1917

Ik ben geen frequent bioscoopbezoeker maar vorige week greep ik de kans aan om in het Noord-Brabantse Cuijk de recente film 1917 te gaan bekijken. Die ging in december 2019 in Londen en vorige maand in Frankrijk en de Benelux in première. Ik kwam er positief vandaan. Deels is dat te verklaren door de ambiance van de bioscoop zelf; voor het grootste deel natuurlijk door de film waarvan ik nu alvast kan verklappen dat ik hem een ieder aanraad.
Maar dan wel in een echte bioscoop, niet thuis op een klein schermpje.

De Industry-bioscoop in Cuijk is nog maar een dik half jaar geopend. De entree en het personeel scoren een dikke voldoende, en de sfeervolle zaal is top. Gehoorde klachten dat de rugleuningen van de stoelen te hoog zijn gaan voor mij niet op, gezien mijn lengte. Integendeel: ze zitten me prima. Verder zijn het enorme projectiescherm en de zeer goede geluidsinstallatie een pre, zeker voor een film als 1917, die het vaak van de weidsheid en geluidseffecten moet hebben.

Tot mijn afgrijzen moesten we vooraf aan de film een voorvertoning van James Bonds nieuwste draak aanschouwen: No Time to Die. Zo zich in Nederland nog iemand afvraagt waar de hufterigheid van delen van de hedendaagse bevolking vandaan komt, hoe het bestaanbaar is dat kinderen van 13, 14 jaar met een mes op zak lopen en er ook nog misbruik van maken, hoe geestelijk onvermogen kennelijk vanzelfsprekend wordt gecompenseerd met bruut geweld alsof het de normaalste zaak, zo niet aanvaardbaar standaardgedrag is, die raad ik aan naar Time to Die te gaan. Ik ga niet mee.

Gestuurd door mijn jarenlange interesse in de Eerste Wereldoorlog in Frankrijk (zie bijvoorbeeld HIER) wilde ik mij wel graag een beeld vormen van hoe er vanuit Britse optiek tegen de gebeurtenissen in die jaren werd aangekeken, ook al is dat door een bril van nu en met onmiskenbaar Amerikaanse invloeden. Maar dan nog blijft er voldoende over om positief over de film te oordelen.

Op filmtechnisch vlak wordt 1917 in zowat alle besprekingen geloofd en bekroond om de consistente aaneenschakeling van de scènes, alsof ze in één lange opname zijn gerealiseerd. Dat blijkt onjuist te zijn: door fabelachtige digitale technieken en een zeer zorgvuldige voorbereiding van camerastandpunten konden de losse opnamen schier naadloos aan elkaar worden gekoppeld waardoor er een contituïteit wordt gesuggereerd (‘one continuous shot‘). Dat de opnamen niet op locatie plaatsvonden, ruim rond het Franse dorpje Écoust-Saint-Mein (62 Pas-de-Calais), maar in Engeland en Schotland, is op een enkel detail na niet hinderlijk. Landschappelijk gezien is er voldoende overeenkomst.
Het enige storende verschil zit hem in de rivier-/watervalscène die onmogelijk doet denken aan La Sensée, het stroompje van 27 km dat meer als een slootje door het naburige Croisilles loopt en uitmondt in de Schelde. Het is verderop deels bevaarbaar en deels ook gekanaliseerd. In plaats daarvan werd er gefilmd bij de Low Force Waterfall, River Tees, County Durham, in Noord-Engeland. Dat is niet alleen een geografische blunder, maar ook vormt dit overigens fraai gefilmde, maar nogal Niagara-achtige wildwatergedoe geen essentiële bijdrage aan de verhaallijn. Eerder lijkt het me een knieval voor Amerikaanse lust naar stuntwerk en andere effecten die het met waarheid en werkelijkheid niet zo nauw nemen. In Trumpistan moge dat common use zijn, hier in Europa hoeven we dat niet zo. Het is bijvoorbeeld maar de vraag hoe alle uiterst waardevolle papieren die  korporaal Schofield zo zorgvuldig bij zich draagt en die het bewijs voor zijn opdracht bevatten, even later kurkdroog uit zijn borstzak tevoorschijn komen, ook al zaten ze in een zogeheten waterdicht blikje.

Wat stuntwerk en trucages betreft is er nog meer te melden. Hedendaags filmpubliek is aanmerkelijk meer gewend dan honderd jaar geleden. Toen immers zou bij de scène waarin het Duitse jachtvliegtuig neerstortend op ons afkomt en de boerenschuur binnenvliegt het grootste deel van het publiek gillend en in paniek de zaal zijn uitgehold, elkaar vertrappend om aan een onafwendbare ramp te ontkomen. Nu vinden wij het wel aardig gefilmd en verbazen wij ons er alleen nog maar over waarom de twee korporaals de stommiteit begaan die wij ook van konijntjes en vossen kennen die je ’s nachts voor je koplampen krijgt, namelijk dat zij recht vooruit wegrennen, precies in de loop van de aanstormende vliegmachine, in plaats van een veilig heenkomen te zoeken door simpelweg juist opzij te springen.

Soms scheelt het niet veel, of het rigide vasthouden aan de hoofdintrige leidt tot waarnemingen die wij eigenlijk kennen van stripverhalen. Daar is het de normaalste zaak van de wereld dat toevalligheden de oplossing of uitweg bieden, dat de stijlfiguur van de Deus ex Machina veelvuldig wordt gehanteerd om verder te komen in het verhaal. Dat het tweetal niet omkomt door die brandende Duitse jager (en ga nou verder niet miezemuizen over de vraag of dit nu eigenlijk wel een Albatross type D-II of D-III was of kon zijn; dat doet er helemaal niet toe), mag een godswonder heten. We worden op het verkeerde been gezet: het wordt wel magistraal vervolgd doordat de uit zijn cockpit gesleurde Duitse piloot korporaal Blake vermoordt. Dat is tweemaal op het verkeerde been gezet worden: eerst dat het neerstorten zelf niet dodelijk blijkt te zijn, vervolgens dat al na 44 van de 129 minuten Blake als een van de twee hoofdpersonen overlijdt en dus verder buiten beeld blijft. Dat zien we niet vaak in films of romans. Bovendien krijgen de verhaallijn en de spanningsboog een extra dimensie: waar aanvankelijk een deel van de opdracht was dat Blake zijn broer aan het front moest terugvinden om hem met zijn hele legereenheid voor een wisse dood te behoeden, is het nu Blake zelf die omkomt, en zijn broer blijft gespaard.

Desondanks vind ik het wat onwaarachtig en dus ook wel storend dat er wat momenten te zien zijn waarop het Suske-en-Wiske- of Kuifjegehalte komt bovendrijven. Na de ontploffing in de Duitse kazemat ligt Schofield bedolven onder het puin. Ieder normaal mens zou tal van botten hebben gebroken en half doodbloeden, maar nog geen minuut later wandelt hij doodgemoedereerd weer door de desolate velden, alleen zijn ogen nog uitwrijvend. Over de niet-natte foto’s en andere papieren na de watervalscène heb ik het hierboven al gehad. En net als Kuifje en Lambiek hoeven de hoofdpersonen nooit te eten of naar de wc, als waren dat niet terzake doende nevenintriges. Daarmee wordt het potentiële nadeel veroorzaakt dat je als lezer of kijker er van meet af aan wel gerust op kunt zijn dat het wel goedkomt, dat er een happy end zal volgen, en worden we intussen geamuseerd met een spanningsboog die bestaat uit omstandigheden en details die de weg erheen lastig en bijkans onoverkomelijk maken, maar heus wel miraculeus worden vermeden of overwonnen. Maar goed, in Amerika gebeurt wel meer wat wij tot voor kort voor onmogelijk hielden. Dat is jammer en het is al helemaal niet conform onze kennis van de loop en afloop van de Eerste Wereldoorlog.

Inhoudelijk stond regisseur Sam Mendes voor een lastige opgave: hij putte, naar zijn zeggen, uit de verhalen van zijn grootvader die in WO-I had meegevochten, maar om er een commerciële film van te maken moest hij voortdurend op en neer bewegen tussen non-fictie en fictie, tussen documentaire en dramafilm. Dat is wel of niet goed gelukt – het is maar vanuit welk perspectief je het bekijkt. Ik ben van mening dat je 1917 niet mag veroordelen om feitelijke onjuistheden, omdat de grote lijn en de suggestie van de toenmalige omstandigheden ruimschoots voldoende tot hun recht komen. Er bestaat ook nog een grote hoeveelheid beeld-, geluid- en fotomateriaal uit de eerste hand, naast de vele geschreven documenten die 1914-1918 dichter bij huis brengen, ook al zijn al die getuigenissen natuurlijk ook vaak vreselijk subjectief, zo niet tendentieus. Lees, bekijk en beluister ze maar om een wat realistischer idee te krijgen.

Sommige waarden overleven de eeuwen: 1917 houdt zich in grote mate aan de klassieke dramavoorschriften, bekend als de drie eenheden, gebaseerd op theorieën van Aristoteles en vanaf de 16e eeuw als leidend beschouwd in Europa.

– De eenheid van tijd gebiedt traditioneel dat de gebeurtenissen zich binnen 24 uur moeten afspelen. Daaraan wordt in 1917 voldaan: beginnend in de loop van de ochtend, eindigt het verhaal daags erop ‘ergens’ in de ochtend. Een precieze urenindicatie hebben we niet, maar we zitten niet ver van de tijdspanne van maximaal een etmaal af.

– De eenheid van plaats is afwezig in 1917. Die eenheid stamt uit een tijd dat het publiek onvoldoende over het abstractievermogen beschikte om een verplaatsing van de gebeurtenissen te ‘snappen’ of realistisch te vinden. In de afgelopen eeuw echter is dat besef al wel ruimschoots doorgedrongen, vooral vanwege de grotere mobiliteit en de enorm toegenomen communicatiemiddelen. Dat wij dus de hoofdpersonen in 1917 volgen over een op zich nog vrij beperkt gebied rond Écoust-Saint-Mein is in geen enkel opzicht hinderlijk voor de toeschouwer, die als het ware met de protagonisten meeloopt door het Noord-Franse frontgebied. Vergelijk het met de Odyssee, waar de hoofdpersoon ook een dramatische tocht onderneemt die de toeschouwers letterlijk meemaken – dus ook geen eenheid van plaats. De oplettende kijker merkt wel dat er in 1917 geen grote tijd- of verplaatsingssprongen zitten, net zo min trouwens als grote episoden van tijdverdichting of -verbreding. De camera blijft dicht bij de hoofdpersoon en verplaatst zich slechts met hem. Deze technisch vernuftige montage bevordert bovendien de mogelijkheid voor de toeschouwers zich met die hoofdpersoon te identificeren.

– De eenheid van handeling (geen nevengebeurtenissen mogen de hoofdhandeling verstoren) blijft de hele film lang gehandhaafd. De initiële opdracht (voorkom een Britse aanval om 1600 mogelijke slachtoffers te voorkomen) blijft de leidraad voor alles wat we onderweg zien gebeuren. Daarvan wijkt de verhaallijn niet af en nevenintriges blijven uit. Ik zeg dat met nadruk omdat de Amerikaanse Hollywood-filmtraditie nogal graag kickt op het invoegen van een sentimentele romantische subintrige, waarbij doorgaans een heteroman al dan niet bewust of toevallig een heterovrouw ontmoet en er tussen beiden ‘iets’ ontstaat, hij altijd een kop groter dan zij, waardoor het gebodene iets (zoet)sappigs krijgt dat het voorgeprogrammeerde publiek blijkbaar weet te waarderen of maar heeft te slikken. In 1917 dreigt dat ook even als Schofield zich ’s nachts in een huis verschanst waar een vrouw en een baby blijken te vertoeven. Maar het gevreesde romantische sausje weten de Britten er goddank uit weg te houden: hij moet snel verder om zijn opdracht te vervullen en daarmee aan de eenheid van handeling te blijven voldoen.

Mijn grootste punt van kritiek op 1917 is de muziek. Wat mij bij het zien van de film opviel en behoorlijk stoorde, vond ik later treffend verwoord in de bespreking door Christelle Point, die schreef:

dans «1917», elle [la musique] est presque dérangeante tant elle appuie les effets et tant elle est forte et omniprésente. A mois d’en faire presque un personnage du film comme l’avait fait Christopher Nolan avec « Dunkerque », la musique parasite trop souvent les images. C’est le seul et inique bémol que j’adresse à «1917 » sur sa forme
(in “1917” is ze [de muziek] bijna storend door de manier waarop ze de effecten ondersteunt en doordat ze zo sterk en alomtegenwoordig is. Tenzij je haar bijna een personage in de film maakt zoals Christopher Nolan deed met “Duinkerken”, belemmert de muziek te vaak de beelden. Het is het enige en niet te rechtvaardigen minpunt waarop ik “1917” qua vorm aanspreek).

Dat zit zo, in mijn beleving: Point maakt een onderscheid waarmee ze de spijker op de kop slaat. Muziek kan worden ingezet als het hoofdpersonage, zoals we dat al enkele eeuwen kennen in de zogenaamde programmamuziek. Ik noem slechts Haydns Speelgoedsymfonie, Smetana’s Má Vlast, en heel sterk ook Russische composities als Sheherazade (Rimski- Korsakov), de Schilderijententoonstelling (Moessorgski) en Peter en de wolf (Prokofiev). Daar draait het om de muziek die verwijst naar een buitenmuzikaal, al dan niet tekstueel gegeven.

Muziek kan ook worden in gezet om de tekst, als hoofdonderwerp, beter te kunnen overdragen door die op muziek te zetten. Van het Gregoriaans tot de Britse community singing, van bruiloften en partijen tot voetbalstadions en volkstaalliturgie, muziek is een uitnemend middel om een tekst beter te duiden door er nog iets geweldigs aan toe te voegen, al dan niet sacraal, maar in elk geval iets wat saamhorigheid benadrukt.

Vanaf de polyfonie trad er een zekere verschuiving op: de muziek werd prominenter en dominanter, ten detrimente van de tekst die er uiteindelijk soms met de haren was bijgesleept om de muziek maar te kunnen zingen. Dan krijg je bijvoorbeeld de opera, en in een latere fase de musical. Daar gaat het in hoofdzaak om de muziek, de performance, de dans, de show, het spektakel. De tekst is daaraan onderworpen en lijkt soms wel volsterkt inwisselbaar te zijn door een andere tekst – onverstaanbaar als die vaak toch al is. Wie daarvan houdt, doet er zijn gevoeg maar mee.

Vanaf de stomme film kwam er een nieuwe uitdaging. Aanvankelijk was de techniek het grote struikelblok, maar zeker in de laatste halve eeuw werd het gaandeweg steeds eenvoudiger om met het beeld ook het geluid synchroon op te nemen. Vergelijk het rustig met het essentiële verschil tussen (geluidloze) super-8 films, waarbij je alleen het sonore ratelende geluid van de projector hoort, en de latere video-8 films met een geluidspoor. Toen kon zich de situatie ontwikkelen dat een regisseur de beschikking had over zowel het synchroon opgenomen, natuurlijke geluid en het later toe te voegen geluid ter ondersteuning van de beelden. En daar zit nu precies de grote valkuil.

Synchroon opgenomen omgevingsgeluiden kunnen stemmingverhogend werken.
Kwetterende vogels, tsjilpende krekels, zoemende bijtjes zijn prima ingrediënten voor een Natureingang, zoals kletterende regen tegen vensterruit, donder en bliksem dat overigens ook kunnen zijn.  Dat alles ontbreekt in 1917. Enerzijds wel een vredige opening met een vroegbloeiend weidelandschap (geen zinduidende klaprozen!) met op de voorgrond twee slapende personen, maar de regie zet daar een niet terzakedoende muziekje onder in plaats van de natuurstemming die zo simpel had gekund. Ook geen kanongebulder in de verte, zo typerend voor een duiding van plaats en tijd aan  het WO-I-front. Een misser dus van Thomas Newman. Voor mij had hij geen heel orkest hoeven te mobiliseren. Zijn toegevoegde muziek heeft geen enkele toegevoegde waarde. Integendeel. Had het maar gelaten bij de ‘natuurlijke’, voor mijn part nagesynchroniseerde geluiden van de vliegtuigen, van de als een fakkel brandende kerk van Écoust, van de zuigende geluiden van de laarzen in de modderige grond, van ontploffende granaten.

En, het storendste geluidseffect, wanneer Schofield na het beklimmen van de vernielde kanaalbrug de Duitse sluipschutter in het sluiswachtershuis wil gaan uitschakelen en de trap naar de verdieping bestijgt, de volstrekt zinloze muziek die spanningsverhogend moet werken. Nee dus. We zijn toch niet achterlijk? Ieder van ons weet dat er gevaar dreigt en wat Schofield te doen staat. Het enige geluid dat hier oorverdovend perfect had gefunctioneerd was één minuut absolute stilte, Sir.

Het moge desondanks duidelijk zijn dat ik al met al iedereen van harte wil aanmoedigen 1917 te gaan bekijken. In een echte bioscoop, op een meer dan levensgroot scherm met onontkoombaar goed geluid, waardoor je wordt gegrepen en ondergedompeld in een wereld waarin je niet zou willen leven.

______________________________________

titel: 1917 (GB/USA 2019)
regie: Sam Mendes
script: Sam Mendes en  Krysty Wilson-Cairns
speelduur: 2’09
IMDB: https://www.imdb.com/title/tt8579674/
trailers:

https://www.youtube.com/watch?v=gZjQROMAh_s
https://www.youtube.com/watch?v=1q0KJHLXVag

 

VESI

Het mag in de krant. Afgelopen donderdag kwam de uitgever vroeg in de ochtend mijn hele oplage van La vérité et son image thuis afleveren, en zulks binnen de afgesproken termijn. Dat vormde het sluitstuk van een inspanning die 15 jaar geleden begon toen we tot onze verrassing de brieven en andere documenten uit 1914-1918 tussen de rommel aantroffen in het pas gekochte huis in Rosoy. Die zijn nu dus definitief voor het nageslacht bewaard.

VESI staat voor La vérité et son image (“De waarheid en derzelver beeld”).
Behalve dat ik, met de voortvarende medewerking van de opmaakafdeling van de uitgeverij, het boek er mooi vind uitzien, wil ik twee argumenten benadrukken waarom ik deze becommentarieerde en geïllustreerde documenten zo graag zag uitgegeven. Immers: wat heeft een Nederlander nu met de Eerste Wereldoorlog, zo lang geleden en zo ver van huis?

Het eerste argument is dat ik het vele gevonden authentieke materiaal op deze manier wilde behoeden voor de vergankelijkheid, voor de stort, voor de oud-papieractie waarvan de opbrengst per kilo naar de plaatselijke carnavalsvereniging gaat. Bovendien, het gaat hier om het familie-erfgoed, daterend van eind 19e eeuw tot na de Tweede Wereldoorlog, van mensen van wie ik nog steeds het idee heb dat ik nu woon in hun huis, met het karakter dat zij erin hebben aangebracht, met de vele spullen die zij erin hebben achtergelaten. Een hommage dus aan een gezin dat zonder nageslacht in de vergetelheid dreigde te geraken.
Daarom ben ik blij hier nu een stapel van hun verleden te hebben liggen onder het toeziend oog van dochter Solange Parisot (1900-1997). Zie mijn bericht Zomaar een muur voor de wordingsgeschiedenis van die buste.

Het tweede argument betreft mijn visie op de berichtgeving over oorlogen. Alle oorlogen, de 30-jarige, 80-jarige, 100-jarige; de 1e of 2e (of 3e) Wereldoorlog, de als regionaal bestempelde oorlogen op de Balkan of in het Midden-Oosten. Natuurlijk is het uiterst zinvol dat al die gruwelijkheden in hun totaliteit worden beschreven, vastgelegd in boeken, in films, op internet – zij die het kunnen navertellen, worden steeds schaarser en de les van het verleden kan richting geven aan de toekomst.

Maar hoe groter de oorlog, hoe groter het aantal miljoenen zinloze slachtoffers, des te meer dreigt het “kleine leed” uit het zicht te verdwijnen.
Toen ik over de plundering en verwoesting schreef van het dorp Hortes in 1636, hier twee kilometer vandaan, richtte ik mij met opzet niet op de gigantische ellende, van de Jura tot aan Sleeswijk-Holstein, die de “Kroatische bendes” teweeg brachten, maar bracht ik de minutieus beschreven gebeurtenissen van één septemberweek in 1636 terug tot de belevenissen van één enkele, nota bene door mij verzonnen familie in Hortes die het allemaal over zich heen kreeg.

Vanuit mijn opvatting dat het Kleine Leed groter is dan de Grote Oorlog vielen mij de documenten van de familie Parisot-Millot uit Rosoy dan ook als een godsgeschenk in de schoot. Niet alleen kreeg ik eerstehandinformatie over wat één persoon, de vader, allemaal aan het front moest meemaken tussen 1914 en 1918, maar ook kwam overduidelijk aan de oppervlakte wat de rest van de familie, de moeder met haar twee kinderen, geboren in 1900 en 1909, moesten doorstaan, ook al was dat ver van het front verwijderd. Zonder elektriciteit of machines, zelfs zonder paard of karren, moesten zij naast het bewerkelijke huishouden ook voor de weggevallen inkomsten zorgen, om over “opvoeding” en school maar te zwijgen. De noodzaak van zelfvoorzienendheid hield de haast onmogelijke klus in de tegen de honderd stukken land die het gezin bezat te moeten bewerken. Weilanden, akkergrond, wijngaarden, bosgrond. Alles met de hand bewerken en lopend transporteren. Twee koeien, een varken, wat kippen in en om het huis. Slechte hygiëne, nauwelijks medische zorg (als je een dokter nodig had, moest die per fiets uit Fayl-Billot komen, 12 kilometer verderop, maar je had geen geld om hem te betalen). Ze hebben het alle vier overleefd, stierven achtereenvolgens in 1948, 1962, 1982 en 1997.

Geen “echt” oorlogsverhaal dus, want dan moet je sneuvelen of minstens wat ledematen verliezen, en moet je de kogelgaten in je helm kunnen laten zien. Maar wat deze familie overhield na de getekende vrede in 1918 was die andere soort van littekens waarmee zij tot hun dood verder moesten leven en die meestal buiten de oorlogsboeken en -films blijft. Dat is de reden dat ik mij gelukkig prijs deze zo persoonlijke documentatie in boekvorm te hebben kunnen vastleggen.

Voor wie het nog niet uit andere berichten heeft meegekregen: een uitgebreid overzicht, aangevuld met meer dan 500 gescande documenten, foto’s, kaarten en wat dies meer zij, heb ik bijeengebracht op de website rond La vérité et son image: https://www.rosoy.nl/parisot. Helemaal in het Frans en het Nederlands, opdat u niets ontga.

 

 

 

De Grote Oorlog

Nederlanders hebben er niet zo veel mee, maar voor Belgen en Fransen is de Eerste Wereldoorlog immer nog De Grote Oorlog. De geschiedschrijving daarvan kan aanmerkelijk worden verlevendigd door persoonlijke documenten van mensen die de periode 1914-1918 aan den lijve hebben ondervonden. Ik geef een aanzet voor een dergelijk beschrijvingsproject.

De vader van Solange en André Parisot, de vorige bewoners van ons huidige huis in Rosoy, werd op 4 augustus 1914 gemobiliseerd. Zijn lijdensweg liep langs de hele Noord-Franse grensstreek, grofweg van Belfort in het oosten tot Le Havre in het westen. Hoe hij heeft weten te overleven, is een raadsel.

Twee bronnen kunnen daarop wel een merkwaardig licht laten schijnen:

1. Met zo groot mogelijke regelmaat stuurde Eugène Parisot (1874-1962) brieven naar zijn vrouw Louise Millot (1875-1947) en de twee kinderen Solange (1900-1997) en André (1909-1981). Louise heeft tientallen van deze brieven steeds met naald en draad gebonden tot er uiteindelijk een 4 centimeter dik pakket “berichten van het front” ontstond. Dat pak brieven is in ons bezit.

2. Zelf had Eugène een zakboekje van 15×9 cm in zijn borstzak zitten, waarin hij in zo klein mogelijke lettertjes zo veel mogelijk dagboeknotities maakte. Ook die bron hebben wij hier liggen.

Daarnaast hebben we nog wat “ondersteunend materiaal”, zoals zijn militair paspoort en enkele kleine, bijna geheel vervaagde foto’s van het front.

Zonder op dit moment op al te veel details in te gaan, wil ik één opvallend aspect van beide bronnen niet onvermeld laten: waar zijn brieven over het algemeen een geruststellende toon voor het thuisfront ademen (goed weer, lekker eten, kanonvuur ver weg, …), komt in het zakboekje de werkelijke toestand aan het oorlogsfront boven tafel (angst, ellende, modder, gesneuvelde kameraden, …). Achterin het boekje schrijft hij op 1 juni 1915 te Vicq, die beruchte frontplaats, in keurige letters en in twee kleuren zijn testament.

Het zal een hele klus worden, maar het lijkt mij de moeite waard van deze twee bronnen naast elkaar een uitgave te maken met een schat aan inside information en wijze van communiceren. Die klus omvat minstens:

  • Het ordenen van het beschikbare materiaal (dat is al zo goed als klaar).
  • Het ontcijferen van de geschreven pagina’s, vaak heel priegelig, vaak ook slecht leesbaar vanwege een dun potlood, in enkele gevallen ook deels onleesbaar door aangevreten of gescheurd papier.
  • Van de Franse transcriptie zou dan eventueel een Nederlandse vertaling moeten worden gemaakt (of de hele uitgave moet uitsluitend in het Frans blijven).
  • De bronteksten moeten vervolgens van historisch-wetenschappelijk gedegen commentaar worden voorzien, waarbij een beslissing moet vallen over de vraag of het tot deze persoonlijke familie-ervaring moet blijven, of dat die moet worden ingebed in het grotere geheel van de geschiedschrijving over WO-I.
  • Er moet een uitgever worden gevonden die bereid is het zo ontstane materiaal uit te geven. Misschien moet er trouwens wel eerst een uitgever worden gevonden voordat de andere stappen kunnen worden gezet.


Mijn vraag op dit moment is of iemand suggesties heeft voor een geïnteresseerde uitgever en/of voor de verwerking van het bronnenmateriaal.