Borstels

Het was opeens tamelijk frisjes geworden, op 25 september, toen we een bezoek brachten aan de A.M.B.O., de Association pour le Musée des Brosseries de l’Oise in Tracy-le-Mont, het borstelmuseum waarin een groot deel is ingeruimd voor de voormalige borstelfabriek van Charles Loonen. De rode neuzen op deze foto zijn dus niet het gevolg van overmatig drankgebruik.
Het bezoek vond plaats daags voor ons bezoek aan Compi
ègne voor de presentatie van het kolossale boek over de 9.000 gedeporteerden naar Buchenwald, waartoe ook Pierre Loonen, een van Charles’ zonen behoorde.
Over die boekpresentatie heb ik onlangs al bericht; Pierre vormt al enige tijd een van mijn onderzoeksterreinen.

Directe aanleiding om de A.M.B.O. te bezoeken was een kleerborstel en handspiegel die ik vijf jaar eerder via een Amerikaanse veiling had gekocht en die de USPS, de Amerikaanse PTT, mij tegen een woekerbedrag had toegestuurd. Die USPS maskeert, zoals bekend, een ongebreidelde, edoch systematische wanprestatie, zoals het met grote regelmaat kwijtraken althans niet afleveren van poststukken, door exorbitante portokosten te berekenen. Kijk maar op Ebay om je van dat laatste te overtuigen.

Welnu, dat setje “Parisian Loonen Ivory” wilde ik schenken aan het borstelmuseum in Tracy-le-Mont, want het leek mij passender dat het daar een plek kreeg dan bij mij ergens in een kast. In de advertentie werd het geafficheerd als een “vintage item from de 30s“, wat mij verdacht voorkomt, want Charles overleed in 1913 en de fabriek werd in 1918 compleet gebombardeerd en niet heropend. Bovendien is de aanduiding “ivory” op z’n zachtst gezegd misleidend, want het buitenste materiaal is helemaal geen ivoor, maar ivoirin nepivoor, een qua kleur op ivoor gelijkende harde kunststof. Echt ivoren artikelen waren veel zeldzamer en aanmerkelijk prijziger. Vergelijk het met de witte piano- of orgeltoetsen. De set is trouwens niet in de VS gefabriceerd, maar in Tracy-le-Mont en met Engelstalige inscriptie derwaarts geëxporteerd. Het aangebrachte monogram heb ik niet kunnen ontcijferen of thuisbrengen; bij de A.M.B.O. wist men er evenmin raad mee.

Om Charles Loonen (*Breda 1850 – †Tracy-le-Mont 1913) even op de kaart te zetten: hij was het tweede kind van Ferdinand Loonen (*Breda 1824 – †Montmorency 1884) die het vierde van maar liefst 15 kinderen was van Adrianus Loonen (*Breda 1793 – †Breda 1868) die onder meer koopman in galanterieën en ijzerwaren was, de Fa. A. Loonen Czoon te Breda. Zoon Ferdinand emigreerde naar Parijs. Inmiddels in 1868 tot Fransman genaturaliseerd, was hij het die in Tracy-le-Mont een borstelfabriek opzette, die hij aanvankelijk samen met zoon Charles beheerde, die vanaf 1884 de enige directeur/patron werd. Er werden handgemaakte haarborstels, kleerborstels, tandenborstels en bijkomende attributen vervaardigd die niet alleen de vrouwen behaagden.
Charles ontwikkelde zich tot een groot industrieel met wereldwijd verkooppunten, o.a. in New York, Osaka, Londen, Parijs en Hamburg. Zijn fabriek bood werk aan meer dan 1.000 werknemers; andere bronnen spreken van 2.000 werknemers.
Hij bezocht enkele keren de Verenigde Staten en Japan, en in het verlengde daarvan publiceerde hij in 1894 het boek Le Japon moderne, waarmee hij Europa wilde laten kennismaken met Japanse gewoonten, gebruiken en bedrijfscultuur. Dat boek is online te raadplegen en er bestaat een moderne herdruk van (let op de enorme prijsverschillen!).
Onlangs heb ik een origineel exemplaar weten te bemachtigen, weliswaar in vrij deplorabele staat, maar deswege niet al te duur. Ik heb dat helemaal uit elkaar gehaald, opnieuw ingebonden en gerestaureerd. Er circuleren niet veel originele drukken meer.

Lokaal bracht de notabele groot-industrieel Charles het van 1892 tot 1912 tot burgemeester van Tracy-le-Mont. Dat feit leidde er mede toe dat er daar een plein naar hem is vernoemd, precies op de plek waar zich eermaals (waarom bestaat dat woord niet meer?) het omvangrijke fabriekscomplex bevond, een eind buiten het centrum van Tracy-le-Mont.

Over de werkomstandigheden zo rond 1900 zou ik het maar liever niet hebben. De Borstelfabriek-Loonen ontpopte zich als een soort staat-in-de-staat, met zijn eigen voorzieningen voor het personeel op het gebied van medische zorg (gratis, tweemaal ’s weeks), ontspanning en eigen winkel, waar de werknemers en -neemsters met eigen bedrijfsmunten noodzakelijke inkopen konden doen. Vergelijk het maar met het Philips-imperium in het Eindhoven van een groot deel van de 20e eeuw.
Dat klinkt allemaal heel mooi, maar de omstandigheden waren in onze huidige opvatting allerbelabberdst. Vakbonden, ondernemingsraad, vakantie, vrije zaterdag, dat waren begrippen die in het vocabulaire-Loonen niet voorkwamen. Bovendien werd met grote regelmaat loon ingehouden, d.w.z. muntjes niet uitgekeerd, als personeelsleden onder het werk zaten te kletsen met elkaar, of te laat kwamen, of hun vereiste productiequotum niet haalden. Het verhaal gaat dat Charles mede op die manier een fortuin vergaarde dat hem onder meer in staat stelde in Ollencourt een fraai Château te laten bouwen, dat lokaal de bijnaam “le Château des amendes“, “het boetekasteel” verwierf. Na te zijn platgebombardeerd in 1918 is het luxe buitenverblijf in oude luister hersteld. Heden ten dage is het een revalidatiecentrum voor cardiovasculaire patiënten. Ik ben er vorige maand eens wezen kijken en vraag me af wat hij er met vrouw en vier kinderen al met al te zoeken had.

A.M.B.O. bleek enorm ingenomen te zijn met ons bezoek op 25 september. Een delegatie van de stichting leidde ons rond door het groots opgezette en door vrijwilligers onderhouden museum, met ampele toelichtingen, een hapje en een drankje (dus toch! Maar ik moest nog rijden…) en een aantal boekjes en ander materiaal alsmede een gepersonaliseerd relatiegeschenk (een haarborstel en twee tandenborstels) in ruil voor de overhandigde aanwinst, waarvoor men alvast een met rood fluweel bedekte vitrineplankje had gereserveerd. Ook de pers van twee lokale kranten was erbij uitgenodigd.
Ik wil niet verhullen dat het bericht in Oise Hebdo, dat hier helemaal bovenaan integraal staat weergegeven, niet uitblinkt door feitelijke correctheid. Eens te meer onderstreept dat de waarschuwing dat je van persberichten niet meer dan 50% moet geloven, maar dat is weer een ander verhaal.

 

8971

Dat is het exacte aantal biografieën van gedeporteerden tussen 1942 en 1944 vanuit Compiègne naar Buchenwald, en van daaruit naar het ondergrondse werkkamp Mittelbau-Dora waar V2’s werden gebouwd. Het betrof voor het merendeel Franse politieke gevangenen, die zijn opgenomen in het “Livre des 9000 déportés de France à Mittelbau-Dora“.
Op zaterdag 26 september 2020 vond in Compiègne de officiële boekpresentatie plaats, en werden er ±100 exemplaren overhandigd aan nog levende familieleden van gedeporteerden die zich hadden aangemeld. Ik was één van hen als ver familielid van Pierre Loonen (1884-1944).

De gemeente Compiègne had, in samenwerking met het centrum voor oorlogsdocumentatie La Coupole (“De Koepel“) in Saint-Omer (Sint-Omaars) groots uitgepakt. Het werd een dagvullende cérémonie die drie onderdelen omvatte: een officieel gedeelte bij het monument buiten, aan de rand van het Mémorial in Compiègne-Royallieu, de plaats waar in de oorlog het internerings-, tevens doorgangskamp was gevestigd, vergelijkbaar met de functie die Westerbork in Nederland vervulde. Daarna volgde binnen, in de tentoonstellingsruimte, de officële aanbieding van exemplaren van het boek aan nog levende familieleden van gedeporteerden, en ten slotte waren er ’s middags enkele ronde-tafelgesprekken over diverse gerelateerde thema’s.
Op 13 oktober vindt er een vergelijkbare manifestatie plaats in Angoulême en op 16 oktober in Nancy. De geplande bijeenkomsten in Toulouse (6 oktober) en Parijs (29 oktober) zijn vanwege Covid19 nu al geannuleerd.

Het eerste gedeelte was zoals in Frankrijk te doen gebruikelijk: Voorafgegaan door een tiental vaandeldragers, vermoedelijk allen oorlogsveteranen, togen circa 300 kleumende aanwezigen naar het monument om daar eerst te luisteren naar enkele toespraken van Belangrijke Personen, wier toespraken meer breedvoerig dan indrukwekkend waren. Dat het wel ronduit fris was, maar in elk geval niet regende, was nog een geluk bij een ongeluk, want doordat de burgemeester van Compiègne een half uur te laat ten tonele verscheen, liet de organisatie het toegestroomde publiek al die tijd lelijk in de kou staan.
Intussen had de Gendarmerie, uit een mengeling van sereniteit en piëteit, de straat aan beide zijden afgegrendeld; een zeer correcte maatregel, gelet op de aard van de bijeenkomst.

Na de toespraken werden, via luidsprekers, enkele liederen ten gehore gebracht waarvan La Marseillaise het laatste was. Niemand zong mee, noodgedwongen. Tot slot volgde de obligate kranslegging en een beperkt défilé, net zoals wij dat ook van de 4-meiherdenking op de Dam kennen.

Voorafgaand aan het tweede gedeelte, in de tentoonstellingsruimte, kon wie dat wilde nog enkele blikken werpen op wat er van het kampement is overgebleven.
Aan de ingang van het Mémorial bevindt zich een grote glazen wand met daarop alle(?) 40.000 namen van geïnterneerden en gedeporteerden vanuit Royallieu. Ik had die wand al bij een eerder bezoek in 2015 bestudeerd. Maar het viel mij op, en dat werd ook bevestigd, dat de lijst met namen in de afgelopen jaren drastisch was uitgebreid. Het immer voortdurende onderzoek naar oorlogsgegevens blijkt verrassend veel nieuwe informatie aan de oppervlakte te brengen.

Het volumineuze boek van Laurent Thiery (en vele anderen), 2500 pagina’s, 23×30 cm en ruim 4 kilo zwaar is een monument op zich. In hoofdzaak is het een “dictionnaire” van bijna 9.000 alfabetisch opgenomen biografieën, waaronder dus ook die van Pierre Loonen.
Ik lees er gegevens in die mij tot nu toe onbekend waren, zoals de officiële verklaring uit 1950 van zijn overlijden in 1943 (al moet dat 1944 zijn), maar ook enkele waarvan ik de juistheid betwijfel. Maar geen wonder dat een zodanig uitgebreid werk incompleet en op diverse punten incorrect is. Zo zien we op het achterin opgenomen kaartje van Duitse kampen in Europa op de plaats waar kamp Amersfoort had moeten staan, kamp Breendonk vermeld. Maar Fort Breendonk ligt 20 km ten zuiden van Antwerpen. En op dat kaartje ontbreekt kamp Westerbork, toch de Nederlandse pendant van Compiègne.
Ik neem aan dat veel lezers ertoe overgaan omissies en incorrectheden aan de auteur kenbaar te maken, opdat over enige tijd een uitgebreidere en verbeterde druk, of minimaal een lijst van errata zal kunnen verschijnen.

Er zat aan de bijeenkomst binnen wel een wat beangstigend kantje. Tijdens de toespraken aldaar, waaronder de toelichting van auteur Laurent Thiery, die onder meer alle namen voorlas van de familieleden die zich hadden gemeld, en die hun eigenhandig een exemplaar van het boek overhandigde, zaten de ±300 aanwezigen hutje-mutje opeengepakt in een afgesloten ruimte.
Weliswaar droeg iedereen, verplicht, een mondkapje en werd er slechts beleefd geapplaudiseerd, maar niet geschreeuwd of gezongen. Ik vraag me af wat daar niettemin het gevolg van kan zijn, en het is ook heel begrijpelijk dat vergelijkbare bijeenkomsten elders in Frankrijk al ruim tevoren zijn geannuleerd. Die omstandigheid was voor ons aanleiding niet deel te nemen aan de gespeksronden in de namiddag, nog los van het feit dat wij ook nog een thuisreis van zeker 5 uren voor de boeg hadden.

Hoe het ook zij, aan de al met al bewogen cérémonie heb ik veel herinneringen overgehouden, en een indrukwekkend boekwerk.
Dat boek is een stimulans te meer verder te gaan met mijn zoektocht naar wat er zich in die oorlogsjaren heeft afgespeeld, met die arrestaties, interneringen, deportaties, werkomstandigheden in Mittelbau-Dora en het “Erholungsort” Lublin/Majdanek, in de biografie van Pierre Loonen betiteld als “camp mouroir“, “crepeerkamp“, als mijn achter-achterneef daar al ooit is aangekomen. Dat zal vermoedelijk wel nooit duidelijk worden.

Fly Corsica

In Nederland zegt men BÁstia.
Op Corsica zegt men BastÍa
In Frankrijk zegt men BastiÁ.
Dat zegt iets over de taalsituatie op Corsica.

Mijn indruk is dat ze er daar zo niet laconiek, dan toch in elk geval soepel mee omgaan. Vergelijk het met de veeltaligheid in Luxemburg en Zwitserland.

Maar over het Corsicaans, U Corsu, wilde ik het nu even niet hebben. Dit bericht gaat over de vlucht van Bastia-Poretta naar Dôle-Tavaux op 4 september. Al met al twee uren film, die ik heb teruggebracht tot een samenvatting van dik 25 minuten.
Ik zit met een dubbel gevoel. Als vlieg- (en spoor-)fanaat geniet ik enorm van dat soort reizen, maar ik ken ook de grote milieubezwaren die er aan vliegbewegingen vastzitten. Naar Amsterdam, Brussel, Parijs, Londen en Wenen zal ik het vliegtuig niet pakken, maar om op Corsica te komen is er geen redelijk milieuvriendelijk alternatief voorhanden.

Ik heb die vluchtfilm op Youtube gezet. En ter geruststelling: als je die gaat bekijken, belast je het milieu niet of nauwelijks.

Veel kijkplezier dus.

Corsica 8 van 8

De terugreis naar Dóle-Tavaux en door naar Rosoy was voor mij de kers op de taart. Dat lag aan het uiterst vriendelijke personeel van Air Corsica, maar zeker ook aan het mooie weer met strakblauwe lucht, als gevolg waarvan ik snel mijn gereserveerde zitplaats links wist om te ruilen voor een plek aan het raam rechts. Daarmee kreeg ik onder meer vrij zicht op de Franse Alpen, welk genoegen mij op de heenreis door de bewolking was ontnomen.

Voor we de vertrekhal betraden, moest eerst de huurauto bij Hertz worden ingeleverd, recht tegenover het vliegveld. Dat verliep uitermate soepel en snel, zeker vergeleken met de wachttijd van meer dan een uur bij het ophalen, een week eerder.
Ook het inchecken van de bagage was geen enkel probleem: per persoon gratis één koffer van maximaal 23 kilo als ruimbagae en één of twee stuks handbagage mee naar binnen. Daar werd niet zo streng op gelet. Wel op het in bezit hebben van een ondertekende verklaring ‘sur l’honneur‘ dat je de afgelopen 15 dagen geen coronaverschijnselen had gehad. Voor wat het waard is.

Het vliegtuig was maar voor de helft volgeboekt, dus plek zat. Eigenlijk was reserveren (€15 per persoon per vlucht) helemaal niet nodig geweest, maar dat weet je van tevoren niet. In feite konden we de stoel uitzoeken waar we het liefste wilden gaan zitten, als je maar als eerste wist in te stappen.

Je merkt het: ik ben niet alleen een spoorfanaat, maar ook een vliegfanaat, geniet van elke vlucht die ik maak, en zeker bij dit toestel, een ATR 72-500, is het een groot voordeel dat het een hoogdekker is, zodat je niet de hele vlucht tegen een vleugel zit aan te kijken. Het gedroomde resultaat was een fraai uitzicht vanuit de lucht op Bastia, Monaco, de Franse Alpen met uiteindelijk, op de achtergrond, de Mont Blanc.

Ik heb de hele vlucht van dik anderhalf uur gefilmd. Die denk ik te gaan terugbrengen tot een samenvatting van 20 minuten ongeveer, en die dan via YouTube aan het grote publiek prijsgeven. De omvang van zo’n film beloopt al gauw 1,5 Gb. Vandaar. Zie echter ook HIER.

Start, vlucht, landing, alles verliep vlekkeloos. De auto stond er nog. Het is op vliegveld Dóle zelfs gratis parkeren; kom daar maar eens om op Schiphol, Eindhoven, Düsseldorf, Weeze, Charleroi,…
Samen met het mooie weer in Dóle, onbewolkt en 28°, net als bij het vertrek in Bastia, maakte dat dat voor mij het dak eraf kon. Dat deden we dan ook. Opgestegen om 10:30 waren we om 14:00 weer thuis in Rosoy, 1100 kilometer verderop.

En nog wat cijfers ter afronding:
Op Corsica hebben we in totaal net iets meer dan 600 km met de auto gereden.
De vele herinneringen aan de overweldigende Corsicareis liggen verankerd in bijna 500 foto’s en meer dan 75 uur filmbeeld. Als ik daarvan een compilatie wil gaan maken van hooguit één uur, moet ik dus meer dan 98 % ongebruikt laten. Dat alleen al is een megaklus, maar als me dat lukt, is het wel de slagroom op de kers op de taart. 

_____________________________________________________
De hele reeks:
Dag 1: 28 aug.
Dag 2: 29 aug.
Dag 3: 30 aug.
Dag 4: 31 aug.
Dag 5: 1 sept.
Dag 6: 2 sept.
Dag 7: 3 sept.
Dag 8: (dit verslag)

Corsica 7 van 8

De voorlaatste dag. Geen fantastische tripjes gepland, maar vooral besteed aan inpakken, schoonmaken, wat rondwandelen, de terugvlucht online bevestigen, nog wat boodschappen doen, opeten en -drinken wat we allemaal veel te veel hebben ingeslagen (want de bagagecapaciteit is beperkt) en meer van dat soort logistieke trammelant. Een goed moment om een paar karakteristieke eigenaardigheden onder de loep te nemen die wij op Corsica hebben ervaren.

BEREIKBAARHEID
Om Corsica nog wat aantrekkelijker te maken: vanuit Rosoy rijd je in 1½ uur naar vliegveld Dôle-Tavaux, en van daaruit vlieg je in 1 uur en 40 minuten met Air Corsica naar Bastia. Voor wie vanuit Nederland wil reizen: vanaf vliegveld Brussel-Charleroi vlieg je in 1 uur en 3 kwartier naar Ajaccio of Bastia.

Een alternatief kan zijn dat je per auto of trein naar de Côte d’Azur rijdt, of La Spezia in Italië en daar de boot naar Corsica neemt. Maar die optie is aanmerkelijk duurder en kost beduidend meer tijd.

BIGORNO
Na twee nachten in een hotel bij Bastia verbleven wij 5 nachten in het binnenland van Corsica, in een gîte in Bigorno.
Maar Bigorno bestaat helemaal niet, althans, het bestaat alleen op papier. Het is de overkoepelende naam van de gemeente die vier gehuchten omvat: Teghie (spreek uit: [tedzji]), waar wij zaten, Sammarcello, Roja en Ficajola.
Officieel wonen er 90 inwoners, maar dat is nog ruim gemeten. De buren vertelden ons dat er ’s winters maar vijf huishoudens verblijven; andere bewoners pogen de koude maanden elders door te brengen, want het is er te bar en onherbergzaam. Ook zijn veel panden in de zomermaanden in gebruik als tweede huis voor mensen uit de stad, Bastia, of een andere woonplaats op het Franse vasteland.

WEER
In de twee weken voor en de week tijdens ons verblijf op Corsica schoten de weersverwachtingen alle kanten op.
Nu hanteer ik voor de betrouwbaarheid van wat het KNMI en Météo France ons voorspiegelen doorgaans een formule die ik in de volgende breuk weergeef:


(de geloofwaardigheid van de som van Facebook + Twitter + Whatsapp)²
de juistheid van de tweets van Trump op een schaal van −1 tot −10

Anders gezegd: aanvankelijk zouden we een week krijgen met aan de kust strakblauwe lucht en 30°, wat later veranderde in het ergste scenario van elke dag continu regen, onweer en windvlagen met koude nachten van onder de 14°. En voor Bigorno, op 680 meter hoogte, hetzelfde weertype maar dan slechts tussen de 22-25° overdag en rond de 12° in de nacht.

En wat werd het? Elke dag variërend van onbewolkt tot half/zwaar bewolkt, overal tussen de 26-30° overdag, soms sterke windvlagen, soms dreigende luchten, in de verte zware, zwangere wolken die zich als capuchons op de bergtoppen nestelden, maar verder helemaal droog, op een enkele keer na 13 druppels tegen de voorruit. Maar die konden ook afkomstig zijn van de auto vóór ons, die zijn ruitensproeier hanteerde.
Kort en goed: we hebben geboft met het weer voor het soort uitstapjes dat wij maakten. Geen nattigheid en geen tropische hitte.

VEGETATIE
Ik waag me er niet aan de 2500 plantensoorten op te sommen die je op Corsica tegenkomt. Wel is duidelijk dat het eiland een zeer rijke, letterlijk florissante vegetatie bezit. Enerzijds de overdaad aan bloemen, in het wild, in tuinen, op balkons, waarbij de forse en uitbundig bloeiende oleanders er bovenuit springen, zoals hier in Bigorno langs de trappen van serpentiniet.
Anderzijds de vele bomen, naast kastanjes, beuken, eiken, dadels, vijgen, olijven ook de typisch mediterrane soorten palmen, ananas, agaves en cactussen.

Daar tegenover staan wel de zeer vele dode bomen, zo te zien niet door de droogte of hitte van dit jaar, maar van vele jaren. Ook in de vegetatie heerst kennelijk de wet van de jungle.

Uitgestrekte landerijen met graan of zonnebloemen of aardappelen zagen we niet, maar dat is in een streek vol steile heuvels en bergen ook niet zo verwonderlijk. Wel onderhouden veel Corsicanen een moestuintje met vooral bonen en tomaten.

Alles bij elkaar is het uitermate fotogeniek en wie daarop uit is, kan er honderden fraaie foto’s maken.
En dan heb ik het nog niet eens gehad over het loslopend vee: runderen, varkens/zwijnen, geiten, schapen, die in de bermen wat schamele sprieten of nootjes zoeken om te verorberen, en als dat niet lukt, grazen ze het asfalt af, waardoor je geen andere keus hebt dan te stoppen en te wachten tot ze daar zijn uitgegraasd. Dat geldt ook voor de treinen op het spoor, die bij herhaling tot een noodstop worden gedwongen doordat er een enkele koe of een troep zwijnen zich tussen de rails hebben begeven. Maar goed, dieren horen niet tot de vegetatie.

TAAL
Sè vo leghjite sta frasa, pudete vede chì u corsu hè assai simile à u talianu.
Als je deze zin leest, kun je zien dat het Corsicaans veel weg heeft van het Italiaans.
Het heet dat het Corsicaans sterk verwant is aan het Toscaanse dialect. Ik kan dat niet helemaal goed beoordelen, maar met kennis van het Italiaans kun je je in Corsica goed redden bij het lezen van opschriften en zo.
Natuurlijk heeft de eilandtaal zich apart ontwikkeld. Dat komt ook door de gemengde bevolking; 40% is niet-oorspronkelijk Corsicaans. En natuurlijk doet de Franse overheersing sinds 1768 zich ook in talig opzicht gelden. Per saldo kun je stellen dat de Corsicanen in doorsnee meertalig zijn: Corsicaans en Frans, daarnaast nog Italiaans en Engels. De borden op het vliegveld en de mededelingen in het vliegtuig zijn keurig netjes in het Corsicaans, Frans en Engels.
De Fransen, die het qua toponiemen vaak niet zo nauw nemen, hebben plaatsnaamborden geplaatst, waarvan sommige alleen in het Frans zijn. Daar weet de bevolking wel raad mee: met een spuitbus veranderen zij de Frans-Italiaanse spelling in de Corsicaanse (in het Corsicaans wordt de Italiaanse o vaak als u gespeld en uitgesproken). Sommige borden zijn door de Fransen netjes tweetalig, zoals we dat ook uit Friesland kennen. In dat geval wordt de Frane naam zwart weggespoten.
Bedenk verder dat de Italiaanse lidwoorden il en la in het Corsicaans kortweg u en a zijn, en dat zij micca gebruiken voor ‘niet‘. Altijd handig om te weten.
Ùn hè micca cusì cumplicatu, nò?

In ieder geval is Corsicaans makkelijker te behappen dan Welsh, Baskisch, Maltees en Albanees, om maar eens wat geïsoleerde talen te noemen.
Op internet staan diverse cursussen Corsicaans. Het is een officiële taal, niet dè officiële taal, want Parijs heeft verordonneert dat dat het Frans is.

MUZIEK
Heel graag zou ik het uigebreid willen hebben over de typisch Corsicaanse muziek, grofweg onder te verdelen in de zeer oude, basale polyfonische zang met gregoriaanse inslag, daarnaast de eigenaardige instrumentale volksmuziek, gekenmerkt door traditionele lokale instrumenten als de cetera en de pifana, en, onvermijdelijk in een samenleving als de onze, de commerciële rommel van McDonald’s-niveau: hapklaar en zonder je om de inhoud te bekommeren. In de winkels vind je bijna uitsluitend opnamen van I Muvrini, die ik klassificeer als een tussenvorm tussen James Last en André Rieux. De enige speciaalzaak in Bastia die zuivere lokale muziek verkocht, is eind 2019 op de fles gegaan. Zat geen handel meer in.

Een goede behandeling van de echte authentieke Corsicaanse muziek zou hier echter veel te ver voeren. Google maar op “Corsicaanse polyfonie”, waar je onder meer dit uitgebreide artikel kunt vinden.

NATIONALISME
La tête maure (Frans) oftewel a testa mora (Corsicaans), gewoon een Moorkop dus, is al per decreet van 1762 hèt symbool en embleem van Corsica. Het ontstond in de korte periode (1755-1769) dat Corsica een onafhankelijke republiek was. Tot 1755 zat de hoofddoek (kopvod volgens Wilders, want de Saraceense figuur verraadt een moslimachtergond, en aan een zwartepietendiscussie hebben de Corsicanen geen behoefte) voor de ogen, ten teken van onderwerping. Sedertdien zit de doek rond het voorhoofd geknoopt en kom je dat embleem werkelijk overal op Corsica tegen in allerlei varianten, zoals bijvoorbeeld de artistieke uitvoering hier helemaal bovenaan dit artikel op een fles mineraalwater (€ 0,38 voor een 1½-literfles!). Niet alleen op verpakkingen, maar ook op de vele vlaggen, op toeristische hebbedingetjes, op de staart van Air Corsicavliegtuigen, op borden langs de weg, werkelijk overal. Het is ook het symbool van de al dan niet latente Corsicaanse onafhankelijkheidsbeweging die nog steeds voelbaar is. Een vergelijking met Catalonië, Baskenland en Ulster ligt een beetje voor de hand, en het is inderdaad waar dat Frankrijk eigenlijk op Corsica niks te zoeken heeft, maar dat geldt met de ogen van nu voor alle koloniën. Natuurlijk profiteren de Corsicanen ervan qua infrastructuur, economie, toerisme, maar dat weegt niet voor een ieder op tegen het verlies van de eigen identiteit.
Van de bevolking is 2/3 van inheemse, authentieke Corsicaanse origine; de rest is import vooral uit Frankrijk, Marokko en Italië. Dat alles leidt tot een soepele meertaligheid op het eiland. Zie hierboven onder TAAL.

Ach, er valt nog zo veel te vertellen; je raakt er niet uitgekeken of over uitgepraat.
_____________________________________________________
De hele reeks:
Dag 1: 28 aug.
Dag 2: 29 aug.
Dag 3: 30 aug.
Dag 4: 31 aug.
Dag 5: 1 sept.
Dag 6: 2 sept.
Dag 7: (dit verslag)
Dag 8: 4 sept.

Corsica 6 van 8

Tegen de bergen en de heuvels van Corsica vind je her en der een grote hoeveelheid dorpjes, gehuchten, vlekken soms slechts, deels bewoond, deels vervallen. Dat is, weten wij, in Italië en Spanje bijvoorbeeld niet anders. Ze kennen vaak een geschiedenis van vele eeuwen met alle ups en downs. Door hun ligging en de meestal moeilijke toegankelijkheid leiden ze een vrij geïsoleerd bestaan.
We hebben ons beperkt tot een wat langer bezoek aan één zo’n dorpje, Borgo, op een steenworp afstand van het vliegveld van Bastia.

Je hebt Borgo-hoog en Borgo-laag. De hele gemeente telt rond de 9.000 inwoners, maar in Borgo-hoog, links op de kaart, wonen er bij lange na geen honderd. Vanaf de dorpsmuren kijk je uit over het 300 meter lager liggende vliegveld, rechts op de kaart, en daarvoor loopt een lange boulevard waar het nieuwe Borgo is verrezen, met naast een aantal moderne woonwijken vele bars, resto’s, winkels, schoonheidssalons, tankstations, kortom alles waaraan de hedendaagsee burger dagelijks behoefte heeft.

Als je zo wat door de smalle steegjes slentert en een tijdje op een bankje om je heen gaat zitten kijken, krijg je al gauw een beeld van hoe de bewoners hun dagen in betrekkelijke rust slijten. Veel oudjes, drie kinderen, wat katten, een enkele slapende hond. Simon Carmiggelt zou het bloemrijker kunnen beschijven dan ik. Drs.P ook, zoals hij dat in ‘Winterdorp’ wist te verwoorden.

Veel auto’s ook, die overal en nergens naartoe rijden, en waarvoor een ieder zo zijn eigen oplossing van het parkeerprobleem heeft gevonden.
En vooral veel tijd en weinig haast, zo lijkt het.
En vooral veel bloemen, zoals heel Corsica uitblinkt door zijn weelderige bloemenpracht.
En één dorpscafeetje met op de stoep ervoor een formica tafeltje met twee plastic stoeltjes. Maar goed, een espresso kost dan ook slechts €1,00 en een dubbele espresso (grand café noir) dus het dubbele: € 2,00.
Aan de rand van het dorp, zoals in alle Corsicaande dorpen, staan grote vuilcontainers, groene, blauwe en gele, voor gescheiden inzameling van het afval. Logisch, want een vuilniswagen kan zich net zo min door de steegjes wurmen als de bakker en de postbode.

Zo klein als het dorp is, het beschikt over een wonderlijk fraaie barokkerk, de Annunziata. Die is recentelijk, ik meen in 2014, helemaal gerestaureerd, zodat die er piekfijn en goed onderhouden uitziet.
Wij boften dat alle verlichting in volle glorie brandde, want ze waren net bezig de plavuizen vloer helemaal nat te moppen en droog te zuigen.
Het interieur is niet van de barokke kitscherigheid zoals je die in Portugal tegenkomt of de suikertaarten in Oostentijk, maar wel rijk aan versieringen, beelden, schilderingen, tot en met het hele plafond:






 

 

En dan is er natuurlijk, tussen de kerk en het café op het Place de l’Église, het obligate monument 1914-1918, met een later toegevoegde plaquette voor 1939-1945 en voor de koloniën overzee. Met veel geld, energie en historisch besef is het in uitmuntende staat te bewonderen.
Je leest er opvallend veel dezelfde achternamen op, alsof er in het dorp maar een beperkt aantal families wonen/woonden. De waarheid gebiedt te zeggen dat me dat op het Franse vasteland ook akelig vaak is opgevallen.

En tussen café en monument de al even onontbeerlijke ontmoetingsplek, vergaderplaats, kwebbelhoek, waar in hoofdzakelijk plat Corsicaans de waan van de dag wordt doorgenomen.
Mondkapjes hebben het dorp klaarblijkelijk nog niet bereikt. Voor de poera-poera staat er in het café in een hoekje van de toog een halfleeg flesje desinfecterende handcrème, vermoedelijk aangereikt dan wel opgedrongen door het gemeentebestuur en met een nonchalant gebaar probleemloos aanvaard.

Ik zou er niet willen wonen, maar een middagje in zo’n dorp is heerlijk rustgevend door zijn tijdloosheid.
_____________________________________________________
De hele reeks:
Dag 1: 28 aug.
Dag 2: 29 aug.
Dag 3: 30 aug.
Dag 4: 31 aug.
Dag 5: 1 sept.
Dag 6: (dit verslag)
Dag 7: 3 sept.
Dag 8: 4 sept.

 

 

Corsica 5 van 8

Het was een dapper plan, dat we van tevoren hadden bedacht: vanuit Bigorno dwars het eiland oversteken om de Gorges (=kloof) de Spelunca en de Calanches (=grillige rotsformaties aan de kustlijn) de Piana te gaan bezoeken. De folders en reisgidsen hadden ons daarvoor lekker gemaakt. En met ons nog honderden anderen, helaas.
Niet doen, zei Alexandre. Je bent zeker drie uur onderweg en dan nog eens drie uur terug; ga dan liever de Scala di Santa Regina bekijken, dat is veel dichterbij en daar kom je toch langs. Ook onze buren hier zeiden: Wat een onderneming!

Uiteindelijk kozen we voor een CDA-oplossing: eerst maar eens kijken wat voor weer het werd, daarna op weg gaan en dan maar zien hoe ver we dachten te kunnen komen. Je kunt je van alles voornemen, maar gaandeweg de rit bepaal je het doel en de route. Dat heet dan de gulden middenweg. Alleen: er loopt maar één weg van oost naar west.
We hebben het gehaald, en zonder enige spijt. Laat de beelden verder spreken.

Even voor de geïnteresseerde weggebruikers: klik maar eens op bovenstaande kaart. Tot aan Francardo, over de T20/N193, is er hoegenaamd niets aan de hand. Maar dan ga je westwaarts naar de andere kust toe en begint het rijavontuur. Bijna uitsluitend bochtige, smalle weggetjes; rechts verticale rotswanden met vervaarlijk uitstekende rotspunten, links de steile afgrond de verre diepte in, zonder vangrail of zo, hooguit wat losliggende stenen als randversiering. Kies zelf maar. Het meeste rijd je in de 2e versnelling, af en toe even in z’n 3. Achter elke bocht loert een potentiële tegenligger die er eigenlijk niet langs kan. Maar zoals gezegd, Corsicanen rijden beschaafd, begripvol en behoedzaam. Om de 50 meter is er wel links of rechts een in- of uithammetje waar een van de twee even stopt om de ander te laten passeren. Kort met het groot licht knipperen of een hand opsteken om te bedanken en dan weer op naar het volgende dreigende gevaar.
Zoals alle ritten heb ik ook deze rit volledig met de dashcam opgenomen, alleen al deze dag tweemaal vijf uur lang. Als je je slaapzak meeneemt, mag je die film van tien uren komen bekijken.

Alexandre had gelijk: de Scala di Santa Regina is indrukwekkend en betoverend. Diep in de verte stroomt de Golo, nu een ongevaarlijk stroompje, in het voorjaar vermoedelijk een woest kolkende watermassa. Hier, net als op andere plaatsen, wordt ervan gebruik gemaakt door er een waterkrachtcentrale in aan te leggen. Aan weerszijden verheffen zich hoge rotswanden tot 600 meter hoogte. Zal elders ter wereld ook wel te bewonderen zijn, maar we bevinden ons nu hier en we genieten ervan door enkele malen te stoppen om ernaar te kijken en veel foto’s te maken.

Intussen houd ik de klok in de gaten: elk uur dat we rijden, moeten we ook weer terug, en we willen voor donker, dat is: 8 uur ’s avonds, weer thuis zijn om niet in het donker te hoeven rijden over dit soort weggetjes. We besluiten dat we nog wel een eind verder kunnen gaan, op weg naar het volgende ijkpunt: de Col de Vergio, met 1477 meter letterlijk het hoogtepunt van de reis. Het laatste stuk, kijk maar weer op de uitvergrote kaart, is niet voor de poes. Wel het domein van een paar families zwarte of bonte varkens of zwijnen, you name it, die zich weg en bermen toe-eigenen.

De Col de Vergio is een verzamelpunt voor lieden van allerhande allooi: lokale passanten, mensen die zich met langlaufstokken (Waar blijft die sneeuw nou? Er is hier toch ook een skilift, daar links op de foto?) voortploeteren, motorrijders die zich, liefst massaal groepsgewijs, tegoed doen aan het vocaal omlijsten van hun aanwezigheid, is het niet door hun brullende heng-heng-motoren te demonstreren, dan wel met de daarop gemonteerde ghetto blaster decibellissimo de feestvreugde te verhogen.
Even iets drinken en dan weer gauw wegwezen, terug naar de rust van de natuurlijke omgeving aan de andere kant van de departementsgrens.

Nog steeds tijd genoeg, dus op naar de Gorges de Spelunca. Die lijken een beetje op de Scala di Santa Regina van eerder vandaag, maar dan nog vele malen indrukwekkender en met toppen boven de 1000 meter. De folders en reisgidsen hebben volstrekt gelijk. Het schijnt er leuk wandelen te zijn, maar dat lijkt ons meer iets voor frisse en geoefende klauteraars.

De klok staat toe dat we verder gaan naar het eindpunt: de kustlijn tussen Porto en Piana.
Hadden we dat maar niet gedaan.

Reden 1: de verhoopte magnifieke rotspartijen die in zee verdwijnen, zijn vanaf de weg niet te zien en per auto al helemaal niet bereikbaar. Dan moet je een boottocht arrangeren, of een helikoptervlucht, maar daarvoor ontbrak ons de tijd, en hoogstwaarschijnlijk ook het geld, want het prijspeil is hier aangepast aan de omstandigheden, zal ik maar zeggen.
Reden 2: vermoedelijk is dat overal op Corsica langs de kustlijn, maar in elk geval is dat hier, tussen Porto en Piana het geval: het is een en al toeristisch, bezaaid met campings, uitspanningen, souvernirwinkeltjes, botenverhuurderijen, waar busladingen vol toeristen op af komen, en niet alleen autobussen, maar ook campers en vooral veel motorrijders die, het liefst met alle 6 of 10 in konvooi achter elkaar zich tussen de auto’s door proberen te wurmen. Alle parkeerplaatsen, en dat zijn er best veel, staan overvol met auto’s. En omdat de Corsicaanse VVV heeft vergeten voor voldoende bewegwijzering en informatieborden te zorgen, lijkt iedereen wanhopig de plek te zoeken waarvan niemand weet waar die precies is.
Ik gun iedereen zijn vakantie; wij zijn zelf per slot van rekening hier ook op reis, maar leuk is anders.
Hoe dan ook, we waren blij de 125 km terug zonder enig probleem af te leggen en zelfs een uur voor zonsondergang onze uitvalsbasis in Bigorno weer te hebben bereikt. Nogmaals: zonder enige spijt de hele tocht te hebben ondernomen, want de indrukken en ervaringen waren van adembenemende schoonheid.
Alleen jammer dat er… Nou ja, laat maar zitten.
_____________________________________________________
De hele reeks:
Dag 1: 28 aug.
Dag 2: 29 aug.
Dag 3: 30 aug.
Dag 4: 31 aug.
Dag 5: (dit verslag)
Dag 6: 2 sept.
Dag 7: 3 sept.
Dag 8: 4 sept.

Corsica 4 van 8

Maandag 31 augustus 2020
Over de treinverbinding tussen Ajaccio en Bastia of Calvi heb ik eerder al bericht. Waar het ons nu om te doen ging, was het middenstuk van dat traject met de meest spectaculaire passages: de Pont du Vecchio en de lange tunnel bij Vizzavona. Het Corsicaanse spoorboekje maakt het mogelijk op één dag heen en terug te rijden van Ponte Novu naar Bocognano, dik 70 km lang, met een ruime tussenstop in Corte.
Op dit kaartje staan alle stations en de belangrijkste kunstwerken van die twee uur durende rit.


Administratief heeft Corsica als departementsnummer 20, maar het omvat twee departementen: Corse-du-Sud heeft 2A en het noordelijke deel Haute-Corse kent 2B.
De departementsgrens loopt min of meer van west naar oost over de hoogste bergtoppen van het eiland. De trein passeert die grens door een bijna 4 km lange tunnel net ten zuiden van Vizzavona op 1163 meter hoogte. De omliggende bergen hebben hoogten van 2000 tot ruim 2700 meter. De eeuwige sneeuw daar is niet zo eeuwig, want er was nu niets van te ontdekken. De aanleg van die tunnel, waar in 1889 de eerste trein doorheen reed, moet bouwtechnisch een enorme klus zijn geweest.

Maar laten we even vooraan beginnen: bij het stationnetje van Ponte Novu, ook wel aangeduid als Ponte Nuovo of Ponte Novo. Dat komt doordat veel plaatsnamen op Corsica een Franse, Italiaanse en Corsicaanse spelling en uitspraak hebben. Over die talige verscheidenheid kom ik later nog wel te spreken. De brug rechts is de Nieuwe Brug, verwoest tijdens de Tweede Wereldoorlog. Links de huidige brug van de T20 die Bastia met Ajaccio verbindt.

De trein slingert langs bergen en dalen, langs riviertjes en deels parallel aan de verkeersweg T20 over een niet-geëlektrificeerd 1 meter smalspoor, wat een letterlijk schokkende ervaring oplevert, af en toe onderbroken door een bruusk remmen voor een troep zwarte zwijnen op de rails. Het is een kronkelige route, nodig om piepend en kreunend de al te steile hellingen te kunnen nemen, waardoor soms wel een keerlus van 270° moet worden gemaakt, zoals bij Francardo en Vivario. De huidige treinstellen zijn overigens een stuk comfortabeler dan de koekblikken die in de uitzending van Rail Away uit 2004 zijn te zien.

Na een uur kom je in Corte aan (Corti, in het Corsicaans). Daar stapten we uit om 3 uur later de volgende trein te kunnen nemen en intussen iets van deze stad te bekijken.

Het schijnt dat Corte het activistische middelpunt is van de al lange tijd op en neer golvende beweging voor Corsicaanse onafhankelijkheid, of dan toch minstens een soort status aparte. Niet alleen het feit dat 2/3 van de zetels in de Corsicaanse Assemblee door de nationalisten worden bezet, maar ook getuigen de zeer vele graffiti her en der op muren en gevels van de al dan niet latente verlangens op een grotere mate van zelfstandigheid, zich onder meer uitend in de erkenning van het Corsicaans als eerste taal. Macron moet daarvan niets hebben. Het doet me een beetje aan Baskenland en Catalonië denken, vanuit separatistisch oogpunt een tamelijk heilloos streven.

Corte viel mij niet mee. Dat had twee oorzaken. De eerste was dat onze benen en voeten het niet trokken om alle steilheden te overwinnen en we het dus na een trap of wat voor gezien moesten houden.

De andere oorzaak was de sterke toeristische ambiance, zelfs aan het einde van het seizoen. Het stadje, met zijn 7000 inwoners, lijkt het van het toerisme te moeten hebben en daar wordt het niet mooier op.
Toch maakten we kennis met de heel positieve en vriendelijke inslag van Corsicanen: nadat we op een terrasje wat hadden zitten eten en drinken, vroeg ik de ober langs welke kortste weg we het snelste bij het station konden komen, dat aan de buitenrand van Corte ligt. Hij wees me de aangewezen straat naar beneden aan, zei toen meteen iets als aspett’, hield een passerende Clio aan waar kennelijk een bekende van hem zat, en vroeg hem of hij ons even op het station wilde afzetten. En zo geschiedde. De gratis taxi zette ons na 5 minuten bij het spooremplacement af. Hulde.

Wat toen volgde, was het hoogtepunt -en wellicht toppunt- van onze Corsicatripjes: de 1 uur durende treinrit naar Bocognano (Corsicaans: Bucugnà) met als meest markante moment de Pont du Vecchio, ten onrechte elders ook Pont Eiffel genoemd. Want het was niet Gustave Eiffel die de brug ontwierp, maar andere ingenieurs naar een idee van Eiffel. Gelegen tussen de autoweg T20 en bovenlangs de oude route departementale D723 geeft het goed zicht op de enorme arbeid die alle werkzaamheden moeten hebben gekost, al meer dan een eeuw geleden.

Eenmaal voorbij die brug en het station van Vizzavona, in de Rail Away-uitzending amateuristisch Vizzanova genoemd -weten zij veel; de EO besteedt veel tijd, geld en energie aan de productie van hun spoorprogramma’s, maar gaat dan niet ook nog eens op taal letten- duik je de tunnel in, waarvan uiteraard niet veel beelden zijn te bewonderen. Het eerstvolgende station is Bocognano, waar we een paar uur de tijd hadden voor de trein terug weer vertrok.

Bocognano is niet bijster indrukwekkend. Het lijkt voor een groot deel te teren op de vele toeristen die er in de schitterende omgeving wandeltochten ondernemen. Zoiets waren wij echter niet van plan, en bovendien was de zeer bezienswaardige waterval Cascade du Voile de la Mariée ontoegankelijk vanwege een recente aardverschuiving. Wij moesten het dus doen met wat rondslenteren en genieten van de overweldigende panorama’s rondom, een fraaie bijdrage aan de toch al royale en verrassende ervaringen op Corsica.

Hoe weinig verrassend ook, de terugweg was identiek aan de heenreis, maar dan in omgekeerde volgorde.
Nog steeds geen eeuwige sneeuw op de bergtoppen, een lange tunnel en een imposante brug over de Vecchio.
Wat mij wel opviel, was dat er op veel stations de rudimentaire overblijfselen waren te zien van wat ik vermoed dat het oude installaties waren om de stoomlocomotieven van heet water te voorzien. Ik weet er het fijne niet van, maar het moet haast wel.
Als iemand mij daarover meer kan vertellen, dan hoor ik dat graag.

Het oude ansichtkaart-fotootje brengt ons terug naar de begintijd van de lijn, zoals zo veel indrukken tijdloos zijn en daarmee onvergankelijk. Verleden, heden en toekomst vallen samen in een paar beelden, en dat geeft een geweldige driedimensionaliteit aan een uniek vakantietripje.

_____________________________________________________
De hele reeks:
Dag 1: 28 aug.
Dag 2: 29 aug.
Dag 3: 30 aug.
Dag 4: (dit verslag)
Dag 5: 1 sept.
Dag 6: 2 sept.
Dag 7: 3 sept.
Dag 8: 4 sept.

Corsica 3 van 8

Zondag 30 augustus 2020
Voor onze verplaatsing van het stadsleven in Bastia naar het landleven in Bigorno hadden we tijd genoeg, want beide plaatsen liggen op 40 km van elkaar. Tijd genoeg dus om eerst de zondagse vlooienmarkt/brocante te bezoeken die steevast plaatsvindt op het grote Place Saint-Nicolas in Bastia. Daarna konden we op ons dooie gemak het binnenland intrekken naar het landhuis in Bigorno waar wij voor vijf nachten hadden geboekt.

Van die vlooienmarkt hadden we ons veel voorgesteld, maar dat viel vies stegen. Weliswaar regende het niet (half tot zwaar bewolkt, en boven de 25°), maar er stond een straffe wind. In combinatie met coronapleinvrees waren er nauwelijks mensen en ook maar een stuk of vijf stalletjes met matig aanbod.

We moesten het dus doen met het op zich fraaie plein en een kop koffie in een van de vele stamineekes aan de rand van het plein.

Wat ook niet geheel aan de verwachtingen vooraf voldeed, was het landhuis “Nuits magiques entre mer et montagnes” in Bigorno. Noem het eerder een gîte, of liever nog een studio (staat niet op de foto hieronder) bestaande uit één kamer. Geen B&B ook, want een ontbijt zit er niet bij. Die kamer is overigens wel rijk ingericht met een aparte douche/wc/wastafel, 2 tweepersoons bedden, waterkoker, magnetron, koelkast, goed werkende wifi, heel veel stopcontacten, genoeg verlichting enzovoort. Alles heel erg schoon. Alexandre, de uitbater, kwam zelf even langs om alles met ons door te spreken.
Maar het aangekondigde terras bestond uit een tafel en zitbankje voor de deur op het betonnen platje; niks geen uitzicht op de magische zee en/of bergen dus, en het dorp Teghie, een gehucht/vlek binnen de gemeente Bigorno, is voor auto’s ontoegankelijk, want het bestaat uit steegjes en trappetjes van groffe plavuizen. Je moet de auto dus maar ergens op de doorgaande weg buiten het dorp zien kwijt te raken, een weg die op zich eigenlijk al te smal is voor twee elkaar passerende auto’s.
We zijn echter wel wat gewend, en in de wetenschap dat we hier toch alleen maar zijn om te slapen en de mail door te nemen, is het voor ons dik voldoende.

Eind van de middag zijn we nog even de schitterende omgeving gaan verkennen en met de auto 12 km naar beneden gereden, naar Ponte Nuovo, waar we de volgende dag vroeg de trein willen pakken.
Op de terugweg maakten we kennis met typische lokale landschapsversterkende elementen. Maar beren op de weg zijn we nog niet tegengekomen.

_____________________________________________________
De hele reeks:
Dag 1: 28 aug.
Dag 2: 29 aug.
Dag 3: (dit verslag)
Dag 4: 31 aug.
Dag 5: 1 sept.
Dag 6: 2 sept.
Dag 7: 3 sept.
Dag 8: 4 sept.

Corsica 2 van 8

Zaterdag 29 augustus 2020
Ons voornemen was deze eerste volle dag vanuit Bastia een tripje naar de noordpunt te maken, via de oostkust en Rogliano en Bettolacce naar de westkust en dan weer terug. Allemaal niet zo steil en goed om de auto, de weggetjes en het rijgedrag van Corsicanen te leren kennen.
Het heeft allemaal wonderwel positief uitgepakt, mede geholpen door het prima weer, al was het vooral de sterke wind die het wat onplezieriger maakte. Maar verder qua zon, wolken en temperatuur geen klagen. En de beperkte ritafstand maakte het tot een ontspannend uitstapje.

De kustlijn is kronkelig en ruig, en mede daardoor erg fascinerend. En om meteen maar even wat eventuele vooroordelen weg te nemen: Corsicanen rijden vrij rustig en beheerst, bij aanstalten maken om over te steken stoppen ze meteen en ze toeteren niet de hele tijd. Anders dan in Rome, Napels of Florence dus.
Wat verder opvalt, ook al wist je dat vanaf de kaart ook al, zijn de korte afstanden. Zeker in de vinger van Corsica, de Cap du Nord of Cap Corse, ben je in een mum van tijd van de ene kust naar de andere. Dat is in Nederland en Frankrijk een onbekend fenomeen.
Overal geniet je van fraaie uitzichten, oude of niet zo oude opvallende gebouwtjes en torentjes, moderne en oude dorpjes en gehuchten
Grote hoogten hebben we daarbij niet te bestijgen: met zo’n 600 meter heb je het wel gehad.
Wel is het natuurlijk zo dat langs beide kusten grote concentraties van toerisme zijn te vinden, en van watersport en hengelsport. Boffen we nog dat het einde seizoen is en dat corona veel mensen uit de drukte weg houdt. Er is dus nog over de weg goed door te komen.

Wat ons nog meer opvalt, zit in de categorie flora en fauna. Weinig honden, wel een hoop scharrelkatten en loslopend vee, koeien, zwijnen, geiten, ook midden op de rijweg en op het spoor, zoals later zal blijken. En vooral veel fraaie begroeiing, zoals citrusbomen, olijfbomen, cactussen, allerhande kruiden en heel erg veel uitbundig bloeiende oleanders.

Via internet had ik het idee dat Bettolacce een prachtig dorp was om te bezoeken. Dat was ook zo, alleen kon je er niet per auto komen. Vanuit de ‘hoofdgemeente’ Rogliano liep er een kronkelend trappetjespad naar beneden, zodat voeten en benen het zwaar te verduren kregen. Een autovrije zone dus, waar op de vele satellietschotels na de tijd stil lijkt te staan.

Terug in Bastia was het een kwestie van boodschappen doen, bij een Italiaan een snelle hap verorberen en genieten van de branding onder aan het hotel. Door de sterke wind beukten de golven vervaarlijk tegen de rotsen, alsof ze het hele eiland wilden verzwelgen. Mijn voornemen er even in te gaan kwam niet verder dan tot de knieën, waarbij kleine steentjes als kogels tegen mijn benen sloegen. Toen toch maar mijn toevlucht genomen tot het zwembad van het hotel met water van 29°.

Morgen trekken we het binnenland in, weg van de bewoonde wereld.
_____________________________________________________
De hele reeks:
Dag 1: 28 aug.
Dag 2: (dit verslag)
Dag 3: 30 aug.
Dag 4: 31 aug.
Dag 5: 1 sept.
Dag 6: 2 sept.
Dag 7: 3 sept.
Dag 8: 4 sept.

Corsica 1 van 8

Vrijdag 28 augustus 2020
Als je, zoals wij dat deden, al in november 2019 begint met het plannen van je zomervakantie en de nodige boekingen verricht, kun je kwalijk van een last-minutereis spreken. Het heeft zo zijn voordelen: de tarieven zijn nog relatief laag en je kunt je goed inlezen in je vakantiebestemming, teneinde er het meeste uit te halen. Nadelen zijn er ook: je weet natuurlijk niets van de weersverwachting te bestemder plaatse en sinds maart 2020 staat zo’n beetje alles op zijn kop, waardoor het maandenlang maar de vraag bleef of alles wel door zou kunnen gaan. Maar toen die laatste hobbel -noem het puur toeval- was genomen, konden we vanuit Rosoy 100 km naar vliegveld Dóle-Jura rijden om daar de nog niet zo lang geleden geopende lijnvlucht van Air Corsica naar Bastia te nemen.

Bij vlagen stortregen en amper 14 graden, maar verder verliep alles volgens plan. Van het verhoopte uitzicht op de Mont Blanc kwam niks terecht, omdat we boven een gesloten wolkendek vlogen, dat pas aan de Middellandse-Zeekust open brak.
En eenmaal geland in Bastia was het gewoon weer zonnig en tegen de dertig graden.

De huurauto, die we pas na een uur wachten (een hele rij voor ons, iedereen op 2 meter afstand en verplicht gemuilkorfd) ter beschikking kreeg, was niet de beloofde Peugeot 3008 (geweldig!), maar een Dacia Duster (ach, hoe nederig!). Niettemin voldoet die prima voor onze reisdoelen; korte draaicirkel, veel binnenruimte en vooral veel bodemvrijheid, prettig op al die smalle en matig geplaveide bergweggetjes, alsook over de oeverloos veel aanwezige verkeersdrempels, zowel in Bastia als in de berggebieden. Dat hij scheef staat, komt door de vertekening van de groothoeklens.

Het viersterrenhotel lÁlivi, vlak boven Bastia biedt alle mogelijke comfort. Goed om hier even twee nachten te kunnen acclimatiseren met de beukende golven van de zee pal onder ons terras.
Voor we alles op orde hadden en heel goed hadden gegeten en gedronken, was het middernacht. Morgen een korte trip naar de noordpunt van het eiland.
_____________________________________________________
De hele reeks:
Dag 1: (dit verslag)
Dag 2: 29 aug.
Dag 3: 30 aug.
Dag 4: 31 aug.
Dag 5: 1 sept.
Dag 6: 2 sept.
Dag 7: 3 sept.
Dag 8: 4 sept.

Snikdroog

Ik sta de laatste tijd ongeveer even droog als hoe de tuin er al wekenlang aan toe is. Er vloeien geen druppels, noch water, noch inkt. En het is me daarbij te warm om me erg druk te maken over al die dingen waarover ik me zo druk maak. Onjuiste berichtgevingen (vooral via asocial media), STER-reclames (HIER in het gistvat geparkeerd), Omroep Max (als die net als avrotros nu eens “Ik vertrek” gaan doen…).
Wat mij nog wel plezier doet, is het kijken naar EO’s Rail Away, wat quizzen volgen, en morgen eindelijk weer naar Feyenoord kijken.

En zo vermaak ik me prima met mijn vrijwillige zelfquarantaine; klussen en koken in huis, waar het koeler is; eten voor vanavond uit de tuin halen: tomaten, komkommer, aardbeien, snij- en sperziebonen, kruiden, aardappelen, …; vooral veel water geven elke dag; Louki plezieren, voor zover dat mogelijk is, enzovoort.

Mijn belofte van een aantal berichten over mijn reis naar Wenen en Bratislava van vorige maand ben ik in elk geval tussen 19 en 26 juli nagekomen. Nu zit ik weer in de voorbereiding van een volgend uitstapje: eind deze maand naar Corsica, als het teminste allemaal kan doorgaan. Als ik daarvan terugben, beloof ik een paar paradijselijke afleveringen, maar vooralsnog kan ik van de vele ideeën en voorbereidselen geen artikelen maken. Dat wordt dus ergens in september.

En dan staat voor eind september nog een verslag uit Compiègne op het programma, waarover ik eerder al iets had gemeld. Dat moet een gedenkwaardig en misschien ook wel emotioneel (familie-)gebeuren worden.
En nu maar hopen dat er tegen die tijd eindelijk weer eens genoeg regen is gevallen.

 

KGB-pub

Ik had het van tevoren thuis wel voorbereid, maar toch werd ik meteen al op het verkeerde been gezet: KGB staat niet voor de Sovjet-Geheime Dienst, maar voor  Krčma Gurmánov Bratislavy, de Kroeg Gourmet van Bratislava. Hoewel, met de G als hamer en sikkel weet je het nooit helemaal zeker.
Bij de entree dreig je te belanden in een louche bierkelder, en dat is het waarschijnlijk ook. Maar dan vooral ’s avonds, en niet om 2 uur in de middag als de tent net opengaat. Ideaal moment voor een fotosessie.

De kroeg is in feite een lange, smalle pijpenla met stemmig rood bekleed meubilair, maar het meest aantrekkelijke is de aankleding van de muren en het plafond, die het etablissement voor sommige nostalgische socialisten van het gestaalde kader tot een waar bedevaartsoord maken: een ontelbare hoeveelheid foto’s, beelden, documenten, andere voorwerpen, memoriabilia uit vervlogen tijden, een beetje toegesneden op de aloude ČSSR, maar toch in hoofdzaak op het Sovjet-verleden, waarbij de persoonsverheerlijking van Lenin en Stalin prominent de boventoon voert. Of je ervan houdt of niet, heel apart, uitzonderlijk en excentriek is het wel om dat allemaal anno 2020 bij elkaar te vinden in een biertent.

Ze schenken er Staropramen, met Plzeňský Prazdroj (voor de export om onverklaarbare redenen Urquell genoemd), Budějovický Budvar (voor de export verduitst tot Budweiser) hoort het tot de meest bekende en zeer genietbare Tsjechische bieren.
Hoewel op sommige plekken in Bratislava de prijzen inmiddels zijn aangepast aan het torenhoog kapitalistisch grootstedelijk niveau, gaat in de KGB-pub de Staropramen van het vat voor de communistische gesubsidieerde volksprijs van € 1,90 voor een halve liter.
Enig nadeel: ik moest diezelfde dag nog met de auto terugrijden naar Wenen…

Mocht je er eens in de buurt zijn, ga dan beslist zelf maar een proeven en rondkijken, onder het waakzaam oog van een bevlogen Lenin, een immer goedlachse Stalin en een goedgemutste Brezjnjev.

Of neem een virtueel voorproefje op kgbpub.sk; ideaal om je Slowaaks weer eens wat op te halen.

 

Augarten

Op z’n zachtst gezegd kun je de Augarten, midden in Wenen, iets ten noorden van de Stephansdom, een veelzijdige, ruim 400-jarige geschiedenis toedichten. Van het jachtslot uit 1614 tot het multifunctionele Erlustigungs-Ort dat we nu kennen, valt er een hoop over te melden. De Duitse Wikipedia bevat veel gedetailleerde informatie, en na mijn bezoek daar, eerder deze week, volsta ik met er een paar bijzonderheden uit te lichten.

Allereerst de taalkundige achtergrond. Omdat dat mijn vak is.
Ik had dit uitstapje niet voorbereid, maar direct al vermoedde ik dat Au van Augartenwater” betekent. Die veronderstelling bleek juist. Net als de Aa, de Ee, het IJ en het Franse eau, wordt het begrip water vaak met een enkele klinker of tweeklank benoemd. Mijn schatting dat dat ook zou gelden voor de au in Donau, bleek echter onjuist. Daar staat juist het begrip don voor water, zoals bij de rivieren de Don, de Donjets, de Dnjestr en de Dnjepr. Alle zijn het latere vormen van een oud Indo-germaanse vorm *danu, die “rivier” betekent. In andere talen wordt de Donau ook aangeduid als Duna, Dunaj, Dunav, Dunărea, of in het Frans en Engels Danube.
Het tweede deel van Augarten, garten dus, betekent “tuin“. Dat is niet zo schokkend, maar het doet mij wel denken aan wat ik er in 2012 overschreef in het artikel over contenu en contenant: een zelfde woord wordt de ene keer gebruikt om iets aan te duiden wat omsluit (gordijn, curtain), de andere keer slaat het op dat wat wordt omsloten (gaard, garden, giardino, jardin). Zo zijn er meer voorbeelden te noemen. Lees dat artikel er maar even op na.

Als Erlustigungsort heeft het zich in de loop der eeuwen ontwikkeld tot een ruim 50 ha groot barokpark met allerhande gebouwen zoals een jachtslot, een bunkercomplex, een porseleinfabriek, een restaurant en een concertzaal waar o.a. Mozart en Beethoven hun muziek ten gehore hebben gebracht, en wat nu het rovershol van de Wiener Sängerknaben is; zeker muzikaal gezien een waarlijk Erlustingungsort

Het park is rijkelijk voorzien van fraai aangelegde bloemperken, maar vooral van veel gazons waarop de Weense jeugd onbekommerd kan frisbeeën, vliegeren, voetballen of welke gezonde afmatting dan ook. Samen picknicken of lekker lui in je hangmat gaan liggen kan er kennelijk ook, in weerwil van de bordjes dat je het gras niet mag betreden.
Maar alleen voor de kijk is het park niet aangelegd.

Ook Hitler heeft er dankbaar gebruik van gemaakt door er in 1944 twee zogenaamde Flaktorens te laten bouwen om Wenens centrum te beschermen tegen geallieerde bombardementen.
Flak staat voor Flugabwehrkanone, oftewel luchtafweergeschut, en dan weet je al hoe laat het is: het is oorlog.

Bron: Von Der ursprünglich hochladende Benutzer war Radlfahrer in der Wikipedia auf Deutsch – Koordinatendaten der Türme, Originalgrafik von Benutzer:Radlfahrer, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=18337312

In mijn naïviteit dacht ik aanvankelijk dat het watertorens waren; Au betekent immers water. Maar Hitler had gelijk dat je Wenen niet hetzelfde lot mocht laten ondergaan als Rotterdam in 1940, en dus liet hij rond het centrum van Wenen drie Flak-complexen aanleggen, elk met een LT (Leitturm voor de observatie met radar) en een GT (Gefechtsturm voor het afschieten van Amerikaanse, Britse of Russische vliegtuigen).
Zoek maar op de Duitse Wikipedia op wat het allemaal voor een gedoe is geweest om die torens aan te leggen, aan kosten, transport, infrastructuur en een uiteindelijk minimaal rendement. Je vindt daar een uitgebreide beschrijving over de drie paren Flaktürme rond de Stephansdom.

De overheid laat de dingen maar staan en heeft ze onder Denkmalschutz geplaatst, Monumentenzorg dus, al duiken er voortdurend plannen op ze te verhuren of verkopen, er bedrijven of musea of een hotel of opslagruimte voor data in te richten, maar steeds weer stuiten de zo gevarieerde fantasieën op praktische, historische of milieutechnische bezwaren. Ik schat dat je nog jarenlang in de Augarten van het bizarre schouwspel kunt genieten.
Meer over de herbenutting van de torens vind je op YouTube.

Wien-Bratislava

In plaats van het beloofde tripje naar Vukovar deden we het voor een verkorte variant: een paar dagen naar Wenen en Bratislava.
Dat leverde een groot aantal opvallende, bezienswaardige en interessante bezoekjes op, die ik de komende dagen in een reeks van drie afzonderlijke berichten voor het voetlicht ga halen.

Het oorspronkelijke plan was om via Wenen door Hongarije heen naar Vukovar in Kroatië te rijden, en dan via Slovenië, Trieste en Lombardije terug naar Frankrijk.
De zowat dagelijks wisselende maatregelen van de diverse landen, ook al betreft het slechts een doorreis, maakt het nu in juli te onzeker om die rondrit te maken. Dat geldt in elk geval de (on-)mogelijkheid om Hongarije binnen te komen en er non-stop dwars doorheen te rijden. Komt later allemaal nog wel een keer.

Maar ik beloof nu alvast een bericht over:

– de Augarten in Wenen
– het ÚL’UV museum voor oude volksmuziekinstrumenten in Bratislava
– de KGB-pub in Bratislava

Dus nog even geduld bitte/prosím.

In-druk

Ik ben niet gemuilkorfd of zo. Maar je hebt van die perioden dat druk en drukte verhinderen met gewenste regelmaat nieuwe artikelen te plaatsen. Er gebeurt dus een hoop, maar ofwel het is onderhanden werk dat nog niet rijp is voor een bericht, ofwel het is de moeite van het vermelden niet waard, ofwel hinderlijk tijdgebrek maakt het noodzakelijke onderzoek naar feiten en achtergronden wat lastig. Daarom nu slechts een paar tipjes van de sluier om een indruk te geven.

– Het eerder aangekondigde tripje naar Vukovar in juli is uitgesteld. Te veel risico en gedoe bij het reizen door zo veel landen, van Zwitserland, Duitsland, Oostenrijk, Hongarije, via Kroatië en Slovenië tot Trieste, Lombardije en Frankrijk, waar het dan ook nog eens in juli-augustus makkelijk 35-40° is. Het zal op een later moment alsnog wel plaatsvinden.
Naar Wenen en misschien een dagje Bratislava zit er waarschijnlijk nog wel in deze maand.

 


– Zoals gebruikelijk vergen voortuin, achtertuin en het landje buiten het dorp enorm veel werk. Planten, zaaien, poten, onkruid wieden (vooral heel veel akkerwinde en heermoes), oogsten, en vooral elke dag water gaan halen en geven.

– Er komt weer wat schot in mijn zoektocht naar de lotgevallen van achterneefje Pierre Loonen. Bij toeval kreeg ik het bericht dat er een lijvig boek van 2.500 blzz. op uitkomen staat over “les 9 000 déportés de France à Mittelbau-Dora” (= Buchenwald). Mij werd door de auteur gevraagd naar meer informatie over mijn familielid, en toen ik die had verstrekt, bleek dat het boek al bij de drukker lag, maar dat mijn informatie een zeer gewaardeerde uitbreiding voor het documentatiecentrum betekende. In vervolg daarop ben ik verder gaan zoeken en kom ik weer wat stapjes dichterbij de nog ontbrekende puzzelstukjes van zijn wel en vooral wee. Maar voor een vervolgartikel is het nog lang niet genoeg.

– Mijn ergernissen over STER-reclames nemen in rap tempo toe in aantal en hevigheid. Ik noem nu slechts gaslicht.com, Vitæpro, &c. &c. &c… Daarnaast ook over de niet aflatende klantonvriendelijkheid van simpel.nl en een groot aantal pubieke omroepen, met Omroep Max als onbetwiste nummer één. En over het ultieme démasqué van Erben Wennemars en Erik Scherder. Om daarvan hier weer melding(en) te maken is er wat correspondentie nodig, hoor en wederhoor, en moet ik al het materiaal bij elkaar rapen en kneden tot iets wat zowel leesbaar, lachwekkend en triest tegelijk is.

Het zit allemaal in het gistvat.

 

Wat een troep!

Eindelijk eens goed nieuws in De Volkskrant van gisteren.

Arnout Brouwers begon zijn artikel als volgt: Niet alleen Duitse politici en generaals vielen van hun stoel toen ze vrijdag de Wall Street Journal openden – ook hun Amerikaanse collega’s. Want ook voor het Pentagon en Republikeinen in het Congres kwam het als een verrassing dat Trump de aanwezigheid van 34.500 Amerikaanse troepen in Duitsland met 9.500 militairen wil verminderen.

 

Dat het slechts om een kwart ging van de Amerikaanse troepenmacht, en dat dan alleen nog maar in Germanië, valt te betreuren. Maar na 75 jaar Amerikaanse militaire en economische bezetting van West-Europa moet je blij zijn met elke verbetering. Zweden, Denemarken, Frankrijk en Oostenrijk komen er gezegender van af, zo aan het kaartje te zien. Dat heeft met hun verstandige politieke keuzes te maken. Wellicht zal Polen pogen er munt uit te slaan; daar omarmen ze al decennia lang alles wat lijkt op Margareth Thatcher en Donald Trump en alles wat daar tussenin zit, en bekommeren ze zich allerminst om de onverholen kritiek vanuit de EU door op of ruim over de rand te gaan van de regelen der Europese beschaving.

Toch was het niet dat politieke gedoe, al dan niet fake, al dan niet bedoeld als proefballonetje. Er is taalkundig iets aan de hand wat mij nog meer frappeerde.

Denk even terug aan mijn uiteenzetting over collectiva. In dat artikel noemde ik troep een enkelvoudig collectivum, een woord dus in het enkelvoud waarachter een meervoudig begrip schuilgaat, zoals je één doos hebt met daarin veel foto’s, of een vlucht regenwulpen. Bij troep kun je denken aan wolven (ook wel als roedel samengenomen), meer nog dan aan soldaten. Maar het Volkskrantartikel spreekt van “34.500 Amerikaanse troepen“, en het bovenschrift boven het kaartje van “meer dan 100 troepen actief militair personeel“. Dat kan dus niet.
Dat kan niet, want het is ongebruikelijk over “een troep soldaten” te spreken; soldatentroep is van een andere orde. Gebruik dan troepenmacht, wat weer wel een correct enkelvoudig collectivum is.

Als daarentegen De Volkskrant wil suggereren dat troepen synoniem is met militairen, dan hebben ze het mis. Bij levende wezens, anders dan bij Jan Steen, is troep een enkelvoudig collectivum als een verzamelnaam voor een aantal wezens, en zijn troepen meerdere verzamelingen van nog meer aantallen wezens. Zo zijn dus 34.500 troepen niets anders dan 34.500 bases of hangplekken waarop zich een veelvoud aan militairen bevindt, en moeten we de genoemde getallen dus helaas met honderden of duizenden vermenigvuldigen om het werkelijke aantal betreffende militairen te benaderen.

Kon het beter? Jazeker.
Ofwel je brengt het aantal troepen terug tot nul, want nul keer honderd of duizend is nog steeds nul, dan zijn we van alle troep verlost.
Ofwel gebruik in plaats van troepen het woord manschappen. Want dat is een meervoudig collectivum, waarvan je er niet zo makkelijk eentje kunt hebben: *een manschap is geen gebruikelijke aanduiding voor wat dan ook, net zoals het onbestaande *timmerlied of *zeelied als enkelvoud van timmerlieden of zeelieden; wel natuurlijk als enkelvoud van timmer-of zeeliederen.

Ik heb De Volkskrant op deze subtiele kwestie gewezen. Maar sinds de door mij openlijk diep betreurde verkwanseling van de PSP vanaf 1985 sta ik daar op de zwarte lijst en worden al mijn ingezonden bijdragen categorisch geweigerd.
Wat een troep!

 

ange en inge

Het zal velen bekend voorkomen: rijdend vanaf Metz via Luxemburg (en natuurlijk Martelange) naar Luik wordt je aandacht getrokken door de vele plaatsnamen op wegwijzerborden die eindigen op -ange. Omdat ik die route heen en weer zo vaak rijd, is me dat steeds meer gaan intrigeren. Wat betekent dat -ange? En waarom liggen die plaatsen zo geclusterd zo precies in dat gebied, terwijl ze elders maar zo sporadisch voorkomen? Het antwoord is wel te geven, maar het vergt wel veel speurwerk, historisch, geografisch, politiek en taalkundig. Dat betekent voor dit artikel dat het slechts een summier overzicht kan bieden en ik de geboeide lezer dringend adviseer er een internet-zoektocht van een paar weken van te maken. Hint: begin dan maar met zoeken naar Lotharingen, want daar ligt de kern van de oplossing.

Dat clusteren van plaatsnamen met gelijkluidend woordeinde ken ik al vanaf de lagere school, toen we van alle provincies de voornaamste plaatsen moesten opdreunen: Dordrecht-Sliedrecht-Zwijdrecht-Barendrecht. Of Amsterdam-Edam-Monnikendam-Volendam.
En van de acht selligheden: Duizel (<Duijsel)-EerselHulsel-KnegselNeterselReuselSteensel Wintelre (<Wintersel).
Al die opeenhopingen zijn intussen wel goed onderzocht en beschreven. Zo ook de plaatsnamen op -ange.

De uitgang -ange wordt in de meeste beschrijvingen aangeduid als “behorende tot“, “eigendom van“, die wordt voorafgegaan door de naam van een heer of het geslacht tot wie het gebied behoorde. Hetzelfde geldt voor zijn Germaanse pendant –inge(n).

Lotharingen dus, een streek waarover boeken vol zijn geschreven. Ik beperk me tot Opper-Lotharingen (in Noordoost-Frankrijk) en het zuidelijk deel van Neder-Lotharingen (Luxemburg en Oost-België). Dat is het gebied waar we -ange zo vaak tegenkomen. Maar bedenk daarbij dat het ook een gebied is waar het in de loop der eeuwen, tot het einde van de Tweede Wereldoorlog, voortdurend stuivertje wisselen was tussen Frankrijk en Duitsland, beter gezegd: tussen Gallische en Germaanse overheersing en invloed. Deels had dat natuurlijk te maken met de rijkdom aan delfstoffen in die streek, die zelfs doorliep tot de voormalige Limburgse kolenmijnen. Om aan al dat gesteggel een eind te maken ontstond in 1952 de EGKS, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. Die kolen zijn nu wel een beetje passé, maar de zieltogende staalindustrie is in Noordoost-Frankrijk nog alom aanwezig.

Die Frans-Duitse strijd om Lotharingen had mede tot gevolg dat er een soort taalgrens ontstond, dwars door het gebied heen. Aan de westkant het Franstalige gebied, aan de oostkant het Duitstalige. Dat is heel grof gesteld, want die grens is niet alleen nogal rafelig, maar bovendien hebben we ook nog eens te maken met tal van subtalen en dialecten, waarbij het in Luxemburg, het Belgische deel en het Groothertogdom, nog veel complexer is. Maar grosso modo komt het erop neer dat al die toponiemen die eindigen op -ange, uitgesproken als [angzje], aan de Gallische kant liggen, en dat we aan de oostkant een overvloed aan plaatsnamen op -inge(n) vinden. België zal België niet zijn als we langs de rafelrand niet ook nog eens tweetalige plaatsnamen tegenkomen, zoals MartelangeMartelingen.
En omdat het in de provincie Luxemburg ligt, wordt dat ook nog min of meer fonetisch gespeld als MartelengMârtelengen en Maartel en in het plat-Waals dan nog eens als Måtlindje

Op internet staat een uitgebreid artikel o.a. over het voorkomen van toponiemen die eindigen op -ange en op -anges in Frankrijk. Bijgaand kaartje geeft overduidelijk de Lotharingse concentratie van toponiemen op -ange aan (alle rode stippen rechtsboven). Jammer genoeg beperken dat onderzoek en dat kaartje zich tot het huidige Franse grondgebied. Weliswaar levert dat honderden treffers op, alleen al in het departement Moselle (57) zijn het er al meer dan 120, maar onze rit voert verder, door Luxemburg en Oost-België.

In het Groothertogdom wemelt het van de plaatsnamen op -ange: Differdange, Dudelange, Livange, Rumelange,… Op Wikipedia vind je er zo 86 bijeen staan. Ze komen voor tot in het noordelijkste puntje, waar op nog geen 5 km van elkaar van zuid naar noord Drinklange, Wilwerdange, Goedange en Huldange liggen.
Op -inge(n) vind ik er maar rond de 20, voornamelijk in het oostelijk deel van het land. Zo je van een taalgrens mag spreken, loopt die dus door het oostelijke kwart van Luxemburg.

Vervolgen we onze reis, dan komen we weer iets merkwaardigs tegen in het gebied tussen Luik en Hasselt. Daar treffen we zowel de beschreven Gallisch-Germaanse taalgrens tegen, als de Vlaams-Waalse, die tegelijk politiek als taalkundig een scheiding vormt. Veel plaatsen langs die Vlaams-Waalse grens dragen ook tweetalige namen. Ik noem Hoepertingen (Houppertange), Bitsingen (Bassenge), Kuringen (Curange), Ordingen (Ordange), Piringen (Pirange), Rukkelingen (Roclenge) en Wouteringen (Otrange). Iets zuidelijker, en 100% Waals, is Tihange, berucht om zijn onbetrouwbare kerncentrale. De naam betekent “gebied behorende tot Thibaut“; er bestaat geen gangbare Duitstalige variant, maar oorspronkelijk schijnt het iets als *Tihondinga geweest te zijn.

Gaan we vervolgens iets dieper Vlaanderland in, dan komen we ten noorden van de lijn Maastricht – Tongeren – Sint-Truiden plaatsen als Ketsingen, Mopertingen en Riksingen tegen, waarvoor geen Franstalige pendanten als *Quetsange, *Maupertange of *Rixange bestaan. De taalgrens lijkt behoorlijk scherp te zijn; de taalstrijd heeft zijn werk gedaan.

Lotharingen zelf heette oorspronkelijk Lotharii regnum, “het rijk van Lothaire“, een benaming die in de 10e eeuw tot Lotharingia werd. Het maakt de huidige Franse naam Lorraine ook aannemelijk; was het een streeknaam op -inge(n) geweest zoals zo vele plaatsnamen ten oosten van de taalgrens, dan zou die in het Frans iets als *Lotharange geweest moeten zijn, maar dat is niet zo. Ook de Nederlandse benaming Lorreinen doet meer aan regnum denken dan aan -inge(n).

We rijden Nederland binnen, op zoek naar –ange en -inge(n). Dat voert ons allereerst op een zijspoor dat een dwaalspoor blijkt te zijn.
In Nederland zijn er bij mijn weten geen plaatsnamen die op -ange eindigen, behalve Bourtange. Nu is het al hoogst onwaarschijnlijk dat je helemaal naar Groningen moet afreizen om een Franstalige invloed waar te nemen – de Gallisch-Germaanse taalgrens in Nederland loopt parallel aan de grote rivieren, maar bovendien is het niet Bourt-ange, maar Bour-tange, met -tange als variant van (land-)tong(-e). Boeren-tange dus. De Frans ogende spelling Bourtange in plaats van Boertange maakt het allemaal nog verwarrender.
Ook als je wat ruimer wil denken en de in Nederland voorkomende uitgang -enge(n) ziet als een variant van -ange, kom je bedrogen uit: plaatsnamen als Kockengen en Portengen lijken fantasienamen te zijn, ontstaan bij de ontginningen in de 12e eeuw. Kockengen zou een verbastering zijn van (het land van) Cocagne, d.w.z. Luilekkerland, en Portenge een verbastering van Bretagne. Zo vermeldt De Vries het in elk geval in zijn Woordenboek van Noord- en Zuid-Nederlandse plaatsnamen (Aula 85).

Anders ligt dat met -inge(n) in Nederland. Als ik vlotweg Everdingen, Grevelingen, Groeningen, Groningen (?), Harlingen, Kloetinge, Millingen (2x), Scheveningen, Vlaardingen (?), Vlissingen, Wageningen, Wateringen, Wemeldinge en Wieringen uit mijn mouw schud, heb ik vermoedelijk nog niet een tiende deel van alle voorkomens vermeld. Maar het blijft oppassen. De vraagtekens bij Groningen en Vlaardingen bijvoorbeeld geven aan dat het allerminst duidelijk is of daarin wel het ‘echte’ -ingen moet worden gezien in de betekenis “behorende tot“, “eigendom van“. Zoveel als er in de afgelopen twee eeuwen aan toponymisch onderzoek is verricht, zoveel blijft er onduidelijk als we over te weinig of te mistige bronnen beschikken.

Wat wel vaststaat is dat de behandelde grens tussen het Franstalige –ange en het Duitstalige –inge(n) ophoudt ten zuiden van het huidige Nederland, namelijk ergens langs de lijn van Luik naar Hasselt in België.

Het is alles bij elkaar genoeg om over te mijmeren als je de urenlange rit maakt over Metz en Martelange naar Maastricht.
______________________________________________________________________

Een paar verwijzingen naar geraadpleegde websites:
https://nl.wikipedia.org/wiki/Lotharingen_(Frankrijk)
https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_Franse_en_Duitse_plaatsnamen_in_Lotharingen
https://fr.wikipedia.org/wiki/Toponymie_de_la_Belgique
https://fr.wikipedia.org/wiki/Correspondance_des_toponymies_lorraines_en_fran%C3%A7ais_et_en_allemand
en nog tientallen andere.

 

 

Cronfeld en Andrea

Ik had in het artikel over Corsini, Institutiones Mathematicæ toegezegd nog terug te komen op de inscriptie (zie hiernaast) die Frater Barnabas Cronfeld voorin had geschreven en waaruit bleek dat het afkomstig was van ene Andrea. Inmiddels heb ik zo veel gegevens kunnen vergaren, dat die aanvulling nu kan volgen. Dat alles dankzij de hulp van een Kroatische theoloog die verbonden is aan een universiteit in München.

Allereerst de tekst van de inscriptie zelf. Daar had ik toch een en ander niet correct gelezen, deels door onbekendheid met de situatie in 1760. Er staat nu zeker:

Fr. Barnabas Cronfeld | acquisivit a M.V.P. Andrea | ab egge A° 1760
dat betekent dan: Fr[ater] Barnabas Cronfeld verwierf [dit boek] van M.V.P. Andrea uit Egge in het jaar 1760.

De afkorting M.V.P. staat tegenwoordig voor “Minimal Viable Product” of “Most Valuable Player”, maar in de 18e eeuw was het “Multum Venerabilis Pater“, oftewel “Zeer Hoogwaardige Vader“.

En in plaats van “esse“, wat ik eerst las, staat er “Egge”, en dat is een van de oude benamingen van de stad Eger, wat weer de Duitse benaming is van het huidige Cheb aan de Tsjechische westgrens. Je moet het allemaal maar weten en beseffen. Pater Andrea kwam dus uit Cheb.

Cheb ligt aan de rivier de Eger, die in het Tsjechisch de Ohře heet, maar vanaf de Duitse grens weer Eger, voor het gemak. Zoek maar even op de kaart. (kaart © Auto Atlas ČSSR 1971)
Er zit wel een aardige anekdote aan vast, die mijn visie op de Koude Oorlog heeft beïnvloed.

 

De allereerste keer dat ik naar Tsjechoslowakije ging, najaar 1968, namen een van mijn zussen en ik de weg die via Marktredwitz en Schirnding naar de grens voerde, en vandaar via Pomezí, Cheb en Karlový Vary naar Praag.
Die grens was al een belevenis op zich. Uren wachten, paspoorten en visa afgeven, alles uit de auto, controle van binnen en van onderen met en spiegel aan een lange stok, een soort selfie stick avant la lettre; geen toiletten, niks te drinken.
Ik nam schielijk bijgaande foto, wat absoluut streng verboden was, maar ik had lef genoeg me die scène niet te laten ontglippen. Het vervelendste was, dat het al aan de late kant was, en omdat we in het laatste stuk West-Duitsland helaas geen tankstations meer waren tegengekomen, waren we aangewezen op wat we in de 200 km naar Praag nog zouden kunnen vinden, wetende dat we Praag zelf op onze tank niet meer zouden halen. De mistroostigheid van de omgeving en bebouwing bood weinig hoop, tot ik ergens tussen Pomezí en Cheb (of was het bij Sokolov, meer rechts op de kaart?) een ommuurd terrein zag met prikkeldraad en gietijzeren hekwerken. Ik vermoedde een politie- of legerbasis en verwachtte daar de nodige hulp te kunnen krijgen. Aan de poort werden wij resoluut staande gehouden. In mijn beste Tsjechisch legde ik verontschuldigend uit dat we bekant zonder benzine zaten. De schildwacht legde vervolgens in zijn beste Russisch uit dat dit geen tankstation was, maar militair terrein. Verboden toegang. We waren het volkomen eens, al waren we nu wel door eigen toedoen in Sovjet-Russische handen gevallen.

Inmiddels had een half peloton Sovjets zich rond ons opgesteld. Een Austin Maxi? Nog nooit gezien. Een Nederlands nummerbord? Waar ligt dat ergens? Misschien wisten zij ook al niet eens in welk land zij zich zelf nu bevonden. Vol trots showde ik de auto, welke rondleiding eindigde bij de tankdop. We kregen prompt een halve tank vol Siberische benzine (vermoedelijk zwaar loodhoudend) gratis en voor niks. Wederzijds goedmoedig zwaaiend reden we door naar Praag.

Een paar jaar later stond ik met een paar vrienden op het station van het nu Slowaakse Banská Bystrica te wachten op de trein naar Praag, maar die bleek pas uren later te vetrekken. We raakten in gesprek met een legerofficier, zo aan al zijn insignes te zien. Toen hij ons vertelde dat de trein pas om 8 uur vertrok, zei hij “wosemj” voor “acht” in plaats van gewoon Slowaaks “osem” en wist ik daardoor meteen dat we met een Rus te maken hadden. Hij nodigde ons vieren uit met hem mee naar huis te gaan waar we een paar glazen vodka kregen en een grote kom aardappelsoep, die nog net te hachelen was. Ruim op tijd bracht hij ons weer naar het station.

En tien jaar na mijn eerste Cheb-ervaring waren we eind december 1978 in Praag. Bij 12º konden we zonder jas langs de Moldau wandelen. Maar die nacht viel pardoes de vorst in en de volgende ochtend was het -35°. De sloten van onze Saab 99, geparkeerd voor hotel Olympik****/Garni***, zaten potdicht, en toen de deur met kunst- en vliegwerk open was, bleek de accu bevroren, althans leeg te zijn. Het waren Sovjetsoldaten met een vette Russische legertruck die met startkabels hun 24-Volt accu kortstondig aan onze 12-Volt startmotor hield en de motor liep weer.

Ik geef het onmiddellijk toe, een Buk-raket is andere koek, maar de waarheid ligt in het midden.

Cheb dus, want dat was het tussenstation op weg naar de onthulling van de geheimen achter de inscriptie die Cronfeld ons naliet. Cheb heeft een Franciscaans klooster dat uit de 13e eeuw stamt. In 1951 werd het onteigend en moesten de religieuzen vertrekken, maar in 1991 kwam het weer in kerkelijk bezit. Het was dus daar dat we onze nog steeds mysterieuze M.V.P. Andrea moesten zoeken.

Een speld in een hooiberg. Googelen helpt niet. Maar als je eenmaal gepensioneerd bent, zoek je niet de speld, maar zoek je de hooiberg, waarna je tijd zat hebt om ergens die speld te vinden. En zo geschiedde.

Vanuit München kreeg ik een link doorgestuurd naar het boek van Franjo Emanuel Hoško, Pejo Ćošković & Vicko Kapitanović  (red.) : Hrvatski franjevacki biografski leksikon, Zagreb 2010. Een Kroatisch Franciscaans biografisch lexicon dus. Daarin trof ik twee spelden aan in de 18e eeuwse Midden-Europese hooiberg. Ik geef er maar even een Nederlandse vertaling van.

Op p.110:
CRONFELD, Barnabas, filosoof en schrijver (* Frankenstein, Silezië, tegenwoordig Ząbkowice Śląskie, 12.XI.1730 – † Mohač, 13.IX.1788). In 1750 werd hij lid van de [kerk-]provincie Bosnië-Srebrena in Velika, en na de opdeling van Bosnië-Srebrena in 1757 werd hij lid van de [kerk-]provincie Sv. Ivan Kapistran [=Joannis a Capistrano]. Hij doceerde filosofie in Vukovar van 1758-1761 en hield een openbaar debat in de filosofie. Hij slaagde voor het examen voor hoogleraar theologie in Osijek in 1763 en was leraar aan de Theologische Scholen in Timișoara van 1763-1765, in Petrovaradin van 1765-1768 en in Buda[pest] van 1774-1777; voor zijn verblijf in Buda was hij van 1768-1774 in Dakovo adviseur van twee bisschoppen, Joseph Antun Colnic en Matthew Francis Krtica.
Van hem zijn vier uitgaven bekend, tussen 1760 en 1776 in Valcovarini (dat is dus Vukovar) en Essekini, oftewel Osijek. Het is wat met die plaatsnamen.
Niet zo vreemd dus dat hij in 1760 het boekje van Corsini goed kon gebruiken

En dan, tot mijn grote verbazing die andere kleine speld, op p. 222:
HEITZER, Andrija, filosoof en schrijver (* Cheb, -in het Duits: Eger-, Tsjechië, 1.IX.1732 – † Radna kraj Recaș, 9.III.1803). Hij was lid van de [kerk-]provincie St. Ivan Kapistran [=Joannis a Capistrano]. Hij trad eerst op als professor in de filosofie aan het College van Brod aan de Sava in 1764-1765, waar hij in de Franciscaanse kerk een openbaar debat in de filosofie leidde, en hij presenteerde 59 scripties in de filosofie. Hij zette zijn pedagogische en didactische werk niet voort, maar werd ouderling van de kloostergemeenschappen in Vukovar in 1775-1776, in Radna van 1776-1777, 1778-1791 en 1800-1803, en in Osijek in 1783-1784. Hij was definitor [=een soort kloosterbeleidmaker] van 1777-1780. Hij heeft veel moeite gestoken in de ontwikkeling van het Maria-heiligdom in Radna, waar Kroatische, Duitse en Hongaarse gelovigen bijeenkwamen.
Van zijn hand verscheen Propositiones selectæ ex universa philosophia. Essekini [=Osijek], Typis Francisc., 1765.

Zo had ik dus in één klap een antwoord op zowat alle vragen en onduidelijkheden die de magere inscriptie voorin het boek van Corsini vermeldde.

En nog meer dan dat. Terwijl ik eerder van mening was dat het werkgebied van Cronfeld beperkt bleef tot het Donau-stroomgebied van Boedapest tot Vukovar, zodat hij het per schip afkon, blijkt hij ook werkzaam geweest te zijn in het Roemeense Radna (boven Recaș, ten oosten van Arad) en in Timișoara. En Andrija Heitzer werkte niet alleen in Vukovar, maar onder meer ook in het genoemde Radna en in Osijek. Dat zijn nogal wat grensoverschrijdende afstanden voor die tijd. Toen ik mijn verbazing daarover liet blijken, kreeg ik vanuit München ook nog een kopie van de prachtige kaart uit 1830 toegestuurd van de Franciscaanse provincie Joannis a Capistrano. Ik ben dol op landkaarten. En deze maakt duidelijk welk een gebied die ordeprovincie omvatte: van Sankt-Pölten bij Wenen links boven, tot Belgrado rechts onder; van Timișoara en Radna rechts tot Požega en Cernik links onder. Als je op de kaart klikt, zie je hem voor een betere leesbaarheid in hoge resolutie (5760 x 3840 px; 7,5 Mb).

Eigenlijk had ik het dus helemaal voor niets over Cheb, met zijn Franciscaanse klooster, zijn grens, zijn Sovjet-legerplaats. Het was alleen maar de geboortestad van M.V.P. Andrea. Maar intussen heb ik weer een hoop bijgeleerd en kon ik dat vermengen met eigen herinneringen van 50 jaar geleden.

 

L’Histoire de la Science Hellène

Boekbinden, in het bijzonder het restaureren van boeken, is voor mij een hobby, geen beroep. Zo af en toe moet ik wat herstelwerk verrichten aan boeken die wij ter verkoop aanbieden, maar voor de rest beoefen ik de hobby als tijdverdrijf, of als ik er iets moois van wil maken, of om de vaardigheid niet te verliezen. Soms echter beginnen mijn handen echt te jeuken, zoals bij nevenstaand boek dat zo deerlijk uit elkaar lag dat ik het niet langer kon aanzien. En geholpen door mijn gedwongen huisisolement, dat hier gewoon confinement heet, maakte ik er een projectje van. Een summier verslag, dat ik ook wel “l’Histoire de la Science de Reliure” kan noemen.

Ik heb het dan over het boek van Paul Tannery, Pour l’Histoire de la Science Hellène, uitgegeven in 1930 door Gauthier-Villars & Cie te Parijs. Een vrij fors boek van 26×16½x4 cm, XXIV+436 bladzijden en een gewicht van ruim 1100 gram. Het bindwerk van de Parijse uitgever was daarop niet berekend, zoals uit bovenstaande afbeelding blijkt.

Restauratiewerk steunt op twee uitgangspunten: wat wil je ervan maken en wat kun je ervan maken. Het eerste legt de bovengrens vast, het tweede de ondergrens.

De planning
Wat ik in dit geval wilde: de binding herstellen en vooral verstevigen, en de papieren omslag vervangen door een iets steviger kartonnen omslag. Laten we dat eerst nader puntsgewijs beschouwen.
(NB: Alle foto’s zijn aanklikbaar voor een groter formaat op een nieuw tabblad.)

(1) Al meteen bleek dat de binding volstrekt ontoereikend was en om die reden ook deels was gebroken.
In alle katernen zaten twee gaatjes waardoorheen een dun stukje garen was genaaid om de zaak (vergeefs) bij elkaar te houden. Zie bij de rode pijltjes hiernaast.
Het was dus zaak alle bestaande binding te verwijderen, in de katernen meer gaatjes te prikken en ze met iets steviger garen opnieuw aaneen te naaien. In feite was dit de hoogstnoodzakelijke ingreep.

(2) Een ander manco was dat de papieren rug aan de katernen vastgeplakt was (geweest) en dientengevolge bij het openslaan van het boek onherstelbaar was gescheurd en zelfs voor de helft ontbrak. Zie rechts op de foto. Die moest dus helaas als verloren worden beschouwd.


(3) Vervelend was de constatering dat de pagina voorin met titel en impressum voor eenderde deel helemaal was afgescheurd; het losse restant was nog wel aanwezig, zodat een poging de twee delen weer aan elkaar te bevestigen tot de opties behoorde.

(4) Verder vermeldde de voorlaatste pagina van het boek, onderaan de inhoudsopgave, dat er zich een Planche, Portrait de Paul Tannery in het boek bevond. Mijn vermoeden was dat het hier ging, zoals niet ongebruikelijk, om een linker pagina tegenover de titelbladzijde, het zogeheten frontispice. Maar daar zat geen portret en ook was niet zichtbaar of dat er ooit had gezeten. Evenmin zat er elders in het boek een pagina met afbeelding, noch dans le texte, noch hors texte. Maar mij leek het wel mogelijk in die lacune te gaan voorzien.

(5) Het papieren voor- en achterplat waren nog wel aanwezig, maar rondom nogal beschadigd. Zie de foto helemaal bovenaan dit artikel. Het leek me wel doenlijk die bij te snijden en op de aan te brengen kartonnen platten opnieuw te bevestigen.

Tot zover de werkzaamheden die ik in de planning opnam.

De beschikbare materialen
Wat ik ervan feitelijk kon maken, werd beperkt door de mogelijkheden en mijn vaardigheid. Tijd was daarbij geen factor, want onder het gegeven corona-isolement was die in ruime mate voorhanden. Wel hield ik vast aan mijn gewoonte om in principe alleen materialen te gebruiken die ik al in huis had. Dat is een soort van zuinigheid, maar ook van mijn houding dat alles een tweede of derde kans op hergebruik verdient. Fransen bewaren alles en weggooien kan altijd nog. Ik had die attitude al, en die is in de loop der jaren hier alleen maar versterkt. Ik kan nu al zeggen dat ik voor de hele restauratie ook niets heb moeten kopen: alles was in huis, al zou ik het wat mooier hebben kunnen maken door nog een en ander nieuw bij te kopen. Zo had ik bijvoorbeeld liever een bruin of blauw leeslint willen aanbrengen, maar ik had alleen maar rood en geel liggen. Soit.

Hetzelfde gold voor de attributen die bij een boekrestauratie onontbeerlijk zijn. Naast de artikelen op bijgaande foto, waarop nog het strookje gaas voor de rug ontbreekt en een pak stijfsel/behangplak alsmede de kartonnen platten, had ik al langer de beschkking over een naaibankje, een prikblok, een zogenaamd ‘derde handje’ en een drietal boekpersen. Zij komen verderop nog wel in beeld. Daarmee moest ik het doen en leek het mij ook doenlijk.

De werkzaamheden
(1) Het verwijderen van de oude binding, dus het lostrekken van alle garen en het lospeuteren van de restanten van de rug was een fluitje van een cent. Daarmee kwamen het voor- en achterplat los te liggen en waren alle katernen van elkaar gescheiden.
Vervolgens  prikte ik met behulp van een kartonnen malletje met vier gemarkeerde posities, op het prikblok katern voor katern in elke vouw nog vier gaatjes bij, twee links en twee rechts van de bestaande gaatjes (rode pijltjes) om een steviger naaiing te kunnen gaan aanbrengen.

Met alle katernen in de goede volgorde en richting weer op elkaar liggend en geklemd in het derde handje, markeerde ik die volgorde met diagonale viltstiftlijnen, zoals je dat ook bij machinaal gebonden boeken wel eens ziet. Dat is bepaald geen overbodige luxe; sterker nog, het behoort tot de basisvoorschriften voor boekbinders. Ik weet het als geen ander: ooit heb ik eens een boek ingebonden dat nota bene over boekbinden gaat, en legde ik per ongeluk twee katernen op hun kop op de stapel, de bovenkant dus haar onderen. Bij het doorbladeren moet je dus voortaan halverwege het boek omkeren om verder te kunnen lezen. Het gebeurt mij nu geen tweede keer meer.
Overigens kun je op de foto goed zien dat de oorspronkelijke gaatjes, de twee dus in het midden, in 1930 ook maar zo’n beetje met de Franse slag waren geprikt; ze zitten niet bepaald in lijn. Dat is niet echt erg voor het binden, maar het ziet er niet uit. ‘Mijn’ vier rijtjes gaatjes aligneren een stuk beter en dat is prettig voor het aanbrengen van de verstevigingsbandjes in de volgende fase.

Het naaibankje dient om katern voor katern op elkaar te kunnen naaien, te beginnen met het achterste katern. Dan is het verder een geduldwerkje: met naald en draad rechts van buitenaf insteken, door het naastliggende linker gaatje weer naar buiten, om het verstevingsbandje heen weer naar binnen door gaatje drie en dan door het linker gaatje weer naar buiten. Even goed straktrekken. Volgende katern erop en in omgekeerde volgorde de draad weer naar rechts toe rijgen. Even goed straktrekken. Derde katern erop en dan weer naar links.
Daar aangekomen moet je een kettingsteek maken om te voorkomen dat de katernen onderling gaan verschuiven. Je haalt de naald, die nu links uit het derde katern is gekomen, tussen het eerste en tweede katern door en ‘pakt’ daarmee de steek tussen die twee katernen. Even goed straktrekken. Daarna prik je de naald door het linker gat van het vierde katern en zitten de katernen 2, 3 en 4 aan de linker kant gekettingd. Dat doe je vervolgens iedere keer rechts en links voor je een nieuw katern gaat bevestigen.

Een paar uur later heb je de in dit geval 16 katernen van 32 bladzijden aan elkaar genaaid. Dan, in het derde handje, goed insmeren met boekbinderslijm, de kapjes, het leeslint en de strook gaas ter versteviging erop drukken, en het boekblok is in feite klaar.
Had ik de beschikking gehad over een industriële papiersnijmachine, dan had ik (vóór het aanbrengen van de kapjes en het leeslint natuurlijk) het boekblok eerst rondom schoongesneden. Maar zo’n doodeng apparaat heb ik jammer genoeg niet in huis.

(3) (De volgorde van de feitelijke werkzaamheden correspondeert niet helemaal met de voorgenomen orde der dingen, maar kwam zo toch beter uit.)
Een verhaal apart was namelijk de afgescheurde pagina voorin. Natuurlijk kun je met Aslan (foutief ook bestempeld als ‘onzichtbaar plakband’) de zaak weer aan elkaar plakken, maar fraai is dat niet en bovendien was de scheurlijn niet recht, maar sterk gebogen. Eerst probeerde ik de snijvlakken met boekbinderslijm in te smeren en dan tegen elkaar te plakken, maar dat gaf na droging een doorzichtige naad. Toen probeerde ik die lijm te vermengen met fijn zaagsel om er wat kleur aan te geven, maar ook dat leverde geen geweldig resultaat op. De situatie is nu dat weliswaar de pagina weer één geheel vormt, maar het blijft een lelijk gezicht. Het is mijn vak niet, en in het werken met Japans papier, zoals wordt aanbevolen in dergelijke situaties, heb ik geen ervaring. Operatie dus grotendeels mislukt.

(2) Met het genaaide en gelijmde boekblok een nachtje in de pers was het zaak aan de band te beginnen. Gelukkig heb ik nog genoeg karton in allerhande formaten en diktes in huis. Ik koos voor 1 mm dik karton; het hoeft ook geen altaarmissaal te worden met houten platten. Met bekleding buitenop en schutblad binnenin komt dat dan op ±2½ mm dikte uit.
Ik gebruik, zoals gezegd, graag wat ik nog in huis heb, en zo kwam ik op het idee om een rug te snijden uit wat bij ons thuis het Siamkoffer heet. Dat is, zo vertelt de overlevering, het koffer waarmee mijn moeder met alle kinderen in begin 1946 repatrieerde van Bangkok naar Oss. Dat lederen koffer lag al tientallen jaren bij mij op zolder en was inmiddels van ellende uit elkaar gevallen doordat het stiksel was verweerd. Ik heb dat toen ooit eens van zijn beleg ontdaan en de nog bruikbare stukken leer afgesneden en die op een stapeltje opgeslagen. Zo kon het boek nog een familiair-emotionele band krijgen, letterlijk en figuurlijk. Uit pure luxe besloot ik er ook nog vier verstevigingshoekjes van te snijden. Zie de afbeelding hierboven bij De beschikbare materialen. Voor de bekleding van de platten koos ik voor zwart bukram (soort kunstleer). Net echt.
Het inhangen van het boekblok in de band bestaat uit twee stappen: het op maat snijden van de schutbladen, die uiteindelijk band en boekblok bij elkaar houden, en dan het lijmen van die schutbladen aan enerzijds de band en anderzijds het boekblok. Dat gaat bij mij altijd mis. Als het schutblad al niet gaat bobbelen, of vouwen gaat vertonen, komt het altijd wat scheef te zitten en eenmaal wat aangedrukt krijg je het met geen onmogelijkheid weer mooi los om het recht en haaks te bevestigen. Of het lijkt goed te zitten, maar bij het openen van het boek gaat het trekken en zelfs scheuren.
Dit keer viel dat echter reuze mee, behalve het mooi naadloos afsnijden langs de verstevigingshoekjes. Noem het dan maar ‘ambachtelijk bereid’.
Wat dan ook nog een heikel punt is: aan de rugzijde moet de onderlinge afstand tussen de platten corresponderen met de dikte van het boekblok, zowel in geopende als gesloten toestand van het boek. En dat komt op de milimeter nauwkeurig. Zitten de platten te ver uit elkaar, dan heeft het boek ‘een te grote broek aan’ en dat ziet er niet uit; zitten de platten te krap op elkaar, dan gaan de platten aan de buitenkant wijken en ook dat is geen aanbeveling. Natuurlijk meet je een en ander tevoren goed uit, maar steeds is het maar afwachten of het ook klopt.
In dit geval had het in zoverre wat speling dat de vrij slappe, lederen rug zelf niet aan het boekblok was geplakt, zoals dat oorspronkelijk met de papieren rug wel het geval was. Daardoor kan de rug nu vrijelijk wat meer open en dicht plooien.

Restte nog het vervaardigen van het vervangende portret van Paul Tannery op het frontispice. Van hem circuleert op internet een goed bruikbare foto. Die heb ik met een ‘naamplaatje’ op gladder papier geprint en samen met een beschermend doorzichtig schutblad (tegen het doordukken van de inkt) apart op de bestemde plek voorin ingelijmd. Dat leverde verder weinig problemen op.

De voorlaatste stap was het persen van het ingebonden boekwerk, ditmaal in de grote, zware pers en meer dan 24 uur.
Alles aan de keukentafel, want de keuken is hier ’s winters der mensen habitat. Dan kun je ook de cuisinière tijdig bijvullen en is het er lekker warm.

Tijd dus om nu eens heel andere dingen te gaan doen, te eten, te gaan slapen, of wat dan ook.

(5) Met opzet had ik gewacht met het bijsnijden en opplakken van de oorspronkelijke voor- en achterkant van het boek. Immers, mocht het zo zijn dat er nog iets aan de platten of bekleding ervan moest gebeuren, dan kon ik die papieren pagina’s er niet meer eerst vanaf halen.
Maar dat bleek niet nodig, en zo kon het vele werk worden afgerond met een min of meer originele voor- en achterkant en achtte ik de hele operatie voor zeker 75% goed geslaagd. Nobody is perfect.