De band lek

In aanvulling op en ter verduidelijking van wat ik in een eerder artikel heb bijeengeschreven over de datief, wil ik hier even stilstaan bij het proefschrift van Cornelis van Bree uit 1981, getiteld “Hebben-constructies en datiefconstructies binnen het nederlandse taalgebied”. Een werk dat om een aantal redenen de moeite van het beschouwen waard is.

Hij hangt een groot deel van zijn studie op aan een tweetal zinnetjes, zinstypen bijna:

(1) Ik heb de band lek
(2) De oren zijn hem bevroren.

Van het eerste type stelt Van Bree dat het correspondeert met wat Den Hertog1) een ‘bepaling van gesteldheid van de tweede soort’ noemt, een dicht tegen het naamwoordelijk deel aanschurkende bepaling. Ik vermeld wel even met nadruk dat Den Hertogs tweedeling van de bepaling van gesteldheid een andere is dan die we bij Van den Toorn2) aantreffen. De band lek is in termen van Van den Toorn een bepaling van gesteldheid van de eerste soort, de zgn. predikatieve toevoeging.

Van het tweede type stelt Van Bree dat er sprake is van een possessieve datief (PD). Die komt geheel overeen met wat in mijn eerdere artikel als 4e gebruiksmogelijkheid staat genoemd: Nu is me de buit ontglipt.

Van Bree beweert, in zijn 3e stelling, dat beide constructies (dus: bv. Ik heb de oren bevroren naast De oren zijn me bevroren), ondanks allerhande overeenkomsten door de tijd heen zowel als in de geografische spreiding toch moeten worden beschouwd als essentieel verschillende constructies. Ik ga hier niet dieper in op zijn motieven die tot die stelling hebben geleid.

Een groot deel van zijn onderzoek betreft de taalgeografische spreiding van de diverse vormen en vormvarianten in het Nederlandse taalgebied. Daartoe heeft hij tal van enquêtes uitgevoerd die uitmondden in zgn. synthesekaarten: kaarten van het Nederlandse taalgebied, d.w.z. Nederland plus Belgisch- en Frans-Vlaanderen, met als zuidgrens een lijn die grofweg horizontaal loopt van Duinkerken tot Maastricht. Een voorbeeld van dergelijke kaarten heb ik gepresenteerd in mijn artikel over spijbelen. Op die kaarten heeft hij ingetekend waar in welke frequentie een bepaalde vorm voorkomt/acceptabel wordt geacht. Om redenen van copyright beeld ik daarvan hier geen voorbeeld af.

Wat we wel kunnen constateren is dat genoemde zinstypen als (1) en (2), als ook zinnen van het type (3) Hij kocht zich een boek het meest frequent voorkomen in een sikkelvormig gebied dat loopt van de Waddeneilanden, eventueel met inbegrip van de kop van Noord-Holland, langs de oostgrens tot in Limburg en dan verder langs de zuidgrens tot in Frans-Vlaanderen. Eigenlijk dus overal in de Nederlanden behalve in het overgrote deel van Noord- en Zuid-Holland, Utrecht en Zeeland, kortom in de gebieden die de bakermat van het ABN vormen. Dat verklaart dan ook dat veel van de besproken zinsvormen en -varianten door randstedelingen als ‘vreemd’, ‘dialect’ of nog iets subjectiever ‘provinciaals’ worden beschouwd. Alhoewel: zinnen als Ik heb er de buik vol van (type 1), Nou breekt me de klomp (type 2) en Hij wist zich geen raad (type 3) lijken mij toch allerminst wendingen die zijn voorbehouden aan plattelanders of Belgen.

Aan het einde van zijn proefschrift maakt hij ook melding van vergelijkbare enquêtes in het aan Nederland grenzende westelijke Duitse taalgebied en in het zuidelijk van de Vlaamse gebieden gelegen Franse taalgebeid, dus het Waals en het standaard-Frans. Dat laatste is voor mij weer heel interessant. Weten dat J’ai le ventre vide (“Ik heb de maag leeg”) en J’ai les poches pleines (“Ik heb de zakken vol”) zeer gangbaar Frans zijn, evenals het 2e zinstype: Je lui ai cassé le bras (“Ik heb hem de arm gebroken”) en La barbe lui pend jusqu’à terre (“De baard hangt hem tot op de grond”) is voor mij zinvolle informatie. Education permanente, zogezegd, al is die term eerder Waals dan Frans.

Het proefschrift van Cor(nelis) van Bree, dat tot mijn verbazing niet vermeld staat bij dbnl.org, is sporadisch nog wel antiquarisch te vinden. Zoals voor alle dissertaties geldt: een lekkernij voor wie er zich heel grondig in wil verdiepen.

___________________________________________
Noten:

1) Hertog, C.H., den, Nederlandsche Spraakkunst. Amsterdam :  W.Versluys. 2e druk 1903. Eerste stuk: De leer van den enkelvoudigen zin, p.125 e.v.
Ook te vinden in Hertog, C.H., den, Nederlandse Spraakkunst. Inl. en bew. door H. Hulshof. Amsterdam :  W.Versluys. 3e bewerkte druk 1973. Eerste stuk: De leer van de enkelvoudige zin, p.125 e.v. (ISBN 9024907209)

2) Toorn, M.C. van den, Nederlandse Grammatica. Groningen : Wolters-Noordhoff. 9e herziene druk 1984, p.48 e.v. (ISBN 9001869971)

Datief / Dativus

Merkwaardig. Terwijl Nederlanders, Engelsen, Fransen, Italianen en Spanjaarden ervan schijnen te gruwen en dan nog liever voorzetsels gebruiken, zijn sprekers van Duits (een beetje) en van Slavische talen (een heleboel) er tuk op: het gebruik van naamvallen. Hier even een poging de dativus in ere te herstellen, want we zijn er in het Nederlands nog lang niet van af.

Sinds de oudste Nederlandse grammatica’s voor zinsontleding is in feite elke datief gekoppeld aan het “meewerkend voorwerp”, MV; evt. “belanghebbend voorwerp”, BV. In feite is dit weinig elegant.
Vanuit het Latijn bestaan er zeker negen gebruiksmogelijkheden van de dativus, waarvan alleen eentje (dativus commodi) een echt MV is. Daardoor kun je in problemen komen voor de klas, namelijk wanneer er een ander soort datief staat die je toch als MV moet benoemen, maar alle proeven mislukken. Vandaar even een overzichtje, dan ben je gewaarschuwd.

  • 1. Dativus na een voorzetsel
    In het Nederlands regeren alle voorzetsels tegenwoordig de 4e naamval (accusatief), behalve het voorzetsel te (te zelfder tijd; ten kantore van,…).
  • 2. Dativus commodi / incommodi
    Hiermee wordt de bevoordeelde/benadeelde partij aangeduid, dus de ontvanger of belanghebbende. Geef mij dat boek even. Vertel mij dat eens, enz. Onder omstandigheden kan/moet deze datief worden voorafgegaan door aan of voor
    Dit is in feite het echte meewerkend/belanghebbend voorwerp.
  • 3. Dativus ethicus
    Geeft de persoon aan die bij de zaak betrokken is. Dat was me wat, Maak het me niet te moeilijk, enz. Toevoeging van aan of voor is niet steeds mogelijk.
  • 4. Dativus possessivus
    Geeft de eigenaar aan van een elders genoemde entiteit:

    Hij haalt me het vel over de oren →  Hij haalt mijn vel over de oren.
    Het is me tot genoegen afgehandeld → Het is tot mijn genoegen afgehandeld.
    Nu is me de buit ontglipt → Nu is mijn buit ontglipt.
    In feite is dit dus een variant van een constructie met een genitief/bezittelijk voornaamwoord. Komt veel voor in het Nederlands, maar de MV-proeven werken niet.
  • 5. Dativus iudicandis
    Geeft de persoon aan die over de gebeurtenis een mening heeft, te parafraseren met “wat mij betreft” of iets dergelijks:

    Dat eten is me te zout. (wat mij betreft)
    Dat komt me erg vreemd voor. (naar mijn oordeel)
    Het wordt me te gortig. (naar mijn mening)

Dan zijn er nog Latijnse en Griekse datieven die we, bij mijn weten, in het Nederlands niet gebruiken. Berucht is het Latijnse: Mihi domus est → “Aan mij is een huis” Ik heb een huis.
Volgens mij is deze gebruiksvorm in het Nederlands onbekend, tenzij misschien in dialecten.

Hetzelfde geldt voor de dubbele datief, de zgn. dativus finalis:
tibi laetitiae → “voor jou tot vreugde” → om jou een plezier te doen.
Waar het Duits nog evt. kan zeggen “Er lebt nur seiner Arbeit, moeten we in het Nederlands een voorzetsel gebruiken: Hij leeft slechts voor zijn werk.

Compleet is dit overzicht niet. Zoek maar verder in de ANS, bij Van den Toorn, bij Den Hertog, bij Wikipedia, via Google. En lees op deze weblog de aanvulling in het artikel De band lek.

Ook interessant: 

  • F. Balk-Smit Duyzentkunst, Het meewerkend voorwerp. Een grammaticale vergissing. Verschenen in Levende Talen 243 (1968), p.5-12.
  • M. van den Toorn, Enkele opmerkingen over het indirect object. Verschenen als reactie in Levende Talen 274 (1971), p.32-40.
  • Beide artikelen zijn ook te vinden in H.Hulshof, Transformationeel-generatieve grammatica in artikelen (1975), p.281-309.