Belgje pesten (3/3)

Het was in de zomer van 1952 dat ik mijn eerste grensoverschrijdende schokervaring te verwerken kreeg. Aan de Belgische grens tussen Tilburg en Turnhout moesten we allen de bus uit en werden onze bagage en deviezen grondig geïnspecteerd. Wat de douane-unie uit 1944 tussen de Beneluxlanden precies inhield, snapte ik toen niet. Later overigens al evenmin.

Het was mijn eerste buitenlandse reis. Als vijfjarig jongetje mocht ik met mijn moeder een aantal dagen op reis naar Hoogstraten in het verre België om daar te logeren bij mijn grootouders. Ongetwijfeld gingen we eerst per NS (3e klasse) van Amsterdam naar Tilburg. De spoorlijn naar Turnhout, het Bels lijntje, was reeds in 1934 niet meer in gebruik voor personenvervoer, onderdeel van wat ik eerder al betoogde, en dus ging de reis nu verder per BBA-bus, de maatschappij die in datzelfde jaar 1934 was gefuseerd met onder meer de ABT-tramlijn die ik ook al eerder voor het voetlicht bracht. Aan de grens vond een heuse paspoortcontrole plaats en werd gevraagd (zo niet gesnuffeld) wat iedere reiziger zoal aan verboden waar bij zich had. ik hoor mijn moeder nog zeggen: “Niets, alleen kleding en wafels en bonbons”. Nu is wafels en bonbons naar Vlaanderen brengen zoiets als water naar de zee dragen, dus daarover deden de douaniers niet moeilijk. Er vond ook deviezencontrole plaats. Nederlands geld meenemen over de grens was verboden, en je kon niet zo maar ergens Belgische of Franse franken kopen in Amsterdam. Je moest daarvoor naar het Grenswisselkantoor op het Centraal Station, of naar een reisbureau als Thomas Cook op het Damrak. Daar kon je, tegen een woekerkoers, een tot ƒ 50,= per dag gelimiteerde hoeveelheid franken kopen met daarbij een deviezenboekje als waarborg voor geautoriseerde deviezenaankoop. Dat moest je dan aan de grens tonen (plus natuurlijk de inhoud van je portemonnee) en eventueel overgebleven franken kon ja na thuiskomst weer terug inwisselen tegen een nog woekeriger koers minus bovendien de gebruikelijke provisie. Ik heb zo’n boekje nog liggen uit begin jaren-’50; zie de scan hier bovenaan.
Het geheel bleef in mijn geheugen gegrift staan bij mijn meer dan vijftig reizen door het IJzeren Gordijn naar Oost-Europese landen: dezelfde rompslomp, controles en deviezenverplichtingen, zij het met een verplicht minimum in plaats van een toegestaan maximum, waaraan overigens vrij simpel bleek te ontsnappen. Die deviezenbewijzen waren doorgaans gehecht aan het visumaanvraagformulier, zoals hier een voorbeeld dat destijds door de ČSSR werd gehanteerd. De verplichte hoeveelheid kronen kon je overigens toen ook aan de grens aankopen, eveneens tegen een schandalige koers natuurlijk. Op straat in Praag was je tot tien maal goedkoper uit – maar dat was uiteraard verboden.
Mijn eerste Oost-Europareis was in 1968. Hier een clandestiene dia die ik op die reis bij de West-Duits-Tsjechoslowaakse grenspost maakte.

Van die eerste België-reis herinner ik me niet veel meer dan dat we op zondag in Hoogstraten eerst naar de mis gingen en dan linea recta naar de bakker om gebak te kopen met heel veel slagroom. Verder nog dat ik op een gegeven moment bij mijn grootvader op de knie zat die mij de fabel vertelde van twee ezels die elk van een andere oever een plank opliepen die over een riviertje lag. Omdat ze elkaar niet lieten passeren, donderden ze alle twee in het water. Wat de moraal van het verhaal was, begrijp ik nog steeds niet. Ik ben geen ezel.

Die BBA-bus reed via Goirle en Ravels naar Turnhout. Jammer dat hij niet de route over Baarle-Hertog volgde zoals het Bels lijntje dat deed, want dan had ik meteen een begin kunnen maken met het eigenlijke onderwerp van dit bericht. Immers, de 22 enclaves in het gebied rond Baarle vertellen ons wel iets over hoe moeizaam de afscheiding van België is verlopen (en de kwestie is nog steeds niet is opgelost!), met vooral dank aan Willem-I, Willem-II en Willem-III. Weliswaar ligt de kwestie-Baarle al vele eeuwen op tafel, maar met enige souplesse was die klus toch al lang geklaard. Baarle is nou niet een enclavegebied van groot strategisch belang, zoals Kaliningrad en Gibraltar dat wel zijn. Enerzijds de grenzen niet tot tevredenheid willen afbakenen, en anderzijds een douane-unie sluiten – het blijft vreemd, zeker als je bedenkt dat er bij het 25-jarig bestaan van de Benelux nog steeds roomboter van Noord naar Zuid, en sigaretten van Zuid naar Noord werden gesmokkeld, en niet alleen door beroepspungelaers, en met vuurwerk, vuurwapens en drugs is het vandaag de dag nog steeds niet helemaal koosjer.
Ik vermoed dat het hardnekkige voortbestaan van het vrij geïsoleerde Baarle-Hertog een zelfde weerbarstigheid van Neêrlands vorsten in de 19e eeuw aantoont die we ook al zagen bij de forten Liefkenshoek en Lillo: zij wat loze stukjes grond in de armetierige Kempen, wij de strategische forten en Zeeuwsch-Vlaanderen om de Westerschelde en daarmee de Antwerpse haven onder controle te kunnen houden.
Een tweede staaltje van datzelfde “ik een bietje meer as ouw” is de kwestie-Maastricht. Pas in 1843 werd het pleit beslecht in die zin, dat Nederland ‘uiteraard’ Maastricht behield, plus een gebied van 2½ km eromheen (de afstand van een kanonschot), plus de corridor vanaf Roermond naar Maastricht die eerder al door België was bezet. Dat verklaart de vreemde wormvormige uitstulping van het Koninrijk der Nederlanden aan de zuidoostzijde. Was Brabant door de Belgische onafhankelijkheid al gesplitst in Noord-Brabant en Vlaams-Brabant (met de provincie Antwerpen ertussen, maar dat hebben de Fransen in 1795 gedaan om administatieve redenen), zo werd ook de provincie Limburg gedeeld in Belgisch en Nederlands Limburg met de Maas als grensrivier, behalve rond Maastricht vanwege de kanonskogels uit die garnizoenstad.

Bij die twee provinciesplitsingen zou het niet blijven: ook de provincie Luxemburg moest eraan geloven. KW-I, II en III beschouwden het oostelijke deel, het huidige groothertogdom, zo’n beetje als hun buitenverblijf, een soort Camp David of Castel Gandolfo. Na de Belgische onafhankelijkheid bleef het in een personele unie met Nederland verbonden tot 1890 en konden de Belgen ernaar fluiten. Willem-III had het zo druk met al zijn beschamende strapatsen dat hij verzuimde een mannelijke troonopvolger na te laten, zodat de in Luxemburg vigerende Salische Wet de troon liet overgaan op een mannelijke groothertog. Bovendien hadden zowel Frankrijk als Pruisen al, naar we mogen aannemen om economische redenen, zitten trekken aan het ogenschijnlijk weinig waardevolle ministaatje, maar uiteindelijk waren de Luxemburgers al dat getouwtrek zat en onder het motto “Mir wölle bleiwe wat mir sin” (“We willen blijven wat we zijn”), bezegelden en koesterden ze hun onafhankelijkheid van Nederland en uiteraard ook van België.
Dat ze de Nederlandse vlag behielden, zij het met een wat verbleekte blauwe baan, lijkt historisch gezien een onjuiste aanname te zijn. En de poging het Luxemburg provinciewapen tot nationale vlag te maken (waarmee ze een vlag zouden krijgen die verdacht veel lijkt op de provincievlag van Zeeland waarbij de half verdronken leeuw helemaal boven water is; zie het tweede wapen van rechts in onderstaand Belgisch wapen) maakt vooralsnog ook geen kans.
Wat willen ze eigenlijk blijven wat ze zijn? Wat zijn ze eigenlijk wat ze willen blijven? Hun devies komt al even oninterpreteerbaar en loos over als de wapenspreuk van het verdeelde België: “Eendracht maakt macht / L’union fait la force” of het “Je maintiendrai” van het huidige Nederland. Wat valt er te maintiendreren? Frans als voertaal in Nederland? De hebberige, krijgshaftige periode van KW-I, II en III? De VOC-mentaliteit van Balkenende? De tijd van Drees, Fortuyn of Rutte?


Drie verscheurde provinciën maakten in de loop van de 19e eeuw deel uit van de trieste balans van de jonge Belgische natie, die vervolgens nog eens intern verdeeld raakte in een Vlaams, Waals, Brussels en Duitstalig deel, gemankeerd door het verlies van Zeeuws- en Frans Vlaanderen, en de helft van de provincies Limburg en Luxemburg. Een beetje projectontwikkelaar zou een andere blauwdruk hebben gepresenteerd, zeker als je beseft hoe schril het armlastige Wallonië afsteekt bij het welvarende Luxemburg.
Dat heet bij onze zuiderburen “het verdriet van België”. Daarover volgt nog wel een apart bericht, in het bijzonder over de markante situatie in Martelange/Rombach.

_________________________________
Vorige artikelen: BELGIË SPOORT NIET en EEN KERNCENTRALE ALS DOEL