Uitsluitend

Waar onderwijs al niet goed voor is. Medio jaren-’90 zat er in een van mijn groepen studenten MO-Nederlands in Nijmegen een student die mij onlangs, 25 jaar later dus, bestookte met een prangende kwestie. Omdat zijn vakgebied (hij werkt al geruime tijd bij de SWOV) en mijn vakgebied Nederlands elkaar raken op het gebied van verkeersborden, moest ik me, beetje verrast, verdiepen in een taalprobleem dat ik niet eerder onder de loupe had gehad.

Zijn vraag luidde: “We zien om ons heen vaak opschriften met het woord ‘uitsluitend’ erin: Toegang uitsluitend voor mannen, Uitsluitend bestemmingsverkeer, etc. Hiermee wordt bedoeld dat alleen mannen of bestemmingsverkeer toegang hebben. Dit terwijl je ook zou kunnen stellen dat mannen en bestemmingsverkeer juist worden uitgesloten van toegang. Waarom dan toch die ogenschijnlijk tegenovergestelde betekenis?

In bovenstaande afbeelding gaat het dus om uitsluitend elektrische auto’s die mogen aansluiten. Je zou het ook kunnen interpreteren dat elektrische auto’s worden uitgesloten, maar dat sluit niet aan bij de werkelijkheid. Er is dus een taalkundig, verkeerskundig en hoe dan ook communicatief interpretatieprobleem.
Allereerst de strikt taalkundige benadering: Volgens het WNT betekent “uitsluitend“: “Alleen, enkel, slechts” met de opmerking dat het bijwoord als zodanig al sinds 1872 ook in Van Dale staat vermeld. De huidige vermelding van vandale.nl omschrijft het bijwoord als “alleen maar“. Daaraan is dus niet zo veel veranderd. Niettemin zou een attente lezer, met het werkwoord uitsluiten in het achterhoofd, kunnen denken dat elektrische auto’s worden uitgesloten, maar ik neem toch niet aan dat Nederlandse camperbezitters hun kans schoon zien hun voertuig aan te sluiten om de koelkast en de boiler even bij te laden.
Over Britse en Duitse camperbezitters zwijg ik maar. Zij zouden denken dat er “exclusive” staat, terwijl “only” wordt bedoeld.
Oosterburen zien er wellicht “ausgenommen” in in plaats van het hier correcte “ausschließlich“, waarmee zij met hetzelfde probleem als in het Nederlands zitten opgezadeld.
Ook over Belgen kan ik maar beter zwijgen, want die worden van huis uit al alle kanten opgestuurd en Horendol.

Kort samengevat staat er dus op het bovenste bord dat alle voertuigen zijn uitgesloten, behalve/behoudens elektrische auto’s.
Waarom staat dat er dan niet? Waarom staat er niet “Alleen elektrische auto’s“?
We kennen toch ook “Slegs vir blankes“? Dat is tenminste duidelijke taal.

Bron: kronkelpaden.nl

Wetten en regelingen met betrekking tot verkeersborden in Nederland staan beschreven in de Uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens.
Daarin lezen we onder meer:
Hoofdstuk III (Onderborden), § 2 onderdeel b: “Om een beperking van de werkingssfeer aan te geven wordt het woord ’uitgezonderd’ gebruikt“; § 2 onderdeel c. voegt daaraan toe: “Indien het beoogde verkeersgedrag niet kan worden aangegeven overeenkomstig de in de onderdelen a en b aangegeven wijze, worden teksten of tekens, al dan niet in combinatie met symbolen, gebruikt, waarmee het beoogde verkeersgedrag wordt aangegeven“.

Daarbij horen ook nog twee bijlagen. In Bijlage 1 staan alle in Nederland vookomende, althans toegelaten verkeersborden. Iedere verkeersdeelnemer wordt geacht ze allemaal te kennen.
Het is precies dat genoemde onderdeel c. dat de zaak zo mistig maakt: er moet dus ‘uitgezonderd‘ staan, maar het hoeft niet van het staatshoofd. En de taaldiversiteit wordt nog voor de hand liggender, want, zoals mijn ex-student toelichtte: “De plaatsing van de borden zelf is een verantwoordelijkheid van de wegbeheerder (rijk, provincie of gemeente). De productie en levering van de borden mag door commerciële partijen gebeuren, mits ze borden leveren die aan de wettelijke voorschriften voldoen (tot voor kort was de ANWB hofleverancier)“. Dus de marktwerking en deze of gene wethouder of ambtenaar kan zorgen voor ‘uitsluitend, alleen, geldt (niet) voor, uitgesloten, geen‘ of bedenk zelf nog maar een passend woord. Een helder icoontje kan ook nog wel.
Fraai is het allemaal niet, en dat is het in Frankrijk ook niet; dat geldt dus ook voor België. Maar daar vind je wel keurig ‘Uitgezonderd‘ staan, met de correcte Franse pendant ‘Excepté‘, op een groot deel van de Franse en Belgische onderborden gespeld als ‘EXCEPTE‘, dus zonder accent aigu op de laatste e. Maar dat hoeft ook niet, zeggen ze dan.

Voor het goede begrip moeten we in deze discussie twee soorten borden onderscheiden: de verbodsborden en de aanwijzingsborden. Hier op de allerbovenste afbeelding staat een aanwijzingsbord met een onderbord dat een beperking van het bereik aangeeft, namelijk: deze aanwijzing is uitsluitend/alleen bestemd voor elektrische auto’s. Die mogen dus wel, andere verkeersdeelnemers mogen niet aan de stroom.
Zou echter die tekst staan op een onderbord onder een verbodsbord, dan kreeg je de idiote situatie dat inrijden uitsluitend is verboden voor elektrische auto’s, maar dat alle andere verkeersdeelnemers gewoon mogen inrijden. Precies het tegenovergestelde dus, want nu mogen die E-auto’s opeens iets niet, namelijk inrijden, terwijl ze hierboven het alleenrecht hadden om iets wèl te mogen, namelijk stekkeren.
Gelukkig ben ik dat bord, of iets soortgelijks, nog nooit tegengekomen, maar wie weet, stuurt iemand me nog wel een voorbeeld van een dergelijke kromme productie.

Wat mij nog het meeste frappeert, is dat het per saldo helemaal niks uitmaakt. De ervaring leert immers dat de doorsnee verkeersdeelnemer die Nederlands beheerst heus wel snapt wat het bord beoogt te verbieden, te beperken of aan te wijzen.
Feit blijft echter dat het er bij mij niet in wil dat onze Wetgever er wel in slaagt de borden van uniforme vorm, maat en kleuren te voorzien, maar zich over de eventueel bijbehorende onderborden niet zo druk maakt. Dat maakt de taalmens in mij niet blij.

Fly Corsica

In Nederland zegt men BÁstia.
Op Corsica zegt men BastÍa
In Frankrijk zegt men BastiÁ.
Dat zegt iets over de taalsituatie op Corsica.

Mijn indruk is dat ze er daar zo niet laconiek, dan toch in elk geval soepel mee omgaan. Vergelijk het met de veeltaligheid in Luxemburg en Zwitserland.

Maar over het Corsicaans, U Corsu, wilde ik het nu even niet hebben. Dit bericht gaat over de vlucht van Bastia-Poretta naar Dôle-Tavaux op 4 september. Al met al twee uren film, die ik heb teruggebracht tot een samenvatting van dik 25 minuten.
Ik zit met een dubbel gevoel. Als vlieg- (en spoor-)fanaat geniet ik enorm van dat soort reizen, maar ik ken ook de grote milieubezwaren die er aan vliegbewegingen vastzitten. Naar Amsterdam, Brussel, Parijs, Londen en Wenen zal ik het vliegtuig niet pakken, maar om op Corsica te komen is er geen redelijk milieuvriendelijk alternatief voorhanden.

Ik heb die vluchtfilm op Youtube gezet. En ter geruststelling: als je die gaat bekijken, belast je het milieu niet of nauwelijks.

Veel kijkplezier dus.

Wat een troep!

Eindelijk eens goed nieuws in De Volkskrant van gisteren.

Arnout Brouwers begon zijn artikel als volgt: Niet alleen Duitse politici en generaals vielen van hun stoel toen ze vrijdag de Wall Street Journal openden – ook hun Amerikaanse collega’s. Want ook voor het Pentagon en Republikeinen in het Congres kwam het als een verrassing dat Trump de aanwezigheid van 34.500 Amerikaanse troepen in Duitsland met 9.500 militairen wil verminderen.

 

Dat het slechts om een kwart ging van de Amerikaanse troepenmacht, en dat dan alleen nog maar in Germanië, valt te betreuren. Maar na 75 jaar Amerikaanse militaire en economische bezetting van West-Europa moet je blij zijn met elke verbetering. Zweden, Denemarken, Frankrijk en Oostenrijk komen er gezegender van af, zo aan het kaartje te zien. Dat heeft met hun verstandige politieke keuzes te maken. Wellicht zal Polen pogen er munt uit te slaan; daar omarmen ze al decennia lang alles wat lijkt op Margareth Thatcher en Donald Trump en alles wat daar tussenin zit, en bekommeren ze zich allerminst om de onverholen kritiek vanuit de EU door op of ruim over de rand te gaan van de regelen der Europese beschaving.

Toch was het niet dat politieke gedoe, al dan niet fake, al dan niet bedoeld als proefballonetje. Er is taalkundig iets aan de hand wat mij nog meer frappeerde.

Denk even terug aan mijn uiteenzetting over collectiva. In dat artikel noemde ik troep een enkelvoudig collectivum, een woord dus in het enkelvoud waarachter een meervoudig begrip schuilgaat, zoals je één doos hebt met daarin veel foto’s, of een vlucht regenwulpen. Bij troep kun je denken aan wolven (ook wel als roedel samengenomen), meer nog dan aan soldaten. Maar het Volkskrantartikel spreekt van “34.500 Amerikaanse troepen“, en het bovenschrift boven het kaartje van “meer dan 100 troepen actief militair personeel“. Dat kan dus niet.
Dat kan niet, want het is ongebruikelijk over “een troep soldaten” te spreken; soldatentroep is van een andere orde. Gebruik dan troepenmacht, wat weer wel een correct enkelvoudig collectivum is.

Als daarentegen De Volkskrant wil suggereren dat troepen synoniem is met militairen, dan hebben ze het mis. Bij levende wezens, anders dan bij Jan Steen, is troep een enkelvoudig collectivum als een verzamelnaam voor een aantal wezens, en zijn troepen meerdere verzamelingen van nog meer aantallen wezens. Zo zijn dus 34.500 troepen niets anders dan 34.500 bases of hangplekken waarop zich een veelvoud aan militairen bevindt, en moeten we de genoemde getallen dus helaas met honderden of duizenden vermenigvuldigen om het werkelijke aantal betreffende militairen te benaderen.

Kon het beter? Jazeker.
Ofwel je brengt het aantal troepen terug tot nul, want nul keer honderd of duizend is nog steeds nul, dan zijn we van alle troep verlost.
Ofwel gebruik in plaats van troepen het woord manschappen. Want dat is een meervoudig collectivum, waarvan je er niet zo makkelijk eentje kunt hebben: *een manschap is geen gebruikelijke aanduiding voor wat dan ook, net zoals het onbestaande *timmerlied of *zeelied als enkelvoud van timmerlieden of zeelieden; wel natuurlijk als enkelvoud van timmer-of zeeliederen.

Ik heb De Volkskrant op deze subtiele kwestie gewezen. Maar sinds de door mij openlijk diep betreurde verkwanseling van de PSP vanaf 1985 sta ik daar op de zwarte lijst en worden al mijn ingezonden bijdragen categorisch geweigerd.
Wat een troep!

 

ange en inge

Het zal velen bekend voorkomen: rijdend vanaf Metz via Luxemburg (en natuurlijk Martelange) naar Luik wordt je aandacht getrokken door de vele plaatsnamen op wegwijzerborden die eindigen op -ange. Omdat ik die route heen en weer zo vaak rijd, is me dat steeds meer gaan intrigeren. Wat betekent dat -ange? En waarom liggen die plaatsen zo geclusterd zo precies in dat gebied, terwijl ze elders maar zo sporadisch voorkomen? Het antwoord is wel te geven, maar het vergt wel veel speurwerk, historisch, geografisch, politiek en taalkundig. Dat betekent voor dit artikel dat het slechts een summier overzicht kan bieden en ik de geboeide lezer dringend adviseer er een internet-zoektocht van een paar weken van te maken. Hint: begin dan maar met zoeken naar Lotharingen, want daar ligt de kern van de oplossing.

Dat clusteren van plaatsnamen met gelijkluidend woordeinde ken ik al vanaf de lagere school, toen we van alle provincies de voornaamste plaatsen moesten opdreunen: Dordrecht-Sliedrecht-Zwijdrecht-Barendrecht. Of Amsterdam-Edam-Monnikendam-Volendam.
En van de acht selligheden: Duizel (<Duijsel)-EerselHulsel-KnegselNeterselReuselSteensel Wintelre (<Wintersel).
Al die opeenhopingen zijn intussen wel goed onderzocht en beschreven. Zo ook de plaatsnamen op -ange.

De uitgang -ange wordt in de meeste beschrijvingen aangeduid als “behorende tot“, “eigendom van“, die wordt voorafgegaan door de naam van een heer of het geslacht tot wie het gebied behoorde. Hetzelfde geldt voor zijn Germaanse pendant –inge(n).

Lotharingen dus, een streek waarover boeken vol zijn geschreven. Ik beperk me tot Opper-Lotharingen (in Noordoost-Frankrijk) en het zuidelijk deel van Neder-Lotharingen (Luxemburg en Oost-België). Dat is het gebied waar we -ange zo vaak tegenkomen. Maar bedenk daarbij dat het ook een gebied is waar het in de loop der eeuwen, tot het einde van de Tweede Wereldoorlog, voortdurend stuivertje wisselen was tussen Frankrijk en Duitsland, beter gezegd: tussen Gallische en Germaanse overheersing en invloed. Deels had dat natuurlijk te maken met de rijkdom aan delfstoffen in die streek, die zelfs doorliep tot de voormalige Limburgse kolenmijnen. Om aan al dat gesteggel een eind te maken ontstond in 1952 de EGKS, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. Die kolen zijn nu wel een beetje passé, maar de zieltogende staalindustrie is in Noordoost-Frankrijk nog alom aanwezig.

Die Frans-Duitse strijd om Lotharingen had mede tot gevolg dat er een soort taalgrens ontstond, dwars door het gebied heen. Aan de westkant het Franstalige gebied, aan de oostkant het Duitstalige. Dat is heel grof gesteld, want die grens is niet alleen nogal rafelig, maar bovendien hebben we ook nog eens te maken met tal van subtalen en dialecten, waarbij het in Luxemburg, het Belgische deel en het Groothertogdom, nog veel complexer is. Maar grosso modo komt het erop neer dat al die toponiemen die eindigen op -ange, uitgesproken als [angzje], aan de Gallische kant liggen, en dat we aan de oostkant een overvloed aan plaatsnamen op -inge(n) vinden. België zal België niet zijn als we langs de rafelrand niet ook nog eens tweetalige plaatsnamen tegenkomen, zoals MartelangeMartelingen.
En omdat het in de provincie Luxemburg ligt, wordt dat ook nog min of meer fonetisch gespeld als MartelengMârtelengen en Maartel en in het plat-Waals dan nog eens als Måtlindje

Op internet staat een uitgebreid artikel o.a. over het voorkomen van toponiemen die eindigen op -ange en op -anges in Frankrijk. Bijgaand kaartje geeft overduidelijk de Lotharingse concentratie van toponiemen op -ange aan (alle rode stippen rechtsboven). Jammer genoeg beperken dat onderzoek en dat kaartje zich tot het huidige Franse grondgebied. Weliswaar levert dat honderden treffers op, alleen al in het departement Moselle (57) zijn het er al meer dan 120, maar onze rit voert verder, door Luxemburg en Oost-België.

In het Groothertogdom wemelt het van de plaatsnamen op -ange: Differdange, Dudelange, Livange, Rumelange,… Op Wikipedia vind je er zo 86 bijeen staan. Ze komen voor tot in het noordelijkste puntje, waar op nog geen 5 km van elkaar van zuid naar noord Drinklange, Wilwerdange, Goedange en Huldange liggen.
Op -inge(n) vind ik er maar rond de 20, voornamelijk in het oostelijk deel van het land. Zo je van een taalgrens mag spreken, loopt die dus door het oostelijke kwart van Luxemburg.

Vervolgen we onze reis, dan komen we weer iets merkwaardigs tegen in het gebied tussen Luik en Hasselt. Daar treffen we zowel de beschreven Gallisch-Germaanse taalgrens tegen, als de Vlaams-Waalse, die tegelijk politiek als taalkundig een scheiding vormt. Veel plaatsen langs die Vlaams-Waalse grens dragen ook tweetalige namen. Ik noem Hoepertingen (Houppertange), Bitsingen (Bassenge), Kuringen (Curange), Ordingen (Ordange), Piringen (Pirange), Rukkelingen (Roclenge) en Wouteringen (Otrange). Iets zuidelijker, en 100% Waals, is Tihange, berucht om zijn onbetrouwbare kerncentrale. De naam betekent “gebied behorende tot Thibaut“; er bestaat geen gangbare Duitstalige variant, maar oorspronkelijk schijnt het iets als *Tihondinga geweest te zijn.

Gaan we vervolgens iets dieper Vlaanderland in, dan komen we ten noorden van de lijn Maastricht – Tongeren – Sint-Truiden plaatsen als Ketsingen, Mopertingen en Riksingen tegen, waarvoor geen Franstalige pendanten als *Quetsange, *Maupertange of *Rixange bestaan. De taalgrens lijkt behoorlijk scherp te zijn; de taalstrijd heeft zijn werk gedaan.

Lotharingen zelf heette oorspronkelijk Lotharii regnum, “het rijk van Lothaire“, een benaming die in de 10e eeuw tot Lotharingia werd. Het maakt de huidige Franse naam Lorraine ook aannemelijk; was het een streeknaam op -inge(n) geweest zoals zo vele plaatsnamen ten oosten van de taalgrens, dan zou die in het Frans iets als *Lotharange geweest moeten zijn, maar dat is niet zo. Ook de Nederlandse benaming Lorreinen doet meer aan regnum denken dan aan -inge(n).

We rijden Nederland binnen, op zoek naar –ange en -inge(n). Dat voert ons allereerst op een zijspoor dat een dwaalspoor blijkt te zijn.
In Nederland zijn er bij mijn weten geen plaatsnamen die op -ange eindigen, behalve Bourtange. Nu is het al hoogst onwaarschijnlijk dat je helemaal naar Groningen moet afreizen om een Franstalige invloed waar te nemen – de Gallisch-Germaanse taalgrens in Nederland loopt parallel aan de grote rivieren, maar bovendien is het niet Bourt-ange, maar Bour-tange, met -tange als variant van (land-)tong(-e). Boeren-tange dus. De Frans ogende spelling Bourtange in plaats van Boertange maakt het allemaal nog verwarrender.
Ook als je wat ruimer wil denken en de in Nederland voorkomende uitgang -enge(n) ziet als een variant van -ange, kom je bedrogen uit: plaatsnamen als Kockengen en Portengen lijken fantasienamen te zijn, ontstaan bij de ontginningen in de 12e eeuw. Kockengen zou een verbastering zijn van (het land van) Cocagne, d.w.z. Luilekkerland, en Portenge een verbastering van Bretagne. Zo vermeldt De Vries het in elk geval in zijn Woordenboek van Noord- en Zuid-Nederlandse plaatsnamen (Aula 85).

Anders ligt dat met -inge(n) in Nederland. Als ik vlotweg Everdingen, Grevelingen, Groeningen, Groningen (?), Harlingen, Kloetinge, Millingen (2x), Scheveningen, Vlaardingen (?), Vlissingen, Wageningen, Wateringen, Wemeldinge en Wieringen uit mijn mouw schud, heb ik vermoedelijk nog niet een tiende deel van alle voorkomens vermeld. Maar het blijft oppassen. De vraagtekens bij Groningen en Vlaardingen bijvoorbeeld geven aan dat het allerminst duidelijk is of daarin wel het ‘echte’ -ingen moet worden gezien in de betekenis “behorende tot“, “eigendom van“. Zoveel als er in de afgelopen twee eeuwen aan toponymisch onderzoek is verricht, zoveel blijft er onduidelijk als we over te weinig of te mistige bronnen beschikken.

Wat wel vaststaat is dat de behandelde grens tussen het Franstalige –ange en het Duitstalige –inge(n) ophoudt ten zuiden van het huidige Nederland, namelijk ergens langs de lijn van Luik naar Hasselt in België.

Het is alles bij elkaar genoeg om over te mijmeren als je de urenlange rit maakt over Metz en Martelange naar Maastricht.
______________________________________________________________________

Een paar verwijzingen naar geraadpleegde websites:
https://nl.wikipedia.org/wiki/Lotharingen_(Frankrijk)
https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_Franse_en_Duitse_plaatsnamen_in_Lotharingen
https://fr.wikipedia.org/wiki/Toponymie_de_la_Belgique
https://fr.wikipedia.org/wiki/Correspondance_des_toponymies_lorraines_en_fran%C3%A7ais_et_en_allemand
en nog tientallen andere.

 

 

Hebbedingetje of akkefietje?

Na mijn recente artikelen over morfologie en lettergreepscheiding, en dat over de vorming van het meervoud in het Nederlands, voltooi ik mijn taaltrilogie nu met enige overpeinzingen over de verkleinvormen in het Nederlands, ook al zo’n gruwel om snel even aan iemand uit te leggen. Je kunt het fenomeen van de technische, meer formele kant benaderen of van de praktische, meer pragmatische kant, maar simpeltjes gaat het in beide gevallen niet.
Wat hieronder volgt is geen proeve van cursusmateriaal, maar een verzameling van overpeinzingen over het verkleinwoord, die ik min of meer geordend wil presenteren.

Hierboven staat pagina 17 uit Het verkleinwoord in het Nederlands. Publikatie nr.1 van het Instituut voor Algemene Taalwetenschap van de UvA, 1971. Dat was in de periode dat er naarstig werd gezocht naar passende formalisaties binnen het Transformationeel-generatieve kader. Hoewel die studie heel gedegen, diepgaand en vernieuwend was, zal de doorsnee taalgebruiker er niet erg blij mee zijn. Maar voor hen was het dan ook niet bedoeld.
Dat de werkgroep er niet helemaal uit is gekomen, is geen schande. Het was in feite een nieuw onderzoeksterrein binnen een nieuwe wijze van taalbeschrijving, en al formaliserend doemden er steeds weer meer nieuwe probleemgevallen op.
Daar doorheen speelde ook de tegenstellingen tussen de othodoxe, Chomskiaanse syntactici, die puur op de vorm letten, en de daarop volgende stroming van de generatieve semantici, die de betekenis erin verwerkt wilden zien.
Op geen enkele manier wordt in die Publikatie verklaard waarom we naast bloempjes ook bloemetjes hebben, terwijl dat toch niet zo’n probleem zou hoeven zijn: onderscheid gewoon bloem1 (vruchtdragend deel van een plant, met bloempje als diminutief) en bloem2 (drie of meer bijeengebonden elementen uit de verzameling van bloem1, met bloemetje als collectief diminutief), al heb je daarmee nog niet kunnen verklaren waarom we kindjes naast kindertjes hebben (en in mindere mate het dialectische kinders naast kinderen).
Ook in meer leesbare publicaties zien we de complexiteit van het verkleinwoord. Naast elkaar hier bij Van den Toorn, Klooster en de AWS (klik om te vergroten):

Van den Toorn (1984) besteedt er nauwelijks 1 volle bladzij aan (deel van p.155-156), waarbij het me opvalt dat er boven de eerste regel een of meer regels ontbreken (zetfout?).

Klooster (2001) heeft er rond de 2 bladzijden voor nodig (deel van p.15-17), maar net als bij Van den Toorn zie je dat het niet bepaald gaat om brugklasleerstof.

De AWS (Afrikaanse Woordelys & Spelreëls) (2018) is nog de meest uitgebreide (p.209-213).
Mense wat dink dat Afrikaans ’n eenvoudige taaltjie is, oorspronklik uit die 17de-eeuse Nederlands, ook grammaties, is verkeerd: die verkleiningsvorme in Afrikaans is ook baie ingewikkeld vir Afrikaanssprekendes.

Dat het verkleinwoord in het Nederlands behoorlijk ingewikkeld kan zijn, blijkt uit de probleemgevallen, waarvan bij gebrek aan een deugdelijke, complete beschrijving maar al te vaak wordt gezegd dat het “uitzonderingen” betreft. Dat is wetenschappelijk onverantwoord. Daarmee wordt het gebrek aan studieresultaat teveel verdoezeld; een beschrijving dient compleet en allesomvattend te zijn.
Als voorbeeld beperk ik me hier nu even tot de problematiek bij woorden als:
Plas ® plasje, maar glas ® glaasje. Pad (dier) ® padje, maar pad (weg) ® padje of paadje en pad (koffiecup) ® padje. Meer daarover is te vinden op https://taaladvies.net/taal/advies/vraag/1514.

Nog ietsje (of: een pietsie) ingewikkelder wordt het als we zien dat verkleinvormen niet alleen bestaan bij zelfstandige naamwoorden, wat iedereen wel denkt en weet, maar dat er ook een niet erg productieve verzameling van bijwoorden en telwoorden bestaat op -je(s):
warmpjes, koeltjes, eventjes, netjes (“keurig“), strakjes (“zo dadelijk“), vlotjes, simpeltjes, dunnetjes. En dan hebben we ook nog eentje, tweetjes, drietjes en zijn er veel ditjes en datjes, waarbij de -s evident een meervoud aanduidt.
Is die -s in de andere gevallen een zgn. adverbiale -s ? En vindt die zijn oorsprong in een Oud-Nederlandse 5e of 6e naamval, bv. de instrumentalis of ablatief? Ik heb dat altijd vermoed bij woorden als hebbes en lopes (“Ga je met de fiets? Nee, ik ga lopes.”)? Maar daarvan heb ik tot nu toe nergens een sluitend bewijs kunnen vinden.

Al deze genoemde voorbeeldwoorden hebben een zekere sfeer van colloquiaal gemak of nonchalance om zich hangen en zullen in officiële en serieuze taal weinig te vinden zijn. Mijn inschatting is dat de gebruikte verkleinvorm iets familiairs of minzaams heeft, die aansluit bij de knussigheid die we ook bij veel zelfstandige naamwoorden in de verkleinvorm kennen. Het is de vermeende oer-Hollandse gezelligheid, welk woord Jaap de Hoop Scheffer vergeefs poogde uit te leggen aan Bush jr. Daarna had hij het woord knus nog ter tafel kunnen brengen. Laten we die verkleinwoorden maar eens wat nader bekijken.
Immers, er zijn zeker vier domeinen waarbinnen we in het Nederlands de verkleinvorm van zelfstandige naamwoorden hanteren.

Allereerst is dat natuurlijk de mogelijkheid om aan te geven dat er sprake is van een klein exemplaar: een tafeltje is kleiner dan een tafel, een wokpan is geen pannetje, een ommetje of een blokje om is geen rondrit, een kruimeltje is geen homp, en wie het hoekje om gaat, is op z’n Amsterdams kassiewijle of kassieses, wat ook verkleinvormen zijn van een zeswandige kast. Maar bij “mag het een onsje meer zijn?” blijft het helaas vaak niet beperkt tot minder dan 100 gram, en bij een koopje is niet de gekochte waar klein, maar de ervoor betaalde prijs. En wat we met de vormen centje (pijn), fluitje (van een cent), stuivertje (wisselen), dubbeltje (op zijn kant, of geboren zijn voor een ~), kwartje (kan vallen) en oortje (versnoept hebben) aan moeten, is niet zo simpel te duiden ter verklaring van de verkleinvorm.
Hoe subjectief vaak ook, dit is een woordgebruik dat je niemand hoeft uit te leggen.

Iets anders ligt dat bij het tweede domein: woorden waarvan de grondvorm eigenlijk niet, althans niet in dezelfde betekenis voorkomt: een hebbedingetje, een akkefietje, een kattebelletje, een niemendalletje, een rozenhoedje, een hopje, een saucijzenbroodje of worstenbroodje, een dropje/snoepje (telbaar; drop/snoep is dat niet), snotje (iets in het ~ hebben; als je tenminste snot niet ziet als een variant van snuit), en in de categorie flora en fauna: madeliefje, herderstasje, sneeuwklokje, stokstaartje, zilvervisje, … Hier speelt ofwel het in de loop der eeuwen verloren zijn gegaan van de niet-verkleinvorm, of de aanduiding van een geheel ander begrip dan door de niet-verkleinvorm wordt bedoeld.

In mei 2005 bracht ik een bezoek aan de universiteit van het Russische Pskov, op 300 km van Leningrad, waar een groep studenten zich onder de vastberaden, wakende hoede van Lenin bekwaamden in het Nederlands, en daar wonderbaarlijk goed in slaagden.
Het leverde mij een onverwacht inzicht op; zoals zo vaak moet je buitenlands taalgebied betreden om het Nederlands beter te kunnen analyseren. Daarzonder had ik ook nooit mijn studie naar Nederlandse voorzetsels kunnen voltooien.

Zowel de colleges als het lesmateriaal van docent Poda vertoonden ontegenzeggelijk Vlaamse invloeden, maar dat was op zich geen probleem. Wat mij frappeerde, was de nadruk die hij erop legde dat het Nederlands zich veel meer dan bijvoorbeeld het Russisch bedient van verkleinwoordjes, vooral voor begrippen die helemaal niet zo klein zijn. De studenten en studentes pikten het wel op, maar zij misten de taalroutine om het vlekkeloos toe te passen, hetgeen geen wonder is.

 

Dat is dus de derde mogelijkheid: met het verkleinwoord druk je de bovengenoemde knussigheid uit; in de consumptieve sfeer: een kopje koffie, een borreltje/biertje, een hapje eten, een vorkje prikken, een frietje/patatje,… Je zult niet gauw een bezoekje aan de paus afleggen; dan noem je het hooguit een bliksembezoek of korte audiëntie, waarvoor het Witte Boekje zelfs geen verkleinvorm aangeeft, maar je neemt wel graag een bloemetje mee (geen bloempje aub!), of een bosje bloemen, waarvoor je met Pasen met een kort woordje wordt bedankt.
Aan de andere kant kan het ook een zekere minachting uitdrukken, in elke geval iets minder vleiends: een Pietje precies, een haantje de voorste, lekker weertje, hè? (als het stortregent).

Dat alles verklaart wellicht ook het vierde domein: dat van de kindertaal. Dat is een wisselwerking. Aan de ene kant zijn kinderen klein en bezien zij veel dingen ook in miniformaat, maar aan de andere kant zijn het ook de ouders of opvoeders, thuis, op school, op straat, die de vreemdsoortige eigenschap hebben tegen kinderen in bovenmatig veel verkleinwoorden te spreken, waardoor die kinderen dat als norm gaan overnemen. Taalontwikkeling verloopt immers grotendeels via analogie en nabootsen. Van slabbetje tot hansopje, van bordje tot lepeltje, drankje, pilletje, vitamientjes, van bedje tot slaapje doen. Ons nationale kinderliedrepertoir doet er graag aan mee: Slaap, kindje, slaap. Een karretje op de zandweg reed. Lammetje loop je zo eenzaam te dwalen. Daar zaten zeven kikkertjes. Advocaatje, leef je nog. Zakdoekje leggen. Berend Botje, Moriaantje zo zwart als roet (…) bolletje (…) parasolletje, …
Bij wat ik in mijn schoentje vind en een snoezig jurkje kant en klaar kun je nog vermoeden dat het gaat om ritmische dwang, maar toch komt het verkleinwoord wel binnen. Waarom vatte Katharina Leopold in 1898 de koetjes niet bij de ritmisch passender hoorntjes: Een pop met vlechtjes in het haar, een snoezig jurkje kant en klaar, drie kaatseballetjes in een net, een lettertje van banket. Zo klaar als een klontje toch?
Maar dan hebben we natuurlijk nog altijd uit de Fabeltjeskrant: oogjes dicht en snaveltjes toe.

Geen wonder dat kinderen dus ook graag doktertje, tikkertje, krijgertje, verstoppertje of diefje met verlos spelen.

Allemaal knusse gezelligheid, voor de veilige geborgenheid van de tere kinderziel.

 

Straatnamen en voorzetsels

Bovenste foto: © Nationaal Archief. Onderste foto: eigen opname

In heel veel talen is de keuze voor het juiste voorzetsels een lastig probleem, ook voor moedertaalsprekers. Dat geldt zeker ook voor het Nederlands met zijn vele voorzetsels. Een af te bakenen groep taaluitingen waar dit speelt zien we bij straatnamen: woon je nu IN, OP of AAN de Steenstraat? Wat zijn daarbij de overwegingen en waarom geven we de voorkeur aan het een of het ander?


Voordat die vragen aan een beantwoording toekomen, dienen we eerst vast te stellen wat het woord “straat” eigenlijk inhoudt. Het blijkt namelijk dat “straat” op twee verschillende begrippen kan slaan.

Enerzijds kennen we allemaal “straat” als laatste deel van een bepaalde begaanbare doorgang van punt A naar punt B waarlangs zich huizen bevinden: de Kerkstraat, Hoofdstraat, Anne Frankstraat enzovoort. Dit in tegenstelling tot uitgangen als -weg, -laan, -baan, -gracht, -dreef, -kade en nog veel meer.

Bron: Google Maps


Soms is dat een beetje verwarrend. Zo bevindt zich in het Belgische Sint-Niklaas zowel een Nijverheidslaan als een Nijverheidsstraat. De lokale Commissie had dat beter kunnen voorkomen.

 

 

Anderzijds gebruiken we “straat” ook als een verzamelbegrip voor alle begaanbare doorgangen van A naar B, ongeacht of die benamingen nu eindigen op -straat, -laan,
-weg
enzovoort. In die betekenis is “straat” een collectivum, een soort categorie om alle mogelijke benamingen onder één term te vangen. Zo zul je bij een stadsplattegrond vaak een straatnamenregister aantreffen, waarin niet alleen de Parkstraat, maar ook de Parkweg, Parklaan en Parkdreef kunnen staan vermeld. Voor dat collectieve begrip “straat” hebben we eigelijk geen echt Nederlands woord beschikbaar. Slechts weinigen zullen de officiële term “hodoniem” kennen. Dat woord is uit het Grieks (via het latijn) overgenomen en is samengesteld uit οδός (“weg, straat”) en όνομα (“naam”). Dat “odos” kennen we nog wel in woorden als “methode” (“de weg waarlangs“), “exodus” (“uitweg“) en “synode” (“samen op weg“).

In het verloop van dit bericht zal ik het woord “straat” in principe in de eerstgenoemde betekenis gebruiken; voor de tweede, collectieve betekenis, zal het woord “hodoniem” voorkomen. Over het algemeen zal dit onderscheid overigens eerder warrig zijn dan verwarrend. Bedenk dat we in het Nederlands binnen de bebouwde kom doorgaans spreken van het “stratenplan“, maar buiten de bebouwde kom van het “wegennet“, maar dat de Nederlandse Spoorwegen en gemeente-vervoerbedrijven als GVB, HTM en RET een “lijnenkaart” presenteren. Ook bij woorden als “uitweg“, “luchtweg“, “vluchtweg“, “vaarweg” kiezen we voor “weg“.
En in het Engels zien we de woorden “airlines” en “airways” naast elkaar bestaan. Maar het Engelse “tramway” is opmerkelijk genoeg niet vernederlandst, in tegenstelling tot talen als het Frans (“tramway“), Tsjechisch (“tramvaj“) en Spaans (“tranvía“).


Met dit alles in het achterhoofd kunnen we kijken naar het voorzetsel dat bij een straat hoort, want velen zullen twijfelen of je nu IN de Tulpstraat woont, of OP de Tulpstraat of AAN de Tulpstraat. Waar komt die twijfel vandaan?

Die heeft van alles te maken met het concept “straat“, dat wil zeggen: bij wat we ons moeten voorstellen bij een straat. Er zijn minstens twee nogal verschillende ideeën over.

Ofwel we zien een straat als een tweedimensionaal begrip, een doorgang met uitsluitend een lengte en een breedte, en daarbinnen kunnen we nog onderscheid maken tussen een breedte tot aan de perceelsgrenzen aan weerszijden, in welk geval je AAN de Tulpstraat woont, en een breedte inclusief de bebouwing, in welk geval je OP de Tulpstraat woont. Alleen dan kun je je OP straat bevinden, dus zonder lidwoord; AAN straat en IN straat zijn incorrect Nederlands.
Ofwel we beschouwen een straat als een driedimensionaal begip, een doorgang als een soort tunnel met lengte, breedte en hoogte, in welk geval je IN de Tulpstraat woont.
Het een is niet beter of slechter dan het ander; het is de manier van beschouwen van het begrip “straat” en/of het is in de taaltraditie zo gegroeid dat een van de voorzetsels het meest is ingeburgerd.

Dat laatste zien we vaker op treden bij hodoniemen eindigend op -weg. Je zult niet vaak horen zeggen “Ik woon IN de Amstelveenseweg“. Vermoedelijk komt dat doordat van oorsprong een weg een verbinding is tussen twee bebouwde kommen, maar zelf geen bebouwing kent, waarvoor alleen bovengenoemde tweedimensionale betekenis van “doorgang met lengte en breedte” geldt, en perceelsgrenzen niet aan de orde waren. Als dan in de loop der tijd toch de twee bebouwde kommen aaneengesloten worden dichtgebouwd, zal hooguit “Amstelveenscheweg” worden aangepast tot “Amstelveenseweg“, maar kun je er nog steeds niet IN wonen.

Het voorzetsel in brengt een zekere omsluiting met zich mee, dus een ruimte met lengte, breedte en hoogte. Die visie dringt zich op als die hoogte ook evident is, bijvoorbeeld door bomenrijen met bijbehorende hodoniemen als “-laan” of “-dreef“, terwijl we in het omgekeerde geval, waarin er niet van hoogte maar van diepte sprake is, het gebruik van in uit den boze is: je kunt kwalijn beweren dat je IN de Keizersgracht woont.

In sommige gevallen is de derde dimensie, hoogte of diepte, voor het gevoel afwezig. Dan kun je er ook niet IN wonen, maar alleen OP (dus met een breedte inclusief bebouwing) of AAN (dus met een breedte tot aan de perceelsgrenzen). Zo kun je dus wonen OP of AAN het Keizer Karelplein of OP dan wel AAN de Champs Élysées. Achterliggende overweging daarbij is dat “plein” en “veld” (“champ” betekent “veld“) een platte ruimte voorstellen met een omvangrijk oppervlak zonder daarbij aan een verticale dimensie te denken.

Dat er desondanks een Nederlandse achternaam als In ’t Veld” voorkomt, heeft met hodoniemen niets te maken, of het zou op een vlakte met heel hoog gras moeten duiden. De ook voorkomende naam “Op ’t Veld” verwijst meer naar de (tweedimensionale) vlakte.
En voor de doordenkers: Waarom gebruiken we OP straat, OP weg en OP pad, maar IN de weg lopen?

 

Toneelhuis

Getipt door de nieuwsbrief van het Reynaertgenootschap: een wel zeer excentrieke eigentijdse bewerking van Van den vos Reynaerde door FC Bergman uit 2013, getypeerd als “krankzinnig straf theater“.
Mocht er voor het afspelen een wachtwoord (“mot de passe”) worden gevraagd, dan is dat: “Huistoneel” (zonder aanhalingstekens).

https://www.toneelhuis.be/nl/huistoneel/van-den-vos/

Het Reynaertgenootschap verwoordt de aanprijzing als volgt:

Herbekijk Van den vos van FC Bergman. Een aanrader. Bekijk op dezelfde site ook de integrale versie van Van den vos voorzien van audiodescriptie door Marie Vinck, Stef Aerts en Thomas Verstraeten: de makers becommentariëren de volledige voorstelling door te vertellen over hun keuzes tijdens het creatieproces. Vijf sterren!

In het kader van de aansporing “Blijf in uw Malpertuus” een goede gelegenheid voor zeker 1 uur en drie kwartier thuisplezier.

 

Meervoudsvorming in het Nederlands

In de nasleep van mijn artikel over morfologie stiet ik op een skripsie die ik als 4e-jaars kandidaatsstudent met een 3- of 4-tal medestudenten aan de UvA in juni 1972 bij elkaar schreef. Het is niet de bedoeling deze tekst te hanteren als lesstof voor de doorsnee brugklas vwo-havo; wel geeft hij aan op welk nivo wij destijds bezig waren en hoe diepgaand wij te werk gingen, zonder er overigens helemaal tevreden uit te komen. Dat vonden wij zelf, maar de dienstdoende docent Albert Kraak was er lyries over.

Ik herinner het mij als de dag van gisteren. Het was stralend weer, wij waren gedemokratiseerd en een deel van het Lambert ten Katehuis was bezet door de ASVA ter voorbereidng van aksies, of onbruikbaar vanwege interne troebelen binnen de staf van de neerlandistiek, of we hadden gewoon zin om buiten in de achtertuin in het gras te gaan zitten ter nabespreking van ons werk. We dronken tee, want koffie kostte een dubbeltje en tee was maar ƒ 0,05 (suiker gratis). Kraak, over wie in een volgend artikel nog wel wat meer, wilde kostwatkost weten door wie dit stuk was geschreven. Maar wij waren gedemokratiseerd en als doorgewinterde kollektivisten eisten wij op dat er een groepswaardering aan werd toegekend. Kraak hield maar vol, wilde dan op z’n minst weten wie de eindredaksie had verzorgd. Wij jokkebrokken zeiden dat die er niet was. Hij kon niet weten dat het lettertype onmiskenbaar van mijn Underwood mitrajeursnest was; misschien was ik ook wel de enige die op mijn kamer over een schrijfmasjien beschikte en het was het me zelfs gelukt de [ə] tevoorschijn te toveren, door gewoon een [e] te typen, die uit te knippen en dan met gluton omgekeerd op het te stensilen vel te plakken.
Wij kregen allen dezelfde hoge waardering, welke weet ik niet eksakt meer.

Toen ik onlangs het stuk nog eens doorlas, was ik nogal verrast over de inhoud, de uitgebreidheid, de diepgang en de gehanteerde werkwijze. Ik had dat in m’n eentje nooit voor elkaar kunnen krijgen, en je kunt studenten niet verwijten dat ze de uiteindelijke formalisering in bikkelharde regels niet als resultaat hadden weten te krijgen – wel een aanzet daartoe. Ik aksepteer immers alleen taalregels die zodanig zijn geformuleerd dat er geen uitzonderingen op hoeven te worden gemaakt met sterretjes en voetnoten. Je kunt het natuurlijk op z’n Paardekooperiaans doen: gewoon alle nederlandse zelfstandige naamwoorden opsommen met hun meervoudsvorm. Zo doen woordenboeken en woordenlijsten het ook. Maar daarvan is het nadeel dat zelfs de achterachterkleinkinderen van Piet Paardekooper nog niet erin zullen slagen zelfs maar de letter A te voltooien. Los daarvan: die metode zou bij Kraak een dikke onvoldoende hebben opgeleverd; daarover meer in mijn Kraakartikel.
Wat wel duidelijk werd, was dat de meervoudvorming van nederlandse woorden enorm kompleks is en nog lastiger te beschrijven dan de verkleinvormen van onze zelfstandige naamwoorden. En ook al is de skripsie nu bijna 50 jaar oud, de observasies zijn nog steeds geldig en bruikbaar, al zullen de inmiddels vele nieuwe uitheemse woorden nog wel tot wat verdere verfijning en beregeling dwingen. Mij schiet zo meteen alleen crash te binnen (nog niet in Van Dale 8e druk 1961), meervoud: crashes, dat door de toenmalige regels volgens mij niet wordt gedekt, of het zou moeten zijn dat het woord als [VREEMD] wordt gelabeld en zijn oorspronkelijke, engelse meervoud behoudt. Maar dan heb je ook nog putsch (al wel in Van Dale 8e druk 1961), ook [VREEMD], maar dat krijgt dan weer niet zijn duitse meervoud putsche, maar het vernederlandste putschen. Misschien een goed argument om maar liever over neerstorting(en) en staatsgreep/-epen te spreken.

Ik heb de 19 paginaas van het stuk niet overgetypt, maar gescand. Hieronder de gedigitaliseerde versie van de originele foliovellen:







Pas 31 jaar later zou Kraak erachter komen wie de typist van dit stuk was geweest. Dat verklap ik nou nog even niet.

 

Taalonderwijs en morfologie in het Nederlands

Binnen de taalwetenschap bestaan er enkele takken, waarvan iedereen wel de spelling kent en het redekundig en taalkundig ontleden. Minder algemeen bekend zijn de klankleer (fonologie en fonetiek, samen ook wel foniek genoemd), de betekenisleer (semantiek) en de leer van de woordbouw (morfologie). Over die laatste tak ga ik het hier hebben, maar dan wel in samenhang met de genoemde foniek, de semantiek en de spelling. Want die hebben veel met elkaar te maken, maar zij zorgen ook voor nogal wat problemen.

De morfologie is niet een onderzoeksterrein voor het Nederlands alleen, want alle talen gebruiken woorden en al die woorden zijn op een of andere manier gebouwd. Maar hier komt vooral de bouw van Nederlandse woorden ter sprake, anders wordt het verhaal veel te uitgebreid.

ENKELE BASISBEGRIPPEN UIT DE MORFOLOGIE
(zo zal ik ze ook hier in het vervolg hanteren)

  • MORFEEM: Een Nederlands woord bestaat uit één of meer morfemen; dat zijn de kleinst mogelijke lettercombinaties die in onze taal voorkomen, met of zonder betekenis. Dus huisangstbe--loosa-zijn allemaal morfemen.
  • STAMMORFEEM: Als een morfeem als alleenstaand woord kan voorkomen en het een betekenis heeft die verwijst naar iets of iemand in onze omringende werkelijkheid, noemen we het een stammorfeem of vrij morfeem. Het betreft dan een ongeleed woord dat niet verder uit elkaar kan worden gehaald, net zoals huis en angst. Elk Nederlands woord bestaat uit minstens één morfeem.
  • GEBONDEN MORFEEM: Als een morfeem niet los kan worden gebruikt, maar altijd aan een stammorfeem gehecht voorkomt, noemen we het een gebonden morfeem, zoals be-in beloven-loos in achteloos en a- in asociaal. Die gebonden morfemen zijn niet zonder betekenis, maar ze kunnen niet als losse woorden voorkomen.
  • AFFIX: Een gebonden morfeem staat in veruit de meeste gevallen vóór of na het stammorfeem; zie de voorbeelden hierboven. Het woord affix betekent aanhechting of toevoegsel. Staat het vóór het stammorfeem, dan noemen we het een prefix of voorvoegsel; staat het er achter, dan heet het een suffix of achtervoegsel. In sommige talen, maar in het Nederlands slechts uitzonderlijk, kan het affix ook midden in een woord staan, zoals de -s- in scheidsrechter. Die -s- is ingevoegd omdat bij weglating de uitspraak van het woord niet erg prettig overkomt. Iets dergelijks geldt voor de -e- in beginneling, die is ingevoegd omdat het zonder die overgangsklank lastig is uit te spreken. Zo’n affix binnen een woord heet in de vaktaal infix, en als het slechts dient als bindmorfeem tussen woorddelen, een interfix, op voorwaarde dat het geen zelfstandige betekenis heeft, maar alleen ten behoeve van de uitspraak is ingelast.
    Ook mag het niet zo zijn dat die tussenklank onderdeel uitmaakt van een van beide omringende morfemen: in damestasje en zienswijze kunnen we nog denken aan een bezitsaanduiding: het tasje van een dame, de wijze van zien. Dan heeft die -s wel degelijk een betekenis en staat er niet voor de klank. Inmiddels staan overigens de Nederlandse spellingregels toe dat zowel handelwijze als handelswijze aanvaardbare schrijfwijzen zijn en dat je zo’n tussen-s mag schrijven als je hem bij de uitspraak ook hoort.
  • SAMENSTELLING: Als twee of meer stammorfemen aan elkaar worden gekoppeld en zo een nieuw woord vormen, noemen we dat een samenstelling:
    tafel-blad of kachel-pijp-verbinding-stuk (de streepjes staan er alleen om de stammorfemen te onderscheiden). Het Nederlands kent, net als het Duits, geen bovengrens aan het aantal te koppelen stammorfemen.
  • AFLEIDING: als een stammorfeem wordt omgeven door een prefix en/of suffix, spreken we van een afleidinga-sociaalon-betaal-baarecht-heid.
  • MORFOLOGISCHE VALENTIE: Dat is de mogelijkheid van een taal om door middel van samenstelling en afleiding nieuwe woorden te vormen. Nederlands en Duits bezitten een veel grotere morfologische valentie dan bijvoorbeeld Engels, Frans en Italiaans.

Binnen de taalkunde worden afgeleide vormen als meervoud (stoel-en), verkleinwoord (bloem-e-tje of bloem-pje), buigingsuitgangen als goed-e en moerder-s mooiste, en verbuigingsaanduidingen als in ge-werk-t en wacht-te niet beschouwd als affixen, voornamelijk omdat die toevoegingen wel degelijk betekenisdragend zijn.
In heel veel gevallen komen we een combinatie van samenstelling en afleiding tegen en krijg je dus gauw vrij lange woorden, zoals oververmoeidheidsverschijnselen of ijsbereidingsmachineonderdelengroothandel.
De bewering dat het Duits met langere woorden werkt dan het Nederlands wordt niet door alle feiten bewaarheid. Er bestaan tellingen die uitwijzen dat de gemiddelde woordlengte van Nederlandse teksten (ietsje) hoger ligt dan van hun Duitse pendanten. Wel is het evident zo, dat de morfologische valentie van Nederlands en Duits aanmerkelijk groter is dan die van bijvoorbeeld Italiaans, Frans en Engels. We zien dat ook vaak terug in de verengelsing van het Nederlands, waarbij woorden die in het Nederlands aaneengeschreven moeten worden opeens als twee woorden verschijnen, omdat het Engels de valentie niet heeft om ze aaneen te schrijven, zoals het incorrect gespelde bagage depot (baggage room), ratten plaag (rat infestation), antwoord apparaat (answering machine) en vele andere.

En kom nou niet aanzetten met het Franse woord in de Almanach van La Poste 2011:
paraskevidekatriaphobie (angst voor vrijdag de 13e), want dat is gewoon Grieks, samengesteld uit Παρασκευή δεκατρία φόβος (“Vrijdag dertien angst“). Fransen kunnen zo’n samenstelling nooit maken.
Denk liever aan het voorbeeld dat ik elders al eens gebruikte:

derdewereldlandenontwikkelingshulpgeldstromenproblematieken

Dat zijn 59 letters. Laat ik welwillend zijn en de onderstreepte genitief-s als voorzetsel beschouwen – iets wat ik al langer doe. Dat kunnen ze in Duitsland ook:

Dritte-Weltländerentwicklungshilfegeldhähnerproblematik

(Naar mijn weten kent het Duitse woord Problematik geen meervoud.)
Ook maar één voorzetsel en een wat minder prettig verbindingsstreepje, maar met 54 letters net iets korter dan het Nederlandse origineel.
Arme Engelsen. die hebben er 4 voorzetsels voor nodig, want ze kunnen geen lange woorden maken:

Problems of the flow of money for development assistance to Third World countries

Maar liefst 13 woorden; altijd nog minder dan die nog armere Fransen en Italianen, die er 7 voorzetsels en 16 woorden voor nodig hebben door hun beperkte morfologische valentie:

Problématiques du flux d’argent pour aide aux pays du tiers-monde en voie de développement.
Problemi dei flussi di denari per aiuto ai paesi del terzo mondo in fase di sviluppo

Tsjechen eten van twee walletjes. Doordat zij maar liefst 7 naamvallen gebruiken, kunnen ze die inzetten naast ‘echte’ voorzetsels:

Problémy s toků kapitálů na rozvojovou pomoc zemím třetího světa

Maar met 2 voorzetsels (s en na) en 6 naamvalsvormen toch een stuk omslachtiger dan dat ene Nederlandse woord.
Maar misschien wisten jullie dat allemaal al lang.

HET BELANG VAN MORFOLOGIE IN HET ONDERWIJS
In het taalonderwijs is niet of nauwelijks plaats ingeruimd voor morfologie, net zomin als voor fonologie. De eeuwenoude term spraakkunst heeft niets te maken met uitspraak, maar met taal, als in het Duitse Sprache. Spraakkunst is dus gewoon taalkunde.
Al vanaf het basisonderwijs wordt er veel aandacht besteed aan spelling, zonder zich al te theoretisch te bekommeren over hoe spelling en fonologie verweven zijn met morfologische eigenschappen van woorden, en wat precies het verband en het verschil is tussen lettergrepen, syllaben en morfemen.

Als kinderen in het basisonderwijs woorden in delen moeten leren splitsen (ten behoeve van het spelonderwijs?) is een gebruikte methode hen ritmisch klassikaal die woorden uit te laten spreken, eventueel zelfs door erbij te klappen. Wat die kinderen dan doen, is syllabes isoleren.
Syllabes zijn immers klankgrepen, stukjes woord die je los van elkaar kunt uitspreken. Je hoort dan dus:
ho•ngərle•kər, voor•taanhee•lalwaa•rom.

Lettergrepen daarentegen zijn schrijfgrepen. Voor het opsplitsen van woorden in lettergrepen, belangrijk bijvoorbeeld voor het afbreken van woorden aan het regeleinde, worden bovengenoemde voorbeelden:
hon•gerlek•kervoort•aanheel•alwaar•om.

Bij een woord als meestal is het onduidelijk: de lettergrepen zijn meest•al, daarmee de morfologische regels volgend, maar mogelijk zullen in de klas de syllaben mee•stal klinken.
Over het algemeen volgt de lettergreepverdeling de morfologie van een woord, maar dat is geen absolute wet: bij drin•kenhon•ger en me•ten zijn het de fonologische regels van het Nederlands die de grens bepalen. Het is echter niet louter een onderwijsprobleem, elke taalgebruiker die schrijft loopt er met regelmaat tegenaan.

Wat dat afbreken van woorden aan het regeleinde betreft: er zijn drie mogelijkheden om daarmee om te gaan.

  • De eerste is te vertrouwen op de afbreekmodule van het tekstverwerkingsprogramma, bijvoorbeeld Word. Maar dat kan tot ongewenste resultaten leiden – dat zien we zelfs bij meer gevanceerde afbreekalgoritmen van de dagbladpers optreden. Bovendien moeten we alert zijn op dubbelzinnig samenstelde woorden als loods•pet/lood•spetbalk•anker/bal•kanker en vele andere, waar de lettergreepscheiding parallel loopt met de morfologische opbouw van de samenstelling, maar dat kan een tekstverwerker niet makkelijk doorzien.
  • De tweede methode is veiliger: zoek de afbreekregels op in een officiële spellinggids als het Witte Boekje, dat maar liefst vier pagina’s wijdt aan de zeer ingewikkelde regels voor het afbreken in het Nederlands, of zoek het op internet op bij de Taalunie.
  • De derde methode is de beste: breek woorden niet af aan het regeleinde; zet woordafbreken in Word gewoon uit. Dat is alleen heel vervelend bij teksten met lange woorden in smalle kolommen.

Een ander taalkundig probleem zien we bij de verklein- en meervoudsvormen in het Nederlands. Weliswaar zijn die de afgelopen eeuw omstandig en voortreffelijk beschreven, maar voor het onderwijs is dat allemaal teveel wetenschappelijke vaktaal. Ook bij deze vormen zien we dat morfologie, syllaben, lettergrepen, fonetiek en fonologie met elkaar om voorrang strijden.
Zo hebben we naast het morfeem hemd de verkleinvorm hempje (of hemdje, maar weingen zullen dat zo uitspreken) of in kindertaal hemmetje; naast gracht de verkleinvorm grachtje waarbij de t niet wordt uitgesproken, en bloem wordt tot bloempje of bloemetje;
kind wordt kindje, maar in het meervoud hebben we naast kindjes ook kindertjes; het enkelvoud *kindertje bestaat niet. Een klein blad wordt een blaadje, maar in het meervoud hebben we blaadjes en bladertjes, dat laatste echter alleen als het om boombladeren gaat, waarbij het enkelvoud *bladertje niet eens bestaat.
Gelukkig kunnen we ervan uitgaan dat kinderen al op basisschoolleeftijd over genoeg taalkennis en -ervaring beschikken om te weten wat de juiste verkleinvorm van een woord is. Kinderen weten dat met name, doordat in kindertaal veel vaker van verkleinwoordjes gebruikt wordt gemaakt (ook door hun ouders) dan in grotemensentaal, dus het probleem is bij hen niet zozeer de klank van het woord, maar hooguit de spelling en afbreekvorm ervan.

STAMMORFEEMPROBLEMEN
Ter afsluiting nog een tweetal probleemgevallen waarbij morfologie, fonologie, spelling en afbreking een rol spelen.

  • Het is van belang te weten wat de stam van een werkwoord is, voonamelijk vanwege de spelling van werkwoordsvormen. Het idee dat de stam de vorm is die achter ik komt, is niet geheel correct. Leef is niet de stam van leven, net zomin als vries de stam is van vriezen. Die stammen zijn namelijk resp. leev en vriez. Maar de fonologische wetten voor het Nederlands staan niet toe dat een woord of lettergreep in geschreven taal eindigt op een -v of een -z, (behoudens in leenwoorden als jazz•concert) en ook niet dat een woord of lettergreep met een stomme e. Dat verklaart de lettergreepscheiding be•le•ven in plaats van be•leev•en en be•vrie•zen in plaats van be•vriez•en, wat morfologisch gezien correcter zou zijn. Het Nederlands staat daarin niet alleen. Denk aan de Engelse koppels life en to live, of wife met meervoud wiveswolf met meervoud wolves, en komen to specialise en to specialize beide voor.
  • Een ander uitgangspunt is om als werkwoordsstam het hele werkwoord te nemen zonder de -en aan het einde. Dat werkt natuurlijk niet bij doen, gaan, zien en zijn, maar de bovengenoemde v en z komen dan wel correct in beeld. En daarmee zij dan tevens verklaard waarom leefde en geleefd, vreesde en gevreesd een d krijgen en niet een t, die ze volgens ’t kofschip zouden moeten krijgen bij de stam leef en vrees.
  • Bij woorden die het Nederlands aan een vreemde taal heeft ontleend, zeker als dat al lang geleden is gebeurd, is het maar de vraag of je de oorspronkelijke morfologie en lettergreepscheiding moet aanhouden of niet. Twee Griekse voorbeelden: de helikopter, “wentelwiek” komt uit het Griekse helikon(“spiraal“) en pterux (“vleugel“). In het Grieks breek je dat dus af als he•li•ko•pte•rux, maar het woord is zodanig vernederlandst, dat wij er he•li•kop•ter van maken, vooral doordat onze fonologische regels niet toestaan dat een Nederlands woord begint met pt- En dan natuurlijk morfologie, in het Grieks morf•o•lo•gie. Dat zou fonologisch gezien ook wel kunnen in het Nederlands, maar toch hebben wij het ‘aangepast’ en er mor•fo•lo•gie van gemaakt. Morfologisch incorrect dus.

Het moge duidelijk zijn dat Nederlands een lastige taal is, onder andere vanwege de voortdurende wisseling van prioriteit en botsende regels. Reden te over voor taaldocenten om zich goed in te werken in de morfologie van het Nederlands om zo tot meer heldere uitleg en een beter inzicht te kunnen komen.


Bronnen en referenties

  • – eigen lesmateriaal
  • – W.G. Klooster, Grammatica van het hedendaags Nederlands. SDU 2001
  • – Het Witte Boekje. Genootschap Onze Taal 2006
  • – M.C. van den Toorn, Nederlandse grammatica. Wolters-Noordhoff, 9e druk 1984
  • – Het verkleinwoord in het Nederlands. Instituut voor Algemene Taalwetenschap. UvA 1971
  • – Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS). Martinus Nijhoff, 2e druk 1997
  • – E-ANS op https://ans.ruhosting.nl/

 

Apetrots of kiplekker?

Beetje dom van mij. Of toch niet. Hoe kon ik paasbest nou vergeten?
Natuurlijk had ik te rade moeten gaan bij mijn oud-docent aan de UvA Hugo Brandt Corstius, alias Piet Grijs, alias Battus en zijn boek Opperlans!, voordat ik begon aan mijn queeste Apetrots en keileuk, naar versterkende voorvoegsels van bijvoeglijke naamwoorden.
Anderzijds: doordat ik erover begon, kwamen er wel mooi 90 reacties op, waarbij het achteraf opvallend is dat niemand ermee op de proppen kwam dat ik oud nieuws aan het vertellen was, althans het wiel opnieuw uitvond.

Ik ontdekte zijn lijst op de pagina’s KL en KM (zijn boek heeft geen paginanummers) en zag in een oogopslag dat die lijst ongeveer even lang is als de ‘mijne’, en dat het overgrote deel van zijn en mijn woorden identiek is. Dat wijst erop dat Battus en ik in hetzelfde taalregister aan het neuzen zijn geweest.
Aan de twee hoofdvoorwaarden voldoen beide lijsten:

– Het gaat om versterkende voorvoegsels in de geest van “helemaal; heel erg“.
– Het gaat om bijvoeglijke naamwoorden of bijwoorden (Battus spreekt van “bijvoeglijke (naam)-woorden”, maar ik neem voetstoots aan dat hij daarmee ook bijwoorden insluit.

Toch is het dan vreemd dat er in de lijst van Battus nog zo veel woorden staan die ten onrechte in mijn lijst ontbreken (41) naast nog eens 16 die ik niet wil opnemen, en, omgekeerd, dat hij zo veel woorden niet heeft opgenomen die in mijn lijst weer wel voorkomen; dat zijn er 57.
Een verklaring kan worden gezocht in het tijdverschil van rond de 20 jaar, maar zo snel verandert onze taal toch ook niet echt. Het verschil zit hem volgens mij grotendeels in de slordigheid, het niet lang genoeg gezocht en gevonden hebben. Dat geldt zowel voor hem als voor mij. Ook Hugo BC was slordig, hetgeen al blijkt uit zijn lijst op bladzij KL waar de woorden in principe in alfabetische volgorde zouden moeten staan, waarbij hij overigens de ij achter de x plaatst, terwijl ik de ij achter de h plaats – dit terzijde, maar op nogal wat plaatsen is die alfabetisering niet in orde. Typisch HBC, die nonchalante slordigheid. Ook geeft hij voorbeelden van voorvoegsels die hij niet in de lijst zelf heeft opgenomen, en omgekeerd.
Een andere verklaring is het filter dat hij en ik hebben gehanteerd om een woord juist wel of juist niet op te nemen. Ik loop de lijst met verschillen even langs.

Om maar te beginnen met de 41 HBC-voorvoegsels die ik zelf nog niet had opgenomen, maar dat wel had moeten doen; dat wordt dus een grote aanvulling van de lijst tot nu toe. Het betreft:

berstens- (als variant van barstens-)
been-(droog)
blak-(stil) (als variant op bladstil)
boom- (hij geeft geen voorbeeld, maar boomlang hoort er wel bij)
borende-(vol; variant op boordevol)(staat niet eens in zijn lijst, maar hij geeft wel het voorbeeld)
dik-(verdiend)
druip-(nat)
duif-(grijs; “zo grijs als een duif”)
duimen-(dik)
extreem-(rechts
; vroeger kwam extreemlinks ook voor)
hemels-(mooi)
kanon-(doof)
kanonnen(zat)
kikker-(groen)
koek-(warm
; al ken ik dat woord niet)
kwartel-(doof)
lammer-(zacht)
levens-(echt)
mollen-(vellig)
mes-(scherp)
naald-(scherp)
nok-(vol)
paarden-(slecht
of zat)
paas-(best)
paddenmoeder-(naakt)
papier-(dun)
pauw-(mooi)
pier-(naakt)
proppens-(vol
; variant op prop-)
puik-(best)
ras-(echt)
raven-(zwart)
spriet-(mager)
stampens-(vol
; variant op stamp-)
starnakel-(zat of gek)
stier-(vervelend)
tintel-(fris)
tjop-(vol
; variant op tjok-)
torre-(zat)
vlinder-(licht)
wild-(vreemd)

Dan de 16 HBC-voorvoegsels die ik niet opneem, tenzij iemand mij weet te overtuigen:
bagger- : ik ken geen bijv.naamwoord of bijwoord met bagger-. Ik hoop toch niet dat HBC doelt op baggerlui; dat zou een zeer vermakelijke misser zijn.
bok- : hij vermeldt bokbenig; dat komt ook voor in Van Dale, maar betekent niet: “heel erg benig“, maar slaat op het voorbeen van een paard dat niet in de juiste stand staat.
kladder- : daarvan kan ik geen voorbeeld vinden en HBC geeft het ook niet.
loop- : ik ken geen bijvoeglijk naamwoord of bijwoord met loop-. HBC geeft het ook niet. Aan loopduur wil ik niet denken.
moederziel- : ken ik niet als voorvoegsel; volgens mij schrijf je moederziel alleen steeds als twee woorden.
nacht- : daarvan kan ik geen voorbeeld vinden en HBC geeft het ook niet.
nood- : HBC geeft geen voorbeeld; mocht hij aan nooddruftig denken, dan zie ik er niet de versterkende vorm van druftig in, want dat woord komt mij onbekend voor; ook Van Dale en het WNT vermelden het niet. Ook helpt het me niet als ik nood niet lees in de betekenis “SOS“, maar als “dat wat je nodig hebt; wat je node mist“.
pak- : mij onbekend als versterkend voorvoegsel; in de war met pakgoed?
parel- : als in parelgrijs heeft niet de betekenis “heel erg“, maar duidt een soort grijs aan; een specificatie dus.
puur- : is mij onbekend; HBC geeft er ook geen voorbeeld bij.
ree- : als in reebruin heeft niet de betekenis “heel erg“, maar duidt een soort bruin aan, wederom dus een specificatie.
reiger- : is mij onbekend; HBC geeft er ook geen voorbeeld bij.
rot- : idem.
stinkend- : idem.
ui- : HBC noemt uivol, maar dat woord is mij onbekend.
zwaan- : is mij onbekend; HBC geeft er ook geen voorbeeld bij.

APETROTS (mijn lijst) KIPLEKKER (uit Opperlans!)
211 214
1.        aalglad 1. aal
2.        aardedonker 2. aarde
3.        aartslui 3. aarts
4.        almachtig *) 4. al
5.        apetrots 5. ape
6.        appelweek
7.        asgrauw 6. as
7. bagger
8.        barstensvol 8. barstens
9.        beeldschoon 9. beeld
10. been
10.      bekaf
11.      beresterk 11. bere
12. berstens
12.      bikkelhard 13. bikkel
13.      bitterkoud 14. bitter
14.      bladstil 15. blad
15.      blafheet
16. blak
16.      bliksemsnel 17. bliksem
17.      bloedserieus 18. bloed
18.      blokkoud
19. bok
19.      bom(metje)vol
20. boom
20.      boordevol 21. boorde
21.      boterzacht 22. boter
22.      brandschoon 23. brand
23.      bremzout 24. brem
24.      brilfokkingjant **)
25.      broodnodig 25. brood
26.      dagenlang
27.      dieptriest 26. diep
27. dik
28.      doldriest 28. dol
29.      donszacht
30.      doodsbang 29. doods
31.      doodziek 30. dood
32.      doornat
33.      drijfnat 31. drijf
32. druip
33. duif
34. duimen
34.      eeuwenlang
35.      eivol 35. ei
36.      ellenlang 36. ellen
37. extreem
37.      ezelsdom 38. ezels
38.      felbegeerd 39. fel
39.      fliederdun
40.      flinterdun 40. flinter
41.      fluweelzacht 41. fluweel
42.      foeilelijk 42. foei
43.      fonkelnieuw 43. fonkel
44.      gifgroen
45.      gigagroot
46.      gitzwart 44. git
47.      glashelder 45. glas
48.      gloednieuw 46. gloed
49.      gloeiendheet 47. gloeiend
50.      godsonmogelijk 48. gods
51.      gortdroog 49. gort
52.      goudeerlijk 50. goud
53.      graatmager
54.      grootmoedig
55.      haarfijn 51. haar
56.      hagelblank 52. hagel
57.      helverlicht 53. hel
58.      hemelhoog 54. hemel
55. hemels
59.      hondsmoe 56. honds
60.      honingzoet 57. honing
61.      hoogbejaard 58. hoog
62.      hoogstwaarschijnlijk
63.      hoorndol 59. hoorn
64.      huize(n)hoog 60. huizen
65.      hyperintelligent 61. hyper
66.      ijskoud 62. ijs
67.      ijzersterk
68.      inktzwart 63. inkt
69.      intriest 64. in
70.      kaarsrecht 65. kaars
71.      kakelvers 66. kakel
67. kanon(nen)
72.      katjelam
73.      keileuk 68. kei
74.      kerngezond 69. kern
75.      kersvers 70. kers
76.      kiezelhard
71. kikker
77.      kipfit 72. kip
78.      klaarwakker 73. klaar
74. kladder
79.      kleddernat
80.      klemvast
81.      kletsnat 75. klets
82.      klinkklaar 76. klink
83.      knakeduur
84.      knalrood 77. knal
85.      knaphandig
86.      kneite(r)hard
87.      knettergek 78. knetter
88.      knoepduur
89.      knoerthard 79. knoert
90.      knotsgek 80. knots
81. koek
91.      koekerond
92.      kogelrond 82. kogel
93.      kokendheet
94.      kotsmisselijk 83. kots
95.      kraakhelder 84. kraak
96.      krijtwit
97.      kristalhelder
98.      kurkdroog
85. kwartel
99.      ladderzat 86. ladder
87. lammer
100.   lelieblank 88. lelie
101.   lentefris
102.   leplazarus
89. levens
103.   lijkbleek 90. lijk
104.   lijnrecht 91. lijn
105.   loeihard 92. loei
106.   loepzuiver
107.   loodzwaar 93. lood
94. loop
108.   megagroot
109.   melkwit 95. melk
96. mes
110.   metershoog
111.   mierzoet 97. mier
112.   mijlenver
113.   moddervet 98. modder
99. moederziel
100. mollen
114.   mokerhard
115.   morsdood 101. mors
116.   mud(je)vol 102. mud
117.   muisstil 103. muis
118.   muurvast 104. muur
105. naald
106. nacht
119.   nagelvast 107. nagel
108. nok
109. nood
120.   oersaai 110. oer
121.   okselfris
122.   oliedom 111. olie
123.   oppermachtig 112. opper
124.   ovenvers
125.   overheerlijk 113. over
114. paarden
115. paas
116. paddenmoeder
117. pak
126.   panklaar ***)
118. papier
119. parel
120. pauw
121. pek
127.   peperduur 122. peper
128.   piekfijn 123. piek
129.   piemelnaakt 124. piemel
130.   piepklein 125. piep
126. pier
131.   pijlsnel 127. pijl
128. pijp
132.   pik(ke)donker 129. pik(ke)
133.   pimpelpaars 130. pimpel
134.   pislink 131. pis
132. plank
135.   poedelnaakt 133. poedel
136.   poep(ie)link 134. poep(ie)
137.   poeslief 135. poes
138.   pokkensaai 136. pokke
139.   pompaf 137.
140.   potdicht 138. pot
141.   prinsheerlijk
139. proppens
142.   propvol 140. prop
143.   pufheet
141. puik
144.   puntgaaf 142. punt
143. puur
145.   ragfijn 144. rag
145. ras
146. raven
146.   razendsnel 147. razend
148. ree
149. reiger
147.   retegoed 150. rete
148.   reuzeblij
149.   roetzwart 151. roet
150.   roodgloeiend
151.   roomblank 152. room
153. rot
152.   rotsvast 154. rots
153.   schathemeltjerijk
154.   schatrijk 155. schat
155.   schijtnerveus
156.   smoorverliefd 156. smoor
157.   sneeuwwit 157. sneeuw
158.   snikheet 158. snik
159.   snipverkouden 159. snip
160.   snoeihard
161.   snorziek
162.   snotverkouden 160. snot
163.   spekglad 161. spek
164.   spiegelglad 162. spiegel
165.   spierwit 163. spier
166.   spijkerhard 164. spijker
167.   spiksplinternieuw 165. spiksplinter
168.   spinnijdig 166. spin
169.   splinternieuw 167. splinter
170.   spotgoedkoop 168. spot
169. spriet
171.   springlevend 170. spring
172.   spuugzat 171. spuug
173.   staalblauw
172. stampens
174.   stampvol 173. stamp
175.   stapelgek 174. stapel
175. starnakel
176.   steenrijk 176. steen
177.   stekeblind 177. steke
178.   stervenskoud
178. stier
179.   stijfbevroren
180.   stikgoedkoop 179. stik
180 stinkend
181.   stinkrijk
182.   stokstijf 181. stok
183.   stomverbaasd 182. stom
184.   straalbezopen 183. sreaal
185.   straatarm 184. straat
186.   strakblauw
187.   strontziek 185. stront
186. suiker
188.   supergaaf 187. super
188. tintel
189.   tjokvol 189. tjok
190. tjop
190.   toeterzat 191. toeter
191.   ton(ne)rond 192. ton
192.   topfit 193. top
193.   torenhoog 194. toren
195. torre
196. ui
194.   ultramodern 197. ultra
195.   vederlicht 198. veder
196.   vliegensvlug 199. vliegens
197.   vliesdun 200. vlies
198.   vlijmscherp
201. vlinder
199.   vogelvrij 202. vogel
200.   volvet 203. vol
201.   vuistdik
202.   vuurrood 204. vuur
203.   wagenwijd 205. wagen
204.   watervlug 206. water
205.   wijdverbreid
207. wild
206.   witheet 208. wit
207.   wonderschoon 209. wonder
208.   zeiknat 210. zeik
209.   zielsgelukkig 211. ziels
210.   zijdezacht 212. zijde
211.   zonneklaar 213. zonne
214. zwaan

Cronfeld en Andrea

Ik had in het artikel over Corsini, Institutiones Mathematicæ toegezegd nog terug te komen op de inscriptie (zie hiernaast) die Frater Barnabas Cronfeld voorin had geschreven en waaruit bleek dat het afkomstig was van ene Andrea. Inmiddels heb ik zo veel gegevens kunnen vergaren, dat die aanvulling nu kan volgen. Dat alles dankzij de hulp van een Kroatische theoloog die verbonden is aan een universiteit in München.

Allereerst de tekst van de inscriptie zelf. Daar had ik toch een en ander niet correct gelezen, deels door onbekendheid met de situatie in 1760. Er staat nu zeker:

Fr. Barnabas Cronfeld | acquisivit a M.V.P. Andrea | ab egge A° 1760
dat betekent dan: Fr[ater] Barnabas Cronfeld verwierf [dit boek] van M.V.P. Andrea uit Egge in het jaar 1760.

De afkorting M.V.P. staat tegenwoordig voor “Minimal Viable Product” of “Most Valuable Player”, maar in de 18e eeuw was het “Multum Venerabilis Pater“, oftewel “Zeer Hoogwaardige Vader“.

En in plaats van “esse“, wat ik eerst las, staat er “Egge”, en dat is een van de oude benamingen van de stad Eger, wat weer de Duitse benaming is van het huidige Cheb aan de Tsjechische westgrens. Je moet het allemaal maar weten en beseffen. Pater Andrea kwam dus uit Cheb.

Cheb ligt aan de rivier de Eger, die in het Tsjechisch de Ohře heet, maar vanaf de Duitse grens weer Eger, voor het gemak. Zoek maar even op de kaart. (kaart © Auto Atlas ČSSR 1971)
Er zit wel een aardige anekdote aan vast, die mijn visie op de Koude Oorlog heeft beïnvloed.

 

De allereerste keer dat ik naar Tsjechoslowakije ging, najaar 1968, namen een van mijn zussen en ik de weg die via Marktredwitz en Schirnding naar de grens voerde, en vandaar via Pomezí, Cheb en Karlový Vary naar Praag.
Die grens was al een belevenis op zich. Uren wachten, paspoorten en visa afgeven, alles uit de auto, controle van binnen en van onderen met en spiegel aan een lange stok, een soort selfie stick avant la lettre; geen toiletten, niks te drinken.
Ik nam schielijk bijgaande foto, wat absoluut streng verboden was, maar ik had lef genoeg me die scène niet te laten ontglippen. Het vervelendste was, dat het al aan de late kant was, en omdat we in het laatste stuk West-Duitsland helaas geen tankstations meer waren tegengekomen, waren we aangewezen op wat we in de 200 km naar Praag nog zouden kunnen vinden, wetende dat we Praag zelf op onze tank niet meer zouden halen. De mistroostigheid van de omgeving en bebouwing bood weinig hoop, tot ik ergens tussen Pomezí en Cheb (of was het bij Sokolov, meer rechts op de kaart?) een ommuurd terrein zag met prikkeldraad en gietijzeren hekwerken. Ik vermoedde een politie- of legerbasis en verwachtte daar de nodige hulp te kunnen krijgen. Aan de poort werden wij resoluut staande gehouden. In mijn beste Tsjechisch legde ik verontschuldigend uit dat we bekant zonder benzine zaten. De schildwacht legde vervolgens in zijn beste Russisch uit dat dit geen tankstation was, maar militair terrein. Verboden toegang. We waren het volkomen eens, al waren we nu wel door eigen toedoen in Sovjet-Russische handen gevallen.

Inmiddels had een half peloton Sovjets zich rond ons opgesteld. Een Austin Maxi? Nog nooit gezien. Een Nederlands nummerbord? Waar ligt dat ergens? Misschien wisten zij ook al niet eens in welk land zij zich zelf nu bevonden. Vol trots showde ik de auto, welke rondleiding eindigde bij de tankdop. We kregen prompt een halve tank vol Siberische benzine (vermoedelijk zwaar loodhoudend) gratis en voor niks. Wederzijds goedmoedig zwaaiend reden we door naar Praag.

Een paar jaar later stond ik met een paar vrienden op het station van het nu Slowaakse Banská Bystrica te wachten op de trein naar Praag, maar die bleek pas uren later te vetrekken. We raakten in gesprek met een legerofficier, zo aan al zijn insignes te zien. Toen hij ons vertelde dat de trein pas om 8 uur vertrok, zei hij “wosemj” voor “acht” in plaats van gewoon Slowaaks “osem” en wist ik daardoor meteen dat we met een Rus te maken hadden. Hij nodigde ons vieren uit met hem mee naar huis te gaan waar we een paar glazen vodka kregen en een grote kom aardappelsoep, die nog net te hachelen was. Ruim op tijd bracht hij ons weer naar het station.

En tien jaar na mijn eerste Cheb-ervaring waren we eind december 1978 in Praag. Bij 12º konden we zonder jas langs de Moldau wandelen. Maar die nacht viel pardoes de vorst in en de volgende ochtend was het -35°. De sloten van onze Saab 99, geparkeerd voor hotel Olympik****/Garni***, zaten potdicht, en toen de deur met kunst- en vliegwerk open was, bleek de accu bevroren, althans leeg te zijn. Het waren Sovjetsoldaten met een vette Russische legertruck die met startkabels hun 24-Volt accu kortstondig aan onze 12-Volt startmotor hield en de motor liep weer.

Ik geef het onmiddellijk toe, een Buk-raket is andere koek, maar de waarheid ligt in het midden.

Cheb dus, want dat was het tussenstation op weg naar de onthulling van de geheimen achter de inscriptie die Cronfeld ons naliet. Cheb heeft een Franciscaans klooster dat uit de 13e eeuw stamt. In 1951 werd het onteigend en moesten de religieuzen vertrekken, maar in 1991 kwam het weer in kerkelijk bezit. Het was dus daar dat we onze nog steeds mysterieuze M.V.P. Andrea moesten zoeken.

Een speld in een hooiberg. Googelen helpt niet. Maar als je eenmaal gepensioneerd bent, zoek je niet de speld, maar zoek je de hooiberg, waarna je tijd zat hebt om ergens die speld te vinden. En zo geschiedde.

Vanuit München kreeg ik een link doorgestuurd naar het boek van Franjo Emanuel Hoško, Pejo Ćošković & Vicko Kapitanović  (red.) : Hrvatski franjevacki biografski leksikon, Zagreb 2010. Een Kroatisch Franciscaans biografisch lexicon dus. Daarin trof ik twee spelden aan in de 18e eeuwse Midden-Europese hooiberg. Ik geef er maar even een Nederlandse vertaling van.

Op p.110:
CRONFELD, Barnabas, filosoof en schrijver (* Frankenstein, Silezië, tegenwoordig Ząbkowice Śląskie, 12.XI.1730 – † Mohač, 13.IX.1788). In 1750 werd hij lid van de [kerk-]provincie Bosnië-Srebrena in Velika, en na de opdeling van Bosnië-Srebrena in 1757 werd hij lid van de [kerk-]provincie Sv. Ivan Kapistran [=Joannis a Capistrano]. Hij doceerde filosofie in Vukovar van 1758-1761 en hield een openbaar debat in de filosofie. Hij slaagde voor het examen voor hoogleraar theologie in Osijek in 1763 en was leraar aan de Theologische Scholen in Timișoara van 1763-1765, in Petrovaradin van 1765-1768 en in Buda[pest] van 1774-1777; voor zijn verblijf in Buda was hij van 1768-1774 in Dakovo adviseur van twee bisschoppen, Joseph Antun Colnic en Matthew Francis Krtica.
Van hem zijn vier uitgaven bekend, tussen 1760 en 1776 in Valcovarini (dat is dus Vukovar) en Essekini, oftewel Osijek. Het is wat met die plaatsnamen.
Niet zo vreemd dus dat hij in 1760 het boekje van Corsini goed kon gebruiken

En dan, tot mijn grote verbazing die andere kleine speld, op p. 222:
HEITZER, Andrija, filosoof en schrijver (* Cheb, -in het Duits: Eger-, Tsjechië, 1.IX.1732 – † Radna kraj Recaș, 9.III.1803). Hij was lid van de [kerk-]provincie St. Ivan Kapistran [=Joannis a Capistrano]. Hij trad eerst op als professor in de filosofie aan het College van Brod aan de Sava in 1764-1765, waar hij in de Franciscaanse kerk een openbaar debat in de filosofie leidde, en hij presenteerde 59 scripties in de filosofie. Hij zette zijn pedagogische en didactische werk niet voort, maar werd ouderling van de kloostergemeenschappen in Vukovar in 1775-1776, in Radna van 1776-1777, 1778-1791 en 1800-1803, en in Osijek in 1783-1784. Hij was definitor [=een soort kloosterbeleidmaker] van 1777-1780. Hij heeft veel moeite gestoken in de ontwikkeling van het Maria-heiligdom in Radna, waar Kroatische, Duitse en Hongaarse gelovigen bijeenkwamen.
Van zijn hand verscheen Propositiones selectæ ex universa philosophia. Essekini [=Osijek], Typis Francisc., 1765.

Zo had ik dus in één klap een antwoord op zowat alle vragen en onduidelijkheden die de magere inscriptie voorin het boek van Corsini vermeldde.

En nog meer dan dat. Terwijl ik eerder van mening was dat het werkgebied van Cronfeld beperkt bleef tot het Donau-stroomgebied van Boedapest tot Vukovar, zodat hij het per schip afkon, blijkt hij ook werkzaam geweest te zijn in het Roemeense Radna (boven Recaș, ten oosten van Arad) en in Timișoara. En Andrija Heitzer werkte niet alleen in Vukovar, maar onder meer ook in het genoemde Radna en in Osijek. Dat zijn nogal wat grensoverschrijdende afstanden voor die tijd. Toen ik mijn verbazing daarover liet blijken, kreeg ik vanuit München ook nog een kopie van de prachtige kaart uit 1830 toegestuurd van de Franciscaanse provincie Joannis a Capistrano. Ik ben dol op landkaarten. En deze maakt duidelijk welk een gebied die ordeprovincie omvatte: van Sankt-Pölten bij Wenen links boven, tot Belgrado rechts onder; van Timișoara en Radna rechts tot Požega en Cernik links onder. Als je op de kaart klikt, zie je hem voor een betere leesbaarheid in hoge resolutie (5760 x 3840 px; 7,5 Mb).

Eigenlijk had ik het dus helemaal voor niets over Cheb, met zijn Franciscaanse klooster, zijn grens, zijn Sovjet-legerplaats. Het was alleen maar de geboortestad van M.V.P. Andrea. Maar intussen heb ik weer een hoop bijgeleerd en kon ik dat vermengen met eigen herinneringen van 50 jaar geleden.

 

L’Histoire de la Science Hellène

Boekbinden, in het bijzonder het restaureren van boeken, is voor mij een hobby, geen beroep. Zo af en toe moet ik wat herstelwerk verrichten aan boeken die wij ter verkoop aanbieden, maar voor de rest beoefen ik de hobby als tijdverdrijf, of als ik er iets moois van wil maken, of om de vaardigheid niet te verliezen. Soms echter beginnen mijn handen echt te jeuken, zoals bij nevenstaand boek dat zo deerlijk uit elkaar lag dat ik het niet langer kon aanzien. En geholpen door mijn gedwongen huisisolement, dat hier gewoon confinement heet, maakte ik er een projectje van. Een summier verslag, dat ik ook wel “l’Histoire de la Science de Reliure” kan noemen.

Ik heb het dan over het boek van Paul Tannery, Pour l’Histoire de la Science Hellène, uitgegeven in 1930 door Gauthier-Villars & Cie te Parijs. Een vrij fors boek van 26×16½x4 cm, XXIV+436 bladzijden en een gewicht van ruim 1100 gram. Het bindwerk van de Parijse uitgever was daarop niet berekend, zoals uit bovenstaande afbeelding blijkt.

Restauratiewerk steunt op twee uitgangspunten: wat wil je ervan maken en wat kun je ervan maken. Het eerste legt de bovengrens vast, het tweede de ondergrens.

De planning
Wat ik in dit geval wilde: de binding herstellen en vooral verstevigen, en de papieren omslag vervangen door een iets steviger kartonnen omslag. Laten we dat eerst nader puntsgewijs beschouwen.
(NB: Alle foto’s zijn aanklikbaar voor een groter formaat op een nieuw tabblad.)

(1) Al meteen bleek dat de binding volstrekt ontoereikend was en om die reden ook deels was gebroken.
In alle katernen zaten twee gaatjes waardoorheen een dun stukje garen was genaaid om de zaak (vergeefs) bij elkaar te houden. Zie bij de rode pijltjes hiernaast.
Het was dus zaak alle bestaande binding te verwijderen, in de katernen meer gaatjes te prikken en ze met iets steviger garen opnieuw aaneen te naaien. In feite was dit de hoogstnoodzakelijke ingreep.

(2) Een ander manco was dat de papieren rug aan de katernen vastgeplakt was (geweest) en dientengevolge bij het openslaan van het boek onherstelbaar was gescheurd en zelfs voor de helft ontbrak. Zie rechts op de foto. Die moest dus helaas als verloren worden beschouwd.


(3) Vervelend was de constatering dat de pagina voorin met titel en impressum voor eenderde deel helemaal was afgescheurd; het losse restant was nog wel aanwezig, zodat een poging de twee delen weer aan elkaar te bevestigen tot de opties behoorde.

(4) Verder vermeldde de voorlaatste pagina van het boek, onderaan de inhoudsopgave, dat er zich een Planche, Portrait de Paul Tannery in het boek bevond. Mijn vermoeden was dat het hier ging, zoals niet ongebruikelijk, om een linker pagina tegenover de titelbladzijde, het zogeheten frontispice. Maar daar zat geen portret en ook was niet zichtbaar of dat er ooit had gezeten. Evenmin zat er elders in het boek een pagina met afbeelding, noch dans le texte, noch hors texte. Maar mij leek het wel mogelijk in die lacune te gaan voorzien.

(5) Het papieren voor- en achterplat waren nog wel aanwezig, maar rondom nogal beschadigd. Zie de foto helemaal bovenaan dit artikel. Het leek me wel doenlijk die bij te snijden en op de aan te brengen kartonnen platten opnieuw te bevestigen.

Tot zover de werkzaamheden die ik in de planning opnam.

De beschikbare materialen
Wat ik ervan feitelijk kon maken, werd beperkt door de mogelijkheden en mijn vaardigheid. Tijd was daarbij geen factor, want onder het gegeven corona-isolement was die in ruime mate voorhanden. Wel hield ik vast aan mijn gewoonte om in principe alleen materialen te gebruiken die ik al in huis had. Dat is een soort van zuinigheid, maar ook van mijn houding dat alles een tweede of derde kans op hergebruik verdient. Fransen bewaren alles en weggooien kan altijd nog. Ik had die attitude al, en die is in de loop der jaren hier alleen maar versterkt. Ik kan nu al zeggen dat ik voor de hele restauratie ook niets heb moeten kopen: alles was in huis, al zou ik het wat mooier hebben kunnen maken door nog een en ander nieuw bij te kopen. Zo had ik bijvoorbeeld liever een bruin of blauw leeslint willen aanbrengen, maar ik had alleen maar rood en geel liggen. Soit.

Hetzelfde gold voor de attributen die bij een boekrestauratie onontbeerlijk zijn. Naast de artikelen op bijgaande foto, waarop nog het strookje gaas voor de rug ontbreekt en een pak stijfsel/behangplak alsmede de kartonnen platten, had ik al langer de beschkking over een naaibankje, een prikblok, een zogenaamd ‘derde handje’ en een drietal boekpersen. Zij komen verderop nog wel in beeld. Daarmee moest ik het doen en leek het mij ook doenlijk.

De werkzaamheden
(1) Het verwijderen van de oude binding, dus het lostrekken van alle garen en het lospeuteren van de restanten van de rug was een fluitje van een cent. Daarmee kwamen het voor- en achterplat los te liggen en waren alle katernen van elkaar gescheiden.
Vervolgens  prikte ik met behulp van een kartonnen malletje met vier gemarkeerde posities, op het prikblok katern voor katern in elke vouw nog vier gaatjes bij, twee links en twee rechts van de bestaande gaatjes (rode pijltjes) om een steviger naaiing te kunnen gaan aanbrengen.

Met alle katernen in de goede volgorde en richting weer op elkaar liggend en geklemd in het derde handje, markeerde ik die volgorde met diagonale viltstiftlijnen, zoals je dat ook bij machinaal gebonden boeken wel eens ziet. Dat is bepaald geen overbodige luxe; sterker nog, het behoort tot de basisvoorschriften voor boekbinders. Ik weet het als geen ander: ooit heb ik eens een boek ingebonden dat nota bene over boekbinden gaat, en legde ik per ongeluk twee katernen op hun kop op de stapel, de bovenkant dus haar onderen. Bij het doorbladeren moet je dus voortaan halverwege het boek omkeren om verder te kunnen lezen. Het gebeurt mij nu geen tweede keer meer.
Overigens kun je op de foto goed zien dat de oorspronkelijke gaatjes, de twee dus in het midden, in 1930 ook maar zo’n beetje met de Franse slag waren geprikt; ze zitten niet bepaald in lijn. Dat is niet echt erg voor het binden, maar het ziet er niet uit. ‘Mijn’ vier rijtjes gaatjes aligneren een stuk beter en dat is prettig voor het aanbrengen van de verstevigingsbandjes in de volgende fase.

Het naaibankje dient om katern voor katern op elkaar te kunnen naaien, te beginnen met het achterste katern. Dan is het verder een geduldwerkje: met naald en draad rechts van buitenaf insteken, door het naastliggende linker gaatje weer naar buiten, om het verstevingsbandje heen weer naar binnen door gaatje drie en dan door het linker gaatje weer naar buiten. Even goed straktrekken. Volgende katern erop en in omgekeerde volgorde de draad weer naar rechts toe rijgen. Even goed straktrekken. Derde katern erop en dan weer naar links.
Daar aangekomen moet je een kettingsteek maken om te voorkomen dat de katernen onderling gaan verschuiven. Je haalt de naald, die nu links uit het derde katern is gekomen, tussen het eerste en tweede katern door en ‘pakt’ daarmee de steek tussen die twee katernen. Even goed straktrekken. Daarna prik je de naald door het linker gat van het vierde katern en zitten de katernen 2, 3 en 4 aan de linker kant gekettingd. Dat doe je vervolgens iedere keer rechts en links voor je een nieuw katern gaat bevestigen.

Een paar uur later heb je de in dit geval 16 katernen van 32 bladzijden aan elkaar genaaid. Dan, in het derde handje, goed insmeren met boekbinderslijm, de kapjes, het leeslint en de strook gaas ter versteviging erop drukken, en het boekblok is in feite klaar.
Had ik de beschikking gehad over een industriële papiersnijmachine, dan had ik (vóór het aanbrengen van de kapjes en het leeslint natuurlijk) het boekblok eerst rondom schoongesneden. Maar zo’n doodeng apparaat heb ik jammer genoeg niet in huis.

(3) (De volgorde van de feitelijke werkzaamheden correspondeert niet helemaal met de voorgenomen orde der dingen, maar kwam zo toch beter uit.)
Een verhaal apart was namelijk de afgescheurde pagina voorin. Natuurlijk kun je met Aslan (foutief ook bestempeld als ‘onzichtbaar plakband’) de zaak weer aan elkaar plakken, maar fraai is dat niet en bovendien was de scheurlijn niet recht, maar sterk gebogen. Eerst probeerde ik de snijvlakken met boekbinderslijm in te smeren en dan tegen elkaar te plakken, maar dat gaf na droging een doorzichtige naad. Toen probeerde ik die lijm te vermengen met fijn zaagsel om er wat kleur aan te geven, maar ook dat leverde geen geweldig resultaat op. De situatie is nu dat weliswaar de pagina weer één geheel vormt, maar het blijft een lelijk gezicht. Het is mijn vak niet, en in het werken met Japans papier, zoals wordt aanbevolen in dergelijke situaties, heb ik geen ervaring. Operatie dus grotendeels mislukt.

(2) Met het genaaide en gelijmde boekblok een nachtje in de pers was het zaak aan de band te beginnen. Gelukkig heb ik nog genoeg karton in allerhande formaten en diktes in huis. Ik koos voor 1 mm dik karton; het hoeft ook geen altaarmissaal te worden met houten platten. Met bekleding buitenop en schutblad binnenin komt dat dan op ±2½ mm dikte uit.
Ik gebruik, zoals gezegd, graag wat ik nog in huis heb, en zo kwam ik op het idee om een rug te snijden uit wat bij ons thuis het Siamkoffer heet. Dat is, zo vertelt de overlevering, het koffer waarmee mijn moeder met alle kinderen in begin 1946 repatrieerde van Bangkok naar Oss. Dat lederen koffer lag al tientallen jaren bij mij op zolder en was inmiddels van ellende uit elkaar gevallen doordat het stiksel was verweerd. Ik heb dat toen ooit eens van zijn beleg ontdaan en de nog bruikbare stukken leer afgesneden en die op een stapeltje opgeslagen. Zo kon het boek nog een familiair-emotionele band krijgen, letterlijk en figuurlijk. Uit pure luxe besloot ik er ook nog vier verstevigingshoekjes van te snijden. Zie de afbeelding hierboven bij De beschikbare materialen. Voor de bekleding van de platten koos ik voor zwart bukram (soort kunstleer). Net echt.
Het inhangen van het boekblok in de band bestaat uit twee stappen: het op maat snijden van de schutbladen, die uiteindelijk band en boekblok bij elkaar houden, en dan het lijmen van die schutbladen aan enerzijds de band en anderzijds het boekblok. Dat gaat bij mij altijd mis. Als het schutblad al niet gaat bobbelen, of vouwen gaat vertonen, komt het altijd wat scheef te zitten en eenmaal wat aangedrukt krijg je het met geen onmogelijkheid weer mooi los om het recht en haaks te bevestigen. Of het lijkt goed te zitten, maar bij het openen van het boek gaat het trekken en zelfs scheuren.
Dit keer viel dat echter reuze mee, behalve het mooi naadloos afsnijden langs de verstevigingshoekjes. Noem het dan maar ‘ambachtelijk bereid’.
Wat dan ook nog een heikel punt is: aan de rugzijde moet de onderlinge afstand tussen de platten corresponderen met de dikte van het boekblok, zowel in geopende als gesloten toestand van het boek. En dat komt op de milimeter nauwkeurig. Zitten de platten te ver uit elkaar, dan heeft het boek ‘een te grote broek aan’ en dat ziet er niet uit; zitten de platten te krap op elkaar, dan gaan de platten aan de buitenkant wijken en ook dat is geen aanbeveling. Natuurlijk meet je een en ander tevoren goed uit, maar steeds is het maar afwachten of het ook klopt.
In dit geval had het in zoverre wat speling dat de vrij slappe, lederen rug zelf niet aan het boekblok was geplakt, zoals dat oorspronkelijk met de papieren rug wel het geval was. Daardoor kan de rug nu vrijelijk wat meer open en dicht plooien.

Restte nog het vervaardigen van het vervangende portret van Paul Tannery op het frontispice. Van hem circuleert op internet een goed bruikbare foto. Die heb ik met een ‘naamplaatje’ op gladder papier geprint en samen met een beschermend doorzichtig schutblad (tegen het doordukken van de inkt) apart op de bestemde plek voorin ingelijmd. Dat leverde verder weinig problemen op.

De voorlaatste stap was het persen van het ingebonden boekwerk, ditmaal in de grote, zware pers en meer dan 24 uur.
Alles aan de keukentafel, want de keuken is hier ’s winters der mensen habitat. Dan kun je ook de cuisinière tijdig bijvullen en is het er lekker warm.

Tijd dus om nu eens heel andere dingen te gaan doen, te eten, te gaan slapen, of wat dan ook.

(5) Met opzet had ik gewacht met het bijsnijden en opplakken van de oorspronkelijke voor- en achterkant van het boek. Immers, mocht het zo zijn dat er nog iets aan de platten of bekleding ervan moest gebeuren, dan kon ik die papieren pagina’s er niet meer eerst vanaf halen.
Maar dat bleek niet nodig, en zo kon het vele werk worden afgerond met een min of meer originele voor- en achterkant en achtte ik de hele operatie voor zeker 75% goed geslaagd. Nobody is perfect.

Corsini Institutiones

In 1743 publiceerde Eduardo (of Odoardo) Corsini een zesdelige reeks Institutiones Philosophicæ ac Mathematicæ, waarvan ik het zesde deel in handen kreeg. Uitgegeven in Venetië en geheel in het Latijn gesteld. Aan dit exemplaar zitten nogal wat bijzonderheden vast, die ik eerst maar zal bespreken voor het over de staat van het boek en eventuele restauratie te gaan hebben.

 

Het schutblad voorin is al ‘opgesierd’ met enkele inscripties: enkele nummers die vermoedelijk verwijzen naar een bibliotheeksignatuur en ter verduidelijking een ‘samenvatting van de inhoud’, handgeschreven door een voormalige eigenaar van het boek: Sextus Tomus Complectitur Cognitionem Geometricam, oftewel: Deel zes bevattende de kennis der meetkunde.
Dat blijkt ook overduidelijk uit de acht prachtige, uitvouwbare bladen achterin met geometrische figuren, zowel van de vlakke meetkunde als van de stereometrie.

Op de bladspiegel van de titelpagina zien we links, in hetzelfde handschrift als op de pagina ervoor, een interessante mededeling: Fr. Barnabas Cronfeld acquisivit a N.V.P. Andrea ab esse A° 1760, d.w.z.: Fr[ater] Barnabas Cronfeld verwierf [dit boek] van N.V.P. Andrea in het jaar 1760.
Dat roept meteen drie vragen op:
1. Wie is Barnabas Cronfeld?
2. Wie is de genoemde Andrea?
3. Wat betekent N.V.P.?

Een vierde vraag volgt uit het stempeltje rechts onder op het titelblad, waarvoor we beter even kunnen omslaan. Dan zien we bijgaande tekst.
Nu is Hongaars, met Fins en Ests, lid van een taalgroep die ik allerminst beheers, maar ik zag wel dat het Hongaars moest wezen. Omdat zelfs Google mij niet kon helpen, ging ik te rade bij de Nationale Staatsbibliotheek in Boedapest, zeg maar de Hongaarse KB.
Zes dagen later kreeg ik uitvoerig antwoord waaruit in elke geval bleek dat de Népkönyvtári Központ (“Volks Boekencentrale“) niet echt een bibliotheek was, maar een opslagplaats voor boekwerken waarin zich van 1954-2000 boeken bevonden die afkomstig waren uit “the private collections of noble families and other collections (e.g. ecclesiastic)“.
Népkönyvtári Központtol, zoals de stempel vermeldt, betekent: “[Eigendom] van de Volksboekencentrale”, want het Hongaars kent geen voorzetsels zoals wij, maar gebruikt daarvoor affixen die achter het bijbehorende woord worden geplakt.

Het staat er niet met zoveel woorden, maar het moet hier gaan om onteigend bezit van rijke families en kerkelijke instanties die na de oprichting van de communistische Volksrepubliek Hongarije in 1945 hun bezittingen genaast zagen. In de loop der jaren werden die boeken verdeeld over diverse staatsbibliotheken in het land en wat ze niet op die manier kwijt konden, ging naar antiquariaten die het kregen of opkochten. Zo zal dit zesde deel van Corsini wel bij een tweedehands boekwinkel in Boedapest terecht zijn gekomen en daar door een van mijn familieleden in 1987 zijn aangeschaft.

Maar dan vraag 1, 2 en 3.
1. Goed dat we internet hebben, al lost dat niet alle vragen op.
Barnabas Cronfeld (ook wel Kronfeld geschreven) was een Franciscaaanse monnik, geboren in Tirol in 1730 die in een klooster in Boeda[pest] terecht kwam en van daaruit als leraar zuidwaarts trok, tot zeker 300 km onder Boedapest, waar hij les gaf in de Franciscaanse kloosterschool van Vukovar (Kroatië); vermoedelijk ook nog in het iets noordelijker gelegen Sombor, in het huidige Servië. Uiteindelijk stierf hij op 13 september 1788 in een nabijgelegen Franciscaans klooster in Mohács, Hongarije. Alle genoemde plaatsen liggen aan de Donau, dus hij kon het per boot af.
Ik houd het maar kort, want per slot van rekening gaat dit artikel over Corsini, of liever gezegd, over een boek van Corsini. Maar Cronfelds omzwervingen zeggen wel iets over de Centraal-Europese geschiedenis en geografische verhoudingen van de 18e eeuw, en neem ik aan dat het boek na de Tweede Wereldoorlog vanuit Mohács in communistische staatshanden te Boedapest terecht is gekomen.
Ik zal nog een apart artikel aan hem wijden als ik meer informatie heb weten te vergaren.

2. Over Andrea kan ik kort zijn. Ik weet het (nog) niet. Vermoedelijk een collega-monnik/priester die hij in een van de kloosters ontmoette en hem het boek verkocht of na zijn dood naliet. Ik hoop ook over hem, net als over Cronfeld, op termijn meer te weten te komen.

3. De toevoeging N.V.P. kan daarover wellicht meer vertellen, maar ook dat is voor mij vooralsnog een duistere melding. Ik kom niet verder dan iets als “Nostro Venerissimo Pater” (“Onze eerwaarde vader“), maar ik zuig dat uit mijn duim.

Aan degene die mij aan een verantwoorde verklaring van
deze afkorting N.V.P. kan helpen, verleen ik 300 dagen
aflaat (met aftrek van voorarrest).
Ook is een hint welkom als ik niet
goed heb gekeken,
en er niet N.V.P. staat, maar iets anders.
Deze kwestie is inmiddels opgelost. Ik zal er een vervolgartikel aan wijden;
dat geldt ook voor de vragen 1 en 2.

Komen we dan eindelijk toe aan het boekje zelf.
Eerst aan de inhoudelijke kant. Wat mij als bèta frappeert is dat het de gehele (Euclidische) vlakke meetkunde en de stereometrie behandelt, zoals die mij voortreffelijk is onderwezen van klas Gym-I (Pater Minderop!) tot en met klas Gym-VIß (Toon Pels!). Dat alles in lange, Latijnse volzinnen en met heldere afbeeldingen achterin op acht uitvouwbare bladen. Boeiend en getuigend van hoge kwaliteit. Maar wat moeten die Venetiaanse Wiskundestudenten (12-18 jaar?) er wel niet voor over hebben gehad, allereerst door vloeiend Latijn te moeten kunnen lezen, en dan ook nog eens zich door ellenlange zinnen te moeten worstelen.
Ik citeer maar even de allereerste zin van het voorbericht aan de Geometris Adolescentibus, de Wiskundejeugd. Daar lezen we:

Geometris adolescentibus.
Etsi pro rei dignitate, sive recepto jam more plura de Mathematicæ facultatis origine, partibus, præstantia, ac methodo qua vel a ceteris pertracta, vel adornata a me fuerit, paullo inferius præfari decreverim, juverit tamen aliqua vel obiter hic admonere, ut clarior vobis, atque facilior aditus, Geometræ Adolescentes, ad hæc elementa aperiatur, atque ut alacrius etiam ad hoc amplissimæ, præstantissimæque disciplinæ studium vester animus incendatur.

Het lukt mij niet eens daarvan een verantwoorde Nederlandse vertaling te geven, en Google Translate komt helaas niet verder dan deze schamele poging:

Geometris jongeren. Hoewel ik beschouw het als speciale waardigheid van, of is ontvangen, het is meer een aantal van de wiskunde van de faculteit naar de oorsprong, de partijen, is het opvallend veel, en de wijze waarop en uit de andere het voor uw goed is, of opgewerkt van mij, dan, een beetje later bij wijze van inleiding heb ik besloten om juverit echter dat sommige of door de manier waarop, is hier om ons eraan te herinneren, toen het ook je geworden, en gemakkelijker te krijgen, voor wiskundigen en de jonge, de elementen kunnen worden geopend om deze dingen te doen, en dat hij zou met de meer enthousiasme, zelfs voor deze meest eerzame mensen, en excellentie zal toenemen tot de studie van de discipline wordt in brand gestoken.

Fi donc! Daar schieten we dus niks mee op, maar of het Venetiaanse pubers werkelijk in studiezin heeft doen ontvlammen, kan ik niet bevestigen.


Wie mij aan een verantwoorde Nederlandse vertaling van die zin kan helpen, dingt mee naar een enkele reis naar de top van de Olympus, samen met Floortje en Erica-op-reis
.

Voortreffelijk boek, ondanks alles. En voortreffelijk onderwijs moet het zijn geweest zo rond 1743 in Noordoost Italië en omstreken.
Dan de buitenkant van het boek en de toestand waarin het zich althans bevindt.
Het is in feite een goedkoop uitgevoerd schoolboekje. Leerlingen zaten niet te wachten op onbetaalbare luxe edities, in perkament gebonden en in meerkleurendruk uitgevoerde boekbanden. Vergelijk het liever met eenvoudige pocketjes, Aula’s, Livres de Poche, met een slappe kartonnen omslag die met twee touwen aan het boekblok zijn bevestigd en waarvan de katernen, uiteraard handgeschept papier, maar zonder zichtbaar watermerk, met vier dunne steken aan elkaar zijn genaaid. De binding is desondanks nog steeds acceptabel, soms een beetje wijkend, maar dat is onvoldoende reden om het geheel uit elkaar te helen en opnieuw te binden. Houtwormen hadden er, begrijpelijk, geen trek in: slechts twee minuscule gaatjes aan de rand van het voorplat zijn er te ontwaren. Voor een zo simpel uitgevoerd pocketje ziet het er nog na ruim 275 jaar en een omzwerving van Venetië, via Vukovar naar Boedapest, vandaar naar Eindhoven, Boxmeer en Rosoy-sur-Amance nog opvallend fris en aantrekkelijk uit.
Van de oorspronkelijke Venetiaanse oplage is mij niets bekend, maar gezien het feit dat het op internet nauwelijks te koop wordt aangeboden, en er voor de complete reeks van zes delen grif tussen de € 600 en € 1.200 wordt gevraagd, gaat het intussen om een zeldzaam boekwerkje, dat bij verkoop van alleen deel 6 zeker ruim € 100 moet opbrengen. Naast een bibliografisch oninteressante herdruk uit 2012 (ISBN 978-1273773822) zul je er maar met moeite aan kunnen komen.

Mijn besluit: niets aan restaureren, het gewoon laten in de staat waarin het zich bevindt met alle interessante inscripties van dien. Iets om te koesteren.

__________________________________________________________________________
Dit artikel is een voorbeschouwing van mijn restauratieverslag van het boek van Paul Tannery: Pour l’histoire de la science hellène.

Aran en Titvs

In oktober 1987 verwierf ik het tot nu toe oudste werk in mijn collectie boeken: Aran en Titvs, of Wraak en Weerwraak, een treurspel uit 1641 van de Amsterdamse dichter Jan Vos. Voor een luttele ƒ 11,= kocht ik daarvan de vijfde druk uit 1656. In het kader van de bespreking van boekrestauraties zijn de verschillen met de eerder besproken Apocryphe Boecken enorm, al is de uiteindelijke conclusie precies dezelfde: afblijven!

 

Jan Vos (1610-1667) was een glazenier, glazenmaker, ruitenzetter, die zich ontpopte als kunstig dichter van gedichten en toneelstukken. Hij wist zich in 1647 op te werken tot regent van de Amsterdamse Stadsschouwburg, de toenmalige Schouwburg van Van Campen. Anders dan veel van zijn tijd- en vakgenoten las hij geen Latijn of Grieks, alleen Nederlands. Ook wijzigde hij zijn naam niet in Vossius (de Vossius die wij kennen is Gerard Vossius), zoals Van Baerle zich Barlæus ging noemen. Die Barlæus was overigens volstrekt idolaat van Jan Vos’ “hooghdravend Treurspel“, net zoals Hooft, Vondel en Huygens er lyrisch over waren.
Van Baerle noteerde in zijn fraaie hexametrische lofdicht op Aran en Titvs:

Siet hier de kunst op ’t hooghst,//de Schouburgh op zijn top,
Het Treurspel op zijn wreedst,//de wraeklust vol van krop.
Noyt daverd het aloud//tooneel met meer gespooks,
Noyt sachmen by de Griek//meer bloedgespat noch rooks.

en verderop:

Die noyt gezeten heeft//aen Grieks of Roomsche disch,
[dus: die geen Latijn of Grieks kent]
Wijst nu de weerelt aen,//wat dat een Treurspel is.

Inderdaad was Aran en Titvs, gebaseerd op Shakespeares Titus Adronicus, een spektakelstuk zonder weerga, wat de regisseur en toneelmedewerkers tot uiterste inspanningen moet hebben gedreven.
Niet voor niets was de lijfspreuk van Jan Vos: Het zien gaat voor het zeggen. Onze hedendaagse reclamewereld kan daarvan meepraten, evenals etalages in het algemeen.
Voor wie hiedoor is geboeid, is er onder meer een Volkskrantartikel uit 1997. En verder is er natuurlijk internet.
Wie nog in het bezit is van het vierdelige Handboek der geschiedenis der Nederlandse Letterkunde, het standaardwerk van Knuvelder, leze in deel 2, blz. 273-278 (vierde druk) de uitvoerige bespreking van Jan Vos onder het motto “van dik hout zaagt men planken“. Ook de behandeling van Vos’ werken door Anton van Duinkerken in zijn Het tweede plan ut 1945 is alleszins lezenswaardig.

Ik geloof dat ik een beetje afdrijf van het eigenlijke onderwerp van dit artikel: de boekuitgave en de eventuele restauratie. Maar Jan Vos boeit mij meer dan Vondel, Hooft en Huygens bij elkaar.
Het is bevreemdend dat ik maar ƒ 11,= hoefde neer te tellen voor dit boekje. Wie op internet rondzoekt, treft al jarenlang bijna nergens een originele 17e-eeuwse uitgave van Aran en Titvs aan, waardoor het mij voorkomt dat mijn exemplaar tot de zeldzaamheden behoort, althans in de antiquarische handel; bibliotheken hebben er wel nogal wat drukken van liggen. Misschien had de verkoper in 1987 niet genoeg verstand van zaken. Ook prima.
Voeg daarbij dat de tekst, ook in facsimile-uitgave gratis op internet is te raadplegen, en dat in 1975 W.J.C. Buitendijk het lijvige standaardwerk publiceerde Jan Vos : toneelwerken (Van Gorcum, Assen/Amsterdam), Van Gorcum’s literaire bibliotheek nr.28. Wie dat boek leest, weet alles over Jan Vos’ toneelproductie, ook zonder een origneel ter hand te nemen. Maar dan blijft het toch een bibliofiele uitgave.
Die lage prijs schrijf ik ook toe aan een direct waarneembaar feit: het boekblok is weliswaar authentiek uit 1656, maar het is nog niet zo heel lang geleden opnieuw ingebonden. Dat is vakkundig, professioneel gedaan, met blauw beplakte platten voor en achter, een (pseudo-)perkamenten rug en verstevigingshoekjes en nieuwe schutbladen, toegevoegd aan de oorspronkelijke schutbladen. Dat impliceert enerzijds dat het boek dus niet meer een origineel exemplaar is, en dientengevolge in marktwaarde daalt, maar ook dat het er nu gelikt uitziet en tegen een stootje kan. Een boekje dat nog geen 200 gram weegt en zo strak in de band met kneep zit, gaat honderden jaren mee. Het betekent dat er ook werkelijk niks aan te restaureren of te verbeteren valt – ik laat het dus in de voorliggende staat.
Anders dan bij De Apocryphe Boecken het geval is, waar voor mij de inhoud ondergeschikt was aan de bibliofiele waarde en de ouderdom, wordt voor mij de waarde van deze Aran en Titvs in hoofdzaak bepaald door de inhoud, de tekst waarvan ik zo kan genieten. De degelijke uitvoering ervan na restauratie is voor mij slechts toegevoegde waarde.

__________________________________________________________________________
Dit artikel is een voorbeschouwing van mijn restauratieverslag van het boek van Paul Tannery: Pour l’histoire de la science hellène.

De Apocryphe Boecken

Aan het begin van mijn tweede studiejaar, in augustus 1969, kocht ik, zoals zo vaak slenterend langs de boekenstalletjes onder de Oudemanhuispoort, een boekje dat mij totaal niet interesseerde. Althans, de inhoud niet.
Maar ter bevrediging van mijn verzamelwoede ruim binnen mijn vakgebied was ik dolblij voor slechts ƒ 15,= het oudste boekje in mijn collectie te kunnen aanschaffen, namelijk uit 1670.

Ik had nog nooit van de Apocryphe boeken gehoord en helemaal fris zag het werkje er ook al niet uit.
Een nogal gevlekte, maar op zich mooi gestempelde perkamenten band (nooit perkament proberen schoon te maken!), het onderste derde deel van de rug ontbrak, het zat niet meer helemaal stevig in de band en d’een of d’andere onverlaat had er voor hem/haar interessante passages in zitten onderstrepen of zelfs nog in de marge zitten toelichten.

Niet dat dat alles de leesbaarheid verminderde, want de tekst was toch al niet leesbaar: een driepunts Gotisch lettertje in 17e-eeuws gedrukte taal over een onderwerp buiten mijn vakgebied. Bovendien vertoonde het aan de onderkant nogal nadrukkelijk vlekken van vochtoptrek en was één houtworm erin geslaagd zich van achteren half doorheen het boek te wurmen om er zijn bijbelkennis mee te verhogen; de letterlijke boekenwurm. Maar mij kon dat volstrekt niks schelen. Ik had een 17e-eeuws boek bemachtigd voor weinig geld en ik koesterde het, tot in 1987 met de aanschaf van een boek uit 1656 Jan Vos de koppositie overnam.

Restauratie van dit boekje zou wellicht te overwegen zijn. Maar waartoe diende dat? De perkamenten rug, waarvan het onderste derde deel ontbrak, kreeg ik toch niet mooi hersteld, en om de binding te verstevigen zou ik het hele boekblok uit elkaar moeten halen, daarna opnieuw de katernen aan elkaar naaien en vervolgens het geheel weer stevig in de band moeten proberen te hangen met nieuwe, niet originele schutbladen.

Al die verbeteringen beschouw ik als verslechteringen, omdat ik ermee de originaliteit van het boek ga aantasten. En omdat het toch geen dagelijks gebruiksvoorwerp is, en ik allerminst van plan ben het te gaan verkopen, kan ik het maar beter in de kast laten staan in het besef iets in huis te hebben wat ècht 350 jaar oud is.
__________________________________________________________________________
Dit artikel is een voorbeschouwing van mijn restauratieverslag van het boek van Paul Tannery: Pour l’histoire de la science hellène.

Tannery restauratie-inleiding

Wat moet je anders in deze weken van confinement, bijna absolute opsluiting in huis, waarbij je alleen maar met een speciaal formulier op zak eventjes de deur uit mag om boodschappen te doen of naar de dokter te gaan, op straffe van een subiete boete van €135 voor het niet bij je hebben van dat formulier of om een niet-geldige reden?

Ik verveel me nooit, en vooralsnog denk ik dat goed vol te kunnen houden.

 

Onlangs kreeg ik een verzameling oude wetenschappelijke boeken in handen ter beschrijving en eventuele verkoop. Toen ik daarmee zo goed als klaar was, resteerden er nog drie die in te slechte staat verkeerden om ze te koop aan te bieden. Ik besloot toen een van die exemplaren grondig te gaan restaureren en dat proces hier met een aantal artikelen te begeleiden.

Het gaat om de tweede druk van een werk van de Franse wetenschapper Paul Tannery (1843-1904): Pour l’histoire de la science hellène uit 1930; oorspronkelijke druk 1887. Het boek lag zowat helemaal uit de band, voor- en achterplat lagen los, van rug en rugtekst was hoegenaamd niets meer over, het beloofde portret op het frontispice ontbrak en links en rechts waren er zo nog wel meer beschadigingen. En omdat het werk antiquarisch een bescheiden handelswaarde heeft van hooguit enkele tientjes, vond ik het wel verantwoord mijn boekbindkunde eraan te wijden. Het boek is bovendien in een facsimile-herdruk in 1990 heruitgegeven en het is integraal digitaal gratis beschikbaar.
Ook in bibliofiel opzicht is het weinig uitzonderlijk: de onderhavige editie is geen eerste druk, en daarbovenop tamelijk goedkoop bezorgd, waardoor met name de sobere bindwijze niet bleek opgewassen tegen het volume en gewicht van het werk: 24x17x4 cm en 1010 gram zwaar.
Voordat ik echter die restauratie ga beschrijven, wil ik eerst wat opmerkingen kwijt over oude boeken, hun waarde en hun eventuele restauratie.

Je kunt een boek waarderen om zijn inhoud, los van de staat van het werk; de inhoudelijke waarde. Je kunt een boek waarderen om zijn uiterlijke kwaliteit, zowel van de band als van de vormgeving van het boekblok; de bilbliofiele waarde. Je kunt een boek waarderen om zijn kostbaarheid, evt. verhandelbaarheid; de economische waarde. En vaak is je waardering een combinatie van genoemde waarden.

Om dat te illustreren, wijd ik de komende tijd eerst een drietal artikelen aan andere oude boeken in mijn bezit waaruit blijkt welke afwegingen voor mij de doorslag geven om wel of vaak ook niet tot restauratie te willen overgaan. Klik op de titels voor die betreffende artikelen. Het betreft, van links naar rechts, De Boecken Genaemt Apocryphe uit 1670, Aran en Titvs van Jan Vos uit 1656 en de Institutiones mathematicæ van Eduard Corsini uit 1743.
Daarna kom ik ter zake met de restauratie van bovengenoemd werk van Paul Tannery.

Door het oog van de naald

Het was meer list dan baraet waarmee het ons is gelukt mijn Reinaertlezing van 11 maart in de bibliotheek van Boxmeer doorgang te hebben kunnen laten vinden. Immers, alle activiteiten daar waren die ochtend nog voor onbepaalde tijd opgeschort of geannuleerd, maar door vakkundig gesoebat van de betrokken organisatie maakte de bieb voor deze keer nog eenmaal een uitzondering. Niet meer dan 20 mensen en een meter uit elkaar en daarvoor en daarna maar goed handen wassen (en zeker niet schudden).
Bijkomend voordeel was dat ik mijn verhaal niet hoefde af te raffelen, want de geplande erop volgende activiteit was geschrapt. Dus kon ik wat meer details melden en was er voldoende tijd voor vragen en antwoorden na afloop.

Zoals ik een week daarvoor HIER al had aangekondigd spitste ik het verhaal toe op twee vragen: wanneer en om welke reden werd de Vlaamse Van den vos Reynaerde eigenlijk geschreven, en de vraag hoe het mogelijk is dat dit dierenepos nu al zeker 750 jaar binnen en buiten Vlaanderen en Nederland populair blijft en steeds weer wordt aangepast aan de gevoelens en behoeften van de tijd en het publiek.

Wij weten niet van de hoed en de rand als het gaat over de omstandigheden waaronder Willem zijn Reinaert schreef (ik schrijf zelf steeds Reinaert; anderen prefereren Reynaert of Reynaerde; maakt niet uit). We weten wel dat hij putte uit de 12e-eeuwse Franse Roman de Renart, een compilatie van op zich staande branches, verhalen, die op hun beurt weer bewerkingen zijn van nog veel oudere dierverhalen en fabels. In die zin kun je het vergelijken met de Arabische Vertellingen van 1001-nacht. Dat Willem die Franse bron hanteerde, blijkt overduidelijk uit de inhoud met passages en motieven die ook in de Franse voorloper staan, maar ook uit het feit dat al in regel 8 van zowel het Comburgse als het Dyksche handschrift klip en klaar staat dat deze Dietsche tekst uit de Walsche (=Franse) bron afkomstig is.

Het grote verschil is, dat ‘onze’ Reinaert vele malen scherper, cynischer, satirischer is dan eerdere vossenverhalen, waaruit ik afleid dat er iets moet hebben gespeeld waarmee de tekst de draak steekt, de vloer aanveegt, geëngageerd is. Maar wat en wie precies op de hak wordt genomen blijft vooralsnog een raadsel.

Hebben we het over de tweede vraag dan valt er een en ander in het oog.
Wat Van den vos Reynaerde met Multatuli’s Max Havelaar gemeen heeft, is niet alleen dat deze twee werken tot de absolute top van de Nederlandse literatuur behoren, maar ook dat het juist deze twee zijn, en geen andere voor zover ik weet, die een buitentekstuele uitzaai hebben beleefd. Aan de Max Havelaar hebben wij de Max-Havelaarkoffie overgehouden, welk keurmerk later nog is uitgebreid met de toevoeging FairTrade, waardoor je nu bijvoorbeeld in Nederland Max Havelaar kinderbananen kunt kopen, en ik onlangs in Langres bij de fruitafdeling Max Havelaar bananen zag liggen uit Ivoorkust.

Rond de Reinaert is de buitentekstuele doorwerking nog veelzijdiger: toeristische routes, Reynaertbier, Reynaertgebak en -bonbons (waarvan ik er een stel daags tevoren in Sint-Niklaas was gaan ophalen), standbeelden, glas-in-loodramen, grafische kunst, banken, bomen, horecagelegenheden, winkelcentra, campings, alles met verwijzingen naar het overbekende verhaal, vooral in het Waasland, zeg maar binnen de driehoek Gent-Hulst-Antwerpen.

Blijven we binnen de tekst, dan wil ik de vergelijking maken met een zevensnarige viool of gitaar. Daarop kun je ontelbare en zeer verschillende composities ten gehore brengen door de ‘melodie’, het accent te leggen op een of meer van de andere snaren, of door een of meer snaren juist NIET te bespelen. Zo zal een Roomsch-Katholieke Reinaertbewerking minder antiklerikaal zijn en al helemaal minder erotisch, wat natuurlijk ook speelt in bewerkingen voor kinderen.

De bovenste, rode snaar is de verhaallijn. Die moet altijd aanwezig zijn, in welke bewerking dan ook. Een soort basso continuo, maar dan anders. Van de overige snaren geldt: bespeel precies die snaren waarmee je het publiek het beste kunt bespelen, want ieder tijdperk en ieder publiek krijgt de Reinaert die het verdient; ik kan het niet vaak genoeg zeggen.

In mijn 11-maartlezing maakte ik dat in extremis duidelijk door na de pauze de uitzonderlijke, maar technisch voortreffelijke kleurenanimatiefilm Van den Vos Reynaerde uit 1943 te berde te brengen naar het gelijknamige boek van Robert van Genechten uit 1941 met zijn antisemitische inslag, gepersonifieerd door Jodocus het neushoorndier, en daarna, per saldo niet minder grimmig, de Suske en Wiske De rebelse Reinaert uit 1998 met zijn ondertoon van de kwestie Marc Dutroux. Daarvoor moet je wel goed zijn ingevoerd in de Belgische ministeriële en justitiële perikelen eind jaren-’90, en moet je goed in de gaten hebben dat die strip verscheen nog voor het grote proces-Dutroux plaatsvond (2004), maar nadat hij voor eerdere vergrijpen gevangen had gezeten maar vervroegd was vrijgekomen (1992). Zo nauw luistert het dus bij de datering van een literair werk.

Wat beide Reinaertbewerkingen gemeen hebben, is dat het sterk geëngageerde werken zijn en dat Reinaert op de een of andere manier naar voren komt als de volksheld, de patriot die het gezag tart en schoon schip wil maken met (al dan niet vermeende) misstanden.

Een paar dagen geleden sprak ik hier in de buurt een hoofd der school (die nu dus ook een paar weken verplicht verlof heeft) die me vertelde nog nooit van de Roman de Renart te hebben gehoord. Hij was de eerste Fransman die ik dat hoorde zeggen. Soit.

Voor alle Nederlanders en Vlamingen geldt: laat je de kans niet ontnemen door de Reinaert tot je persoonlijke standaaruitrusting te maken, in welke bewerking dan ook. Boekbewerkingen zijn er genoeg, en als je toch gedwongen thuis zit, struin internet dan maar eens erover af.

 

Reinaertlezing 11 maart

Op woensdag 11 maart houd ik in de bibliotheek van Boxmeer een lezing over Van den vos Reynaerde. Iedereen weet van dat verhaal wel iets, maar niemand weet er alles van. De officiële aankondiging van Biblioplus staat hiernaast afgebeeld.
De verwijzing daarin naar een virusbesmetting dateert van voor de uitbraak van Covid19, en berust dus op louter toeval.

De ware oorzaak van mijn Reinaertvirus ligt uitsluitend in de bevlogen colleges die ik als tweedejaars student in Amsterdam volgde van Frank Lulofs, een van de prominentste Reinaert-onderzoekers. Nadien is mijn grote interesse voor dit literaire werk alleen maar toegenomen. Samen met de Max Havelaar beschouw ik het als het beste wat de Nederlandse literatuur ooit heeft voortgebracht, en dat, in het geval van de Reinaert, al ruim 750 jaar lang.

De kracht van de Reinaert zit hem niet alleen in de literaire kwaliteit, maar ook op het vlak van Middelnederlandse taalkunde, op sociaal, moreel, juridisch en religieus vlak opent hij de ogen. En dat geldt niet alleen voor de ‘oorspronkelijke’ tekst, die we nog niet eens bezitten, maar ook voor de vele honderden bewerkingen die ervan zijn verschenen in binnen- en buitenland tussen medio 13e eeuw en vandaag de dag. Daarin zien we steeds de waardering van de vos zich aanpassen aan de tijdgeest en de geografische en sociale omgeving, zoals Niels Schalley dat in 2018 omschreef: “Schalkse deugniet, charmante losbol, nationalistische volksheld en hypocriet liegebeest. Reinaert is het allemaal (geweest)”. Kortom:

Ieder tijdsgewricht en ieder publiek krijgt de Reinaert die het verdient.

Ik passeer in die lezing met nadruk ook de NSB-animatiefilm uit 1943 en de Suske-en-Wiske strip De rebelse Reinaert (Dutroux!) om wat uitersten in de Reinaertevolutie van de afgelopen eeuw te demonstreren. En om de invloed van de Reinaert buiten de literatuur om te accentueren heb ik het ook nog over het onvolprezen Reinaertbier en kunnen deelnemers zich tegoed doen aan de befaamde Reynaertbonbons.

Bezoekers van de lezing krijgen vooraf de volgende achtergrondinformatie uitgereikt:

Vooraf aanmelden is prettig vanwege de benodigde voorbereidingen, maar niet strikt noodzakelijk. Als het niet te hard regent, ligt de bibliotheek op loopafstand van NS-station Boxmeer. Welkom dus en komt dat horen.

Jargon

Als onverwachte bijvangst bij mijn jarenlange docentschap PR & Voorlichting ben ik mij gaan bezighouden met het onderzoeken en beoordelen van reclame-uitingen, in druk, op radio en op tv. Heel af en toe heb ik daarover al eens een bericht gepubliceerd. Zie bijvoorbeeld:
https://nardloonen.nl/2014/11/13/reclamegekte/

en
https://nardloonen.nl/2017/12/10/de-eczeem-creme-1-van-2/
In die gevallen betrof het voornamelijk incorrect taalgebruik en/of incorrecte informatie. Ik wil het nu even hebben over het tenenkrommende jargon en over de misleidende allusies waaronder advertenties en reclamespotjes ons bedelven.

Voor de zoveelste maal breng ik daarbij in herinnering de elfde stelling uit mijn proefschrift (2003), waarvan de waarheid onverminderd van kracht blijft:

Het volstaat niet commerciële reclame op radio en televisie te kwalificeren als infantilisering van taal en denken. De permanente zweem van misleiding, volstrekt niet ter zake doende associaties tussen het aangeboden product en de setting van de reclame-uiting, het kwetsen van individuele burgers die op uiterlijke of innerlijke kwaliteiten niet voldoen aan de norm die door reclame-uitingen wordt gesuggereerd als standaard en goed, alsmede het gebrek aan juiste en voldoende consumentenvoorlichting die in reclame-uitingen wordt aangetroffen, vragen om verdergaande regelgeving dan de bevoegdheid en werkwijze van de Reclame Code Commissie tot op dit moment.

Ik loop een aantal ‘standaarden’ van het reclamejargon en van reclamebeeldvorming in alfabetische volgorde langs. Compleet is het allerminst, maar mijn insteek is zo ook wel duidelijk, lijkt me. Een vrij willekeurige greep dus uit de vele taal- en beeldinvloeden waarmee de consument wordt verblijd:

BIJTELLING: Een prima manier om de doelgroep van je autoverkopen aanzienlijk in te perken. Is alleen interessant voor zakelijke rijders die hun auto ook deels privé mogen benutten. De genoemde bedragen voor de bijtelling zijn vanaf-prijzen. Ga er maar van uit dat je veel meer zult kwijt zijn, afhankelijk van het aantal privékilometers en de eventuele inkomensafhankelijke heffingskortingen. Het is de zoveelste manipulatie om je de indruk te geven dat je voor weinig geld veel auto krijgt. En ik sluit niet uit dat niet-oplettende kijkers het bijtellingsbedrag lezen als een aanschafbedrag, waarmee de auto wel erg goedkoop wordt en binnen bereik komt.

BUITEN BEREIK:Buiten bereik van kinderen houden“, klinkt het vaak met een zespunts-stemmetje heel vlug en achteraf, vooral bij heftige schoonmaakmiddelen. Terecht natuurlijk; dat staat ook verplicht op de verpakking. Bedoeld effect: u staat op het punt iets te gaan kopen wat zó heftig is en verwoestend, dat uw kind er ernstig last van kan krijgen. En dus is het een prima middel, niet om van uw kinderen af te komen, maar om tevredenstellende resultaten bij de schoonmaak te verkrijgen. Als ik het goed beluister, mag u als volwassene (die het product gaat betalen) zelf het product wèl inslikken.

DUITS: Er was eens een tijd dat men het om begrijpelijke redenen niet commercieel verantwoord achtte Duitstalige spotjes te maken of zelfs maar Duitse producten aan te prijzen. In de laatste decennia komt daarin wat verandering, maar nog steeds wel vaak in aangepaste vorm. Ik noem er drie:
– Versluierend taalgebruik. Jarenlang kregen we in reclame-uitingen en briefpapier niet te weten dat energieleverancier RWE stond voor Rheinisch-Westfälisches Elektrizitätswerk. Dat was niet omdat het bedrijf met zijn bruin- en steenkool zo’n enorme CO2-uitstootvervuiler is, maar eerder omdat weinigen zitten te wachten op Duits gas. Dus gewoon de naam niet voluit noemen (of tot naamsverandering overgaan).
– Nasynchroniseren. Dan koop je nog steeds wel een Duits product, maar je kunt het tenminste niet horen. Zie verder onder NASYNCHRONISEREN.
Vergeet niet dat al sinds 2014 de autoverkoop in Nederland voor bijna 40% uit Duitse auto’s bestond; dat is meer dan het aandeel van Franse en Japanse auto’s samen. In de jaren vóór 2014 was dat nog niet zo. Ook in de witgoedsector (AEG, Siemens, Bosch, Braun, …) hebben Nederlanders wel het nodige vertrouwen.
– Aangepast taalgebruik. Laat een Duitse Opelverkoper ‘gewoon’ Nederlands praten en hem met een soort Prins-Bernhardstemmetje het misplaatste understatement  maken “Duitsers maken geen grappen“. Dan heeft ieder het zijne. Klinkt beter dan “Jedem das Seine”.

GRATIS: Wat je allemaal niet kunt krijgen voor 0 cent: een brochure, een hoortest, 2+1 gratis. Maar gratis geld bestaat niet, dus het komt je duur te staan. Als er al iets gratis is, is dat alleen maar als je eerst of daarbij iets anders koopt en betaalt. Tijdens een reclameblok op NPO2 van 24 november 2019 telde ik zes spotjes waarop iets zogenaamd gratis werd aangeboden. Te vrezen valt dat voor die bedrijven een onafwendbaar faillissement dreigt.

GRIEKS-LATIJN: Omdat adverteerders weten dat het gemiddeld niveau van de kijker op of onder dat van havo ligt, is het gebruik van Grieks en Latijn uiterst effectief. Geen kijkershond weet wat het betekent, maar het klinkt gewichtig, intellectueel, wetenschappelijk en alleen daarom al betrouwbaar. Hydraterend is er zo een; zie aldaar. Echinaforce, van het echinacea-kruid, is er ook zo eentje; die zou dus ook rodezonnehoedkracht kunnen heten, maar dat verkoopt niet.

HAMSTEREN: In de Toelichting  op de BB-brochure “Wenken voor de bescherming van uw gezin en uzelf” uit 1961 staan onder meer de volgende wijze woorden, in aangepaste ambtelijke taal over Uw IJzeren Voorraad, voor het geval de atoombom valt en U met Uw Gezin onder de eettafel bent gekropen tegen de radioactieve straling van een atoombom, of onder de trap een schuilplaats hebt gevonden. Of voor het geval de Russen komen (maar bedenk in die omstandigheid dat zij U zullen vinden en zij Uw IJzeren Voorraad zullen confisceren en consumeren – niet voor niets hebben zij ook al een IJzeren Gordijn opgetrokken, weliswaar gelabeld “Made in West-Germany“, maar dat was om U te misleiden):
Te hopen valt dat AH in komende reclamespotjes over HAMSTEREN!!! dit nog eens goed in ieders oren knoopt. Bedenk daarbij wel dat, de inflatie indachtig, voor gepensioneerden, autobezitters en huurders ƒ 1,00 gelijk staat aan € 1,00, maar wellicht kunt U met Uw bonuskaart daar nog wat op bezuinigen.
Op één punt hadden de Wenken voor eerste hulp gelijk: voorop prijkt het advies:
– blijf kalm
– eerst denken
– dan doen
Neem dat mee als je in de super rondloopt of naar STER-reclames kijkt.

HERHALING: Uitermate irritant en minachtend. Denken ze daargids dat de kijkers in doorsnee dement zijn? Of anderszins vergeetachtig? Of als leerlingen in de klas niet goed hebben zitten opletten? Op mij maakt het hervertoon van een spotje tijdens één reclameblok een indruk van opdringerigheid, van ellebogenwerk, van indoctrinatie, van hijgerigheid. Zolang STER-reclame niet wordt afgeschaft, moet het toch minstens worden verboden tweemaal binnen één blok in beeld te komen.
Op zich is herhaling geen taalvorm, maar wel een stijlfiguur: repetitio; bis repetita manent. Als je maar vaak genoeg iets zegt, wordt het uitindelijk nog geloofd ook. Ene Hermann G. ( † 15 oktober 1946, Nürnberg) kon U daarover van alles duidelijk maken.

HETERO: Het schijnt dat bepaalde soorten producten beter verkocht kunnen worden als er een piemelstijvend heterosausje overheen wordt gespoten. Niet alleen bij hippe drankjes, waarbij je nogal gauw op de versiertoer kunt gaan, maar opmerkelijk genoeg ook bij automobielreclames. Het komt mij voor dat die combinatie de bestuurder/-ster afleidt van de primaire rijtaak: geen ongelukken maken op weg van A naar B.

Dat seksistische gedoe op tv begon al jaren geleden met een spotje voor de Renault Mégane, waar zelfs op de Nederlandse tv de aandacht werd gevestigd op Le Derrière, alsof de uitlaatzijde van een Mégane een vrouwenkont symboliseert.
Intussen is nu mijn grootste irritatie een spotje waarbij pa heeft afgerekend bij het Esso-tankstation en dan in zijn auto zijn (?) dochter op de achterbank zit met naast haar een bloedmooi jongetje met donkere zonnebril op. Pa is nog verbaasd en verschrikt ook. Maar aan het einde van de spot zien we het jeugdige dartele stel in een disco. Esso dus. Pomp dat er maar in. Zie voor nadere toelichting en filmbeelden mijn ESSO-woede. De irritatie over deze reclamespot berust op mistens drie gronden:
A) De associatie die wordt gewekt (zie bovenaan dit artikel) is volstrekt misplaatst; er bestaat geen logisch verband tussen autobrandstof en een liefdesaffaire tussen jongeren.
B) De vraag is of er in het filmpje sprake is van ontoelaatbare en/of ongewenste kinderarbeid.
C) Het rolbevestigende karakter van de STER-spot is kwetsend. Een tankstation is geen legitiem podium voor hetero-educatie van de jeugd.

Turkish Airlines kan er ook wat van. Nog los van het feit dat hun reclamecampagne van eind 2019 is nagesynchroniseerd (zie onder NASYNCHRONISEREN) wekt de spot de indruk dat Turkije alleen uit aantrekkelijke dames bestaat waar ook verwachtingsvolle dames op af vliegen. Dat lijken ze te hebben gejat van de Israelische VVV die in de periode daarvoor Europese mannen poogde te verleiden naar Israel te gaan omdat dat vol zit met gastvrije vrouwspersonen. Alsof het puur mannen zijn die de vakantiebestemming bepalen en de reis betalen, alsof zij hunkeren naar een weekje te worden ondergedompeld in feminiene weelderigheid, alsof het er niet toe doet welk Verweggistan je bezoekt, als het maar een Lustoord van Lekkere Wijven is. Let vooral ook op de tafeltjes op de achtergrond, waar mannen hun uiterste best doen hun(?) vrouwen richting Turkije te bewegen.

HYDRATEREND: Klinkt indrukwekkend, “een kwart hydraterend“. Kan iemand mij uitleggen wat het betekent? En of een kwart hydraterend beter of slechter is dan een half of een achtste hydraterend? Het gebruik van Griekse of Latijnse (pseudo-)medische terminologie verkt overrompelend op tv-kijkers die nooit verder dan het havo zijn gekomen.

KAN: Weer een mooi staaltje valse argumentatieleer: “Als [situatie x], dan KUNT u [product y] gebruiken“; “Veel mensen hebben last van [aandoening x]”, of: “Heeft u ook zo vaak [onprettig gevoel x]? Daarbij KAN [product y] verlichting bieden. De reclamemaker dekt zich juridisch in, maar de kijker weet zich zo goed als verzekerd van het vast wel hebben van aandoening/onprettig gevoel x (“gezien op tv!“) en meent dus dat het aangeboden product absoluut noodzakelijk is. De onbewezen generalisatie “veel mensen” appelleert aan het onjuiste “iedereen, dus ook jij“. Het “kan” impliceert in feite dat het ook niet kan, maar de klant is al op weg naar de drogist.

KLEINE LETTERTJES: Tal van reclamemakers bij de STER nemen het begrip “kleine lettertjes” wel èrg letterlijk. In een piepklein tweepuntslettertje worden onderaan, liefst tegen een slecht contrasterende achtergrond, gedurende zoiets als 1½ seconde de al dan niet wettelijk verplichte meldingen en nare voorwaarden geprojecteerd die geen normaal mens tot zich kan nemen. Dat is in de gedrukte pers ook wel zo, maar daar heb je tenminste nog de mogelijkheid er 1½ uur en met behulp van een loep naar te turen.

Ik geef twee voorbeelden:

Dit soort consumentenvoorlichting wekt de schijn dat de verkoopbelusten er allerminst om zitten te springen de waarheid onder de aandacht van de consumenten te brengen. Het lijkt me een taak van de Reclame Code Commissie. Volgens de Nederlandse Reclame Code mag immers een reclame het publiek niet misleiden en daar rieken die minuscule kleine lettertjes in hun onleesbare flitsprojectie wel naar. Zie https://www.reclamecode.nl/nrc/ voor de geldende regeling in Nederland.

KORTING: Als alles (tijdelijk) zoveel goedkoper kan zijn, duidt dat ofwel op een uitloopproduct, of een industrieel wanproduct, of ons is altijd te veel berekend voor dat product. Doordat er nu opeens korting wordt verstrekt, weten de klanten dat zij tot dan toe altijd te veel hebben betaald.

LACHEN: Lachen onder het douchen. Lachen onder het koken. Lachen onder het stofzuigen. Lachen bij verminderd urineverlies. Lachen bij het nemen van voedingssupplementen of vitaminepreparaten. Lachen in de achtbaan. Lachen als Prof.Dr.Ir. Tado je een nieuwe gadget wil aansmeren. Een lachende Sunwebvader die aan de Turkse Rivièra zijn wel zeer minderjarige dochter aanreikt. En ik herinner me nog die bulderend lachende bestuurder van een Fiat Panda; nieuw is het allemaal niet. Wat leven we toch in een gelukkig, ofschoon belachelijk land.

Reclametechnisch zit er wat achter: wie lacht, is vriendelijk gestemd. Als jij met iemand in contact komt die lacht, kun je goede bedoelingen verwachten. Als dat lachebekje jou iets aanprijst, zal dat dus wel au quai (=okay) zijn. Dus maar lachen voor de camera, en daarna dubbel lachen om de verdiensten.
Lachen is non-verbale communicatie en dus ook reclamejargon.

LEUGEN: Echte, regelrechte leugens kom je in de reclame niet veel tegen. Die zouden tot processen en andere narigheid leiden. Maar suggesties, allusies, het verzwijgen van belangrijke informatie, bepaalde associaties en dergelijke zitten er niet ver vandaan als het gaat om consumentbeïnvloeding. Enfin, lees bovenaan dit bericht de elfde stelling er nog maar eens op na, alsmede alles wat daaronder staat.

MAAR: Het omgekeerde van TOT WEL (zie aldaar). Je verwacht een veel hoger bedrag en nu word je blij verrast met een weggevertje. Synoniem: SLECHTS.

Maar pas op! NOG MAAR spoort aan tot overhaaste beslissingen. Zo reserveerden wij via het Amerikaanse booking.com ooit eens een kamer in het Belgische Fort Lillo. We moesten er gauw bij zijn, want de site meldde: “Nog maar 1 kamer beschikbaar“. Wij schrikken; alle verdiepingen volzet op één ongetwijfeld klein kamertje na met zicht op het buitenhangende wasgoed van de achterburen en een gedeelde douche op een andere verdieping. Eenmaal daar aangekomen bleek het etablissement welgeteld over één kamer te beschikken. Het bleek een kamer met eigen sanitair en met exclusief gebruik van de aangrenzende grote salon. Booking.com had dus net niet gelogen, maar dat nog maar suggereert iets heel anders.

MISLEIDING: zie LEUGEN 

NASYNCHRONISEREN: Er bestaat een onderzoek uit 2018 van de STER dat aantoont dat Nederlanders in overgrote meerderheid nagesynchroniseerde reclamespots weinig betrouwbaar vinden. Of het nu gaat om stinkende wasmachines, verwarmingstoestellen (“Eerst was er vuur…“, Tado-spotje), vrouwen in blijde verwachting van een vakantie in Turkije, of gezondheidspillen als het Noorse Vitæpro. Ik vermoed dat dat heeft te maken met de Nederlandse traditie om films nooit na te synchroniseren, maar te ondertitelen, terwijl Duitsers en Fransen juist vinden dat ondertitels de aandacht van het beeld afleiden. En ik vraag me af of dit betrouwbaarheidsverlies niet groter is dan de besparing bij de productie van dat soort spotjes. Ik vind ze in ieder geval niet om aan te horen.

NOG MAAR: zie MAAR

NU VOOR: zie KORTING

OOIT: Specsavers heeft enkele malen per jaar “de beste aanbieding ooit“. De Bankgiroloterij spreekt van “de grootste prijzenpot ooit“.
Niet vermeld is wat ooit betekent: is dat “vanaf het begin van onze jaartelling tot nu“, of “vanaf nu tot in het alutre“? Of beide?
Versluierend en hoe dan ook: niet waar. Maar als klant mag je dit dus niet missen…

OUVERTURE FACILE: Op veel in overvloedig plastic verpakte artikelen in Franse supermarkten prijkt in een hoekje de behulpzame mededeling “ouverture facile“. Het is niet alleen VARA’s Kassa dat ooit eens een panel van consumentenexperts losliet op een aantal verpakte artikelen die zij vervolgens niet binnen 2 minuten open kregen. Als je dus een dergelijke mededeling ziet, dan weet je al hoe laat het is: dat krijg je met geen onmogelijkheid open (zonder hamer en sikkel, mes en schaar). Er zit een smerige gedachtengang achter deze hoekmededeling: mocht het onverhoopt zo zijn dat je de verpakking niet geopend krijgt, dan ligt dat dus aan jou, kluns-consument. Ze hadden je er nog zo voor gewaarschuwd dat het makkelijk is!

RIJM:Het is weer zover bij Expert”. Of: “Ga nu dus snel naar huppeldepup punt nl”. Niveau van de tegeltjes die op de wc bij taalminvermogenden hangen. “MoneYou. Geen gedoe”. Tot op de wc blijven dit soort ondermaatse rijmelarijen door het hoofd gieren.

SCHREEUWEN: Vroeger dachten we dat als een Turk je slecht verstaat, je gewoon veel harder en in ‘aangepast’ taalgebruik moet gaan praten, totdat Koot en Bie dat in 1984 doorprikten. Zie  HIER

Mijn ervaring is steeds een andere geweest: als iemand het spreekgeluid harder zet, is de inhoud van de boodschap zelf kennelijk niet hard genoeg. Hoog volume maskeert de lage inhoud, in de hoop dat klanten er toch maar intrappen. Doet zich vooral voor bij tv-reclame voor loterijen en brillen (vreemd genoeg niet voor hoortoestellen); hoor bijvoorbeeld René Froger voor Aj Luf of Hadewych Minis voor Kruidvat en Social Deal.
Ik schijn niet te enige te zijn die zich eraan ergert. Voor mij was het afdoende reden nooit meer een Kruidvatwinkel binnen te gaan. En nu mevrouw Minis is afgedaald tot Social Deal, kan ik haar adviseren nog iets verder door te zakken naar Omroep Max. Dan heeft ze ook qua ambiance het absolute dieptepunt wel bereikt.

SLECHTS: zie MAAR

SNEL: Er zijn twee reclameargumenten om het koopmoment niet uit te stellen. De eerste is dat je na enige tijd de reclame bent/hebt vergeten en weer met iets anders bezig bent. De tweede is dat van het aangeprezen artikel of de lopende actie niet lang meer kan worden geprofiteerd. “Waarom niet nu?“, om maar per direct een cruise te boeken, hoewel je daar eigenlijk nog helemaal geen zin in had. Misschien wel nooit, maar dan hoor je er dus kennelijk niet bij. Het hele jaar door moeten we ons bezighouden met een vakantietrip in een volgend seizoen. Vroegboekings, heet dat dan in verminkt Nederlands. Daar moet je dus snel bij zijn, vanwege de oncontroleerbare korting.

SOCIO: Dat reclamemakers hun woordkeus aanpassen aan de doelgroep is begrijpelijk. De sociolinguïstiek weet daarover veel te melden. Maar een bijkomend niet onbelangrijk aspect is de woordklank. Nu is fonetiek binnen de taalwetenschap en zeker het taalonderwijs al heel lang een ondergeschoven kindje; reden waarom ik daarvoor graag meer aandacht vraag.

Het zit hem niet voornamelijk in de klinkers, zoals Maarten van Rossem beweert; hij ergert zich terecht aan verschijnselen als Gezond en lekker eten zonder te kauwken zoals in de spot van Uitgekauwkt.nl. Maar meer nog zit het in de medeklinkers, met op plek 1 de Gooise-[r] en de (overigens prachtige) Marokkaanse [z], die ik maar niet kan nadoen. En daarnaast is er de spreekstijl die past bij de doelgroep. Naast het VVD-stemmetje van wijlen Peer Mascini -al ontgaat mij het directe verband tussen de VVD en zuivelproducten- hebben we een hypercorrecte ABN-spreekstem bij Seniorservice.nl en bij sommige bedelspotjes voor zielige ezels, negers, ondervoede kinderen en circusolifanten. Ook het would-be rappen bij ASR-spotjes irriteert mateloos. Het is als Sybrand Niessen die bij de Max Pubquiz volkomen clownesk uit de toon valt. En dan hebben we ook nog “Univé – suppohtu van NOS Studio Spojt“. Ik dacht dat het alleen John Bercow was gegeven de [r] niet uit te spreken…

SUCCES:Wegens succes verlengd“. Dat is nog maar de vraag. Scroll maar even verder naar VERLENGD.

TIJDELIJK: Als een actie tijdelijk is, is mijn spontane reactie: wacht dus maar tot die voorbij is, want daarna komt er een die nog aantrekkelijker is. Natuurlijk kan het ook zijn dat ze van uitloopmodellen of winkeldochters af willen of van exemplaren waarvan de tht-datum op het randje is, en die daarom zo snel mogelijk willen dumpen. Kocht ooit eens een verpakking met tubes lijm, mede omdat er een kortingbon op zat van € 3,00 via internet te verzilveren. Maar die actie was al maanden verlopen…
Alles in het leven is tijdelijk, maar in de reclame is het een uitnodiging tot snel handelen en kopen en betalen. Zie ook onder OOIT.

TOT WEL:Tot” bij kortingen slaat op het bedrag dat je dus nooit zult verwerven; lees de kleine lettertjes en andere voorwaarden er maar op na. De toevoeging “wel” moet je ervan overtuigen dat dat bedrag welhaast boven verwachting en onwaarschijnlijk is. En dat is het dan ook.

VANAF: De smalle beurs wordt verwend met nog net betaalbaar lijkende lokkertjes. Die ergerlijke vanafprijzen zijn utopieën. Denk niet dat je voor dat bedrag je gedroomde aankoop verwerft. “Lees de voorwaarden“, denk aan de kleine lettertjes. Ben je eenmaal in de winkel voor die verbluffend lage vanafprijs, dan word je vanzelf een paar treden hoger geleid en ga je eraan voor iets waarvoor je aanvankelijk stichtelijk zou hebben bedankt.
Mijn eis: producenten vermelden geen vanafprijzen meer, maar uitsluitend prijzen “van … tot …“. Dan kun je je eigen marge en budget beheren.

VERLENGD: Het omgekeerde van TIJDELIJK. Wordt vaak gebruikt in verband met bepaalde acties en theatervoorstellingen e.d. Natuurlijk kan het zijn dat de productie zo goed loopt en overtekend is, dat het voor de producent aantrekkelijk is er nog een seizoen aan vast te knopen. Maar het tegenovergestelde kan ook het geval zijn: de belangstelling viel zó tegen, dat het verlengen van de uitvoeringperiode economisch interessanter is dan ermee stoppen en het verlies nemen. Maar hoe het ook zij: het aankondigen van een verlenging wordt gebracht als een bewijs van kwaliteit. Of je er dus nou eindelijk maar eens naar toe wilt gaan…

VOORKÓMEN: Uw wasmachine stinkt. Eigen schuld. Had je maar eerder Calgon (of welk ander middel dan ook) moeten gebruiken. Maar deze mededeling is wat frustrerend, want kennelijk is het al te laat. Dan hoef je er dus ook geen expert/monteur in witte jas bij te laten komen, want die verhelpt de kwaal ook niet. Intussen is er, langs de lijnen van de argumentatieleer, een misleidende link gelegd: “als je wasmachine stinkt, moet je Calgon gaan gebruiken“. Dat is dus niet waar. In zulk geval kun je er beter een liter chloor in gooien à € 0,59 (zonder voorrijkosten). En ook Calgon helpt niet tegen die “tot wel een halve kilo” opgehoopt vuil. Om dat te voorkomen moet je de machine met enige regelmaat aftappen en het zeefje reinigen. Kost niks, alleen een beetje tijd en misschien vuile handen.
En luister goed: er is geen sprake van verhelpen (dus na afloop), maar van voorkómen (wat dus al te laat is). Zinloze commercial dus.

WEL: zie TOT WEL.

WETENSCHAPPELIJK: Om een spotje de allure te geven van een wetenschappelijk aangetoond waarheidsgehalte trekt die (overigens sowieso uiterst onaantrekkelijke en irritante) Duitse Tado-meneer een witte jas aan. Wat heeft die witte jas in Gottes Namen met een modieus verwarmingsgadget te maken? Iets dergelijks geldt ook de monteur die het domme blondje komt uitleggen dat haar wasmachine stinkt doordat ze geen Calgon heeft gebruikt. Een witte jas is geen garantie voor reine waarheid, laat staan voor wetenschappelijke waarde.

WIELEN: De onuitwisbare modegril van de autoreclame: het voorbijrijdende model heeft achteruitdraaiende wielen.

IK WIL GEEN ACHTERUITDRAAIENDE WIELEN, ik wil vooruitdraaiende wielen, mocht ik nog eens een auto kopen; anders kom ik nooit waar ik wezen wil. Kia grossiert erin, maar ook Seat en andere merken lijden aan het waanidee dat achteruitgang een vooruitgang is. Wie logisch nadenkt, begrijpt bovendien dat achteruitdraaiende wielen niks, maar dan ook absoluut niks zeggen over de kwaliteit van de betreffende auto, en puntje bij paaltje ook niks over de uitstraling van dat model.
Vooruit met die wielen.

ZONDER: Vreemd. Consumenten willen weten wat er in zit, en sinds enige tijd krijg je prominent te lezen wat er NIET in zit. Zonder suiker. Zero sugar. Zonder conserveermiddelen. Met 25% minder zout. Glutenvrij. Loodvrij. Vetarm. Zonder pit. Zonder palmolie. Alcoholvrij. Zonder toegevoegde kleurstoffen…
En wat is nou het leukste: al die eetwaren met ZONDER erin, blijken vaak duurder te zijn dan die met MET. Is dat gezonder?

Andere 36 voorbeelden komen misschien nog wel een andere keer. Eerst even bijkomen.