Aardappelen en wolfsmelk

Mijn in 2011 bij infonu.nl gepubliceerde en frequent geraadpleegde artikel Aardappelen lang bewaren had tot doel de condities te schetsen waaronder je met je eigen aardappeloogst de winter goed kunt doorkomen. Nu ik met de oogst van 2014 bezig ben, lijkt het me niet onverstandig aan dat artikel wat opmerkelijkheden en adviezen toe te voegen, met name om ervoor te zorgen dat je bij het oogsten niet meteen al een groot deel van de aardappels kunt afschrijven.

Het is, qua groenten- en fruitopbrengst, maar een even onvoorspelbaar als grillig seizoen: het varieert van een matige tot helemaal geen opbrengst aan wortelen, uien, appels, perziken, frambozen, kapucijners en snijbonen tot een overvloed aan komkommers, aardbeien, wijnperziken, sperziebonen en aardappelen. Daar tussenin zitten de kruiden, groene pepers en tomaten. Het zal voor een deel wel aan het weer hebben gelegen, en aan verkeerde of verkeerd getimede werkzaamheden. Maar anderen in het dorp hebben vergelijkbare ervaringen opgedaan in 2014.

Des te verrassender is het dat de aardappelen (Nicola’s) het dit jaar zo verbluffend goed doen. Al heb ik nog lang niet de helft van de oogst gerooid, het betreft immers een laat ras dat doorgaans pas eind september de grond uit moet, nu al valt de kwantiteit en de kwaliteit in positieve zin op. En dat brengt mij ertoe even aandacht te schenken aan iets uiterst belangrijks voordat je überhaupt kunt denken aan “aardappelen lang bewaren”.

Vorig jaar moest ik de teleurstelling verwerken dat meer dan een derde van de oogst bleek te zijn aangevreten door ondergronds ongedierte. De een hier in het dorp zegt dat het mulots waren, bosmuizen of grote veldmuizen, anderen beweren bij hoog en bij laag dat het courtilières waren, in het Nederlands veenmollen of aardkrekels (en daarvan heb ik er bij het rooien ook twee betrapt – het gaat niet meer zo goed met ze), hoe dan ook, beesten die ondergrondse gangen maken en onderweg alles op- en aanvreten wat ze tegenkomen: plantenwortels, knollen, regenwormen. En in plaats van dan een hele aardappel op te eten zoals wij altijd hebben geleerd (“netjes je hele bord leegeten”) hollen ze een stuk van de aardappel uit en graven dan verder tot ze de volgende tegenkomen.

Zo niet dit jaar. Het was me al opgevallen dat ik nergens in het aardappelveld die typische verticale ronde ingangen zag waardoor die dieren in en uit gaan, terwijl ik die gaten wel op andere landjes zag. Dat aardappelveldje ligt aan de rand van het dorp, dus niet aan huis in de tuin, en de vrouw die het stuk land ernaast bewerkte liet mij een paar weken terug de door haar gerooide aardappelen zien: francelines of chéries, zo’n typisch Franse rode vastkokende aardappel. Ook heerlijk. Maar tevreden was zij allerminst: ongeveer de helft bleek te zijn aangevreten door hetzelfde ongedierte dat mij een jaar ervoor ook parten speelde.

Waarom dit jaar dan niet? Waarom is nu nog geen 5% van de oogst na het rooien al slecht bruikbaar, waarvan nota bene het merendeel is beschadigd doordat ik er per ongeluk met de riek in prikte of met de spitspa doorheen sneed? Wetenschappelijk kan ik niks bewijzen, maar proefondervindelijk ben ik wel wat wijzer geworden. Het een hoeft het ander trouwens ook niet uit te sluiten.

In mijn weblogartikel over mollen verjagen heb ik aangegeven dat mollen het niet bepaald hebben op de stank van een oplossing van wolfsmelk (euphorbia). Heb je één plant daarvan in je tuin, dan heb je er het volgend jaar tienduizend; stop bladeren en stengels in een ton of grote bidon, vul die met water, en giet het mengsel na enige uren of weken in molsgaten en mollengangen. Ze vluchten alle kanten op vanwege de stank.

Dat bracht mij op het idee om in de rijen gepote aardappelen om de zeven meter een uit de tuin gespitte wolfsmelkplant te plaatsen. Ze overleefden de transplantatie en vermenigvuldigen zich daar inmiddels ook welig en talrijk, zoals je kunt zien aan het jong spruitsel op de voorgrond. En dus (bijna) geen aangevreten aardappelen meer.

Voor de goede orde: op de foto hiernaast een gave Nicola (A), een aangevreten exemplaar (B) en een rottende (C).
De gave exemplaren kun je goed conserveren tot maart-april. Lees het hier bovenaan genoemde infonu-artikel. De aangevreten aardappelen zijn voor directe consumptie nog wel bruikbaar: snijd het beschadigde deel ruim weg en de rest kun je gewoon eten. Voor rottende aardappelen geen pardon: weggooien, en wel subiet. Afhankelijk van de lokale verordeningen al dan niet in de gft-bak of bij het huishoudelijk afval, net als tomatenafval.

Ik ben uiterst benieuwd of er onder ons meerdere Maarten ’t Harts zijn die op dit punt enige eigen ervaring of aanvulling kunnen aandragen. Laat maar horen.

 

Mollen verjagen? Wolfsmelk!

Wie last heeft van mollen in de tuin, kan in principe kiezen uit twee opties: ze zien te doden of te verjagen. Voor het eerste zijn er mollenklemmen in de handel, maar met stukjes gebroken glas kun je ook een eind komen en er zijn honden en katten die met oeverloos geduld wachten tot er een mol boven de grond komt en dan gretig toeslaan. Vind je dat allemaal echter een onaantrekkelijk idee, hetzij vanuit het oogpunt van diervriendelijkheid, hetzij omdat je dan bijvoorbeeld zelf die dode mollen uit de klem moet halen, dan zijn er minder hardvochtige oplossingen denkbaar.

Allereerst even kort een bestaande discussie memoreren: waarom mollen niet gewoon hun gang laten gaan/maken? Natuur is natuur, ze zijn vast wel ergens goed voor, al is het maar dat de fijne aarde die zij tot molshopen aan de oppervlakte brengen ideaal is voor het vullen van bloembakken. De tegenstanders van dat idee vinden molshopen lelijk in hun gazon, of, erger nog, zij merken dat mollen hun jonge aanplant van planten, groenten, fruit verpesten. Dat laatste standpunt deel ik, reden waarom ik verjagen geen slechte oplossing vind.

Voor het verjagen van mollen zijn er zogenaamd ingenieuze ultrasone sondes in de handel die je in de grond stopt en die een geluid produceren waarvoor mollen op de loop gaan alsof ze bij een optreden van Lee Towers zijn beland. Ik heb die dingen nooit geprobeerd; mijn geringe geloof in de werking weegt niet op tegen de kosten van de aanschaf.

Bovendien is er een goedkopere en natuurlijker mogelijkheid: wolfsmelk.

Men neme een aantal bladeren, takken, vruchtdozen van een wolfsmelkplant (euforbia of euphorbia), stopt die in een vat of ton met water en laat dat een dag of wat, of weken of maanden staan. Er ontstaat een zeer onwelriekend mengsel. Dat moet je dan maar even voor lief nemen, in de wetenschap dat mollen er echt een vreselijk hekel aan hebben: giet je wat van de oplossing in een opengewerkte molshoop, dan zal daar dagenlang geen mol meer verschijnen.

Maar natuurlijk wel vijf meter verderop, dus daar heb je nog steeds niet zoveel aan. Enig beleid is vereist. Zie bijgaande schematische weergave. Je begint zoveel mogelijk in een hoek of langs de rand van je tuin. In de molshopen daar giet je wat van de oplossing en/of je pulveriseert/sproeit het spul rond die molshopen op het gras. Dan 1 of 2 dagen kijken wat er gebeurt; dikke kans dat er buiten cirkel I nieuwe hopen ontstaan. Probeer en passent ook te ontdekken hoe de mollengangen lopen; dat vergemakkelijkt je operatie. Zijn er dan in cirkel II wederom molshopen bijgekomen, dan begiet en/of bespuit je wederom een cirkelsegment rond het eerder besproeide gedeelte en zo ga je verder met segment III enzovoort, tot je aan de andere kant van je tuin bent gekomen. Let er wel op dat je ze niet verjaagt in de richting van een (ingegraven) muur of een verharde straat, want dan kunnen de beesten geen kant op. Naar de buren dus ermee. Zo doende verricht je ook nog sociaal werk, door hen deelgenoot te maken en te laten meegenieten van jouw probleem. Eventueel bied je hun korte tijd daarna genereus een stekje wolfsmelk aan.

Dat laatste is ook een kwestie van eigenbelang, want een waarschuwing is hier wel op zijn plaats. Ik kreeg van mensen in het dorp twee jaar geleden ook zo’n stekje, dat wonderwel aansloeg. Aan die plant zitten zaadbolletjes die in augustus-september met een knal openbarsten en oeverloos veel zaadjes in de rondte laten vliegen. Een echte man is er niks bij.

Datzelfde najaar nog, en anders wel in het voorjaar, zie je opeens overal in je tuin van die vriendelijke kleine palmboomachtige plantjes opkomen, eerst met vier spitse kruiselings geplaatste blaadjes, later met tientallen blaadjes en voor je het weet, staat je hele tuin vol met wolfsmelk, zoals hier op de foto tussen de klaprozen. Gebruiken dus voor nog meer mol-expulsieve oplossing, of gewoon uitrukken en weggooien. Zo mooi zijn die planten nou ook weer niet, als ze eenmaal volgroeid zijn.

En steeds na afloop je handen wassen. Het witte melkachtige sap in de stengels is wat plakkerig, riekt onfris en is wellicht giftig; de bloemen en vruchten zijn dat zeer zeker.