Corsini Institutiones

In 1743 publiceerde Eduardo (of Odoardo) Corsini een zesdelige reeks Institutiones Philosophicæ ac Mathematicæ, waarvan ik het zesde deel in handen kreeg. Uitgegeven in Venetië en geheel in het Latijn gesteld. Aan dit exemplaar zitten nogal wat bijzonderheden vast, die ik eerst maar zal bespreken voor het over de staat van het boek en eventuele restauratie te gaan hebben.

 

Het schutblad voorin is al ‘opgesierd’ met enkele inscripties: enkele nummers die vermoedelijk verwijzen naar een bibliotheeksignatuur en ter verduidelijking een ‘samenvatting van de inhoud’, handgeschreven door een voormalige eigenaar van het boek: Sextus Tomus Complectitur Cognitionem Geometricam, oftewel: Deel zes bevattende de kennis der meetkunde.
Dat blijkt ook overduidelijk uit de acht prachtige, uitvouwbare bladen achterin met geometrische figuren, zowel van de vlakke meetkunde als van de stereometrie.

Op de bladspiegel van de titelpagina zien we links, in hetzelfde handschrift als op de pagina ervoor, een interessante mededeling: Fr. Barnabas Cronfeld acquisivit a N.V.P. Andrea ab esse A° 1760, d.w.z.: Fr[ater] Barnabas Cronfeld verwierf [dit boek] van N.V.P. Andrea in het jaar 1760.
Dat roept meteen drie vragen op:
1. Wie is Barnabas Cronfeld?
2. Wie is de genoemde Andrea?
3. Wat betekent N.V.P.?

Een vierde vraag volgt uit het stempeltje rechts onder op het titelblad, waarvoor we beter even kunnen omslaan. Dan zien we bijgaande tekst.
Nu is Hongaars, met Fins en Ests, lid van een taalgroep die ik allerminst beheers, maar ik zag wel dat het Hongaars moest wezen. Omdat zelfs Google mij niet kon helpen, ging ik te rade bij de Nationale Staatsbibliotheek in Boedapest, zeg maar de Hongaarse KB.
Zes dagen later kreeg ik uitvoerig antwoord waaruit in elke geval bleek dat de Népkönyvtári Központ (“Volks Boekencentrale“) niet echt een bibliotheek was, maar een opslagplaats voor boekwerken waarin zich van 1954-2000 boeken bevonden die afkomstig waren uit “the private collections of noble families and other collections (e.g. ecclesiastic)“.
Népkönyvtári Központtol, zoals de stempel vermeldt, betekent: “[Eigendom] van de Volksboekencentrale”, want het Hongaars kent geen voorzetsels zoals wij, maar gebruikt daarvoor affixen die achter het bijbehorende woord worden geplakt.

Het staat er niet met zoveel woorden, maar het moet hier gaan om onteigend bezit van rijke families en kerkelijke instanties die na de oprichting van de communistische Volksrepubliek Hongarije in 1945 hun bezittingen genaast zagen. In de loop der jaren werden die boeken verdeeld over diverse staatsbibliotheken in het land en wat ze niet op die manier kwijt konden, ging naar antiquariaten die het kregen of opkochten. Zo zal dit zesde deel van Corsini wel bij een tweedehands boekwinkel in Boedapest terecht zijn gekomen en daar door een van mijn familieleden zijn aangeschaft.

Maar dan vraag 1, 2 en 3.
1. Goed dat we internet hebben, al lost dat niet alle vragen op.
Barnabas Cronfeld (ook wel Kronfeld geschreven) was een Franciscaner monnik, geboren in Tirol in 1730 die in een klooster in Boeda[pest] terecht kwam en van daaruit als leraar zuidwaarts trok, tot zeker 300 km onder Boedapest, waar hij les gaf in de Franciscaner kloosterschool van Vukovar (Kroatië); vermoedelijk ook nog in het iets noordelijker gelegen Sombor, in het huidige Servië. Uiteindelijk stierf hij op 13 september 1788 in een nabijgelegen Franciscaner klooster in Mohács, Hongarije. Alle genoemde plaatsen liggen aan de Donau, dus hij kon het per boot af.
Ik houd het maar kort, want per slot van rekening gaat dit artikel over Corsini, of liever gezegd, over een boek van Corsini. Maar Cronfelds omzwervingen zeggen wel iets over de Centraal-Europese geschiedenis en geografische verhoudingen van de 18e eeuw, en neem ik aan dat het boek na de Tweede Wereldoorlog vanuit Mohács in communistische staatshanden te Boedapest terecht is gekomen. Ik zal nog een apart artikel aan hem wijden als ik meer informatie heb weten te vergaren.

2. Over Andrea kan ik kort zijn. Ik weet het (nog) niet. Vermoedelijk een collega-monnik/priester die hij in een van de kloosters ontmoette en hem het boek verkocht of na zijn dood naliet. Ik hoop ook over hem, net als over Cronfeld, op termijn meer te weten te komen.

3. De toevoeging N.V.P. kan daarover wellicht meer vertellen, maar ook dat is voor mij vooralsnog een duistere melding. Ik kom niet verder dan iets als “Nostro Venerissimo Pater” (“Onze eerwaarde vader“), maar ik zuig dat uit mijn duim.

Aan degene die mij aan een verantwoorde verklaring van
deze afkorting N.V.P. kan helpen, verleen ik 300 dagen
aflaat (met aftrek van voorarrest).
Ook is een hint welkom als ik niet
goed heb gekeken,
en er niet N.V.P. staat, maar iets anders.

Komen we dan eindelijk toe aan het boekje zelf.
Eerst aan de inhoudelijke kant. Wat mij als bèta frappeert is dat het de gehele (Euclidische) vlakke meetkunde en de stereometrie behandelt, zoals die mij voortreffelijk is onderwezen van klas Gym-I (Pater Minderop!) tot en met klas Gym-VIß (Toon Pels!). Dat alles in lange, Latijnse volzinnen en met heldere afbeeldingen achterin op acht uitvouwbare bladen. Boeiend en getuigend van hoge kwaliteit. Maar wat moeten die Venetiaanse Wiskundestudenten (12-18 jaar?) er wel niet voor over hebben gehad, allereerst door vloeiend Latijn te moeten kunnen lezen, en dan ook nog eens zich door ellenlange zinnen te moeten worstelen.
Ik citeer maar even de allereerste zin van het voorbericht aan de Geometris Adolescentibus, de Wiskundejeugd. Daar lezen we:

Geometris adolescentibus.
Etsi pro rei dignitate, sive recepto jam more plura de Mathematicæ facultatis origine, partibus, præstantia, ac methodo qua vel a ceteris pertracta, vel adornata a me fuerit, paullo inferius præfari decreverim, juverit tamen aliqua vel obiter hic admonere, ut clarior vobis, atque facilior aditus, Geometræ Adolescentes, ad hæc elementa aperiatur, atque ut alacrius etiam ad hoc amplissimæ, præstantissimæque disciplinæ studium vester animus incendatur.

Het lukt mij niet eens daarvan een verantwoorde Nederlandse vertaling te geven, en Google Translate komt helaas niet verder dan deze schamele poging:

Geometris jongeren. Hoewel ik beschouw het als speciale waardigheid van, of is ontvangen, het is meer een aantal van de wiskunde van de faculteit naar de oorsprong, de partijen, is het opvallend veel, en de wijze waarop en uit de andere het voor uw goed is, of opgewerkt van mij, dan, een beetje later bij wijze van inleiding heb ik besloten om juverit echter dat sommige of door de manier waarop, is hier om ons eraan te herinneren, toen het ook je geworden, en gemakkelijker te krijgen, voor wiskundigen en de jonge, de elementen kunnen worden geopend om deze dingen te doen, en dat hij zou met de meer enthousiasme, zelfs voor deze meest eerzame mensen, en excellentie zal toenemen tot de studie van de discipline wordt in brand gestoken.

Fi donc! Daar schieten we dus niks mee op, maar of het Venetiaanse pubers werkelijk in studiezin heeft doen ontvlammen, kan ik niet bevestigen.


Wie mij aan een verantwoorde Nederlandse vertaling van die zin kan helpen, dingt mee naar een enkele reis naar de top van de Olympus, samen met Floortje en Erica-op-reis
.

Voortreffelijk boek, ondanks alles. En voortreffelijk onderwijs moet het zijn geweest zo rond 1743 in Noordoost Italië en omstreken.
Dan de buitenkant van het boek en de toestand waarin het zich althans bevindt.
Het is in feite een goedkoop uitgevoerd schoolboekje. Leerlingen zaten niet te wachten op onbetaalbare luxe edities, in perkament gebonden en in meerkleurendruk uitgevoerde boekbanden. Vergelijk het liever met eenvoudige pocketjes, Aula’s, Livres de Poche, met een slappe kartonnen omslag die met twee touwen aan het boekblok zijn bevestigd en waarvan de katernen, uiteraard handgeschept papier, maar zonder zichtbaar watermerk, met vier dunne steken aan elkaar zijn genaaid. De binding is desondanks nog steeds acceptabel, soms een beetje wijkend, maar dat is onvoldoende reden om het geheel uit elkaar te helen en opnieuw te binden. Houtwormen hadden er, begrijpelijk, geen trek in: slechts twee minuscule gaatjes aan de rand van het voorplat zijn er te ontwaren. Voor een zo simpel uitgevoerd pocketje ziet het er nog na ruim 275 jaar en een omzwerving van Venetië, via Vukovar naar Boedapest, vandaar naar Eindhoven, Boxmeer en Rosoy-sur-Amance nog opvallend fris en aantrekkelijk uit.
Van de oorspronkelijke Venetiaanse oplage is mij niets bekend, maar gezien het feit dat het op internet nauwelijks te koop wordt aangeboden, en er voor de complete reeks van zes delen grif tussen de € 600 en € 1.200 wordt gevraagd, gaat het intussen om een zeldzaam boekwerkje, dat bij verkoop van alleen deel 6 zeker ruim € 100 moet opbrengen. Naast een bibliografisch oninteressante herdruk uit 2012 (ISBN 978-1273773822) zul je er maar met moeite aan kunnen komen.

Mijn besluit: niets aan restaureren, het gewoon laten in de staat waarin het zich bevindt met alle interessante inscripties van dien. Iets om te koesteren.

__________________________________________________________________________
Dit artikel is een voorbeschouwing van mijn restauratieverslag van het boek van Paul Tannery: Pour l’histoire de la science hellène.

Aran en Titvs

In oktober 1987 verwierf ik het tot nu toe oudste werk in mijn collectie boeken: Aran en Titvs, of Wraak en Weerwraak, een treurspel uit 1641 van de Amsterdamse dichter Jan Vos. Voor een luttele ƒ 11,= kocht ik daarvan de vijfde druk uit 1656. In het kader van de bespreking van boekrestauraties zijn de verschillen met de eerder besproken Apocryphe Boecken enorm, al is de uiteindelijke conclusie precies dezelfde: afblijven!

 

Jan Vos (1610-1667) was een glazenier, glazenmaker, ruitenzetter, die zich ontpopte als kunstig dichter van gedichten en toneelstukken. Hij wist zich in 1647 op te werken tot regent van de Amsterdamse Stadsschouwburg, de toenmalige Schouwburg van Van Campen. Anders dan veel van zijn tijd- en vakgenoten las hij geen Latijn of Grieks, alleen Nederlands. Ook wijzigde hij zijn naam niet in Vossius (de Vossius die wij kennen is Gerard Vossius), zoals Van Baerle zich Barlæus ging noemen. Die Barlæus was overigens volstrekt idolaat van Jan Vos’ “hooghdravend Treurspel“, net zoals Hooft, Vondel en Huygens er lyrisch over waren.
Van Baerle noteerde in zijn fraaie hexametrische lofdicht op Aran en Titvs:

Siet hier de kunst op ’t hooghst,//de Schouburgh op zijn top,
Het Treurspel op zijn wreedst,//de wraeklust vol van krop.
Noyt daverd het aloud//tooneel met meer gespooks,
Noyt sachmen by de Griek//meer bloedgespat noch rooks.

en verderop:

Die noyt gezeten heeft//aen Grieks of Roomsche disch,
[dus: die geen Latijn of Grieks kent]
Wijst nu de weerelt aen,//wat dat een Treurspel is.

Inderdaad was Aran en Titvs, gebaseerd op Shakespeares Titus Adronicus, een spektakelstuk zonder weerga, wat de regisseur en toneelmedewerkers tot uiterste inspanningen moet hebben gedreven.
Niet voor niets was de lijfspreuk van Jan Vos: Het zien gaat voor het zeggen. Onze hedendaagse reclamewereld kan daarvan meepraten, evenals etalages in het algemeen.
Voor wie hiedoor is geboeid, is er onder meer een Volkskrantartikel uit 1997. En verder is er natuurlijk internet.
Wie nog in het bezit is van het vierdelige Handboek der geschiedenis der Nederlandse Letterkunde, het standaardwerk van Knuvelder, leze in deel 2, blz. 273-278 (vierde druk) de uitvoerige bespreking van Jan Vos onder het motto “van dik hout zaagt men planken“. Ook de behandeling van Vos’ werken door Anton van Duinkerken in zijn Het tweede plan ut 1945 is alleszins lezenswaardig.

Ik geloof dat ik een beetje afdrijf van het eigenlijke onderwerp van dit artikel: de boekuitgave en de eventuele restauratie. Maar Jan Vos boeit mij meer dan Vondel, Hooft en Huygens bij elkaar.
Het is bevreemdend dat ik maar ƒ 11,= hoefde neer te tellen voor dit boekje. Wie op internet rondzoekt, treft al jarenlang bijna nergens een originele 17e-eeuwse uitgave van Aran en Titvs aan, waardoor het mij voorkomt dat mijn exemplaar tot de zeldzaamheden behoort, althans in de antiquarische handel; bibliotheken hebben er wel nogal wat drukken van liggen. Misschien had de verkoper in 1987 niet genoeg verstand van zaken. Ook prima.
Voeg daarbij dat de tekst, ook in facsimile-uitgave gratis op internet is te raadplegen, en dat in 1975 W.J.C. Buitendijk het lijvige standaardwerk publiceerde Jan Vos : toneelwerken (Van Gorcum, Assen/Amsterdam), Van Gorcum’s literaire bibliotheek nr.28. Wie dat boek leest, weet alles over Jan Vos’ toneelproductie, ook zonder een origneel ter hand te nemen. Maar dan blijft het toch een bibliofiele uitgave.
Die lage prijs schrijf ik ook toe aan een direct waarneembaar feit: het boekblok is weliswaar authentiek uit 1656, maar het is nog niet zo heel lang geleden opnieuw ingebonden. Dat is vakkundig, professioneel gedaan, met blauw beplakte platten voor en achter, een (pseudo-)perkamenten rug en verstevigingshoekjes en nieuwe schutbladen, toegevoegd aan de oorspronkelijke schutbladen. Dat impliceert enerzijds dat het boek dus niet meer een origineel exemplaar is, en dientengevolge in marktwaarde daalt, maar ook dat het er nu gelikt uitziet en tegen een stootje kan. Een boekje dat nog geen 200 gram weegt en zo strak in de band met kneep zit, gaat honderden jaren mee. Het betekent dat er ook werkelijk niks aan te restaureren of te verbeteren valt – ik laat het dus in de voorliggende staat.
Anders dan bij De Apocryphe Boecken het geval is, waar voor mij de inhoud ondergeschikt was aan de bibliofiele waarde en de ouderdom, wordt voor mij de waarde van deze Aran en Titvs in hoofdzaak bepaald door de inhoud, de tekst waarvan ik zo kan genieten. De degelijke uitvoering ervan na restauratie is voor mij slechts toegevoegde waarde.

__________________________________________________________________________
Dit artikel is een voorbeschouwing van mijn restauratieverslag van het boek van Paul Tannery: Pour l’histoire de la science hellène.

Tannery restauratie-inleiding

Wat moet je anders in deze weken van confinement, bijna absolute opsluiting in huis, waarbij je alleen maar met een speciaal formulier op zak eventjes de deur uit mag om boodschappen te doen of naar de dokter te gaan, op straffe van een subiete boete van €135 voor het niet bij je hebben van dat formulier of om een niet-geldige reden?

Ik verveel me nooit, en vooralsnog denk ik dat goed vol te kunnen houden.

 

Onlangs kreeg ik een verzameling oude wetenschappelijke boeken in handen ter beschrijving en eventuele verkoop. Toen ik daarmee zo goed als klaar was, resteerden er nog drie die in te slechte staat verkeerden om ze te koop aan te bieden. Ik besloot toen een van die exemplaren grondig te gaan restaureren en dat proces hier met een aantal artikelen te begeleiden.

Het gaat om de tweede druk van een werk van de Franse wetenschapper Paul Tannery (1843-1904): Pour l’histoire de la science hellène uit 1930; oorspronkelijke druk 1887. Het boek lag zowat helemaal uit de band, voor- en achterplat lagen los, van rug en rugtekst was hoegenaamd niets meer over, het beloofde portret op het frontispice ontbrak en links en rechts waren er zo nog wel meer beschadigingen. En omdat het werk antiquarisch een bescheiden handelswaarde heeft van hooguit enkele tientjes, vond ik het wel verantwoord mijn boekbindkunde eraan te wijden. Het boek is bovendien in een facsimile-herdruk in 1990 heruitgegeven en het is integraal digitaal gratis beschikbaar.
Ook in bibliofiel opzicht is het weinig uitzonderlijk: de onderhavige editie is geen eerste druk, en daarbovenop tamelijk goedkoop bezorgd, waardoor met name de sobere bindwijze niet bleek opgewassen tegen het volume en gewicht van het werk: 24x17x4 cm en 1010 gram zwaar.
Voordat ik echter die restauratie ga beschrijven, wil ik eerst wat opmerkingen kwijt over oude boeken, hun waarde en hun eventuele restauratie.

Je kunt een boek waarderen om zijn inhoud, los van de staat van het werk; de inhoudelijke waarde. Je kunt een boek waarderen om zijn uiterlijke kwaliteit, zowel van de band als van de vormgeving van het boekblok; de bilbliofiele waarde. Je kunt een boek waarderen om zijn kostbaarheid, evt. verhandelbaarheid; de economische waarde. En vaak is je waardering een combinatie van genoemde waarden.

Om dat te illustreren, wijd ik de komende tijd eerst een drietal artikelen aan andere oude boeken in mijn bezit waaruit blijkt welke afwegingen voor mij de doorslag geven om wel of vaak ook niet tot restauratie te willen overgaan. Klik op de titels voor die betreffende artikelen. Het betreft, van links naar rechts, De Boecken Genaemt Apocryphe uit 1670, Aran en Titvs van Jan Vos uit 1656 en de Institutiones mathematicæ van Eduard Corsini uit 1743.
Daarna kom ik ter zake met bovengenoemd werk van Paul Tannery.

Door het oog van de naald

Het was meer list dan baraet waarmee het ons is gelukt mijn Reinaertlezing van 11 maart in de bibliotheek van Boxmeer doorgang te hebben kunnen laten vinden. Immers, alle activiteiten daar waren die ochtend nog voor onbepaalde tijd opgeschort of geannuleerd, maar door vakkundig gesoebat van de betrokken organisatie maakte de bieb voor deze keer nog eenmaal een uitzondering. Niet meer dan 20 mensen en een meter uit elkaar en daarvoor en daarna maar goed handen wassen (en zeker niet schudden).
Bijkomend voordeel was dat ik mijn verhaal niet hoefde af te raffelen, want de geplande erop volgende activiteit was geschrapt. Dus kon ik wat meer details melden en was er voldoende tijd voor vragen en antwoorden na afloop.

Zoals ik een week daarvoor HIER al had aangekondigd spitste ik het verhaal toe op twee vragen: wanneer en om welke reden werd de Vlaamse Van den vos Reynaerde eigenlijk geschreven, en de vraag hoe het mogelijk is dat dit dierenepos nu al zeker 750 jaar binnen en buiten Vlaanderen en Nederland populair blijft en steeds weer wordt aangepast aan de gevoelens en behoeften van de tijd en het publiek.

Wij weten niet van de hoed en de rand als het gaat over de omstandigheden waaronder Willem zijn Reinaert schreef (ik schrijf zelf steeds Reinaert; anderen prefereren Reynaert of Reynaerde; maakt niet uit). We weten wel dat hij putte uit de 12e-eeuwse Franse Roman de Renart, een compilatie van op zich staande branches, verhalen, die op hun beurt weer bewerkingen zijn van nog veel oudere dierverhalen en fabels. In die zin kun je het vergelijken met de Arabische Vertellingen van 1001-nacht. Dat Willem die Franse bron hanteerde, blijkt overduidelijk uit de inhoud met passages en motieven die ook in de Franse voorloper staan, maar ook uit het feit dat al in regel 8 van zowel het Comburgse als het Dyksche handschrift klip en klaar staat dat deze Dietsche tekst uit de Walsche (=Franse) bron afkomstig is.

Het grote verschil is, dat ‘onze’ Reinaert vele malen scherper, cynischer, satirischer is dan eerdere vossenverhalen, waaruit ik afleid dat er iets moet hebben gespeeld waarmee de tekst de draak steekt, de vloer aanveegt, geëngageerd is. Maar wat en wie precies op de hak wordt genomen blijft vooralsnog een raadsel.

Hebben we het over de tweede vraag dan valt er een en ander in het oog.
Wat Van den vos Reynaerde met Multatuli’s Max Havelaar gemeen heeft, is niet alleen dat deze twee werken tot de absolute top van de Nederlandse literatuur behoren, maar ook dat het juist deze twee zijn, en geen andere voor zover ik weet, die een buitentekstuele uitzaai hebben beleefd. Aan de Max Havelaar hebben wij de Max-Havelaarkoffie overgehouden, welk keurmerk later nog is uitgebreid met de toevoeging FairTrade, waardoor je nu bijvoorbeeld in Nederland Max Havelaar kinderbananen kunt kopen, en ik onlangs in Langres bij de fruitafdeling Max Havelaar bananen zag liggen uit Ivoorkust.

Rond de Reinaert is de buitentekstuele doorwerking nog veelzijdiger: toeristische routes, Reynaertbier, Reynaertgebak en -bonbons (waarvan ik er een stel daags tevoren in Sint-Niklaas was gaan ophalen), standbeelden, glas-in-loodramen, grafische kunst, banken, bomen, horecagelegenheden, winkelcentra, campings, alles met verwijzingen naar het overbekende verhaal, vooral in het Waasland, zeg maar binnen de driehoek Gent-Hulst-Antwerpen.

Blijven we binnen de tekst, dan wil ik de vergelijking maken met een zevensnarige viool of gitaar. Daarop kun je ontelbare en zeer verschillende composities ten gehore brengen door de ‘melodie’, het accent te leggen op een of meer van de andere snaren, of door een of meer snaren juist NIET te bespelen. Zo zal een Roomsch-Katholieke Reinaertbewerking minder antiklerikaal zijn en al helemaal minder erotisch, wat natuurlijk ook speelt in bewerkingen voor kinderen.

De bovenste, rode snaar is de verhaallijn. Die moet altijd aanwezig zijn, in welke bewerking dan ook. Een soort basso continuo, maar dan anders. Van de overige snaren geldt: bespeel precies die snaren waarmee je het publiek het beste kunt bespelen, want ieder tijdperk en ieder publiek krijgt de Reinaert die het verdient; ik kan het niet vaak genoeg zeggen.

In mijn 11-maartlezing maakte ik dat in extremis duidelijk door na de pauze de uitzonderlijke, maar technisch voortreffelijke kleurenanimatiefilm Van den Vos Reynaerde uit 1943 te berde te brengen naar het gelijknamige boek van Robert van Genechten uit 1941 met zijn antisemitische inslag, gepersonifieerd door Jodocus het neushoorndier, en daarna, per saldo niet minder grimmig, de Suske en Wiske De rebelse Reinaert uit 1998 met zijn ondertoon van de kwestie Marc Dutroux. Daarvoor moet je wel goed zijn ingevoerd in de Belgische ministeriële en justitiële perikelen eind jaren-’90, en moet je goed in de gaten hebben dat die strip verscheen nog voor het grote proces-Dutroux plaatsvond (2004), maar nadat hij voor eerdere vergrijpen gevangen had gezeten maar vervroegd was vrijgekomen (1992). Zo nauw luistert het dus bij de datering van een literair werk.

Wat beide Reinaertbewerkingen gemeen hebben, is dat het sterk geëngageerde werken zijn en dat Reinaert op de een of andere manier naar voren komt als de volksheld, de patriot die het gezag tart en schoon schip wil maken met (al dan niet vermeende) misstanden.

Een paar dagen geleden sprak ik hier in de buurt een hoofd der school (die nu dus ook een paar weken verplicht verlof heeft) die me vertelde nog nooit van de Roman de Renart te hebben gehoord. Hij was de eerste Fransman die ik dat hoorde zeggen. Soit.

Voor alle Nederlanders en Vlamingen geldt: laat je de kans niet ontnemen door de Reinaert tot je persoonlijke standaaruitrusting te maken, in welke bewerking dan ook. Boekbewerkingen zijn er genoeg, en als je toch gedwongen thuis zit, struin internet dan maar eens erover af.

 

Reinaertlezing 11 maart

Op woensdag 11 maart houd ik in de bibliotheek van Boxmeer een lezing over Van den vos Reynaerde. Iedereen weet van dat verhaal wel iets, maar niemand weet er alles van. De officiële aankondiging van Biblioplus staat hiernaast afgebeeld.
De verwijzing daarin naar een virusbesmetting dateert van voor de uitbraak van Covid19, en berust dus op louter toeval.

De ware oorzaak van mijn Reinaertvirus ligt uitsluitend in de bevlogen colleges die ik als tweedejaars student in Amsterdam volgde van Frank Lulofs, een van de prominentste Reinaert-onderzoekers. Nadien is mijn grote interesse voor dit literaire werk alleen maar toegenomen. Samen met de Max Havelaar beschouw ik het als het beste wat de Nederlandse literatuur ooit heeft voortgebracht, en dat, in het geval van de Reinaert, al ruim 750 jaar lang.

De kracht van de Reinaert zit hem niet alleen in de literaire kwaliteit, maar ook op het vlak van Middelnederlandse taalkunde, op sociaal, moreel, juridisch en religieus vlak opent hij de ogen. En dat geldt niet alleen voor de ‘oorspronkelijke’ tekst, die we nog niet eens bezitten, maar ook voor de vele honderden bewerkingen die ervan zijn verschenen in binnen- en buitenland tussen medio 13e eeuw en vandaag de dag. Daarin zien we steeds de waardering van de vos zich aanpassen aan de tijdgeest en de geografische en sociale omgeving, zoals Niels Schalley dat in 2018 omschreef: “Schalkse deugniet, charmante losbol, nationalistische volksheld en hypocriet liegebeest. Reinaert is het allemaal (geweest)”. Kortom:

Ieder tijdsgewricht en ieder publiek krijgt de Reinaert die het verdient.

Ik passeer in die lezing met nadruk ook de NSB-animatiefilm uit 1943 en de Suske-en-Wiske strip De rebelse Reinaert (Dutroux!) om wat uitersten in de Reinaertevolutie van de afgelopen eeuw te demonstreren. En om de invloed van de Reinaert buiten de literatuur om te accentueren heb ik het ook nog over het onvolprezen Reinaertbier en kunnen deelnemers zich tegoed doen aan de befaamde Reynaertbonbons.

Bezoekers van de lezing krijgen vooraf de volgende achtergrondinformatie uitgereikt:

Vooraf aanmelden is prettig vanwege de benodigde voorbereidingen, maar niet strikt noodzakelijk. Als het niet te hard regent, ligt de bibliotheek op loopafstand van NS-station Boxmeer. Welkom dus en komt dat horen.

Jargon

Als onverwachte bijvangst bij mijn jarenlange docentschap PR & Voorlichting ben ik mij gaan bezighouden met het onderzoeken en beoordelen van reclame-uitingen, in druk, op radio en op tv. Heel af en toe heb ik daarover al eens een bericht gepubliceerd. Zie bijvoorbeeld:
https://nardloonen.nl/2014/11/13/reclamegekte/

en
https://nardloonen.nl/2017/12/10/de-eczeem-creme-1-van-2/
In die gevallen betrof het voornamelijk incorrect taalgebruik en/of incorrecte informatie. Ik wil het nu even hebben over het tenenkrommende jargon en over de misleidende allusies waaronder advertenties en reclamespotjes ons bedelven.

Voor de zoveelste maal breng ik daarbij in herinnering de elfde stelling uit mijn proefschrift (2003), waarvan de waarheid onverminderd van kracht blijft:

Het volstaat niet commerciële reclame op radio en televisie te kwalificeren als infantilisering van taal en denken. De permanente zweem van misleiding, volstrekt niet ter zake doende associaties tussen het aangeboden product en de setting van de reclame-uiting, het kwetsen van individuele burgers die op uiterlijke of innerlijke kwaliteiten niet voldoen aan de norm die door reclame-uitingen wordt gesuggereerd als standaard en goed, alsmede het gebrek aan juiste en voldoende consumentenvoorlichting die in reclame-uitingen wordt aangetroffen, vragen om verdergaande regelgeving dan de bevoegdheid en werkwijze van de Reclame Code Commissie tot op dit moment.

Ik loop een aantal ‘standaarden’ van het reclamejargon en van reclamebeeldvorming in alfabetische volgorde langs. Compleet is het allerminst, maar mijn insteek is zo ook wel duidelijk, lijkt me. Een vrij willekeurige greep dus uit de vele taal- en beeldinvloeden waarmee de consument wordt verblijd:

BIJTELLING: Een prima manier om de doelgroep van je autoverkopen aanzienlijk in te perken. Is alleen interessant voor zakelijke rijders die hun auto ook deels privé mogen benutten. De genoemde bedragen voor de bijtelling zijn vanaf-prijzen. Ga er maar van uit dat je veel meer zult kwijt zijn, afhankelijk van het aantal privékilometers en de eventuele inkomensafhankelijke heffingskortingen. Het is de zoveelste manipulatie om je de indruk te geven dat je voor weinig geld veel auto krijgt. En ik sluit niet uit dat niet-oplettende kijkers het bijtellingsbedrag lezen als een aanschafbedrag, waarmee de auto wel erg goedkoop wordt en binnen bereik komt.

BUITEN BEREIK:Buiten bereik van kinderen houden“, klinkt het vaak met een zespunts-stemmetje heel vlug en achteraf, vooral bij heftige schoonmaakmiddelen. Terecht natuurlijk; dat staat ook verplicht op de verpakking. Bedoeld effect: u staat op het punt iets te gaan kopen wat zó heftig is en verwoestend, dat uw kind er ernstig last van kan krijgen. En dus is het een prima middel, niet om van uw kinderen af te komen, maar om tevredenstellende resultaten bij de schoonmaak te verkrijgen. Als ik het goed beluister, mag u als volwassene (die het product gaat betalen) zelf het product wèl inslikken.

DUITS: Er was eens een tijd dat men het om begrijpelijke redenen niet commercieel verantwoord achtte Duitstalige spotjes te maken of zelfs maar Duitse producten aan te prijzen. In de laatste decennia komt daarin wat verandering, maar nog steeds wel vaak in aangepaste vorm. Ik noem er drie:
– Versluierend taalgebruik. Jarenlang kregen we in reclame-uitingen en briefpapier niet te weten dat energieleverancier RDW stond voor Rheinisch-Westfälisches Elektrizitätswerk. Dat was niet omdat het bedrijf met zijn bruin- en steenkool zo’n enorme CO2-uitstootvervuiler is, maar eerder omdat weinigen zitten te wachten op Duits gas. Dus gewoon de naam niet voluit noemen (of tot naamsverandering overgaan).
– Nasynchroniseren. Dan koop je nog steeds wel een Duits product, maar je kunt het tenminste niet horen. Zie verder onder NASYNCHRONISEREN.
Vergeet niet dat al sinds 2014 de autoverkoop in Nederland voor bijna 40% uit Duitse auto’s bestond; dat is meer dan het aandeel van Franse en Japanse auto’s samen. In de jaren vóór 2014 was dat nog niet zo. Ook in de witgoedsector (AEG, Siemens, Bosch, Braun, …) hebben Nederlanders wel het nodige vertrouwen.
– Aangepast taalgebruik. Laat een Duitse Opelverkoper ‘gewoon’ Nederlands praten en hem met een soort Prins-Bernhardstemmetje het misplaatste understatement  maken “Duitsers maken geen grappen“. Dan heeft ieder het zijne. Klinkt beter dan “Jedem das Seine”.

GRATIS: Wat je allemaal niet kunt krijgen voor 0 cent: een brochure, een hoortest, 2+1 gratis. Maar gratis geld bestaat niet, dus het komt je duur te staan. Als er al iets gratis is, is dat alleen maar als je eerst of daarbij iets anders koopt en betaalt. Tijdens een reclameblok op NPO2 van 24 november 2019 telde ik zes spotjes waarop iets zogenaamd gratis werd aangeboden. Te vrezen valt dat voor die bedrijven een onafwendbaar faillissement dreigt.

GRIEKS-LATIJN: Omdat adverteerders weten dat het gemiddeld niveau van de kijker op of onder dat van havo ligt, is het gebruik van Grieks en Latijn uiterst effectief. Geen kijkershond weet wat het betekent, maar het klinkt gewichtig, intellectueel, wetenschappelijk en alleen daarom al betrouwbaar. Hydraterend is er zo een; zie aldaar. Echinaforce, van het echinacea-kruid, is er ook zo eentje; die zou dus ook rodezonnehoedkracht kunnen heten, maar dat verkoopt niet.

HAMSTEREN: In de Toelichting  op de BB-brochure “Wenken voor de bescherming van uw gezin en uzelf” uit 1961 staan onder meer de volgende wijze woorden, in aangepaste ambtelijke taal over Uw IJzeren Voorraad, voor het geval de atoombom valt en U met Uw Gezin onder de eettafel bent gekropen tegen de radioactieve straling van een atoombom, of onder de trap een schuilplaats hebt gevonden. Of voor het geval de Russen komen (maar bedenk in die omstandigheid dat zij U zullen vinden en zij Uw IJzeren Voorraad zullen confisceren en consumeren – niet voor niets hebben zij ook al een IJzeren Gordijn opgetrokken, weliswaar gelabeld “Made in West-Germany“, maar dat was om U te misleiden):
Te hopen valt dat AH in komende reclamespotjes over HAMSTEREN!!! dit nog eens goed in ieders oren knoopt. Bedenk daarbij wel dat, de inflatie indachtig, voor gepensioneerden, autobezitters en huurders ƒ 1,00 gelijk staat aan € 1,00, maar wellicht kunt U met Uw bonuskaart daar nog wat op bezuinigen.
Op één punt hadden de Wenken voor eerste hulp gelijk: voorop prijkt het advies:
– blijf kalm
– eerst denken
– dan doen
Neem dat mee als je in de super rondloopt of naar STER-reclames kijkt.

HERHALING: Uitermate irritant en minachtend. Denken ze daargids dat de kijkers in doorsnee dement zijn? Of anderszins vergeetachtig? Of als leerlingen in de klas niet goed hebben zitten opletten? Op mij maakt het hervertoon van een spotje tijdens één reclameblok een indruk van opdringerigheid, van ellebogenwerk, van indoctrinatie, van hijgerigheid. Zolang STER-reclame niet wordt afgeschaft, moet het toch minstens worden verboden tweemaal binnen één blok in beeld te komen.
Op zich is herhaling geen taalvorm, maar wel een stijlfiguur: repetitio; bis repetita manent. Als je maar vaak genoeg iets zegt, wordt het uitindelijk nog geloofd ook. Ene Hermann G. ( † 15 oktober 1946, Nürnberg) kon U daarover van alles duidelijk maken.

HETERO: Het schijnt dat bepaalde soorten producten beter verkocht kunnen worden als er een piemelstijvend heterosausje overheen wordt gespoten. Niet alleen bij hippe drankjes, waarbij je nogal gauw op de versiertoer kunt gaan, maar opmerkelijk genoeg ook bij automobielreclames. Het komt mij voor dat die combinatie de bestuurder/-ster afleidt van de primaire rijtaak: geen ongelukken maken op weg van A naar B.

Dat seksistische gedoe op tv begon al jaren geleden met een spotje voor de Renault Mégane, waar zelfs op de Nederlandse tv de aandacht werd gevestigd op Le Derrière, alsof de uitlaatzijde van een Mégane een vrouwenkont symboliseert.
Intussen is nu mijn grootste irritatie een spotje waarbij pa heeft afgerekend bij het Esso-tankstation en dan in zijn auto zijn (?) dochter op de achterbank zit met naast haar een bloedmooi jongetje met donkere zonnebril op. Pa is nog verbaasd en verschrikt ook. Maar aan het einde van de spot zien we het jeugdige dartele stel in een disco. Esso dus. Pomp dat er maar in. Zie voor nadere toelichting en filmbeelden mijn ESSO-woede. De irritatie over deze reclamespot berust op mistens drie gronden:
A) De associatie die wordt gewekt (zie bovenaan dit artikel) is volstrekt misplaatst; er bestaat geen logisch verband tussen autobrandstof en een liefdesaffaire tussen jongeren.
B) De vraag is of er in het filmpje sprake is van ontoelaatbare en/of ongewenste kinderarbeid.
C) Het rolbevestigende karakter van de STER-spot is kwetsend. Een tankstation is geen legitiem podium voor hetero-educatie van de jeugd.

Turkish Airlines kan er ook wat van. Nog los van het feit dat hun reclamecampagne van eind 2019 is nagesynchroniseerd (zie onder NASYNCHRONISEREN) wekt de spot de indruk dat Turkije alleen uit aantrekkelijke dames bestaat waar ook verwachtingsvolle dames op af vliegen. Dat lijken ze te hebben gejat van de Israelische VVV die in de periode daarvoor Europese mannen poogde te verleiden naar Israel te gaan omdat dat vol zit met gastvrije vrouwspersonen. Alsof het puur mannen zijn die de vakantiebestemming bepalen en de reis betalen, alsof zij hunkeren naar een weekje te worden ondergedompeld in feminiene weelderigheid, alsof het er niet toe doet welk Verweggistan je bezoekt, als het maar een Lustoord van Lekkere Wijven is. Let vooral ook op de tafeltjes op de achtergrond, waar mannen hun uiterste best doen hun(?) vrouwen richting Turkije te bewegen.

HYDRATEREND: Klinkt indrukwekkend, “een kwart hydraterend“. Kan iemand mij uitleggen wat het betekent? En of een kwart hydraterend beter of slechter is dan een half of een achtste hydraterend? Het gebruik van Griekse of Latijnse (pseudo-)medische terminologie verkt overrompelend op tv-kijkers die nooit verder dan het havo zijn gekomen.

KAN: Weer een mooi staaltje valse argumentatieleer: “Als [situatie x], dan KUNT u [product y] gebruiken“; “Veel mensen hebben last van [aandoening x]”, of: “Heeft u ook zo vaak [onprettig gevoel x]? Daarbij KAN [product y] verlichting bieden. De reclamemaker dekt zich juridisch in, maar de kijker weet zich zo goed als verzekerd van het vast wel hebben van aandoening/onprettig gevoel x (“gezien op tv!“) en meent dus dat het aangeboden product absoluut noodzakelijk is. De onbewezen generalisatie “veel mensen” appelleert aan het onjuiste “iedereen, dus ook jij“. Het “kan” impliceert in feite dat het ook niet kan, maar de klant is al op weg naar de drogist.

KLEINE LETTERTJES: Tal van reclamemakers bij de STER nemen het begrip “kleine lettertjes” wel èrg letterlijk. In een piepklein tweepuntslettertje worden onderaan, liefst tegen een slecht contrasterende achtergrond, gedurende zoiets als 1½ seconde de al dan niet wettelijk verplichte meldingen en nare voorwaarden geprojecteerd die geen normaal mens tot zich kan nemen. Dat is in de gedrukte pers ook wel zo, maar daar heb je tenminste nog de mogelijkheid er 1½ uur en met behulp van een loep naar te turen.

Ik geef twee voorbeelden:

Dit soort consumentenvoorlichting wekt de schijn dat de verkoopbelusten er allerminst om zitten te springen de waarheid onder de aandacht van de consumenten te brengen. Het lijkt me een taak van de Reclame Code Commissie. Volgens de Nederlandse Reclame Code mag immers een reclame het publiek niet misleiden en daar rieken die minuscule kleine lettertjes in hun onleesbare flitsprojectie wel naar. Zie https://www.reclamecode.nl/nrc/ voor de geldende regeling in Nederland.

KORTING: Als alles (tijdelijk) zoveel goedkoper kan zijn, duidt dat ofwel op een uitloopproduct, of een industrieel wanproduct, of ons is altijd te veel berekend voor dat product. Doordat er nu opeens korting wordt verstrekt, weten de klanten dat zij tot dan toe altijd te veel hebben betaald.

LACHEN: Lachen onder het douchen. Lachen onder het koken. Lachen onder het stofzuigen. Lachen bij verminderd urineverlies. Lachen bij het nemen van voedingssupplementen of vitaminepreparaten. Lachen in de achtbaan. Lachen als Prof.Dr.Ir. Tado je een nieuwe gadget wil aansmeren. Een lachende Sunwebvader die aan de Turkse Rivièra zijn wel zeer minderjarige dochter aanreikt. En ik herinner me nog die bulderend lachende bestuurder van een Fiat Panda; nieuw is het allemaal niet. Wat leven we toch in een gelukkig, ofschoon belachelijk land.

Reclametechnisch zit er wat achter: wie lacht, is vriendelijk gestemd. Als jij met iemand in contact komt die lacht, kun je goede bedoelingen verwachten. Als dat lachebekje jou iets aanprijst, zal dat dus wel au quai (=okay) zijn. Dus maar lachen voor de camera, en daarna dubbel lachen om de verdiensten.
Lachen is non-verbale communicatie en dus ook reclamejargon.

LEUGEN: Echte, regelrechte leugens kom je in de reclame niet veel tegen. Die zouden tot processen en andere narigheid leiden. Maar suggesties, allusies, het verzwijgen van belangrijke informatie, bepaalde associaties en dergelijke zitten er niet ver vandaan als het gaat om consumentbeïnvloeding. Enfin, lees bovenaan dit bericht de elfde stelling er nog maar eens op na, alsmede alles wat daaronder staat.

MAAR: Het omgekeerde van TOT WEL (zie aldaar). Je verwacht een veel hoger bedrag en nu word je blij verrast met een weggevertje. Synoniem: SLECHTS.

Maar pas op! NOG MAAR spoort aan tot overhaaste beslissingen. Zo reserveerden wij via het Amerikaanse booking.com ooit eens een kamer in het Belgische Fort Lillo. We moesten er gauw bij zijn, want de site meldde: “Nog maar 1 kamer beschikbaar“. Wij schrikken; alle verdiepingen volzet op één ongetwijfeld klein kamertje na met zicht op het buitenhangende wasgoed van de achterburen en een gedeelde douche op een andere verdieping. Eenmaal daar aangekomen bleek het etablissement welgeteld over één kamer te beschikken. Het bleek een kamer met eigen sanitair en met exclusief gebruik van de aangrenzende grote salon. Booking.com had dus net niet gelogen, maar dat nog maar suggereert iets heel anders.

MISLEIDING: zie LEUGEN 

NASYNCHRONISEREN: Er bestaat een onderzoek uit 2018 van de STER dat aantoont dat Nederlanders in overgrote meerderheid nagesynchroniseerde reclamespots weinig betrouwbaar vinden. Of het nu gaat om stinkende wasmachines, verwarmingstoestellen (“Eerst was er vuur…“, Tado-spotje), vrouwen in blijde verwachting van een vakantie inTurkije, of gezondheidspillen als het Noorse Vitæpro. Ik vermoed dat dat heeft te maken met de Nederlandse traditie om films nooit na te synchroniseren, maar te ondertitelen, terwijl Duitsers en Fransen juist vinden dat ondertitels de aandacht van het beeld afleiden. En ik vraag me af of dit betrouwbaarheidsverlies niet groter is dan de besparing bij de productie van dat soort spotjes. Ik vind ze in ieder geval niet om aan te horen.

NOG MAAR: zie MAAR

NU VOOR: zie KORTING

OOIT: Specsavers heeft enkele malen per jaar “de beste aanbieding ooit“. De Bankgiroloterij spreekt van “de grootste prijzenpot ooit“.
Niet vermeld is wat ooit betekent: is dat “vanaf het begin van onze jaartelling tot nu“, of “vanaf nu tot in het alutre“? Of beide?
Versluierend en hoe dan ook: niet waar. Maar als klant mag je dit dus niet missen…

OUVERTURE FACILE: Op veel in overvloedig plastic verpakte artikelen in Franse supermarkten prijkt in een hoekje de behulpzame mededeling “ouverture facile“. Het is niet alleen VARA’s Kassa dat ooit eens een panel van consumentenexperts losliet op een aantal verpakte artikelen die zij vervolgens niet binnen 2 minuten open kregen. Als je dus een dergelijke mededeling ziet, dan weet je al hoe laat het is: dat krijg je met geen onmogelijkheid open (zonder hamer en sikkel, mes en schaar). Er zit een smerige gedachtengang achter deze hoekmededeling: mocht het onverhoopt zo zijn dat je de verpakking niet geopend krijgt, dan ligt dat dus aan jou, kluns-consument. Ze hadden je er nog zo voor gewaarschuwd dat het makkelijk is!

RIJM:Het is weer zover bij Expert”. Of: “Ga nu dus snel naar huppeldepup punt nl”. Niveau van de tegeltjes die op de wc bij taalminvermogenden hangen. “MoneYou. Geen gedoe”. Tot op de wc blijven dit soort ondermaatse rijmelarijen door het hoofd gieren.

SCHREEUWEN: Vroeger dachten we dat als een Turk je slecht verstaat, je gewoon veel harder en in ‘aangepast’ taalgebruik moet gaan praten, totdat Koot en Bie dat in 1984 doorprikten. Zie  HIER

Mijn ervaring is steeds een andere geweest: als iemand het spreekgeluid harder zet, is de inhoud van de boodschap zelf kennelijk niet hard genoeg. Hoog volume maskeert de lage inhoud, in de hoop dat klanten er toch maar intrappen. Doet zich vooral voor bij tv-reclame voor loterijen en brillen (vreemd genoeg niet voor hoortoestellen); hoor bijvoorbeeld René Froger voor Aj Luf of Hadewych Minis voor Kruidvat en Social Deal.
Ik schijn niet te enige te zijn die zich eraan ergert. Voor mij was het afdoende reden nooit meer een Kruidvatwinkel binnen te gaan. En nu mevrouw Minis is afgedaald tot Social Deal, kan ik haar adviseren nog iets verder door te zakken naar Omroep Max. Dan heeft ze ook qua ambiance het absolute dieptepunt wel bereikt.

SLECHTS: zie MAAR

SNEL: Er zijn twee reclameargumenten om het koopmoment niet uit te stellen. De eerste is dat je na enige tijd de reclame bent/hebt vergeten en weer met iets anders bezig bent. De tweede is dat van het aangeprezen artikel of de lopende actie niet lang meer kan worden geprofiteerd. “Waarom niet nu?“, om maar per direct een cruise te boeken, hoewel je daar eigenlijk nog helemaal geen zin in had. Misschien wel nooit, maar dan hoor je er dus kennelijk niet bij. Het hele jaar door moeten we ons bezighouden met een vakantietrip in een volgend seizoen. Vroegboekings, heet dat dan in verminkt Nederlands. Daar moet je dus snel bij zijn, vanwege de oncontroleerbare korting.

SOCIO: Dat reclamemakers hun woordkeus aanpassen aan de doelgroep is begrijpelijk. De sociolinguïstiek weet daarover veel te melden. Maar een bijkomend niet onbelangrijk aspect is de woordklank. Nu is fonetiek binnen de taalwetenschap en zeker het taalonderwijs al heel lang een ondergeschoven kindje; reden waarom ik daarvoor graag meer aandacht vraag.

Het zit hem niet voornamelijk in de klinkers, zoals Maarten van Rossem beweert; hij ergert zich terecht aan verschijnselen als Gezond en lekker eten zonder te kauwken zoals in de spot van Uitgekauwkt.nl. Maar meer nog zit het in de medeklinkers, met op plek 1 de Gooise-[r] en de (overigens prachtige) Marokkaanse [z], die ik maar niet kan nadoen. En daarnaast is er de spreekstijl die past bij de doelgroep. Naast het VVD-stemmetje van wijlen Peer Mascini -al ontgaat mij het directe verband tussen de VVD en zuivelproducten- hebben we een hypercorrecte ABN-spreekstem bij Seniorservice.nl en bij sommige bedelspotjes voor zielige ezels, negers, ondervoede kinderen en circusolifanten. Ook het would-be rappen bij ASR-spotjes irriteert mateloos. Het is als Sybrand Niessen die bij de Max Pubquiz volkomen clownesk uit de toon valt. En dan hebben we ook nog “Univé – suppohtu van NOS Studio Spojt“. Ik dacht dat het alleen John Bercow was gegeven de [r] niet uit te spreken…

SUCCES:Wegens succes verlengd“. Dat is nog maar de vraag. Scroll maar even verder naar VERLENGD.

TIJDELIJK: Als een actie tijdelijk is, is mijn spontane reactie: wacht dus maar tot die voorbij is, want daarna komt er een die nog aantrekkelijker is. Natuurlijk kan het ook zijn dat ze van uitloopmodellen of winkeldochters af willen of van exemplaren waarvan de tht-datum op het randje is, en die daarom zo snel mogelijk willen dumpen. Kocht ooit eens een verpakking met tubes lijm, mede omdat er een kortingbon op zat van € 3,00 via internet te verzilveren. Maar die actie was al maanden verlopen…
Alles in het leven is tijdelijk, maar in de reclame is het een uitnodiging tot snel handelen en kopen en betalen. Zie ook onder OOIT.

TOT WEL:Tot” bij kortingen slaat op het bedrag dat je dus nooit zult verwerven; lees de kleine lettertjes en andere voorwaarden er maar op na. De toevoeging “wel” moet je ervan overtuigen dat dat bedrag welhaast boven verwachting en onwaarschijnlijk is. En dat is het dan ook.

VANAF: De smalle beurs wordt verwend met nog net betaalbaar lijkende lokkertjes. Die ergerlijke vanafprijzen zijn utopieën. Denk niet dat je voor dat bedrag je gedroomde aankoop verwerft. “Lees de voorwaarden“, denk aan de kleine lettertjes. Ben je eenmaal in de winkel voor die verbluffend lage vanafprijs, dan word je vanzelf een paar treden hoger geleid en ga je eraan voor iets waarvoor je aanvankelijk stichtelijk zou hebben bedankt.
Mijn eis: producenten vermelden geen vanafprijzen meer, maar uitsluitend prijzen “van … tot …“. Dan kun je je eigen marge en budget beheren.

VERLENGD: Het omgekeerde van TIJDELIJK. Wordt vaak gebruikt in verband met bepaalde acties en theatervoorstellingen e.d. Natuurlijk kan het zijn dat de productie zo goed loopt en overtekend is, dat het voor de producent aantrekkelijk is er nog een seizoen aan vast te knopen. Maar het tegenovergestelde kan ook het geval zijn: de belangstelling viel zó tegen, dat het verlengen van de uitvoeringperiode economisch interessanter is dan ermee stoppen en het verlies nemen. Maar hoe het ook zij: het aankondigen van een verlenging wordt gebracht als een bewijs van kwaliteit. Of je er dus nou eindelijk maar eens naar toe wilt gaan…

VOORKÓMEN: Uw wasmachine stinkt. Eigen schuld. Had je maar eerder Calgon (of welk ander middel dan ook) moeten gebruiken. Maar deze mededeling is wat frustrerend, want kennelijk is het al te laat. Dan hoef je er dus ook geen expert/monteur in witte jas bij te laten komen, want die verhelpt de kwaal ook niet. Intussen is er, langs de lijnen van de argumentatieleer, een misleidende link gelegd: “als je wasmachine stinkt, moet je Calgon gaan gebruiken“. Dat is dus niet waar. In zulk geval kun je er beter een liter chloor in gooien à € 0,59 (zonder voorrijkosten). En ook Calgon helpt niet tegen die “tot wel een halve kilo” opgehoopt vuil. Om dat te voorkomen moet je de machine met enige regelmaat aftappen en het zeefje reinigen. Kost niks, alleen een beetje tijd en misschien vuile handen.
En luister goed: er is geen sprake van verhelpen (dus na afloop), maar van voorkómen (wat dus al te laat is). Zinloze commercial dus.

WEL: zie TOT WEL.

WETENSCHAPPELIJK: Om een spotje de allure te geven van een wetenschappelijk aangetoond waarheidsgehalte trekt die (overigens sowieso uiterst onaantrekkelijke en irritante) Duitse Tado-meneer een witte jas aan. Wat heeft die witte jas in Gottes Namen met een modieus verwarmingsgadget te maken? Iets dergelijks geldt ook de monteur die het domme blondje komt uitleggen dat haar wasmachine stinkt doordat ze geen Calgon heeft gebruikt. Een witte jas is geen garantie voor reine waarheid, laat staan voor wetenschappelijke waarde.

WIELEN: De onuitwisbare modegril van de autoreclame: het voorbijrijdende model heeft achteruitdraaiende wielen.

IK WIL GEEN ACHTERUITDRAAIENDE WIELEN, ik wil vooruitdraaiende wielen, mocht ik nog eens een auto kopen; anders kom ik nooit waar ik wezen wil. Kia grossiert erin, maar ook Seat en andere merken lijden aan het waanidee dat achteruitgang een vooruitgang is. Wie logisch nadenkt, begrijpt bovendien dat achteruitdraaiende wielen niks, maar dan ook absoluut niks zeggen over de kwaliteit van de betreffende auto, en puntje bij paaltje ook niks over de uitstraling van dat model.
Vooruit met die wielen.

ZONDER: Vreemd. Consumenten willen weten wat er in zit, en sinds enige tijd krijg je prominent te lezen wat er NIET in zit. Zonder suiker. Zero sugar. Zonder conserveermiddelen. Met 25% minder zout. Glutenvrij. Loodvrij. Vetarm. Zonder pit. Zonder palmolie. Alcoholvrij. Zonder toegevoegde kleurstoffen…
En wat is nou het leukste: al die eetwaren met ZONDER erin, blijken vaak duurder te zijn dan die met MET. Is dat gezonder?

Andere 36 voorbeelden komen misschien nog wel een andere keer. Eerst even bijkomen.

 

 

Twintigtwintig

Vanaf vandaag hebben we een probleem.
Zijn we nu terechtgekomen in tweeduizendtwintig of in twintigtwintig? En hebben we zo’n soort probleem alleen in Nederland, of is het een wereldwijde uitspraakkwestie? En hoe gingen wij daar een duizend jaar geleden mee om? Denk er, onder het genot van een 1664, maar eens over na, in plaats van allerhande masochistische voornemens te bedenken waar toch niks van terecht komt.

In het jaar duizendzesenzestig vond de slag bij Hastings plaats (ik zeg altijd hastings met een [ɑ], niet heestings met een [e:], zoals ik ook manchester zeg met een [ɑ] en niet menchester met een [ε]. Te Amerikaans in mijn oren.

Maar Godfried van Bouillon stierf niet te Jeruzalem in duizendeenhonderd, maar in elfhonderd, hoewel Fiat in negentiendrieënvijftig toch echt met een millecento op de proppen kwam. Het blijven Italianen, die ook novecento zeggen tegen de twintigste eeuw. Verwarring dus alom.

Merk intussen wel op dat wij in het Nederlands doorgaans de periode 1001-1099 uitspreken als duizendeen tot en met duizendnegenennegentig, maar de periode van 1101-1999 als elfhonderdeen tot en met negentien(honderd)negenennegentig. Niet helemaal consequent, maar zo heeft onze spreektaal zich geëvolueerd. Wel weer consequent was dat wij rond het jongste millennium weer hetzelfde gingen doen: tweeduizendeen tot en met in ieder geval tweeduizendnegentien. Geen mens komt met twintignegentien op de proppen. Mijn vrees is dan ook dat wij, als langdurige kolonie onderworpen aan Amerika, opeens twintigtwintig moeten gaan zeggen in plaats van gewoon tweeduizendtwintig.

Ik schrijf deze weblog met gebruikmaking van WordPress. Dat is een zogeheten ‘501(c)3 non-profit organization‘ uit Amerika, en dan weet je al hoe laat het is. WordPress kent ‘themes’ (ze bedoelen: thema’s) die naar ontwerpjaar worden benoemd: twenty-eleven, twenty-nineteen, twenty-twenty enzovoort. Dus al dat getwintigtwintig in Nederland hebben we aan Trump en trawanten te danken.

Of niet? Net schreef ik nog dat wij van 1101-1999 in het Nederlands net zo goed eerst de honderdtallen uitspraken en daarna de jaargetallen onder de honderd. Kronenbourg (onderdeel van Heineken) brouwt dus zestienvierenzestig. Maar Fransen zijn net zo eigenwijs als Italianen: terwijl zij bij voorkeur seize soixante-quatre drinken, heet in het Frans dat jaartal mille six cent soixante-quatre.
In Nederland ben ik geboren in negentien(honderd)zesenveertig, in Frankrijk in mille neuf cent quarante-six en in Italië in mille novecento quarante sei. Consequent doorrekenend zouden we dus van 2001-2099 moeten spreken als tweeduizendeen tot en met tweeduizendnegenennegentig, maar daarna van 2101-2999 van eenentwintighonderdeen tot en met negenentwintig(honderd)negenennegentig, als we tegen die tijd überhaupt nog iets te zeggen hebben en er nog Nederlands bestaat.

Ik trek mijn conclusie. Zoals paus Benedictus VIII in duizendtwintig koortsachtig poogde de Byzantijnen buiten de deur te houden, hebben wij nu tweeduizendtwintig betreden om twintigtwintig buiten de deur te houden. Noem mij vijf Engelsen of Amerikanen die in hun geschiedenislessen het hebben over tentwenty of tensixtysix. Over een jaar of honderd schakelen we dan wel weer over op eenentwintig(honderd)een en zo.

Denk ik tenminste.

 

Ryba en Pascha; CZ en SK

In deze weblog is de kerstmis van Jakub Jan Ryba al vaker langsgekomen. Zie onderaan dit bericht de links naar die artikelen. En toch moet ik er nog even op terugkomen, zowel wat betreft de typering van die Česká mše vánoční, als wat betreft zijn verhouding tot die andere, Slowaakse kerstmis van Edmund Pascha (of van Zrunek).
Een enkele aanvulling dus en een kleine correctie.

Eerst de correctie: zo ik, of iemand anders, ooit de suggestie heeft gewekt dat Ryba’s kerstmis tot de (Tsjechische) barok kan worden gerekend, wil ik dat hier ontkrachten. Ten eerste omdat het ontstaan van de compositie (1796) erg aan de late kant is om nog als nieuwe barokcompositie te boek te kunnen staan, en ten tweede omdat er in dit muziekstuk nauwelijks barokelementen waarneembaar zijn.
Bezien wij Ryba op de tijdlijn in combinatie met Bach en Mozart, dan blijkt dat Bach (1685-1750) helemaal vóór Ryba (1756-1813) leefde, en dat Ryba en Mozart (1756-1791) tijdgenoten waren. In principe kan de kerstmis dus door beiden zijn geïnspireerd, maar wie goed luistert, hoort voornamelijk Mozartiaanse invloeden, naast ontegenzeggelijk de klanken van Boheemse volksmuziek, herdersliederen, pastorella’s. De ‘eenvoud’ van die volksmuziek was onder meer oorzaak en gevolg tegelijk van de lokale instrumenten met al hun beperkingen. Zo is de doedelzak uitermate geschikt om een lang aanhoudende grondtoon ten gehore te brengen en hebben pauken binnen een muziekstuk een beperkt toonscala. Ryba’s meest recente partituur bevat overigens geen doedelzak; wel pauken.
Dat ook Bach een matenlang voortdurende grondtoon in de baspartij hanteert, zoals in het begin van de Matthäus Passion, zie de maten 1-5 en 9-13 hierboven, maakt Ryba’s kerstmis nog niet tot barok à la Bach, wanneer hij iets soortgelijks componeert in de maten 12-19 bij zowel de cello en de contrabas als in de linkerhand van de orgelpartij. Zie het voorbeeld hiernaast. Eerder horen we hier de weerklank van Boheemse volks- en herdersmuziek, zoals dat ook het geval is in Pascha’s kerstmis. Wie dus susggereert dat Ryba zich op Bach heeft gebaseerd heeft het mis. Dan zou ook de Schotse en Asturische doedelzakmuziek door Bach zijn ingegeven, maar alleen al chronologisch gezien is dit een absurde gedachte. Dan eerder nog het omgekeerde: dat Bach het wezenskenmerk van de doedelzak als basis van veel van zijn composities heeft gebruikt. Maar ook die opvatting komt niet uit mijn mond.

Dan de aanvulling. Die is niet muzikaal van inhoud, maar demografisch, sociaal-cultureel en politiek.
Vanaf 1968 heb ik frequent Tsjechoslowakije bezocht. Heel vaak met Praag als bestemming, maar ook veel andere steden in Bohemen, in Moravië en tot diep in Slowakije, niet ver van de grens met de Sovjet-Unie; Banska Bystrica, Brezno, net bezuiden de Lage Tatra. Parallel daaraan volgde ik aan de UvA een tweejarige cursus Tsjechisch als gekozen verplichte Tweede Bijvak. Beide feiten samen zorgden ervoor dat ik enige kennis en vaardigheid opdeed in actieve en meer nog passieve kennis van het Tsjechisch. Maar dat werd in de gegeven omstandigheden vaak wel wat vertroebeld door mijn contact met Slowaken en het Slowaaks, een taal die dicht tegen het Tsjechisch aanleunt, maar toch duidelijk ervan valt te onderscheiden. Meer dan Nederlands en Vlaams, minder dan Deens en Noors, of dan Nederlands en Duits.
Van 1960 tot 1990 vormden Bohemen, Moravië en Slowakije één staat: de ČSSR. Daarna volgde een overgangsperiode van twee jaar als de wat geforceerde “Tsjechische en Slowaakse Federale Republiek”, ČSFR, waarna de scheiding in twee afzonderlijke staten in 1992 een feit werd.
Als ik de verhalen mag geloven, is die boedelscheiding niet helemaal ideaal verlopen. Niet alleen moesten allerhande zaken formeel en praktisch worden afgehandeld, zoals bijvoorbeeld de betaalmiddelen: alleen al het om het jaar slaan en in omloop brengen van nieuwe munten, zoals hier 5-kroonmunten uit 1993 (ČR), 1991 (ČSFR) en 1989 (ČSSR) kost een paar kroon, maar dan heb je ook wat, namelijk een verscheurd land. En Slowakije mag dan ook nog eens Euromunten en -biljetten in omloop brengen (behalve de 10-Euromunt van Pascha – de zoveelste miskleun; zie dit eerder bericht). Ook circuleert het bericht dat er bij de verdeling van het materieel van de Tsjechoslowaakse Spoorwegen ČSD 2/3 naar de Tsjechische Republiek ging, en Slowakije met 1/3 genoegen moest nemen.
Dat laatste met name illustreert de mentaliteit die ik gaandeweg al op het spoor was gekomen: er heerste in Tsjechoslowakije, en zeker in Praag, een gevoel van suprematie dat zich ook doet gevoelen in Amsterdam, Parijs, Rome, Londen. Het al dan niet magisch centrum van de wereld bevindt zich in die Grote Steden; de rest eromheen is minderwaardige provincie. Niet iedereen lijdt aan die kwaal, velen wel. Daaruit vloeit ook voort dat sommige landen zich superieur voelen aan anderen. Denk aan een bestaand beeld van Nederlanders, Hollanders liever, ten aanzien van Vlaanderen, met de vele Belgenmoppen over domme Vlamingen als uitingsvorm, aan de wijze waarop ik Denen hoor reageren op Noren, Tsjechen op Slowaken, PVV-ers op Afrikanen – die lijst is wel erg lang te maken, zelfs als je het Nazidenken uit WO-II niet eens meetelt.
In mijn, overigens zeer gedegen en nuttige, colleges Tsjechisch ging ik ervaren dat Tsjechisch superieur is aan Slowaaks, want Tsjechen zijn superieur aan Slowaken, als betrof het een soort Ajax-Feyenoordsyndroom. Toen ik op zeker moment aan de docente vroeg waarom je in het Tsjechisch Itálie moest zeggen voor Italië, en waarom niet (ook) Taliansko, werd mij gedecideerd te verstaan gegeven dat Taliansko niet bestaat en dat zij dat woord ook niet kende. Nee. Klopt. Het is Slowaaks, en dat woord had ik achterop een LP-hoes gelezen. Maar die plaat was niet van Supraphon (Tsjechisch), maar van Opus (Slowaaks). Sorry, hoor.

Zo kom ik toch weer een beetje bij muziek.
De fraaie uitgave van de kerstmis van Ryba is, uiteraard, Tsjechisch. Het is een 270 pagina’s tellende volledige partituur in bijna A4-formaat, uitgegeven door, jawel, Supraphon in 1973 in 1000 exemplaren en door mij in 1978 aangeschaft voor de vasteboekprijs van Kčs 60, wat destijds neerkwam op ƒ 0,60, zwart gewisseld dan.
Voor de inleiding tekent PhDr. Eva Mikanová (1935-2010), gerespecteerd musicologe.
Die inleiding bevat veel nuttige informatie, zowel over Ryba zelf als over zijn bewuste compositie. Bijvoorbeeld de interessante observatie dat de hele mis in majeur is genoteerd, nergens dus een omslag naar mineur. En de notitie dat ten behoeve van het stembereik der sopranen de mis een volle toon lager is genoteerd, dus bijvoorbeeld het Kyrie van oorspronkelijk A-groot naar G-groot, omdat het bereik tot c”’ te hoge eisen stelt. Een zichzelf respecterende componist zou ervan gruwen, al moet ik daaraan toevoegen dat wij niet alles weten over hoe de instrumenten in vroeger eeuwen exact waren gestemd. De norm van a=440 Hz stamt van later datum. Ook appelleert zij aan de Boheemse boeren-oeruitvoeringswijze van pastorella’s die werden begeleid door doedelzakken, waarover ik hierboven ook al sprak; reden te meer om eerder aan het lokale platteland te denken dan aan de barok van Bach c.s.
Maar even treffend en opvallend vind ik de wat hautain overkomende ontkenning door het Praagse culturele establishment dat zij in haar hele inleiding met geen woord rept over de kerstmis van Pascha/Zrunek. Die beide Franciscanen waren immers Slowaken (als het tenminste geen Moraviërs waren), en naast de ‘verplichte’ Latijnse misteksten bevat die mis volkstaalteksten in het Slowaaks, en daar zitten ze in Praag niet op te wachten. Maar het zou me niks verbazen als Ryba die Slowaakse compositie van een halve eeuw eerder heeft gekend en er wat van heeft meegenomen, zal ik maar zeggen.

Pascha/Zrunek (ik blijf het maar in het midden houden) componeerden in 1750 een kerstmis die wel degelijk te bestempelen valt als een mengeling van barokmuziek en volksmuziek uit de Slowaaks-Moravische heuvelen. Mozart kwam er in geen geval aan te pas, want die werd pas in 1756 geboren, en van Mozart kun je zeggen wat je wilt, maar een prenataal wonderkind was hij niet. De vele versieringen wijzen op een baroktraditie zoals we die ook van Bach kennen.
Eerder al sprak ik in dit verband van “eindeloos herhaalde muzikale motiefjes, lydisch en niet-lydisch, met voorspelbare harmonisatie en om de melodie heen dartelende fluiten en violen, evenzeer barokkerig te noemen als kenmerkend voor lokale volksdansmuziek“.

Een frappant voorbeeld vinden we in het Credo, in het fragment dat begint met “Qui propter nos homines…” en dan, via een Slowaaks intermezzo culminerend in “Et incarnatus est de Spirito Sancto ex Maria virgine et homo factus est.” (Gelukkig hoef ik hier geen tekstverklaring of bijbelexegese te geven…).
Trek er even 2½ minut voor uit om dat
te beluisteren door hierboven te klikken.

Ter aanvulling geef ik hier de door dirigent Miroslav Venhoda handgeschreven partituur van de laatste passage van dat fragment; je kunt dan nog beter de afzonderlijke partijen bekijken en beluisteren, vooral die van de baslijn bij diverse instrumenten.

_______________________________

Wien mij kan helpen aan een exemplaar van Mária Jana Terrayová, Vianočná omša F dur = Weihnachtsmesse F-dur : Harmonia pastoralis,  uitgegeven door Opus Bratislava 1987, met daarin de volledige partituur, valt eeuwige dankbaar- en erkentelijkheid alsmede roem ten deel.
___________________________________
Links naar eerdere berichten over dit onderwerp met ook beeld- en geluidsfragmenten (openen in een nieuw venster):
Kerstroep-1 (het eerste uit een reeks van 7 artikelen, waarin je onderaan steeds kunt linken naar een vorig/volgend artikel.
Kerstmix (recent artikel van eerder deze maand over kerstliederen).

 

Hoog Bezoek

Ik had beloofd het gedigitaliseerde nummer “Hoog Bezoek” van Drs.P, waarvan in mijn vorig artikel sprake was pas online te zetten na verkregen toestemming van de auteurechthebbenden. Welnu, vandaag viel het volgende bericht in mijn inbox:





Geachte heer Loonen,

Ik heb dit gisteren op onze bestuursvergadering besproken en het bestuur vindt het een goed idee dat u “Hoog Bezoek” op YouTube zet, mits met de juiste vermelding.
Per slot zijn wij opgericht om het werk en gedachtengoed van Drs. P in leven te houden en te verspreiden.
En ja, wij gaan inderdaad over de auteursrechten.
Veel succes met uw zegenrijk werk!
Met vriendelijke groet en de beste wensen voor de kerstdagen en het Nieuwe Jaar,
Namens Het Heen- en Weerschap, officieel de Stichting Auteursrechten H.H. Polzer/Drs. P
Hanca Leppink, penningmeester.

Ergo: annuntio vobis gaudium magnum: habemus musicam. Klik HIER.

Kerstmix

‘Onze’ Reinaert is bepaald niet de enige geschreven bron waarvan al vele eeuwen lang vele honderden hervertellingen, toneelopvoeringen en afbeeldingen zijn verschenen. Een grove schatting leert mij dat die op plek 2 staat, na het kerstverhaal, dat zijn oorsprong in de bijbel vindt. En daarover wil ik het nu even gaan hebben.

Ik stap in, vanwege mijn persoonlijke ervaringen, in de 18e eeuw met twee kerstmissen, eentje uit Slowakije (1770) en eentje uit Tsjechië (1796). Over die twee missen heb ik een uitvoerige reeks van zeven artikelen geschreven in 2014. Begin met het eerste artikel, waarna je steeds kunt doorlinken naar het volgende artikel.

Van de Slowaakse Vianočná Omša, gecomponeerd door Edmund Pascha (of Georgius Zrunek; we weten het niet) bestaan wel opnamen van de uitvoering van de mis, maar geen animaties die het kerstverhaal uitbeelden. In elk geval worden in deze mis de Latijnse teksten voortdurend onderbroken door Slowaakse pastorella’s, herdersteksten, die het kerstverhaal in begrijpelijke taal aan het kerkvolk vertellen. Plattelandsmensen, die uit veiligheid hun schaapjes mee de kerk in namen, wat de componist er weer toe heeft verleid het Benedictus a capella te laten blaten, als waren de zangers zelf de schaapjes.


Een beeldende weergave bestaat er wel van de Tsjechische Česká mše vánoční door Jakub Jan Ryba. De Tsjechische tekenaar/schilder Josef Lada (1877-1957), ook bekend als de illustrator van de Brave soldaat Schwejk, bezorgde een indrukwekkende animatiefilm van bijna 40 minuten bij Ryba’s kerstmis, die HIER in z’n geheel is te bekijken. Overigens dateert die film uit 2007, maar dat terzijde.

 

 

Daarnaast moet ik de vele kunstzinnige kerststallen noemen die overal in en buiten Europa rond de kersttijd zijn te bewonderen. Ik kwam er in 2015 zelfs eentje tegen op Palmeiland in Dubai.









Er zijn ook levende kerststallen en kerstspelen. Zo vindt er sinds 2013 jaarlijks een levend kerstspel plaats in het hier nabije Bourbonne-les-Bains. Van dat evenement (“La crèche vivante“) is een restrospectieve film HIER te vinden. Wie zich dan toch aan Facebook durft uit te leveren, kan HIER meer lezen over de opvoering op 22 december 2019.

Het lijdt geen twijfel dat veel verbeeldingen van het kerstverhaal stammen uit de periode dat analfabetisme hoogtij vierde, zeker tot diep in de 19e eeuw. Daarmee is, net als dat bij de Reinaert het geval is, hun populariteit eenvoudig te verklaren. En was het niet onze glazenier annex toneelschrijver Jan Vos (1612-1667) wiens motto luidde: “Het zien gaat voor het zeggen“? Dat geldt nu nog steeds in de reclame- en etalagewereld.

Toch heeft kerstmis ook veel teksten opgeleverd die het verhaal doorvertellen, aanpassen aan de tijd of het publiek, er een heel religieuze boventoon aan hechten of er juist een loopje mee nemen. Van dat laatste presenteer ik er hier twee.

De Vlaamse Radio1 bracht mij op het idee door “Het bakske vol met stro“, oftewel “Jezeke is geboren” van Urbanus uit te zenden toen ik vorige week weer eens door de Ardennen tufte. Geniet maar mee via YouTube. Ik sta niet voor 100% in voor de correcte spelling, maar de tekst luidt ongeveer zo:

Heel lang geleden voor de allereerste keer
Dat had ge moeten zien, ’t was verschrikkelijk slecht weer
Lag Hij daar te bibberen in een kouwe koeienstal
In een kribbeke met ‘nen os en een ezel, dat was al
Maar boven in de lucht kon je een sterreke zien staan
Dat alsmaar zat te fonkelen, d’er hing een wegwijzertje aan
En ’t heeft niet lang geduurd of dat was daar vollen bak
Het krioelde van de herders met ‘nen dikke wollen frak.

Jezeke is geboren, Halleluja hallo
Jezeke is geboren in een bakske vol met stro

Toen kwamen de drie koningen, een zwarte en een witte
Ze vroegen of ze ook mochten komen babysitten
Ze schonken een rol balatum en een grote pot vernis
Een salami met look en een aquarium met een vis
De zwarte gaf aan Jozef een paar vijzen en een boor
En aan Jezeke een sjalleke en een broekske in ivoor
Maria kreeg een zak cement met een grote roze strik
En een potlood en een gommeke om te gommen krege kik.

Jezeke is geboren, Halleluja hallo
Jezeke is geboren in een bakske vol met stro

D’n Heilige Geest die hing daar te schijnen aan ’t plafond
In zijne blauwe trainings en zijne purperen plastron
Op dat moment zei Jozef ‘kijk dat is hier mijne kleine
Bezie maar zijne neus, ’t is helemaal de mijne’
De Heilige Geest moest lachen ‘ha ocharme sukkelaar
Die kleine die is van mij want ik was d’n ooievaar’
Jozef gaf de geest een goei mot op zijn gezicht
Toen zaten ze meteen zonder klank en zonder licht.

Jezeke is geboren, Halleluja hallo
Jezeke is geboren in een bakske vol met stro

Ze bleven daar maar zwaaien met hun vuisten in het rond
Den os en den ezel lagen knock-out op de grond
Toen kwam God de Vader en hij sprak ‘dit is mijn zoon’
Nu stonden ze te gapen, nu zaten ze daar schoon
Jozef kon niet volgen en die is beginnen zuipen
En Maria van afronten die wist ook niet meer waar kruipen
Dat werd me daar een kermis, dat werd me daar een klucht
Toen viel er nog ‘nen nest met engelen uit de lucht, aah.

Jezeke is geboren, Halleluja hallo
Jezeke is geboren in een bakske vol met stro.

Jezus nam z’n fles met pap en havervlokken
En heeft nog rap ‘ne verse pisdoek aangetrokken
Hij zei ‘vrede op aarde aan iedereen die dat wil’
Toen werd weer alles kalm en alles werd weer stil
Hij had er daar genoeg van en hij ging er maar vandoor
En trok zijn aureooltje scheef over z’n oor
Hij is gelijk ‘ne grote in zijn sportwagen gekropen
‘Al wie dat mij volgen wil zal wreed hard moeten lopen’.

Jezeke is geboren, Halleluja hallo
Jezeke is geboren in een bakske vol met stro. (bis)

Deze tekst vertoont enkele overeenkomsten met een iets oudere kerstvariant van Drs.P, die begin jaren-’70 onder de titel “Hoog bezoek” het kerstverhaal een Driekoningendraai gaf. Die tekst, zoals voorgedragen in april 1977, is als volgt:






Het paar had overal geïnformeerd;
Er was haast bij, want zij liep op alle dagen.
De bedden bleken allemaal gereserveerd
En ze waren bij het vee geïnstalleerd.
Enfin, het was gelukkig goed gegaan
En er heerste dus een zeker welbehagen.
In alle hoeken zag je buurtbewoners staan.
Later kwam er nog een groepje heren aan.

De eerste heette Caspar,
De tweede heette Melchior,
De derde heette Balthasar,
De vierde was niet mee.

De heren waren niet voor niets op reis,
Nee, ze kwamen met een duidelijke reden:
Ze wilden het geboren kind hun eerbewijs
Komen brengen met een toespraak en een prijs.
Men had de heren namelijk voorspeld
Dat dit kind een toppositie zou bekleden.
Ze kwamen dan ook onderdanig aangesneld
En ze hoopten waar te krijgen voor hun geld.

De eerste heette Caspar,
De tweede heette Melchior,
De derde heette Balthasar,
Ze waren erg benieuwd.

Dat kraambezoek is geen succes geweest,
Daar de hele delegatie bijna flipte.
Een ezel is nu eenmaal geen gezelschapsbeest
En een os verwacht je ook niet op zo’n feest.
Bedankt hoor, zei de gastheer na een poos,
En tot ziens! Wij emigreren naar Egypte.
Hij liet de heren uit, ze waren sprakeloos.
Het was zonde van de reis en de cadeaux.

De eerste heette Caspar,
De tweede heette Melchior,
De derde heette Balthasar,
Ze voelden zich bekocht.

En toch is dit verhaal wel instructief.
Mocht men u voor zo’n partijtje inviteren,
Blijf dan maar lekker thuis en stuur een mooie brief,
Dat bespaart u ergernis en ongerief.
Familiefeesten zijn doorgaans een flop.
Denk maar aan het avontuur van deze heren.
Want daardoor leden zij een financiële strop
En ze deden ook een aantal vlooien op.

De vlooien beten Caspar,
De vlooien beten Melchior,
De vlooien beten Balthasar,
En niet zo zuinig ook.

Vreemd genoeg is er op internet geen opname van dit lied te beluisteren. Daar moeten we maar eens wat aan doen. Vanaf nu staat het lied op YouTube, opdat een iegelijk er kennis van neme, zulks met de welwillende toestemming van de auteursrechthebbenden. Zie hun verklaring HIER
Dat neemt niet weg dat alleen al op taal- en muziekniveau beide hier geciteerde liederen de moeite van een korte beschouwing rechtvaardigen.
Alle twee rekenen we ze tot de categorie humor. Wat dat precies omvat, valt vaak lastig te duiden, maar in dit geval zit het hem in minstens twee opmerkelijke eigenschappen: allereerst het gebruik van woorden die niet passen in het bijbelse jargon of het religieus register, zoals bij Urbanus angelsaksische (dus Romeinse noch Latijnse) termen als babysitten en knock-out; ook wegwijzertje, cement, zuipen, pisdoek en sportwagen vallen daaronder. Bij Drs.P geldt iets soortgelijks voor woorden als buurtbewoners, toppositie, flipte (een van de weinige woorden die op Egypte rijmen) en vlooien.
Daarnaast wordt het humoristisch effect bereikt door de vele anachronismen: het verhaal wordt als het ware in onze tijd geplaatst met de bijbehorende woorden en gedachten, zoals er ook middeleeuwse schilderijen van het kerstverhaal bestaan die ‘eigentijds’ zijn gesitueerd qua ambiance en omstandigheden, zoals een kerststal in een Hollands sneeuwlandschap, of zoals we in bovengenoemde animatiefilm van de kerstmis van Ryba opeens een standbeeld van de Heilige Wenceslas (die leefde van 907 tot 935) zien staan en evenlater een opgetuigde kerstboom. Dat op zich hoeft natuurlijk nog niet humoristisch te zijn, maar al met al is het dat bij deze liederen wel. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor de onverwachte trouvailles bij Drs.P in het eerste refrein (“De vierde was niet mee“) en het hele laatste refrein. Bij Urbanus veren we even op als hij de meegebrachte cadeautjes omschrijft. De hele setting gaat daardoor een beetje in de richting van Lennaert Nijgh, zal ik maar zeggen. Voeg daarbij nog het tamelijk plat Vlaams taalgebruik van Urbanus en de onovertroffen rijmkunst van Drs.P, inclusief het opmerkelijke rijmschema A-B-A-A/C-B-C-C, en je hebt alleszins appetijtelijke kerstnummers.

Dat wordt verder nog geaccentueerd door de gekozen muziek. Urbanus kiest voor een hupse melodie van het kaliber bruiloften en partijen, een melodie die mij doet denken aan die van Freek de Jonges “Leven na de dood“. Ook dat is humor.
Drs.P kiest, zoals hij dat ook graag deed bij “Veerpont” (“Heen en weer“) en “Trojka“, voor vlotte Russische volksmuziek. Misschien ook omdat hij dat zelf min of meer goed kon spelen op de piano, maar zeker ook omdat het vrolijk en zeker ook meeslepend is.

Ik wens u genoeglijke feestdagen.

En o ja: de afbeelding hier helemaal bovenaan is een kerstgroep van gips die Joeri op vierjarige leeftijd maakte in groep 1 (1982).