ange en inge

Het zal velen bekend voorkomen: rijdend vanaf Metz via Luxemburg (en natuurlijk Martelange) naar Luik wordt je aandacht getrokken door de vele plaatsnamen op wegwijzerborden die eindigen op -ange. Omdat ik die route heen en weer zo vaak rijd, is me dat steeds meer gaan intrigeren. Wat betekent dat -ange? En waarom liggen die plaatsen zo geclusterd zo precies in dat gebied, terwijl ze elders maar zo sporadisch voorkomen? Het antwoord is wel te geven, maar het vergt wel veel speurwerk, historisch, geografisch, politiek en taalkundig. Dat betekent voor dit artikel dat het slechts een summier overzicht kan bieden en ik de geboeide lezer dringend adviseer er een internet-zoektocht van een paar weken van te maken. Hint: begin dan maar met zoeken naar Lotharingen, want daar ligt de kern van de oplossing.

Dat clusteren van plaatsnamen met gelijkluidend woordeinde ken ik al vanaf de lagere school, toen we van alle provincies de voornaamste plaatsen moesten opdreunen: Dordrecht-Sliedrecht-Zwijdrecht-Barendrecht. Of Amsterdam-Edam-Monnikendam-Volendam.
En van de acht selligheden: Duizel (<Duijsel)-EerselHulsel-KnegselNeterselReuselSteensel Wintelre (<Wintersel).
Al die opeenhopingen zijn intussen wel goed onderzocht en beschreven. Zo ook de plaatsnamen op -ange.

De uitgang -ange wordt in de meeste beschrijvingen aangeduid als “behorende tot“, “eigendom van“, die wordt voorafgegaan door de naam van een heer of het geslacht tot wie het gebied behoorde. Hetzelfde geldt voor zijn Germaanse pendant –inge(n).

Lotharingen dus, een streek waarover boeken vol zijn geschreven. Ik beperk me tot Opper-Lotharingen (in Noordoost-Frankrijk) en het zuidelijk deel van Neder-Lotharingen (Luxemburg en Oost-België). Dat is het gebied waar we -ange zo vaak tegenkomen. Maar bedenk daarbij dat het ook een gebied is waar het in de loop der eeuwen, tot het einde van de Tweede Wereldoorlog, voortdurend stuivertje wisselen was tussen Frankrijk en Duitsland, beter gezegd: tussen Gallische en Germaanse overheersing en invloed. Deels had dat natuurlijk te maken met de rijkdom aan delfstoffen in die streek, die zelfs doorliep tot de voormalige Limburgse kolenmijnen. Om aan al dat gesteggel een eind te maken ontstond in 1952 de EGKS, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. Die kolen zijn nu wel een beetje passé, maar de zieltogende staalindustrie is in Noordoost-Frankrijk nog alom aanwezig.

Die Frans-Duitse strijd om Lotharingen had mede tot gevolg dat er een soort taalgrens ontstond, dwars door het gebied heen. Aan de westkant het Franstalige gebied, aan de oostkant het Duitstalige. Dat is heel grof gesteld, want die grens is niet alleen nogal rafelig, maar bovendien hebben we ook nog eens te maken met tal van subtalen en dialecten, waarbij het in Luxemburg, het Belgische deel en het Groothertogdom, nog veel complexer is. Maar grosso modo komt het erop neer dat al die toponiemen die eindigen op -ange, uitgesproken als [angzje], aan de Gallische kant liggen, en dat we aan de oostkant een overvloed aan plaatsnamen op -inge(n) vinden. België zal België niet zijn als we langs de rafelrand niet ook nog eens tweetalige plaatsnamen tegenkomen, zoals MartelangeMartelingen.
En omdat het in de provincie Luxemburg ligt, wordt dat ook nog min of meer fonetisch gespeld als MartelengMârtelengen en Maartel en in het plat-Waals dan nog eens als Måtlindje

Op internet staat een uitgebreid artikel o.a. over het voorkomen van toponiemen die eindigen op -ange en op -anges in Frankrijk. Bijgaand kaartje geeft overduidelijk de Lotharingse concentratie van toponiemen op -ange aan (alle rode stippen rechtsboven). Jammer genoeg beperken dat onderzoek en dat kaartje zich tot het huidige Franse grondgebied. Weliswaar levert dat honderden treffers op, alleen al in het departement Moselle (57) zijn het er al meer dan 120, maar onze rit voert verder, door Luxemburg en Oost-België.

In het Groothertogdom wemelt het van de plaatsnamen op -ange: Differdange, Dudelange, Livange, Rumelange,… Op Wikipedia vind je er zo 86 bijeen staan. Ze komen voor tot in het noordelijkste puntje, waar op nog geen 5 km van elkaar van zuid naar noord Drinklange, Wilwerdange, Goedange en Huldange liggen.
Op -inge(n) vind ik er maar rond de 20, voornamelijk in het oostelijk deel van het land. Zo je van een taalgrens mag spreken, loopt die dus door het oostelijke kwart van Luxemburg.

Vervolgen we onze reis, dan komen we weer iets merkwaardigs tegen in het gebied tussen Luik en Hasselt. Daar treffen we zowel de beschreven Gallisch-Germaanse taalgrens tegen, als de Vlaams-Waalse, die tegelijk politiek als taalkundig een scheiding vormt. Veel plaatsen langs die Vlaams-Waalse grens dragen ook tweetalige namen. Ik noem Hoepertingen (Houppertange), Bitsingen (Bassenge), Kuringen (Curange), Ordingen (Ordange), Piringen (Pirange), Rukkelingen (Roclenge) en Wouteringen (Otrange). Iets zuidelijker, en 100% Waals, is Tihange, berucht om zijn onbetrouwbare kerncentrale. De naam betekent “gebied behorende tot Thibaut“; er bestaat geen gangbare Duitstalige variant, maar oorspronkelijk schijnt het iets als *Tihondinga geweest te zijn.

Gaan we vervolgens iets dieper Vlaanderland in, dan komen we ten noorden van de lijn Maastricht – Tongeren – Sint-Truiden plaatsen als Ketsingen, Mopertingen en Riksingen tegen, waarvoor geen Franstalige pendanten als *Quetsange, *Maupertange of *Rixange bestaan. De taalgrens lijkt behoorlijk scherp te zijn; de taalstrijd heeft zijn werk gedaan.

Lotharingen zelf heette oorspronkelijk Lotharii regnum, “het rijk van Lothaire“, een benaming die in de 10e eeuw tot Lotharingia werd. Het maakt de huidige Franse naam Lorraine ook aannemelijk; was het een streeknaam op -inge(n) geweest zoals zo vele plaatsnamen ten oosten van de taalgrens, dan zou die in het Frans iets als *Lotharange geweest moeten zijn, maar dat is niet zo. Ook de Nederlandse benaming Lorreinen doet meer aan regnum denken dan aan -inge(n).

We rijden Nederland binnen, op zoek naar –ange en -inge(n). Dat voert ons allereerst op een zijspoor dat een dwaalspoor blijkt te zijn.
In Nederland zijn er bij mijn weten geen plaatsnamen die op -ange eindigen, behalve Bourtange. Nu is het al hoogst onwaarschijnlijk dat je helemaal naar Groningen moet afreizen om een Franstalige invloed waar te nemen – de Gallisch-Germaanse taalgrens in Nederland loopt parallel aan de grote rivieren, maar bovendien is het niet Bourt-ange, maar Bour-tange, met -tange als variant van (land-)tong(-e). Boeren-tange dus. De Frans ogende spelling Bourtange in plaats van Boertange maakt het allemaal nog verwarrender.
Ook als je wat ruimer wil denken en de in Nederland voorkomende uitgang -enge(n) ziet als een variant van -ange, kom je bedrogen uit: plaatsnamen als Kockengen en Portengen lijken fantasienamen te zijn, ontstaan bij de ontginningen in de 12e eeuw. Kockengen zou een verbastering zijn van (het land van) Cocagne, d.w.z. Luilekkerland, en Portenge een verbastering van Bretagne. Zo vermeldt De Vries het in elk geval in zijn Woordenboek van Noord- en Zuid-Nederlandse plaatsnamen (Aula 85).

Anders ligt dat met -inge(n) in Nederland. Als ik vlotweg Everdingen, Grevelingen, Groeningen, Groningen (?), Harlingen, Kloetinge, Millingen (2x), Scheveningen, Vlaardingen (?), Vlissingen, Wageningen, Wateringen, Wemeldinge en Wieringen uit mijn mouw schud, heb ik vermoedelijk nog niet een tiende deel van alle voorkomens vermeld. Maar het blijft oppassen. De vraagtekens bij Groningen en Vlaardingen bijvoorbeeld geven aan dat het allerminst duidelijk is of daarin wel het ‘echte’ -ingen moet worden gezien in de betekenis “behorende tot“, “eigendom van“. Zoveel als er in de afgelopen twee eeuwen aan toponymisch onderzoek is verricht, zoveel blijft er onduidelijk als we over te weinig of te mistige bronnen beschikken.

Wat wel vaststaat is dat de behandelde grens tussen het Franstalige –ange en het Duitstalige –inge(n) ophoudt ten zuiden van het huidige Nederland, namelijk ergens langs de lijn van Luik naar Hasselt in België.

Het is alles bij elkaar genoeg om over te mijmeren als je de urenlange rit maakt over Metz en Martelange naar Maastricht.
______________________________________________________________________

Een paar verwijzingen naar geraadpleegde websites:
https://nl.wikipedia.org/wiki/Lotharingen_(Frankrijk)
https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_Franse_en_Duitse_plaatsnamen_in_Lotharingen
https://fr.wikipedia.org/wiki/Toponymie_de_la_Belgique
https://fr.wikipedia.org/wiki/Correspondance_des_toponymies_lorraines_en_fran%C3%A7ais_et_en_allemand
en nog tientallen andere.

 

 

Boter op wiens hoofd?

Het wordt hoog tijd dat ik mijn stamkaart en distributiebonnen uit de archiefdoos tevoorschijn haal om nog enigermate aan mijn boterrantsoen te kunnen komen:
in Frankrijk is er sinds half oktober zowat geen boter meer te krijgen. Niet bij de Colruyt, niet bij Leclerc, niet bij de Carrefour, niet bij de Intermarché, nergens. Wat is er aan de hand? Geen melkquota meer? Geen melkplas meer? En waarom wel in Frankrijk, maar niet in België en Nederland?

Er circuleren diverse verklaringen in de media. Een daarvan is dat de boterprijzen dermate hoog zijn gestegen, in een jaar tijd van € 2.500 per ton tot wel € 8.000, dat de tussenhandel, lees de supermarkten, het verrekken die hogere prijzen aan hun leveranciers te betalen en vervolgens te moeten doorberekenen aan hun klanten. Daardoor ontstaat er een vreemd soort prijzenoorlog, waarbij de Franse winkelketens hun hakken in het zand hebben gezet en liever niet verkopen dan veel te duur. Typisch Franse koppigheid.

Een andere gemelde verklaring is dat Nieuw-Zeeland, ’s werelds grootste melkexporteur, met een tekort aan melkvolume kampt.
Pardon? Nieuw-Zeelandse melk in Europa? Daar waar wij gewend zijn aan boterbergen, koelhuisboter, melkplassen en overschotten bij de vleet, hebben wij Nieuw-Zeelandse melk nodig om onze boterhammen te smeren? En waarom dan bij uitstek in Frankrijk, en niet in zijn noordelijke buurlanden? Is er iets mis met de Europese samenwerking, vrijhandel, open grenzen?

Ik weet het goed gemaakt. Ik keer terug naar de jaren-’50. Ik rijd naar Nederland. Koop daar een bult boter en smokkel die als vanouds de Belgische grens over. En de Luxemburgse. Daar bevoorraad ik me ook nog eens met aanmerkelijk goedkopere benzine, diesel, alcohol en tabak en rijd met een auto vol smokkelwaar de Franse grens over. Word ik daar niet door de douane betrapt, dan ben ik hem gesmeerd en kan hier weer rustig volop genieten van mijn slinks vergaarde ravitaillering.
Vive l’Europe.

 

Macron

Als mij als “insider” wordt gevraagd hoe ik de Franse verkiezingsuitslagen van 2017 beoordeel, kan ik daarop geen eenduidig of simpel antwoord geven. Niet omdat ik een en ander niet zou volgen – dat doe ik wel degelijk, maar eerder omdat ik niet kan voorzien wat Macron c.s. ervan gaan maken, en al helemaal niet omdat de Franse situatie niet los gezien kan worden van die in andere landen binnen en buiten Europa.

In mijn Nieuwjaarsbericht 2017 waarschuwde ik voor naderende verkiezingen (NL-F-D), gealarmeerd als ik was door de ontwikkelingen in de USA. En daar kwam het Verenigd Koninkrijk ook nog eens ongevraagd bij. Met Duitsland in september voor de boeg kunnen we al een beetje de balans opmaken.

Bovenal blijkt hoe het vigerende kiesstelsel in elk land zijn genadeloze consequenties heeft. Van de twee uitersten: een de facto eenpartijenstelsel (in China en Rusland) tot het nog steeds sterk naar verzuiling riekende heelveelpartijenstelsel (Nederland) kan rustig worden gezegd dat ze hun nadelen hebben.

Bij een eenpartijenstelsel valt er niks te kiezen, maar daar lijken de Russen (tsaar, Lenin, Stalin, Brezjnjev, Poetin) wel aan gewend en misschien ook stiekem wel van gediend; toen Gorbatsjov daar iets aan leek te willen veranderen, kostte dat hem de kop, en de hele Sovjet-Unie met hem.

Bij een tweepartijenstelsel als in Amerika, gevoegd bij het principe van “the winner takes it all” zien we al tijden lang de situatie (zie Gore en H.Clinton) dat degene met de meeste stemmen de verliezer is, maar, erger nog, dat er een zodanige 50-50 verdeling is, dat het land sterk verdeeld blijft. En Obama kan ervan meepraten hoe verlammend het werkt als je in congres en senaat geen meerderheid hebt.

Bij een ietsmeerpartijenstelsel komt het op coalitievorming aan. Vraag ze in België en Spanje maar wat dat kan betekenen, of vraag het Rutte, Buma, Pechtold en Klaver.

Maar we hadden het over Frankrijk.
Na de presidentsverkiezingen placht ik hier her en der tegen Fransen te zeggen dat het desastreuzer had gekund, waarop doorgaans instemmend werd geknikt. Hoewel: bij mij in de streek liep het Front National met 35-45% van de stemmen fier voorop. Nu Macron lijkt af te stevenen op een meerderheid in de Assemblée (met zo vele nieuwe, onervaren, en mogelijk nog onbedorven parlementsleden), krijgt hij de handen vrij om zijn beleid uit te venten. fijn in ieder geval dat hij zei “Let’s make the planet great again” in plaats van De Gaulles slogan “Vive la France – vive la République“.

Toch is de Franse situatie niet geheel zorgenvrij: van de 47.571.350 kiesgerechtigden kwamen er 23.170.218 opdagen. Het regende niet. Integendeel: het was prachtig weer alom in den lande. “Ach ja, mensen gingen liever op het terras zitten“, zei mijn fysiotherapeut vanmorgen tegen me.
Van die dik 23 miljoen stemmers, van welke groep ik de leeftijdsopbouw niet weet, stemden er ook nog eens 354.391 blanco en 161.263 ongeldig. Ga dan liever op het terras zitten. Een opkomst onder de 50 procent is zorgelijk; Nederlandse TK-verkiezingen scoren toch meestal tussen de 70 en 80 procent.

Er is echter wel een verklaring voor. In Frankrijk is de presidentsverkiezing de belangrijkste. Hoe hij (zij) het in de jaren erop allemaal fikst, dat moeten ze in Parijs zelf maar uitzoeken. Anders dan in Nederland zijn de te kiezen a.s. parlementariërs behoorlijk onbekende personen – niet bepaald stemmentrekkers. Vergelijk ze liever maar met de kandidaten voor de Nederlandse Provinciale-Statenverkiezing, of de Waterschapsverkiezingen, waarvoor je ook geen lange rijen in het stemlokaal kunt verwachten. Bovendien is het zo dat in Frankrijk, en al helemaal buiten Parijs, men niks moet hebben van die kamerleden, die minder worden gezien als (mede-)beleidsbepalers, maar eerder als baantjesjagers en zakkenvullers. Dat neemt overigens niet weg dat men in Frankrijk niet echt geporteerd is van lieden waaraan schandaaltjes kleven. Veel van de Franse presidenten (minus De Gaulle, geloof ik) of presidentskandidaten (Strauss-Kahn bijvoorbeeld, of Fillon), worden genadeloos afgerekend op hun grillen. Men is hier niet zo gediend van typen als Berlusconi, en ook Bill Clinton zou hier een zware sigaar gerookt hebben.

Ik vertel het maar niet tegen mijn Franse gesprekspartners, want ik krijg het ze toch niet uitgelegd: in Nederland is de politieke partij met kwantitatief en kwalitatief de meeste schandalen de grootste van het land, op de voet gevolgd door een partij die geen partij is, maar zulks wel met abjecte standpunten die Marine le Pen niet zou durven uitdragen. En dat ’s lands derde partij een christelijke is, is voor Fransen al helemaal middeleeuws.

 

Met recht bezongen

=Boekbespreking=
Ze zijn er bij dozijnen: boeken van Nederlanders over Frankrijk en hun verblijf aldaar. En zelfs als je alle schrijfsels daarvan aftrekt die het infantiele niveau van de tv-serie Vive la Frans niet overstijgen, blijven er nog tientallen over die om welke reden dan ook de moeite van het lezen waard zijn. Meer dan alleen al de voortreffelijke werken van Martin Brill, Leo Prick, H.L. Wesseling en Ischa Meijer, bijvoorbeeld.
In 2012 publiceerde Rosemarijn Milo een verzameling brieven onder de titel Brieven uit La Dominance.
Een impressie en aanbeveling.

 

Begin 2006 vestigde Rosemarijn Milo (Amsterdam 1945) zich in Frankrijk. Samen met Yves Nicolay betrok zij een modern appartement in de “inbreiwijk” Queuleu in Metz, “calme et verdoyant”, zegt de immobilier, in een gebouw dat naar de naam La Dominance luistert. Vanuit die woonst leerde zij Metz kennen, zijn Frans-Duitse geschiedenis, de omgeving en, onvermijdelijk, de Franse gebruiken en gewoonten, woorden en letters der wetten en regelingen. Op mij, nog geen 200 km zuidelijker wonend, kwam een en ander bepaald niet onbekend over. Omdat zij bovendien een vakantiehuis bezaten in Marcilly-en-Bassigny, hier tien kilometer vandaan, leerde ik Rosemarijn en Yves kennen van bijeenkomsten en evenementen.

In 42 brieven, gedateerd tussen mei 2007 en juli 2009, beschrijft zij de periode dat zij in La Dominance woonden, inclusief de bouwplannen en -werkzaamheden van hun huidige ecologisch verantwoorde huis in Mey, ietsje oostnoordoost van Metz.

In de brieven komt een rijke hoeveelheid onderwerpen ter sprake, variërend van gezins-/familieleven tot gebouwen in Metz; van de frequent gebezigde inkortingen in het Frans (in het boek abusievelijk “afkortingen” genoemd) als véto, récré, impec; aan Franse afkortingen (SCICAE, INSEE, NIRPP), waarin Frankrijk Nederland naar de loef steekt, zou ook best eens een tenenkrommend berichtje kunnen worden besteed; van politiek (haar brieven vallen samen met de verkiezing van Sarkozy, met alle ellende van dien) tot de plaatselijke warme bakker, van rechtszittingen tot de perikelen rond de bouw van hun nieuwe woning in Mey. In dien zin lijken ze een pinacotheek te vormen. Maar de verbindende factor in het boek is de chronologie, de chrono, in  haar termen, die de logische volgorde der dingen bepaalt: de brieven lopen keurig netjes van 27 mei 2007 tot en met 23 juli 2009, met dien verstande dat op 8 oktober 2008 opeens 23 september 2008 volgt, hetgeen in ieder geval layouttechnisch onnodig was.

Ze zijn geschreven in helder, vlot te lezen Nederlands in een toon die eerder luchtig en losjes is dan stroef en formeel, eerder scherp en relativerend dan veroordelend, eerder humoristisch dan academisch. Ze laat de lezer alle ruimte zelf te oordelen, nodigt ook uit om dat te doen. Daarbij valt ze iets uit de toon als ze de PS, zeg maar de Franse PvdA, nogal neersabelt zonder dat dat ten faveure gaat van welke andere partij dan ook. Maar omdat ze tegen de PS ongeveer dezelfde bezwaren heeft als die ik heb tegen de PvdA en de Duitse SPD, zie ik dat door de vingers.


Haar werkwijze impliceert ook dat de diepgang van sommige onderwerpen wat oppervlakkig blijft, als ik die beeldspraak mag hanteren.
Zo is het bijvoorbeeld heel interessant te lezen dat er rond Metz zo veel plaatsnamen eindigen op -y (Pouilly, Nouilly, Marsilly, Mey, …), maar ontbreekt het gegeven dat die uitgang “water” betekent, hetgeen zij als rechtgeaarde Amsterdamse toch mocht weten: zowel de A- van Amsterdam als de IJ van het IJ en IJmuiden, zelfs -ij- in het boeiende Rijsel < Ter IJsala (= Lille, l’isle, waaraan door de volksetymologie onterecht de betekenis “lelie” werd toegekend, hetgeen nog in het stadswapen is terug te vinden ), beide dus in feite misspellingen, herbergen die toponymische herkomst. Het Frans is op dat punt nog veel rijker en onoverzichtelijker dan het Nederlands. Als het gaat om de veelheid aan mogelijkheden om een bepaalde fonetische weergave in letters neer te schrijven hoef ik maar te verwijzen naar de beruchte duo’s: “Au lion d’Or” vs. het oorspronkelijke “au lit on dort” en het nog complexere “Galle, amant de la Reine, alla -tour magnanime- gallament de l’arène à la Tour Magne à Nîmes”.

Rosemarijn is gelukkig te prijzen dat zij al na twee jaar haar Carte vitale mocht ontvangen (brief dd. 21 juni 2008); mij kostte het op een oor na vijf jaren. Lees die bureaucratische frustratie maar na op http://nardloonen.nl/2013/04/22/la-carte-vitale-ziekmakend/. Het neemt niet weg dat zij in die brief de spijker op de kop slaat.

Met Brieven uit La Dominance heeft Rosemarijn Milo een uiterst lezens- en aanbevelenswaardig boekje gepubliceerd, waarbij zij haar nauwelijks verhulde liefde voor Frankrijk en het Franse leven met recht bezingt, zonder daarbij haar muzikale en juridische opleiding al te zeer te laten domineren.

En we moeten dan maar voor lief nemen dat de prijs nogal hoog is (€ 17,95 voor 175 blzz. met foto’s in kleur en zwart-wit) alsmede dat zowel schrijfster als koper worden geconfronteerd met allerhande incompetenties, gebrek aan invoelen met (de couleur locale van) het onderwerp, een enkele niet-gecorrigeerde taal-/stijlfout, een irritant krommende kaft, en het gebruikmaken van 3 à 4 verschillende lettertypen op voorplat en titelpagina die op het conto moeten komen van POD-uitgeverij Boekscout. Het is een ergerniswekkende ervaring die Rosemarijn Milo in minstens even grote mate heeft ervaren als ik met diezelfde uitgeverij bij mijn publicatie over Hortes 1636.

______________________________________

Rosemarijn Milo, Brieven uit La Dominance. Soest 2012. Uitgeverij Boekscout.nl. ISBN 9789462064010. Prijs € 17,95. Te bestellen via www.boekscout.nl of rechtstreeks bij de schrijfster (niramory@gmail.com).