Geen halve goede morgen

De Volkskrant van vanmorgen, op (taal-)pagina V15, was nog uitermate barmhartig door de jongste CDA-slogan “EEN HELE GOEDE MORGEN” te bestempelen als “leeg”. Dat is hij inderdaad, maar er is nog meer mis met die kreet van de Partij van Wakker Nederland.

Natuurlijk is het een loze kreet die moet dienen als motto voor de aanstaande verkiezingen. Iemand die irritantiter tegen jan en alleman “een hele goede morgen” loopt te tetteren is rijp voor verplichte, acute opname in een psychiatrische inrichting, en bovendien kan zo iemand, op grond van zijn welgemeende goede burgerzin (de positieve grondhouding van Lubbers 1982, ook CDA) bij de aanstaande verkiezingen net zo goed ChristenUnie stemmen, of SGP, of SP, of PVV, of 50+. Het zegt niets over iemands politieke geaardheid als diens buitenkant aardig lijkt te doen naar anderen die daarom helemaal niet hebben gevraagd.

Wat er nog meer mis is -en dit is zeer ernstig-, is de naar populisme stinkende taalfout door het verkeerde gebruik van ‘hele‘. Heb ik daar nou nog niet vaak genoeg op gewezen, laatstelijk nog in dit bericht ?
If you can’t beat them, then join them, moet Buma hebben gedacht: ik ga net zo kwekken als hun. Maar hij vertegenwoordigt een partij die pal zegt te staan voor fatsoen, voor normen en waarden. Maar de CDA-standpunten maken dat niet duidelijk, en nu belijden ze het ook al niet eens meer met de mond.

Zo glijdt het CDA niet alleen in de peilingen, maar ook in de eigen spotjes af naar een bedenkelijk niveau; dat van “as je maar begrijp wat er bedoelt word“.

Ik begrijp het.

Hele mooie bekers

Mijn grote interesse in het foutief gebruik van het bijwoord hele in plaats van heel zij inmiddels genoegzaam bekend. In hele mooie bekers slaat hele op mooie, en is dus een bijwoord (in de woordgroepleer: een “interne bijwoordelijke bepaling bij mooie“), dat volgens de grammatica’s geen buigings-e kan krijgen. Eerder al constateerde ik dat deze heel/hele-transitie zich wel handoverhand voordoet bij heel, maar niet bij veel, zodat de mogelijkheid dat het hier gaat om een taalverandering omwille van fonetisch gemak niet stand houdt. Niemand spreekt bijvoorbeeld van een vele mooiere beker.

Bovendien is het zo, dat de ‘moderne’ Nederlandssprekende zich bij dit gebruik van hele keurig netjes houdt aan de buigingsregels van Nederlandse bijvoeglijke naamwoorden. Je hoort dus tegenwoordig:

  • een hele mooie man (mannelijk)
  • een hele mooie vrouw (vrouwelijk)
  • een heel mooi kind (onzijdig)
  • een heel mooi dier (onzijdig)
  • hele mooie mannen/vrouwen/kinderen/dieren (meervoud)

De meest voor de hand liggende verklaring is dat mensen niet kunnen ontleden en dus denken dat dat bijwoord heel/hele, net als het erop volgende woord mooi(e) ook een bijvoeglijk naamwoord is en daarom hypercorrect in voorkomende gevallen de buigings-e krijgt.

Tot zover is dit allemaal oud nieuws, gelet op mijn eerdere artikel.

Het afgelopen WK-voetbal leverde mij, behalve twee mooie wedstrijden (Frankrijk-Argentinië en vooral Brazilië-België), ook enkele taalkundige verrassingen op:

– Tijdens die wedstrijd Frankrijk-Argentinië op 30 juni kwam NOS-commentator Philip Kooke opeens aanzetten met een behoorlijke valse nummer negen (al weet ik niet meer welke speler hij bedoelde). In die uitspraak verscheen dus het heel/hele-probleem opeens ook bij het woord behoorlijk. Dat is groot nieuws.

– Daags erop versloeg Jan Roelfs de wedstrijd Spanje-Rusland, gespeeld in het Loezjniki-stadion in Moskou. Roelfs roemde dat prachtige gebouwde stadion. Fout dus, ook fonetisch gezien, want prachtiggebouwde bekt makkelijker dan prachtigegebouwde. Zijn grammaticaal waninstinct won het dus van zijn spreekgemak. Dat is nog groter nieuws.

– Ja, dan hebben we ook nog Jeroen Grueter, voor mij na Frank Snoeks de beste NOS-sportcommentator, voornamelijk vanwege hun beider taalgebruik. Ook hij bezondigt zich aan de heel/hele-fout, maar ik vergeef het hem. Want tijdens Kroatië-Denemarken op 1 juli viel mij iets geweldigs op.
Ik beluister en bekijk sportuitzendingen al sinds 1958, waarmee ik een zestigjarige ervaring heb met stijl en taalgebruik van de verslaggevers. Voor Han Hollander was ik helaas te laat geboren, maar de stemmen van Dick van Rijn, Dick de Vree, Bob Spaak, Theo Koomen en de allergrootste: Rick de Saedeleer, herinner ik mij nog zeer goed. Op zeker moment trad er een soort ‘nieuwe zakelijkheid’ op in de verslaggeving. Bij voetbalverslagen begon dat in mijn beleving bij Theo Reitsma en Eddy Poelmann, en velen na hen bleven dat spoor der saaiheid volgen. Zo niet Frank Snoeks en Jeroen Grueter, die hun verslagen nog steeds met voldoende peper en zout kruiden.

Laatstgenoemde bestond het om tijdens zijn verslag van Kroatië-Denemarken op 1 juli 2018 het voetbalvocabulaire met twee woorden uit te breiden: kassarol en pinguïn. Zie voor een toelichting op beide termen mijn vervolgartikel.

Met al mijn zestig jaar kijk- en luisterervaring durf ik te zeggen dat die twee woorden nog  nimmer zijn gebezigd in een voetbal-, ijshockey- of schaatsverslag op de Nederlandse radio of tv. Hulde.

 

Een hele halve waarheid

Eerder heb ik me HIER al eens uitgelaten over het grammaticaal verkeerde gebruik van hele in zinnen als Het was een hele lekkere taart. Ik ben er eens verder naar op zoek gegaan waar de populariteit van die fout vandaan komt, en dat leidt tot merkwaardige, raadselachtige resultaten op het raakvlak van acceptabele taalverandering en onacceptabele taalverarming.

 

Voor alle duidelijkheid: het gaat om de vraag waarom velen in de loop van de 20e eeuw het bijwoord heel een buigings-e zijn gaan geven, terwijl het niet hoort bij een erop volgend zelfstandig naamwoord, bijvoorbeeld taart, maar bij het direct erop volgende bijvoeglijk naamwoord, bijvoorbeeld lekkere. Grammaticaal moet het dus een heel lekkere taart zijn, en niet een hele taart die lekker is. Tot zover de grammatica, en alles is klip en klaar.
Maar waarom dat toch maar steeds die hele fijne vakantie, die hele goede zorg, die hele aardige mevrouw?

Het Genootschap Onze Taal ziet in het gebruik van hele in de spreektaal een informele manier om de betekenis  “hartelijker of gemeender” te maken. Ik betwijfel dat ten zeerste en vind het ook een volstrekt non-argument, want dan zouden diezelfde mensen ook thuis kunnen komen van een erge verregende vakantie in een extreme koude periode. Maar daarover hoor je ze niet. En in de taalkunde en het taalgebruik is het begrip analogie een frequent en volstrekt aanvaard middel om taalverschijnselen te duiden en te verklaren. Andere gezaghebbende bronnen zoals de ANS en Van Dale, nemen een wat vrijblijvender standpunt in: eigenlijk is het fout, maar omdat zo veel mensen het in hun spraakgebruik hanteren, moet je het niet langer fout vinden, al is het in formeel en geschreven taalgebruik ongewenst.

Ik wil best af en toe een beetje liberaal zijn. Taal is een levend fenomeen en taalverandering is niet per se achteruitgang. Slechts wanneer zo’n verandering leidt tot verlies, bijvoorbeeld van nuanceverschillen of betekenissen, trap ik op de rem. Onze grammatica, ik herhaal het maar weer eens, is niet prescriptief (voorschrijvend), maar descriptief (beschrijvend), en daarom moet de grammatica ook het taalgebruik volgen. Maar dat hoeft niet blindelings, want dan kunnen we wel stoppen met taalonderwijs en iedereen maar in zijn eigen straattaalsop gaar laten koken.

Nog steeds bleef ik met de vraag zitten waarom het nou toch een hele fijne vakantie heet te zijn, en niet een erge fijne vakantie. Zo kwam ik terecht op een ander terrein van de taalwetenschap: de fonologie en de fonetiek, samen ook wel aangeduid als foniek. De fonetiek beschrijft hoe de anatomie van ons spraakorgaan diverse klanken weet te realiseren, en de fonologie spitst zich meer op de bestudering van betekenisdragende en betekenisonderscheidende spraakklanken. Welnu: aan het woordeinde van heel horen we de klank [l]. Die is betekenisonderscheidend ten opzichte van het woordeinde van een woord als hees, en dus is die distinctieve [l] nodig om de betekenis “heel” te communiceren. Maar deze fonologische dwang leidt tot een fonetisch probleem: om die [l] te realiseren, moeten we de tongpunt tegen de boventanden plaatsen, wat op zich geen probleem is. Maar wel is het een probleem om vanuit die mondstand een erop volgende klank te produceren, bijvoorbeeld de [f]: de tong moet razendsnel terug en de ondertanden moeten tegen de bovenlip; een soortgelijk probleem geldt ook als de erop volgende klank een [k] is, of een [r]. Of, zoals bij zeer fijn, om van de [r] razendsnel aan de [f] te geraken. Probeer het maar eens voor de spiegel.

Maar Nederlanders zijn inventief: om een dergelijke tongue twister te omzeilen voegen we er gewoon een huppel-utje tussen, zoals de meesten van ons, behalve enkele NCRV-achtigen, dat ook doen bij lastige woorden als melk en kerk: die worden uitgesproken als melluk en kerruk, iets correcter gespeld: als [mεlək] resp. [kεrək]. Doe je dat niet, dan is er maar één remedie: de [l] en de [r] worden verlengd om tijd te winnen voor de overgang. “Merck toch hoe sterck nu int werck sich al steld”. Het wordt dan echt [stεr:k], met een langgerekt [r] dus; de melodie van Valerius was er al op voorbereid. Op die wijze kan de lastige overgang van de [l] en de [r] naar de [k] worden versoepeld. Zo dus ook bij die heel fijne vakantie, die op fonetische gronden die tussen-ə in het spraakgebruik krijgt.

Tot zover lijkt alles verklaarbaar en in orde, maar er klopt geen fluit van. Dat wil zeggen: het is wel waar, maar als dat de reden was om een hele fijne vakantie te hebben, waarom spreekt men dan niet van een vele fijnere vakantie dan vorige zomer? Ook daar immers ‘stuit’ de [l] op een [f], is de overgang van het ene woord naar het andere identiek en even moeilijk, en dat zou dan ertoe leiden dat ook een woord als veel in het spraakgebruik in voorkomende gevallen die zogenaamde buigings-e krijgt (die dus helemaal geen buigings-e is, maar een fonetisch trucje om uit je woorden te komen). En ik vermoed dat bij een woord als erg iets vergelijkbaars speelt: ook de overgang van het einde van erg naar het begin van bijvoorbeeld leuk is wat omslachtig, waardoor je een erge leuke vakantie zou verwachten, maar daarover hoor je niemand.

Nog maar een schepje erbovenop: als die hele fijne vakantie wordt veroorzaakt door fonetische belemmeringen, waarom dan niet mut.mut. ook zeggen dat je het hele fijn vindt om op vakantie te gaan, waar toch dezelfde spraakmoeilijkheid optreedt?

Ergo en kortom: puur grammaticaal gezien is een hele fijne vakantie incorrect; daarover is iedereen het wel eens. Puur fonetisch gezien lijkt de huppel-ə weliswaar verklaarbaar, maar doordat die niet consequent wordt gebezigd, kan die niet als zaligmakend worden gezien. Bij iets nauwkeuriger analyse van wanneer die wel en wanneer die niet optreedt bij heel, blijkt dat dat slechts dán het geval is, wanneer de woordgroep bestaat uit heel+bijvoeglijk naamwoord+zelfstandig naamwoord, met als bijkomende voorwaarde dat dat zelfstandig naamwoord ofwel mannelijk of vrouwelijk is, ofwel een meervoud (mannelijk, vrouwelijk of onzijdig). Ten voorbeeld: je hoort wel:

  • een hele mooie man
  • een hele mooie vrouw
  • hele mooie mannen
  • hele mooie vrouwen
  • hele mooie kinderen

maar niet:

  • *een hele mooie kind
  • *een hele mooi kind
  • *een hele mooie boek
  • *een hele mooi boek

enzovoort.

En daarmee zitten we exact binnen de regelgeving voor de buigings-e voor bijvoeglijke naamwoorden.
Dus, alle andere argumenten ten spijt, zo plausibel als ze mogen klinken, ze zijn niet de doorslaggevende factor om van een hele fijne vakantie te spreken. Die factor is de woordverbuigingsregel.
Resteert dan de vraag waarom dit fenomeen wel de kop opsteekt bij heel, maar niet bij veel. Daar zal ik in een ander bericht nog op terugkomen, sprekend over sociolinguistische invloeden.