1917

Ik ben geen frequent bioscoopbezoeker maar vorige week greep ik de kans aan om in het Noord-Brabantse Cuijk de recente film 1917 te gaan bekijken. Die ging in december 2019 in Londen en vorige maand in Frankrijk en de Benelux in première. Ik kwam er positief vandaan. Deels is dat te verklaren door de ambiance van de bioscoop zelf; voor het grootste deel natuurlijk door de film waarvan ik nu alvast kan verklappen dat ik hem een ieder aanraad.
Maar dan wel in een echte bioscoop, niet thuis op een klein schermpje.

De Industry-bioscoop in Cuijk is nog maar een dik half jaar geopend. De entree en het personeel scoren een dikke voldoende, en de sfeervolle zaal is top. Gehoorde klachten dat de rugleuningen van de stoelen te hoog zijn gaan voor mij niet op, gezien mijn lengte. Integendeel: ze zitten me prima. Verder zijn het enorme projectiescherm en de zeer goede geluidsinstallatie een pre, zeker voor een film als 1917, die het vaak van de weidsheid en geluidseffecten moet hebben.

Tot mijn afgrijzen moesten we vooraf aan de film een voorvertoning van James Bonds nieuwste draak aanschouwen: No Time to Die. Zo zich in Nederland nog iemand afvraagt waar de hufterigheid van delen van de hedendaagse bevolking vandaan komt, hoe het bestaanbaar is dat kinderen van 13, 14 jaar met een mes op zak lopen en er ook nog misbruik van maken, hoe geestelijk onvermogen kennelijk vanzelfsprekend wordt gecompenseerd met bruut geweld alsof het de normaalste zaak, zo niet aanvaardbaar standaardgedrag is, die raad ik aan naar Time to Die te gaan. Ik ga niet mee.

Gestuurd door mijn jarenlange interesse in de Eerste Wereldoorlog in Frankrijk (zie bijvoorbeeld HIER) wilde ik mij wel graag een beeld vormen van hoe er vanuit Britse optiek tegen de gebeurtenissen in die jaren werd aangekeken, ook al is dat door een bril van nu en met onmiskenbaar Amerikaanse invloeden. Maar dan nog blijft er voldoende over om positief over de film te oordelen.

Op filmtechnisch vlak wordt 1917 in zowat alle besprekingen geloofd en bekroond om de consistente aaneenschakeling van de scènes, alsof ze in één lange opname zijn gerealiseerd. Dat blijkt onjuist te zijn: door fabelachtige digitale technieken en een zeer zorgvuldige voorbereiding van camerastandpunten konden de losse opnamen schier naadloos aan elkaar worden gekoppeld waardoor er een contituïteit wordt gesuggereerd (‘one continuous shot‘). Dat de opnamen niet op locatie plaatsvonden, ruim rond het Franse dorpje Écoust-Saint-Mein (62 Pas-de-Calais), maar in Engeland en Schotland, is op een enkel detail na niet hinderlijk. Landschappelijk gezien is er voldoende overeenkomst.
Het enige storende verschil zit hem in de rivier-/watervalscène die onmogelijk doet denken aan La Sensée, het stroompje van 27 km dat meer als een slootje door het naburige Croisilles loopt en uitmondt in de Schelde. Het is verderop deels bevaarbaar en deels ook gekanaliseerd. In plaats daarvan werd er gefilmd bij de Low Force Waterfall, River Tees, County Durham, in Noord-Engeland. Dat is niet alleen een geografische blunder, maar ook vormt dit overigens fraai gefilmde, maar nogal Niagara-achtige wildwatergedoe geen essentiële bijdrage aan de verhaallijn. Eerder lijkt het me een knieval voor Amerikaanse lust naar stuntwerk en andere effecten die het met waarheid en werkelijkheid niet zo nauw nemen. In Trumpistan moge dat common use zijn, hier in Europa hoeven we dat niet zo. Het is bijvoorbeeld maar de vraag hoe alle uiterst waardevolle papieren die  korporaal Schofield zo zorgvuldig bij zich draagt en die het bewijs voor zijn opdracht bevatten, even later kurkdroog uit zijn borstzak tevoorschijn komen, ook al zaten ze in een zogeheten waterdicht blikje.

Wat stuntwerk en trucages betreft is er nog meer te melden. Hedendaags filmpubliek is aanmerkelijk meer gewend dan honderd jaar geleden. Toen immers zou bij de scène waarin het Duitse jachtvliegtuig neerstortend op ons afkomt en de boerenschuur binnenvliegt het grootste deel van het publiek gillend en in paniek de zaal zijn uitgehold, elkaar vertrappend om aan een onafwendbare ramp te ontkomen. Nu vinden wij het wel aardig gefilmd en verbazen wij ons er alleen nog maar over waarom de twee korporaals de stommiteit begaan die wij ook van konijntjes en vossen kennen die je ’s nachts voor je koplampen krijgt, namelijk dat zij recht vooruit wegrennen, precies in de loop van de aanstormende vliegmachine, in plaats van een veilig heenkomen te zoeken door simpelweg juist opzij te springen.

Soms scheelt het niet veel, of het rigide vasthouden aan de hoofdintrige leidt tot waarnemingen die wij eigenlijk kennen van stripverhalen. Daar is het de normaalste zaak van de wereld dat toevalligheden de oplossing of uitweg bieden, dat de stijlfiguur van de Deus ex Machina veelvuldig wordt gehanteerd om verder te komen in het verhaal. Dat het tweetal niet omkomt door die brandende Duitse jager (en ga nou verder niet miezemuizen over de vraag of dit nu eigenlijk wel een Albatross type D-II of D-III was of kon zijn; dat doet er helemaal niet toe), mag een godswonder heten. We worden op het verkeerde been gezet: het wordt wel magistraal vervolgd doordat de uit zijn cockpit gesleurde Duitse piloot korporaal Blake vermoordt. Dat is tweemaal op het verkeerde been gezet worden: eerst dat het neerstorten zelf niet dodelijk blijkt te zijn, vervolgens dat al na 44 van de 129 minuten Blake als een van de twee hoofdpersonen overlijdt en dus verder buiten beeld blijft. Dat zien we niet vaak in films of romans. Bovendien krijgen de verhaallijn en de spanningsboog een extra dimensie: waar aanvankelijk een deel van de opdracht was dat Blake zijn broer aan het front moest terugvinden om hem met zijn hele legereenheid voor een wisse dood te behoeden, is het nu Blake zelf die omkomt, en zijn broer blijft gespaard.

Desondanks vind ik het wat onwaarachtig en dus ook wel storend dat er wat momenten te zien zijn waarop het Suske-en-Wiske- of Kuifjegehalte komt bovendrijven. Na de ontploffing in de Duitse kazemat ligt Schofield bedolven onder het puin. Ieder normaal mens zou tal van botten hebben gebroken en half doodbloeden, maar nog geen minuut later wandelt hij doodgemoedereerd weer door de desolate velden, alleen zijn ogen nog uitwrijvend. Over de niet-natte foto’s en andere papieren na de watervalscène heb ik het hierboven al gehad. En net als Kuifje en Lambiek hoeven de hoofdpersonen nooit te eten of naar de wc, als waren dat niet terzake doende nevenintriges. Daarmee wordt het potentiële nadeel veroorzaakt dat je als lezer of kijker er van meet af aan wel gerust op kunt zijn dat het wel goedkomt, dat er een happy end zal volgen, en worden we intussen geamuseerd met een spanningsboog die bestaat uit omstandigheden en details die de weg erheen lastig en bijkans onoverkomelijk maken, maar heus wel miraculeus worden vermeden of overwonnen. Maar goed, in Amerika gebeurt wel meer wat wij tot voor kort voor onmogelijk hielden. Dat is jammer en het is al helemaal niet conform onze kennis van de loop en afloop van de Eerste Wereldoorlog.

Inhoudelijk stond regisseur Sam Mendes voor een lastige opgave: hij putte, naar zijn zeggen, uit de verhalen van zijn grootvader die in WO-I had meegevochten, maar om er een commerciële film van te maken moest hij voortdurend op en neer bewegen tussen non-fictie en fictie, tussen documentaire en dramafilm. Dat is wel of niet goed gelukt – het is maar vanuit welk perspectief je het bekijkt. Ik ben van mening dat je 1917 niet mag veroordelen om feitelijke onjuistheden, omdat de grote lijn en de suggestie van de toenmalige omstandigheden ruimschoots voldoende tot hun recht komen. Er bestaat ook nog een grote hoeveelheid beeld-, geluid- en fotomateriaal uit de eerste hand, naast de vele geschreven documenten die 1914-1918 dichter bij huis brengen, ook al zijn al die getuigenissen natuurlijk ook vaak vreselijk subjectief, zo niet tendentieus. Lees, bekijk en beluister ze maar om een wat realistischer idee te krijgen.

Sommige waarden overleven de eeuwen: 1917 houdt zich in grote mate aan de klassieke dramavoorschriften, bekend als de drie eenheden, gebaseerd op theorieën van Aristoteles en vanaf de 16e eeuw als leidend beschouwd in Europa.

– De eenheid van tijd gebiedt traditioneel dat de gebeurtenissen zich binnen 24 uur moeten afspelen. Daaraan wordt in 1917 voldaan: beginnend in de loop van de ochtend, eindigt het verhaal daags erop ‘ergens’ in de ochtend. Een precieze urenindicatie hebben we niet, maar we zitten niet ver van de tijdspanne van maximaal een etmaal af.

– De eenheid van plaats is afwezig in 1917. Die eenheid stamt uit een tijd dat het publiek onvoldoende over het abstractievermogen beschikte om een verplaatsing van de gebeurtenissen te ‘snappen’ of realistisch te vinden. In de afgelopen eeuw echter is dat besef al wel ruimschoots doorgedrongen, vooral vanwege de grotere mobiliteit en de enorm toegenomen communicatiemiddelen. Dat wij dus de hoofdpersonen in 1917 volgen over een op zich nog vrij beperkt gebied rond Écoust-Saint-Mein is in geen enkel opzicht hinderlijk voor de toeschouwer, die als het ware met de protagonisten meeloopt door het Noord-Franse frontgebied. Vergelijk het met de Odyssee, waar de hoofdpersoon ook een dramatische tocht onderneemt die de toeschouwers letterlijk meemaken – dus ook geen eenheid van plaats. De oplettende kijker merkt wel dat er in 1917 geen grote tijd- of verplaatsingssprongen zitten, net zo min trouwens als grote episoden van tijdverdichting of -verbreding. De camera blijft dicht bij de hoofdpersoon en verplaatst zich slechts met hem. Deze technisch vernuftige montage bevordert bovendien de mogelijkheid voor de toeschouwers zich met die hoofdpersoon te identificeren.

– De eenheid van handeling (geen nevengebeurtenissen mogen de hoofdhandeling verstoren) blijft de hele film lang gehandhaafd. De initiële opdracht (voorkom een Britse aanval om 1600 mogelijke slachtoffers te voorkomen) blijft de leidraad voor alles wat we onderweg zien gebeuren. Daarvan wijkt de verhaallijn niet af en nevenintriges blijven uit. Ik zeg dat met nadruk omdat de Amerikaanse Hollywood-filmtraditie nogal graag kickt op het invoegen van een sentimentele romantische subintrige, waarbij doorgaans een heteroman al dan niet bewust of toevallig een heterovrouw ontmoet en er tussen beiden ‘iets’ ontstaat, hij altijd een kop groter dan zij, waardoor het gebodene iets (zoet)sappigs krijgt dat het voorgeprogrammeerde publiek blijkbaar weet te waarderen of maar heeft te slikken. In 1917 dreigt dat ook even als Schofield zich ’s nachts in een huis verschanst waar een vrouw en een baby blijken te vertoeven. Maar het gevreesde romantische sausje weten de Britten er goddank uit weg te houden: hij moet snel verder om zijn opdracht te vervullen en daarmee aan de eenheid van handeling te blijven voldoen.

Mijn grootste punt van kritiek op 1917 is de muziek. Wat mij bij het zien van de film opviel en behoorlijk stoorde, vond ik later treffend verwoord in de bespreking door Christelle Point, die schreef:

dans «1917», elle [la musique] est presque dérangeante tant elle appuie les effets et tant elle est forte et omniprésente. A mois d’en faire presque un personnage du film comme l’avait fait Christopher Nolan avec « Dunkerque », la musique parasite trop souvent les images. C’est le seul et inique bémol que j’adresse à «1917 » sur sa forme
(in “1917” is ze [de muziek] bijna storend door de manier waarop ze de effecten ondersteunt en doordat ze zo sterk en alomtegenwoordig is. Tenzij je haar bijna een personage in de film maakt zoals Christopher Nolan deed met “Duinkerken”, belemmert de muziek te vaak de beelden. Het is het enige en niet te rechtvaardigen minpunt waarop ik “1917” qua vorm aanspreek).

Dat zit zo, in mijn beleving: Point maakt een onderscheid waarmee ze de spijker op de kop slaat. Muziek kan worden ingezet als het hoofdpersonage, zoals we dat al enkele eeuwen kennen in de zogenaamde programmamuziek. Ik noem slechts Haydns Speelgoedsymfonie, Smetana’s Má Vlast, en heel sterk ook Russische composities als Sheherazade (Rimski- Korsakov), de Schilderijententoonstelling (Moessorgski) en Peter en de wolf (Prokofiev). Daar draait het om de muziek die verwijst naar een buitenmuzikaal, al dan niet tekstueel gegeven.

Muziek kan ook worden in gezet om de tekst, als hoofdonderwerp, beter te kunnen overdragen door die op muziek te zetten. Van het Gregoriaans tot de Britse community singing, van bruiloften en partijen tot voetbalstadions en volkstaalliturgie, muziek is een uitnemend middel om een tekst beter te duiden door er nog iets geweldigs aan toe te voegen, al dan niet sacraal, maar in elk geval iets wat saamhorigheid benadrukt.

Vanaf de polyfonie trad er een zekere verschuiving op: de muziek werd prominenter en dominanter, ten detrimente van de tekst die er uiteindelijk soms met de haren was bijgesleept om de muziek maar te kunnen zingen. Dan krijg je bijvoorbeeld de opera, en in een latere fase de musical. Daar gaat het in hoofdzaak om de muziek, de performance, de dans, de show, het spektakel. De tekst is daaraan onderworpen en lijkt soms wel volsterkt inwisselbaar te zijn door een andere tekst – onverstaanbaar als die vaak toch al is. Wie daarvan houdt, doet er zijn gevoeg maar mee.

Vanaf de stomme film kwam er een nieuwe uitdaging. Aanvankelijk was de techniek het grote struikelblok, maar zeker in de laatste halve eeuw werd het gaandeweg steeds eenvoudiger om met het beeld ook het geluid synchroon op te nemen. Vergelijk het rustig met het essentiële verschil tussen (geluidloze) super-8 films, waarbij je alleen het sonore ratelende geluid van de projector hoort, en de latere video-8 films met een geluidspoor. Toen kon zich de situatie ontwikkelen dat een regisseur de beschikking had over zowel het synchroon opgenomen, natuurlijke geluid en het later toe te voegen geluid ter ondersteuning van de beelden. En daar zit nu precies de grote valkuil.

Synchroon opgenomen omgevingsgeluiden kunnen stemmingverhogend werken.
Kwetterende vogels, tsjilpende krekels, zoemende bijtjes zijn prima ingrediënten voor een Natureingang, zoals kletterende regen tegen vensterruit, donder en bliksem dat overigens ook kunnen zijn.  Dat alles ontbreekt in 1917. Enerzijds wel een vredige opening met een vroegbloeiend weidelandschap (geen zinduidende klaprozen!) met op de voorgrond twee slapende personen, maar de regie zet daar een niet terzakedoende muziekje onder in plaats van de natuurstemming die zo simpel had gekund. Ook geen kanongebulder in de verte, zo typerend voor een duiding van plaats en tijd aan  het WO-I-front. Een misser dus van Thomas Newman. Voor mij had hij geen heel orkest hoeven te mobiliseren. Zijn toegevoegde muziek heeft geen enkele toegevoegde waarde. Integendeel. Had het maar gelaten bij de ‘natuurlijke’, voor mijn part nagesynchroniseerde geluiden van de vliegtuigen, van de als een fakkel brandende kerk van Écoust, van de zuigende geluiden van de laarzen in de modderige grond, van ontploffende granaten.

En, het storendste geluidseffect, wanneer Schofield na het beklimmen van de vernielde kanaalbrug de Duitse sluipschutter in het sluiswachtershuis wil gaan uitschakelen en de trap naar de verdieping bestijgt, de volstrekt zinloze muziek die spanningsverhogend moet werken. Nee dus. We zijn toch niet achterlijk? Ieder van ons weet dat er gevaar dreigt en wat Schofield te doen staat. Het enige geluid dat hier oorverdovend perfect had gefunctioneerd was één minuut absolute stilte, Sir.

Het moge desondanks duidelijk zijn dat ik al met al iedereen van harte wil aanmoedigen 1917 te gaan bekijken. In een echte bioscoop, op een meer dan levensgroot scherm met onontkoombaar goed geluid, waardoor je wordt gegrepen en ondergedompeld in een wereld waarin je niet zou willen leven.

______________________________________

titel: 1917 (GB/USA 2019)
regie: Sam Mendes
script: Sam Mendes en  Krysty Wilson-Cairns
speelduur: 2’09
IMDB: https://www.imdb.com/title/tt8579674/
trailers:

https://www.youtube.com/watch?v=gZjQROMAh_s
https://www.youtube.com/watch?v=1q0KJHLXVag

 

La Grande Collecte – vervolg(2)

Ergens halverwege tussen Compiègne en Soissons ligt Vic-sur-Aisne, een stadje van rond de 1000 inwoners in ’14-’18, hier te zien op een Michelinkaart van ± 1912.
Uit zijn brieven en zakboekje blijkt dat Eugène Parisot daar van half februari tot eind juli 1915 gelegerd is geweest, en dat het daar toen geen prettig verblijf was, gelet op de voortdurende bombardementen. Het is ook de plek waar hij op 1 juni 1915 in zijn zakboekje zijn testament opstelde, dat ik eerder al heb getoond. Tijd om er ook een aangrijpende brief bij te gaan vermelden.

Uit zijn periode-Vic stamt ook bijgaande briefkaartfoto. Ik neem aan dat de fotograaf glasplaten gebruikte (i.p.v. een celluloid filmrolletje), en dat men op de in negatief afgebeelde foto met zwarte inkt het zichtbare bijschrift toevoegde, waarna de plaat in de drukkerij of donkere kamer op briefkaarten in positief werd afgedrukt. Het is goed te zien dat het niet meevalt met inkt op een glasplaat te schrijven.
In het kasteel van Vic was vanaf augustus 1914 een militair hospitaal gevestigd, dat echter in september door de Duitsers werd veroverd. Enkele weken later heroverden de Fransen het kasteel en het hele dorp weer. Ik schat dat de foto begin 1915 is gemaakt. Er valt veel op te zien. De huizen lijken nog intact te zijn, maar behalve militairen is er geen mens te zien. Ook van enige burgerbedrijvigheid (bv. rond de winkels rechts) is geen sprake. Wel wappert de Franse vlag van het gebouw links, dat niet het (huidige) gemeentehuis is. Als ik mij niet vergis, is de staande militair in het midden op de voorgrond Eugène Parisot. Dan moet de foto zijn genomen tussen 16 februari en 20 juli 1915, en wel in die eerste maand want daarna meldt hij herhaaldelijk dat het dorp eindeloos lang en zwaar wordt gebombardeerd. Zijn vertrek uit Vic in juli is dan ook meer een terugtocht dan dat de klus zou zijn geklaard.
De briefkaart is aan de achterzijde niet beschreven. Hij heeft dus niet ergens een kaart gekocht en die verstuurd, maar vermoedelijk een exemplaar van de foto (met hem er dus op) gekregen en die bij een van zijn brieven ingesloten, in de wetenschap dat zijn gezin hem wel op de voorgrond zou herkennen. Foto’s van verwoeste stadjes stuurde je niet naar het thuisfront.
Ik ben de foto nergens op internet tegengekomen; reden om aan te nemen dat het hier niet om een commercieel serieproduct ging, maar een uniek exemplaar, of in ieder geval een zeer beperkte oplage.

Zondag 23 mei 1915
Hoewel zijn zakboekje en veel van zijn brieven indrukwekkende passages bevatten, kan ik er de brief van 23 mei 1915 uitlichten die Eugène Parisot aan zijn vrouw en kinderen stuurde. Het is de meest aangrijpende van alle 180 brieven die ik heb getranscribeerd, vooral omdat het stilistisch gezien ook de best geschreven brief van allemaal is. Weliswaar vind ik het opvallend dat hij op 1 juni, in de diepste ellende, te Vic zijn testament optekent in zijn zakboekje (toen wist hij nog niet dat hij in 1916 in de Slag aan de Somme verzeild zou raken, die nog vele malen erger en bedreigender was), maar dat hij van die doodsangst in feite geen gewag maakt in zijn brieven – niet voor 1 juni en niet na 1 juni. Alleen de brief van 23 mei kunnen we, zij het achteraf, beschouwen als een hint dat het niet goed met hem ging. De vraag is hoe ze dat bij hem thuis zullen hebben ingeschat, want per saldo beklaagt, betreurt en bewondert hij alles en iedereen, behalve zichzelf.

Ik geef van die brief de eerste van vier pagina’s weer in diplomatische uitgave, d.w.z. zonder er ook maar een stipje of jota aan te veranderen. Ik ga de passage ook niet vertalen. Elke vertaling is een verarming. Als je al lezende niet goed snapt wat er staat, terwijl je toch over enige kennis van het Frans beschikt, dan is het raadzaam “op z’n Frans” hardop te lezen wat er staat (er is bv. geen uitspraakverschil tussen parti, partie en partit, of tussen deux, d’eux en d’œufs), want vaak hoor je dan wat hij bedoelde te schrijven.
Inhoudelijk één enkele toelichting: de bijstelling “fraire rouge” in de eerste tekstregel. Dat heeft me nogal wat hoofdbrekens gekost, maar na lange tijd, en met behulp van ouderen hier in het dorp en een Franse-taalforum op internet, kon ik het uiteindelijk plaatsen: Van Pinksteren tot en met Sacramentsdag (de 2e zondag na Pinksteren) vonden er in Rosoy en het naburige Hortes, net als elders in Frankrijk, religieus-feestelijke processies plaats. Alle straten van het dorp waren dan gepavoiseerd met guirlandes van bloemen, bloemenbogen over de weg, en zowel in de processie als vanuit het talrijke publiek op de trottoirs werden bloemen uitgestrooid. Op Sacramentsdag waren die in hoofdzaak wit, met Pinksteren rood, conform de liturgische kazuifelkleuren wit en rood. Dat verklaart “rouge”. Om “fraire” te kunnen verklaren, moet je een beetje plat kunnen praten en slecht kunnen spellen: het blijkt een wat fonetische variant te zijn van “férie” (van Lat. feries, “feestdag”, vgl. Duits Ferientag) en moeten we concluderen dat de uitspraak van “frairerouge” en “férierouge” kennelijk niet zo gek ver uiteen lagen. Een tweede mogelijkheid is dat het niet een variant is van férie, maar van frairie, een woord dat in diverse Franse regio’s schijnt voor te komen ter benaming van lokale (religieuze) feesten. In dat geval heeft hij dus alleen de tweede i vergeten te schrijven. Dit woord frairie wordt gemeld in het lokale spraakgebruik in Charante/Charante-Maritime en de Limousin – niet echt naast de deur.
De rest van de pagina lijkt mij wel voor zich spreken. 

Dimanche 23 Mai jour de la Pentecôte // Ma Chère Louise // Pentecôte fraire rouge deja la! et toujours // pas plus avancé; les heures, les jours, les semaines // les mois se succedent, et rien! toujours rien! ah // que cest donc long oui bien trop long // Trop long pour vous pauvre femmes de Françe // qui reste seul au pays avec un courage admirable // remplacez les absents, Trop long pour tous ces // pauvres vieux qui ont repris le collier du // travail et qui assure avec resignation lexecution // du travail quotidient, Trop long pour ces jeunes // qui ne sont pas encore assez robuste et qui // neanmoins travaille resolument telle ma grande // Solange. Trop long pour tous ces pauvres // petits qui sont privé du necessaire Mais bien // trop long surtout pour ceux qui aurons perdu un // des leurs, un père, un mari, un frère, puis egalement // pour ces pauvres estropié ceux qui leurs manque // un membre, et enfin trop long pour nous // defenseur de la Patrie et cependant tous ont obei // on se resigne il le faut cest la guerre // 

_________________________________
Vorige berichten:
http://nardloonen.nl/2013/11/27/la-grande-collecte-1914-1918/
http://nardloonen.nl/2013/12/11/la-grande-collecte-vervolg-1/ 

La Grande Collecte – vervolg (1)

Het is, na mijn vorige bericht, weer een tijdje stil geweest, maar (wie zei het ook weer; minister Ien Dales, geloof ik) een broedende kip moet je niet storen.
Ik ben intussen dagelijks druk bezig de originele documenten 1914-1918 te transcriberen. Ontcijferen liever gezegd, want het valt af en toe niet mee.
Intussen is wel één ding duidelijk: wat meer input is dringend gewenst. Vandaar mijn oproep. Nooit geschoten is altijd mis, al is dat in het kader van WO-I misschien niet de meest passende beeldspraak.

Ik ben, meer specifiek geformuleerd, op zoek naar elk type documentatie omtrent een bepaald gebied en een bepaalde tijdspanne. Het gaat me om gedetailleerde landkaarten, brieven, ansichtkaarten, foto’s en wat al niet meer uit de periode van november 1914 tot juli 1915 in het gebied ruim rond Soissons (02-Aisne), d.w.z. van minimaal Nampteuil-sous-Muret in het oosten tot Vic-sur-Aisne in het westen. Crouy in het noorden en de vernielde spoorwegtunnel van Vierzy in het zuiden zijn daarbij ook inbegrepen.

Op internet is er zeer veel te vinden, zo veel dat ik het spoor bijster raak. Misschien kan iemand mij een handje helpen.

Er is in die tijd op die plek veel vreselijks gebeurd wat niemand van ons zou willen meemaken. Honderd jaar na dato mag dat best eens in herinnering worden geroepen.

Graag een reactie. En ik houd jullie, via dit medium, wel op de hoogte.
_________________________________
Vorig bericht: http://nardloonen.nl/2013/11/27/la-grande-collecte-1914-1918/
Volgend bericht: http://nardloonen.nl/2014/07/24/la-grande-collecte-vervolg2/ 

 

La Grande Collecte 1914-1918

Met 2014 in het verschiet is er een grote inzameling in gang gezet om documenten, foto’s en andere herinneringen uit de Eerste Wereldoorlog in gedigitaliseerde vorm voor het publiek toegankelijk te maken. De organisatie berust bij Europeana, een in Den Haag gevestigde instelling, maar opererend over heel Europa.
Als Nederlander heb ik niet zoveel met 14-18, maar als bewoner van ons huis in Rosoy des te meer. Vandaar dit bericht.

Toen wij eind december 1998 het huis betrokken, was het van binnen één grote troep: half kapotte stromatrassen, meubels, boeken, kledingstukken, heel veel spinnewebben en een paar dichtgeknoopte lakens met daarin allerhande papieren, brieven, rekeningen, foto’s en röntgenfoto’s, oude aktes, aandelen van de Russische Tsaristische Spoorwegen – noem maar op. Rond het houtkacheltje gezeten zijn we toen alles eerst maar eens gaan schiften in stapels “te bewaren” en stapels “weg te gooien”. Al het papier- en fotowerk bewaarden we.

Bij nadere bestudering bleek er nogal wat documentatie uit de periode 1914-1918 tussen te zitten. De laatste bewoners van ons huis, een broer en zus, beiden ongehuwd, hadden het bewaard als herinnering aan hun ouders. Hun vader, Eugène Parisot (1874-1962), bleek in 1914 gemobiliseerd te zijn geweest en was tot1919 in actieve dienst zo ongeveer heel Noord-Frankrijk doorgetrokken. Hier poseert hij met zijn vrouw Louise Millot voor wat nu ons huis is, naar ik aanneem vlak voor zijn vertrek naar het front. Met grote regelmaat, één à twee keer per week, stuurde hij een brief of briefkaart naar Rosoy, waar zijn vrouw en hun twee kinderen Solange en André al die jaren verbleven.
Louise naaide elke brief vast aan de vorige, zodat er uiteindelijk een vijf cm dik pak ontstond. Al lezende krijg je dan een zeker beeld van hoe, wat en waar hun man en vader een en ander aan het front beleefde. Voeg daarbij nog een aantal vaak vage en piepkleine, maar wel originele foto’s van  het front uit die periode en je denkt een vrij compleet beeld van de rauwe werkelijkheid te hebben teruggevonden.

Maar dat bleek al ras een valse beeldvorming te wezen. In een van de dichtgeknoopte lakens troffen we namelijk ook een zakboekje aan waarvan gauw duidelijk was dat Eugène dat de hele oorlog door in zijn borstzak had bewaard en waarin hij voortdurend had bijgehouden wat hij meemaakte en waarvan hij notities moest maken.
Zelfs bij vluchtige, diagonale lezing van brieven en zakboekje kwam de realiteit boven tafel: er bestond een werkelijkheid (die in het zakboekje stond) en een beeld van de werkelijkheid (dat in de brieven was te lezen – ongetwijfeld om het thuisfront niet te zeer te confronteren met het oorlogsfront). Toen het hem al te bang te moede werd, in Vic-sur-Aisne, op 1 juni 1915 (“année terrible”) schreef hij in dat boekje zelfs zijn testament.

Ik nam mij voor deze hele verzameling documenten ooit eens goed uit te gaan pluizen, de twee waarheden met elkaar te gaan vergelijken en alles eventueel ooit eens een keer tot een publicatie te verwerken. Toen half november 2013 het departementale archief van de Haute-Marne in Chaumont drie dagen organiseerde waarop mensen hun gevonden en bewaarde documenten konden aanbieden ter digitalisatie, ging ik daar met mijn dossier naartoe. De twee archivarissen die mij te woord stonden verklaarden dat dit de grootste en vooral meest complete persoonlijke berichtgeving was die zij uit die periode onder ogen hadden gekregen, groter ook dan zij uit andere departementen kenden. Omdat ik met het uitzoeken nog lang niet klaar was, spraken wij af dat ik mijn voorwerk eerst zou gaan voltooien. Dat betekent: al die brieven uiterst voorzichtig loshalen uit het pakket, alle draadjes garen met een fijn pincet proberen los te peuteren, want de brieven waren -papierschaarste- zonder enige marge rondom tot de rand toe beschreven, maar door het aaneennaaien zaten er in elke vouw wel 20, 30 gaatjes geprikt. Vervolgens de circa 170, meestal nog opmerkelijk goed leesbare brieven rubriceren naar datum en plaats van verzending en ten slotte transcriberen om de tekst digitaal beschikbaar te hebben. Dan het zakboekje pogen te ontcijferen: het vaak heel priegelig kleine handschrift met erg veel spelfouten proberen te lezen en uit te typen, met aanduiding ook van datum en plaats, voor zover mogelijk. Van enkele foto’s is bovendien wel te schatten wie er op staan en waar/wanneer ze zijn gemaakt.

Als ik met dit alles min of meer klaar ben, kan ik weer terecht op het departementaal archief, waar men van elk stuk, elke pagina, een scan zal maken die ik dan, in het kader van La Grande Collecte van Europeana, gratis op CD ter beschikking krijg. De originele documenten mag ik behouden, dan wel aan het archief schenken of belenen, zoals ik jaren geleden ook al eens alle hier gevonden aktes uit de periode 1745-1899 op dat archief heb gedeponeerd; de aktes van 1900-1982 heb ik nog hier, omdat ze mij veel informatie over het huis en de laatste bewoners verschaffen.

Dit bericht is al met al stellig niet het laatste over dit onderwerp, maar ik voorzie wel dat er erg veel tijd in zal gaan zitten voordat een eventuele publicatie in de boekwinkel ligt. Ik hoop dat het er hoe dan ook wel ooit van komt – de inhoud is alleszins de moeite waard.


Verdere algemene info over Europeana en La Grande Collecte 1914-1918 :

http://www.bnf.fr/fr/la_bnf/anx_actu_bib/a.grande_collecte_14-18.html
http://www.europeana1914-1918.eu/nl

Eerdere berichten:

http://nardloonen.nl/2013/01/21/histoire-de-rosoy-1919/

De Grote Oorlog


Volgende berichten:
http://nardloonen.nl/2013/12/11/la-grande-collecte-vervolg-1/
http://nardloonen.nl/2014/07/24/la-grande-collecte-vervolg2/ 

 

De Grote Oorlog

Nederlanders hebben er niet zo veel mee, maar voor Belgen en Fransen is de Eerste Wereldoorlog immer nog De Grote Oorlog. De geschiedschrijving daarvan kan aanmerkelijk worden verlevendigd door persoonlijke documenten van mensen die de periode 1914-1918 aan den lijve hebben ondervonden. Ik geef een aanzet voor een dergelijk beschrijvingsproject.

De vader van Solange en André Parisot, de vorige bewoners van ons huidige huis in Rosoy, werd op 4 augustus 1914 gemobiliseerd. Zijn lijdensweg liep langs de hele Noord-Franse grensstreek, grofweg van Belfort in het oosten tot Le Havre in het westen. Hoe hij heeft weten te overleven, is een raadsel.

Twee bronnen kunnen daarop wel een merkwaardig licht laten schijnen:

1. Met zo groot mogelijke regelmaat stuurde Eugène Parisot (1874-1962) brieven naar zijn vrouw Louise Millot (1875-1947) en de twee kinderen Solange (1900-1997) en André (1909-1981). Louise heeft tientallen van deze brieven steeds met naald en draad gebonden tot er uiteindelijk een 4 centimeter dik pakket “berichten van het front” ontstond. Dat pak brieven is in ons bezit.

2. Zelf had Eugène een zakboekje van 15×9 cm in zijn borstzak zitten, waarin hij in zo klein mogelijke lettertjes zo veel mogelijk dagboeknotities maakte. Ook die bron hebben wij hier liggen.

Daarnaast hebben we nog wat “ondersteunend materiaal”, zoals zijn militair paspoort en enkele kleine, bijna geheel vervaagde foto’s van het front.

Zonder op dit moment op al te veel details in te gaan, wil ik één opvallend aspect van beide bronnen niet onvermeld laten: waar zijn brieven over het algemeen een geruststellende toon voor het thuisfront ademen (goed weer, lekker eten, kanonvuur ver weg, …), komt in het zakboekje de werkelijke toestand aan het oorlogsfront boven tafel (angst, ellende, modder, gesneuvelde kameraden, …). Achterin het boekje schrijft hij op 1 juni 1915 te Vicq, die beruchte frontplaats, in keurige letters en in twee kleuren zijn testament.

Het zal een hele klus worden, maar het lijkt mij de moeite waard van deze twee bronnen naast elkaar een uitgave te maken met een schat aan inside information en wijze van communiceren. Die klus omvat minstens:

  • Het ordenen van het beschikbare materiaal (dat is al zo goed als klaar).
  • Het ontcijferen van de geschreven pagina’s, vaak heel priegelig, vaak ook slecht leesbaar vanwege een dun potlood, in enkele gevallen ook deels onleesbaar door aangevreten of gescheurd papier.
  • Van de Franse transcriptie zou dan eventueel een Nederlandse vertaling moeten worden gemaakt (of de hele uitgave moet uitsluitend in het Frans blijven).
  • De bronteksten moeten vervolgens van historisch-wetenschappelijk gedegen commentaar worden voorzien, waarbij een beslissing moet vallen over de vraag of het tot deze persoonlijke familie-ervaring moet blijven, of dat die moet worden ingebed in het grotere geheel van de geschiedschrijving over WO-I.
  • Er moet een uitgever worden gevonden die bereid is het zo ontstane materiaal uit te geven. Misschien moet er trouwens wel eerst een uitgever worden gevonden voordat de andere stappen kunnen worden gezet.


Mijn vraag op dit moment is of iemand suggesties heeft voor een geïnteresseerde uitgever en/of voor de verwerking van het bronnenmateriaal.