Jargon

Als onverwachte bijvangst bij mijn jarenlange docentschap PR & Voorlichting ben ik mij gaan bezighouden met het onderzoeken en beoordelen van reclame-uitingen, in druk, op radio en op tv. Heel af en toe heb ik daarover al eens een bericht gepubliceerd. Zie bijvoorbeeld:
https://nardloonen.nl/2014/11/13/reclamegekte/

en
https://nardloonen.nl/2017/12/10/de-eczeem-creme-1-van-2/
In die gevallen betrof het voornamelijk incorrect taalgebruik en/of incorrecte informatie. Ik wil het nu even hebben over het tenenkrommende jargon en over de misleidende allusies waaronder advertenties en reclamespotjes ons bedelven.

Voor de zoveelste maal breng ik daarbij in herinnering de elfde stelling uit mijn proefschrift (2003), waarvan de waarheid onverminderd van kracht blijft:

Het volstaat niet commerciële reclame op radio en televisie te kwalificeren als infantilisering van taal en denken. De permanente zweem van misleiding, volstrekt niet ter zake doende associaties tussen het aangeboden product en de setting van de reclame-uiting, het kwetsen van individuele burgers die op uiterlijke of innerlijke kwaliteiten niet voldoen aan de norm die door reclame-uitingen wordt gesuggereerd als standaard en goed, alsmede het gebrek aan juiste en voldoende consumentenvoorlichting die in reclame-uitingen wordt aangetroffen, vragen om verdergaande regelgeving dan de bevoegdheid en werkwijze van de Reclame Code Commissie tot op dit moment.

Ik loop een aantal ‘standaarden’ van het reclamejargon en van reclamebeeldvorming in alfabetische volgorde langs. Compleet is het allerminst, maar mijn insteek is zo ook wel duidelijk, lijkt me. Een vrij willekeurige greep dus uit de vele taal- en beeldinvloeden waarmee de consument wordt verblijd:

BIJTELLING: Een prima manier om de doelgroep van je autoverkopen aanzienlijk in te perken. Is alleen interessant voor zakelijke rijders die hun auto ook deels privé mogen benutten. De genoemde bedragen voor de bijtelling zijn vanaf-prijzen. Ga er maar van uit dat je veel meer zult kwijt zijn, afhankelijk van het aantal privékilometers en de eventuele inkomensafhankelijke heffingskortingen. Het is de zoveelste manipulatie om je de indruk te geven dat je voor weinig geld veel auto krijgt. En ik sluit niet uit dat niet-oplettende kijkers het bijtellingsbedrag lezen als een aanschafbedrag, waarmee de auto wel erg goedkoop wordt en binnen bereik komt.

BUITEN BEREIK:Buiten bereik van kinderen houden“, klinkt het vaak met een zespunts-stemmetje heel vlug en achteraf, vooral bij heftige schoonmaakmiddelen. Terecht natuurlijk; dat staat ook verplicht op de verpakking. Bedoeld effect: u staat op het punt iets te gaan kopen wat zó heftig is en verwoestend, dat uw kind er ernstig last van kan krijgen. En dus is het een prima middel, niet om van uw kinderen af te komen, maar om tevredenstellende resultaten bij de schoonmaak te verkrijgen. Als ik het goed beluister, mag u als volwassene (die het product gaat betalen) zelf het product wèl inslikken.

DUITS: Er was eens een tijd dat men het om begrijpelijke redenen niet commercieel verantwoord achtte Duitstalige spotjes te maken of zelfs maar Duitse producten aan te prijzen. In de laatste decennia komt daarin wat verandering, maar nog steeds wel vaak in aangepaste vorm. Ik noem er drie:
– Versluierend taalgebruik. Jarenlang kregen we in reclame-uitingen en briefpapier niet te weten dat energieleverancier RDW stond voor Rheinisch-Westfälisches Elektrizitätswerk. Dat was niet omdat het bedrijf met zijn bruin- en steenkool zo’n enorme CO2-uitstootvervuiler is, maar eerder omdat weinigen zitten te wachten op Duits gas. Dus gewoon de naam niet voluit noemen (of tot naamsverandering overgaan).
– Nasynchroniseren. Dan koop je nog steeds wel een Duits product, maar je kunt het tenminste niet horen. Zie verder onder NASYNCHRONISEREN.
Vergeet niet dat al sinds 2014 de autoverkoop in Nederland voor bijna 40% uit Duitse auto’s bestond; dat is meer dan het aandeel van Franse en Japanse auto’s samen. In de jaren vóór 2014 was dat nog niet zo. Ook in de witgoedsector (AEG, Siemens, Bosch, Braun, …) hebben Nederlanders wel het nodige vertrouwen.
– Aangepast taalgebruik. Laat een Duitse Opelverkoper ‘gewoon’ Nederlands praten en hem met een soort Prins-Bernhardstemmetje het misplaatste understatement  maken “Duitsers maken geen grappen“. Dan heeft ieder het zijne. Klinkt beter dan “Jedem das Seine”.

GRATIS: Wat je allemaal niet kunt krijgen voor 0 cent: een brochure, een hoortest, 2+1 gratis. Maar gratis geld bestaat niet, dus het komt je duur te staan. Als er al iets gratis is, is dat alleen maar als je eerst of daarbij iets anders koopt en betaalt. Tijdens een reclameblok op NPO2 van 24 november 2019 telde ik zes spotjes waarop iets zogenaamd gratis werd aangeboden. Te vrezen valt dat voor die bedrijven een onafwendbaar faillissement dreigt.

GRIEKS-LATIJN: Omdat adverteerders weten dat het gemiddeld niveau van de kijker op of onder dat van havo ligt, is het gebruik van Grieks en Latijn uiterst effectief. Geen kijkershond weet wat het betekent, maar het klinkt gewichtig, intellectueel, wetenschappelijk en alleen daarom al betrouwbaar. Hydraterend is er zo een; zie aldaar. Echinaforce, van het echinacea-kruid, is er ook zo eentje; die zou dus ook rodezonnehoedkracht kunnen heten, maar dat verkoopt niet.

HAMSTEREN: In de Toelichting  op de BB-brochure “Wenken voor de bescherming van uw gezin en uzelf” uit 1961 staan onder meer de volgende wijze woorden, in aangepaste ambtelijke taal over Uw IJzeren Voorraad, voor het geval de atoombom valt en U met Uw Gezin onder de eettafel bent gekropen tegen de radioactieve straling van een atoombom, of onder de trap een schuilplaats hebt gevonden. Of voor het geval de Russen komen (maar bedenk in die omstandigheid dat zij U zullen vinden en zij Uw IJzeren Voorraad zullen confisceren en consumeren – niet voor niets hebben zij ook al een IJzeren Gordijn opgetrokken, weliswaar gelabeld “Made in West-Germany“, maar dat was om U te misleiden):
Te hopen valt dat AH in komende reclamespotjes over HAMSTEREN!!! dit nog eens goed in ieders oren knoopt. Bedenk daarbij wel dat, de inflatie indachtig, voor gepensioneerden, autobezitters en huurders ƒ 1,00 gelijk staat aan € 1,00, maar wellicht kunt U met Uw bonuskaart daar nog wat op bezuinigen.
Op één punt hadden de Wenken voor eerste hulp gelijk: voorop prijkt het advies:
– blijf kalm
– eerst denken
– dan doen
Neem dat mee als je in de super rondloopt of naar STER-reclames kijkt.

HERHALING: Uitermate irritant en minachtend. Denken ze daargids dat de kijkers in doorsnee dement zijn? Of anderszins vergeetachtig? Of als leerlingen in de klas niet goed hebben zitten opletten? Op mij maakt het hervertoon van een spotje tijdens één reclameblok een indruk van opdringerigheid, van ellebogenwerk, van indoctrinatie, van hijgerigheid. Zolang STER-reclame niet wordt afgeschaft, moet het toch minstens worden verboden tweemaal binnen één blok in beeld te komen.
Op zich is herhaling geen taalvorm, maar wel een stijlfiguur: repetitio; bis repetita manent. Als je maar vaak genoeg iets zegt, wordt het uitindelijk nog geloofd ook. Ene Hermann G. ( † 15 oktober 1946, Nürnberg) kon U daarover van alles duidelijk maken.

HETERO: Het schijnt dat bepaalde soorten producten beter verkocht kunnen worden als er een piemelstijvend heterosausje overheen wordt gespoten. Niet alleen bij hippe drankjes, waarbij je nogal gauw op de versiertoer kunt gaan, maar opmerkelijk genoeg ook bij automobielreclames. Het komt mij voor dat die combinatie de bestuurder/-ster afleidt van de primaire rijtaak: geen ongelukken maken op weg van A naar B.

Dat seksistische gedoe op tv begon al jaren geleden met een spotje voor de Renault Mégane, waar zelfs op de Nederlandse tv de aandacht werd gevestigd op Le Derrière, alsof de uitlaatzijde van een Mégane een vrouwenkont symboliseert.
Intussen is nu mijn grootste irritatie een spotje waarbij pa heeft afgerekend bij het Esso-tankstation en dan in zijn auto zijn (?) dochter op de achterbank zit met naast haar een bloedmooi jongetje met donkere zonnebril op. Pa is nog verbaasd en verschrikt ook. Maar aan het einde van de spot zien we het jeugdige dartele stel in een disco. Esso dus. Pomp dat er maar in. Zie voor nadere toelichting en filmbeelden mijn ESSO-woede. De irritatie over deze reclamespot berust op mistens drie gronden:
A) De associatie die wordt gewekt (zie bovenaan dit artikel) is volstrekt misplaatst; er bestaat geen logisch verband tussen autobrandstof en een liefdesaffaire tussen jongeren.
B) De vraag is of er in het filmpje sprake is van ontoelaatbare en/of ongewenste kinderarbeid.
C) Het rolbevestigende karakter van de STER-spot is kwetsend. Een tankstation is geen legitiem podium voor hetero-educatie van de jeugd.

Turkish Airlines kan er ook wat van. Nog los van het feit dat hun reclamecampagne van eind 2019 is nagesynchroniseerd (zie onder NASYNCHRONISEREN) wekt de spot de indruk dat Turkije alleen uit aantrekkelijke dames bestaat waar ook verwachtingsvolle dames op af vliegen. Dat lijken ze te hebben gejat van de Israelische VVV die in de periode daarvoor Europese mannen poogde te verleiden naar Israel te gaan omdat dat vol zit met gastvrije vrouwspersonen. Alsof het puur mannen zijn die de vakantiebestemming bepalen en de reis betalen, alsof zij hunkeren naar een weekje te worden ondergedompeld in feminiene weelderigheid, alsof het er niet toe doet welk Verweggistan je bezoekt, als het maar een Lustoord van Lekkere Wijven is. Let vooral ook op de tafeltjes op de achtergrond, waar mannen hun uiterste best doen hun(?) vrouwen richting Turkije te bewegen.

HYDRATEREND: Klinkt indrukwekkend, “een kwart hydraterend“. Kan iemand mij uitleggen wat het betekent? En of een kwart hydraterend beter of slechter is dan een half of een achtste hydraterend? Het gebruik van Griekse of Latijnse (pseudo-)medische terminologie verkt overrompelend op tv-kijkers die nooit verder dan het havo zijn gekomen.

KAN: Weer een mooi staaltje valse argumentatieleer: “Als [situatie x], dan KUNT u [product y] gebruiken“; “Veel mensen hebben last van [aandoening x]”, of: “Heeft u ook zo vaak [onprettig gevoel x]? Daarbij KAN [product y] verlichting bieden. De reclamemaker dekt zich juridisch in, maar de kijker weet zich zo goed als verzekerd van het vast wel hebben van aandoening/onprettig gevoel x (“gezien op tv!“) en meent dus dat het aangeboden product absoluut noodzakelijk is. De onbewezen generalisatie “veel mensen” appelleert aan het onjuiste “iedereen, dus ook jij“. Het “kan” impliceert in feite dat het ook niet kan, maar de klant is al op weg naar de drogist.

KLEINE LETTERTJES: Tal van reclamemakers bij de STER nemen het begrip “kleine lettertjes” wel èrg letterlijk. In een piepklein tweepuntslettertje worden onderaan, liefst tegen een slecht contrasterende achtergrond, gedurende zoiets als 1½ seconde de al dan niet wettelijk verplichte meldingen en nare voorwaarden geprojecteerd die geen normaal mens tot zich kan nemen. Dat is in de gedrukte pers ook wel zo, maar daar heb je tenminste nog de mogelijkheid er 1½ uur en met behulp van een loep naar te turen.

Ik geef twee voorbeelden:

Dit soort consumentenvoorlichting wekt de schijn dat de verkoopbelusten er allerminst om zitten te springen de waarheid onder de aandacht van de consumenten te brengen. Het lijkt me een taak van de Reclame Code Commissie. Volgens de Nederlandse Reclame Code mag immers een reclame het publiek niet misleiden en daar rieken die minuscule kleine lettertjes in hun onleesbare flitsprojectie wel naar. Zie https://www.reclamecode.nl/nrc/ voor de geldende regeling in Nederland.

KORTING: Als alles (tijdelijk) zoveel goedkoper kan zijn, duidt dat ofwel op een uitloopproduct, of een industrieel wanproduct, of ons is altijd te veel berekend voor dat product. Doordat er nu opeens korting wordt verstrekt, weten de klanten dat zij tot dan toe altijd te veel hebben betaald.

LACHEN: Lachen onder het douchen. Lachen onder het koken. Lachen onder het stofzuigen. Lachen bij verminderd urineverlies. Lachen bij het nemen van voedingssupplementen of vitaminepreparaten. Lachen in de achtbaan. Lachen als Prof.Dr.Ir. Tado je een nieuwe gadget wil aansmeren. Een lachende Sunwebvader die aan de Turkse Rivièra zijn wel zeer minderjarige dochter aanreikt. En ik herinner me nog die bulderend lachende bestuurder van een Fiat Panda; nieuw is het allemaal niet. Wat leven we toch in een gelukkig, ofschoon belachelijk land.

Reclametechnisch zit er wat achter: wie lacht, is vriendelijk gestemd. Als jij met iemand in contact komt die lacht, kun je goede bedoelingen verwachten. Als dat lachebekje jou iets aanprijst, zal dat dus wel au quai (=okay) zijn. Dus maar lachen voor de camera, en daarna dubbel lachen om de verdiensten.
Lachen is non-verbale communicatie en dus ook reclamejargon.

LEUGEN: Echte, regelrechte leugens kom je in de reclame niet veel tegen. Die zouden tot processen en andere narigheid leiden. Maar suggesties, allusies, het verzwijgen van belangrijke informatie, bepaalde associaties en dergelijke zitten er niet ver vandaan als het gaat om consumentbeïnvloeding. Enfin, lees bovenaan dit bericht de elfde stelling er nog maar eens op na, alsmede alles wat daaronder staat.

MAAR: Het omgekeerde van TOT WEL (zie aldaar). Je verwacht een veel hoger bedrag en nu word je blij verrast met een weggevertje. Synoniem: SLECHTS.

Maar pas op! NOG MAAR spoort aan tot overhaaste beslissingen. Zo reserveerden wij via het Amerikaanse booking.com ooit eens een kamer in het Belgische Fort Lillo. We moesten er gauw bij zijn, want de site meldde: “Nog maar 1 kamer beschikbaar“. Wij schrikken; alle verdiepingen volzet op één ongetwijfeld klein kamertje na met zicht op het buitenhangende wasgoed van de achterburen en een gedeelde douche op een andere verdieping. Eenmaal daar aangekomen bleek het etablissement welgeteld over één kamer te beschikken. Het bleek een kamer met eigen sanitair en met exclusief gebruik van de aangrenzende grote salon. Booking.com had dus net niet gelogen, maar dat nog maar suggereert iets heel anders.

MISLEIDING: zie LEUGEN 

NASYNCHRONISEREN: Er bestaat een onderzoek uit 2018 van de STER dat aantoont dat Nederlanders in overgrote meerderheid nagesynchroniseerde reclamespots weinig betrouwbaar vinden. Of het nu gaat om stinkende wasmachines, verwarmingstoestellen (“Eerst was er vuur…“, Tado-spotje), vrouwen in blijde verwachting van een vakantie inTurkije, of gezondheidspillen als het Noorse Vitæpro. Ik vermoed dat dat heeft te maken met de Nederlandse traditie om films nooit na te synchroniseren, maar te ondertitelen, terwijl Duitsers en Fransen juist vinden dat ondertitels de aandacht van het beeld afleiden. En ik vraag me af of dit betrouwbaarheidsverlies niet groter is dan de besparing bij de productie van dat soort spotjes. Ik vind ze in ieder geval niet om aan te horen.

NOG MAAR: zie MAAR

NU VOOR: zie KORTING

OOIT: Specsavers heeft enkele malen per jaar “de beste aanbieding ooit“. De Bankgiroloterij spreekt van “de grootste prijzenpot ooit“.
Niet vermeld is wat ooit betekent: is dat “vanaf het begin van onze jaartelling tot nu“, of “vanaf nu tot in het alutre“? Of beide?
Versluierend en hoe dan ook: niet waar. Maar als klant mag je dit dus niet missen…

OUVERTURE FACILE: Op veel in overvloedig plastic verpakte artikelen in Franse supermarkten prijkt in een hoekje de behulpzame mededeling “ouverture facile“. Het is niet alleen VARA’s Kassa dat ooit eens een panel van consumentenexperts losliet op een aantal verpakte artikelen die zij vervolgens niet binnen 2 minuten open kregen. Als je dus een dergelijke mededeling ziet, dan weet je al hoe laat het is: dat krijg je met geen onmogelijkheid open (zonder hamer en sikkel, mes en schaar). Er zit een smerige gedachtengang achter deze hoekmededeling: mocht het onverhoopt zo zijn dat je de verpakking niet geopend krijgt, dan ligt dat dus aan jou, kluns-consument. Ze hadden je er nog zo voor gewaarschuwd dat het makkelijk is!

RIJM:Het is weer zover bij Expert”. Of: “Ga nu dus snel naar huppeldepup punt nl”. Niveau van de tegeltjes die op de wc bij taalminvermogenden hangen. “MoneYou. Geen gedoe”. Tot op de wc blijven dit soort ondermaatse rijmelarijen door het hoofd gieren.

SCHREEUWEN: Vroeger dachten we dat als een Turk je slecht verstaat, je gewoon veel harder en in ‘aangepast’ taalgebruik moet gaan praten, totdat Koot en Bie dat in 1984 doorprikten. Zie  HIER

Mijn ervaring is steeds een andere geweest: als iemand het spreekgeluid harder zet, is de inhoud van de boodschap zelf kennelijk niet hard genoeg. Hoog volume maskeert de lage inhoud, in de hoop dat klanten er toch maar intrappen. Doet zich vooral voor bij tv-reclame voor loterijen en brillen (vreemd genoeg niet voor hoortoestellen); hoor bijvoorbeeld René Froger voor Aj Luf of Hadewych Minis voor Kruidvat en Social Deal.
Ik schijn niet te enige te zijn die zich eraan ergert. Voor mij was het afdoende reden nooit meer een Kruidvatwinkel binnen te gaan. En nu mevrouw Minis is afgedaald tot Social Deal, kan ik haar adviseren nog iets verder door te zakken naar Omroep Max. Dan heeft ze ook qua ambiance het absolute dieptepunt wel bereikt.

SLECHTS: zie MAAR

SNEL: Er zijn twee reclameargumenten om het koopmoment niet uit te stellen. De eerste is dat je na enige tijd de reclame bent/hebt vergeten en weer met iets anders bezig bent. De tweede is dat van het aangeprezen artikel of de lopende actie niet lang meer kan worden geprofiteerd. “Waarom niet nu?“, om maar per direct een cruise te boeken, hoewel je daar eigenlijk nog helemaal geen zin in had. Misschien wel nooit, maar dan hoor je er dus kennelijk niet bij. Het hele jaar door moeten we ons bezighouden met een vakantietrip in een volgend seizoen. Vroegboekings, heet dat dan in verminkt Nederlands. Daar moet je dus snel bij zijn, vanwege de oncontroleerbare korting.

SOCIO: Dat reclamemakers hun woordkeus aanpassen aan de doelgroep is begrijpelijk. De sociolinguïstiek weet daarover veel te melden. Maar een bijkomend niet onbelangrijk aspect is de woordklank. Nu is fonetiek binnen de taalwetenschap en zeker het taalonderwijs al heel lang een ondergeschoven kindje; reden waarom ik daarvoor graag meer aandacht vraag.

Het zit hem niet voornamelijk in de klinkers, zoals Maarten van Rossem beweert; hij ergert zich terecht aan verschijnselen als Gezond en lekker eten zonder te kauwken zoals in de spot van Uitgekauwkt.nl. Maar meer nog zit het in de medeklinkers, met op plek 1 de Gooise-[r] en de (overigens prachtige) Marokkaanse [z], die ik maar niet kan nadoen. En daarnaast is er de spreekstijl die past bij de doelgroep. Naast het VVD-stemmetje van wijlen Peer Mascini -al ontgaat mij het directe verband tussen de VVD en zuivelproducten- hebben we een hypercorrecte ABN-spreekstem bij Seniorservice.nl en bij sommige bedelspotjes voor zielige ezels, negers, ondervoede kinderen en circusolifanten. Ook het would-be rappen bij ASR-spotjes irriteert mateloos. Het is als Sybrand Niessen die bij de Max Pubquiz volkomen clownesk uit de toon valt. En dan hebben we ook nog “Univé – suppohtu van NOS Studio Spojt“. Ik dacht dat het alleen John Bercow was gegeven de [r] niet uit te spreken…

SUCCES:Wegens succes verlengd“. Dat is nog maar de vraag. Scroll maar even verder naar VERLENGD.

TIJDELIJK: Als een actie tijdelijk is, is mijn spontane reactie: wacht dus maar tot die voorbij is, want daarna komt er een die nog aantrekkelijker is. Natuurlijk kan het ook zijn dat ze van uitloopmodellen of winkeldochters af willen of van exemplaren waarvan de tht-datum op het randje is, en die daarom zo snel mogelijk willen dumpen. Kocht ooit eens een verpakking met tubes lijm, mede omdat er een kortingbon op zat van € 3,00 via internet te verzilveren. Maar die actie was al maanden verlopen…
Alles in het leven is tijdelijk, maar in de reclame is het een uitnodiging tot snel handelen en kopen en betalen. Zie ook onder OOIT.

TOT WEL:Tot” bij kortingen slaat op het bedrag dat je dus nooit zult verwerven; lees de kleine lettertjes en andere voorwaarden er maar op na. De toevoeging “wel” moet je ervan overtuigen dat dat bedrag welhaast boven verwachting en onwaarschijnlijk is. En dat is het dan ook.

VANAF: De smalle beurs wordt verwend met nog net betaalbaar lijkende lokkertjes. Die ergerlijke vanafprijzen zijn utopieën. Denk niet dat je voor dat bedrag je gedroomde aankoop verwerft. “Lees de voorwaarden“, denk aan de kleine lettertjes. Ben je eenmaal in de winkel voor die verbluffend lage vanafprijs, dan word je vanzelf een paar treden hoger geleid en ga je eraan voor iets waarvoor je aanvankelijk stichtelijk zou hebben bedankt.
Mijn eis: producenten vermelden geen vanafprijzen meer, maar uitsluitend prijzen “van … tot …“. Dan kun je je eigen marge en budget beheren.

VERLENGD: Het omgekeerde van TIJDELIJK. Wordt vaak gebruikt in verband met bepaalde acties en theatervoorstellingen e.d. Natuurlijk kan het zijn dat de productie zo goed loopt en overtekend is, dat het voor de producent aantrekkelijk is er nog een seizoen aan vast te knopen. Maar het tegenovergestelde kan ook het geval zijn: de belangstelling viel zó tegen, dat het verlengen van de uitvoeringperiode economisch interessanter is dan ermee stoppen en het verlies nemen. Maar hoe het ook zij: het aankondigen van een verlenging wordt gebracht als een bewijs van kwaliteit. Of je er dus nou eindelijk maar eens naar toe wilt gaan…

VOORKÓMEN: Uw wasmachine stinkt. Eigen schuld. Had je maar eerder Calgon (of welk ander middel dan ook) moeten gebruiken. Maar deze mededeling is wat frustrerend, want kennelijk is het al te laat. Dan hoef je er dus ook geen expert/monteur in witte jas bij te laten komen, want die verhelpt de kwaal ook niet. Intussen is er, langs de lijnen van de argumentatieleer, een misleidende link gelegd: “als je wasmachine stinkt, moet je Calgon gaan gebruiken“. Dat is dus niet waar. In zulk geval kun je er beter een liter chloor in gooien à € 0,59 (zonder voorrijkosten). En ook Calgon helpt niet tegen die “tot wel een halve kilo” opgehoopt vuil. Om dat te voorkomen moet je de machine met enige regelmaat aftappen en het zeefje reinigen. Kost niks, alleen een beetje tijd en misschien vuile handen.
En luister goed: er is geen sprake van verhelpen (dus na afloop), maar van voorkómen (wat dus al te laat is). Zinloze commercial dus.

WEL: zie TOT WEL.

WETENSCHAPPELIJK: Om een spotje de allure te geven van een wetenschappelijk aangetoond waarheidsgehalte trekt die (overigens sowieso uiterst onaantrekkelijke en irritante) Duitse Tado-meneer een witte jas aan. Wat heeft die witte jas in Gottes Namen met een modieus verwarmingsgadget te maken? Iets dergelijks geldt ook de monteur die het domme blondje komt uitleggen dat haar wasmachine stinkt doordat ze geen Calgon heeft gebruikt. Een witte jas is geen garantie voor reine waarheid, laat staan voor wetenschappelijke waarde.

WIELEN: De onuitwisbare modegril van de autoreclame: het voorbijrijdende model heeft achteruitdraaiende wielen.

IK WIL GEEN ACHTERUITDRAAIENDE WIELEN, ik wil vooruitdraaiende wielen, mocht ik nog eens een auto kopen; anders kom ik nooit waar ik wezen wil. Kia grossiert erin, maar ook Seat en andere merken lijden aan het waanidee dat achteruitgang een vooruitgang is. Wie logisch nadenkt, begrijpt bovendien dat achteruitdraaiende wielen niks, maar dan ook absoluut niks zeggen over de kwaliteit van de betreffende auto, en puntje bij paaltje ook niks over de uitstraling van dat model.
Vooruit met die wielen.

ZONDER: Vreemd. Consumenten willen weten wat er in zit, en sinds enige tijd krijg je prominent te lezen wat er NIET in zit. Zonder suiker. Zero sugar. Zonder conserveermiddelen. Met 25% minder zout. Glutenvrij. Loodvrij. Vetarm. Zonder pit. Zonder palmolie. Alcoholvrij. Zonder toegevoegde kleurstoffen…
En wat is nou het leukste: al die eetwaren met ZONDER erin, blijken vaak duurder te zijn dan die met MET. Is dat gezonder?

Andere 36 voorbeelden komen misschien nog wel een andere keer. Eerst even bijkomen.

 

 

Twintigtwintig

Vanaf vandaag hebben we een probleem.
Zijn we nu terechtgekomen in tweeduizendtwintig of in twintigtwintig? En hebben we zo’n soort probleem alleen in Nederland, of is het een wereldwijde uitspraakkwestie? En hoe gingen wij daar een duizend jaar geleden mee om? Denk er, onder het genot van een 1664, maar eens over na, in plaats van allerhande masochistische voornemens te bedenken waar toch niks van terecht komt.

In het jaar duizendzesenzestig vond de slag bij Hastings plaats (ik zeg altijd hastings met een [ɑ], niet heestings met een [e:], zoals ik ook manchester zeg met een [ɑ] en niet menchester met een [ε]. Te Amerikaans in mijn oren.

Maar Godfried van Bouillon stierf niet te Jeruzalem in duizendeenhonderd, maar in elfhonderd, hoewel Fiat in negentiendrieënvijftig toch echt met een millecento op de proppen kwam. Het blijven Italianen, die ook novecento zeggen tegen de twintigste eeuw. Verwarring dus alom.

Merk intussen wel op dat wij in het Nederlands doorgaans de periode 1001-1099 uitspreken als duizendeen tot en met duizendnegenennegentig, maar de periode van 1101-1999 als elfhonderdeen tot en met negentien(honderd)negenennegentig. Niet helemaal consequent, maar zo heeft onze spreektaal zich geëvolueerd. Wel weer consequent was dat wij rond het jongste millennium weer hetzelfde gingen doen: tweeduizendeen tot en met in ieder geval tweeduizendnegentien. Geen mens komt met twintignegentien op de proppen. Mijn vrees is dan ook dat wij, als langdurige kolonie onderworpen aan Amerika, opeens twintigtwintig moeten gaan zeggen in plaats van gewoon tweeduizendtwintig.

Ik schrijf deze weblog met gebruikmaking van WordPress. Dat is een zogeheten ‘501(c)3 non-profit organization‘ uit Amerika, en dan weet je al hoe laat het is. WordPress kent ‘themes’ (ze bedoelen: thema’s) die naar ontwerpjaar worden benoemd: twenty-eleven, twenty-nineteen, twenty-twenty enzovoort. Dus al dat getwintigtwintig in Nederland hebben we aan Trump en trawanten te danken.

Of niet? Net schreef ik nog dat wij van 1101-1999 in het Nederlands net zo goed eerst de honderdtallen uitspraken en daarna de jaargetallen onder de honderd. Kronenbourg (onderdeel van Heineken) brouwt dus zestienvierenzestig. Maar Fransen zijn net zo eigenwijs als Italianen: terwijl zij bij voorkeur seize soixante-quatre drinken, heet in het Frans dat jaartal mille six cent soixante-quatre.
In Nederland ben ik geboren in negentien(honderd)zesenveertig, in Frankrijk in mille neuf cent quarante-six en in Italië in mille novecento quarante sei. Consequent doorrekenend zouden we dus van 2001-2099 moeten spreken als tweeduizendeen tot en met tweeduizendnegenennegentig, maar daarna van 2101-2999 van eenentwintighonderdeen tot en met negenentwintig(honderd)negenennegentig, als we tegen die tijd überhaupt nog iets te zeggen hebben en er nog Nederlands bestaat.

Ik trek mijn conclusie. Zoals paus Benedictus VIII in duizendtwintig koortsachtig poogde de Byzantijnen buiten de deur te houden, hebben wij nu tweeduizendtwintig betreden om twintigtwintig buiten de deur te houden. Noem mij vijf Engelsen of Amerikanen die in hun geschiedenislessen het hebben over tentwenty of tensixtysix. Over een jaar of honderd schakelen we dan wel weer over op eenentwintig(honderd)een en zo.

Denk ik tenminste.

 

Ryba en Pascha; CZ en SK

In deze weblog is de kerstmis van Jakub Jan Ryba al vaker langsgekomen. Zie onderaan dit bericht de links naar die artikelen. En toch moet ik er nog even op terugkomen, zowel wat betreft de typering van die Česká mše vánoční, als wat betreft zijn verhouding tot die andere, Slowaakse kerstmis van Edmund Pascha (of van Zrunek).
Een enkele aanvulling dus en een kleine correctie.

Eerst de correctie: zo ik, of iemand anders, ooit de suggestie heeft gewekt dat Ryba’s kerstmis tot de (Tsjechische) barok kan worden gerekend, wil ik dat hier ontkrachten. Ten eerste omdat het ontstaan van de compositie (1796) erg aan de late kant is om nog als nieuwe barokcompositie te boek te kunnen staan, en ten tweede omdat er in dit muziekstuk nauwelijks barokelementen waarneembaar zijn.
Bezien wij Ryba op de tijdlijn in combinatie met Bach en Mozart, dan blijkt dat Bach (1685-1750) helemaal vóór Ryba (1756-1813) leefde, en dat Ryba en Mozart (1756-1791) tijdgenoten waren. In principe kan de kerstmis dus door beiden zijn geïnspireerd, maar wie goed luistert, hoort voornamelijk Mozartiaanse invloeden, naast ontegenzeggelijk de klanken van Boheemse volksmuziek, herdersliederen, pastorella’s. De ‘eenvoud’ van die volksmuziek was onder meer oorzaak en gevolg tegelijk van de lokale instrumenten met al hun beperkingen. Zo is de doedelzak uitermate geschikt om een lang aanhoudende grondtoon ten gehore te brengen en hebben pauken binnen een muziekstuk een beperkt toonscala. Ryba’s meest recente partituur bevat overigens geen doedelzak; wel pauken.
Dat ook Bach een matenlang voortdurende grondtoon in de baspartij hanteert, zoals in het begin van de Matthäus Passion, zie de maten 1-5 en 9-13 hierboven, maakt Ryba’s kerstmis nog niet tot barok à la Bach, wanneer hij iets soortgelijks componeert in de maten 12-19 bij zowel de cello en de contrabas als in de linkerhand van de orgelpartij. Zie het voorbeeld hiernaast. Eerder horen we hier de weerklank van Boheemse volks- en herdersmuziek, zoals dat ook het geval is in Pascha’s kerstmis. Wie dus susggereert dat Ryba zich op Bach heeft gebaseerd heeft het mis. Dan zou ook de Schotse en Asturische doedelzakmuziek door Bach zijn ingegeven, maar alleen al chronologisch gezien is dit een absurde gedachte. Dan eerder nog het omgekeerde: dat Bach het wezenskenmerk van de doedelzak als basis van veel van zijn composities heeft gebruikt. Maar ook die opvatting komt niet uit mijn mond.

Dan de aanvulling. Die is niet muzikaal van inhoud, maar demografisch, sociaal-cultureel en politiek.
Vanaf 1968 heb ik frequent Tsjechoslowakije bezocht. Heel vaak met Praag als bestemming, maar ook veel andere steden in Bohemen, in Moravië en tot diep in Slowakije, niet ver van de grens met de Sovjet-Unie; Banska Bystrica, Brezno, net bezuiden de Lage Tatra. Parallel daaraan volgde ik aan de UvA een tweejarige cursus Tsjechisch als gekozen verplichte Tweede Bijvak. Beide feiten samen zorgden ervoor dat ik enige kennis en vaardigheid opdeed in actieve en meer nog passieve kennis van het Tsjechisch. Maar dat werd in de gegeven omstandigheden vaak wel wat vertroebeld door mijn contact met Slowaken en het Slowaaks, een taal die dicht tegen het Tsjechisch aanleunt, maar toch duidelijk ervan valt te onderscheiden. Meer dan Nederlands en Vlaams, minder dan Deens en Noors, of dan Nederlands en Duits.
Van 1960 tot 1990 vormden Bohemen, Moravië en Slowakije één staat: de ČSSR. Daarna volgde een overgangsperiode van twee jaar als de wat geforceerde “Tsjechische en Slowaakse Federale Republiek”, ČSFR, waarna de scheiding in twee afzonderlijke staten in 1992 een feit werd.
Als ik de verhalen mag geloven, is die boedelscheiding niet helemaal ideaal verlopen. Niet alleen moesten allerhande zaken formeel en praktisch worden afgehandeld, zoals bijvoorbeeld de betaalmiddelen: alleen al het om het jaar slaan en in omloop brengen van nieuwe munten, zoals hier 5-kroonmunten uit 1993 (ČR), 1991 (ČSFR) en 1989 (ČSSR) kost een paar kroon, maar dan heb je ook wat, namelijk een verscheurd land. En Slowakije mag dan ook nog eens Euromunten en -biljetten in omloop brengen (behalve de 10-Euromunt van Pascha – de zoveelste miskleun; zie dit eerder bericht). Ook circuleert het bericht dat er bij de verdeling van het materieel van de Tsjechoslowaakse Spoorwegen ČSD 2/3 naar de Tsjechische Republiek ging, en Slowakije met 1/3 genoegen moest nemen.
Dat laatste met name illustreert de mentaliteit die ik gaandeweg al op het spoor was gekomen: er heerste in Tsjechoslowakije, en zeker in Praag, een gevoel van suprematie dat zich ook doet gevoelen in Amsterdam, Parijs, Rome, Londen. Het al dan niet magisch centrum van de wereld bevindt zich in die Grote Steden; de rest eromheen is minderwaardige provincie. Niet iedereen lijdt aan die kwaal, velen wel. Daaruit vloeit ook voort dat sommige landen zich superieur voelen aan anderen. Denk aan een bestaand beeld van Nederlanders, Hollanders liever, ten aanzien van Vlaanderen, met de vele Belgenmoppen over domme Vlamingen als uitingsvorm, aan de wijze waarop ik Denen hoor reageren op Noren, Tsjechen op Slowaken, PVV-ers op Afrikanen – die lijst is wel erg lang te maken, zelfs als je het Nazidenken uit WO-II niet eens meetelt.
In mijn, overigens zeer gedegen en nuttige, colleges Tsjechisch ging ik ervaren dat Tsjechisch superieur is aan Slowaaks, want Tsjechen zijn superieur aan Slowaken, als betrof het een soort Ajax-Feyenoordsyndroom. Toen ik op zeker moment aan de docente vroeg waarom je in het Tsjechisch Itálie moest zeggen voor Italië, en waarom niet (ook) Taliansko, werd mij gedecideerd te verstaan gegeven dat Taliansko niet bestaat en dat zij dat woord ook niet kende. Nee. Klopt. Het is Slowaaks, en dat woord had ik achterop een LP-hoes gelezen. Maar die plaat was niet van Supraphon (Tsjechisch), maar van Opus (Slowaaks). Sorry, hoor.

Zo kom ik toch weer een beetje bij muziek.
De fraaie uitgave van de kerstmis van Ryba is, uiteraard, Tsjechisch. Het is een 270 pagina’s tellende volledige partituur in bijna A4-formaat, uitgegeven door, jawel, Supraphon in 1973 in 1000 exemplaren en door mij in 1978 aangeschaft voor de vasteboekprijs van Kčs 60, wat destijds neerkwam op ƒ 0,60, zwart gewisseld dan.
Voor de inleiding tekent PhDr. Eva Mikanová (1935-2010), gerespecteerd musicologe.
Die inleiding bevat veel nuttige informatie, zowel over Ryba zelf als over zijn bewuste compositie. Bijvoorbeeld de interessante observatie dat de hele mis in majeur is genoteerd, nergens dus een omslag naar mineur. En de notitie dat ten behoeve van het stembereik der sopranen de mis een volle toon lager is genoteerd, dus bijvoorbeeld het Kyrie van oorspronkelijk A-groot naar G-groot, omdat het bereik tot c”’ te hoge eisen stelt. Een zichzelf respecterende componist zou ervan gruwen, al moet ik daaraan toevoegen dat wij niet alles weten over hoe de instrumenten in vroeger eeuwen exact waren gestemd. De norm van a=440 Hz stamt van later datum. Ook appelleert zij aan de Boheemse boeren-oeruitvoeringswijze van pastorella’s die werden begeleid door doedelzakken, waarover ik hierboven ook al sprak; reden te meer om eerder aan het lokale platteland te denken dan aan de barok van Bach c.s.
Maar even treffend en opvallend vind ik de wat hautain overkomende ontkenning door het Praagse culturele establishment dat zij in haar hele inleiding met geen woord rept over de kerstmis van Pascha/Zrunek. Die beide Franciscanen waren immers Slowaken (als het tenminste geen Moraviërs waren), en naast de ‘verplichte’ Latijnse misteksten bevat die mis volkstaalteksten in het Slowaaks, en daar zitten ze in Praag niet op te wachten. Maar het zou me niks verbazen als Ryba die Slowaakse compositie van een halve eeuw eerder heeft gekend en er wat van heeft meegenomen, zal ik maar zeggen.

Pascha/Zrunek (ik blijf het maar in het midden houden) componeerden in 1750 een kerstmis die wel degelijk te bestempelen valt als een mengeling van barokmuziek en volksmuziek uit de Slowaaks-Moravische heuvelen. Mozart kwam er in geen geval aan te pas, want die werd pas in 1756 geboren, en van Mozart kun je zeggen wat je wilt, maar een prenataal wonderkind was hij niet. De vele versieringen wijzen op een baroktraditie zoals we die ook van Bach kennen.
Eerder al sprak ik in dit verband van “eindeloos herhaalde muzikale motiefjes, lydisch en niet-lydisch, met voorspelbare harmonisatie en om de melodie heen dartelende fluiten en violen, evenzeer barokkerig te noemen als kenmerkend voor lokale volksdansmuziek“.

Een frappant voorbeeld vinden we in het Credo, in het fragment dat begint met “Qui propter nos homines…” en dan, via een Slowaaks intermezzo culminerend in “Et incarnatus est de Spirito Sancto ex Maria virgine et homo factus est.” (Gelukkig hoef ik hier geen tekstverklaring of bijbelexegese te geven…).
Trek er even 2½ minut voor uit om dat
te beluisteren door hierboven te klikken.

Ter aanvulling geef ik hier de door dirigent Miroslav Venhoda handgeschreven partituur van de laatste passage van dat fragment; je kunt dan nog beter de afzonderlijke partijen bekijken en beluisteren, vooral die van de baslijn bij diverse instrumenten.

_______________________________

Wien mij kan helpen aan een exemplaar van Mária Jana Terrayová, Vianočná omša F dur = Weihnachtsmesse F-dur : Harmonia pastoralis,  uitgegeven door Opus Bratislava 1987, met daarin de volledige partituur, valt eeuwige dankbaar- en erkentelijkheid alsmede roem ten deel.
___________________________________
Links naar eerdere berichten over dit onderwerp met ook beeld- en geluidsfragmenten (openen in een nieuw venster):
Kerstroep-1 (het eerste uit een reeks van 7 artikelen, waarin je onderaan steeds kunt linken naar een vorig/volgend artikel.
Kerstmix (recent artikel van eerder deze maand over kerstliederen).

 

Hoog Bezoek

Ik had beloofd het gedigitaliseerde nummer “Hoog Bezoek” van Drs.P, waarvan in mijn vorig artikel sprake was pas online te zetten na verkregen toestemming van de auteurechthebbenden. Welnu, vandaag viel het volgende bericht in mijn inbox:





Geachte heer Loonen,

Ik heb dit gisteren op onze bestuursvergadering besproken en het bestuur vindt het een goed idee dat u “Hoog Bezoek” op YouTube zet, mits met de juiste vermelding.
Per slot zijn wij opgericht om het werk en gedachtengoed van Drs. P in leven te houden en te verspreiden.
En ja, wij gaan inderdaad over de auteursrechten.
Veel succes met uw zegenrijk werk!
Met vriendelijke groet en de beste wensen voor de kerstdagen en het Nieuwe Jaar,
Namens Het Heen- en Weerschap, officieel de Stichting Auteursrechten H.H. Polzer/Drs. P
Hanca Leppink, penningmeester.

Ergo: annuntio vobis gaudium magnum: habemus musicam. Klik HIER.

Kerstmix

‘Onze’ Reinaert is bepaald niet de enige geschreven bron waarvan al vele eeuwen lang vele honderden hervertellingen, toneelopvoeringen en afbeeldingen zijn verschenen. Een grove schatting leert mij dat die op plek 2 staat, na het kerstverhaal, dat zijn oorsprong in de bijbel vindt. En daarover wil ik het nu even gaan hebben.

Ik stap in, vanwege mijn persoonlijke ervaringen, in de 18e eeuw met twee kerstmissen, eentje uit Slowakije (1770) en eentje uit Tsjechië (1796). Over die twee missen heb ik een uitvoerige reeks van zeven artikelen geschreven in 2014. Begin met het eerste artikel, waarna je steeds kunt doorlinken naar het volgende artikel.

Van de Slowaakse Vianočná Omša, gecomponeerd door Edmund Pascha (of Georgius Zrunek; we weten het niet) bestaan wel opnamen van de uitvoering van de mis, maar geen animaties die het kerstverhaal uitbeelden. In elk geval worden in deze mis de Latijnse teksten voortdurend onderbroken door Slowaakse pastorella’s, herdersteksten, die het kerstverhaal in begrijpelijke taal aan het kerkvolk vertellen. Plattelandsmensen, die uit veiligheid hun schaapjes mee de kerk in namen, wat de componist er weer toe heeft verleid het Benedictus a capella te laten blaten, als waren de zangers zelf de schaapjes.


Een beeldende weergave bestaat er wel van de Tsjechische Česká mše vánoční door Jakub Jan Ryba. De Tsjechische tekenaar/schilder Josef Lada (1877-1957), ook bekend als de illustrator van de Brave soldaat Schwejk, bezorgde een indrukwekkende animatiefilm van bijna 40 minuten bij Ryba’s kerstmis, die HIER in z’n geheel is te bekijken. Overigens dateert die film uit 2007, maar dat terzijde.

 

 

Daarnaast moet ik de vele kunstzinnige kerststallen noemen die overal in en buiten Europa rond de kersttijd zijn te bewonderen. Ik kwam er in 2015 zelfs eentje tegen op Palmeiland in Dubai.









Er zijn ook levende kerststallen en kerstspelen. Zo vindt er sinds 2013 jaarlijks een levend kerstspel plaats in het hier nabije Bourbonne-les-Bains. Van dat evenement (“La crèche vivante“) is een restrospectieve film HIER te vinden. Wie zich dan toch aan Facebook durft uit te leveren, kan HIER meer lezen over de opvoering op 22 december 2019.

Het lijdt geen twijfel dat veel verbeeldingen van het kerstverhaal stammen uit de periode dat analfabetisme hoogtij vierde, zeker tot diep in de 19e eeuw. Daarmee is, net als dat bij de Reinaert het geval is, hun populariteit eenvoudig te verklaren. En was het niet onze glazenier annex toneelschrijver Jan Vos (1612-1667) wiens motto luidde: “Het zien gaat voor het zeggen“? Dat geldt nu nog steeds in de reclame- en etalagewereld.

Toch heeft kerstmis ook veel teksten opgeleverd die het verhaal doorvertellen, aanpassen aan de tijd of het publiek, er een heel religieuze boventoon aan hechten of er juist een loopje mee nemen. Van dat laatste presenteer ik er hier twee.

De Vlaamse Radio1 bracht mij op het idee door “Het bakske vol met stro“, oftewel “Jezeke is geboren” van Urbanus uit te zenden toen ik vorige week weer eens door de Ardennen tufte. Geniet maar mee via YouTube. Ik sta niet voor 100% in voor de correcte spelling, maar de tekst luidt ongeveer zo:

Heel lang geleden voor de allereerste keer
Dat had ge moeten zien, ’t was verschrikkelijk slecht weer
Lag Hij daar te bibberen in een kouwe koeienstal
In een kribbeke met ‘nen os en een ezel, dat was al
Maar boven in de lucht kon je een sterreke zien staan
Dat alsmaar zat te fonkelen, d’er hing een wegwijzertje aan
En ’t heeft niet lang geduurd of dat was daar vollen bak
Het krioelde van de herders met ‘nen dikke wollen frak.

Jezeke is geboren, Halleluja hallo
Jezeke is geboren in een bakske vol met stro

Toen kwamen de drie koningen, een zwarte en een witte
Ze vroegen of ze ook mochten komen babysitten
Ze schonken een rol balatum en een grote pot vernis
Een salami met look en een aquarium met een vis
De zwarte gaf aan Jozef een paar vijzen en een boor
En aan Jezeke een sjalleke en een broekske in ivoor
Maria kreeg een zak cement met een grote roze strik
En een potlood en een gommeke om te gommen krege kik.

Jezeke is geboren, Halleluja hallo
Jezeke is geboren in een bakske vol met stro

D’n Heilige Geest die hing daar te schijnen aan ’t plafond
In zijne blauwe trainings en zijne purperen plastron
Op dat moment zei Jozef ‘kijk dat is hier mijne kleine
Bezie maar zijne neus, ’t is helemaal de mijne’
De Heilige Geest moest lachen ‘ha ocharme sukkelaar
Die kleine die is van mij want ik was d’n ooievaar’
Jozef gaf de geest een goei mot op zijn gezicht
Toen zaten ze meteen zonder klank en zonder licht.

Jezeke is geboren, Halleluja hallo
Jezeke is geboren in een bakske vol met stro

Ze bleven daar maar zwaaien met hun vuisten in het rond
Den os en den ezel lagen knock-out op de grond
Toen kwam God de Vader en hij sprak ‘dit is mijn zoon’
Nu stonden ze te gapen, nu zaten ze daar schoon
Jozef kon niet volgen en die is beginnen zuipen
En Maria van afronten die wist ook niet meer waar kruipen
Dat werd me daar een kermis, dat werd me daar een klucht
Toen viel er nog ‘nen nest met engelen uit de lucht, aah.

Jezeke is geboren, Halleluja hallo
Jezeke is geboren in een bakske vol met stro.

Jezus nam z’n fles met pap en havervlokken
En heeft nog rap ‘ne verse pisdoek aangetrokken
Hij zei ‘vrede op aarde aan iedereen die dat wil’
Toen werd weer alles kalm en alles werd weer stil
Hij had er daar genoeg van en hij ging er maar vandoor
En trok zijn aureooltje scheef over z’n oor
Hij is gelijk ‘ne grote in zijn sportwagen gekropen
‘Al wie dat mij volgen wil zal wreed hard moeten lopen’.

Jezeke is geboren, Halleluja hallo
Jezeke is geboren in een bakske vol met stro. (bis)

Deze tekst vertoont enkele overeenkomsten met een iets oudere kerstvariant van Drs.P, die begin jaren-’70 onder de titel “Hoog bezoek” het kerstverhaal een Driekoningendraai gaf. Die tekst, zoals voorgedragen in april 1977, is als volgt:






Het paar had overal geïnformeerd;
Er was haast bij, want zij liep op alle dagen.
De bedden bleken allemaal gereserveerd
En ze waren bij het vee geïnstalleerd.
Enfin, het was gelukkig goed gegaan
En er heerste dus een zeker welbehagen.
In alle hoeken zag je buurtbewoners staan.
Later kwam er nog een groepje heren aan.

De eerste heette Caspar,
De tweede heette Melchior,
De derde heette Balthasar,
De vierde was niet mee.

De heren waren niet voor niets op reis,
Nee, ze kwamen met een duidelijke reden:
Ze wilden het geboren kind hun eerbewijs
Komen brengen met een toespraak en een prijs.
Men had de heren namelijk voorspeld
Dat dit kind een toppositie zou bekleden.
Ze kwamen dan ook onderdanig aangesneld
En ze hoopten waar te krijgen voor hun geld.

De eerste heette Caspar,
De tweede heette Melchior,
De derde heette Balthasar,
Ze waren erg benieuwd.

Dat kraambezoek is geen succes geweest,
Daar de hele delegatie bijna flipte.
Een ezel is nu eenmaal geen gezelschapsbeest
En een os verwacht je ook niet op zo’n feest.
Bedankt hoor, zei de gastheer na een poos,
En tot ziens! Wij emigreren naar Egypte.
Hij liet de heren uit, ze waren sprakeloos.
Het was zonde van de reis en de cadeaux.

De eerste heette Caspar,
De tweede heette Melchior,
De derde heette Balthasar,
Ze voelden zich bekocht.

En toch is dit verhaal wel instructief.
Mocht men u voor zo’n partijtje inviteren,
Blijf dan maar lekker thuis en stuur een mooie brief,
Dat bespaart u ergernis en ongerief.
Familiefeesten zijn doorgaans een flop.
Denk maar aan het avontuur van deze heren.
Want daardoor leden zij een financiële strop
En ze deden ook een aantal vlooien op.

De vlooien beten Caspar,
De vlooien beten Melchior,
De vlooien beten Balthasar,
En niet zo zuinig ook.

Vreemd genoeg is er op internet geen opname van dit lied te beluisteren. Daar moeten we maar eens wat aan doen. Vanaf nu staat het lied op YouTube, opdat een iegelijk er kennis van neme, zulks met de welwillende toestemming van de auteursrechthebbenden. Zie hun verklaring HIER
Dat neemt niet weg dat alleen al op taal- en muziekniveau beide hier geciteerde liederen de moeite van een korte beschouwing rechtvaardigen.
Alle twee rekenen we ze tot de categorie humor. Wat dat precies omvat, valt vaak lastig te duiden, maar in dit geval zit het hem in minstens twee opmerkelijke eigenschappen: allereerst het gebruik van woorden die niet passen in het bijbelse jargon of het religieus register, zoals bij Urbanus angelsaksische (dus Romeinse noch Latijnse) termen als babysitten en knock-out; ook wegwijzertje, cement, zuipen, pisdoek en sportwagen vallen daaronder. Bij Drs.P geldt iets soortgelijks voor woorden als buurtbewoners, toppositie, flipte (een van de weinige woorden die op Egypte rijmen) en vlooien.
Daarnaast wordt het humoristisch effect bereikt door de vele anachronismen: het verhaal wordt als het ware in onze tijd geplaatst met de bijbehorende woorden en gedachten, zoals er ook middeleeuwse schilderijen van het kerstverhaal bestaan die ‘eigentijds’ zijn gesitueerd qua ambiance en omstandigheden, zoals een kerststal in een Hollands sneeuwlandschap, of zoals we in bovengenoemde animatiefilm van de kerstmis van Ryba opeens een standbeeld van de Heilige Wenceslas (die leefde van 907 tot 935) zien staan en evenlater een opgetuigde kerstboom. Dat op zich hoeft natuurlijk nog niet humoristisch te zijn, maar al met al is het dat bij deze liederen wel. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor de onverwachte trouvailles bij Drs.P in het eerste refrein (“De vierde was niet mee“) en het hele laatste refrein. Bij Urbanus veren we even op als hij de meegebrachte cadeautjes omschrijft. De hele setting gaat daardoor een beetje in de richting van Lennaert Nijgh, zal ik maar zeggen. Voeg daarbij nog het tamelijk plat Vlaams taalgebruik van Urbanus en de onovertroffen rijmkunst van Drs.P, inclusief het opmerkelijke rijmschema A-B-A-A/C-B-C-C, en je hebt alleszins appetijtelijke kerstnummers.

Dat wordt verder nog geaccentueerd door de gekozen muziek. Urbanus kiest voor een hupse melodie van het kaliber bruiloften en partijen, een melodie die mij doet denken aan die van Freek de Jonges “Leven na de dood“. Ook dat is humor.
Drs.P kiest, zoals hij dat ook graag deed bij “Veerpont” (“Heen en weer“) en “Trojka“, voor vlotte Russische volksmuziek. Misschien ook omdat hij dat zelf min of meer goed kon spelen op de piano, maar zeker ook omdat het vrolijk en zeker ook meeslepend is.

Ik wens u genoeglijke feestdagen.

En o ja: de afbeelding hier helemaal bovenaan is een kerstgroep van gips die Joeri op vierjarige leeftijd maakte in groep 1 (1982).

Jongens!

Iemand, of een paar iemanden, moeten mij zijn voorgeweest, Althans, ik neem niet aan dat Herman van der Zandt mijn artikel uit juni 2019 over ongelijkheid heeft gelezen. En evenmin dat de redactie van Omroep Max (waarover in een volgend artikel meer aan onfrisse zaken), die toch alle vooraf opgenomen programma’s screent op onwelgevalligheden er kennis van heeft genomen.
Maar gisteren, 9 december, was het dan zover: Van der Zandt bekende tegenover Barpop Mylou Frencken bij zijn opkomst voor het zoveelste Mes op Tafel, dat hem was verzocht niet langer zijn kandidaten aan te spreken met “Jongens!”, ongeacht het geslacht van de deelnemers. De betreffende passage  van 38 seconden staat HIER.


Hij vroeg aan Pop wat ze daarvan vond. Helaas was het haar niet toegestaan buiten de verstikkende regels van het script van het MAX-format te treden. Zij is alleen aangenomen om quasi Barpop te zijn, Herman van een glaasje whiskyprik te voorzien, na enige tijd op knullige wijze de naam van de eerste afvallige half van het leitje te wissen en, o ramp, zich af en toe naar Klaas van Dijk te begeven om iets te kwelen, hetgeen zij mijns inziens vrij slecht doet. Iets met kop- en borststemgebruik, meen ik te bespeuren. Wat ik overigens serieus meen, is dat ik stikjaloers ben op de speelkwaliteiten van Klaas van Dijk en zijn voorganger Martin; ik wou dat ik dat ook zo kon.
Maar meer dan wat sociaal correct medeleven betuigen met de gesjeesde kandidaat staat niet in haar CAO. Zij kwam in het onderhavige geval dus niet verder dan voor te stellen “Jongens!” te vervangen door “Lui!“, wat tot een onacceptabel taalmonster zou leiden. En verder hield zij zich aan het voorschrift vooral geen eigen mening te hebben: “Doe gewoon wat jou goeddunkt“. En dus ging Herman zitten en begroette de kandidaten, waarvan 1/3 vrouw, met “Jongens!“. En dat alles binnen 38 seconden.

Herman, je bent de enige niet. Je evenknie terzake heet Matthijs van Nieuwkerk bij DWDD. Ik sla jullie beiden toch aanmerkelijk hoger aan om de wereld alleen om jongens te laten draaien. Het mes erin. En wel subiet.

Jules de Corte

Voor mij staat als een paal boven water dat Drs.P de allergrootste rijmtaalkunstenaar binnen het Nederlandse taalgebied is. Daarover heb ik me al EERDER uitgelaten.
Maar ik zet met stip Jules de Corte (1924-1996) op plek twee. Ik ga dat demonstreren aan de hand van een van zijn honderden liedteksten: De vogels uit 1956.
Ik heb het dan niet over zijn melodieën, noch over zijn pianospel als blinde artiest, noch over de niet bepaald waardevrije, want licht-kritische inhoud van zijn tekst(en), maar puur over de tekstzinnen en zijn rijm. Dat is bij De vogels heel speciaal aanwezig, omdat hij zich erop toelegde zo veel mogelijk vogelnamen te voorzien van een rijmwoord.

Uiteraard is op internet de betreffende tekst te vinden, maar helaas stuiten we dan op de transcriptie van een taalarmoedige stumper die het met de correctheid niet zo nauw neemt. Ik heb hieronder de verkeerd gespelde woorden rood gemarkeerd, en ik laat de nogal onlogisch overkomende regeleinden zoals je ze op internet aantreft:

De vogels zouwe na heel lang kniezen en eindeloos
prateneen koning kiezen
Een koning die met gezag en ere het vogelvolkje kon
regeren
De grote vijf van zessen klaar verkozen koning adelaar
Omdat diens geest als spiegelglas zo helder en
geslepen was
Da’s knus zei de mus, da’s wijs zei de sijs
Da’s flink zei de vink, da’s braaf zei de raaf da’s
deut zei de kneut
He echt zei de specht, heel fraai zei de kraai
Ik fuif zei de duif, ik dans zei de gans dat ken zei
de hen

Zo vonden ze allemaal hun nieuwe koning ferm en fiks
Alleen de ijsvogel en de rijstvogel
En de kraanvogel en de struisvogel zeien niks

De vorst eenmaal op zijn troon gezeten wou alles over
de vogels weten
Hij werd behalve licht reumatisch ook meer dan
gruwelijk autocratisch
Hij bemoeide zich emt dit en dat, geen vogel die nog
vrijheid had
Hij verzwaarde tot elks ongeluk, wel zesmaal de
belasingdruk
Da’s flauw zei de pauw, da’s nep zei de snep
Da’s vuil zei de uil, da’s haai zei de gaai da’s bruut
zei de fuut
’t Is pulp zei de wulp, de ploert zei de wortt
Die zal ik zei de valk, verslaan zei de haan dat ken
zei de hen

Zo zetten ze allemaal de puntjes danig op de x
Alleen de ijsvogel en de rijstvogel
En de kraanvogel en de struisvogel zeien niks

Ze kwamen allen tot een conclussie wat wij behoeven is
revolutie
En wie het zou winnen was glad om eht even
Want zo kon niemand meer verder leven
Dus zetten ze eerst hun koning af en gaven hem toen
een flinke straf
Daarna besliste groot en klein de zwaan zou voortaan
koning zijn
Da’s knus zei de mus, da’s wijs zei de sijs
Da’s flink zei de vink, da’s braaf zei de raaf da’s
deut zei de kneut
He echt zei de specht, heel fraai zei de kraai
Ik fuif zei de duif, ik dans zei de gans dat ken zei
de hen

Zo vonden ze allemaal hun nieuwe koning ferm en fiks
Alleen lokvogel en de spotvogel en de pechvogel en de
stropvogel en de
hiervogel
En de daarvogel en de kraanvogel en de ijsvogel en de
rijstvogel
En de paradijsvogel en de kanarievogel die zeien niks
En waarom zeien die niks, die zaten al in ‘t
parlement.

Als ik de nodige correcties in spelling, interpunctie en regeleinden aanbreng, ziet de juiste tekst, zoals die op de hierboven afgebeelde RCA-plaat te horen is, maar ook te beluisteren valt op YouTube (zie hier onderaan het bericht), er zo uit:

De vogels zouwen na heel lang kniezen
en eind’loos praten een koning kiezen,
Een koning die met gezag en ere
het vogelvolkje kon regeren.
De grote vijf van zessen klaar
verkozen koning adelaar,
Omdat diens geest als spiegelglas
zo helder en geslepen was.
Da’s knus zei de mus,
da’s wijs zei de sijs,
da’s flink zei de vink,
da’s braaf zei de raaf,
da’s deut zei de kneut.
Hè, echt zei de specht,
heel fraai zei de kraai,
ik fuif zei de duif,
ik dans zei de gans.
Dat ken zei de hen.

Zo vonden z’allemaal hun nieuwe koning ferm en fiks.
Alleen de ijsvogel en de rijstvogel en de kraanvogel en de struisvogel zeien niks.

De vorst, eenmaal op zijn troon gezeten,
wou alles over de vogels weten.
Hij werd, behalve licht reumatisch,
ook meer dan gruwelijk autocratisch.
Hij bemoeide zich met dit en dat,
geen vogel die nog vrijheid had.
Hij verzwaarde tot elks ongeluk,
wel zesmaal de belastingdruk.
Da’s flauw zei de pauw,
da’s nep zei de snep
Da’s vuil zei de uil,
da’s haai zei de gaai,
da’s bruut zei de fuut,
’t is pulp zei de wulp,
de ploert zei de woerd,
die zal ik, zei de valk,
verslaan zei de haan.
Dat ken zei de hen.

Zo zetten z’allemaal de puntjes danig op de x.
Alleen de ijsvogel en de rijstvogel en de kraanvogel en de struisvogel zeien niks.

Ze kwamen allen tot één conclusie:
wat wij behoeven is revolutie.
En wie het zou winnen was glad om het even,
want zo kon niemand meer verder leven.
Dus zetten ze eerst hun koning af
en gaven hem toen een flinke straf.
Daarna besliste groot en klein:
de zwaan zou voortaan koning zijn.
Da’s knus zei de mus,
da’s wijs zei de sijs,
da’s flink zei de vink,
da’s braaf zei de raaf,
da’s deut zei de kneut.
Hè, echt zei de specht,
heel fraai zei de kraai,
Ik fuif zei de duif,
ik dans zei de gans,
Dat ken zei de hen.

Zo vonden z’allemaal ook deze koning ferm en fiks.
Alleen lokvogel en de spotvogel en de pechvogel en de stropvogel
en de hiervogel en de daarvogel en de kraanvogel en de ijsvogel
en de rijstvogel en de paradijsvogel en de kanarievogel, die zeien niks.
En waarom zeien die niks?
Die zaten al in ’t parlement.

Wat opvalt, is dat hij vlotlopende zinnen heeft gebouwd in bijna spreektaal. Enkele malen moet hij wat sjoemelen om twee letetrgrepen op één tel te krijgen, maar dat is in dit geval niet zo erg. Aan het einde gaat hij zelfs over op een soort parlando, waarbij de tekst niet meer past op de gebruikte melodie. Ook dat is prima, want het kondigt tevens de naderende clou van zijn verhaal aan. Ook zijn neologismen hiervogel en daarvogel zijn functioneel, want die symboliseren het unanieme karakter van werkelijk alle vogels. Deut (in da’s deut, zei de kneut) daarentegen is geen neologisme; eerder een archaïsme of germanisme. Deut = duit, oftewel: stuiver. Keinen Deut wert sein betekent: geen stuiver/geen knip voor de neus waard zijn, maar hier is het niet negatief bedoeld, eerder positief. Zou het dan een betekenis “duidelijk” herbergen? Wat verder opvalt is het bijna-enjambement in de regels die zal ik, zei de valk | verslaan zei de haan. Voor de lezer is die zal ik al een voldoende dreigende aanwijzing, maar doordat er in de volgende regel verslaan op volgt, krijgt de zinsbouw een andere lezing.  Ook verheffend is dat je de rijmwoorden niet al van grote afstand ziet aankomen, maar dat zij soms als een verrassing klinken.

Dieptriest is de constatering dat er op internet oever- en kritiekloos wordt gejat, geknipt, geplakt. De tekst van De vogels is zeker zeven- of achtmaal op het web te vinden, maar in alle gevallen vind je exact dezelfde tekst, dus inclusief de hierboven gemarkeerde spelfouten. Het valt niet uit te maken wie de oorspronkelijk verantwoordelijke klungel is voor deze taalblunders, en wie de grage, maar onnadenkende kopiïsten zijn die denken te kunnen scoren en pronken met andermands besmette veren. Zij zijn voor mij allen schuldig in commissie.
Maar aan mijn grote waardering voor het werk van Jules de Corte doet dit uiteraard niets af. En gelukkig heb ik de hierboven afgebeelde grammofoonplaat nog steeds in bezit.

====================================================

We hebben (het) ermee te doen

In het Comburgse handschrift van Van den vos Reynaerde, waarvan de tekst online HIER is te raadplegen, lezen we in regel 57-60 de volgende opmerkelijke mededeling:

Doe al dat hof versamet was,
Was daer niemen, sonder die das,
Hine hadde te claghene over Reynaerde,
Den fellen metten grijsen baerde.

(“Toen heel het hof verzameld was,
was daar niemand buiten de das,
of hij had te klagen over Reinaert,
de felle met de grijze baard.”)

We hebben ermee te doen. Niet met Reinaert, want die kletst zich er wel uit, maar met de zinsconstructie hebben te + infinitief + -e.

Een vergelijkbare constructie vinden we in regel 112-113:

So en es hier jonc no hout,
Hine hebbe te wroughene jeghen hu.

(“Hier is niemand, jong of oud,
die zich niet bij u te beklagen heeft.“)

Realiseer je om te beginnen het wezenlijke betekenisverschil tussen (1a) en (1b):

(1a) We hebben ermee te doen.
(1b) We hebben het ermee te doen.

In (1a) overheerst het medelijden, de empathie, de lotsverbondenheid, en betreft het een negatieve gebeurtenis of toestand rond een niet nader genoemde persoon of situatie.
In (1b) daarentegen overheerst de berusting, het genoegen nemen met minder dan gehoopt. Dat is niet hetzelfde.

Het opmerkelijke aan de bovenvermelde citaten uit de Reinaert is niet zozeer dat men had te klagen over Reinaert, maar dat er staat hadde te claghene resp. hebbe te wroughene. Dat is de derde naamval van de hele werkwoord claghen en wroughen. Maar werkwoorden kennen geen naamvallen, en dus volg ik de meeste grammatica’s en concludeer dat in deze constructie klagen een zelfstandig naamwoord is geworden. Werkwoorden doen dat wel vaker, bijvoorbeeld “Het eten van vlees wordt ontmoedigd“. En aangezien deze overgang van werkwoord naar zelfstandig naamwoord al vele eeuwen lang voorkomt, kan het zijn dat er dan tot ±1400 ook nog eens een zichtbare 2e of 3e naamvalsuitgang aan wordt toegevoegd, te weten de genitiefuitgang -s (stervens koud, tot bloedens toe), of een datiefuitgang -e, zoals in de onderhavige citaten. En die gevallen staan niet alleen. Kijken we in hetzelfde handschrift naar regel 1678-1687 dan lezen we wat Grimbeert de das besluit te doen na de biecht van zijn neef Reinaert:

Daer na, in gherechten raden,
Riet hi hem goet te wesene
Ende te wakene ende te lesene
Ende te vastene ende te vierne
Ende te weghe waert te stierne
Alle die hi buten weghe saghe,
Ende hi voert alle sine daghe
Behendelike soude gheneeren.
Hier na so dedi hem verzweeren
Beede roven ende stelen.

Ik volg even de fraaie hedendaagse bewerking van Karel  Eykman:

om hem daarna aan te raden
voortaan een goed leven te leiden,
zich aan nachtwake en bidden te wijden,
de feestdagen te vieren en te vasten
en het rechte pad te wijzen aan gasten
die hij af zou zien dwalen
opdat zij geen streken meer uit zouden halen
en een leven gaan leiden vol fatsoen.
Hierna moest hij een eed doen
om nooit meer te stelen en te roven.

In de Middelnederlandse tekst hebben we in kort bestek te maken met zes maal de datiefvorm van een gesubstantiveerde infinitief, maar opvallend genoeg ook met tweemaal de ‘gewone’ vorm, roven en stelen, zonder naamvalsuitgang. Terzijde: in het Dyckse handschrift, r.1668-1677, dat HIER online is te raadplegen, staan al deze infinitieven genoteerd zonder de datiefuitgang -e.

In de Eykmanversie wijs ik op de derde regel, waar nachtwake en bidden nevenschikkend zijn verbonden en beide dus kunnen worden gezien als zelfstandige naamwoorden. Verder vallen er de vele infinitieven op waaraan te voorafgaat, ook stelen en roven ditmaal.

Vaak wijst het gebruik van de gerundiumconstructie in het Nederlands op een (voorgenomen) doel; vergelijk dat met de twee betekenissen van het Engelse to, het Franse à en het Duitse zu. Die doel-betekenis, ofwel finale betekenis, wordt duidelijk en aannemelijk als we in het Eykmancitaat hierboven het doel-aanduidende om inlassen:

om hem daarna aan te raden
om voortaan een goed leven te leiden,
om zich aan nachtwake en bidden te wijden,
om de feestdagen te vieren en te vasten
en om het rechte pad te wijzen aan gasten
die hij af zou zien dwalen
opdat zij geen streken meer uit zouden halen
en een leven gaan leiden vol fatsoen.
Hierna moest hij een eed doen
om nooit meer te stelen en te roven.

Maar het lukt niet altijd om de bedoelde constructies te parafraseren met om, zeker niet in de constructie hebben+te+infinitief als aan het begin van dit artikel. Daar speelt veeleer een andere betekenislaag: die van de modaliteitlijn. Op die lijn kun je een bewering plaatsen uiteenlopend van “onwaarschijnlijk/ongewenst” naar “zeer waarschijnlijk/gewenst“. De meest gebruikelijke manier in het Nederlands is dan ook het gebruik maken van een van de modale hulpwerkwoorden: kunnen, zullen, willen, mogen, moeten en laten en enkele varianten. De verschillen zijn vaak heel subtiel; vergelijk:

(2a) Kan ik het raam even dichtdoen?
(2b) Zal ik het raam even dichtdoen?
(2c) Wil ik het raam even dichtdoen?
(2d) Mag ik het raam even dichtdoen?
(2e) Moet ik het raam even dichtdoen?
(2f) Laat ik het raam even dichtdoen. (impliciete vraag of de ander dat toelaat)

Het voornemen (“raam dichtdoen“) wordt door de keuze van het modale hulpwerkwoord op de modaliteitlijn meer naar links of rechts geplaatst, afhankelijk van de wens van de gesprekspartner.

Zo is het ook bij de constructie “hebben+te+infinitief”, waar steeds een modaliteitfactor een rol speelt. Merk daarbij op dat in sommige gevallen (maar niet alle!) er een toekomende tijd mogelijk is; daarbij gebruiken we krijgen in plaats van hebben. Dat is zelfs mogelijk in de verleden tijd: We hadden/kregen gisteren zes mensen te eten. De verklaring volgt uit de plaatsing van het moment van de bewering en dat van het beweerde op de tijdlijn: de spreker verwijst terug in de tijd naar een moment waarop ofwel het eten plaatsvond (hadden) en de zes mensen al aanwezig/aan tafel waren, ofwel naar een moment vóór het eten waarop vaststond dat er zes mensen zouden komen eten, maar ze nog niet aanwezig waren, althans niet al aan tafel zaten (kregen). Beetje ingewikkeld, maar niettemin correct en verklaarbaar.

(3a) Je hebt maar te gehoorzamen
(3b) Ze hadden het zwaar te verduren
(3c) De schaatser had nog 100 meter af te leggen
(3d) De meesten hadden nog heel wat sommetjes te maken
(3e) Gij hebt niets te vrezen
(3f) Veel had zij niet te verwachten
(3g) De directie had weinig nieuws te melden
(3h) Ik heb er niets op aan te merken
(3i) Ik heb wel wat anders te doen
(3j) In feite hebben we in de politiek niks te vertellen/zeggen
(3k) We hadden gisteren zes mensen te eten
(3l) We hebben te maken met klimaatverandering
(3m) We hebben veel met hen te doen
(3n) Ze hadden weinig te besteden/te makken/te eten
(3o) Ze hebben er veel mee te stellen

Allereerst: er zit weinig modaals in de gevallen We hebben te doen met klimaatverandering en We hebben te maken met klimaatverandering. Ik verklaar dat vanuit het gegeven dat maken en doen twee Nederlandse werkwoorden zijn waarvoor het Frans (faire), Italiaans (fare) en Latijn (facere) in principe één werkwoord gebruiken.

Verder valt in de reeks voorbeeldzinnen (3) op dat er enkele zijn waarbij er een vastevoorzetselverbinding in het spel is, zoals: te maken hebben met, te doen hebben met, te stellen hebben met, aan te merken hebben op. Ook in deze gevallen lijkt er nauwelijks van een modale betekenis of ondertoon sprake te zijn.

Wat we wel kunnen constateren:

  • In de zinnen (3a) t/m (3d) heeft hebben de modale betekenis van “(verplicht of onontkoombaar) moeten“. In (3e) en (3f) de ontkenning van moeten: hoeven.
  • In de zinnen (3g) en (3h) overheerst de modale betekenis van kunnen (=in staat zijn, de mogelijkheid hebben) of willen/wensen.
  • De modale betekenis willen overheerst in (3i)
  • De modale betekenis mogen overheerst in (3j)
  • In de zinnen (3k) t/m (3o) is er geen in het oog springende modale betekenis aanwezig, en is dus een parafrase met een van de genoemde modale hulpwerkwoorden niet goed mogelijk.
  • Als hebben de betekenis “bezitten” heeft, zoals in (3n) is er geen modaliteit aanwezig. Datzelfde zou kunnen gelden voor (3g), als de directie inderdaad geen informatie beschikbaar had. Meestal is het echter een kwestie van informatie bewust achterhouden, waarmee willen op de voorgrond treedt.
  • Het aantal gevallen waarin om kan worden toegevoegd is beperkt: alleen in (3c), (3d), (3n) en eventueel (3g) in de lezing dat er echt geen informatie voorhanden was. De toevoegbaarheid van om wijst in de richting van een doel-aanduiding, zoals hierboven al is aangestipt, waarmee ook een ander soort beknopte bijzin ontstaat. In mijn optiek is er een ontleedverschil tussen (3n1) en (3n2):

(3n1) Ze hadden weinig te eten
(3n2) Ze hadden weinig om te eten.

Mijn argument daarbij is dat er in (3n1) sprake is van de constructie hebben+te+infinitief, maar in (3n2) staat een zelfstandig werkwoord hebben (=bezitten) gevolgd door een beknopte bijzin om te+infinitief. In beide gevallen blijft de vraag of eten daarbij moet worden opgevat als een onverbogen werkwoordsvorm, of als een gesubstantiveerd werkwoord, dus een zelfstandig naamwoord, dat ooit, in vervlogen tijden, een datiefuitgang -e kon krijgen.

Uit dit artikel valt op te maken dat de laatste mogelijkheid het waarschijnlijkst is

Daar hebben we het dan maar mee te doen.

________________________

Dit bericht is een beknopte samenvatting van een uitgebreider artikel dat elders zal worden gepubliceerd.

Katjelam

In de bijna dagelijks groeiende lijst van woorden onder de kop Apetrots en keileuk dook kort geleden opeens het woord ‘katjelam’ op. Mij intrigeerde dat woord omdat ik er geen passende herkomst van kon ontdekken. Daarom mijn licht opgestoken bij Taalunieversum van Onzetaal. Ik stelde de volgende vraag:
Kunt u mij meer informatie geven over het woord ‘katjelam’ (‘straalbezopen, toeterzat’)?
– het tweede deel van de samenstelling is duidelijk: lam, in de betekenis ‘fysiek beperkt’ komt al in MNW en WNT voor in dezelfde betekenis.
– het eerste deel is mij onduidelijk. Verwijst het naar de diernaam kat (misschien te vergelijken met ‘katzwijm’, of wellicht naar qat als geestesverruimend middel?
– is het bekend sinds wanneer het woord ‘katjelam’ in het Nederlands opduikt?
Graag uw mening hierover.

Daarop kreeg ik van Taalunieversum het volgende antwoord:

‘Katjelam‘ in de betekenis ‘stomdronken‘ is pas in 2016 toegevoegd aan Van Dale. Kennelijk is het nog niet zo heel lang gangbaar. Dat wordt ook bevestigd wanneer we zoeken in krantenarchieven via Delpher.nl. Daar treffen we ‘katjelam‘ maar twee keer aan, namelijk in een Provinciale Zeeuwse Courant van 2008 en een uit 2016.

Wel komen we in de Vlissingse Courant in een krant uit 1917 het woord ‘kattelam‘ tegen in de betekenis ‘loom‘. Daar wordt gesuggereerd dat het een vertaling van het Franse ‘catelāme‘ zou zijn, maar daarvan hebben we geen verder bewijs gevonden.
(Zie https://krantenbankzeeland.nl/issue/vco/1917-02-15/edition/0/page/1?query=kattelam.)

De taalkundige Frans Debrabandere bespreekt het woord ‘kat(te)lam‘ in een artikel over volksetymologie. Volksetymologie wil zeggen dat woorden veranderen onder invloed van andere woorden omdat sprekers van een bepaalde taal, in dit geval het Nederlands, dénken dat de woorden met elkaar te maken hebben. Debrabandere gaat ervan uit dat ‘kattelam’ ontstaan is door de associatie met het bekende woord ‘kat‘, maar dat het oorspronkelijk gaat om het Brabantse woord ‘kootlam‘, dat ‘machteloos, niet meer in staat om te bewegen‘ betekende.
Dat woord ‘kootlam‘ staat ook in Van Dale, met de omschrijving ‘verlamd aan de poten door te weinig beweging‘, met als voorbeelden “dat varken is kootlam” en “ik ben in geen veertien dagen uit geweest, ik zou wel kootlam kunnen worden“.
Kootlam bestaat uit ‘koot‘, dat ‘gewricht, wervel‘ betekende (denk aan vingerkootjes) en ‘lam‘ voor ‘niet kunnen lopen‘. Doordat ‘koot‘ nagenoeg verdwenen is uit het Nederlands, kon ‘kootlam‘ veranderen in ‘katlam‘. De kater brengen we tenslotte wel vaker met dronkenschap en de bijbehorende slapte en machteloosheid in verband.
https://www.dbnl.org/tekst/_bie001200901_01/_bie001200901_01_0025.php.)

Het is maar dat je het weet.

Al met al is daarmee de volgende kwestie gerezen: waar komt dat Franse woord ‘catelâme’ vandaan dat Taalunieversum vermeldt? Hiernaast het aangehaalde citaat uit de Vlissingse Courant uit 1917. Nu beschik ik over tal van Franse woordenboeken, ook uitgebreide, wetenschappelijke en ook oude uit de 17e/18e eeuw, en hanteer ik op internet vaak de TLFi (Trésor de la langue Française informatisé; http://www.atilf.fr/tlfi) en Le Dictionnaire vivant de la langue française; http://dvlf.uchicago.edu/, maar nergens kwam ik het woord tegen. Uiteindelijk vond ik in het Frans-Vlaamse dialectwoordenboek Le parler dunkerquois (http://www.jepi-dunkerque.fr/pages/Le_parler_Dunkerquoisc-5351178.html) het woord ‘catelame‘, met als vermelding: Catelame : fatigué, du FL kattelam, met andere woorden: het Duinkerks heeft het woord uit het Vlaams geïmporteerd, en dus niet omgekeerd, zoals de Vlissingse Courant suggereert.
Het is maar dat je het weet.