De Zwarte Lage Landen

FILE – In this April 27, 1963 file photo, Brazilian footballer Edson Arantes do Nascimento, known as Pele, left, enjoys a chat with Eusebio da Silva Ferreira in Lisbon, Portugal. Eusebio, the Portuguese football star who was born into poverty in Africa but became an international sporting icon and was voted one of the 10 best players of all time, has died of heart failure aged 71, Sunday, Jan. 5 2014. (AP Photo, File) ORG XMIT: XAF103

Even een historisch zwartboekje opendoen. Onmiskenbaar is de acceptatie van zwarte of gekleurde buitenlanders in West-Europese landen enorm bespoedigd van de overkomst van voetballers van overzee. Italië was daarmee overigens een soort wegbereider door al in de jaren-’30 spelers uit Latijns-Amerika aan te trekken die over een dubbel paspoort beschikten, waardoor zij ook voor het Italiaanse nationale elftal konden uitkomen, iets wat Mussolini zeer goed uitkwam in zijn streven het aanzien van Italië op het wereldtoneel te verhogen. Maar in die gevallen betrof het geen zwarte of gekleurde spelers; die instroom kwam pas op gang vanaf 1950 en dan met name door koloniserende landen als Frankrijk, Engeland, Portugal (Eusebio, de parel van Mozambique! Hier op de foto met Pele), België en Nederland. Over het wel en wee van voornamelijk Congolese spelers in België bestaat een prima uitgebreide studie van Tim Vermeulen uit 2012, die online is te raadplegen. Datzelfde geldt voor het artikel van Bart Jungmann uit 2010 over de eerste Surinaamse spelers in Nederland vanaf eind jaren-’50.

Maar hoewel ontegenzeggelijk de invloed van deze gekleurde spelers groot is geweest, zowel voor de sportprestaties van Europese voetbalteams, als voor de integratie van deze spelers als gelijkwaardig aan blanke, Europese spelers, heeft er van meet af aan een racistisch luchtje aan gehangen. Zo citeert Bart Jungmann de eerste Suriprof in Nederland, Humphrey Mijnals, over zijn debuutwedstrijd: “Mijnals herinnert zich van die wedstrijd vooral een schop in zijn knieholte, waarna hij op een brancard het veld verliet. ‘Iemand op de tribune riep: plak een postzegel van 15 cent op zijn kont en stuur hem terug. Dat was mijn kennismaking met het Nederlandse voetbal.’” En nog steeds is het in de 21e eeuw zo dat spelers van Marokkaanse, Turkse, Molukse of Zwart-Afrikaanse herkomst hartstochtelijk worden bejubeld door de eigen fans, maar dat er door aanhangers van de tegenpartij zo af en toe racistische kreten worden geslaakt, dat zwarte spelers op oerwoudgeluiden worden onthaald en dat er met bananen naar hen wordt gegooid.
De weg van overzee naar Europese acceptatie blijkt toch een lange te zijn. De onophoudelijke pogingen van UEFA en FIFA om onder het motto “Nee Tegen Racisme” de aandacht op het fenomeen te vestigen, tonen in ieder geval aan dat het probleem nog lang niet uit de wereld is, alhoewel die officiële acties wel veel weg hebben van window dressing en voor de Bühne te zijn; aan de bobo’s zal het dus niet liggen.

Wel past er enige nuance in de mate waarin vijandig supportersgedrag een racistisch tintje heeft. Het voetbalplaatje van Humphrey Mijnals uit de serie van Dick Bruynestein moge dan wel karikaturaal heten, maar zijn hele serie plaatjes bestond uit karikaturen, ook dat van Abe Lenstra en Faas Wilkes, toch onversneden representanten van het zuivere blanke ras.
Bij mijn weten is het gescandeerde Hi Ha Hondelul! voornamelijk gericht tegen (blanke) scheidsrechters, en zullen velen zich nog herinneren dat Wim Jansen, Mister Feyenoord, na zijn onvergeeflijke overstap naar Ajax bij de eerstvolgende ontmoeting in De Kuip in december 1980 werd getrakteerd op een welgemikte ijsbal. De gooier uit het publiek, Youseph B., alias De Mascotte, vertelde jaren later: “Iedereen in het publiek gniffelde wat. ‘Wie heeft er gegooid?’, vroeg iedereen. Toen bleek het De Mascotte te zijn. Ik kon meteen alles krijgen: frikandellen, cola, friet, iedereen bood me van alles aan.” (bron: De Staantribune).
Ik ben ervan overtuigd dat zelfs de meest fervente PVV-stemmers in het stadion juichen voor ‘hun’ Marokkaanse spelers.

Maar een beetje zwart-wit blijft het toch nog wel even, zolang er nog steeds oerwoudgeluiden in stadions opklinken, er bananen door de lucht vliegen en de Zwarte-Pietendiscussie niet is teruggebracht tot de eigenlijke historische essentie: de zwarte raven Huginn en Muninn van Wodan. Met dank aan de kerstening van Europa.

Taalverloed (2/2)

Tot de wat meer excentrieke objecten van mijn verzamelwoede behoren edities van Kuifje, De sigaren van de farao in zo veel mogelijk verschillende talen. Er moeten er tegen de 30 van bestaan; ik sta nu op 18 stuks. Daaronder bevindt zich ook de uitvoering in het Afrikaans, en dat komt nu goed uit als ik verder ga over het onderwerp taalverandering.

Zoals bekend heeft het Afrikaans zich ontwikkeld vanuit het Nederlands van midden 17e eeuw, meer bijzonder vanuit o.a. het Amsterdams dialect. Daarvan getuigt bijvoorbeeld de vorm -ie voor verkleinwoorden, in plaats van het Nederlandse -je. Kuifje heet in Afrika dus Kuifie. De Afrikaners hadden, als relatief kleine en geïsoleerde gemeenschap, het probleem zich staande te moeten houden tegenover de sterke Britse invloed enerzijds, en die van de talen der oorspronkelijke bewoners als het Zulu en Xhosa anderzijds. Mede dat heeft ertoe geleid dat de ontwikkeling van het Afrikaans, ten opzichte van de ontwikkeling van het Nederlands, wordt gekenmerkt door een enorme versimpeling van grammatica (zoals: mannelijk, vrouwelijk en onzijdig bestaan niet meer, behalve voor mans- en vrouwspersonen) en spelling (bijvoorbeeld: ik ben, jij bent, hij is enz. is in het Afrikaans ek is, jy is, hy/sy is, ons is, julle is, hulle is. De Nederlandse au en ou vallen in het Afrikaans samen tot ou, de ij en y tot simpelweg y, de ch en g tot g, enzovoort). Maurice de Hond moet er de oude dag maar gaan slijten.

Toen ik in 2009 online de Afrikaanse versie van Kuifie, Die sigare van die farao bestelde en prompt ontving, kreeg ik er enige dagen later bijgaande e-mail overheen. Verreweg het meeste is voor Nederlanders moeiteloos te lezen.
Er staan woorden en uitdrukkingen die je niet rechtstreeks aan een Nederlandse variant kunt koppelen, zoals kraai koning, magdom, webtuiste (@ “web-tehuis”, “website”), rondrits (“surft“), aanlyn (“online“), twakvrye (“tobacco-free“), boksie (“hokje“, “box“), tiek (“aanvinken“, “tick“), spog met (“trots zijn op“), sowel as (“zoals“, “as well as“), maar die in het tekstverband toch voor zich spreken.

Ik heb die ervaring trouwens ook, zij het in mindere mate, met het Zweeds, een taal die ik niet beheers, maar toen ik er rondreed en een grote portie friet bestelde, patat voor de noorderlingen, skyfies voor de Afrikaners, heette dat stor strips. Een verkeersdrempel heette farthinder, een vergunning tillstånd en een ontbijt frukost. Dat lees je ook zo weg, zonder de taal te kennen, maar met wel wat kennis van Engels en Duits naast je Nederlands.
Maar anders dan het Zweeds, dat op relevante onderdelen grammaticaal afwijkt van het Nederlands, zijn Afrikaanse zinnen net zo gebouwd als Nederlandse.

En daarmee ben ik terug op waar ik in het vorige artikel was gebleven: de taalverandering van het Nederlands. Ik splits die in twee delen: taalversnelling en vocabulaire.

Taalverandering is niet iets van sinds de jaren-’60, maar van alle eeuwen, en voor gejammer over taalverloedering geldt hetzelfde. Maar het zijn niet zozeer de grammaticaregels die zijn veranderd. Ja, we zijn in onze standaardtaal de dubbele ontkenning kwijtgeraakt die het Afrikaans nog heeft behouden, net als het Frans, en als die dan toch weer terugkeert (“Ik heb nergens geen zin in“, “Ik heb dat nooit niet gedaan“), dan heet dat nu “incorrect taalgebruik”, maar ook: een versterking van de enkele ontkenning. Doe maar, in het spraakgebruik, maar schrijf het niet, zou ik zeggen.

Het verkeerd gebruik van hun en hen is het zondigen tegen een kunstmatige taalregel uit de 17e eeuw en is officieel nog steeds een taalfout, maar ik voorzie dat dat niet lang als zodanig in de ANS zal blijven staan, want teveel Nederlands sprekenden bedienen zich niet meer van hen, alles is hun aan het worden. Iets anders ligt dat bij het gebruik van hun als onderwerp (“Hun hebben gezegd“). Ook dat lijkt nauwelijks nog tegen te houden, maar zal, schat ik, toch nog langer als incorrect blijven worden aangemerkt. Vreemd wel een beetje, want in sommige (Zuid-Nederlandse) dialecten is het schering en inslag om bijvoorbeeld de naamvalsvormen hem en den als onderwerp te gebruiken om extra nadruk te geven en even over de grens kijkend zien we bondgenoten daarvoor: Op de vraag “Wie is daar?” kunnen wij zeggen: “Ik ben het“, met extra klemtoon op Ik, net als in het Italiaans “Sono io“. Maar in het Engels: “It’s me” en niet: “It’s I” en in het Frans: “C’est moi” in plaats van “C’est je“. Zo dom is het kennelijk dus ook weer niet.

Nog een verschuiving: van de d-woorden naar de w-woorden: daaraan wordt waaraan, dat wordt wat enzovoort. Dat is een zoetjesaanbeweging vanaf de middeleeuwen tot op de dag van vandaag. Momenteel is de situatie zo dat “Het hogedrukgebied wat boven de Britse eilanden ligt” nog steeds officieel fout is (al is het nog iets minder erg dan het ook gehoorde “Het hogedrukgebied die boven de Britse eilanden ligt”), maar zeker in gesproken taal begint het al een meerderheidspositie in te nemen. Dat is nog niet het geval met “De man wie daar loopt“, maar ik voorvoel dat dat een kwestie van tijd is. Had Cruijff niet het fraaie startschot gelost met zijn orakel: “Cocu is een speler wie je van voren en van achter ken gebruiken“?

Fouten als “De meisje schepte er genoegen in diegene nog eens extra te jennen…” zijn voorbeelden van gebrekkige taalbeheersing, niet van taalverandering. Een loeder dus.

Nogmaals derhalve: taalverandering en taalfouten uiten zich niet primair in grammaticaregels, zoals die afgrijselijke, modieuze haarziekte, maar bijvoorbeeld in taalversnelling, de laatste eeuw vooral door de verbreiding en versnelling van media voor communicatieoverdracht. We kennen dat verschijnsel sterk in krantenkoppen, waar lidwoorden en voorzetsels worden weggelaten om een kortere kop in een grotere letter boven de kolommen te krijgen, met hilarische dubbelzinnigheden als gevolg: uit de rubriek Ruggespraak van het tijdschrift Onze Taal:

  • ROOKVERBOD IN KOELKAST
  • DRIEKWART VAN TURKEN VAST TIJDENS RAMADAN
  • PROEFTIJD VOOR AGENTEN NA DIEFSTAL WIJN
  • WEER GEEN STROP VOOR DE HORECA

en ik herinner me uit de tijd dat er verzet was tegen de aanleg van de Amsterdamse metro en de bouw van de Stopera de kop bij een oproep van actievoerders, ik meen in Het Parool,

  • SCHORT SLOOP NIEUWMARKT OP

hetgeen op een titel van een horrorverhaal zou kunnen duiden. Versnelling: ja. Verloedering: nee. Humor: ja. Duidelijke communicatie: nee.

En de door mij eerder geciteerde pagina op Teletekst van 6 juni 2015:

  • KOENDERS UIT ONVREDE IN MOSKOU 

Bij de voorzetsels is er een taalversnelling zichtbaar die al vanaf de middeleeuwen werkt, en in het Duits (kraft, laut, stoltz,…) evenzeer als in het Nederlands. Een van de bekendste recente voorbeelden is de versnelling van “in de richting van” tot “richting“: “Wij vertrokken richting Parijs“. Dit richting-verschijnsel zien we niet alleen in veel Europese talen optreden, maar ik heb destijds onderzocht bij welke Nederlandse zelfstandige naamwoorden nog meer. Het werd een rijtje van 17:

  • begin deze eeuw
  • bestemming New York
  • eind(e) van deze eeuw
  • halte Koningsplein
  • hartje centrum
  • hoek Kerkstraat
  • kantje boord
  • klokke zeven
  • klokslag 9 uur
  • lank(e) de voorgevel (vnl. Vlaams)
  • midden de mensen (vnl. Vlaams)
  • omgeving Westerkwartier
  • punt strafschopgebied
  • rand(je) buitenspel
  • richting het zuiden
  • spijt uw toezegging
  • station Weesp

en vast nog wel meer. Versnelling dus, geen verloedering.

Om minder tijd te verkwisten bij het typen van woorden worden er in toenemende mate afkortingen of iconen gebruikt: “@” voor “voor wat betreft“, “wss voor “waarschijnlijk“, “ff” voor “eventjes“, zoals ik hier in het Frans vaak inkortingen zie als promo, info, apéro, maar ook meer rebusachtige notaties als “+info” (“plus d’informations“; “meer informatie“) of “K7“voor “cassette“. Men doet maar. Ook dat lijkt mij geen reden om van verloedering te spreken. Kennelijk heerst de gedachte: hoe sneller, hoe beter, als het maar wordt begrepen. En dat is communicatief gezien volstrekt in orde.

Daarmee raak ik aan de meest voorkomende soort taalfouten: die van de spelling.
Halverwege mijn vorige artikel schreef ik over het vermeende onderscheid tussen prescriptieve (voorschrijvende) en descriptieve (beschrijvende) grammatica’s. Als er één terrein is waarop de Nederlandse grammatica volstrekt prescriptief is, dan is dat de spelling. Al sedert 1804 (Siegenbeek) streeft men in het Nederlands taalgebied naar één uniforme spelling. Dat heeft sindsdien voortdurend veel voeten in de aarde en het ondervindt steeds enorme weerstand. De herzieningen in de laatste eeuw (1948 “Niet zoo, maar zo“; 1954 het Groene Boekje; 1995 het tweede Groene Boekje; 2006 verdere herziening) zijn steeds bedoeld om verplicht voor te schrijven hoe er in Nederland dient te worden gespeld. Overheid, landelijke dagbladen, uitgeverijen en het onderwijs moeten er zich aan conformeren, ook al staat er geen gevangenisstraf of andere sanctie op overtreding. Hooguit drukken spelfouten je rapportcijfer-Nederlands.

Ik laat me wel eens ontvallen dat wat mij betreft spellingsregels kunnen worden afgeschaft. De wal zal het schip wel keren als blijkt dat de communicatiewaarde afneemt als men er maar op losspelt. Ik echter behoud me het recht voor een croquette lekkerder te vinden dan een kroket, om een geaccentueerde gesloten klinker met een accent grave te schrijven (dè, hèt, nòg) en geaccentueerde open klinkers met een accent aigu (één, logé, vóórkomen, zó), om af te zien van die vreselijke tussen-n; ik houd het op kattevoer; wij hebben maar één kat en die tussen-n hoor je toch niet.

Los daarvan is het vaker zo, dat spelfouten worden gemaakt uit dommigheid, onvermogen of desinteresse onder het mom van “as je maar begrijpt wat er wort bedoelt“. Eerder al besteedde ik aandacht aan de mededeling in onze brievenbus:

Op 20-3 komen wij de glazewassers
Bij uw langs
heb uw intressen, plak dan a.u.b.
dit briefje duiddelijk op uw raam,
of deur, kosten hiervan in overleg
De Glazewassers

De boodschap was duidelijk, de PR-waarde was voor mij strikt negatief.

Er ligt op dit punt in eerste instantie een grote taak bij de opvoeders: ouders ten opzichte van hun kinderen, het onderwijs, van basisschool tot universiteit, de media, van publieke omroep (de commerciëlen zenden toch alleen maar Amerikaanse bagger uit) tot en met uitgeverijen en de landelijke dagbladen. Zij bekleden een voorbeeldfunctie, en zij zijn het die daarnaast de attitude kunnen uitdragen dat verzorgd en correct taalgebruik niet voor de bühne is of iets louter voor luxe intellectuelen, maar voor een betere communicatie van ons allemaal, met zorg en aandacht te koesteren, ook al kost dat wat meer tijd. Aan Pauline Cornelisse en Wim Daniëls hebben we niet genoeg, zo blijkt.

In daardie lig gesien is daar vir “gedoogtaal” (Arjen Hoogervorst in zijn reactie) geen plek in ons taallandskap nie.