Wat een troep!

Eindelijk eens goed nieuws in De Volkskrant van gisteren.

Arnout Brouwers begon zijn artikel als volgt: Niet alleen Duitse politici en generaals vielen van hun stoel toen ze vrijdag de Wall Street Journal openden – ook hun Amerikaanse collega’s. Want ook voor het Pentagon en Republikeinen in het Congres kwam het als een verrassing dat Trump de aanwezigheid van 34.500 Amerikaanse troepen in Duitsland met 9.500 militairen wil verminderen.

 

Dat het slechts om een kwart ging van de Amerikaanse troepenmacht, en dat dan alleen nog maar in Germanië, valt te betreuren. Maar na 75 jaar Amerikaanse militaire en economische bezetting van West-Europa moet je blij zijn met elke verbetering. Zweden, Denemarken, Frankrijk en Oostenrijk komen er gezegender van af, zo aan het kaartje te zien. Dat heeft met hun verstandige politieke keuzes te maken. Wellicht zal Polen pogen er munt uit te slaan; daar omarmen ze al decennia lang alles wat lijkt op Margareth Thatcher en Donald Trump en alles wat daar tussenin zit, en bekommeren ze zich allerminst om de onverholen kritiek vanuit de EU door op of ruim over de rand te gaan van de regelen der Europese beschaving.

Toch was het niet dat politieke gedoe, al dan niet fake, al dan niet bedoeld als proefballonetje. Er is taalkundig iets aan de hand wat mij nog meer frappeerde.

Denk even terug aan mijn uiteenzetting over collectiva. In dat artikel noemde ik troep een enkelvoudig collectivum, een woord dus in het enkelvoud waarachter een meervoudig begrip schuilgaat, zoals je één doos hebt met daarin veel foto’s, of een vlucht regenwulpen. Bij troep kun je denken aan wolven (ook wel als roedel samengenomen), meer nog dan aan soldaten. Maar het Volkskrantartikel spreekt van “34.500 Amerikaanse troepen“, en het bovenschrift boven het kaartje van “meer dan 100 troepen actief militair personeel“. Dat kan dus niet.
Dat kan niet, want het is ongebruikelijk over “een troep soldaten” te spreken; soldatentroep is van een andere orde. Gebruik dan troepenmacht, wat weer wel een correct enkelvoudig collectivum is.

Als daarentegen De Volkskrant wil suggereren dat troepen synoniem is met militairen, dan hebben ze het mis. Bij levende wezens, anders dan bij Jan Steen, is troep een enkelvoudig collectivum als een verzamelnaam voor een aantal wezens, en zijn troepen meerdere verzamelingen van nog meer aantallen wezens. Zo zijn dus 34.500 troepen niets anders dan 34.500 bases of hangplekken waarop zich een veelvoud aan militairen bevindt, en moeten we de genoemde getallen dus helaas met honderden of duizenden vermenigvuldigen om het werkelijke aantal betreffende militairen te benaderen.

Kon het beter? Jazeker.
Ofwel je brengt het aantal troepen terug tot nul, want nul keer honderd of duizend is nog steeds nul, dan zijn we van alle troep verlost.
Ofwel gebruik in plaats van troepen het woord manschappen. Want dat is een meervoudig collectivum, waarvan je er niet zo makkelijk eentje kunt hebben: *een manschap is geen gebruikelijke aanduiding voor wat dan ook, net zoals het onbestaande *timmerlied of *zeelied als enkelvoud van timmerlieden of zeelieden; wel natuurlijk als enkelvoud van timmer-of zeeliederen.

Ik heb De Volkskrant op deze subtiele kwestie gewezen. Maar sinds de door mij openlijk diep betreurde verkwanseling van de PSP vanaf 1985 sta ik daar op de zwarte lijst en worden al mijn ingezonden bijdragen categorisch geweigerd.
Wat een troep!

 

ange en inge

Het zal velen bekend voorkomen: rijdend vanaf Metz via Luxemburg (en natuurlijk Martelange) naar Luik wordt je aandacht getrokken door de vele plaatsnamen op wegwijzerborden die eindigen op -ange. Omdat ik die route heen en weer zo vaak rijd, is me dat steeds meer gaan intrigeren. Wat betekent dat -ange? En waarom liggen die plaatsen zo geclusterd zo precies in dat gebied, terwijl ze elders maar zo sporadisch voorkomen? Het antwoord is wel te geven, maar het vergt wel veel speurwerk, historisch, geografisch, politiek en taalkundig. Dat betekent voor dit artikel dat het slechts een summier overzicht kan bieden en ik de geboeide lezer dringend adviseer er een internet-zoektocht van een paar weken van te maken. Hint: begin dan maar met zoeken naar Lotharingen, want daar ligt de kern van de oplossing.

Dat clusteren van plaatsnamen met gelijkluidend woordeinde ken ik al vanaf de lagere school, toen we van alle provincies de voornaamste plaatsen moesten opdreunen: Dordrecht-Sliedrecht-Zwijdrecht-Barendrecht. Of Amsterdam-Edam-Monnikendam-Volendam.
En van de acht selligheden: Duizel (<Duijsel)-EerselHulsel-KnegselNeterselReuselSteensel Wintelre (<Wintersel).
Al die opeenhopingen zijn intussen wel goed onderzocht en beschreven. Zo ook de plaatsnamen op -ange.

De uitgang -ange wordt in de meeste beschrijvingen aangeduid als “behorende tot“, “eigendom van“, die wordt voorafgegaan door de naam van een heer of het geslacht tot wie het gebied behoorde. Hetzelfde geldt voor zijn Germaanse pendant –inge(n).

Lotharingen dus, een streek waarover boeken vol zijn geschreven. Ik beperk me tot Opper-Lotharingen (in Noordoost-Frankrijk) en het zuidelijk deel van Neder-Lotharingen (Luxemburg en Oost-België). Dat is het gebied waar we -ange zo vaak tegenkomen. Maar bedenk daarbij dat het ook een gebied is waar het in de loop der eeuwen, tot het einde van de Tweede Wereldoorlog, voortdurend stuivertje wisselen was tussen Frankrijk en Duitsland, beter gezegd: tussen Gallische en Germaanse overheersing en invloed. Deels had dat natuurlijk te maken met de rijkdom aan delfstoffen in die streek, die zelfs doorliep tot de voormalige Limburgse kolenmijnen. Om aan al dat gesteggel een eind te maken ontstond in 1952 de EGKS, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. Die kolen zijn nu wel een beetje passé, maar de zieltogende staalindustrie is in Noordoost-Frankrijk nog alom aanwezig.

Die Frans-Duitse strijd om Lotharingen had mede tot gevolg dat er een soort taalgrens ontstond, dwars door het gebied heen. Aan de westkant het Franstalige gebied, aan de oostkant het Duitstalige. Dat is heel grof gesteld, want die grens is niet alleen nogal rafelig, maar bovendien hebben we ook nog eens te maken met tal van subtalen en dialecten, waarbij het in Luxemburg, het Belgische deel en het Groothertogdom, nog veel complexer is. Maar grosso modo komt het erop neer dat al die toponiemen die eindigen op -ange, uitgesproken als [angzje], aan de Gallische kant liggen, en dat we aan de oostkant een overvloed aan plaatsnamen op -inge(n) vinden. België zal België niet zijn als we langs de rafelrand niet ook nog eens tweetalige plaatsnamen tegenkomen, zoals MartelangeMartelingen.
En omdat het in de provincie Luxemburg ligt, wordt dat ook nog min of meer fonetisch gespeld als MartelengMârtelengen en Maartel en in het plat-Waals dan nog eens als Måtlindje

Op internet staat een uitgebreid artikel o.a. over het voorkomen van toponiemen die eindigen op -ange en op -anges in Frankrijk. Bijgaand kaartje geeft overduidelijk de Lotharingse concentratie van toponiemen op -ange aan (alle rode stippen rechtsboven). Jammer genoeg beperken dat onderzoek en dat kaartje zich tot het huidige Franse grondgebied. Weliswaar levert dat honderden treffers op, alleen al in het departement Moselle (57) zijn het er al meer dan 120, maar onze rit voert verder, door Luxemburg en Oost-België.

In het Groothertogdom wemelt het van de plaatsnamen op -ange: Differdange, Dudelange, Livange, Rumelange,… Op Wikipedia vind je er zo 86 bijeen staan. Ze komen voor tot in het noordelijkste puntje, waar op nog geen 5 km van elkaar van zuid naar noord Drinklange, Wilwerdange, Goedange en Huldange liggen.
Op -inge(n) vind ik er maar rond de 20, voornamelijk in het oostelijk deel van het land. Zo je van een taalgrens mag spreken, loopt die dus door het oostelijke kwart van Luxemburg.

Vervolgen we onze reis, dan komen we weer iets merkwaardigs tegen in het gebied tussen Luik en Hasselt. Daar treffen we zowel de beschreven Gallisch-Germaanse taalgrens tegen, als de Vlaams-Waalse, die tegelijk politiek als taalkundig een scheiding vormt. Veel plaatsen langs die Vlaams-Waalse grens dragen ook tweetalige namen. Ik noem Hoepertingen (Houppertange), Bitsingen (Bassenge), Kuringen (Curange), Ordingen (Ordange), Piringen (Pirange), Rukkelingen (Roclenge) en Wouteringen (Otrange). Iets zuidelijker, en 100% Waals, is Tihange, berucht om zijn onbetrouwbare kerncentrale. De naam betekent “gebied behorende tot Thibaut“; er bestaat geen gangbare Duitstalige variant, maar oorspronkelijk schijnt het iets als *Tihondinga geweest te zijn.

Gaan we vervolgens iets dieper Vlaanderland in, dan komen we ten noorden van de lijn Maastricht – Tongeren – Sint-Truiden plaatsen als Ketsingen, Mopertingen en Riksingen tegen, waarvoor geen Franstalige pendanten als *Quetsange, *Maupertange of *Rixange bestaan. De taalgrens lijkt behoorlijk scherp te zijn; de taalstrijd heeft zijn werk gedaan.

Lotharingen zelf heette oorspronkelijk Lotharii regnum, “het rijk van Lothaire“, een benaming die in de 10e eeuw tot Lotharingia werd. Het maakt de huidige Franse naam Lorraine ook aannemelijk; was het een streeknaam op -inge(n) geweest zoals zo vele plaatsnamen ten oosten van de taalgrens, dan zou die in het Frans iets als *Lotharange geweest moeten zijn, maar dat is niet zo. Ook de Nederlandse benaming Lorreinen doet meer aan regnum denken dan aan -inge(n).

We rijden Nederland binnen, op zoek naar –ange en -inge(n). Dat voert ons allereerst op een zijspoor dat een dwaalspoor blijkt te zijn.
In Nederland zijn er bij mijn weten geen plaatsnamen die op -ange eindigen, behalve Bourtange. Nu is het al hoogst onwaarschijnlijk dat je helemaal naar Groningen moet afreizen om een Franstalige invloed waar te nemen – de Gallisch-Germaanse taalgrens in Nederland loopt parallel aan de grote rivieren, maar bovendien is het niet Bourt-ange, maar Bour-tange, met -tange als variant van (land-)tong(-e). Boeren-tange dus. De Frans ogende spelling Bourtange in plaats van Boertange maakt het allemaal nog verwarrender.
Ook als je wat ruimer wil denken en de in Nederland voorkomende uitgang -enge(n) ziet als een variant van -ange, kom je bedrogen uit: plaatsnamen als Kockengen en Portengen lijken fantasienamen te zijn, ontstaan bij de ontginningen in de 12e eeuw. Kockengen zou een verbastering zijn van (het land van) Cocagne, d.w.z. Luilekkerland, en Portenge een verbastering van Bretagne. Zo vermeldt De Vries het in elk geval in zijn Woordenboek van Noord- en Zuid-Nederlandse plaatsnamen (Aula 85).

Anders ligt dat met -inge(n) in Nederland. Als ik vlotweg Everdingen, Grevelingen, Groeningen, Groningen (?), Harlingen, Kloetinge, Millingen (2x), Scheveningen, Vlaardingen (?), Vlissingen, Wageningen, Wateringen, Wemeldinge en Wieringen uit mijn mouw schud, heb ik vermoedelijk nog niet een tiende deel van alle voorkomens vermeld. Maar het blijft oppassen. De vraagtekens bij Groningen en Vlaardingen bijvoorbeeld geven aan dat het allerminst duidelijk is of daarin wel het ‘echte’ -ingen moet worden gezien in de betekenis “behorende tot“, “eigendom van“. Zoveel als er in de afgelopen twee eeuwen aan toponymisch onderzoek is verricht, zoveel blijft er onduidelijk als we over te weinig of te mistige bronnen beschikken.

Wat wel vaststaat is dat de behandelde grens tussen het Franstalige –ange en het Duitstalige –inge(n) ophoudt ten zuiden van het huidige Nederland, namelijk ergens langs de lijn van Luik naar Hasselt in België.

Het is alles bij elkaar genoeg om over te mijmeren als je de urenlange rit maakt over Metz en Martelange naar Maastricht.
______________________________________________________________________

Een paar verwijzingen naar geraadpleegde websites:
https://nl.wikipedia.org/wiki/Lotharingen_(Frankrijk)
https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_Franse_en_Duitse_plaatsnamen_in_Lotharingen
https://fr.wikipedia.org/wiki/Toponymie_de_la_Belgique
https://fr.wikipedia.org/wiki/Correspondance_des_toponymies_lorraines_en_fran%C3%A7ais_et_en_allemand
en nog tientallen andere.

 

 

Hebbedingetje of akkefietje?

Na mijn recente artikelen over morfologie en lettergreepscheiding, en dat over de vorming van het meervoud in het Nederlands, voltooi ik mijn taaltrilogie nu met enige overpeinzingen over de verkleinvormen in het Nederlands, ook al zo’n gruwel om snel even aan iemand uit te leggen. Je kunt het fenomeen van de technische, meer formele kant benaderen of van de praktische, meer pragmatische kant, maar simpeltjes gaat het in beide gevallen niet.
Wat hieronder volgt is geen proeve van cursusmateriaal, maar een verzameling van overpeinzingen over het verkleinwoord, die ik min of meer geordend wil presenteren.

Hierboven staat pagina 17 uit Het verkleinwoord in het Nederlands. Publikatie nr.1 van het Instituut voor Algemene Taalwetenschap van de UvA, 1971. Dat was in de periode dat er naarstig werd gezocht naar passende formalisaties binnen het Transformationeel-generatieve kader. Hoewel die studie heel gedegen, diepgaand en vernieuwend was, zal de doorsnee taalgebruiker er niet erg blij mee zijn. Maar voor hen was het dan ook niet bedoeld.
Dat de werkgroep er niet helemaal uit is gekomen, is geen schande. Het was in feite een nieuw onderzoeksterrein binnen een nieuwe wijze van taalbeschrijving, en al formaliserend doemden er steeds weer meer nieuwe probleemgevallen op.
Daar doorheen speelde ook de tegenstellingen tussen de othodoxe, Chomskiaanse syntactici, die puur op de vorm letten, en de daarop volgende stroming van de generatieve semantici, die de betekenis erin verwerkt wilden zien.
Op geen enkele manier wordt in die Publikatie verklaard waarom we naast bloempjes ook bloemetjes hebben, terwijl dat toch niet zo’n probleem zou hoeven zijn: onderscheid gewoon bloem1 (vruchtdragend deel van een plant, met bloempje als diminutief) en bloem2 (drie of meer bijeengebonden elementen uit de verzameling van bloem1, met bloemetje als collectief diminutief), al heb je daarmee nog niet kunnen verklaren waarom we kindjes naast kindertjes hebben (en in mindere mate het dialectische kinders naast kinderen).
Ook in meer leesbare publicaties zien we de complexiteit van het verkleinwoord. Naast elkaar hier bij Van den Toorn, Klooster en de AWS (klik om te vergroten):

Van den Toorn (1984) besteedt er nauwelijks 1 volle bladzij aan (deel van p.155-156), waarbij het me opvalt dat er boven de eerste regel een of meer regels ontbreken (zetfout?).

Klooster (2001) heeft er rond de 2 bladzijden voor nodig (deel van p.15-17), maar net als bij Van den Toorn zie je dat het niet bepaald gaat om brugklasleerstof.

De AWS (Afrikaanse Woordelys & Spelreëls) (2018) is nog de meest uitgebreide (p.209-213).
Mense wat dink dat Afrikaans ’n eenvoudige taaltjie is, oorspronklik uit die 17de-eeuse Nederlands, ook grammaties, is verkeerd: die verkleiningsvorme in Afrikaans is ook baie ingewikkeld vir Afrikaanssprekendes.

Dat het verkleinwoord in het Nederlands behoorlijk ingewikkeld kan zijn, blijkt uit de probleemgevallen, waarvan bij gebrek aan een deugdelijke, complete beschrijving maar al te vaak wordt gezegd dat het “uitzonderingen” betreft. Dat is wetenschappelijk onverantwoord. Daarmee wordt het gebrek aan studieresultaat teveel verdoezeld; een beschrijving dient compleet en allesomvattend te zijn.
Als voorbeeld beperk ik me hier nu even tot de problematiek bij woorden als:
Plas ® plasje, maar glas ® glaasje. Pad (dier) ® padje, maar pad (weg) ® padje of paadje en pad (koffiecup) ® padje. Meer daarover is te vinden op https://taaladvies.net/taal/advies/vraag/1514.

Nog ietsje (of: een pietsie) ingewikkelder wordt het als we zien dat verkleinvormen niet alleen bestaan bij zelfstandige naamwoorden, wat iedereen wel denkt en weet, maar dat er ook een niet erg productieve verzameling van bijwoorden en telwoorden bestaat op -je(s):
warmpjes, koeltjes, eventjes, netjes (“keurig“), strakjes (“zo dadelijk“), vlotjes, simpeltjes, dunnetjes. En dan hebben we ook nog eentje, tweetjes, drietjes en zijn er veel ditjes en datjes, waarbij de -s evident een meervoud aanduidt.
Is die -s in de andere gevallen een zgn. adverbiale -s ? En vindt die zijn oorsprong in een Oud-Nederlandse 5e of 6e naamval, bv. de instrumentalis of ablatief? Ik heb dat altijd vermoed bij woorden als hebbes en lopes (“Ga je met de fiets? Nee, ik ga lopes.”)? Maar daarvan heb ik tot nu toe nergens een sluitend bewijs kunnen vinden.

Al deze genoemde voorbeeldwoorden hebben een zekere sfeer van colloquiaal gemak of nonchalance om zich hangen en zullen in officiële en serieuze taal weinig te vinden zijn. Mijn inschatting is dat de gebruikte verkleinvorm iets familiairs of minzaams heeft, die aansluit bij de knussigheid die we ook bij veel zelfstandige naamwoorden in de verkleinvorm kennen. Het is de vermeende oer-Hollandse gezelligheid, welk woord Jaap de Hoop Scheffer vergeefs poogde uit te leggen aan Bush jr. Daarna had hij het woord knus nog ter tafel kunnen brengen. Laten we die verkleinwoorden maar eens wat nader bekijken.
Immers, er zijn zeker vier domeinen waarbinnen we in het Nederlands de verkleinvorm van zelfstandige naamwoorden hanteren.

Allereerst is dat natuurlijk de mogelijkheid om aan te geven dat er sprake is van een klein exemplaar: een tafeltje is kleiner dan een tafel, een wokpan is geen pannetje, een ommetje of een blokje om is geen rondrit, een kruimeltje is geen homp, en wie het hoekje om gaat, is op z’n Amsterdams kassiewijle of kassieses, wat ook verkleinvormen zijn van een zeswandige kast. Maar bij “mag het een onsje meer zijn?” blijft het helaas vaak niet beperkt tot minder dan 100 gram, en bij een koopje is niet de gekochte waar klein, maar de ervoor betaalde prijs. En wat we met de vormen centje (pijn), fluitje (van een cent), stuivertje (wisselen), dubbeltje (op zijn kant, of geboren zijn voor een ~), kwartje (kan vallen) en oortje (versnoept hebben) aan moeten, is niet zo simpel te duiden ter verklaring van de verkleinvorm.
Hoe subjectief vaak ook, dit is een woordgebruik dat je niemand hoeft uit te leggen.

Iets anders ligt dat bij het tweede domein: woorden waarvan de grondvorm eigenlijk niet, althans niet in dezelfde betekenis voorkomt: een hebbedingetje, een akkefietje, een kattebelletje, een niemendalletje, een rozenhoedje, een hopje, een saucijzenbroodje of worstenbroodje, een dropje/snoepje (telbaar; drop/snoep is dat niet), snotje (iets in het ~ hebben; als je tenminste snot niet ziet als een variant van snuit), en in de categorie flora en fauna: madeliefje, herderstasje, sneeuwklokje, stokstaartje, zilvervisje, … Hier speelt ofwel het in de loop der eeuwen verloren zijn gegaan van de niet-verkleinvorm, of de aanduiding van een geheel ander begrip dan door de niet-verkleinvorm wordt bedoeld.

In mei 2005 bracht ik een bezoek aan de universiteit van het Russische Pskov, op 300 km van Leningrad, waar een groep studenten zich onder de vastberaden, wakende hoede van Lenin bekwaamden in het Nederlands, en daar wonderbaarlijk goed in slaagden.
Het leverde mij een onverwacht inzicht op; zoals zo vaak moet je buitenlands taalgebied betreden om het Nederlands beter te kunnen analyseren. Daarzonder had ik ook nooit mijn studie naar Nederlandse voorzetsels kunnen voltooien.

Zowel de colleges als het lesmateriaal van docent Poda vertoonden ontegenzeggelijk Vlaamse invloeden, maar dat was op zich geen probleem. Wat mij frappeerde, was de nadruk die hij erop legde dat het Nederlands zich veel meer dan bijvoorbeeld het Russisch bedient van verkleinwoordjes, vooral voor begrippen die helemaal niet zo klein zijn. De studenten en studentes pikten het wel op, maar zij misten de taalroutine om het vlekkeloos toe te passen, hetgeen geen wonder is.

 

Dat is dus de derde mogelijkheid: met het verkleinwoord druk je de bovengenoemde knussigheid uit; in de consumptieve sfeer: een kopje koffie, een borreltje/biertje, een hapje eten, een vorkje prikken, een frietje/patatje,… Je zult niet gauw een bezoekje aan de paus afleggen; dan noem je het hooguit een bliksembezoek of korte audiëntie, waarvoor het Witte Boekje zelfs geen verkleinvorm aangeeft, maar je neemt wel graag een bloemetje mee (geen bloempje aub!), of een bosje bloemen, waarvoor je met Pasen met een kort woordje wordt bedankt.
Aan de andere kant kan het ook een zekere minachting uitdrukken, in elke geval iets minder vleiends: een Pietje precies, een haantje de voorste, lekker weertje, hè? (als het stortregent).

Dat alles verklaart wellicht ook het vierde domein: dat van de kindertaal. Dat is een wisselwerking. Aan de ene kant zijn kinderen klein en bezien zij veel dingen ook in miniformaat, maar aan de andere kant zijn het ook de ouders of opvoeders, thuis, op school, op straat, die de vreemdsoortige eigenschap hebben tegen kinderen in bovenmatig veel verkleinwoorden te spreken, waardoor die kinderen dat als norm gaan overnemen. Taalontwikkeling verloopt immers grotendeels via analogie en nabootsen. Van slabbetje tot hansopje, van bordje tot lepeltje, drankje, pilletje, vitamientjes, van bedje tot slaapje doen. Ons nationale kinderliedrepertoir doet er graag aan mee: Slaap, kindje, slaap. Een karretje op de zandweg reed. Lammetje loop je zo eenzaam te dwalen. Daar zaten zeven kikkertjes. Advocaatje, leef je nog. Zakdoekje leggen. Berend Botje, Moriaantje zo zwart als roet (…) bolletje (…) parasolletje, …
Bij wat ik in mijn schoentje vind en een snoezig jurkje kant en klaar kun je nog vermoeden dat het gaat om ritmische dwang, maar toch komt het verkleinwoord wel binnen. Waarom vatte Katharina Leopold in 1898 de koetjes niet bij de ritmisch passender hoorntjes: Een pop met vlechtjes in het haar, een snoezig jurkje kant en klaar, drie kaatseballetjes in een net, een lettertje van banket. Zo klaar als een klontje toch?
Maar dan hebben we natuurlijk nog altijd uit de Fabeltjeskrant: oogjes dicht en snaveltjes toe.

Geen wonder dat kinderen dus ook graag doktertje, tikkertje, krijgertje, verstoppertje of diefje met verlos spelen.

Allemaal knusse gezelligheid, voor de veilige geborgenheid van de tere kinderziel.

 

Straatnamen en voorzetsels

Bovenste foto: © Nationaal Archief. Onderste foto: eigen opname

In heel veel talen is de keuze voor het juiste voorzetsels een lastig probleem, ook voor moedertaalsprekers. Dat geldt zeker ook voor het Nederlands met zijn vele voorzetsels. Een af te bakenen groep taaluitingen waar dit speelt zien we bij straatnamen: woon je nu IN, OP of AAN de Steenstraat? Wat zijn daarbij de overwegingen en waarom geven we de voorkeur aan het een of het ander?


Voordat die vragen aan een beantwoording toekomen, dienen we eerst vast te stellen wat het woord “straat” eigenlijk inhoudt. Het blijkt namelijk dat “straat” op twee verschillende begrippen kan slaan.

Enerzijds kennen we allemaal “straat” als laatste deel van een bepaalde begaanbare doorgang van punt A naar punt B waarlangs zich huizen bevinden: de Kerkstraat, Hoofdstraat, Anne Frankstraat enzovoort. Dit in tegenstelling tot uitgangen als -weg, -laan, -baan, -gracht, -dreef, -kade en nog veel meer.

Bron: Google Maps


Soms is dat een beetje verwarrend. Zo bevindt zich in het Belgische Sint-Niklaas zowel een Nijverheidslaan als een Nijverheidsstraat. De lokale Commissie had dat beter kunnen voorkomen.

 

 

Anderzijds gebruiken we “straat” ook als een verzamelbegrip voor alle begaanbare doorgangen van A naar B, ongeacht of die benamingen nu eindigen op -straat, -laan,
-weg
enzovoort. In die betekenis is “straat” een collectivum, een soort categorie om alle mogelijke benamingen onder één term te vangen. Zo zul je bij een stadsplattegrond vaak een straatnamenregister aantreffen, waarin niet alleen de Parkstraat, maar ook de Parkweg, Parklaan en Parkdreef kunnen staan vermeld. Voor dat collectieve begrip “straat” hebben we eigelijk geen echt Nederlands woord beschikbaar. Slechts weinigen zullen de officiële term “hodoniem” kennen. Dat woord is uit het Grieks (via het latijn) overgenomen en is samengesteld uit οδός (“weg, straat”) en όνομα (“naam”). Dat “odos” kennen we nog wel in woorden als “methode” (“de weg waarlangs“), “exodus” (“uitweg“) en “synode” (“samen op weg“).

In het verloop van dit bericht zal ik het woord “straat” in principe in de eerstgenoemde betekenis gebruiken; voor de tweede, collectieve betekenis, zal het woord “hodoniem” voorkomen. Over het algemeen zal dit onderscheid overigens eerder warrig zijn dan verwarrend. Bedenk dat we in het Nederlands binnen de bebouwde kom doorgaans spreken van het “stratenplan“, maar buiten de bebouwde kom van het “wegennet“, maar dat de Nederlandse Spoorwegen en gemeente-vervoerbedrijven als GVB, HTM en RET een “lijnenkaart” presenteren. Ook bij woorden als “uitweg“, “luchtweg“, “vluchtweg“, “vaarweg” kiezen we voor “weg“.
En in het Engels zien we de woorden “airlines” en “airways” naast elkaar bestaan. Maar het Engelse “tramway” is opmerkelijk genoeg niet vernederlandst, in tegenstelling tot talen als het Frans (“tramway“), Tsjechisch (“tramvaj“) en Spaans (“tranvía“).


Met dit alles in het achterhoofd kunnen we kijken naar het voorzetsel dat bij een straat hoort, want velen zullen twijfelen of je nu IN de Tulpstraat woont, of OP de Tulpstraat of AAN de Tulpstraat. Waar komt die twijfel vandaan?

Die heeft van alles te maken met het concept “straat“, dat wil zeggen: bij wat we ons moeten voorstellen bij een straat. Er zijn minstens twee nogal verschillende ideeën over.

Ofwel we zien een straat als een tweedimensionaal begrip, een doorgang met uitsluitend een lengte en een breedte, en daarbinnen kunnen we nog onderscheid maken tussen een breedte tot aan de perceelsgrenzen aan weerszijden, in welk geval je AAN de Tulpstraat woont, en een breedte inclusief de bebouwing, in welk geval je OP de Tulpstraat woont. Alleen dan kun je je OP straat bevinden, dus zonder lidwoord; AAN straat en IN straat zijn incorrect Nederlands.
Ofwel we beschouwen een straat als een driedimensionaal begip, een doorgang als een soort tunnel met lengte, breedte en hoogte, in welk geval je IN de Tulpstraat woont.
Het een is niet beter of slechter dan het ander; het is de manier van beschouwen van het begrip “straat” en/of het is in de taaltraditie zo gegroeid dat een van de voorzetsels het meest is ingeburgerd.

Dat laatste zien we vaker op treden bij hodoniemen eindigend op -weg. Je zult niet vaak horen zeggen “Ik woon IN de Amstelveenseweg“. Vermoedelijk komt dat doordat van oorsprong een weg een verbinding is tussen twee bebouwde kommen, maar zelf geen bebouwing kent, waarvoor alleen bovengenoemde tweedimensionale betekenis van “doorgang met lengte en breedte” geldt, en perceelsgrenzen niet aan de orde waren. Als dan in de loop der tijd toch de twee bebouwde kommen aaneengesloten worden dichtgebouwd, zal hooguit “Amstelveenscheweg” worden aangepast tot “Amstelveenseweg“, maar kun je er nog steeds niet IN wonen.

Het voorzetsel in brengt een zekere omsluiting met zich mee, dus een ruimte met lengte, breedte en hoogte. Die visie dringt zich op als die hoogte ook evident is, bijvoorbeeld door bomenrijen met bijbehorende hodoniemen als “-laan” of “-dreef“, terwijl we in het omgekeerde geval, waarin er niet van hoogte maar van diepte sprake is, het gebruik van in uit den boze is: je kunt kwalijn beweren dat je IN de Keizersgracht woont.

In sommige gevallen is de derde dimensie, hoogte of diepte, voor het gevoel afwezig. Dan kun je er ook niet IN wonen, maar alleen OP (dus met een breedte inclusief bebouwing) of AAN (dus met een breedte tot aan de perceelsgrenzen). Zo kun je dus wonen OP of AAN het Keizer Karelplein of OP dan wel AAN de Champs Élysées. Achterliggende overweging daarbij is dat “plein” en “veld” (“champ” betekent “veld“) een platte ruimte voorstellen met een omvangrijk oppervlak zonder daarbij aan een verticale dimensie te denken.

Dat er desondanks een Nederlandse achternaam als In ’t Veld” voorkomt, heeft met hodoniemen niets te maken, of het zou op een vlakte met heel hoog gras moeten duiden. De ook voorkomende naam “Op ’t Veld” verwijst meer naar de (tweedimensionale) vlakte.
En voor de doordenkers: Waarom gebruiken we OP straat, OP weg en OP pad, maar IN de weg lopen?

 

Toneelhuis

Getipt door de nieuwsbrief van het Reynaertgenootschap: een wel zeer excentrieke eigentijdse bewerking van Van den vos Reynaerde door FC Bergman uit 2013, getypeerd als “krankzinnig straf theater“.
Mocht er voor het afspelen een wachtwoord (“mot de passe”) worden gevraagd, dan is dat: “Huistoneel” (zonder aanhalingstekens).

https://www.toneelhuis.be/nl/huistoneel/van-den-vos/

Het Reynaertgenootschap verwoordt de aanprijzing als volgt:

Herbekijk Van den vos van FC Bergman. Een aanrader. Bekijk op dezelfde site ook de integrale versie van Van den vos voorzien van audiodescriptie door Marie Vinck, Stef Aerts en Thomas Verstraeten: de makers becommentariëren de volledige voorstelling door te vertellen over hun keuzes tijdens het creatieproces. Vijf sterren!

In het kader van de aansporing “Blijf in uw Malpertuus” een goede gelegenheid voor zeker 1 uur en drie kwartier thuisplezier.

 

Meervoudsvorming in het Nederlands

In de nasleep van mijn artikel over morfologie stiet ik op een skripsie die ik als 4e-jaars kandidaatsstudent met een 3- of 4-tal medestudenten aan de UvA in juni 1972 bij elkaar schreef. Het is niet de bedoeling deze tekst te hanteren als lesstof voor de doorsnee brugklas vwo-havo; wel geeft hij aan op welk nivo wij destijds bezig waren en hoe diepgaand wij te werk gingen, zonder er overigens helemaal tevreden uit te komen. Dat vonden wij zelf, maar de dienstdoende docent Albert Kraak was er lyries over.

Ik herinner het mij als de dag van gisteren. Het was stralend weer, wij waren gedemokratiseerd en een deel van het Lambert ten Katehuis was bezet door de ASVA ter voorbereidng van aksies, of onbruikbaar vanwege interne troebelen binnen de staf van de neerlandistiek, of we hadden gewoon zin om buiten in de achtertuin in het gras te gaan zitten ter nabespreking van ons werk. We dronken tee, want koffie kostte een dubbeltje en tee was maar ƒ 0,05 (suiker gratis). Kraak, over wie in een volgend artikel nog wel wat meer, wilde kostwatkost weten door wie dit stuk was geschreven. Maar wij waren gedemokratiseerd en als doorgewinterde kollektivisten eisten wij op dat er een groepswaardering aan werd toegekend. Kraak hield maar vol, wilde dan op z’n minst weten wie de eindredaksie had verzorgd. Wij jokkebrokken zeiden dat die er niet was. Hij kon niet weten dat het lettertype onmiskenbaar van mijn Underwood mitrajeursnest was; misschien was ik ook wel de enige die op mijn kamer over een schrijfmasjien beschikte en het was het me zelfs gelukt de [ə] tevoorschijn te toveren, door gewoon een [e] te typen, die uit te knippen en dan met gluton omgekeerd op het te stensilen vel te plakken.
Wij kregen allen dezelfde hoge waardering, welke weet ik niet eksakt meer.

Toen ik onlangs het stuk nog eens doorlas, was ik nogal verrast over de inhoud, de uitgebreidheid, de diepgang en de gehanteerde werkwijze. Ik had dat in m’n eentje nooit voor elkaar kunnen krijgen, en je kunt studenten niet verwijten dat ze de uiteindelijke formalisering in bikkelharde regels niet als resultaat hadden weten te krijgen – wel een aanzet daartoe. Ik aksepteer immers alleen taalregels die zodanig zijn geformuleerd dat er geen uitzonderingen op hoeven te worden gemaakt met sterretjes en voetnoten. Je kunt het natuurlijk op z’n Paardekooperiaans doen: gewoon alle nederlandse zelfstandige naamwoorden opsommen met hun meervoudsvorm. Zo doen woordenboeken en woordenlijsten het ook. Maar daarvan is het nadeel dat zelfs de achterachterkleinkinderen van Piet Paardekooper nog niet erin zullen slagen zelfs maar de letter A te voltooien. Los daarvan: die metode zou bij Kraak een dikke onvoldoende hebben opgeleverd; daarover meer in mijn Kraakartikel.
Wat wel duidelijk werd, was dat de meervoudvorming van nederlandse woorden enorm kompleks is en nog lastiger te beschrijven dan de verkleinvormen van onze zelfstandige naamwoorden. En ook al is de skripsie nu bijna 50 jaar oud, de observasies zijn nog steeds geldig en bruikbaar, al zullen de inmiddels vele nieuwe uitheemse woorden nog wel tot wat verdere verfijning en beregeling dwingen. Mij schiet zo meteen alleen crash te binnen (nog niet in Van Dale 8e druk 1961), meervoud: crashes, dat door de toenmalige regels volgens mij niet wordt gedekt, of het zou moeten zijn dat het woord als [VREEMD] wordt gelabeld en zijn oorspronkelijke, engelse meervoud behoudt. Maar dan heb je ook nog putsch (al wel in Van Dale 8e druk 1961), ook [VREEMD], maar dat krijgt dan weer niet zijn duitse meervoud putsche, maar het vernederlandste putschen. Misschien een goed argument om maar liever over neerstorting(en) en staatsgreep/-epen te spreken.

Ik heb de 19 paginaas van het stuk niet overgetypt, maar gescand. Hieronder de gedigitaliseerde versie van de originele foliovellen:







Pas 31 jaar later zou Kraak erachter komen wie de typist van dit stuk was geweest. Dat verklap ik nou nog even niet.

 

Taalonderwijs en morfologie in het Nederlands

Binnen de taalwetenschap bestaan er enkele takken, waarvan iedereen wel de spelling kent en het redekundig en taalkundig ontleden. Minder algemeen bekend zijn de klankleer (fonologie en fonetiek, samen ook wel foniek genoemd), de betekenisleer (semantiek) en de leer van de woordbouw (morfologie). Over die laatste tak ga ik het hier hebben, maar dan wel in samenhang met de genoemde foniek, de semantiek en de spelling. Want die hebben veel met elkaar te maken, maar zij zorgen ook voor nogal wat problemen.

De morfologie is niet een onderzoeksterrein voor het Nederlands alleen, want alle talen gebruiken woorden en al die woorden zijn op een of andere manier gebouwd. Maar hier komt vooral de bouw van Nederlandse woorden ter sprake, anders wordt het verhaal veel te uitgebreid.

ENKELE BASISBEGRIPPEN UIT DE MORFOLOGIE
(zo zal ik ze ook hier in het vervolg hanteren)

  • MORFEEM: Een Nederlands woord bestaat uit één of meer morfemen; dat zijn de kleinst mogelijke lettercombinaties die in onze taal voorkomen, met of zonder betekenis. Dus huisangstbe--loosa-zijn allemaal morfemen.
  • STAMMORFEEM: Als een morfeem als alleenstaand woord kan voorkomen en het een betekenis heeft die verwijst naar iets of iemand in onze omringende werkelijkheid, noemen we het een stammorfeem of vrij morfeem. Het betreft dan een ongeleed woord dat niet verder uit elkaar kan worden gehaald, net zoals huis en angst. Elk Nederlands woord bestaat uit minstens één morfeem.
  • GEBONDEN MORFEEM: Als een morfeem niet los kan worden gebruikt, maar altijd aan een stammorfeem gehecht voorkomt, noemen we het een gebonden morfeem, zoals be-in beloven-loos in achteloos en a- in asociaal. Die gebonden morfemen zijn niet zonder betekenis, maar ze kunnen niet als losse woorden voorkomen.
  • AFFIX: Een gebonden morfeem staat in veruit de meeste gevallen vóór of na het stammorfeem; zie de voorbeelden hierboven. Het woord affix betekent aanhechting of toevoegsel. Staat het vóór het stammorfeem, dan noemen we het een prefix of voorvoegsel; staat het er achter, dan heet het een suffix of achtervoegsel. In sommige talen, maar in het Nederlands slechts uitzonderlijk, kan het affix ook midden in een woord staan, zoals de -s- in scheidsrechter. Die -s- is ingevoegd omdat bij weglating de uitspraak van het woord niet erg prettig overkomt. Iets dergelijks geldt voor de -e- in beginneling, die is ingevoegd omdat het zonder die overgangsklank lastig is uit te spreken. Zo’n affix binnen een woord heet in de vaktaal infix, en als het slechts dient als bindmorfeem tussen woorddelen, een interfix, op voorwaarde dat het geen zelfstandige betekenis heeft, maar alleen ten behoeve van de uitspraak is ingelast.
    Ook mag het niet zo zijn dat die tussenklank onderdeel uitmaakt van een van beide omringende morfemen: in damestasje en zienswijze kunnen we nog denken aan een bezitsaanduiding: het tasje van een dame, de wijze van zien. Dan heeft die -s wel degelijk een betekenis en staat er niet voor de klank. Inmiddels staan overigens de Nederlandse spellingregels toe dat zowel handelwijze als handelswijze aanvaardbare schrijfwijzen zijn en dat je zo’n tussen-s mag schrijven als je hem bij de uitspraak ook hoort.
  • SAMENSTELLING: Als twee of meer stammorfemen aan elkaar worden gekoppeld en zo een nieuw woord vormen, noemen we dat een samenstelling:
    tafel-blad of kachel-pijp-verbinding-stuk (de streepjes staan er alleen om de stammorfemen te onderscheiden). Het Nederlands kent, net als het Duits, geen bovengrens aan het aantal te koppelen stammorfemen.
  • AFLEIDING: als een stammorfeem wordt omgeven door een prefix en/of suffix, spreken we van een afleidinga-sociaalon-betaal-baarecht-heid.
  • MORFOLOGISCHE VALENTIE: Dat is de mogelijkheid van een taal om door middel van samenstelling en afleiding nieuwe woorden te vormen. Nederlands en Duits bezitten een veel grotere morfologische valentie dan bijvoorbeeld Engels, Frans en Italiaans.

Binnen de taalkunde worden afgeleide vormen als meervoud (stoel-en), verkleinwoord (bloem-e-tje of bloem-pje), buigingsuitgangen als goed-e en moerder-s mooiste, en verbuigingsaanduidingen als in ge-werk-t en wacht-te niet beschouwd als affixen, voornamelijk omdat die toevoegingen wel degelijk betekenisdragend zijn.
In heel veel gevallen komen we een combinatie van samenstelling en afleiding tegen en krijg je dus gauw vrij lange woorden, zoals oververmoeidheidsverschijnselen of ijsbereidingsmachineonderdelengroothandel.
De bewering dat het Duits met langere woorden werkt dan het Nederlands wordt niet door alle feiten bewaarheid. Er bestaan tellingen die uitwijzen dat de gemiddelde woordlengte van Nederlandse teksten (ietsje) hoger ligt dan van hun Duitse pendanten. Wel is het evident zo, dat de morfologische valentie van Nederlands en Duits aanmerkelijk groter is dan die van bijvoorbeeld Italiaans, Frans en Engels. We zien dat ook vaak terug in de verengelsing van het Nederlands, waarbij woorden die in het Nederlands aaneengeschreven moeten worden opeens als twee woorden verschijnen, omdat het Engels de valentie niet heeft om ze aaneen te schrijven, zoals het incorrect gespelde bagage depot (baggage room), ratten plaag (rat infestation), antwoord apparaat (answering machine) en vele andere.

En kom nou niet aanzetten met het Franse woord in de Almanach van La Poste 2011:
paraskevidekatriaphobie (angst voor vrijdag de 13e), want dat is gewoon Grieks, samengesteld uit Παρασκευή δεκατρία φόβος (“Vrijdag dertien angst“). Fransen kunnen zo’n samenstelling nooit maken.
Denk liever aan het voorbeeld dat ik elders al eens gebruikte:

derdewereldlandenontwikkelingshulpgeldstromenproblematieken

Dat zijn 59 letters. Laat ik welwillend zijn en de onderstreepte genitief-s als voorzetsel beschouwen – iets wat ik al langer doe. Dat kunnen ze in Duitsland ook:

Dritte-Weltländerentwicklungshilfegeldhähnerproblematik

(Naar mijn weten kent het Duitse woord Problematik geen meervoud.)
Ook maar één voorzetsel en een wat minder prettig verbindingsstreepje, maar met 54 letters net iets korter dan het Nederlandse origineel.
Arme Engelsen. die hebben er 4 voorzetsels voor nodig, want ze kunnen geen lange woorden maken:

Problems of the flow of money for development assistance to Third World countries

Maar liefst 13 woorden; altijd nog minder dan die nog armere Fransen en Italianen, die er 7 voorzetsels en 16 woorden voor nodig hebben door hun beperkte morfologische valentie:

Problématiques du flux d’argent pour aide aux pays du tiers-monde en voie de développement.
Problemi dei flussi di denari per aiuto ai paesi del terzo mondo in fase di sviluppo

Tsjechen eten van twee walletjes. Doordat zij maar liefst 7 naamvallen gebruiken, kunnen ze die inzetten naast ‘echte’ voorzetsels:

Problémy s toků kapitálů na rozvojovou pomoc zemím třetího světa

Maar met 2 voorzetsels (s en na) en 6 naamvalsvormen toch een stuk omslachtiger dan dat ene Nederlandse woord.
Maar misschien wisten jullie dat allemaal al lang.

HET BELANG VAN MORFOLOGIE IN HET ONDERWIJS
In het taalonderwijs is niet of nauwelijks plaats ingeruimd voor morfologie, net zomin als voor fonologie. De eeuwenoude term spraakkunst heeft niets te maken met uitspraak, maar met taal, als in het Duitse Sprache. Spraakkunst is dus gewoon taalkunde.
Al vanaf het basisonderwijs wordt er veel aandacht besteed aan spelling, zonder zich al te theoretisch te bekommeren over hoe spelling en fonologie verweven zijn met morfologische eigenschappen van woorden, en wat precies het verband en het verschil is tussen lettergrepen, syllaben en morfemen.

Als kinderen in het basisonderwijs woorden in delen moeten leren splitsen (ten behoeve van het spelonderwijs?) is een gebruikte methode hen ritmisch klassikaal die woorden uit te laten spreken, eventueel zelfs door erbij te klappen. Wat die kinderen dan doen, is syllabes isoleren.
Syllabes zijn immers klankgrepen, stukjes woord die je los van elkaar kunt uitspreken. Je hoort dan dus:
ho•ngərle•kər, voor•taanhee•lalwaa•rom.

Lettergrepen daarentegen zijn schrijfgrepen. Voor het opsplitsen van woorden in lettergrepen, belangrijk bijvoorbeeld voor het afbreken van woorden aan het regeleinde, worden bovengenoemde voorbeelden:
hon•gerlek•kervoort•aanheel•alwaar•om.

Bij een woord als meestal is het onduidelijk: de lettergrepen zijn meest•al, daarmee de morfologische regels volgend, maar mogelijk zullen in de klas de syllaben mee•stal klinken.
Over het algemeen volgt de lettergreepverdeling de morfologie van een woord, maar dat is geen absolute wet: bij drin•kenhon•ger en me•ten zijn het de fonologische regels van het Nederlands die de grens bepalen. Het is echter niet louter een onderwijsprobleem, elke taalgebruiker die schrijft loopt er met regelmaat tegenaan.

Wat dat afbreken van woorden aan het regeleinde betreft: er zijn drie mogelijkheden om daarmee om te gaan.

  • De eerste is te vertrouwen op de afbreekmodule van het tekstverwerkingsprogramma, bijvoorbeeld Word. Maar dat kan tot ongewenste resultaten leiden – dat zien we zelfs bij meer gevanceerde afbreekalgoritmen van de dagbladpers optreden. Bovendien moeten we alert zijn op dubbelzinnig samenstelde woorden als loods•pet/lood•spetbalk•anker/bal•kanker en vele andere, waar de lettergreepscheiding parallel loopt met de morfologische opbouw van de samenstelling, maar dat kan een tekstverwerker niet makkelijk doorzien.
  • De tweede methode is veiliger: zoek de afbreekregels op in een officiële spellinggids als het Witte Boekje, dat maar liefst vier pagina’s wijdt aan de zeer ingewikkelde regels voor het afbreken in het Nederlands, of zoek het op internet op bij de Taalunie.
  • De derde methode is de beste: breek woorden niet af aan het regeleinde; zet woordafbreken in Word gewoon uit. Dat is alleen heel vervelend bij teksten met lange woorden in smalle kolommen.

Een ander taalkundig probleem zien we bij de verklein- en meervoudsvormen in het Nederlands. Weliswaar zijn die de afgelopen eeuw omstandig en voortreffelijk beschreven, maar voor het onderwijs is dat allemaal teveel wetenschappelijke vaktaal. Ook bij deze vormen zien we dat morfologie, syllaben, lettergrepen, fonetiek en fonologie met elkaar om voorrang strijden.
Zo hebben we naast het morfeem hemd de verkleinvorm hempje (of hemdje, maar weingen zullen dat zo uitspreken) of in kindertaal hemmetje; naast gracht de verkleinvorm grachtje waarbij de t niet wordt uitgesproken, en bloem wordt tot bloempje of bloemetje;
kind wordt kindje, maar in het meervoud hebben we naast kindjes ook kindertjes; het enkelvoud *kindertje bestaat niet. Een klein blad wordt een blaadje, maar in het meervoud hebben we blaadjes en bladertjes, dat laatste echter alleen als het om boombladeren gaat, waarbij het enkelvoud *bladertje niet eens bestaat.
Gelukkig kunnen we ervan uitgaan dat kinderen al op basisschoolleeftijd over genoeg taalkennis en -ervaring beschikken om te weten wat de juiste verkleinvorm van een woord is. Kinderen weten dat met name, doordat in kindertaal veel vaker van verkleinwoordjes gebruikt wordt gemaakt (ook door hun ouders) dan in grotemensentaal, dus het probleem is bij hen niet zozeer de klank van het woord, maar hooguit de spelling en afbreekvorm ervan.

STAMMORFEEMPROBLEMEN
Ter afsluiting nog een tweetal probleemgevallen waarbij morfologie, fonologie, spelling en afbreking een rol spelen.

  • Het is van belang te weten wat de stam van een werkwoord is, voonamelijk vanwege de spelling van werkwoordsvormen. Het idee dat de stam de vorm is die achter ik komt, is niet geheel correct. Leef is niet de stam van leven, net zomin als vries de stam is van vriezen. Die stammen zijn namelijk resp. leev en vriez. Maar de fonologische wetten voor het Nederlands staan niet toe dat een woord of lettergreep in geschreven taal eindigt op een -v of een -z, (behoudens in leenwoorden als jazz•concert) en ook niet dat een woord of lettergreep met een stomme e. Dat verklaart de lettergreepscheiding be•le•ven in plaats van be•leev•en en be•vrie•zen in plaats van be•vriez•en, wat morfologisch gezien correcter zou zijn. Het Nederlands staat daarin niet alleen. Denk aan de Engelse koppels life en to live, of wife met meervoud wiveswolf met meervoud wolves, en komen to specialise en to specialize beide voor.
  • Een ander uitgangspunt is om als werkwoordsstam het hele werkwoord te nemen zonder de -en aan het einde. Dat werkt natuurlijk niet bij doen, gaan, zien en zijn, maar de bovengenoemde v en z komen dan wel correct in beeld. En daarmee zij dan tevens verklaard waarom leefde en geleefd, vreesde en gevreesd een d krijgen en niet een t, die ze volgens ’t kofschip zouden moeten krijgen bij de stam leef en vrees.
  • Bij woorden die het Nederlands aan een vreemde taal heeft ontleend, zeker als dat al lang geleden is gebeurd, is het maar de vraag of je de oorspronkelijke morfologie en lettergreepscheiding moet aanhouden of niet. Twee Griekse voorbeelden: de helikopter, “wentelwiek” komt uit het Griekse helikon(“spiraal“) en pterux (“vleugel“). In het Grieks breek je dat dus af als he•li•ko•pte•rux, maar het woord is zodanig vernederlandst, dat wij er he•li•kop•ter van maken, vooral doordat onze fonologische regels niet toestaan dat een Nederlands woord begint met pt- En dan natuurlijk morfologie, in het Grieks morf•o•lo•gie. Dat zou fonologisch gezien ook wel kunnen in het Nederlands, maar toch hebben wij het ‘aangepast’ en er mor•fo•lo•gie van gemaakt. Morfologisch incorrect dus.

Het moge duidelijk zijn dat Nederlands een lastige taal is, onder andere vanwege de voortdurende wisseling van prioriteit en botsende regels. Reden te over voor taaldocenten om zich goed in te werken in de morfologie van het Nederlands om zo tot meer heldere uitleg en een beter inzicht te kunnen komen.


Bronnen en referenties

  • – eigen lesmateriaal
  • – W.G. Klooster, Grammatica van het hedendaags Nederlands. SDU 2001
  • – Het Witte Boekje. Genootschap Onze Taal 2006
  • – M.C. van den Toorn, Nederlandse grammatica. Wolters-Noordhoff, 9e druk 1984
  • – Het verkleinwoord in het Nederlands. Instituut voor Algemene Taalwetenschap. UvA 1971
  • – Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS). Martinus Nijhoff, 2e druk 1997
  • – E-ANS op https://ans.ruhosting.nl/

 

Apetrots of kiplekker?

Beetje dom van mij. Of toch niet. Hoe kon ik paasbest nou vergeten?
Natuurlijk had ik te rade moeten gaan bij mijn oud-docent aan de UvA Hugo Brandt Corstius, alias Piet Grijs, alias Battus en zijn boek Opperlans!, voordat ik begon aan mijn queeste Apetrots en keileuk, naar versterkende voorvoegsels van bijvoeglijke naamwoorden.
Anderzijds: doordat ik erover begon, kwamen er wel mooi 90 reacties op, waarbij het achteraf opvallend is dat niemand ermee op de proppen kwam dat ik oud nieuws aan het vertellen was, althans het wiel opnieuw uitvond.

Ik ontdekte zijn lijst op de pagina’s KL en KM (zijn boek heeft geen paginanummers) en zag in een oogopslag dat die lijst ongeveer even lang is als de ‘mijne’, en dat het overgrote deel van zijn en mijn woorden identiek is. Dat wijst erop dat Battus en ik in hetzelfde taalregister aan het neuzen zijn geweest.
Aan de twee hoofdvoorwaarden voldoen beide lijsten:

– Het gaat om versterkende voorvoegsels in de geest van “helemaal; heel erg“.
– Het gaat om bijvoeglijke naamwoorden of bijwoorden (Battus spreekt van “bijvoeglijke (naam)-woorden”, maar ik neem voetstoots aan dat hij daarmee ook bijwoorden insluit.

Toch is het dan vreemd dat er in de lijst van Battus nog zo veel woorden staan die ten onrechte in mijn lijst ontbreken (41) naast nog eens 16 die ik niet wil opnemen, en, omgekeerd, dat hij zo veel woorden niet heeft opgenomen die in mijn lijst weer wel voorkomen; dat zijn er 57.
Een verklaring kan worden gezocht in het tijdverschil van rond de 20 jaar, maar zo snel verandert onze taal toch ook niet echt. Het verschil zit hem volgens mij grotendeels in de slordigheid, het niet lang genoeg gezocht en gevonden hebben. Dat geldt zowel voor hem als voor mij. Ook Hugo BC was slordig, hetgeen al blijkt uit zijn lijst op bladzij KL waar de woorden in principe in alfabetische volgorde zouden moeten staan, waarbij hij overigens de ij achter de x plaatst, terwijl ik de ij achter de h plaats – dit terzijde, maar op nogal wat plaatsen is die alfabetisering niet in orde. Typisch HBC, die nonchalante slordigheid. Ook geeft hij voorbeelden van voorvoegsels die hij niet in de lijst zelf heeft opgenomen, en omgekeerd.
Een andere verklaring is het filter dat hij en ik hebben gehanteerd om een woord juist wel of juist niet op te nemen. Ik loop de lijst met verschillen even langs.

Om maar te beginnen met de 41 HBC-voorvoegsels die ik zelf nog niet had opgenomen, maar dat wel had moeten doen; dat wordt dus een grote aanvulling van de lijst tot nu toe. Het betreft:

berstens- (als variant van barstens-)
been-(droog)
blak-(stil) (als variant op bladstil)
boom- (hij geeft geen voorbeeld, maar boomlang hoort er wel bij)
borende-(vol; variant op boordevol)(staat niet eens in zijn lijst, maar hij geeft wel het voorbeeld)
dik-(verdiend)
druip-(nat)
duif-(grijs; “zo grijs als een duif”)
duimen-(dik)
extreem-(rechts
; vroeger kwam extreemlinks ook voor)
hemels-(mooi)
kanon-(doof)
kanonnen(zat)
kikker-(groen)
koek-(warm
; al ken ik dat woord niet)
kwartel-(doof)
lammer-(zacht)
levens-(echt)
mollen-(vellig)
mes-(scherp)
naald-(scherp)
nok-(vol)
paarden-(slecht
of zat)
paas-(best)
paddenmoeder-(naakt)
papier-(dun)
pauw-(mooi)
pier-(naakt)
proppens-(vol
; variant op prop-)
puik-(best)
ras-(echt)
raven-(zwart)
spriet-(mager)
stampens-(vol
; variant op stamp-)
starnakel-(zat of gek)
stier-(vervelend)
tintel-(fris)
tjop-(vol
; variant op tjok-)
torre-(zat)
vlinder-(licht)
wild-(vreemd)

Dan de 16 HBC-voorvoegsels die ik niet opneem, tenzij iemand mij weet te overtuigen:
bagger- : ik ken geen bijv.naamwoord of bijwoord met bagger-. Ik hoop toch niet dat HBC doelt op baggerlui; dat zou een zeer vermakelijke misser zijn.
bok- : hij vermeldt bokbenig; dat komt ook voor in Van Dale, maar betekent niet: “heel erg benig“, maar slaat op het voorbeen van een paard dat niet in de juiste stand staat.
kladder- : daarvan kan ik geen voorbeeld vinden en HBC geeft het ook niet.
loop- : ik ken geen bijvoeglijk naamwoord of bijwoord met loop-. HBC geeft het ook niet. Aan loopduur wil ik niet denken.
moederziel- : ken ik niet als voorvoegsel; volgens mij schrijf je moederziel alleen steeds als twee woorden.
nacht- : daarvan kan ik geen voorbeeld vinden en HBC geeft het ook niet.
nood- : HBC geeft geen voorbeeld; mocht hij aan nooddruftig denken, dan zie ik er niet de versterkende vorm van druftig in, want dat woord komt mij onbekend voor; ook Van Dale en het WNT vermelden het niet. Ook helpt het me niet als ik nood niet lees in de betekenis “SOS“, maar als “dat wat je nodig hebt; wat je node mist“.
pak- : mij onbekend als versterkend voorvoegsel; in de war met pakgoed?
parel- : als in parelgrijs heeft niet de betekenis “heel erg“, maar duidt een soort grijs aan; een specificatie dus.
puur- : is mij onbekend; HBC geeft er ook geen voorbeeld bij.
ree- : als in reebruin heeft niet de betekenis “heel erg“, maar duidt een soort bruin aan, wederom dus een specificatie.
reiger- : is mij onbekend; HBC geeft er ook geen voorbeeld bij.
rot- : idem.
stinkend- : idem.
ui- : HBC noemt uivol, maar dat woord is mij onbekend.
zwaan- : is mij onbekend; HBC geeft er ook geen voorbeeld bij.

APETROTS (mijn lijst) KIPLEKKER (uit Opperlans!)
211 214
1.        aalglad 1. aal
2.        aardedonker 2. aarde
3.        aartslui 3. aarts
4.        almachtig *) 4. al
5.        apetrots 5. ape
6.        appelweek
7.        asgrauw 6. as
7. bagger
8.        barstensvol 8. barstens
9.        beeldschoon 9. beeld
10. been
10.      bekaf
11.      beresterk 11. bere
12. berstens
12.      bikkelhard 13. bikkel
13.      bitterkoud 14. bitter
14.      bladstil 15. blad
15.      blafheet
16. blak
16.      bliksemsnel 17. bliksem
17.      bloedserieus 18. bloed
18.      blokkoud
19. bok
19.      bom(metje)vol
20. boom
20.      boordevol 21. boorde
21.      boterzacht 22. boter
22.      brandschoon 23. brand
23.      bremzout 24. brem
24.      brilfokkingjant **)
25.      broodnodig 25. brood
26.      dagenlang
27.      dieptriest 26. diep
27. dik
28.      doldriest 28. dol
29.      donszacht
30.      doodsbang 29. doods
31.      doodziek 30. dood
32.      doornat
33.      drijfnat 31. drijf
32. druip
33. duif
34. duimen
34.      eeuwenlang
35.      eivol 35. ei
36.      ellenlang 36. ellen
37. extreem
37.      ezelsdom 38. ezels
38.      felbegeerd 39. fel
39.      fliederdun
40.      flinterdun 40. flinter
41.      fluweelzacht 41. fluweel
42.      foeilelijk 42. foei
43.      fonkelnieuw 43. fonkel
44.      gifgroen
45.      gigagroot
46.      gitzwart 44. git
47.      glashelder 45. glas
48.      gloednieuw 46. gloed
49.      gloeiendheet 47. gloeiend
50.      godsonmogelijk 48. gods
51.      gortdroog 49. gort
52.      goudeerlijk 50. goud
53.      graatmager
54.      grootmoedig
55.      haarfijn 51. haar
56.      hagelblank 52. hagel
57.      helverlicht 53. hel
58.      hemelhoog 54. hemel
55. hemels
59.      hondsmoe 56. honds
60.      honingzoet 57. honing
61.      hoogbejaard 58. hoog
62.      hoogstwaarschijnlijk
63.      hoorndol 59. hoorn
64.      huize(n)hoog 60. huizen
65.      hyperintelligent 61. hyper
66.      ijskoud 62. ijs
67.      ijzersterk
68.      inktzwart 63. inkt
69.      intriest 64. in
70.      kaarsrecht 65. kaars
71.      kakelvers 66. kakel
67. kanon(nen)
72.      katjelam
73.      keileuk 68. kei
74.      kerngezond 69. kern
75.      kersvers 70. kers
76.      kiezelhard
71. kikker
77.      kipfit 72. kip
78.      klaarwakker 73. klaar
74. kladder
79.      kleddernat
80.      klemvast
81.      kletsnat 75. klets
82.      klinkklaar 76. klink
83.      knakeduur
84.      knalrood 77. knal
85.      knaphandig
86.      kneite(r)hard
87.      knettergek 78. knetter
88.      knoepduur
89.      knoerthard 79. knoert
90.      knotsgek 80. knots
81. koek
91.      koekerond
92.      kogelrond 82. kogel
93.      kokendheet
94.      kotsmisselijk 83. kots
95.      kraakhelder 84. kraak
96.      krijtwit
97.      kristalhelder
98.      kurkdroog
85. kwartel
99.      ladderzat 86. ladder
87. lammer
100.   lelieblank 88. lelie
101.   lentefris
102.   leplazarus
89. levens
103.   lijkbleek 90. lijk
104.   lijnrecht 91. lijn
105.   loeihard 92. loei
106.   loepzuiver
107.   loodzwaar 93. lood
94. loop
108.   megagroot
109.   melkwit 95. melk
96. mes
110.   metershoog
111.   mierzoet 97. mier
112.   mijlenver
113.   moddervet 98. modder
99. moederziel
100. mollen
114.   mokerhard
115.   morsdood 101. mors
116.   mud(je)vol 102. mud
117.   muisstil 103. muis
118.   muurvast 104. muur
105. naald
106. nacht
119.   nagelvast 107. nagel
108. nok
109. nood
120.   oersaai 110. oer
121.   okselfris
122.   oliedom 111. olie
123.   oppermachtig 112. opper
124.   ovenvers
125.   overheerlijk 113. over
114. paarden
115. paas
116. paddenmoeder
117. pak
126.   panklaar ***)
118. papier
119. parel
120. pauw
121. pek
127.   peperduur 122. peper
128.   piekfijn 123. piek
129.   piemelnaakt 124. piemel
130.   piepklein 125. piep
126. pier
131.   pijlsnel 127. pijl
128. pijp
132.   pik(ke)donker 129. pik(ke)
133.   pimpelpaars 130. pimpel
134.   pislink 131. pis
132. plank
135.   poedelnaakt 133. poedel
136.   poep(ie)link 134. poep(ie)
137.   poeslief 135. poes
138.   pokkensaai 136. pokke
139.   pompaf 137.
140.   potdicht 138. pot
141.   prinsheerlijk
139. proppens
142.   propvol 140. prop
143.   pufheet
141. puik
144.   puntgaaf 142. punt
143. puur
145.   ragfijn 144. rag
145. ras
146. raven
146.   razendsnel 147. razend
148. ree
149. reiger
147.   retegoed 150. rete
148.   reuzeblij
149.   roetzwart 151. roet
150.   roodgloeiend
151.   roomblank 152. room
153. rot
152.   rotsvast 154. rots
153.   schathemeltjerijk
154.   schatrijk 155. schat
155.   schijtnerveus
156.   smoorverliefd 156. smoor
157.   sneeuwwit 157. sneeuw
158.   snikheet 158. snik
159.   snipverkouden 159. snip
160.   snoeihard
161.   snorziek
162.   snotverkouden 160. snot
163.   spekglad 161. spek
164.   spiegelglad 162. spiegel
165.   spierwit 163. spier
166.   spijkerhard 164. spijker
167.   spiksplinternieuw 165. spiksplinter
168.   spinnijdig 166. spin
169.   splinternieuw 167. splinter
170.   spotgoedkoop 168. spot
169. spriet
171.   springlevend 170. spring
172.   spuugzat 171. spuug
173.   staalblauw
172. stampens
174.   stampvol 173. stamp
175.   stapelgek 174. stapel
175. starnakel
176.   steenrijk 176. steen
177.   stekeblind 177. steke
178.   stervenskoud
178. stier
179.   stijfbevroren
180.   stikgoedkoop 179. stik
180 stinkend
181.   stinkrijk
182.   stokstijf 181. stok
183.   stomverbaasd 182. stom
184.   straalbezopen 183. sreaal
185.   straatarm 184. straat
186.   strakblauw
187.   strontziek 185. stront
186. suiker
188.   supergaaf 187. super
188. tintel
189.   tjokvol 189. tjok
190. tjop
190.   toeterzat 191. toeter
191.   ton(ne)rond 192. ton
192.   topfit 193. top
193.   torenhoog 194. toren
195. torre
196. ui
194.   ultramodern 197. ultra
195.   vederlicht 198. veder
196.   vliegensvlug 199. vliegens
197.   vliesdun 200. vlies
198.   vlijmscherp
201. vlinder
199.   vogelvrij 202. vogel
200.   volvet 203. vol
201.   vuistdik
202.   vuurrood 204. vuur
203.   wagenwijd 205. wagen
204.   watervlug 206. water
205.   wijdverbreid
207. wild
206.   witheet 208. wit
207.   wonderschoon 209. wonder
208.   zeiknat 210. zeik
209.   zielsgelukkig 211. ziels
210.   zijdezacht 212. zijde
211.   zonneklaar 213. zonne
214. zwaan

Cronfeld en Andrea

Ik had in het artikel over Corsini, Institutiones Mathematicæ toegezegd nog terug te komen op de inscriptie (zie hiernaast) die Frater Barnabas Cronfeld voorin had geschreven en waaruit bleek dat het afkomstig was van ene Andrea. Inmiddels heb ik zo veel gegevens kunnen vergaren, dat die aanvulling nu kan volgen. Dat alles dankzij de hulp van een Kroatische theoloog die verbonden is aan een universiteit in München.

Allereerst de tekst van de inscriptie zelf. Daar had ik toch een en ander niet correct gelezen, deels door onbekendheid met de situatie in 1760. Er staat nu zeker:

Fr. Barnabas Cronfeld | acquisivit a M.V.P. Andrea | ab egge A° 1760
dat betekent dan: Fr[ater] Barnabas Cronfeld verwierf [dit boek] van M.V.P. Andrea uit Egge in het jaar 1760.

De afkorting M.V.P. staat tegenwoordig voor “Minimal Viable Product” of “Most Valuable Player”, maar in de 18e eeuw was het “Multum Venerabilis Pater“, oftewel “Zeer Hoogwaardige Vader“.

En in plaats van “esse“, wat ik eerst las, staat er “Egge”, en dat is een van de oude benamingen van de stad Eger, wat weer de Duitse benaming is van het huidige Cheb aan de Tsjechische westgrens. Je moet het allemaal maar weten en beseffen. Pater Andrea kwam dus uit Cheb.

Cheb ligt aan de rivier de Eger, die in het Tsjechisch de Ohře heet, maar vanaf de Duitse grens weer Eger, voor het gemak. Zoek maar even op de kaart. (kaart © Auto Atlas ČSSR 1971)
Er zit wel een aardige anekdote aan vast, die mijn visie op de Koude Oorlog heeft beïnvloed.

 

De allereerste keer dat ik naar Tsjechoslowakije ging, najaar 1968, namen een van mijn zussen en ik de weg die via Marktredwitz en Schirnding naar de grens voerde, en vandaar via Pomezí, Cheb en Karlový Vary naar Praag.
Die grens was al een belevenis op zich. Uren wachten, paspoorten en visa afgeven, alles uit de auto, controle van binnen en van onderen met en spiegel aan een lange stok, een soort selfie stick avant la lettre; geen toiletten, niks te drinken.
Ik nam schielijk bijgaande foto, wat absoluut streng verboden was, maar ik had lef genoeg me die scène niet te laten ontglippen. Het vervelendste was, dat het al aan de late kant was, en omdat we in het laatste stuk West-Duitsland helaas geen tankstations meer waren tegengekomen, waren we aangewezen op wat we in de 200 km naar Praag nog zouden kunnen vinden, wetende dat we Praag zelf op onze tank niet meer zouden halen. De mistroostigheid van de omgeving en bebouwing bood weinig hoop, tot ik ergens tussen Pomezí en Cheb (of was het bij Sokolov, meer rechts op de kaart?) een ommuurd terrein zag met prikkeldraad en gietijzeren hekwerken. Ik vermoedde een politie- of legerbasis en verwachtte daar de nodige hulp te kunnen krijgen. Aan de poort werden wij resoluut staande gehouden. In mijn beste Tsjechisch legde ik verontschuldigend uit dat we bekant zonder benzine zaten. De schildwacht legde vervolgens in zijn beste Russisch uit dat dit geen tankstation was, maar militair terrein. Verboden toegang. We waren het volkomen eens, al waren we nu wel door eigen toedoen in Sovjet-Russische handen gevallen.

Inmiddels had een half peloton Sovjets zich rond ons opgesteld. Een Austin Maxi? Nog nooit gezien. Een Nederlands nummerbord? Waar ligt dat ergens? Misschien wisten zij ook al niet eens in welk land zij zich zelf nu bevonden. Vol trots showde ik de auto, welke rondleiding eindigde bij de tankdop. We kregen prompt een halve tank vol Siberische benzine (vermoedelijk zwaar loodhoudend) gratis en voor niks. Wederzijds goedmoedig zwaaiend reden we door naar Praag.

Een paar jaar later stond ik met een paar vrienden op het station van het nu Slowaakse Banská Bystrica te wachten op de trein naar Praag, maar die bleek pas uren later te vetrekken. We raakten in gesprek met een legerofficier, zo aan al zijn insignes te zien. Toen hij ons vertelde dat de trein pas om 8 uur vertrok, zei hij “wosemj” voor “acht” in plaats van gewoon Slowaaks “osem” en wist ik daardoor meteen dat we met een Rus te maken hadden. Hij nodigde ons vieren uit met hem mee naar huis te gaan waar we een paar glazen vodka kregen en een grote kom aardappelsoep, die nog net te hachelen was. Ruim op tijd bracht hij ons weer naar het station.

En tien jaar na mijn eerste Cheb-ervaring waren we eind december 1978 in Praag. Bij 12º konden we zonder jas langs de Moldau wandelen. Maar die nacht viel pardoes de vorst in en de volgende ochtend was het -35°. De sloten van onze Saab 99, geparkeerd voor hotel Olympik****/Garni***, zaten potdicht, en toen de deur met kunst- en vliegwerk open was, bleek de accu bevroren, althans leeg te zijn. Het waren Sovjetsoldaten met een vette Russische legertruck die met startkabels hun 24-Volt accu kortstondig aan onze 12-Volt startmotor hield en de motor liep weer.

Ik geef het onmiddellijk toe, een Buk-raket is andere koek, maar de waarheid ligt in het midden.

Cheb dus, want dat was het tussenstation op weg naar de onthulling van de geheimen achter de inscriptie die Cronfeld ons naliet. Cheb heeft een Franciscaans klooster dat uit de 13e eeuw stamt. In 1951 werd het onteigend en moesten de religieuzen vertrekken, maar in 1991 kwam het weer in kerkelijk bezit. Het was dus daar dat we onze nog steeds mysterieuze M.V.P. Andrea moesten zoeken.

Een speld in een hooiberg. Googelen helpt niet. Maar als je eenmaal gepensioneerd bent, zoek je niet de speld, maar zoek je de hooiberg, waarna je tijd zat hebt om ergens die speld te vinden. En zo geschiedde.

Vanuit München kreeg ik een link doorgestuurd naar het boek van Franjo Emanuel Hoško, Pejo Ćošković & Vicko Kapitanović  (red.) : Hrvatski franjevacki biografski leksikon, Zagreb 2010. Een Kroatisch Franciscaans biografisch lexicon dus. Daarin trof ik twee spelden aan in de 18e eeuwse Midden-Europese hooiberg. Ik geef er maar even een Nederlandse vertaling van.

Op p.110:
CRONFELD, Barnabas, filosoof en schrijver (* Frankenstein, Silezië, tegenwoordig Ząbkowice Śląskie, 12.XI.1730 – † Mohač, 13.IX.1788). In 1750 werd hij lid van de [kerk-]provincie Bosnië-Srebrena in Velika, en na de opdeling van Bosnië-Srebrena in 1757 werd hij lid van de [kerk-]provincie Sv. Ivan Kapistran [=Joannis a Capistrano]. Hij doceerde filosofie in Vukovar van 1758-1761 en hield een openbaar debat in de filosofie. Hij slaagde voor het examen voor hoogleraar theologie in Osijek in 1763 en was leraar aan de Theologische Scholen in Timișoara van 1763-1765, in Petrovaradin van 1765-1768 en in Buda[pest] van 1774-1777; voor zijn verblijf in Buda was hij van 1768-1774 in Dakovo adviseur van twee bisschoppen, Joseph Antun Colnic en Matthew Francis Krtica.
Van hem zijn vier uitgaven bekend, tussen 1760 en 1776 in Valcovarini (dat is dus Vukovar) en Essekini, oftewel Osijek. Het is wat met die plaatsnamen.
Niet zo vreemd dus dat hij in 1760 het boekje van Corsini goed kon gebruiken

En dan, tot mijn grote verbazing die andere kleine speld, op p. 222:
HEITZER, Andrija, filosoof en schrijver (* Cheb, -in het Duits: Eger-, Tsjechië, 1.IX.1732 – † Radna kraj Recaș, 9.III.1803). Hij was lid van de [kerk-]provincie St. Ivan Kapistran [=Joannis a Capistrano]. Hij trad eerst op als professor in de filosofie aan het College van Brod aan de Sava in 1764-1765, waar hij in de Franciscaanse kerk een openbaar debat in de filosofie leidde, en hij presenteerde 59 scripties in de filosofie. Hij zette zijn pedagogische en didactische werk niet voort, maar werd ouderling van de kloostergemeenschappen in Vukovar in 1775-1776, in Radna van 1776-1777, 1778-1791 en 1800-1803, en in Osijek in 1783-1784. Hij was definitor [=een soort kloosterbeleidmaker] van 1777-1780. Hij heeft veel moeite gestoken in de ontwikkeling van het Maria-heiligdom in Radna, waar Kroatische, Duitse en Hongaarse gelovigen bijeenkwamen.
Van zijn hand verscheen Propositiones selectæ ex universa philosophia. Essekini [=Osijek], Typis Francisc., 1765.

Zo had ik dus in één klap een antwoord op zowat alle vragen en onduidelijkheden die de magere inscriptie voorin het boek van Corsini vermeldde.

En nog meer dan dat. Terwijl ik eerder van mening was dat het werkgebied van Cronfeld beperkt bleef tot het Donau-stroomgebied van Boedapest tot Vukovar, zodat hij het per schip afkon, blijkt hij ook werkzaam geweest te zijn in het Roemeense Radna (boven Recaș, ten oosten van Arad) en in Timișoara. En Andrija Heitzer werkte niet alleen in Vukovar, maar onder meer ook in het genoemde Radna en in Osijek. Dat zijn nogal wat grensoverschrijdende afstanden voor die tijd. Toen ik mijn verbazing daarover liet blijken, kreeg ik vanuit München ook nog een kopie van de prachtige kaart uit 1830 toegestuurd van de Franciscaanse provincie Joannis a Capistrano. Ik ben dol op landkaarten. En deze maakt duidelijk welk een gebied die ordeprovincie omvatte: van Sankt-Pölten bij Wenen links boven, tot Belgrado rechts onder; van Timișoara en Radna rechts tot Požega en Cernik links onder. Als je op de kaart klikt, zie je hem voor een betere leesbaarheid in hoge resolutie (5760 x 3840 px; 7,5 Mb).

Eigenlijk had ik het dus helemaal voor niets over Cheb, met zijn Franciscaanse klooster, zijn grens, zijn Sovjet-legerplaats. Het was alleen maar de geboortestad van M.V.P. Andrea. Maar intussen heb ik weer een hoop bijgeleerd en kon ik dat vermengen met eigen herinneringen van 50 jaar geleden.