Roofkunst

Ik ben van plan volgende maand een bezoek te brengen aan Vukovar, de herrezen stad in Oost-Kroatië, door de Donau gescheiden van Servië. Maar omdat je een reisverslag beter achteraf kunt maken dan vooraf, heb ik nu ruim de tijd voor enkele bespiegelingen over de Balkanproblematiek. En die is niet zo simpel, met maar matige dank aan alle media en propaganda en een oorverdovend gebrek aan historisch besef.

In dit kader zal het me niet lukken die problematiek eventjes afdoende uit de doeken te doen. Ik licht er dus maar een en ander uit.

Allereerst: mijn motief om naar Vukovar te gaan heeft niks te maken met Kroatië, noch met Servië, noch met hun niet-bestaande banden van innige vriendschap. De trip is puur bedoeld om het boek van Corsini met de inscriptie van frater Barnabas Cronfeld terug te bezorgen op de plek waar het thuishoort. Net als roofkunst behoor je objecten een definitieve plek te geven op de meest authentieke plaats van herkomst, en dat is in dit geval de Franciscaner orde in Vukovar. Per slot van rekening was het boek bij de communistische machtsovername in 1951 met alle bezittingen van religieuzen en rijken geconfisceerd en daarna werd al die buit verdeeld over publieke sectoren zoals bibliotheken; voor de rest werd het geschonken of voor een zacht prijsje verkocht aan antiquairs, in dit geval in Boedapest. Via een enorme omweg heb ik het nu hier voor mijn neus liggen en ik ga 3.000 kilometer rijden om het weer terug thuis te brengen – via PostNL gaat het ongetwijfeld spoorloos verdwijnen.
Maar kijkend naar Kroatië en Servië gaan er bij mij allerhande zwaailichten branden.

Laat ik beginnen met de ‘publieke opinie’ in Nederland, en in mindere mate ook Frankrijk: er lijkt een overwegend algemeen idee te bestaan dat Serviërs niet deugen en dat men van Kroaten niets afweet. Zo onterecht als dat ook moge zijn, het heeft zijn verklaring, maar daartoe dient enig historisch besef. Doordat het kortetermijngeheugen bij tal van mensen overheerst, is dat wel begrijpelijk. Milošević, Mladić, Karadzić, Srebrenica hebben, zeker in Nederland, weinig bijgedragen aan de positieve beeldvorming rond Servië.

Nu wilde het toeval dat ik, als vrijwiller actief bij het WK ijshockey van 2010 in Tilburg, werd aangewezen als host van het Servische team. Vermoedelijk omdat ik de enige leek te zijn die wat Tsjechisch sprak en alles is één pot nat. Maar Servisch en Tsjechisch verhouden zich ongeveer als Nederlands en Zweeds, who cares. Misschien speelde ook mee dat niemand anders er ook maar iets voor voelde om van 19-25 april 2010, 24 uur per dag/nacht te worden opgezadeld met een stel Serviërs. Zij arriveerden op een ongelukkige wijze: door de vulkaanuitbarsting op IJsland vlogen er geen vliegtuigen en moest het hele team drie dagen lang in een gammele bus de reis van Belgrado naar Tilburg doorstaan. In zekeren zin maakte dat hen al sympathiek. Mijn contacten met hen, in slecht Engels en slecht Tsjechisch verliepen verder uiterst hoffelijk, praktisch, en uiteindelijk ook wel een beetje amicaal. Ik mocht, nee: moest, met hen op de obligate officiële IIHF-groepsfoto, helemaal links, tot mijn afgrijzen getooid in het verplichte oranje shirt.

Ik had me voorgenomen het met die Serviërs nou maar niet te gaan hebben over politiek, over bepaalde gevoelens in Nederland, Joegoslavië-tribunaal, Kroatië, Bosnië, Kosovo, Milošević, Mladić, Karadzić, Srebrenica, … Het leken me vrij vervelende onderwerpen tijdens een sporttoernooi. Zijn sport en politiek niet gescheiden (???). Maar tot mijn grote verrassing begonnen ze er meer dan eens zelf over, zo maar aan tafel, op het terras, aan de tap. Degraderen zouden ze toch wel, dus waarom niet een paar pilsjes extra. En nooit op verontwaardigde of oververhitte toon, maar steeds opvallend rustig, ongeëmotioneerd en vooral ook vragend. Enkelen van hen hadden tijdens de oorlogen van de afgelopen tien jaar zelfs in het Servische leger gediend, maar een verwijt richting Nederland, de NAVO, het Westen, klonk er niet. Ik vermeed de vraag wat ze in die tijd allemaal hadden uitgevroten. En wat er zich in Srebrecica had afgespeeld bracht ik om de lieve vrede maar niet ter sprake.

Wel uitten zij veel onbegrip. Bijvoorbeeld over waarom de NAVO alle bruggen van Novi Sad en Belgrado over de Donau met precisie kapotbombardeerde, terwijl in de jaren daarna die bruggen weer konden worden herbouwd dankzij Westerse financiële steun. De 10-jarige herdenking daarvan in 2009 was net achter de rug; zat dus vers in hun geheugen. Op het aanplakbliljet staat boven het prikkeldraad naast de 10 vingers van de bebloede handen: “[10] JAAR NA NATO BEZETTING”.
Was het niet economischer en menslievender geweest dan maar niet te bombarderen, maar te investeren in iets heilzamers, vroegen zij zich af. Of, ander voorbeeld, hoe het toch kan dat er in heel wat Westerse landen anti-islamtendenzen floreren (denk aan de voorgestelde kopvoddentaks in Nederland, het burqaverbod in Frankrijk, voorstellen voor immigratiestops in diverse landen, weerstanden alom tegen het Turkse lidmaatschap van de EU), terwijl datzelfde Westen in het Servisch-Bosnische conflict bijna zonder uitzondering de kant koos van de Bosnische moslims en de (christelijke) Serviërs te boek kwamen te staan als oorlogsmisdadigers en onbetrouwbare schurken. Want ze bleken van al die geluiden zeer goed op de hoogte te zijn. Ik kon het ze allemaal niet verklaren, want ik ben niet de stem (van de heffe) des volks of van Wakker Nederland. Als iemand ze al crimineel wil noemen, tijdens dit WK-toernooi bewezen ze het tegendeel.

Dat wil allerminst zeggen dat ik een Servië-vriendje ben geworden, ook al eet ik nu al tien jaar lang op de place mat die hun spelersbank markeerde. Met alles wat er tussen 1989 en 2008 gebeurde is er weinig mogelijkheid vriendschappen te sluiten, zo hectisch, onoverzichtelijk en vooral dramatisch als de zich steeds wijzigende situatie ontwikkelde. Bezie alle verschuivingen in bijgaande gif-animatie van driekwart minuut:

Maar ik had het over historisch besef, liefst over een wat langere periode. Zoals Nederland rond 75 jaar bevrijding nog heel wat herinneringen boven tafel weet te krijgen en wonden nog lang niet blijken te zijn geheeld, zo herinnert de doorsnee Serviër zich nog hoe in WO-II Kroatië, aan de zijde van nazi-Duitschland en Italië, circa 1 miljoen Serviërs, joden en Roma en anderen de dood in joegen. Daarmee maak je geen vriendjes. Het artikel in HP-De Tijd uit 2016 (helaas met die afgrijselijke, maar onuitroeibare haar-fout in de kop!) geeft een kort, maar bondig inkijkje in die complexe situatie.

Nog iets verder terug kom ik dichter bij huis, namelijk in 1636, toen ‘de Kroaten’ door de streek hier rond Rosoy trokken en daar een spoor van vernielingen trokken, op weg van het Alpengebied noordwaarts via Boxmeer tot in Sleeswijk-Holstein. Een zogenaamde godsdienstoorlog, maar die was net zo min godsdienstig van aard als de kruistochten en de Ulster-gevechtsperiode het niet waren.
Wat er zich in 1636 in het hier nabije Hortes afspeelde aan verwoestingen, brandstichtingen, plunderingen; aan het verkrachten (van vrouwen), uitmoorden (van mannen) of beide (kinderen), heb ik omstandig beschreven, zoals ook veel andere bronnen eraan herinneren, tot de Kroatenstraße in Kevelaer aan toe.

Dat het om Kroaten ging, moeten we overigens wel met een korrel zout nemen; vermoedelijk betrof het eerder een zootje ongeregelde huursoldaten van allerhande snit en allooi, waaronder zich Kroaten bevonden, maar zij zijn het die er in de volksmond hun naam aan hebben verleend. Ook daarmee maakten ze geen vrienden.

Ik ben geen Servië-vriendje geworden. Evenmin ben ik Kroatië-vriendje, ook al hebben ze de Nederlandse vlag met iets als de rood-wit geblokte Brarants-bontvlag van Noord-Brabant in de witte middenstrook. Meer dan symboolpolitiek is dat allemaal niet.

Misschien ben ik af en toe behoorlijk rancuneus, maar het gevaar van generalisatie ligt op de loer.
Als ik dus over een paar weken, mits alles goed gaat, Kroatië binnenrijd, probeer ik al dat soort gedachten even terzijde te kunnen schuiven. Ik ga erheen om een object van roofkunst terug te bezorgen naar waar het thuishoort.

Wat ik dan verder allemaal nog tegenkom, vertel ik wel na afloop.

 

Corsini Institutiones

In 1743 publiceerde Eduardo (of Odoardo) Corsini een zesdelige reeks Institutiones Philosophicæ ac Mathematicæ, waarvan ik het zesde deel in handen kreeg. Uitgegeven in Venetië en geheel in het Latijn gesteld. Aan dit exemplaar zitten nogal wat bijzonderheden vast, die ik eerst maar zal bespreken voor het over de staat van het boek en eventuele restauratie te gaan hebben.

 

Het schutblad voorin is al ‘opgesierd’ met enkele inscripties: enkele nummers die vermoedelijk verwijzen naar een bibliotheeksignatuur en ter verduidelijking een ‘samenvatting van de inhoud’, handgeschreven door een voormalige eigenaar van het boek: Sextus Tomus Complectitur Cognitionem Geometricam, oftewel: Deel zes bevattende de kennis der meetkunde.
Dat blijkt ook overduidelijk uit de acht prachtige, uitvouwbare bladen achterin met geometrische figuren, zowel van de vlakke meetkunde als van de stereometrie.

Op de bladspiegel van de titelpagina zien we links, in hetzelfde handschrift als op de pagina ervoor, een interessante mededeling: Fr. Barnabas Cronfeld acquisivit a N.V.P. Andrea ab esse A° 1760, d.w.z.: Fr[ater] Barnabas Cronfeld verwierf [dit boek] van N.V.P. Andrea in het jaar 1760.
Dat roept meteen drie vragen op:
1. Wie is Barnabas Cronfeld?
2. Wie is de genoemde Andrea?
3. Wat betekent N.V.P.?

Een vierde vraag volgt uit het stempeltje rechts onder op het titelblad, waarvoor we beter even kunnen omslaan. Dan zien we bijgaande tekst.
Nu is Hongaars, met Fins en Ests, lid van een taalgroep die ik allerminst beheers, maar ik zag wel dat het Hongaars moest wezen. Omdat zelfs Google mij niet kon helpen, ging ik te rade bij de Nationale Staatsbibliotheek in Boedapest, zeg maar de Hongaarse KB.
Zes dagen later kreeg ik uitvoerig antwoord waaruit in elke geval bleek dat de Népkönyvtári Központ (“Volks Boekencentrale“) niet echt een bibliotheek was, maar een opslagplaats voor boekwerken waarin zich van 1954-2000 boeken bevonden die afkomstig waren uit “the private collections of noble families and other collections (e.g. ecclesiastic)“.
Népkönyvtári Központtol, zoals de stempel vermeldt, betekent: “[Eigendom] van de Volksboekencentrale”, want het Hongaars kent geen voorzetsels zoals wij, maar gebruikt daarvoor affixen die achter het bijbehorende woord worden geplakt.

Het staat er niet met zoveel woorden, maar het moet hier gaan om onteigend bezit van rijke families en kerkelijke instanties die na de oprichting van de communistische Volksrepubliek Hongarije in 1945 hun bezittingen genaast zagen. In de loop der jaren werden die boeken verdeeld over diverse staatsbibliotheken in het land en wat ze niet op die manier kwijt konden, ging naar antiquariaten die het kregen of opkochten. Zo zal dit zesde deel van Corsini wel bij een tweedehands boekwinkel in Boedapest terecht zijn gekomen en daar door een van mijn familieleden in 1987 zijn aangeschaft.

Maar dan vraag 1, 2 en 3.
1. Goed dat we internet hebben, al lost dat niet alle vragen op.
Barnabas Cronfeld (ook wel Kronfeld geschreven) was een Franciscaaanse monnik, geboren in Tirol in 1730 die in een klooster in Boeda[pest] terecht kwam en van daaruit als leraar zuidwaarts trok, tot zeker 300 km onder Boedapest, waar hij les gaf in de Franciscaanse kloosterschool van Vukovar (Kroatië); vermoedelijk ook nog in het iets noordelijker gelegen Sombor, in het huidige Servië. Uiteindelijk stierf hij op 13 september 1788 in een nabijgelegen Franciscaans klooster in Mohács, Hongarije. Alle genoemde plaatsen liggen aan de Donau, dus hij kon het per boot af.
Ik houd het maar kort, want per slot van rekening gaat dit artikel over Corsini, of liever gezegd, over een boek van Corsini. Maar Cronfelds omzwervingen zeggen wel iets over de Centraal-Europese geschiedenis en geografische verhoudingen van de 18e eeuw, en neem ik aan dat het boek na de Tweede Wereldoorlog vanuit Mohács in communistische staatshanden te Boedapest terecht is gekomen.
Ik zal nog een apart artikel aan hem wijden als ik meer informatie heb weten te vergaren.

2. Over Andrea kan ik kort zijn. Ik weet het (nog) niet. Vermoedelijk een collega-monnik/priester die hij in een van de kloosters ontmoette en hem het boek verkocht of na zijn dood naliet. Ik hoop ook over hem, net als over Cronfeld, op termijn meer te weten te komen.

3. De toevoeging N.V.P. kan daarover wellicht meer vertellen, maar ook dat is voor mij vooralsnog een duistere melding. Ik kom niet verder dan iets als “Nostro Venerissimo Pater” (“Onze eerwaarde vader“), maar ik zuig dat uit mijn duim.

Aan degene die mij aan een verantwoorde verklaring van
deze afkorting N.V.P. kan helpen, verleen ik 300 dagen
aflaat (met aftrek van voorarrest).
Ook is een hint welkom als ik niet
goed heb gekeken,
en er niet N.V.P. staat, maar iets anders.
Deze kwestie is inmiddels opgelost. Ik zal er een vervolgartikel aan wijden;
dat geldt ook voor de vragen 1 en 2.

Komen we dan eindelijk toe aan het boekje zelf.
Eerst aan de inhoudelijke kant. Wat mij als bèta frappeert is dat het de gehele (Euclidische) vlakke meetkunde en de stereometrie behandelt, zoals die mij voortreffelijk is onderwezen van klas Gym-I (Pater Minderop!) tot en met klas Gym-VIß (Toon Pels!). Dat alles in lange, Latijnse volzinnen en met heldere afbeeldingen achterin op acht uitvouwbare bladen. Boeiend en getuigend van hoge kwaliteit. Maar wat moeten die Venetiaanse Wiskundestudenten (12-18 jaar?) er wel niet voor over hebben gehad, allereerst door vloeiend Latijn te moeten kunnen lezen, en dan ook nog eens zich door ellenlange zinnen te moeten worstelen.
Ik citeer maar even de allereerste zin van het voorbericht aan de Geometris Adolescentibus, de Wiskundejeugd. Daar lezen we:

Geometris adolescentibus.
Etsi pro rei dignitate, sive recepto jam more plura de Mathematicæ facultatis origine, partibus, præstantia, ac methodo qua vel a ceteris pertracta, vel adornata a me fuerit, paullo inferius præfari decreverim, juverit tamen aliqua vel obiter hic admonere, ut clarior vobis, atque facilior aditus, Geometræ Adolescentes, ad hæc elementa aperiatur, atque ut alacrius etiam ad hoc amplissimæ, præstantissimæque disciplinæ studium vester animus incendatur.

Het lukt mij niet eens daarvan een verantwoorde Nederlandse vertaling te geven, en Google Translate komt helaas niet verder dan deze schamele poging:

Geometris jongeren. Hoewel ik beschouw het als speciale waardigheid van, of is ontvangen, het is meer een aantal van de wiskunde van de faculteit naar de oorsprong, de partijen, is het opvallend veel, en de wijze waarop en uit de andere het voor uw goed is, of opgewerkt van mij, dan, een beetje later bij wijze van inleiding heb ik besloten om juverit echter dat sommige of door de manier waarop, is hier om ons eraan te herinneren, toen het ook je geworden, en gemakkelijker te krijgen, voor wiskundigen en de jonge, de elementen kunnen worden geopend om deze dingen te doen, en dat hij zou met de meer enthousiasme, zelfs voor deze meest eerzame mensen, en excellentie zal toenemen tot de studie van de discipline wordt in brand gestoken.

Fi donc! Daar schieten we dus niks mee op, maar of het Venetiaanse pubers werkelijk in studiezin heeft doen ontvlammen, kan ik niet bevestigen.


Wie mij aan een verantwoorde Nederlandse vertaling van die zin kan helpen, dingt mee naar een enkele reis naar de top van de Olympus, samen met Floortje en Erica-op-reis
.

Voortreffelijk boek, ondanks alles. En voortreffelijk onderwijs moet het zijn geweest zo rond 1743 in Noordoost Italië en omstreken.
Dan de buitenkant van het boek en de toestand waarin het zich althans bevindt.
Het is in feite een goedkoop uitgevoerd schoolboekje. Leerlingen zaten niet te wachten op onbetaalbare luxe edities, in perkament gebonden en in meerkleurendruk uitgevoerde boekbanden. Vergelijk het liever met eenvoudige pocketjes, Aula’s, Livres de Poche, met een slappe kartonnen omslag die met twee touwen aan het boekblok zijn bevestigd en waarvan de katernen, uiteraard handgeschept papier, maar zonder zichtbaar watermerk, met vier dunne steken aan elkaar zijn genaaid. De binding is desondanks nog steeds acceptabel, soms een beetje wijkend, maar dat is onvoldoende reden om het geheel uit elkaar te helen en opnieuw te binden. Houtwormen hadden er, begrijpelijk, geen trek in: slechts twee minuscule gaatjes aan de rand van het voorplat zijn er te ontwaren. Voor een zo simpel uitgevoerd pocketje ziet het er nog na ruim 275 jaar en een omzwerving van Venetië, via Vukovar naar Boedapest, vandaar naar Eindhoven, Boxmeer en Rosoy-sur-Amance nog opvallend fris en aantrekkelijk uit.
Van de oorspronkelijke Venetiaanse oplage is mij niets bekend, maar gezien het feit dat het op internet nauwelijks te koop wordt aangeboden, en er voor de complete reeks van zes delen grif tussen de € 600 en € 1.200 wordt gevraagd, gaat het intussen om een zeldzaam boekwerkje, dat bij verkoop van alleen deel 6 zeker ruim € 100 moet opbrengen. Naast een bibliografisch oninteressante herdruk uit 2012 (ISBN 978-1273773822) zul je er maar met moeite aan kunnen komen.

Mijn besluit: niets aan restaureren, het gewoon laten in de staat waarin het zich bevindt met alle interessante inscripties van dien. Iets om te koesteren.

__________________________________________________________________________
Dit artikel is een voorbeschouwing van mijn restauratieverslag van het boek van Paul Tannery: Pour l’histoire de la science hellène.