gevolg: ofwel de boom blijft bovenin hangen aan andere bomen; dan moet je van onder af aan telkens een meter stam afzagen tot alles met een hoop herrie naar beneden komt. Ofwel de boom valt precies die kant op die je niet had gepland en neemt in zijn val een of meer andere bomen mee waarvan de takken of zelfs de stammen ombuigen en afbreken. Dus weer wat extra hout, laten we maar zeggen.

Het hout van de haagbeuk is trouwens wel prima stookhout: heel zwaar en massief, kaarsrecht en doorgaans makkelijk te kloven. Dat laatste is de volgende stap na het vellen en op meterlengte zagen. Zowel voor het optillen en het transporteren, als voor het drogen is het beter de wat dikkere stammen in tweeën of vieren te kloven en dan netjes op te stapelen voordat we het tussen juni en september moeten gaan afvoeren; eerder mogen er geen voertuigen het bos in.

Na 2½ à 3 uur werken zijn we het meestal wel zat. Het is vermoeiend werken en met vallende bomen en takken en een motorkettingzaag is het niet geheel van gevaar ontbloot.
Maar in die tijd kun je heel wat hebben verstouwd en kom je met een tevreden gevoel weer terug thuis.

 

 


Een wisse noodzaak

Vandaag een uur of wat door de bossen achter Hortes gelopen. Blauwe lucht, windstil, graad of zes en sneeuw op de bosgrond. Recreatie? Verveling? Manier om van het roken af te komen? Niets van dat al. Ik ging op zoek naar lot nummers 47 tot en met 51 die ons bij de jaarlijkse houtkap ten deel waren gevallen en die we tussen nu en half juni moeten vellen/kappen/zagen en daarna mogen gaan afvoeren voor weer een paar jaartjes stookplezier.

Zoals gebruikelijk dunnen houtvesters in Frankrijk elk jaar de communale bossen uit voor een betere conditie van de houtopstand. Ik weet niet of het voor heel Frankrijk geldt, maar bij ons is het in ieder geval zo dat je, als je minstens drie jaren in de gemeente staat ingeschreven, recht hebt op een lot gekapt hout van doorgaans 6 à 10 stères. Een stère staat gelijk met wat wij nu een kuub noemen. Al zeker sinds de 15e eeuw hebben we daarvoor in het Nederlands ook nog het woord wisse; dat is een stapel wishout of brandhout van 3 voet lang, 3 voet breed en 4 voet hoog, ook ongeveer een kuub dus, maar wel een mooier woord.

Aanvankelijk betaalde je voor zo’n lot € 10 administratiekosten en was het hout gratis. Maar omdat niet alle lots even groot zijn, kreeg je toch te veel zure gezichten en daarom zijn de administratiekosten vervallen, moet je je hout netjes in wissen opstapelen en komt er een gérant, handelend volgens het Règlement National d’Exploitation Forestière, opmeten hoeveel je hebt gestapeld. Dan krijg je een factuur (volgens bronnen ± € 3,50/stère, wat een schijntje is; in de handel betaal je vlot het tienvoudige) en na voldoening van de penningen is het hout van ouw. Maar daar staat wel een en ander tegenover.

Op de eerste plaats krijg je een allegaartje van hout: kromme takken en rechte stammetjes, in mijn geval bof ik dit jaar: heel wat dunne, kaarsrechte stammen van wel 20 meter lang. Verder heb je de houtsoorten niet zelf voor het uitzoeken, maar ook daarmee bof ik: eik, beuk en linde zullen mijn lot zijn; dat wil wel branden.
Het allerergste is echter dat je niet thuis kunt gaan zitten wachten tot de dienstdoende houtvester het netjes gezaagd en gekloofd bij je aflevert; je zult zelf het bos in moeten, zelf gaan vellen, zagen, kappen, kloven, stapelen en afvoeren. Goed kijken welke nummers van jou zijn; alle bomen met dat nummer en een ingekerfd kruis mag/moet je vellen, wat op de grond ligt, moet je op lengtes van 1 meter afzagen, en wat er aan kreupelhout rondom verspreid ligt, moet je kleinhakken (voor aanmaakhout of de barbecue). Jouw “gebiedje” moet je schoon opleveren.

En dat is allemaal aan een onbeschrijfelijke hoeveelheid regels gebonden. Staat allemaal in de pas gereviseerde Code Forestier uit 2012, een herziene versie van een boswet die in Frankrijk al rond 1350 voor het eerst verscheen. En die is aanmerkelijk uitgebreider dan de Nederlandse Boswet uit 1961 (revisie van de Boschwet van rond 1920 – ik weet niet of Nederland er eerder al eentje had, al was het maar in het Fransch).

Ik noem maar wat: je mag de stammen niet schuin afzagen, maar alleen parallel aan de bodem, om te voorkomen dat banden of carters van bosvoertuigen en tractoren beschadigd raken; je mag het hout alleen op stevige ondergrond opstapelen, om spoorvorming en samenpersing van de grond te vermijden die het ondergrondse wortelstelsel zou kunnen doen verstikken; je mag geen stapels laten leunen tegen jonge aanplant of reeds bestaande bomen; je mag jonge aanplant niet verbuigen of knakken; er mogen geen takken of twijgen over gebaande paden, greppels of perceelgrenzen heen uitsteken; als de grond te modderig is, mag je met de tractor niet het bos in om het hout weg te halen; … en dat alles op straffe van een forfaitaire boete van € 200, nog los van de verplichting de aangerichte schade te herstellen of op jouw kosten te laten herstellen. Verder moet de affouagiste (daar bestaat geen Nederlands woord voor; het is meer dan een sprokkelaar en minder dan een houthakker, het is degene die zijn wishout zaagt, ordent, afvoert en zich toe-eigent) zich houden aan de kledingvoorschriften: bos- of bouwhelm met vizier, lederen handschoenen, zaagvaste pantalon, veiligheidsschoenen, kniebeschermers, wettelijk goedgekeurde motorzaag en ander gereedschap, nooit alleen aan het werk maar altijd en équipe, je voertuig parkeren met de neus in de vluchtrichting voor het geval er brand uitbreekt, zelf tevoren een vluchtweg bepalen als je een boom gaat vellen, …

Bij dit alles besef ik maar eens te meer hoezeer het plattelandsleven hier in Frankrijk wordt gedicteerd door de seizoenen. Brandhout is hier essentieel; niet alleen foyers en cuisinières, maar zelfs in heel wat cv-ketels wordt hout gestookt. Kijk maar, als je door het Franse platteland rijdt, hoeveel onafzienbaar lange houtstapels er op de erven liggen te wachten op de komende winter. En bedenk dat elk stammetje op die stapel er handmatig is opgelegd (nadat het dus al die vele bewerkingen hierboven heeft ondergaan). De seizoenen, geen domme traditie, maar economische noodzaak: tussen maart en mei: vellen, kappen, zagen, kloven in het bos. Tussen juni en september: afvoeren en thuis opstapelen. Twee jaar laten drogen. Tussen oktober en maart: opstoken.


Je kunt ook tien keer zoveel betalen en het kant-en-klaar thuis laten bezorgen, maar dan mis je het genoegen dat je er ook gratis bij krijgt: het urenlang aan het werk zijn in de bossen op de heuvels net achter Hortes.
Sterk aanbevolen.