Door het oog van de naald

Het was meer list dan baraet waarmee het ons is gelukt mijn Reinaertlezing van 11 maart in de bibliotheek van Boxmeer doorgang te hebben kunnen laten vinden. Immers, alle activiteiten daar waren die ochtend nog voor onbepaalde tijd opgeschort of geannuleerd, maar door vakkundig gesoebat van de betrokken organisatie maakte de bieb voor deze keer nog eenmaal een uitzondering. Niet meer dan 20 mensen en een meter uit elkaar en daarvoor en daarna maar goed handen wassen (en zeker niet schudden).
Bijkomend voordeel was dat ik mijn verhaal niet hoefde af te raffelen, want de geplande erop volgende activiteit was geschrapt. Dus kon ik wat meer details melden en was er voldoende tijd voor vragen en antwoorden na afloop.

Zoals ik een week daarvoor HIER al had aangekondigd spitste ik het verhaal toe op twee vragen: wanneer en om welke reden werd de Vlaamse Van den vos Reynaerde eigenlijk geschreven, en de vraag hoe het mogelijk is dat dit dierenepos nu al zeker 750 jaar binnen en buiten Vlaanderen en Nederland populair blijft en steeds weer wordt aangepast aan de gevoelens en behoeften van de tijd en het publiek.

Wij weten niet van de hoed en de rand als het gaat over de omstandigheden waaronder Willem zijn Reinaert schreef (ik schrijf zelf steeds Reinaert; anderen prefereren Reynaert of Reynaerde; maakt niet uit). We weten wel dat hij putte uit de 12e-eeuwse Franse Roman de Renart, een compilatie van op zich staande branches, verhalen, die op hun beurt weer bewerkingen zijn van nog veel oudere dierverhalen en fabels. In die zin kun je het vergelijken met de Arabische Vertellingen van 1001-nacht. Dat Willem die Franse bron hanteerde, blijkt overduidelijk uit de inhoud met passages en motieven die ook in de Franse voorloper staan, maar ook uit het feit dat al in regel 8 van zowel het Comburgse als het Dyksche handschrift klip en klaar staat dat deze Dietsche tekst uit de Walsche (=Franse) bron afkomstig is.

Het grote verschil is, dat ‘onze’ Reinaert vele malen scherper, cynischer, satirischer is dan eerdere vossenverhalen, waaruit ik afleid dat er iets moet hebben gespeeld waarmee de tekst de draak steekt, de vloer aanveegt, geëngageerd is. Maar wat en wie precies op de hak wordt genomen blijft vooralsnog een raadsel.

Hebben we het over de tweede vraag dan valt er een en ander in het oog.
Wat Van den vos Reynaerde met Multatuli’s Max Havelaar gemeen heeft, is niet alleen dat deze twee werken tot de absolute top van de Nederlandse literatuur behoren, maar ook dat het juist deze twee zijn, en geen andere voor zover ik weet, die een buitentekstuele uitzaai hebben beleefd. Aan de Max Havelaar hebben wij de Max-Havelaarkoffie overgehouden, welk keurmerk later nog is uitgebreid met de toevoeging FairTrade, waardoor je nu bijvoorbeeld in Nederland Max Havelaar kinderbananen kunt kopen, en ik onlangs in Langres bij de fruitafdeling Max Havelaar bananen zag liggen uit Ivoorkust.

Rond de Reinaert is de buitentekstuele doorwerking nog veelzijdiger: toeristische routes, Reynaertbier, Reynaertgebak en -bonbons (waarvan ik er een stel daags tevoren in Sint-Niklaas was gaan ophalen), standbeelden, glas-in-loodramen, grafische kunst, banken, bomen, horecagelegenheden, winkelcentra, campings, alles met verwijzingen naar het overbekende verhaal, vooral in het Waasland, zeg maar binnen de driehoek Gent-Hulst-Antwerpen.

Blijven we binnen de tekst, dan wil ik de vergelijking maken met een zevensnarige viool of gitaar. Daarop kun je ontelbare en zeer verschillende composities ten gehore brengen door de ‘melodie’, het accent te leggen op een of meer van de andere snaren, of door een of meer snaren juist NIET te bespelen. Zo zal een Roomsch-Katholieke Reinaertbewerking minder antiklerikaal zijn en al helemaal minder erotisch, wat natuurlijk ook speelt in bewerkingen voor kinderen.

De bovenste, rode snaar is de verhaallijn. Die moet altijd aanwezig zijn, in welke bewerking dan ook. Een soort basso continuo, maar dan anders. Van de overige snaren geldt: bespeel precies die snaren waarmee je het publiek het beste kunt bespelen, want ieder tijdperk en ieder publiek krijgt de Reinaert die het verdient; ik kan het niet vaak genoeg zeggen.

In mijn 11-maartlezing maakte ik dat in extremis duidelijk door na de pauze de uitzonderlijke, maar technisch voortreffelijke kleurenanimatiefilm Van den Vos Reynaerde uit 1943 te berde te brengen naar het gelijknamige boek van Robert van Genechten uit 1941 met zijn antisemitische inslag, gepersonifieerd door Jodocus het neushoorndier, en daarna, per saldo niet minder grimmig, de Suske en Wiske De rebelse Reinaert uit 1998 met zijn ondertoon van de kwestie Marc Dutroux. Daarvoor moet je wel goed zijn ingevoerd in de Belgische ministeriële en justitiële perikelen eind jaren-’90, en moet je goed in de gaten hebben dat die strip verscheen nog voor het grote proces-Dutroux plaatsvond (2004), maar nadat hij voor eerdere vergrijpen gevangen had gezeten maar vervroegd was vrijgekomen (1992). Zo nauw luistert het dus bij de datering van een literair werk.

Wat beide Reinaertbewerkingen gemeen hebben, is dat het sterk geëngageerde werken zijn en dat Reinaert op de een of andere manier naar voren komt als de volksheld, de patriot die het gezag tart en schoon schip wil maken met (al dan niet vermeende) misstanden.

Een paar dagen geleden sprak ik hier in de buurt een hoofd der school (die nu dus ook een paar weken verplicht verlof heeft) die me vertelde nog nooit van de Roman de Renart te hebben gehoord. Hij was de eerste Fransman die ik dat hoorde zeggen. Soit.

Voor alle Nederlanders en Vlamingen geldt: laat je de kans niet ontnemen door de Reinaert tot je persoonlijke standaaruitrusting te maken, in welke bewerking dan ook. Boekbewerkingen zijn er genoeg, en als je toch gedwongen thuis zit, struin internet dan maar eens erover af.

 

Reinaertlezing 11 maart

Op woensdag 11 maart houd ik in de bibliotheek van Boxmeer een lezing over Van den vos Reynaerde. Iedereen weet van dat verhaal wel iets, maar niemand weet er alles van. De officiële aankondiging van Biblioplus staat hiernaast afgebeeld.
De verwijzing daarin naar een virusbesmetting dateert van voor de uitbraak van Covid19, en berust dus op louter toeval.

De ware oorzaak van mijn Reinaertvirus ligt uitsluitend in de bevlogen colleges die ik als tweedejaars student in Amsterdam volgde van Frank Lulofs, een van de prominentste Reinaert-onderzoekers. Nadien is mijn grote interesse voor dit literaire werk alleen maar toegenomen. Samen met de Max Havelaar beschouw ik het als het beste wat de Nederlandse literatuur ooit heeft voortgebracht, en dat, in het geval van de Reinaert, al ruim 750 jaar lang.

De kracht van de Reinaert zit hem niet alleen in de literaire kwaliteit, maar ook op het vlak van Middelnederlandse taalkunde, op sociaal, moreel, juridisch en religieus vlak opent hij de ogen. En dat geldt niet alleen voor de ‘oorspronkelijke’ tekst, die we nog niet eens bezitten, maar ook voor de vele honderden bewerkingen die ervan zijn verschenen in binnen- en buitenland tussen medio 13e eeuw en vandaag de dag. Daarin zien we steeds de waardering van de vos zich aanpassen aan de tijdgeest en de geografische en sociale omgeving, zoals Niels Schalley dat in 2018 omschreef: “Schalkse deugniet, charmante losbol, nationalistische volksheld en hypocriet liegebeest. Reinaert is het allemaal (geweest)”. Kortom:

Ieder tijdsgewricht en ieder publiek krijgt de Reinaert die het verdient.

Ik passeer in die lezing met nadruk ook de NSB-animatiefilm uit 1943 en de Suske-en-Wiske strip De rebelse Reinaert (Dutroux!) om wat uitersten in de Reinaertevolutie van de afgelopen eeuw te demonstreren. En om de invloed van de Reinaert buiten de literatuur om te accentueren heb ik het ook nog over het onvolprezen Reinaertbier en kunnen deelnemers zich tegoed doen aan de befaamde Reynaertbonbons.

Bezoekers van de lezing krijgen vooraf de volgende achtergrondinformatie uitgereikt:

Vooraf aanmelden is prettig vanwege de benodigde voorbereidingen, maar niet strikt noodzakelijk. Als het niet te hard regent, ligt de bibliotheek op loopafstand van NS-station Boxmeer. Welkom dus en komt dat horen.

Lezing 7 november

Voor wie het nog niet uit andere berichten heeft vernomen: op dinsdag 7 november zal ik in de bibliotheek van het Cultureel Centrum De Weijer in Boxmeer een lezing gaan houden over La vérité et son image. Daarin zal ik allereerst het opvallend verband schetsen tussen Boxmeer e.o. enerzijds en Rosoy-sur-Amance e.o. anderzijds, maar verder vooral ingaan op de misère tijdens de Eerste Wereldoorlog aan het Noord-Franse front, vanuit één familie: de familie Parisot te Rosoy-sur-Amance.

Mijn motto is: ALLE OORLOGEN ZIJN VERGELIJKBAAR ZO NIET IDENTIEK, in het bijzonder als je ze weet terug te voeren tot het kleine leed dat de betreffende burgers overkwam, het kleine leed dat groter is dan de Grote Oorlog.

Dat geldt voor de Dertigjarige oorlog (1618-1648), de Eerste Wereldoorlog (1914-1918), de Tweede Wereldoorlog (1939-1945), en alle daaraan voorafgaande, daarop volgende en nog volgende oorlogen. Mijn rondgestuurde bericht over die lezing luidt:

Over een maand, op dinsdag 7 november, zal ik in de bibliotheek van Boxmeer een lezing houden over de Eerste Wereldoorlog, vanuit het perspectief van authentiek materiaal van één familie, namelijk de familie die woonde in de Franse boerderij in Rosoy-sur-Amance waar ik nu woon.

De lezing, vergezeld van lichtbeelden en te tonen objecten uit de periode 1914-1918, vindt plaats in het kader van de Biblioplus-activiteiten in het Land van Cuijk. Specifieke informatie daarover vind je op https://biblioplus.biblio-shop.nl/activiteiten/inschrijven/1629/presentatie-boeken-over-resp-30-jarige-oorlog-en-wo-i#.

In die lezing zal ik allereerst kort de relatie toelichten tussen Boxmeer en omgeving, en Rosoy-sur-Amance en omgeving. Daarvoor moeten we even terug naar de Dertigjarige Oorlog, toen zich rond 1636 in beide gebieden opvallend gelijkende gebeurtenissen, gruwelen en ellende voordeden.

Daarna betreed ik het onthutsende domein van de oorlogscorrespondentie tussen wachtmeester Eugène Parisot (1874-1962) en zijn vrouw Louis Millot (1875-1947) met hun kinderen Solange (1900-1997) en André (1909-1981). Vooral aan Solange heb ik te danken dat ik zo veel materiaal uit WO-I heb weten terug te vinden.

Omdat Eugène Parisot naast post die hij aan zijn familie schreef ook een zakboekje bijhield met zijn werkelijke ervaringen aan het front, krijgen we een uniek beeld van het verschil tussen de oorlogsrealiteit (‘la vérité’) en het optimistische, geruststellende beeld (‘l’image’) dat hij ervan wilde overbrengen.

Rond het boek “La vérité et son image“, waarin die volledige correspondentie met uitgebreid commentaar staat opgenomen, heb ik een website opgezet met allerhande informatie en meer dan 500 scans, foto’s en kaarten: http://www.parisot52.fr. Die site is tweetalig, naar keuze Nederlands of Frans. Het boek zelf is geheel in het Frans, maar voor wie daarvan terugschrikt, heb ik een Nederlandstalige versie van het commentaargedeelte digitaal beschikbaar. Die zal bij afname van het boek gratis worden meegeleverd. Neem daartoe eventueel die avond een usb-stick o.i.d. mee.

De lezing op 7 november begint om 20.00 en zal naar schatting anderhalf uur duren. Ter indicatie voor wie met de trein komt: de laatste treinen richting Nijmegen-Utrecht-Amsterdam en Venlo-Maastricht/Eindhoven vertrekken van station Boxmeer om 22:59.

De bibliotheek van Boxmeer is gevestigd in Cultureel Centrum De Weijer, De Raetsingel 1. Wie graag aanwezig is, moet zich liefst wel tevoren aanmelden via de hierboven vermelde website van Biblioplus. De entree bedraagt € 2,50; wie op die avond het boek aanschaft, krijgt die entreekosten van mij in mindering op de koopprijs.

Voor wie het bijwonen van die avond bezwaarlijk is, kan het boek natuurlijk ook bestellen: ofwel af te halen op ons adres Inleg 24, Boxmeer (graag wel even eerst bellen 0485-751576), ofwel per post thuisbezorgd krijgen; de verzending vanuit Frankrijk naar EU-landen kost slecht € 2,55 aan porto. Een simpel e-mailtje naar ljml@neuf.fr volstaat.

Ik verheug me erop velen van jullie op 7 november in Boxmeer te kunnen begroeten.

Waarvan akte.

 

Zijkanter 6

Eind 1999, begin 2000 verzorgde ik voor de BLOS-radio, de Boxmeerse Lokale Omroep Stichting, sinds vorig jaar onderdeel van Omroep Land van Cuijk, een serie columns. Het waren vijfminutenpraatjes over voetbal, waarbij ik steeds probeerde ook taalkundig of stilistisch iets aparts te doen en er een bijpassend uitleidend muzieknummer bij te vinden.
De columns kregen de titel “De zijkanter”, en de opnamen zijn bewaard gebleven. Van tijd tot tijd zal ik een Zijkanter hier doen herleven.
Elke uitzending bestond uit een vaste introtune van een minuut, een midibestandje van een of ander computerspelletje, meen ik, maar dat herinner ik me niet meer, gevolgd door een ingesproken tekst en uitgeleid met een muzieknummer dat enigszins aan de tekst was gerelateerd.

Hier staat Zijkanter 6 (oktober 1999) weergegeven, afgesloten met het nummer Arom Yim, een hit uit Thailand van circa 1990 over de welbekende Thaise glimlach, referend aan het meewarig karakter van de tekst. Het bijzondere aan de tekst is dat die bestaat uit één enkele zin. Als ik meer tijd had gekregen dan vijf minuten, had die zin nog wel langer kunnen worden dan de 823 woorden die hij nu omvat.
De betreffende uitzending is integraal te beluisteren op YouTube.

Het was voor die eenzame moeder langs de kant, die één zoontje bij de E-tjes had rondlopen en een ander bij de F-jes, waardoor ze, om geen van beiden voor te trekken, beurtelings ging kijken naar Jonathan en Eugène, bepaald geen lolletje om te moeten zien hoe haar jongste spruit, pas een dag of drie koortsvrij na een behoorlijke griepaanval, die het jongske meer dan een week van school en in bed had gehouden, waardoor het zich stierlijk ging vervelen en voor haar een waarlijk blok aan het been was geworden, zich wat onwennig op het lichtbevroren veld voortbewoog, hoewel aan alles te zien was dat hij een dusdanige conditionele achterstand had, dat het eigenlijk onverstandig was van die elftalleider, die ze overigens toch haast nooit sprak, iets wat binnen de vereniging een van de grote manco’s was, het contact tussen elftalleiding en ouders van de jongste jeugd, waarover ze wel eens iets had willen schrijven in het clubblad, maar waarvan ze toch maar weer had afgezien omdat ze vermoedde dat het toch niet geplaatst zou worden, en zo ja, dat het dan toch geen effect zou hebben, hem een hele wedstrijd te laten spelen terwijl de man toch kon zien dat het kind al na tien meter lopen zowat omviel van de duizeligheid, wat ook regelmatig gebeurde, waarbij het op een gegeven moment een open knietje opliep, zodat de pupil, huilend van de pijn en natuurlijk ook van de kou en de uitputting, naar de zijlijn strompelde met de kennelijke bedoeling zich alleen, maar dan ook uitsluitend door zijn bloedeigen moeder te laten behandelen, ook al wist hij dat zij geen ehbo-trommeltje bij zich had en zij dus niet in staat was die heilige pleister, die elke wond geneest en aan alle pijn een einde maakt, op het roodgekleurde knietje te plakken, waarna de dit keer falende spits zijn positie op het wit uitgeslagen veld weer zou kunnen innemen in de hoop er althans in de resterende tijd nog het beste van te maken, te scoren wellicht, desnoods net zo lucky als in het begin van het seizoen toen hij, bij de eerste thuiswedstrijd, op een gegeven moment niet goed oplette, waardoor hij een met de wind mee opvallend verre uittrap van de keeper, die eigenlijk best wel een waardeloze keeper was, maar niemand durfde daar iets van te zeggen, omdat niemand er ook maar over piekerde zelf in het doel te moeten gaan staan, zo maar plotseling en pijnlijk boven op zijn hoofd kreeg, van waar de bal met een onnavolgbare curve en vermoedelijk met een geraffineerde portie effect weer opsprong, verder voorwaarts draaide en tot bovenmatige verbijstering van de bezoekende keeper, die in grote vertwijfeling nog beide armpjes in de lucht stak om toch maar aan iedereen te laten zien dat hij in ieder geval nog wàt aan had proberen te doen, hoewel hij meteen al in de gaten had dat hij veel te ver voor zijn doel stond, zodat deze lucky kopbal onhoudbaar achter hem in het net zou ploffen, net onder de deklat van het kleine doeltje langs het net omlaag dwarrelde, op de grond nog wat sadistisch nahuppelde en toen, eenmaal uitgetold, een paar centimeter achter de doellijn, wat dus op dit halve veld eigenlijk de zijlijn was, bleef liggen als het rotsvaste bewijs van het feit dat hier van een loepzuivere goal sprake was, hetgeen ertoe leidde dat het hele team, het keepertje incluis, die eigenlijk, behalve dat hij niet goed kon keepen, ook best wel een ettertje was, want hij zat altijd in de kleedkamer op te scheppen over zijn spiksplinternieuwe keeperhandschoenen, of over zijn nieuwe mountain bike die veel duurder was dan die van alle andere jongens bij elkaar, of over weer iets anders, want hij had altijd wel wat om over op te scheppen, maar als je hem iets vroeg, dan gaf hij altijd niet thuis, dat het hele team dus als één man, als één jongetje eigenlijk, maar dat kun je zo niet zeggen, in volle vreugde op Eugène dook uit blijdschap over dit vroege, maar nu al bij voorbaat allermooiste doelpunt van het hele seizoen, met als gevolg dat de verbaasde, maar toch uiterst trotse doelpuntenmaker ten val kwam, en, eenmaal op de grond liggend, niet alleen bijkans werd verpletterd door zes deinende ploegmakkers, maar bovendien tot overmaat van ramp een schoen, die vermoedelijk vastzat aan de voet van zijn beste vriendje, midden in zijn gezicht kreeg, waardoor een van zijn voortanden afbrak hetgeen hem daags daarop bij de tandarts op een behoorlijk pijnlijke behandeling is komen te staan, iets wat hem heeft doen besluiten om voortaan na het scoren van alweer een goal direct naar de zijkant van het veld te snellen en bescherming te zoeken bij zijn leider of, liever nog, één keer in de veertien dagen, bij zijn eenzame moeder langs de kant, want alleen bij haar ben je veilig voor al dat onbesuisde geweld op het voetbalveld.

 

Maaslijn

Niet lang voor haar aftreden heeft Wilma Mansveld in ieder geval nog wèl iets goeds gedaan: ze heeft de middelen ter beschikking gesteld voor de elektrificatie en spoorverdubbeling van de lijn Nijmegen-Roermond, de zogenaamde Maaslijn. Wel een beetje laat, en de uitvoering zal zeker nog vijf jaar op zich laten wachten. En als het maar niet gaat als met het zuidelijk deel van de A73, het stuk Venlo-Roermond, waar de twee tunnels, bij Swalmen en Roermond, voor langdurig oponthoud zorgden en die nog steeds met de regelmaat van de klok dichtgaan: alleen al in de periode januari-maart 2016 heeft Van A naar Beter drie nachten gesloten tunnels beloofd voor “periodiek onderhoud”.


Vroeger, ja vroeger, tussen 1982 en 2002, reed er de Ardennen-express van Zandvoort naar Luxemburg vv., gecombineerd met de Valkenburg express. Via Boxmeer, nota bene“, schreef ik in mijn artikel België spoort niet in de serie Belgje pesten. Maar die tijd van vreugde is al lang passé.
Met oude, inmiddels afgedankte Plan-U-rijtuigen, vergekijkbaar  met de dieselhondekoppen, die nu toch weer uit de mottenballen worden gehaald omdat NS materieel tekort komt, en later met modieus opgeleukte Veolia-treinstellen boemel je sindsdien over het traject dat in oorsprong was bedoeld om de kolen uit Onze Staats Mijnen naar de bewoonde wereld te transporteren. Passagiersvervoer was bijvangst. Bijgaande nostalgische foto van drie treinstellen op station Boxmeer is uit 1985.

Over de historie van de Maaslijn, van het traject en de erlangs gebouwde stations, zoals het station Boxmeer hier rechts, valt veel te melden. Ik doe dat verder niet hier, want Wikipedia legt voldoende feiten en bronnen bloot, te beginnen met het -uitgebreide, doch niet geheel geactualiseerde- artikel over de spoorlijn Nijmegen-Venlo.

Achtereenvolgende kabinetten hebben er sinds de jaren-’60 van alles aan gedaan om niets aan de huidige Maaslijn te verbeteren. Eerst door de kolenmijnen te sluiten, waardoor de lijn economisch minder interessant was, toen door met Spoorslag-70 de dienstregeling zo aan te passen dat hij ook voor reizigers -veelal studenten die naar Nijmegen of Venlo spoorden- minder interessant werd, vervolgens door een gelikte A73 (Nijmegen-Roermond, met aansluiting op de A2 Amsterdam-Maastricht) aan te leggen, met alle milieuellende van dien en de tunnelellende op de koop toe, met als lokkertje dat je met de auto sneller van A naar Beter (bv. van Alverna naar Belfeld) kon rijden dan met de trein.

En nu opeens, althans in 2014, besluit Mansveld de deur op een kier te zetten voor verdubbeling en elektrificatie, waardoor er Intercity-treinen tussen Nijmegen en Roermond kunnen gaan rijden. Met haar futuristische aanpak zal dit stuk van Zuidoost Nederland nog bereik- en bereisbaarder worden.

Zal wel. Ik herinner mij dat de PSP-afdeling Land van Cuijk begin jaren-’80 een actie ondernam ter bespoediging van diezelfde verdubbeling en elektrificatie van diezelfde Maaslijn. Een door honderden mensen ondertekende petitie werd aan NS en lokale overheden overhandigd. Ik meen me te herinnen dat ik het was, anders deed ik het in commissie, die bij de opstelling van het PSP-verkiezingsprogramma voor de Provinciale Staten 1982-1986 een amendement kreeg aangenomen om deze Maaslijnwens op te nemen in het hoofdstuk Verkeer en Vervoer.

We zijn nu bijna 35 jaar later en leven in de wetenschap dat het zo rond 2020 misschien realiteit wordt op deze drukste en meest intensief bereden enkelsporige spoorlijn in Nederland (bron: publicatie provincie Limburg, ook zonder Mansveld.

Laat het een schrale troost zijn dat het in Drente en Oost-Groningen misschien nog droeviger is gesteld.