BLING BLING – Dubai_1

Als Jesse Klaver zijn min of meer terechte en vrij goed gefundeerde opvattingen openbaart als een “kruistocht tegen het economisme”, dan zou hij eens, net als ik vorige week, een lang weekend in Dubai moeten verblijven. Hij zou zich dan kunnen vergapen/ergeren/laven aan een maatschappij waarin het al economie is wat de klok slaat, ver verheven boven en niet gehinderd door storende factoren als cultuur, democratie, vakbonden, mensenrechten of wat dan ook. Mij leverde dat bliksembezoek een zo grote hoeveelheid aan indrukken op, dat ik er een reeks artikelen aan ga wijden. Allereerst: Bling bling, het kan niet op.

De Dubai Mall, een winkelcentrum met over de 1200 etablissementen, een heuse ijspiste en glitter en glamour alom, is een van de geijkte ontmoetingsplaatsen aan de ingang waarvan de riche van Dubai loopt te flaneren en te pronken met hun automobielen uit het allerhoogste segment: Rolls Royce, Maserati, Jaguar, Lamborghini, Bugatti, bedenk het maar, je treft het er aan. Er schijnen er zelfs rond te rijden met zilver of goud beplaat.

Maar ook elders, zoals voor het kolossale Atlantis ressort/hotel, kom je nog wel een verdwaalde Lamborghini tegen. Het kan niet op.

Inderdaad, het kan niet op, want hoewel nu al Dubai voor een groot deel bestaat uit een oerwoud van wolkenkrabbers, 50, 80, 100, meer dan 160 verdiepingen hoog, waarbij van enige blijk van architectonische coördinatie niet veel is te merken, is een eveneens groot deel van de stad één grote bouwput voor nog meer wolkenkrabbers.

Het zal er wel mee te maken hebben dat in Dubai in 2020 de wereld-expo wordt gehouden, die dan weer samenvalt met het 50-jarig bestaan (in 2021) van de Verenigde Arabische Emiraten. En dat mag wat kosten.

 

 


Die overdadige luxe merk je eigenlijk al in het vliegtuig, die enorme Airbus A-380 van Emirates. Nu ben ik van kinds af aan al volslagen vliegtuiggek, dus ja, ik kwam wel aan mijn trekken. Als je, zoals ik op de heenweg, het geluk hebt om business class te mogen vliegen, dan begint het feest al in de buseniss lounge op vliegveld Düsseldorf, waar je “in alle rust en comfort zakenpartners kunt ontmoeten”, nog wat stukken kunt doornemen en ongelimiteerd zo veel als je wilt kunt eten en drinken – het is bij de prijs van het vliegticket inbegrepen.

Hetzelfde geldt als je eenmaal in de lucht bent, waar je eveneens een lounge aantreft en je alle flessen en hapjes ter beschikking hebt. Hoe onwezenlijk kan het zijn: je vliegt over de grens van Irak en Iran. Rechts ligt Mosul; links Isfahan. Doe mij nog maar een Baileys.

 

De overtreffende trap is het vliegveld van Dubai, met name Terminal 3, geheel gereserveerd voor Emirates. Bling bling zo ver je kunt kijken, met een business lounge die zijn filiaal in Düsseldorf tien maal overtreft; een gigantische ruimte met een groot aantal buffetten, een zeer ruim bemeten luxe rokersafdeling, douches en een aantal slaapcabines voor de vermoeide zakenlui.

 

 

 

 

 

Hoe kunnen ze het ervoor doen, vraag je je af, met al die overheadkosten. Maar dat wordt een hoofdstuk apart: hoe draait de economie in Dubai.

Ik was in een compleet andere wereld terechtgekomen en moest als de wiedeweerga al mijn standaarden, principes en gevoel voor efficiëntie en functionaliteit deerlijk op- en afschalen.

En lang nadenken hoe ik dat in een paar artikelen zou gaan uiten. Wacht dus even af wat er zal gaan volgen, nog net niet te veel bedwelmd om kritisch te blijven.

____________________________

volgende artikel: SMELTKROES – Dubai_2