Fly Corsica

In Nederland zegt men BÁstia.
Op Corsica zegt men BastÍa
In Frankrijk zegt men BastiÁ.
Dat zegt iets over de taalsituatie op Corsica.

Mijn indruk is dat ze er daar zo niet laconiek, dan toch in elk geval soepel mee omgaan. Vergelijk het met de veeltaligheid in Luxemburg en Zwitserland.

Maar over het Corsicaans, U Corsu, wilde ik het nu even niet hebben. Dit bericht gaat over de vlucht van Bastia-Poretta naar Dôle-Tavaux op 4 september. Al met al twee uren film, die ik heb teruggebracht tot een samenvatting van dik 25 minuten.
Ik zit met een dubbel gevoel. Als vlieg- (en spoor-)fanaat geniet ik enorm van dat soort reizen, maar ik ken ook de grote milieubezwaren die er aan vliegbewegingen vastzitten. Naar Amsterdam, Brussel, Parijs, Londen en Wenen zal ik het vliegtuig niet pakken, maar om op Corsica te komen is er geen redelijk milieuvriendelijk alternatief voorhanden.

Ik heb die vluchtfilm op Youtube gezet. En ter geruststelling: als je die gaat bekijken, belast je het milieu niet of nauwelijks.

Veel kijkplezier dus.

Corsica 1 van 8

Vrijdag 28 augustus 2020
Als je, zoals wij dat deden, al in november 2019 begint met het plannen van je zomervakantie en de nodige boekingen verricht, kun je kwalijk van een last-minutereis spreken. Het heeft zo zijn voordelen: de tarieven zijn nog relatief laag en je kunt je goed inlezen in je vakantiebestemming, teneinde er het meeste uit te halen. Nadelen zijn er ook: je weet natuurlijk niets van de weersverwachting te bestemder plaatse en sinds maart 2020 staat zo’n beetje alles op zijn kop, waardoor het maandenlang maar de vraag bleef of alles wel door zou kunnen gaan. Maar toen die laatste hobbel -noem het puur toeval- was genomen, konden we vanuit Rosoy 100 km naar vliegveld Dóle-Jura rijden om daar de nog niet zo lang geleden geopende lijnvlucht van Air Corsica naar Bastia te nemen.

Bij vlagen stortregen en amper 14 graden, maar verder verliep alles volgens plan. Van het verhoopte uitzicht op de Mont Blanc kwam niks terecht, omdat we boven een gesloten wolkendek vlogen, dat pas aan de Middellandse-Zeekust open brak.
En eenmaal geland in Bastia was het gewoon weer zonnig en tegen de dertig graden.

De huurauto, die we pas na een uur wachten (een hele rij voor ons, iedereen op 2 meter afstand en verplicht gemuilkorfd) ter beschikking kreeg, was niet de beloofde Peugeot 3008 (geweldig!), maar een Dacia Duster (ach, hoe nederig!). Niettemin voldoet die prima voor onze reisdoelen; korte draaicirkel, veel binnenruimte en vooral veel bodemvrijheid, prettig op al die smalle en matig geplaveide bergweggetjes, alsook over de oeverloos veel aanwezige verkeersdrempels, zowel in Bastia als in de berggebieden. Dat hij scheef staat, komt door de vertekening van de groothoeklens.

Het viersterrenhotel lÁlivi, vlak boven Bastia biedt alle mogelijke comfort. Goed om hier even twee nachten te kunnen acclimatiseren met de beukende golven van de zee pal onder ons terras.
Voor we alles op orde hadden en heel goed hadden gegeten en gedronken, was het middernacht. Morgen een korte trip naar de noordpunt van het eiland.
_____________________________________________________
De hele reeks:
Dag 1: (dit verslag)
Dag 2: 29 aug.
Dag 3: 30 aug.
Dag 4: 31 aug.
Dag 5: 1 sept.
Dag 6: 2 sept.
Dag 7: 3 sept.
Dag 8: 4 sept.

Porto


Wel eens in Porto geweest?
Ik ook niet.

Totdat het (verjaardags-)lot mij gunstig gezind was en ik een lang weekend Porto, vlucht+hotel, kreeg aangeboden voor twee personen.
Vanaf vliegveld Dôle ben je er rechtstreeks in een uur of twee en dan kun je er je eerste Portugal-ervaringen gaan opdoen.
Conclusie: Doen. De stad is het alleszins waard.

Eind vorige maand vertrokken we. Bij vertrek in Rosoy lag er 13 cm sneeuw, maar de 120 km lange rit naar Dôle had daarvan geen hinder. Zeker als je bedenkt dat we bij aankomst onder een strak blauwe lucht en 17° in een echt andere wereld terecht kwamen, neem je wat glibberigheid vooraf wel voor lief.
Vliegveld Dôle op zich is al een aanrader: je parkeert er op werkelijk 20 meter van de aankomsthal, gratis en voor niks. Kom daar maar eens om op Schiphol, of in Düsseldorf of Charleroi. Klein, maar met alle nodige voorzieningen, redelijk goede koffie en goede friet.

Het eerste wat mij op het spiksplinternieuwe vliegveld van Porto opviel was het gevarieerde en artistiek ontworpen plaveisel. En laat ik het maar meteen vertellen: ik ga er nog eens naar toe met als enige doel het maken van een uitgebreide fotoserie over plaveisel, plavuizen, trottoirs, wandbetegeling en wat dies meer zij. Want Porto is niet alleen in zijn totaliteit enorm fotogeniek, alleen al wat je onder je voeten en aan de wanden ziet verschijnen is een hoofdstuk apart.

Maar er is meer. In Porto wordt port gefabriceerd. Hoewel ik sherry prefereer boven port, wilde ik niet kinderachtig wezen en liet ik me de avances van de fabrikanten graag aanleunen. De twee gratis proefdrankjes die bij de gondeltocht boven de zuidelijke wijk Gaia over de vele portofabrieken waren inbegrepen, smaakten wonderwel, al was het nog in de ochtenduren.

Je komt in Gaia over de befaamde Luis-I-brug over de Douro, na met een tandradbaan naar onderen te zijn afgedaald. Die brug, ontwerp uit 1886 van een compagnon van Gustave Eiffel, heeft twee dekken op 45 meter hoogte van elkaar. Op de bovenste rijdt de metro en kun je wandelen en fietsen; op de onderste rijden bussen en auto’s, en kun je ook wandelen en fietsen. De brug is de Eiffeltoren op zijn kant, zogezegd.

Dan is er ook nog het schrijnende contrast tussen oude en modern, tussen rijk en arm. Er zitten bedelaars op straat. Sterker nog, ze achtervolgen je om zogenaamd hun openbaarvervoerkaart te kunnen opladen. Maar draai je je om, dat straalt de rijkdom je tegemoet. Strakke, moderne bouw contrasteert met dagenlang buiten hangend wasgoed, maar ook met de art-decogebouwen die er op tal van plaatsen zijn te vinden. Bijvoorbeeld het heerlijke café Majestic, met iets te hoge prijzen, maar een nog veel hogere uitstraling.
Of, hoogtepunt op een van de wandelingen, boekhandel Lello. Boeken interesseren mij hoegenaamd niets, maar het gebouw alleen al is een vlucht naar Porto waard. Overtuig jezelf door naar de afbeeldingen te kijken.
Het enige boek dat mij wel interesseerde, de Portugese versie van Kuifjes Sigaren van de Farao, hadden ze niet eens op voorraad. Ik ben daarvoor vijf boekwinkels af gemoeten om mijn collectie met een ontbrekend exemplaar te kunnen uitbreiden.

Als oud-Amsterdammer ben ik tramgek. Dat hebben ze in Porto goed begrepen. Er rijden nog drie tramlijnen door de stad, lijn 1, 18 en 22, die goed op elkaar aansluiten en waarmee je een groot deel van de stad, tot aan de kust van de Atlantische Oceaan, kunt doorkruisen. Motorwagens van begin 20e eeuw, in begin 21e eeuw keurig gerestaureerd, klauteren kreunend heuvels op en remmen kermend heuvels af, terwijl je intussen belangrijke toeristische hoogtepunten van de stad passeert. Want toeristisch is het in Porto. Alleen, vreemd genoeg, waar ik, zelfs als toerist, een vreselijk hekel aan toeristen heb omdat ze het straatbeeld verpesten en de inrichting van de stad totaal vercommercialiseren, iets waaraan Praag bijvoorbeeld inmiddels ten gronde is gegaan, had ik daarvan in Porto totaal geen last. De stad is uitermate toeristvriendelijk, zonder aan eigenwaarde in te boeten.

Naast het plaveisel valt ook op dat zoveel gebouwen zijn bekleed met, laat ik het maar noemen, Delftsblauwe betegeling. Kerken, gewone gebouwen, en het magnifieke hoofdstation Estação de São Bento, een niet te missen bezienswaardigheid.

Om de Hollandse zuinigheid wat te paaien: we zaten in een achenebbisj hotelletje hartje centrum voor € 30 per kamer per nacht. In een straatje waar sommigen niet zonder pepperspray ’s avonds naar buiten zouden durven gaan. Delftsblauwe tegeltjes van buiten, deels afgesleten, zeer goede bedden op de kamer, een badkamer met heus ligbad, een oliegevuld radiatortje dat het meestal wel deed als je er een klap op gaf en een mini-beeldbuis-tv’tje waarop in hoofdzaak meer sneeuw werd vertoond dan wij bij vertrek in Rosoy achterlieten en waar zo te horen Portugees geluid uit kwam. Maar we waren er alleen maar om te slapen, en dat ging prima. Vanuit dat hotel liepen we binnen een paar minuten naar belangrijke hotspots als de Luis-I-brug, de kathedraal, de tramhalte, en al het schoons dat een stadscentrum nu eenmaal heeft te bieden.

Ik ken geen stad waar je op zo veel plekken kunt eten als in Porto. Werkelijk 1 op de 3 winkelpanden in Porto is een eettent. Koffie (van een kwaliteit waar ze in Frankrijk geen weet van hebben), broodjes, gebak, warme en koude gerechten, … In welke zichzelf respecterende stad krijg je een kop prima espresso voor € 0,65 ? Of kersverse broodjes voor € 0,10 het stuk? En ook in zeer sjieke restaurants hebben we gemerkt dat niet alleen het eten van uitstekende kwaliteit is, maar dat je als extra verrassing een rekening krijgt gepresenteerd waarvan je in eerste instantie denkt dat ze het voorgerecht, de wijn en het toetje zijn vergeten te berekenen.

En dan sta je ineens, na een echt enerverende rit met lijn 1, aan de kust van de Atlantische Oceaan. Palmbomen, een pier, een vuurtoren. Strak blauwe lucht, nog steeds. Zeventien graden. Aan de overkant ligt Amerika. Opeens besefte ik dat het mijn meest westelijke punt ooit was, want het ligt westelijker dan Lands End, mijn record tot dan toe. Ik heb dat gevierd door een banaan op te eten die ik nog bij had voor het geval ik in het vliegtuig honger kreeg.
Maar in een vliegtuig heb ik het veel te druk met naar beneden kijken, al zie je alleen maar wolken. Vliegen is immers alles overstijgen waar je niet middenin wilt zitten, terwijl je toch het overzicht behoudt.

Doe het mij maar na. Ga een keertje naar Porto.
En geniet.