ange en inge

Het zal velen bekend voorkomen: rijdend vanaf Metz via Luxemburg (en natuurlijk Martelange) naar Luik wordt je aandacht getrokken door de vele plaatsnamen op wegwijzerborden die eindigen op -ange. Omdat ik die route heen en weer zo vaak rijd, is me dat steeds meer gaan intrigeren. Wat betekent dat -ange? En waarom liggen die plaatsen zo geclusterd zo precies in dat gebied, terwijl ze elders maar zo sporadisch voorkomen? Het antwoord is wel te geven, maar het vergt wel veel speurwerk, historisch, geografisch, politiek en taalkundig. Dat betekent voor dit artikel dat het slechts een summier overzicht kan bieden en ik de geboeide lezer dringend adviseer er een internet-zoektocht van een paar weken van te maken. Hint: begin dan maar met zoeken naar Lotharingen, want daar ligt de kern van de oplossing.

Dat clusteren van plaatsnamen met gelijkluidend woordeinde ken ik al vanaf de lagere school, toen we van alle provincies de voornaamste plaatsen moesten opdreunen: Dordrecht-Sliedrecht-Zwijdrecht-Barendrecht. Of Amsterdam-Edam-Monnikendam-Volendam.
En van de acht selligheden: Duizel (<Duijsel)-EerselHulsel-KnegselNeterselReuselSteensel Wintelre (<Wintersel).
Al die opeenhopingen zijn intussen wel goed onderzocht en beschreven. Zo ook de plaatsnamen op -ange.

De uitgang -ange wordt in de meeste beschrijvingen aangeduid als “behorende tot“, “eigendom van“, die wordt voorafgegaan door de naam van een heer of het geslacht tot wie het gebied behoorde. Hetzelfde geldt voor zijn Germaanse pendant –inge(n).

Lotharingen dus, een streek waarover boeken vol zijn geschreven. Ik beperk me tot Opper-Lotharingen (in Noordoost-Frankrijk) en het zuidelijk deel van Neder-Lotharingen (Luxemburg en Oost-België). Dat is het gebied waar we -ange zo vaak tegenkomen. Maar bedenk daarbij dat het ook een gebied is waar het in de loop der eeuwen, tot het einde van de Tweede Wereldoorlog, voortdurend stuivertje wisselen was tussen Frankrijk en Duitsland, beter gezegd: tussen Gallische en Germaanse overheersing en invloed. Deels had dat natuurlijk te maken met de rijkdom aan delfstoffen in die streek, die zelfs doorliep tot de voormalige Limburgse kolenmijnen. Om aan al dat gesteggel een eind te maken ontstond in 1952 de EGKS, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. Die kolen zijn nu wel een beetje passé, maar de zieltogende staalindustrie is in Noordoost-Frankrijk nog alom aanwezig.

Die Frans-Duitse strijd om Lotharingen had mede tot gevolg dat er een soort taalgrens ontstond, dwars door het gebied heen. Aan de westkant het Franstalige gebied, aan de oostkant het Duitstalige. Dat is heel grof gesteld, want die grens is niet alleen nogal rafelig, maar bovendien hebben we ook nog eens te maken met tal van subtalen en dialecten, waarbij het in Luxemburg, het Belgische deel en het Groothertogdom, nog veel complexer is. Maar grosso modo komt het erop neer dat al die toponiemen die eindigen op -ange, uitgesproken als [angzje], aan de Gallische kant liggen, en dat we aan de oostkant een overvloed aan plaatsnamen op -inge(n) vinden. België zal België niet zijn als we langs de rafelrand niet ook nog eens tweetalige plaatsnamen tegenkomen, zoals MartelangeMartelingen.
En omdat het in de provincie Luxemburg ligt, wordt dat ook nog min of meer fonetisch gespeld als MartelengMârtelengen en Maartel en in het plat-Waals dan nog eens als Måtlindje

Op internet staat een uitgebreid artikel o.a. over het voorkomen van toponiemen die eindigen op -ange en op -anges in Frankrijk. Bijgaand kaartje geeft overduidelijk de Lotharingse concentratie van toponiemen op -ange aan (alle rode stippen rechtsboven). Jammer genoeg beperken dat onderzoek en dat kaartje zich tot het huidige Franse grondgebied. Weliswaar levert dat honderden treffers op, alleen al in het departement Moselle (57) zijn het er al meer dan 120, maar onze rit voert verder, door Luxemburg en Oost-België.

In het Groothertogdom wemelt het van de plaatsnamen op -ange: Differdange, Dudelange, Livange, Rumelange,… Op Wikipedia vind je er zo 86 bijeen staan. Ze komen voor tot in het noordelijkste puntje, waar op nog geen 5 km van elkaar van zuid naar noord Drinklange, Wilwerdange, Goedange en Huldange liggen.
Op -inge(n) vind ik er maar rond de 20, voornamelijk in het oostelijk deel van het land. Zo je van een taalgrens mag spreken, loopt die dus door het oostelijke kwart van Luxemburg.

Vervolgen we onze reis, dan komen we weer iets merkwaardigs tegen in het gebied tussen Luik en Hasselt. Daar treffen we zowel de beschreven Gallisch-Germaanse taalgrens tegen, als de Vlaams-Waalse, die tegelijk politiek als taalkundig een scheiding vormt. Veel plaatsen langs die Vlaams-Waalse grens dragen ook tweetalige namen. Ik noem Hoepertingen (Houppertange), Bitsingen (Bassenge), Kuringen (Curange), Ordingen (Ordange), Piringen (Pirange), Rukkelingen (Roclenge) en Wouteringen (Otrange). Iets zuidelijker, en 100% Waals, is Tihange, berucht om zijn onbetrouwbare kerncentrale. De naam betekent “gebied behorende tot Thibaut“; er bestaat geen gangbare Duitstalige variant, maar oorspronkelijk schijnt het iets als *Tihondinga geweest te zijn.

Gaan we vervolgens iets dieper Vlaanderland in, dan komen we ten noorden van de lijn Maastricht – Tongeren – Sint-Truiden plaatsen als Ketsingen, Mopertingen en Riksingen tegen, waarvoor geen Franstalige pendanten als *Quetsange, *Maupertange of *Rixange bestaan. De taalgrens lijkt behoorlijk scherp te zijn; de taalstrijd heeft zijn werk gedaan.

Lotharingen zelf heette oorspronkelijk Lotharii regnum, “het rijk van Lothaire“, een benaming die in de 10e eeuw tot Lotharingia werd. Het maakt de huidige Franse naam Lorraine ook aannemelijk; was het een streeknaam op -inge(n) geweest zoals zo vele plaatsnamen ten oosten van de taalgrens, dan zou die in het Frans iets als *Lotharange geweest moeten zijn, maar dat is niet zo. Ook de Nederlandse benaming Lorreinen doet meer aan regnum denken dan aan -inge(n).

We rijden Nederland binnen, op zoek naar –ange en -inge(n). Dat voert ons allereerst op een zijspoor dat een dwaalspoor blijkt te zijn.
In Nederland zijn er bij mijn weten geen plaatsnamen die op -ange eindigen, behalve Bourtange. Nu is het al hoogst onwaarschijnlijk dat je helemaal naar Groningen moet afreizen om een Franstalige invloed waar te nemen – de Gallisch-Germaanse taalgrens in Nederland loopt parallel aan de grote rivieren, maar bovendien is het niet Bourt-ange, maar Bour-tange, met -tange als variant van (land-)tong(-e). Boeren-tange dus. De Frans ogende spelling Bourtange in plaats van Boertange maakt het allemaal nog verwarrender.
Ook als je wat ruimer wil denken en de in Nederland voorkomende uitgang -enge(n) ziet als een variant van -ange, kom je bedrogen uit: plaatsnamen als Kockengen en Portengen lijken fantasienamen te zijn, ontstaan bij de ontginningen in de 12e eeuw. Kockengen zou een verbastering zijn van (het land van) Cocagne, d.w.z. Luilekkerland, en Portenge een verbastering van Bretagne. Zo vermeldt De Vries het in elk geval in zijn Woordenboek van Noord- en Zuid-Nederlandse plaatsnamen (Aula 85).

Anders ligt dat met -inge(n) in Nederland. Als ik vlotweg Everdingen, Grevelingen, Groeningen, Groningen (?), Harlingen, Kloetinge, Millingen (2x), Scheveningen, Vlaardingen (?), Vlissingen, Wageningen, Wateringen, Wemeldinge en Wieringen uit mijn mouw schud, heb ik vermoedelijk nog niet een tiende deel van alle voorkomens vermeld. Maar het blijft oppassen. De vraagtekens bij Groningen en Vlaardingen bijvoorbeeld geven aan dat het allerminst duidelijk is of daarin wel het ‘echte’ -ingen moet worden gezien in de betekenis “behorende tot“, “eigendom van“. Zoveel als er in de afgelopen twee eeuwen aan toponymisch onderzoek is verricht, zoveel blijft er onduidelijk als we over te weinig of te mistige bronnen beschikken.

Wat wel vaststaat is dat de behandelde grens tussen het Franstalige –ange en het Duitstalige –inge(n) ophoudt ten zuiden van het huidige Nederland, namelijk ergens langs de lijn van Luik naar Hasselt in België.

Het is alles bij elkaar genoeg om over te mijmeren als je de urenlange rit maakt over Metz en Martelange naar Maastricht.
______________________________________________________________________

Een paar verwijzingen naar geraadpleegde websites:
https://nl.wikipedia.org/wiki/Lotharingen_(Frankrijk)
https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_Franse_en_Duitse_plaatsnamen_in_Lotharingen
https://fr.wikipedia.org/wiki/Toponymie_de_la_Belgique
https://fr.wikipedia.org/wiki/Correspondance_des_toponymies_lorraines_en_fran%C3%A7ais_et_en_allemand
en nog tientallen andere.

 

 

Cronfeld en Andrea

Ik had in het artikel over Corsini, Institutiones Mathematicæ toegezegd nog terug te komen op de inscriptie (zie hiernaast) die Frater Barnabas Cronfeld voorin had geschreven en waaruit bleek dat het afkomstig was van ene Andrea. Inmiddels heb ik zo veel gegevens kunnen vergaren, dat die aanvulling nu kan volgen. Dat alles dankzij de hulp van een Kroatische theoloog die verbonden is aan een universiteit in München.

Allereerst de tekst van de inscriptie zelf. Daar had ik toch een en ander niet correct gelezen, deels door onbekendheid met de situatie in 1760. Er staat nu zeker:

Fr. Barnabas Cronfeld | acquisivit a M.V.P. Andrea | ab egge A° 1760
dat betekent dan: Fr[ater] Barnabas Cronfeld verwierf [dit boek] van M.V.P. Andrea uit Egge in het jaar 1760.

De afkorting M.V.P. staat tegenwoordig voor “Minimal Viable Product” of “Most Valuable Player”, maar in de 18e eeuw was het “Multum Venerabilis Pater“, oftewel “Zeer Hoogwaardige Vader“.

En in plaats van “esse“, wat ik eerst las, staat er “Egge”, en dat is een van de oude benamingen van de stad Eger, wat weer de Duitse benaming is van het huidige Cheb aan de Tsjechische westgrens. Je moet het allemaal maar weten en beseffen. Pater Andrea kwam dus uit Cheb.

Cheb ligt aan de rivier de Eger, die in het Tsjechisch de Ohře heet, maar vanaf de Duitse grens weer Eger, voor het gemak. Zoek maar even op de kaart. (kaart © Auto Atlas ČSSR 1971)
Er zit wel een aardige anekdote aan vast, die mijn visie op de Koude Oorlog heeft beïnvloed.

 

De allereerste keer dat ik naar Tsjechoslowakije ging, najaar 1968, namen een van mijn zussen en ik de weg die via Marktredwitz en Schirnding naar de grens voerde, en vandaar via Pomezí, Cheb en Karlový Vary naar Praag.
Die grens was al een belevenis op zich. Uren wachten, paspoorten en visa afgeven, alles uit de auto, controle van binnen en van onderen met en spiegel aan een lange stok, een soort selfie stick avant la lettre; geen toiletten, niks te drinken.
Ik nam schielijk bijgaande foto, wat absoluut streng verboden was, maar ik had lef genoeg me die scène niet te laten ontglippen. Het vervelendste was, dat het al aan de late kant was, en omdat we in het laatste stuk West-Duitsland helaas geen tankstations meer waren tegengekomen, waren we aangewezen op wat we in de 200 km naar Praag nog zouden kunnen vinden, wetende dat we Praag zelf op onze tank niet meer zouden halen. De mistroostigheid van de omgeving en bebouwing bood weinig hoop, tot ik ergens tussen Pomezí en Cheb (of was het bij Sokolov, meer rechts op de kaart?) een ommuurd terrein zag met prikkeldraad en gietijzeren hekwerken. Ik vermoedde een politie- of legerbasis en verwachtte daar de nodige hulp te kunnen krijgen. Aan de poort werden wij resoluut staande gehouden. In mijn beste Tsjechisch legde ik verontschuldigend uit dat we bekant zonder benzine zaten. De schildwacht legde vervolgens in zijn beste Russisch uit dat dit geen tankstation was, maar militair terrein. Verboden toegang. We waren het volkomen eens, al waren we nu wel door eigen toedoen in Sovjet-Russische handen gevallen.

Inmiddels had een half peloton Sovjets zich rond ons opgesteld. Een Austin Maxi? Nog nooit gezien. Een Nederlands nummerbord? Waar ligt dat ergens? Misschien wisten zij ook al niet eens in welk land zij zich zelf nu bevonden. Vol trots showde ik de auto, welke rondleiding eindigde bij de tankdop. We kregen prompt een halve tank vol Siberische benzine (vermoedelijk zwaar loodhoudend) gratis en voor niks. Wederzijds goedmoedig zwaaiend reden we door naar Praag.

Een paar jaar later stond ik met een paar vrienden op het station van het nu Slowaakse Banská Bystrica te wachten op de trein naar Praag, maar die bleek pas uren later te vetrekken. We raakten in gesprek met een legerofficier, zo aan al zijn insignes te zien. Toen hij ons vertelde dat de trein pas om 8 uur vertrok, zei hij “wosemj” voor “acht” in plaats van gewoon Slowaaks “osem” en wist ik daardoor meteen dat we met een Rus te maken hadden. Hij nodigde ons vieren uit met hem mee naar huis te gaan waar we een paar glazen vodka kregen en een grote kom aardappelsoep, die nog net te hachelen was. Ruim op tijd bracht hij ons weer naar het station.

En tien jaar na mijn eerste Cheb-ervaring waren we eind december 1978 in Praag. Bij 12º konden we zonder jas langs de Moldau wandelen. Maar die nacht viel pardoes de vorst in en de volgende ochtend was het -35°. De sloten van onze Saab 99, geparkeerd voor hotel Olympik****/Garni***, zaten potdicht, en toen de deur met kunst- en vliegwerk open was, bleek de accu bevroren, althans leeg te zijn. Het waren Sovjetsoldaten met een vette Russische legertruck die met startkabels hun 24-Volt accu kortstondig aan onze 12-Volt startmotor hield en de motor liep weer.

Ik geef het onmiddellijk toe, een Buk-raket is andere koek, maar de waarheid ligt in het midden.

Cheb dus, want dat was het tussenstation op weg naar de onthulling van de geheimen achter de inscriptie die Cronfeld ons naliet. Cheb heeft een Franciscaans klooster dat uit de 13e eeuw stamt. In 1951 werd het onteigend en moesten de religieuzen vertrekken, maar in 1991 kwam het weer in kerkelijk bezit. Het was dus daar dat we onze nog steeds mysterieuze M.V.P. Andrea moesten zoeken.

Een speld in een hooiberg. Googelen helpt niet. Maar als je eenmaal gepensioneerd bent, zoek je niet de speld, maar zoek je de hooiberg, waarna je tijd zat hebt om ergens die speld te vinden. En zo geschiedde.

Vanuit München kreeg ik een link doorgestuurd naar het boek van Franjo Emanuel Hoško, Pejo Ćošković & Vicko Kapitanović  (red.) : Hrvatski franjevacki biografski leksikon, Zagreb 2010. Een Kroatisch Franciscaans biografisch lexicon dus. Daarin trof ik twee spelden aan in de 18e eeuwse Midden-Europese hooiberg. Ik geef er maar even een Nederlandse vertaling van.

Op p.110:
CRONFELD, Barnabas, filosoof en schrijver (* Frankenstein, Silezië, tegenwoordig Ząbkowice Śląskie, 12.XI.1730 – † Mohač, 13.IX.1788). In 1750 werd hij lid van de [kerk-]provincie Bosnië-Srebrena in Velika, en na de opdeling van Bosnië-Srebrena in 1757 werd hij lid van de [kerk-]provincie Sv. Ivan Kapistran [=Joannis a Capistrano]. Hij doceerde filosofie in Vukovar van 1758-1761 en hield een openbaar debat in de filosofie. Hij slaagde voor het examen voor hoogleraar theologie in Osijek in 1763 en was leraar aan de Theologische Scholen in Timișoara van 1763-1765, in Petrovaradin van 1765-1768 en in Buda[pest] van 1774-1777; voor zijn verblijf in Buda was hij van 1768-1774 in Dakovo adviseur van twee bisschoppen, Joseph Antun Colnic en Matthew Francis Krtica.
Van hem zijn vier uitgaven bekend, tussen 1760 en 1776 in Valcovarini (dat is dus Vukovar) en Essekini, oftewel Osijek. Het is wat met die plaatsnamen.
Niet zo vreemd dus dat hij in 1760 het boekje van Corsini goed kon gebruiken

En dan, tot mijn grote verbazing die andere kleine speld, op p. 222:
HEITZER, Andrija, filosoof en schrijver (* Cheb, -in het Duits: Eger-, Tsjechië, 1.IX.1732 – † Radna kraj Recaș, 9.III.1803). Hij was lid van de [kerk-]provincie St. Ivan Kapistran [=Joannis a Capistrano]. Hij trad eerst op als professor in de filosofie aan het College van Brod aan de Sava in 1764-1765, waar hij in de Franciscaanse kerk een openbaar debat in de filosofie leidde, en hij presenteerde 59 scripties in de filosofie. Hij zette zijn pedagogische en didactische werk niet voort, maar werd ouderling van de kloostergemeenschappen in Vukovar in 1775-1776, in Radna van 1776-1777, 1778-1791 en 1800-1803, en in Osijek in 1783-1784. Hij was definitor [=een soort kloosterbeleidmaker] van 1777-1780. Hij heeft veel moeite gestoken in de ontwikkeling van het Maria-heiligdom in Radna, waar Kroatische, Duitse en Hongaarse gelovigen bijeenkwamen.
Van zijn hand verscheen Propositiones selectæ ex universa philosophia. Essekini [=Osijek], Typis Francisc., 1765.

Zo had ik dus in één klap een antwoord op zowat alle vragen en onduidelijkheden die de magere inscriptie voorin het boek van Corsini vermeldde.

En nog meer dan dat. Terwijl ik eerder van mening was dat het werkgebied van Cronfeld beperkt bleef tot het Donau-stroomgebied van Boedapest tot Vukovar, zodat hij het per schip afkon, blijkt hij ook werkzaam geweest te zijn in het Roemeense Radna (boven Recaș, ten oosten van Arad) en in Timișoara. En Andrija Heitzer werkte niet alleen in Vukovar, maar onder meer ook in het genoemde Radna en in Osijek. Dat zijn nogal wat grensoverschrijdende afstanden voor die tijd. Toen ik mijn verbazing daarover liet blijken, kreeg ik vanuit München ook nog een kopie van de prachtige kaart uit 1830 toegestuurd van de Franciscaanse provincie Joannis a Capistrano. Ik ben dol op landkaarten. En deze maakt duidelijk welk een gebied die ordeprovincie omvatte: van Sankt-Pölten bij Wenen links boven, tot Belgrado rechts onder; van Timișoara en Radna rechts tot Požega en Cernik links onder. Als je op de kaart klikt, zie je hem voor een betere leesbaarheid in hoge resolutie (5760 x 3840 px; 7,5 Mb).

Eigenlijk had ik het dus helemaal voor niets over Cheb, met zijn Franciscaanse klooster, zijn grens, zijn Sovjet-legerplaats. Het was alleen maar de geboortestad van M.V.P. Andrea. Maar intussen heb ik weer een hoop bijgeleerd en kon ik dat vermengen met eigen herinneringen van 50 jaar geleden.

 

L’Histoire de la Science Hellène

Boekbinden, in het bijzonder het restaureren van boeken, is voor mij een hobby, geen beroep. Zo af en toe moet ik wat herstelwerk verrichten aan boeken die wij ter verkoop aanbieden, maar voor de rest beoefen ik de hobby als tijdverdrijf, of als ik er iets moois van wil maken, of om de vaardigheid niet te verliezen. Soms echter beginnen mijn handen echt te jeuken, zoals bij nevenstaand boek dat zo deerlijk uit elkaar lag dat ik het niet langer kon aanzien. En geholpen door mijn gedwongen huisisolement, dat hier gewoon confinement heet, maakte ik er een projectje van. Een summier verslag, dat ik ook wel “l’Histoire de la Science de Reliure” kan noemen.

Ik heb het dan over het boek van Paul Tannery, Pour l’Histoire de la Science Hellène, uitgegeven in 1930 door Gauthier-Villars & Cie te Parijs. Een vrij fors boek van 26×16½x4 cm, XXIV+436 bladzijden en een gewicht van ruim 1100 gram. Het bindwerk van de Parijse uitgever was daarop niet berekend, zoals uit bovenstaande afbeelding blijkt.

Restauratiewerk steunt op twee uitgangspunten: wat wil je ervan maken en wat kun je ervan maken. Het eerste legt de bovengrens vast, het tweede de ondergrens.

De planning
Wat ik in dit geval wilde: de binding herstellen en vooral verstevigen, en de papieren omslag vervangen door een iets steviger kartonnen omslag. Laten we dat eerst nader puntsgewijs beschouwen.
(NB: Alle foto’s zijn aanklikbaar voor een groter formaat op een nieuw tabblad.)

(1) Al meteen bleek dat de binding volstrekt ontoereikend was en om die reden ook deels was gebroken.
In alle katernen zaten twee gaatjes waardoorheen een dun stukje garen was genaaid om de zaak (vergeefs) bij elkaar te houden. Zie bij de rode pijltjes hiernaast.
Het was dus zaak alle bestaande binding te verwijderen, in de katernen meer gaatjes te prikken en ze met iets steviger garen opnieuw aaneen te naaien. In feite was dit de hoogstnoodzakelijke ingreep.

(2) Een ander manco was dat de papieren rug aan de katernen vastgeplakt was (geweest) en dientengevolge bij het openslaan van het boek onherstelbaar was gescheurd en zelfs voor de helft ontbrak. Zie rechts op de foto. Die moest dus helaas als verloren worden beschouwd.


(3) Vervelend was de constatering dat de pagina voorin met titel en impressum voor eenderde deel helemaal was afgescheurd; het losse restant was nog wel aanwezig, zodat een poging de twee delen weer aan elkaar te bevestigen tot de opties behoorde.

(4) Verder vermeldde de voorlaatste pagina van het boek, onderaan de inhoudsopgave, dat er zich een Planche, Portrait de Paul Tannery in het boek bevond. Mijn vermoeden was dat het hier ging, zoals niet ongebruikelijk, om een linker pagina tegenover de titelbladzijde, het zogeheten frontispice. Maar daar zat geen portret en ook was niet zichtbaar of dat er ooit had gezeten. Evenmin zat er elders in het boek een pagina met afbeelding, noch dans le texte, noch hors texte. Maar mij leek het wel mogelijk in die lacune te gaan voorzien.

(5) Het papieren voor- en achterplat waren nog wel aanwezig, maar rondom nogal beschadigd. Zie de foto helemaal bovenaan dit artikel. Het leek me wel doenlijk die bij te snijden en op de aan te brengen kartonnen platten opnieuw te bevestigen.

Tot zover de werkzaamheden die ik in de planning opnam.

De beschikbare materialen
Wat ik ervan feitelijk kon maken, werd beperkt door de mogelijkheden en mijn vaardigheid. Tijd was daarbij geen factor, want onder het gegeven corona-isolement was die in ruime mate voorhanden. Wel hield ik vast aan mijn gewoonte om in principe alleen materialen te gebruiken die ik al in huis had. Dat is een soort van zuinigheid, maar ook van mijn houding dat alles een tweede of derde kans op hergebruik verdient. Fransen bewaren alles en weggooien kan altijd nog. Ik had die attitude al, en die is in de loop der jaren hier alleen maar versterkt. Ik kan nu al zeggen dat ik voor de hele restauratie ook niets heb moeten kopen: alles was in huis, al zou ik het wat mooier hebben kunnen maken door nog een en ander nieuw bij te kopen. Zo had ik bijvoorbeeld liever een bruin of blauw leeslint willen aanbrengen, maar ik had alleen maar rood en geel liggen. Soit.

Hetzelfde gold voor de attributen die bij een boekrestauratie onontbeerlijk zijn. Naast de artikelen op bijgaande foto, waarop nog het strookje gaas voor de rug ontbreekt en een pak stijfsel/behangplak alsmede de kartonnen platten, had ik al langer de beschkking over een naaibankje, een prikblok, een zogenaamd ‘derde handje’ en een drietal boekpersen. Zij komen verderop nog wel in beeld. Daarmee moest ik het doen en leek het mij ook doenlijk.

De werkzaamheden
(1) Het verwijderen van de oude binding, dus het lostrekken van alle garen en het lospeuteren van de restanten van de rug was een fluitje van een cent. Daarmee kwamen het voor- en achterplat los te liggen en waren alle katernen van elkaar gescheiden.
Vervolgens  prikte ik met behulp van een kartonnen malletje met vier gemarkeerde posities, op het prikblok katern voor katern in elke vouw nog vier gaatjes bij, twee links en twee rechts van de bestaande gaatjes (rode pijltjes) om een steviger naaiing te kunnen gaan aanbrengen.

Met alle katernen in de goede volgorde en richting weer op elkaar liggend en geklemd in het derde handje, markeerde ik die volgorde met diagonale viltstiftlijnen, zoals je dat ook bij machinaal gebonden boeken wel eens ziet. Dat is bepaald geen overbodige luxe; sterker nog, het behoort tot de basisvoorschriften voor boekbinders. Ik weet het als geen ander: ooit heb ik eens een boek ingebonden dat nota bene over boekbinden gaat, en legde ik per ongeluk twee katernen op hun kop op de stapel, de bovenkant dus haar onderen. Bij het doorbladeren moet je dus voortaan halverwege het boek omkeren om verder te kunnen lezen. Het gebeurt mij nu geen tweede keer meer.
Overigens kun je op de foto goed zien dat de oorspronkelijke gaatjes, de twee dus in het midden, in 1930 ook maar zo’n beetje met de Franse slag waren geprikt; ze zitten niet bepaald in lijn. Dat is niet echt erg voor het binden, maar het ziet er niet uit. ‘Mijn’ vier rijtjes gaatjes aligneren een stuk beter en dat is prettig voor het aanbrengen van de verstevigingsbandjes in de volgende fase.

Het naaibankje dient om katern voor katern op elkaar te kunnen naaien, te beginnen met het achterste katern. Dan is het verder een geduldwerkje: met naald en draad rechts van buitenaf insteken, door het naastliggende linker gaatje weer naar buiten, om het verstevingsbandje heen weer naar binnen door gaatje drie en dan door het linker gaatje weer naar buiten. Even goed straktrekken. Volgende katern erop en in omgekeerde volgorde de draad weer naar rechts toe rijgen. Even goed straktrekken. Derde katern erop en dan weer naar links.
Daar aangekomen moet je een kettingsteek maken om te voorkomen dat de katernen onderling gaan verschuiven. Je haalt de naald, die nu links uit het derde katern is gekomen, tussen het eerste en tweede katern door en ‘pakt’ daarmee de steek tussen die twee katernen. Even goed straktrekken. Daarna prik je de naald door het linker gat van het vierde katern en zitten de katernen 2, 3 en 4 aan de linker kant gekettingd. Dat doe je vervolgens iedere keer rechts en links voor je een nieuw katern gaat bevestigen.

Een paar uur later heb je de in dit geval 16 katernen van 32 bladzijden aan elkaar genaaid. Dan, in het derde handje, goed insmeren met boekbinderslijm, de kapjes, het leeslint en de strook gaas ter versteviging erop drukken, en het boekblok is in feite klaar.
Had ik de beschikking gehad over een industriële papiersnijmachine, dan had ik (vóór het aanbrengen van de kapjes en het leeslint natuurlijk) het boekblok eerst rondom schoongesneden. Maar zo’n doodeng apparaat heb ik jammer genoeg niet in huis.

(3) (De volgorde van de feitelijke werkzaamheden correspondeert niet helemaal met de voorgenomen orde der dingen, maar kwam zo toch beter uit.)
Een verhaal apart was namelijk de afgescheurde pagina voorin. Natuurlijk kun je met Aslan (foutief ook bestempeld als ‘onzichtbaar plakband’) de zaak weer aan elkaar plakken, maar fraai is dat niet en bovendien was de scheurlijn niet recht, maar sterk gebogen. Eerst probeerde ik de snijvlakken met boekbinderslijm in te smeren en dan tegen elkaar te plakken, maar dat gaf na droging een doorzichtige naad. Toen probeerde ik die lijm te vermengen met fijn zaagsel om er wat kleur aan te geven, maar ook dat leverde geen geweldig resultaat op. De situatie is nu dat weliswaar de pagina weer één geheel vormt, maar het blijft een lelijk gezicht. Het is mijn vak niet, en in het werken met Japans papier, zoals wordt aanbevolen in dergelijke situaties, heb ik geen ervaring. Operatie dus grotendeels mislukt.

(2) Met het genaaide en gelijmde boekblok een nachtje in de pers was het zaak aan de band te beginnen. Gelukkig heb ik nog genoeg karton in allerhande formaten en diktes in huis. Ik koos voor 1 mm dik karton; het hoeft ook geen altaarmissaal te worden met houten platten. Met bekleding buitenop en schutblad binnenin komt dat dan op ±2½ mm dikte uit.
Ik gebruik, zoals gezegd, graag wat ik nog in huis heb, en zo kwam ik op het idee om een rug te snijden uit wat bij ons thuis het Siamkoffer heet. Dat is, zo vertelt de overlevering, het koffer waarmee mijn moeder met alle kinderen in begin 1946 repatrieerde van Bangkok naar Oss. Dat lederen koffer lag al tientallen jaren bij mij op zolder en was inmiddels van ellende uit elkaar gevallen doordat het stiksel was verweerd. Ik heb dat toen ooit eens van zijn beleg ontdaan en de nog bruikbare stukken leer afgesneden en die op een stapeltje opgeslagen. Zo kon het boek nog een familiair-emotionele band krijgen, letterlijk en figuurlijk. Uit pure luxe besloot ik er ook nog vier verstevigingshoekjes van te snijden. Zie de afbeelding hierboven bij De beschikbare materialen. Voor de bekleding van de platten koos ik voor zwart bukram (soort kunstleer). Net echt.
Het inhangen van het boekblok in de band bestaat uit twee stappen: het op maat snijden van de schutbladen, die uiteindelijk band en boekblok bij elkaar houden, en dan het lijmen van die schutbladen aan enerzijds de band en anderzijds het boekblok. Dat gaat bij mij altijd mis. Als het schutblad al niet gaat bobbelen, of vouwen gaat vertonen, komt het altijd wat scheef te zitten en eenmaal wat aangedrukt krijg je het met geen onmogelijkheid weer mooi los om het recht en haaks te bevestigen. Of het lijkt goed te zitten, maar bij het openen van het boek gaat het trekken en zelfs scheuren.
Dit keer viel dat echter reuze mee, behalve het mooi naadloos afsnijden langs de verstevigingshoekjes. Noem het dan maar ‘ambachtelijk bereid’.
Wat dan ook nog een heikel punt is: aan de rugzijde moet de onderlinge afstand tussen de platten corresponderen met de dikte van het boekblok, zowel in geopende als gesloten toestand van het boek. En dat komt op de milimeter nauwkeurig. Zitten de platten te ver uit elkaar, dan heeft het boek ‘een te grote broek aan’ en dat ziet er niet uit; zitten de platten te krap op elkaar, dan gaan de platten aan de buitenkant wijken en ook dat is geen aanbeveling. Natuurlijk meet je een en ander tevoren goed uit, maar steeds is het maar afwachten of het ook klopt.
In dit geval had het in zoverre wat speling dat de vrij slappe, lederen rug zelf niet aan het boekblok was geplakt, zoals dat oorspronkelijk met de papieren rug wel het geval was. Daardoor kan de rug nu vrijelijk wat meer open en dicht plooien.

Restte nog het vervaardigen van het vervangende portret van Paul Tannery op het frontispice. Van hem circuleert op internet een goed bruikbare foto. Die heb ik met een ‘naamplaatje’ op gladder papier geprint en samen met een beschermend doorzichtig schutblad (tegen het doordukken van de inkt) apart op de bestemde plek voorin ingelijmd. Dat leverde verder weinig problemen op.

De voorlaatste stap was het persen van het ingebonden boekwerk, ditmaal in de grote, zware pers en meer dan 24 uur.
Alles aan de keukentafel, want de keuken is hier ’s winters der mensen habitat. Dan kun je ook de cuisinière tijdig bijvullen en is het er lekker warm.

Tijd dus om nu eens heel andere dingen te gaan doen, te eten, te gaan slapen, of wat dan ook.

(5) Met opzet had ik gewacht met het bijsnijden en opplakken van de oorspronkelijke voor- en achterkant van het boek. Immers, mocht het zo zijn dat er nog iets aan de platten of bekleding ervan moest gebeuren, dan kon ik die papieren pagina’s er niet meer eerst vanaf halen.
Maar dat bleek niet nodig, en zo kon het vele werk worden afgerond met een min of meer originele voor- en achterkant en achtte ik de hele operatie voor zeker 75% goed geslaagd. Nobody is perfect.

Aran en Titvs

In oktober 1987 verwierf ik het tot nu toe oudste werk in mijn collectie boeken: Aran en Titvs, of Wraak en Weerwraak, een treurspel uit 1641 van de Amsterdamse dichter Jan Vos. Voor een luttele ƒ 11,= kocht ik daarvan de vijfde druk uit 1656. In het kader van de bespreking van boekrestauraties zijn de verschillen met de eerder besproken Apocryphe Boecken enorm, al is de uiteindelijke conclusie precies dezelfde: afblijven!

 

Jan Vos (1610-1667) was een glazenier, glazenmaker, ruitenzetter, die zich ontpopte als kunstig dichter van gedichten en toneelstukken. Hij wist zich in 1647 op te werken tot regent van de Amsterdamse Stadsschouwburg, de toenmalige Schouwburg van Van Campen. Anders dan veel van zijn tijd- en vakgenoten las hij geen Latijn of Grieks, alleen Nederlands. Ook wijzigde hij zijn naam niet in Vossius (de Vossius die wij kennen is Gerard Vossius), zoals Van Baerle zich Barlæus ging noemen. Die Barlæus was overigens volstrekt idolaat van Jan Vos’ “hooghdravend Treurspel“, net zoals Hooft, Vondel en Huygens er lyrisch over waren.
Van Baerle noteerde in zijn fraaie hexametrische lofdicht op Aran en Titvs:

Siet hier de kunst op ’t hooghst,//de Schouburgh op zijn top,
Het Treurspel op zijn wreedst,//de wraeklust vol van krop.
Noyt daverd het aloud//tooneel met meer gespooks,
Noyt sachmen by de Griek//meer bloedgespat noch rooks.

en verderop:

Die noyt gezeten heeft//aen Grieks of Roomsche disch,
[dus: die geen Latijn of Grieks kent]
Wijst nu de weerelt aen,//wat dat een Treurspel is.

Inderdaad was Aran en Titvs, gebaseerd op Shakespeares Titus Adronicus, een spektakelstuk zonder weerga, wat de regisseur en toneelmedewerkers tot uiterste inspanningen moet hebben gedreven.
Niet voor niets was de lijfspreuk van Jan Vos: Het zien gaat voor het zeggen. Onze hedendaagse reclamewereld kan daarvan meepraten, evenals etalages in het algemeen.
Voor wie hiedoor is geboeid, is er onder meer een Volkskrantartikel uit 1997. En verder is er natuurlijk internet.
Wie nog in het bezit is van het vierdelige Handboek der geschiedenis der Nederlandse Letterkunde, het standaardwerk van Knuvelder, leze in deel 2, blz. 273-278 (vierde druk) de uitvoerige bespreking van Jan Vos onder het motto “van dik hout zaagt men planken“. Ook de behandeling van Vos’ werken door Anton van Duinkerken in zijn Het tweede plan ut 1945 is alleszins lezenswaardig.

Ik geloof dat ik een beetje afdrijf van het eigenlijke onderwerp van dit artikel: de boekuitgave en de eventuele restauratie. Maar Jan Vos boeit mij meer dan Vondel, Hooft en Huygens bij elkaar.
Het is bevreemdend dat ik maar ƒ 11,= hoefde neer te tellen voor dit boekje. Wie op internet rondzoekt, treft al jarenlang bijna nergens een originele 17e-eeuwse uitgave van Aran en Titvs aan, waardoor het mij voorkomt dat mijn exemplaar tot de zeldzaamheden behoort, althans in de antiquarische handel; bibliotheken hebben er wel nogal wat drukken van liggen. Misschien had de verkoper in 1987 niet genoeg verstand van zaken. Ook prima.
Voeg daarbij dat de tekst, ook in facsimile-uitgave gratis op internet is te raadplegen, en dat in 1975 W.J.C. Buitendijk het lijvige standaardwerk publiceerde Jan Vos : toneelwerken (Van Gorcum, Assen/Amsterdam), Van Gorcum’s literaire bibliotheek nr.28. Wie dat boek leest, weet alles over Jan Vos’ toneelproductie, ook zonder een origneel ter hand te nemen. Maar dan blijft het toch een bibliofiele uitgave.
Die lage prijs schrijf ik ook toe aan een direct waarneembaar feit: het boekblok is weliswaar authentiek uit 1656, maar het is nog niet zo heel lang geleden opnieuw ingebonden. Dat is vakkundig, professioneel gedaan, met blauw beplakte platten voor en achter, een (pseudo-)perkamenten rug en verstevigingshoekjes en nieuwe schutbladen, toegevoegd aan de oorspronkelijke schutbladen. Dat impliceert enerzijds dat het boek dus niet meer een origineel exemplaar is, en dientengevolge in marktwaarde daalt, maar ook dat het er nu gelikt uitziet en tegen een stootje kan. Een boekje dat nog geen 200 gram weegt en zo strak in de band met kneep zit, gaat honderden jaren mee. Het betekent dat er ook werkelijk niks aan te restaureren of te verbeteren valt – ik laat het dus in de voorliggende staat.
Anders dan bij De Apocryphe Boecken het geval is, waar voor mij de inhoud ondergeschikt was aan de bibliofiele waarde en de ouderdom, wordt voor mij de waarde van deze Aran en Titvs in hoofdzaak bepaald door de inhoud, de tekst waarvan ik zo kan genieten. De degelijke uitvoering ervan na restauratie is voor mij slechts toegevoegde waarde.

__________________________________________________________________________
Dit artikel is een voorbeschouwing van mijn restauratieverslag van het boek van Paul Tannery: Pour l’histoire de la science hellène.

De Apocryphe Boecken

Aan het begin van mijn tweede studiejaar, in augustus 1969, kocht ik, zoals zo vaak slenterend langs de boekenstalletjes onder de Oudemanhuispoort, een boekje dat mij totaal niet interesseerde. Althans, de inhoud niet.
Maar ter bevrediging van mijn verzamelwoede ruim binnen mijn vakgebied was ik dolblij voor slechts ƒ 15,= het oudste boekje in mijn collectie te kunnen aanschaffen, namelijk uit 1670.

Ik had nog nooit van de Apocryphe boeken gehoord en helemaal fris zag het werkje er ook al niet uit.
Een nogal gevlekte, maar op zich mooi gestempelde perkamenten band (nooit perkament proberen schoon te maken!), het onderste derde deel van de rug ontbrak, het zat niet meer helemaal stevig in de band en d’een of d’andere onverlaat had er voor hem/haar interessante passages in zitten onderstrepen of zelfs nog in de marge zitten toelichten.

Niet dat dat alles de leesbaarheid verminderde, want de tekst was toch al niet leesbaar: een driepunts Gotisch lettertje in 17e-eeuws gedrukte taal over een onderwerp buiten mijn vakgebied. Bovendien vertoonde het aan de onderkant nogal nadrukkelijk vlekken van vochtoptrek en was één houtworm erin geslaagd zich van achteren half doorheen het boek te wurmen om er zijn bijbelkennis mee te verhogen; de letterlijke boekenwurm. Maar mij kon dat volstrekt niks schelen. Ik had een 17e-eeuws boek bemachtigd voor weinig geld en ik koesterde het, tot in 1987 met de aanschaf van een boek uit 1656 Jan Vos de koppositie overnam.

Restauratie van dit boekje zou wellicht te overwegen zijn. Maar waartoe diende dat? De perkamenten rug, waarvan het onderste derde deel ontbrak, kreeg ik toch niet mooi hersteld, en om de binding te verstevigen zou ik het hele boekblok uit elkaar moeten halen, daarna opnieuw de katernen aan elkaar naaien en vervolgens het geheel weer stevig in de band moeten proberen te hangen met nieuwe, niet originele schutbladen.

Al die verbeteringen beschouw ik als verslechteringen, omdat ik ermee de originaliteit van het boek ga aantasten. En omdat het toch geen dagelijks gebruiksvoorwerp is, en ik allerminst van plan ben het te gaan verkopen, kan ik het maar beter in de kast laten staan in het besef iets in huis te hebben wat ècht 350 jaar oud is.
__________________________________________________________________________
Dit artikel is een voorbeschouwing van mijn restauratieverslag van het boek van Paul Tannery: Pour l’histoire de la science hellène.

Tannery restauratie-inleiding

Wat moet je anders in deze weken van confinement, bijna absolute opsluiting in huis, waarbij je alleen maar met een speciaal formulier op zak eventjes de deur uit mag om boodschappen te doen of naar de dokter te gaan, op straffe van een subiete boete van €135 voor het niet bij je hebben van dat formulier of om een niet-geldige reden?

Ik verveel me nooit, en vooralsnog denk ik dat goed vol te kunnen houden.

 

Onlangs kreeg ik een verzameling oude wetenschappelijke boeken in handen ter beschrijving en eventuele verkoop. Toen ik daarmee zo goed als klaar was, resteerden er nog drie die in te slechte staat verkeerden om ze te koop aan te bieden. Ik besloot toen een van die exemplaren grondig te gaan restaureren en dat proces hier met een aantal artikelen te begeleiden.

Het gaat om de tweede druk van een werk van de Franse wetenschapper Paul Tannery (1843-1904): Pour l’histoire de la science hellène uit 1930; oorspronkelijke druk 1887. Het boek lag zowat helemaal uit de band, voor- en achterplat lagen los, van rug en rugtekst was hoegenaamd niets meer over, het beloofde portret op het frontispice ontbrak en links en rechts waren er zo nog wel meer beschadigingen. En omdat het werk antiquarisch een bescheiden handelswaarde heeft van hooguit enkele tientjes, vond ik het wel verantwoord mijn boekbindkunde eraan te wijden. Het boek is bovendien in een facsimile-herdruk in 1990 heruitgegeven en het is integraal digitaal gratis beschikbaar.
Ook in bibliofiel opzicht is het weinig uitzonderlijk: de onderhavige editie is geen eerste druk, en daarbovenop tamelijk goedkoop bezorgd, waardoor met name de sobere bindwijze niet bleek opgewassen tegen het volume en gewicht van het werk: 24x17x4 cm en 1010 gram zwaar.
Voordat ik echter die restauratie ga beschrijven, wil ik eerst wat opmerkingen kwijt over oude boeken, hun waarde en hun eventuele restauratie.

Je kunt een boek waarderen om zijn inhoud, los van de staat van het werk; de inhoudelijke waarde. Je kunt een boek waarderen om zijn uiterlijke kwaliteit, zowel van de band als van de vormgeving van het boekblok; de bilbliofiele waarde. Je kunt een boek waarderen om zijn kostbaarheid, evt. verhandelbaarheid; de economische waarde. En vaak is je waardering een combinatie van genoemde waarden.

Om dat te illustreren, wijd ik de komende tijd eerst een drietal artikelen aan andere oude boeken in mijn bezit waaruit blijkt welke afwegingen voor mij de doorslag geven om wel of vaak ook niet tot restauratie te willen overgaan. Klik op de titels voor die betreffende artikelen. Het betreft, van links naar rechts, De Boecken Genaemt Apocryphe uit 1670, Aran en Titvs van Jan Vos uit 1656 en de Institutiones mathematicæ van Eduard Corsini uit 1743.
Daarna kom ik ter zake met de restauratie van bovengenoemd werk van Paul Tannery.

Twintigtwintig

Vanaf vandaag hebben we een probleem.
Zijn we nu terechtgekomen in tweeduizendtwintig of in twintigtwintig? En hebben we zo’n soort probleem alleen in Nederland, of is het een wereldwijde uitspraakkwestie? En hoe gingen wij daar een duizend jaar geleden mee om? Denk er, onder het genot van een 1664, maar eens over na, in plaats van allerhande masochistische voornemens te bedenken waar toch niks van terecht komt.

In het jaar duizendzesenzestig vond de slag bij Hastings plaats (ik zeg altijd hastings met een [ɑ], niet heestings met een [e:], zoals ik ook manchester zeg met een [ɑ] en niet menchester met een [ε]. Te Amerikaans in mijn oren.

Maar Godfried van Bouillon stierf niet te Jeruzalem in duizendeenhonderd, maar in elfhonderd, hoewel Fiat in negentiendrieënvijftig toch echt met een millecento op de proppen kwam. Het blijven Italianen, die ook novecento zeggen tegen de twintigste eeuw. Verwarring dus alom.

Merk intussen wel op dat wij in het Nederlands doorgaans de periode 1001-1099 uitspreken als duizendeen tot en met duizendnegenennegentig, maar de periode van 1101-1999 als elfhonderdeen tot en met negentien(honderd)negenennegentig. Niet helemaal consequent, maar zo heeft onze spreektaal zich geëvolueerd. Wel weer consequent was dat wij rond het jongste millennium weer hetzelfde gingen doen: tweeduizendeen tot en met in ieder geval tweeduizendnegentien. Geen mens komt met twintignegentien op de proppen. Mijn vrees is dan ook dat wij, als langdurige kolonie onderworpen aan Amerika, opeens twintigtwintig moeten gaan zeggen in plaats van gewoon tweeduizendtwintig.

Ik schrijf deze weblog met gebruikmaking van WordPress. Dat is een zogeheten ‘501(c)3 non-profit organization‘ uit Amerika, en dan weet je al hoe laat het is. WordPress kent ‘themes’ (ze bedoelen: thema’s) die naar ontwerpjaar worden benoemd: twenty-eleven, twenty-nineteen, twenty-twenty enzovoort. Dus al dat getwintigtwintig in Nederland hebben we aan Trump en trawanten te danken.

Of niet? Net schreef ik nog dat wij van 1101-1999 in het Nederlands net zo goed eerst de honderdtallen uitspraken en daarna de jaargetallen onder de honderd. Kronenbourg (onderdeel van Heineken) brouwt dus zestienvierenzestig. Maar Fransen zijn net zo eigenwijs als Italianen: terwijl zij bij voorkeur seize soixante-quatre drinken, heet in het Frans dat jaartal mille six cent soixante-quatre.
In Nederland ben ik geboren in negentien(honderd)zesenveertig, in Frankrijk in mille neuf cent quarante-six en in Italië in mille novecento quarante sei. Consequent doorrekenend zouden we dus van 2001-2099 moeten spreken als tweeduizendeen tot en met tweeduizendnegenennegentig, maar daarna van 2101-2999 van eenentwintighonderdeen tot en met negenentwintig(honderd)negenennegentig, als we tegen die tijd überhaupt nog iets te zeggen hebben en er nog Nederlands bestaat.

Ik trek mijn conclusie. Zoals paus Benedictus VIII in duizendtwintig koortsachtig poogde de Byzantijnen buiten de deur te houden, hebben wij nu tweeduizendtwintig betreden om twintigtwintig buiten de deur te houden. Noem mij vijf Engelsen of Amerikanen die in hun geschiedenislessen het hebben over tentwenty of tensixtysix. Over een jaar of honderd schakelen we dan wel weer over op eenentwintig(honderd)een en zo.

Denk ik tenminste.

 

Ooohdaaah!

Ooohdaaah!

Nog even en de populariteit in Nederland van Mister Speaker John Bercow gaat die van Barack Obama overstijgen. En dat is niet te danken aan Ivo Niehe, maar aan dat ene woord waarvan hij de twee r-klanken nog niet eens uitspreekt.
Ik wil de Britten graag tot de ooohdaaah roepen met een paar onconventionele suggesties, al vrees ik dat er geen meederheid voor is te vinden.

De waarheid ligt niet in het midden, want er is geen midden. Dus passen nu draconische maatregelen.

  • De eerste suggestie is er een die wel vaker wordt gehoord: besluit tot een nieuw referendum. Daar zit wel wat in. Door de niet zo heldere vraagstelling en door de mankerende informatie en voorlichting over de te kiezen alternatieven en hun consequenties is het maar de vraag of er bij het eerste referendum in 2016 niet in hoofdzaak een beroep werd gedaan op de onderbuikgevoelens van de eilandbewoners. Bovendien is inmiddels het Britse electoraat nogal gewijzigd, vooral verjongd. Dat kan een hoop schelen. Niettemin is de verwachting dat ook een tweede referendum om en nabij de 50/50-uitslag te zien zal geven, dus de helft zit met de gebakken peren.
  • De tweede suggestie is dat de Britse regering en het parlement zonder meer besluiten dat het Verenigd Koninkrijk ‘gewoon’ EU-lid blijft. Iedereen blij, behalve de helft van de Britse bevolking. De consequenties zijn niet geheel te overzien.
  • De derde suggestie is wat drastischer, mocht de tweede suggestie onmogelijk blijken. Bercow houdt wel meer tegen. De Briste regering roept de noodtoestand uit en besluit per decreet dat het Verenigd Koninkrijk ‘gewoon’ EU-lid blijft, of er juist met welke Brexit-optie dan ook uitstapt. Democratisch gezien niet echt fraai, maar het biedt wel de mogelijkheid dat mevrouw Elizabeth nog vóór haar honderste het einde der Brexittijden mag beleven. Ook bij deze optie zal de helft der Britse bevolking woedend de straat opgaan.
  • De vierde optie klinkt bezopen, maar is dat ook. Aangezien het grootste struikelblok lijkt te liggen aan de Iers-Noord-Ierse grens, schaffen we die grens gewoon af. Noord-Ierland maakt per direct deel uit van de Republiek Ierland. Historisch gezien kun je hierover kissebissen, maar geografisch ligt het erg voor de hand. De Ieren zelf, en de katholieken in Ulster, zullen het plan met gejuich begroeten; de Orangisten in Ulster zijn furieus. En omdat die twee bevolkingsgroepen al vele jaren lang een onverzoenlijke 50/50 verhouding hebben gedemonstreerd, maakt het in feite niks uit wat je beslist, als je maar iets beslist.

Keuze te over. Ook onder de lezers van dit bericht zal de helft het volstrekte lariekoek vinden, terwijl de andere helft er wel mogelijkheden in ziet. Mij is verder uit Londen of Brussel niets gevraagd.

Wat Onze Handen Kunnen Maken

Het is zover. Het kabinet laat via een SIRE-spotje weten dat het beter is iets te repareren dan het weg te gooien en iets nieuws te kopen. Dat is niets nieuws.
In de jaren-’30 en -’40 moesten we dat noodgedwongen ook al doen, en vanaf de jaren-’60 kan ik zo een paar politieke partijen noemen die dat ook al propageerden.
Oud nieuws dus, maar ook daarvan kun je iets maken.


In slechte tijden, tijden van armoe, schaarste en ellende, tijden van economische neergang, is het een vanzelfsprekendheid. Maar dat het VVD-denken, ook al noodgedwongen, vrees ik, het klimaatbelang opeens laat prevaleren boven het economisch belang, is opvallend. In elk geval lijkt het niet in het voordeel te zijn van de VVD-minded middenstand, die nu wel opeens minder wit-, bruin- en ander goed zal kunnen slijten, terwijl ook al de kringloopwinkels de run op nieuwe artikelen aardig remmen.

Los van dat alles is het vooral een kwestie van mentaliteit, die van de wegwerpcultuur en van te zeggen dat je geen tijd (=geen zin) hebt om vuile handen te maken, of dat je doodweg de vingers en de hersens niet hebt om iets uit elkaar te schroeven en te repareren.
Ik weet dat ik van kindsaf aan leerde knutselen, schroeven, timmeren, zagen, solderen enzovoort. Daarmee deed ik kennis, vaardigheid en ervaring op, zowel met de handen als met het analyseren van problemen en zoeken naar oplossingen. Zeker nu ik sinds 1998 met een boerderij uit 1706 zit, komt mij dit uitermate goed van pas. Ik bewaar alles, gebruik in principe het liefst materialen die ik nog heb liggen en geef zo elk latje, boutje, plaatje, doosje, een tweede of derde leven.

Weggooien kan altijd nog.