11-11

In Nederland kenen we het niet, maar in Frankrijk is 11 november traditioneel een nationale feestdag ter herdenking van de wapenstilstand in 1918. Zo ook dit jaar, waarbij de gemeente Haute-Amance (Hortes, Rosoy-sur-Amance, Troischamps en Montlandon) flink uit de slof was geschoten met een expositie in de Salle des Fêtes in Hortes, 10, 11 en 12 november, geanimeerd door de Association Militaria uit Chaumont.
Men was er zeer zeker vroeg bij om al in 2017 de ‘centenaire’ van 1918 te vieren, dat moet gezegd. Zuid-Nederlandse carnavalvierders lopen met hun 11.11. slechts drie maanden vooruit.

Op 10 november werd een en ander in Hortes geïnstalleerd en kwam er een aantal schoolklasjes op bezoek voor een voorbeschouwing met tekst en uitleg. Dat is iets waar Frankrijk een goede beurt maakt: het betrekken van schoolkinderen bij culturele en historische evenementen, of het nu vaste exposities in musea betreft of incidentele gebeurtenissen als deze tentoonstelling.
Het betekent evenwel meteen al dat ik er nogal tweeslachtig tegenaan kijk: de kinderen raakten in hoofdzaak geobsedeerd door het modelkanon dat stond opgesteld en de ‘echte’ schietgeweren uit ’14-’18 die ze maar wat graag in hun handen hadden. Evident loopt daardoor de verheerlijking van wapentuig en patriottisme ver vooruit op het leggen van nadruk op oorlogsellende en vredespromotie, zeker als je ziet dat enkele jongelui vol trots zich in nepuniformen tooiden en zich al doende een vechtjas-in-de-dop waanden. Het ophemelen van militaria: quel exemple pour les petits.

Gedurende de twee officiële expositiedagen vertoonde het scherm af en toe een foto-diaporama van mijn Parisot-boek, maar verder voornamelijk een continue DVD met een Apocalypsflim van de Eerste Wereldoorlog. Een indrukwekkende documentaire, maar eerlijk gezegd keek er geen hond naar. Veel meer was men geïnteresseerd in het uitgestalde wapentuig en het met elkaar kletsen over wat dan ook, waarbij helaas moet worden gezegd dat het zeer slechte weer, twee dagen onophoudelijke regen, het aantal bezoekers tot een bedenkelijk minimum reduceerde.

Hoewel Hortes ongetwijfeld boven zichzelf uitsteeg met de verzorging van dit driedaagse evenement, bleek ook uit van alles en nog wat de schrijnend lage organisatiegraad. Dat begon al op de 11e: na de obligate kranslegging bij het monument in Hortes, buiten ieders schuld compleet verregend, volgde als goedmakertje een vin d’honneur in het gemeenschapshuis; drank maakt veel goed. Die werd gevolgd door een zeer geanimeerde lunch voor de organisatoren. Dat tafelen liep echter uit tot na half vier, voor Franse begrippen heel vanzelfsprekend, terwijl de tentoonstelling volgens plan om 14 uur zou opengaan. Ik heb niemand ontmoet die zich daarover opwond.
Verder was er geen georganiseerd optreden, noch enige toespraak, noch enig gepland discussiemoment.


Ook verbazingwekkend was dat mij op zondagmiddag door de secretaris van de Association Militaria, minder vriendelijk dan dringend werd verboden foto’s te maken, met als argument dat het ‘zijn privécollectie’ betrof. Alsof hij zich er voor schaamde al dat tuig in een openbare ruimte uit te stallen, waaronder een hier afgebeelde Pruisische punthelm (“Zur Treue Fest”), waarvan ik uit eerstehand bronnen weet dat het de ultieme oorlogsbuit was voor Franse militairen in ’14-’18. Ik hield me, hoewel hogelijk verbaasd over dit mallotige vertoon van protectionisme, verder maar op de vlakte. Ik had toch al rond de 100 foto’s gemaakt, ruimschoots genoeg voor dit artikel en ter aanvulling van mijn eigen privécollectie, en dacht er vervolgens het mijne van.


Het aantal uitgestalde oorlogshebbedingetjes was groot, sommige vooral illustratief zoals medische attributen, instrumenten en andere voorzieningen, sommige die eerder een wrange verheerlijking waren van artistieke uitbating van oorlogsherinneringen, zoals de vele bewerkte granaathulzen, ook in België en Nederland wel bekend.
Verder was er opvallend veel aandacht besteed aan de Amerikaanse inbreng in de bevrijdingsoperatie, die ook in Hortes sterk voelbaar is geweest, maar was er nauwelijks enige aandacht voor het leed en alle andere ellende die voor WO-I, zoals voor alle oorlogen, toch het meest kenmerkend zijn.


Slechts een enkele foto liet iets zien van de tristesse van deze zwarte periode, maar dan moet je er toch nog enige tijd goed naar kijken. Desgevraagd was de keuze voor de tentoongestelde collectie simpel en tweeledig: de Association toont wat zij in huis heeft, en dat zijn memorabilia van militaire en nationalistische snit, en voorts werden er veel kinderen verwacht, aan wie je al die ellende niet moet laten zien. Nee, maar wel de aanleiding daartoe. De logische vervolgstap blijft aldus achterwege. Laat staan dat er enige diepgang of discussie plaatsvond.

Maar à la, al met al was het toch veel meer dan de alledaagse attitude in deze contreien, waarbij men hoopt dat morgen alsjeblieft hetzelfde zal zijn als gisteren, en waarbij het verre verleden net zo oninteressant is als de verre toekomst. Ik meen daarover al eens eerder iets te hebben geschreven.

 

Beaulieu, 2 van vele

Dit is het tweede van een reeks artikelen die vermoedelijk heel lang gaat worden. Ik nummer ze daarom maar  1-100 “van vele”.
Het gaat om de voormalige Cisterciënzer abdij van Beaulieu, hier zo’n 4 km vandaan. Als abdij functioneert het perceel niet meer sinds de Franse revolutie, eind 18e eeuw, maar wat ervan rest is alleszins de moeite van een studie en een openbaarmaking waard.
Hier het vervolg van een verhaal waarvan ik vooralsnog het einde niet ken:
La Chapelle.

Het kapelletje is niet groot. Uit nevenstaande maatvoering valt af te lezen dat het grofweg 9×3½ meter groot is. Zowel achter het altaar als links en rechts ervan zijn neogotische ramen waarin zich glas-in-lood bevindt. Bevond, kan ik beter zeggen, want het meeste van de ramen verkeert in allerbelabberste staat.

Ook van die raampartijen heb ik de maatvoering ingetekend. In het midden het grootste raam, achter het altaar, de abside of koornis dus. Dat raam is nog redelijk intact. Links en rechts twee behoorlijk gehavende ramen, min of meer symmetrisch, zowel qua maat als vlakvulling. Van geen van de ramen is de auteur bekend; ze zijn niet gesigneerd en er is geen andere bron waaruit de vervaardiger zou kunnen blijken. Op enkele details na (zie onder), schatten experts ze op 19e-eeuwse panelen, hetgeen klopt met bestaande meldingen dat de kapel in de 19e eeuw is herschapen of herbouwd, remaniée in het Frans. Of dat duidt op aanpassing van een oudere kapel op dezelfde plaats, dan wel op het bouwen van een geheel nieuwe kapel op een andere plaats, is vooralsnog een onopgeloste vraag. Ik beperk me nu even tot de gebrandschilderde ramen.

Links treffen we de restanten aan van een Josef met de kleine Jesus. Het gebrandschilderde paneel heeft, zelfs in pefecte conditie, het nadeel dat het aan de noordzijde van de kapel is aangebracht, waardoor er nooit direct zonlicht op valt en de figuren in feite alleen maar goed zichtbaar zijn van buitenaf, via het licht dat door het raam aan de overzijde invalt. De foto hiernaast is dus ook van buitenaf genomen. Restauratie zal wel mogelijk zijn, omdat de hoofdfiguren nagenoeg geheel bewaard zijn gebleven en de entourage min of meer indentiek is aan die van het tegenoverliggende raam. We praten gemakshalve even niet over de kosten, maar dat kan ik wel achter elke paragraaf hierna toevoegen.

Rechts moet een afbeelding zijn geweest van Sint-Nicolaas, gelet op de drie jongens in de tobbe aan zijn voeten en de (gouden?) bal in zijn hand. Het voordeel van het grote analfabetisme destijds was, dat schilders en beeldhouwers aan afbeeldingen iconografische, liever hagiografische attributen toevoegden, waarmee een ieder die een beetje was ingewijd, precies wist wie er was afgebeeld. De in alle katholieke kerken aanwezige kruiswegstatie, sinds 1741 pauselijk verplicht, “leest” dan ook als een soort veertiendelig stripverhaal.
Van deze Sinterklaas resteert helaas alleen de onderste helft, maar hagiografisch is dat wel het belangrijkste, meest herkenbare gedeelte. Het bovenstuk is verdwenen. Ik heb er nog wel enkele brokstukken van weten terug te vinden, maar te weinig om er nog wat van te maken. Mogelijke oorzaken: wind en hagel, baldadig geworpen stenen (dit raam ligt letterlijk op een steenworp afstand van de openbare weg, de D103), maar nog waarschijnlijker zijn het de takken van de naastgelegen bomen die deels tot tussen de dakpannen zijn doorgegroeid en waarvan vele al zwiepend tegen het raam de vernieling hebben veroorzaakt. Flat tempestas per arborum (Hoor de wind waait door de bomen), om maar in Sinterklaasstijl te blijven.
Ik ben inmiddels al begonnen met die takken te snoeien, om nog erger beschadiging te voorkomen. Immers, de eigenares van het hele perceel is oud en woont in Amerika, en zij bekommert zich allerminst om de kapel, hooguit om het kasteel van de oude abdij. En het aanbrengen van een Lexan (slagvast polycarbonaat) schutpaneel aan de buitenzijde is te kostbaar op dit moment; het zou ver boven de € 500 uitkomen.

Komen we toe aan het belangrijkste paneel.
Net als de twee zijpanelen is ook dit centrale paneel 19e-eeuws, maar er is een wezenlijk verschil: er zijn 6 ronde of ovale medaillons in gevat die overduidelijk op vroeger datum wijzen. Zowel hun techniek, maar meer nog de afgebeelde figuren en een enkele maal een jaaraanduiding brengen ons naar de 17e eeuw. Het vermoeden bestaat, maar zekerheid moet nog worden geboden, dat deze medaillons afkomstig zijn van de oudere Abdijkerk of -kapel en die na verwoesting of anderszins afbraak daarvan bewaard zijn gebleven en in het nieuwe 19e-eeuwse kapelletje zijn gevat in een nieuw groot paneel. Ik loop die medaillons even langs:

Over het centrale bovenste stuk, net geen rozet, wil ik het nu niet hebben, want ook dat stamt uit de 19e eeuw en ik ben er nog niet achter wat die 4 met rechtsliggend kruis betekent, noch wiens initialen “PB” zijn afgebeeld. Dat vinden wel nog wel uit.


Daaronder zien we de volgende twee oude medaillons:

Rechts in het ovale medaillon zien we overduidelijk wederom Sint-Nicolaas: bisschopsmantel, mijter, staf, aureool en de drie tobbende jongelieden aan zijn voeten. Wat hij hun met de rechter hand aanbiedt, is niet te zien. Merk ook het boek op dat schier achteloos naast de tobbe ligt.

 

De linker afbeelding is vooralsnog een raadsel. Het lijkt om twee vrouwen te gaan, waarvan de rechter oudere de linker jongere de les leest, met een boek tussen hen beiden in. Ik zie geen verdere hagiografische attributen, zo het hier al om heiligen gaat.
Mogelijk duidt het op educatieve aspiraties van de kloosterorde, maar de Cistersiënzer abdij van Beaulieu kende alleen mannelijke bewoners (sporadische, vluchtige uitzonderingen daargelaten; zie in een van de volgende artikelen uit deze reeks het verhaal van de tunnel).

Daaronder een volgend tweetal medaillons:
Rechts zien we Saint Amance, want dat staat erbij vermeld, plus nog het jaartal 1609 of 1699, dat moeten we bij nadere bestudering en reiniging nog zien te bevestigen.
Er zijn zeker drie heiligen met de naam Sint-Amantius. Of het hier gaat om Amantius van Rodez, heiligverklaarde (aureool!) bisschop (mantel, mijter en staf; twee opgestoken vingers!) is niet zeker, maar wel waarschijnlijk, want zo te zien verrichtte hij hier een van zijn vele wonderen, d.w.z. je ziet de duivel uit de te bekeren vrouw wegfladderen, en om wonderen verrichten en bekeren stond deze Zuid-Franse heilige bekend.
Links moet Maragreta van Antiochië zijn, een heilige die in het kader van #SheToo wel een en ander zou kunnen verklappen, zie bv. op heiligen.net, maar die in ieder geval vaak wordt afgebeeld als bedwingster van de draak, een kruis in haar hand, aureool achter haar hoofd. Er zijn bronnen die haar in verband brengen met de Franse stad Terrasson, in de buurt van Brive, als zou zij het zijn die de stadsbevolking wist te bekeren door de draak te verslaan die het dorp in zijn greep hield. Ook heet het dat onder meer zij eeuwen later verscheen aan Jeanne d’Arc om die haar missie te duiden.

De onderste twee medaillons ten slotte leveren ook wat mysteries op:
Uiteraard kan aan wat er resteerde van de rechter afbeelding onmogelijk worden afgeleid met welke al dan niet heilige bisschop we hier hebben te maken. Een van mijn eerste projecten nu is resterende brokstukken te vinden in de hoop tot een completer beeld te komen. Zie daarvoor onderaan dit artikel.
Links laat de afbeelding minder te wensen over. Immers, er hebben nogal wat heilige martelaren bestaan die het bestonden om met hun afgehakte hoofd verder door te lopen om hun zaligmakende activiteiten voort te zetten, zoals Dionysius. Een ander voorbeeld daarvan was Saint Didier, Sint-Desiderius, bisschop van Langres, alwaar de aan hem gewijde kapel nu onderdeel is van het gemeentelijk museum, maar die ook in Hortes sterk wordt vereerd met een kapel en een straatnaam, naar hem vermoemd. Het lijdt geen twijfel dat hij hier staat afgebeeld. Kenmerken: de bisschopsmantel en -staf, en de mijter. Mogelijk is de rots rechtsboven een verwijzing naar Langres, dat immers hoog op een rots is gebouwd en dat hij tegen de Alemannen poogde te verdedigen.

Rest dan nog de zoektocht naar de bijna verdwenen afbeelding in het medaillon rechts onder. Al gravend en wroetend in de aarde onder het raam tot onder het altaar, en achter het raam aan de buitenkant, vond ik een aantal brokstukjes die als een legpuzzel aan elkaar passen. Daarmee wordt in ieder geval de afbeelding duidelijk; wat er nog ontbreekt zijn enkele details van de entourage en het achtergronddecor.
Maar daarmee is de puzzel nog bij lange na niet opgelost.

Wie helpt?
Het gaat om een bisschop: wederom de mantel, mijter en staf en de twee opgestoken vingers.
Maar voor wie of wat staan de letters “GP”;
waarop duidt de inscriptie “PREVOIN”, welk woord ik in geen van mijn vele Franse woordenboeken heb kunnen terugvinden, en op internet al evenmin;
wat mogen we afleiden uit de zetel op het blazoen met die vijfpuntige ster die ervoor ligt?

Vragen te over, dus nogmaals: wie helpt?


Vorig bericht: http://nardloonen.nl/2017/10/25/beaulieu-1-van-vele/
Volgend bericht: http://nardloonen.nl/2017/11/29/beaulieu-3-van-vele/


Tenzij anders vermeld, zijn alle foto’s door mij genomen.
Overname toegestaan, mits met bronvermelding “© 2017 Leonard Loonen”

 

Ouderenzorg

Terwijl in Nederland de politieke partijen over elkaar heen buitelen om voor de verkiezingen van maart 2017 hun meest 65+’vriendelijke gezicht te tonen (van de plannen voor een Nationaal Zorgfonds ben ik overigens een verklaard voorstander), beginnen ze in Frankrijk de messen te slijpen voor de presidentsverkiezingen in april/mei 2017. Links hangt knock-out in de touwen, dus het zal wel een keus worden tussen Fillon (rechts-liberaal) en Le Pen (rechts-populistisch). Ik heb als Nederlander hier geen stemrecht, maar als 65+’er werd er toch aan mij gedacht.

De gemeente Haute-Amance, departement 52-Haute-Marne, een conglomeraat van vier dorpen waaronder Rosoy-sur-Amance, telt momenteel circa 1.000 inwoners, waarvan het merendeel, schat ik zo, boven de 65 is. Het gemeentebestuur overstijgt alle Parijse perikelen door zich niet met verkiezingsretoriek bezig te houden, maar houdt het op handhaving van de traditionele waarden. Dat ging al honderden jaren goed, dus waarom er iets aan veranderen?
De uitnodiging (ambtelijk-bureaucratisch correct gedateerd op 07 november) was helaas opgemaakt met dat vreselijke comic sans lettertype, waarvan ik dacht dat dat was voorbehouden aan mavo-pubermeisjes of olijke bakvissen.

Niettemin, afgelopen weekend vond derhalve de traditionele maaltijd plaats, waarvoor het gemeentebestuur best een paar duizend euro in het budget had willen vrijmaken (plus nog eens vervoerfaciliteiten voor wie slechts ter been was, of geen rijbewijs (meer) had), om de sociale cohesie van de vele 65+’ers te versterken.
Voor de eerste keer schoof ik aan.

En ik kwam bedrogen uit. Ik had een gezapig samenzijn verwacht van rollators, krukken, braces, mitella’s, en oudjes die normaal gesproken het huis niet meer uit komen, maar die voor dit gratis hapje door de mantelzorg of andere attente dorpsbewoners erheen waren gesleept. Niets was echter minder waar. Er bleken zich rond de 150 bejaarden te hebben verzameld, de meeste mannen kalend, de meeste vrouwen voor de gelegenheid gisteren nog net naar de kapper geweest; sommigen kwiek, anderen zorgelijk krom lopend, velen voortdurend naar de wc moetend, en in plaats van dat het voornamelijk ging over wie er de afgelopen maanden allemaal waren overleden, welke kwalen een bedenkelijk niveau aan het bereiken waren en de gebrekkige straatverlichting ’s avonds, werd er aan de tafeltjes heel conviviaal gekouterd over de oogst van afgelopen zomer, de ontwikkelingen in het dorp, de vele mogelijkheden in de nabije toekomst. Er werden moppen getapt, recepten besproken, kleinkinderen voor het voetlicht gehaald, kortom een veel positievere grondhouding dan waarop ik had gerekend.

En waar ik een traditioneel menu had verwacht van de gebruikelijke apéro (slechte witte wijn met een scheut cassis erdoor die gelukkig net in de aanbieding was), een kartonnen wegwerpbordje met slappe, koude, vette, rijkelijk met zout bestrooide friet als poedersuiker op de kerststol, geserveerd met een ondefinieerbaar stukje kip, of worst, of een zwartgeblakerd speklapje, en een keuze uit één of twee soorten kaas als dessert, dat alles met een plastic vanzelf brekend vorkje en geen mes, want aan de zijkant van het vorkje zitten toch immers karteltjes, had het gemeentebestuur nou eens flink uitgepakt. Geheel tegen de traditionele xenofobische houding van Franse dorpen, waar zelfs alles uit naburige departementen al als indringerig wordt beschouwd, was er dit maal een traiteur uit Lavoncourt, departement 70-Haute-Saône, in de arm genomen.
Wat het allemaal heeft gekost, weet ik uiteraard niet, maar uit het feit dat invités welkom waren tegen betaling van €30 pp. leid ik af dat er per couvert zeker een dergelijk bedrag mee was gemoeid.
Ik geef toe, het aperitief bestond, zoals verwacht, uit een keus tussen witte-wijn-met-cassis of rosé-pamplemousse met plastic bordjes vol  borrelnootjes assorti die je voor minder dan een euro per bakje bij de Colruyt of LeClerc weghaalt, maar waarmee toch in ieder geval de gewenste temperatuur kon worden bereikt.

Daarna verscheen er een aantal gangen die zowel qua opmaak als qua ingrediënten meer dan voortreffelijk te noemen waren. Toen de burgemeester, vanwege zijn te lage leeftijd niet toelaatbaar, maar als rondlopend bediende zeer gewaardeerd, het startsein had gegeven, nam de geamuseerdheid rechtevenredig toe met het aantal achterovergeslagen glazen. Aanvankelijk, naast de onontbeerlijke flessen mineraalwater, zeer goede Pinot blanc uit de Elzas en vanaf gang zoveel een niet al te goedkope rode Bordeaux. Het eerste gerecht, een  toastje met een soort kaasbitterbal en een schaaltje met champignons en escargots op een leien bord, alles keurig gegarneerd, werd gevolgd door een  bord met een fors stuk zalm (alleen, ik eet geen vis, maar mijn portie vond aan de tafel gretig aftrek).

Daarop volgde tot mijn grote verrassing een tussendoortoetje: een potje met mango-ijs, verse (hoe kan dat?) aardbeien, een knapperige wafel en een plastic pipetje met een of andere Bretonse likeurachtige drank. Jammer genoeg moesten we het lege potje inleveren -ik had er nog wel iets nuttigs mee kunnen doen, maar dat is wellicht te Hollands gedacht.

Dit was niet het echte dessert, want daarna brachten de ongeveer 20 vrijwillige serveerders borden rond met een dik stuk varkenshaas met een rijk garnituur. Het verbaast me wat al die Franse bejaarden bij zo’n maaltijd weten te verstouwen, maar alles ging op. Men vertelde me dat er tot slot nog een echt dessert zou volgen, maar omdat Franse maaltijden uitblinken in langdurigheid (het begin was om 12:30 stipt en het was inmiddels 16:30) excuseerde ik me omdat ik nog een afspraak had waar ik naartoe moest. Ik had voldoende foto’s gemaakt en in feite wilde ik geen minuut missen van Utrecht-Feyenoord die een kwartier later begon, en waarvan het inderdaad de moeite was er de eerste minuten niet van te missen. De laatste ook niet, trouwens, zeg ik met enige opluchting.

Ik wist intussen wel genoeg en was zeer tevreden over dit gemeente-initiatief en zeker ook over de feitelijke uitvoering ervan. Henk Krol zou er zijn vingers bij hebben afgelikt.

Kortom, ik weet nog niet op wie ik in Nederland in maart ga stemmen; zal wel een van de Zorgfondspartijen worden. In Frankrijk hoef ik komend jaar gelukkig niet te stemmen op rechts of op rechts, maar afgelopen zondag in Hortes zat de stemming er alvast goed in.

 

 

VESI

Het mag in de krant. Afgelopen donderdag kwam de uitgever vroeg in de ochtend mijn hele oplage van La vérité et son image thuis afleveren, en zulks binnen de afgesproken termijn. Dat vormde het sluitstuk van een inspanning die 15 jaar geleden begon toen we tot onze verrassing de brieven en andere documenten uit 1914-1918 tussen de rommel aantroffen in het pas gekochte huis in Rosoy. Die zijn nu dus definitief voor het nageslacht bewaard.

VESI staat voor La vérité et son image (“De waarheid en derzelver beeld”).
Behalve dat ik, met de voortvarende medewerking van de opmaakafdeling van de uitgeverij, het boek er mooi vind uitzien, wil ik twee argumenten benadrukken waarom ik deze becommentarieerde en geïllustreerde documenten zo graag zag uitgegeven. Immers: wat heeft een Nederlander nu met de Eerste Wereldoorlog, zo lang geleden en zo ver van huis?

Het eerste argument is dat ik het vele gevonden authentieke materiaal op deze manier wilde behoeden voor de vergankelijkheid, voor de stort, voor de oud-papieractie waarvan de opbrengst per kilo naar de plaatselijke carnavalsvereniging gaat. Bovendien, het gaat hier om het familie-erfgoed, daterend van eind 19e eeuw tot na de Tweede Wereldoorlog, van mensen van wie ik nog steeds het idee heb dat ik nu woon in hun huis, met het karakter dat zij erin hebben aangebracht, met de vele spullen die zij erin hebben achtergelaten. Een hommage dus aan een gezin dat zonder nageslacht in de vergetelheid dreigde te geraken.
Daarom ben ik blij hier nu een stapel van hun verleden te hebben liggen onder het toeziend oog van dochter Solange Parisot (1900-1997). Zie mijn bericht Zomaar een muur voor de wordingsgeschiedenis van die buste.

Het tweede argument betreft mijn visie op de berichtgeving over oorlogen. Alle oorlogen, de 30-jarige, 80-jarige, 100-jarige; de 1e of 2e (of 3e) Wereldoorlog, de als regionaal bestempelde oorlogen op de Balkan of in het Midden-Oosten. Natuurlijk is het uiterst zinvol dat al die gruwelijkheden in hun totaliteit worden beschreven, vastgelegd in boeken, in films, op internet – zij die het kunnen navertellen, worden steeds schaarser en de les van het verleden kan richting geven aan de toekomst.

Maar hoe groter de oorlog, hoe groter het aantal miljoenen zinloze slachtoffers, des te meer dreigt het “kleine leed” uit het zicht te verdwijnen.
Toen ik over de plundering en verwoesting schreef van het dorp Hortes in 1636, hier twee kilometer vandaan, richtte ik mij met opzet niet op de gigantische ellende, van de Jura tot aan Sleeswijk-Holstein, die de “Kroatische bendes” teweeg brachten, maar bracht ik de minutieus beschreven gebeurtenissen van één septemberweek in 1636 terug tot de belevenissen van één enkele, nota bene door mij verzonnen familie in Hortes die het allemaal over zich heen kreeg.

Vanuit mijn opvatting dat het Kleine Leed groter is dan de Grote Oorlog vielen mij de documenten van de familie Parisot-Millot uit Rosoy dan ook als een godsgeschenk in de schoot. Niet alleen kreeg ik eerstehandinformatie over wat één persoon, de vader, allemaal aan het front moest meemaken tussen 1914 en 1918, maar ook kwam overduidelijk aan de oppervlakte wat de rest van de familie, de moeder met haar twee kinderen, geboren in 1900 en 1909, moesten doorstaan, ook al was dat ver van het front verwijderd. Zonder elektriciteit of machines, zelfs zonder paard of karren, moesten zij naast het bewerkelijke huishouden ook voor de weggevallen inkomsten zorgen, om over “opvoeding” en school maar te zwijgen. De noodzaak van zelfvoorzienendheid hield de haast onmogelijke klus in de tegen de honderd stukken land die het gezin bezat te moeten bewerken. Weilanden, akkergrond, wijngaarden, bosgrond. Alles met de hand bewerken en lopend transporteren. Twee koeien, een varken, wat kippen in en om het huis. Slechte hygiëne, nauwelijks medische zorg (als je een dokter nodig had, moest die per fiets uit Fayl-Billot komen, 12 kilometer verderop, maar je had geen geld om hem te betalen). Ze hebben het alle vier overleefd, stierven achtereenvolgens in 1948, 1962, 1982 en 1997.

Geen “echt” oorlogsverhaal dus, want dan moet je sneuvelen of minstens wat ledematen verliezen, en moet je de kogelgaten in je helm kunnen laten zien. Maar wat deze familie overhield na de getekende vrede in 1918 was die andere soort van littekens waarmee zij tot hun dood verder moesten leven en die meestal buiten de oorlogsboeken en -films blijft. Dat is de reden dat ik mij gelukkig prijs deze zo persoonlijke documentatie in boekvorm te hebben kunnen vastleggen.

Voor wie het nog niet uit andere berichten heeft meegekregen: een uitgebreid overzicht, aangevuld met meer dan 500 gescande documenten, foto’s, kaarten en wat dies meer zij, heb ik bijeengebracht op de website rond La vérité et son image: https://www.rosoy.nl/parisot. Helemaal in het Frans en het Nederlands, opdat u niets ontga.

 

 

 

Een wisse noodzaak

Vandaag een uur of wat door de bossen achter Hortes gelopen. Blauwe lucht, windstil, graad of zes en sneeuw op de bosgrond. Recreatie? Verveling? Manier om van het roken af te komen? Niets van dat al. Ik ging op zoek naar lot nummers 47 tot en met 51 die ons bij de jaarlijkse houtkap ten deel waren gevallen en die we tussen nu en half juni moeten vellen/kappen/zagen en daarna mogen gaan afvoeren voor weer een paar jaartjes stookplezier.

Zoals gebruikelijk dunnen houtvesters in Frankrijk elk jaar de communale bossen uit voor een betere conditie van de houtopstand. Ik weet niet of het voor heel Frankrijk geldt, maar bij ons is het in ieder geval zo dat je, als je minstens drie jaren in de gemeente staat ingeschreven, recht hebt op een lot gekapt hout van doorgaans 6 à 10 stères. Een stère staat gelijk met wat wij nu een kuub noemen. Al zeker sinds de 15e eeuw hebben we daarvoor in het Nederlands ook nog het woord wisse; dat is een stapel wishout of brandhout van 3 voet lang, 3 voet breed en 4 voet hoog, ook ongeveer een kuub dus, maar wel een mooier woord.

Aanvankelijk betaalde je voor zo’n lot € 10 administratiekosten en was het hout gratis. Maar omdat niet alle lots even groot zijn, kreeg je toch te veel zure gezichten en daarom zijn de administratiekosten vervallen, moet je je hout netjes in wissen opstapelen en komt er een gérant, handelend volgens het Règlement National d’Exploitation Forestière, opmeten hoeveel je hebt gestapeld. Dan krijg je een factuur (volgens bronnen ± € 3,50/stère, wat een schijntje is; in de handel betaal je vlot het tienvoudige) en na voldoening van de penningen is het hout van ouw. Maar daar staat wel een en ander tegenover.

Op de eerste plaats krijg je een allegaartje van hout: kromme takken en rechte stammetjes, in mijn geval bof ik dit jaar: heel wat dunne, kaarsrechte stammen van wel 20 meter lang. Verder heb je de houtsoorten niet zelf voor het uitzoeken, maar ook daarmee bof ik: eik, beuk en linde zullen mijn lot zijn; dat wil wel branden.
Het allerergste is echter dat je niet thuis kunt gaan zitten wachten tot de dienstdoende houtvester het netjes gezaagd en gekloofd bij je aflevert; je zult zelf het bos in moeten, zelf gaan vellen, zagen, kappen, kloven, stapelen en afvoeren. Goed kijken welke nummers van jou zijn; alle bomen met dat nummer en een ingekerfd kruis mag/moet je vellen, wat op de grond ligt, moet je op lengtes van 1 meter afzagen, en wat er aan kreupelhout rondom verspreid ligt, moet je kleinhakken (voor aanmaakhout of de barbecue). Jouw “gebiedje” moet je schoon opleveren.

En dat is allemaal aan een onbeschrijfelijke hoeveelheid regels gebonden. Staat allemaal in de pas gereviseerde Code Forestier uit 2012, een herziene versie van een boswet die in Frankrijk al rond 1350 voor het eerst verscheen. En die is aanmerkelijk uitgebreider dan de Nederlandse Boswet uit 1961 (revisie van de Boschwet van rond 1920 – ik weet niet of Nederland er eerder al eentje had, al was het maar in het Fransch).

Ik noem maar wat: je mag de stammen niet schuin afzagen, maar alleen parallel aan de bodem, om te voorkomen dat banden of carters van bosvoertuigen en tractoren beschadigd raken; je mag het hout alleen op stevige ondergrond opstapelen, om spoorvorming en samenpersing van de grond te vermijden die het ondergrondse wortelstelsel zou kunnen doen verstikken; je mag geen stapels laten leunen tegen jonge aanplant of reeds bestaande bomen; je mag jonge aanplant niet verbuigen of knakken; er mogen geen takken of twijgen over gebaande paden, greppels of perceelgrenzen heen uitsteken; als de grond te modderig is, mag je met de tractor niet het bos in om het hout weg te halen; … en dat alles op straffe van een forfaitaire boete van € 200, nog los van de verplichting de aangerichte schade te herstellen of op jouw kosten te laten herstellen. Verder moet de affouagiste (daar bestaat geen Nederlands woord voor; het is meer dan een sprokkelaar en minder dan een houthakker, het is degene die zijn wishout zaagt, ordent, afvoert en zich toe-eigent) zich houden aan de kledingvoorschriften: bos- of bouwhelm met vizier, lederen handschoenen, zaagvaste pantalon, veiligheidsschoenen, kniebeschermers, wettelijk goedgekeurde motorzaag en ander gereedschap, nooit alleen aan het werk maar altijd en équipe, je voertuig parkeren met de neus in de vluchtrichting voor het geval er brand uitbreekt, zelf tevoren een vluchtweg bepalen als je een boom gaat vellen, …

Bij dit alles besef ik maar eens te meer hoezeer het plattelandsleven hier in Frankrijk wordt gedicteerd door de seizoenen. Brandhout is hier essentieel; niet alleen foyers en cuisinières, maar zelfs in heel wat cv-ketels wordt hout gestookt. Kijk maar, als je door het Franse platteland rijdt, hoeveel onafzienbaar lange houtstapels er op de erven liggen te wachten op de komende winter. En bedenk dat elk stammetje op die stapel er handmatig is opgelegd (nadat het dus al die vele bewerkingen hierboven heeft ondergaan). De seizoenen, geen domme traditie, maar economische noodzaak: tussen maart en mei: vellen, kappen, zagen, kloven in het bos. Tussen juni en september: afvoeren en thuis opstapelen. Twee jaar laten drogen. Tussen oktober en maart: opstoken.


Je kunt ook tien keer zoveel betalen en het kant-en-klaar thuis laten bezorgen, maar dan mis je het genoegen dat je er ook gratis bij krijgt: het urenlang aan het werk zijn in de bossen op de heuvels net achter Hortes.
Sterk aanbevolen.

 

 

De Dertigjarige oorlog

De Dertigjarige oorlog (1618-1648) vormt het laatste deel van de Tachtigjarige oorlog. Het was een Europese oorlog waarvan het doel en de gebeurtenissen zo complex zijn dat ze zich lastig kort laten samenvatten. Dankzij een bewaard gebleven Frans journaal, opgetekend tussen 1628 en 1658, kunnen we echter zeer concreet achterhalen wat er tijdens die oorlog gebeurde op 25 september 1636 in het Franse dorpje Hortes. Een verslag.

Inleiding
Het nadeel van overzichtsartikelen is dat ze per definitie weinig details geven. De Dertigjarige oorlog staat bijvoorbeeld mooi beknopt samengevat op Wikipedia, maar het kleine leed, dat in elke oorlog individuele burgers zo zwaar treft, zul je er niet in vinden. Bovendien zal blijken dat deze oorlog door enkele andere factoren voor de burgers nog ernstig werd verzwaard en dat er opvallende gelijkenissen zijn tussen wat er zich op die bewuste dag in Hortes afspeelde, en wat we summier te weten kunnen komen uit wat er zich rond datzelfde jaar afspeelde in dorpen in Oost-Brabant en Noord-Duitsland. Bij de Dertigjarige oorlog waren namelijk nogal wat landen betrokken: Denemarken, Zweden, Duitsland, De Nederlanden, Frankrijk, Oostenrijk, Hongarije, Bohemen, Kroatië, Spanje (ik noem de gebieden maar even met de namen zoals ons die nu bekend zijn; de werkelijke landsgrenzen liepen niet geheel parallel met nu en ze wijzigden zich ook tijdens die oorlog).

En wat alles nog schrijnender maakt: de verschrikkingen van de Dertigjarige oorlog waren niet exclusief iets van toen: de verhalen en beelden die wij kennen van de Tweede Wereldoorlog, De balkanoorlogen, de dictaturen in Argentinië en Chili en diverse oorlogen in het Midden-Oosten en Afrika leveren angstig nauwkeurige overeenkomsten op. De geschiedenis herhaalt zich.

Bronnen
In 1880 verscheen voor het eerst in druk het handgeschreven journaal van Clément Macheret, destijds priester te Langres en vanaf 1637 pastoor te Hortes. Het heeft als titel “Journal de ce qui s’est passé de mémorable à Lengres et aux environs depuis 1628 jusqu’en 1658” (“Journaal van wat er aan belangwekkends is gebeurd te Langres en omgeving vanaf 1628 tot aan 1658″). Het bevat minutieuze aantekeningen en details van situaties en gebeurtenissen in het gebied rond Langres. De betrouwbaarheid ervan lijkt tamelijk correct te zijn, zeker ook omdat hij direct opschreef wat er zich allemaal afspeelde. Zijn verslag ligt aan de basis van het verhaal van Hortes 1636 hieronder.

Verder beschikken wij nog over een “beeldverslag” in de vorm van gravures van Jacques Callot uit Nancy. Die tekenen niet rechtstreeks de gebeurtenissen in Hortes, maar wel die van de dertigjarige oorlog in Lotharingen en zijn daarmee redelijk maatgevend voor het beeld van 1636. Zijn twee reeksen gravures (“Misères de la guerre” ofwel: “Kleine en grote verschrikkingen van de oorlog”) uit 1633 en 1635 zijn her en der op internet te vinden. De gravure hierboven stamt ook uit die beeldreeks. Voor verder bronnenmateriaal zie aan het einde van dit artikel.

Bijkomende factoren
De Dertigjarige oorlog was niet de enige ramp die grote delen van de Europese bevolking trof. Een optelsom van elkaar versterkende bijkomende factoren verergerden de situatie voor de burgerij: de pest, misoogsten, honger, armoede en economische malaise gingen hand in hand en als in een draaikolk zogen ze de mensen naar de bodem van het bestaan – of nog daar voorbij: in de eerste helft van de 17e eeuw zijn in Oost-Frankrijk tientallen dorpen geheel ontvolkt geraakt; in tal van andere verloor een derde tot de helft het leven als gevolg van de vele ontberingen. Als daar dan ook nog eens een oorlog overheen komt, is het leed niet meer te overzien.

De pest woedde begin 17e eeuw in heel Europa en men had er totaal geen antwoord op (de pestbacterie werd pas eind 19e eeuw geïdentificeerd). Rondtrekkende legers voerden ook de ziekte met zich mee, hetgeen de verspreiding van de epidemie enorm bevorderde. Beperken we ons tot het gebied rond Hortes, dan hebben we ook nog eens te maken met een klimatologisch uitzonderlijk jaar 1636: van het voorjaar tot diep in de herfst was het enorm heet en extreem droog; voor een epidemie een uiterst gunstige omstandigheid, zeker omdat de weerstand van de bevolking zienderogen afnam. Immers, door die droogte ontstonden misoogsten, het magere vee kon het land niet bemesten, de harde grond kon niet worden bewerkt door de verzwakte bevolking, boeren konden hun pacht niet meer betalen en moesten geld lenen, maar de opbrengsten waren zo gering dat ze zelfs niet meer de rente van de lening konden aflossen. Als gevolg daarvan lieten velen hun land voor wat het was en trokken met familie en al de bossen in om te leven van wat er daar te vinden was. Begin 1636 aten de hongerige dorpelingen het zaaigoed voor het komende seizoen op, zodat het in ieder geval zeker was dat er volgend jaar ook niets te oogsten zou zijn. Er zijn berichten van tijdgenoten dat zelfs kannibalisme de kop opstak: moeders die hun kinderen doodden, en omgekeerd, om aan eten te komen.

Een andere factor, die ook met de droogte had te maken, was de slechte hygiëne in de streek die op zich al ziekten en epidemieën in de hand werkte. De economie, die voor een groot deel dreef op akkerbouw en veeteelt, zeker in een dorp als Hortes, zakte geheel in elkaar, met onder meer als gevolg dat bakkers in de dichtstbijzijnde grote stad (Langres) geen brood meer konden bakken en verkopen, maar integendeel, naarstig op zoek gingen naar graan. Bovendien werd de markt in Langres op een gegeven moment in 1636 gesloten vanwege de pest. Dat maakte niet eens zoveel uit, want goederentransport van en naar de stad was sowieso al onmogelijk geworden door de gevaren van rondtrekkende legers, plunderaars en struikrovers.

Het naderend onheil
In september 1636 trok een leger van enkele duizenden (huur-)soldaten van de Franche-Comté naar Lotharingen, waarschijnlijk met de bedoeling om langs de Rijn door te stoten naar Noord-Duitsland, waar het protestante verzet vanuit Zweden en Denemarken groot was. In veel kronieken worden deze soldaten aangeduid als “de Kroaten”, maar in feite was het een allegaartje van Spanjaarden, Fransen, Duitsers en strijders uit de Balkanlanden die zich uit armoe, eerder dan vanwege het avontuur, bij de troepen hadden aangesloten. Zij ontvingen al dan niet soldij (dat hing af van de successen en van de houding van de bevelhebbers), maar zij konden zich materieel vooral in leven houden door plunderingen en afpersingen, psychisch door ongebreidelde volupteuze verkrachtingen, martelingen en moordpartijen. Gebruikelijk was ook dat aan steden en dorpen een vaak enorme schatting werd opgelegd, maar de revenuen daarvan waren niet op de eerste plaats voor de soldaten bedoeld.

Op hun weg naderden de troepen Hortes, op bijna 15 km ten oosten van Langres. Zij namen hun intrek in een naburig dorp (met alle plunderingen, “niet nader te noemen misdrijven” en slachtpartijen van dien) en op dinsdag 23 september verscheen een troepje verkenners aan de rand van Hortes. Die werden door de plaatselijke bevolking met geweld verjaagd. Even later verscheen er opnieuw een vijandelijke delegatie waarmee ditmaal wel werd gesproken en die met enkele kruiken wijn weer vriendelijk werd teruggestuurd. Intussen was het duidelijk geworden dat het hele leger van plan was om via Hortes verder te trekken richting Lotharingen.

Op 24 september roofden soldaten op klaarlichte dag zowat de gehele veestapel van Hortes uit de velden van het dorp: 1500 runderen en 3000 schapen, meldt Macheret. Daarmee was de melk- en vleesvoorziening van de in Rosoy gelegerde soldaten weer even op peil gebracht. Aan de andere kant: Hortes zat zonder veestapel ook zonder melk, kaas, vlees, vet, huiden, wol, mest en wat al niet meer. Een veestapel was voor een dorp een basis voor het dagelijks bestaan.

Later die dag verscheen er wederom een hoge delegatie om de besluiten van bevelhebber Mathias Gallas, de gevreesde vechtjas aan wie de commercie 350 jaar later nog wel wat wist bij te verdienen, kenbaar te maken: morgen zou het leger door Hortes trekken; elke vorm van tegenstand zou niet worden getolereerd; de hele bevolking moest bij zonsopgang het dorp hebben verlaten om de doortrekkende soldaten de gelegenheid te geven de huizen binnen te treden en eruit weg te halen wat van hun gading was, en kon dan bij zonsondergang weer huiswaarts keren; bovendien, om de soldaten niet al te kwaadaardig te stemmen, moest Hortes vandaag nog een schatting komen betalen.

De dorpelingen verkeerden in verwarring door deze dramatische eisen. Intern overleg volgde en de uitkomst ervan was dat 200 dorpelingen ermee instemden en van plan waren de volgende ochtend het dorp te verlaten, maar dat de 400 anderen het niet over hun kant wensten te laten gaan en vastbesloten waren het dorp met hand en tand te verdedigen. Het onderling meningsverschil was even onoplosbaar als verscheurend: de scheidslijn liep soms dwars door een gezin heen, waarvan sommigen ervoor kozen te vertrekken en anderen om te blijven. De hele nacht werkten er dorpelingen aan het opwerpen van barricaden en inrichten van andere versterkingen op alle toegangswegen van het dorp.

De ontknoping
Rond 9 uur ’s ochtends op donderdag 25 september 1636 verscheen een leger van circa 4000 soldaten, te voet en te paard, in een enorme stofwolk aan de horizon. Van twee kanten naderden de soldaten Hortes en eenmaal dichterbij gekomen bemerkten zij dat de toegangswegen waren gebarricadeerd. Dat was tegen de afspraak (afspraak?) en hoewel de barricades betrekkelijk eenvoudig konden worden geslecht, was het wel duidelijk dat deze houding van de dorpelingen niet zonder consequenties zou wezen. De verdedigers van de barricades waren inmiddels gedood of gevlucht; anderen hadden zich in huizen verschanst. Achtergebleven vrouwen en kinderen waren in de goed vergrendelde kerk van Hortes bijeengekomen in de verwachting dat het Heilig Roomse leger de kerk wel ongemoeid zou laten.

De verschrikkingen van de oorlog werden vanaf nu alom zichtbaar: soldaten trokken huis na huis binnen en haalden eruit wat ze te pakken konden krijgen. Veel was er in die huizen niet te halen. Al helemaal geen voedselvoorraden; geen geld, sieraden, tin- of koperwerk van enige waarde; alleen sobere gebruiksvoorwerpen en textiel. Goederen werden op karren gesmeten, levende personen werden naar buiten gesleurd en op beestachtige wijze vermoord, vaak ook na eerst te zijn gemarteld. Intussen werd het ene huis na het andere in brand gestoken. Het kurkdroge hout en de rieten daken werden een makkelijke prooi van de gretige vlammen.

Vanuit de kerk werd er enige tijd op de soldaten geschoten. Macheret beweert dat daarbij 200 Kroaten het leven lieten, maar dat lijkt een onwaarschijnlijk hoog aantal. In ieder geval was het voor het leger het sein ook de kerk in brand te steken en te bestormen. Dat laatste lukte maar moeizaam. Uiteindelijk werd de grote deur geforceerd en voerden de soldaten de aanwezige vrouwen en kinderen naar buiten. Volgens Macheret gebeurden er daarbij dingen die hij beter maar niet kon opschrijven, maar uit vergelijkbare gebeurtenissen elders weten we dat vrouwen en kinderen waarschijnlijk op grote schaal zijn verkracht en dat zowel de vrouwen als de kinderen, van baby’s tot jonge tieners, zonder pardon werden afgeslacht.

Plattegrond van het toenmalige Hortes


De balans was even triest als totaal: alle 400 achtergebleven Hortenaren vermoord, alle huizen en de kerk afgebrand, alles van enige waarde geroofd. De 200 dorpelingen die diezelfde avond terugkeerden restte niets anders dan hun dorp weer van de grond af te moeten opbouwen. Zij zijn in feite de voorouders van de 550 inwoners die Hortes vandaag de dag telt.

Parallellen
Tot in de kleinste details kunnen we gebeurtenissen als die in Hortes op 25 september 1636 lezen in kronieken uit andere plaatsen, tot in Noord-Brabant aan toe. In de Kempen, het Land van Cuijk (Cuijk, Oeffelt, Boxmeer e.a.) en net over de grens in Goch en Kevelaer heersten in 1636 dezelfde omstandigheden van honger en armoe, pest en sterfte. En ook daar kwam dan nog eens een doortrekkend leger overheen met plunderingen, brandstichtingen, slachtpartijen als hierboven beschreven. Opmerkelijk is dat er nu nog steeds in Kevelaer een Kroatenstraße is, een wrange herinnering aan een bitter verleden.

Hetzelfde verhaal treffen we aan in Sleeswijk-Holstein, ook rond 1636, in het boek van Henty “Onder de vanen van Gustav Adolf” uit 1900, vertaald door Titia van der Tuuk. Hoewel deze roman is geschreven vanuit het perspectief van een Schotse huursoldaat, krijgen we ruim voldoende informatie die zonder meer te koppelen is aan wat bekend is van Hortes 1636. Zo is enerzijds Hortes “slechts” een van de vele voorbeelden van de verschrikkingen van de Dertigjarige oorlog, maar anderzijds: juist door de gedetailleerde verslaglegging van Macheret is het leed in zijn ellendige context heel persoonlijk geworden: geen helden, geen grote getallen, geen veroverde gebieden, maar uitsluitend arme, zieke en tenslotte afgeslachte dorpelingen die niet eens precies wisten wie er nou eigenlijk tegen wie vocht. Laat staan waarom.

Literatuur
Uit de grote lijst van beschikbare titels rond de Dertigjarige oorlog volgt hier een beknopte selectie van Franstalige en Nederlandstalige werken. Die levert voldoende trefwoorden en aanknopingspunten op om via Internet of bibliotheken meer over het onderwerp te weten te komen.

Over wat zich in Hortes in 1636 afspeelde, heb ik een Nederlandstalige historische miniroman geschreven: Leonard Loonen, Hortes 1636. Den vlammen ten prooi. Soest. Boekscout 2009. 116 blzz; 20×12½ cm.
PRIJS: € 14,95.
Te bestellen per e-mail via luetapprouve@gmail.com.

 

 

 

 

Verdere bronnen:

  • BARTEN, J.T.P., Oeffelt in nood in 1636 door benden Kroaten. In: MERLET, jg.17 (1981) Nº 2, p.42-44.
  • BOILLOT, Joseph, Artifices de feu et divers instruments de guerre. Chaumont, 1598.
  • LES CAHIERS HAUT-MARNAIS 1946-2000. DVD. Chaumont 2006.
  • DOUMA, H., Kroaten verwoesten de Cuijkse rosmolen. In: MERLET jg.11 (1966), p.23.
  • EBELING, J.-B. (samenst.), Louis XIII. Extraits des Mémoires du temps. Préface d’Emile Henriot. Paris. Librairie Plon 1937.
  • FOURET, OLIVIER (samenst.), Les frères Le Nain. Série Chefs-d’œuvre de l’art – Grands Peintres Nº 54. Paris, Hachette 1979.
  • GOOSSENS, C., Plunderingen door de Kroaten gedurende de jaren 1635 tot 1641. In: MERLET, jg.40 (2004) Nº 2, p.45-49.
  • HOUBEN, L.G.A., Geschiedenis van Eindhoven de stad van Kempenland.Turnhout, Drukkerij Beersmans-Pleek. 1890. 2 delen, 404 + 408 p.
  • HOUBEN, L.G.A., Geschiedenis van Eindhoven. De stad van Kempenland. Schiedam. Schiepers. 1978. Herdruk van het oorspronkelijke werk van 1889. 2 delen in één band. 404 + 408 blz.
  • HUGUES, E., Langres au début du XVIIe 1610-1660. Langres 1978. Dominique Guéniot.
  • JOLIBOIS, EMILE, La Haute-Marne ancienne et moderne. Dictionnaire géographique-statistique-historique-biologique. 1858. Réimpression 1982.
  • LEFRANC, ABEL, Het dagelijks leven in de renaissance. Utrecht. Het Spectrum z.j. Prisma-boeken 306.
  • LOUIS, GERARD, La guerre de Dix Ans 1634-1644. 1998.
  • MACHERET, CLÉMENT, Journal de ce qui s’est passé de mémorable à Lengres et aux environs depuis 1628 jusqu’en 1658. 1880.
  • MÉTHIVIER, HUBERT, L’ancien régime. Paris 1983. Presses universitaires de France. Que sais-je Nº 925.
  • MONUMENTS HISTORIQUES, Champagne-Ardenne. № 145 (juin-juillet 1986). 1986. Paris, C.N.M.H.S.
  • PÉCHINÉ, EMILE, Hortes, Mon Village. 2003. Edité par sa fille Marie Péchiné.
  • PERU, JEAN-CHARLES, La vie quotidienne dans le bailliage de Langres aux XVIIe et XVIIIe siècles. 1999.
  • PIEPAPE, LEONCE DE, Histoire militaire du Pays de Langres. 1884. Réimpression 1984.
  • PISTOLLET DE SAINT-FERGEUX, Les environs de Langres. 1836. Réimpression 1989. 2 Volumes. Heruitgave van: Pistollet (1836).
  • PISTOLLET DE SAINT-FERGEUX, Recherches historiques et statistiques sur les principales communes de l’arrondissement de Langres. Première partie. 1836.
  • RICHARD, LIEUTENANT, Les petits Français à la guerre. z.j. [1892].
  • SADOUL, GEORGES, Jacques Callot. Mirroir de son temps. Paris 19691-19902. Gallimard.
  • SCHRÖDER, Th. (inl), Jacques Callot. Das gesamte Werk. Handzeichnungen. Zwei Bände. München, Rogner&Bernhard 1971.
  • SPRUIJT, H.J.M., De ‘Reeckeningh de Kerkck van Moock aengaende’ in de ‘Croatische trobbelen’. In: MAASGOUW CII (1983), p.39-45.
  • TUUK, TITIA VAN DER, Onder de Vanen van Gustaaf Adolf. Naar het Engelsch van G.A. Henty. Met 10 fraaie platen. Almelo z.j. [±1900]. W. Hilarius Wzn.