Het spel en de regels – respect en kaarten

Mijn tweede artikel dat de spelregels bij voetbal onder de loep neemt, gaat over respect als gedroomd gedrag en kaarten als arbitraal correctiemiddel. Het eerste is nog niet zo simpel; het tweede is veel eenvoudiger aan te scherpen. Maar omdat ze met elkaar hebben te maken, neem ik ze hier in één bericht samen.

Overwegingen vooraf
Respect dwing je af. Je krijgt het niet gratis. Maar van wat de voetbalorganisaties ervan proberen te maken, door spelers tot handenschudden vooraf te bewegen, of door alle spelers door elkaar te laten poseren voor een reclamebord voor respect (of tegen racisme) is nooit een positief effect hard gemaakt. Op mij komt het meer over als window dressing of voor de bühne, waarmee de organisaties hun handen in onschuld wassen en naar spelers en/of publiek kunnen wijzen als er iets misgaat. Dat laatste is nog ietsje complexer dan het lijkt, want het heeft er alle schijn van dat wangedrag van spelers overslaat op het publiek en omgekeerd. In die zin is een voetbalwedstrijd een interactieve gebeurtenis.

Even iets wat geen zijsprong is. In het algemeen wordt aangenomen dat ijshockey een veel ruwere, zo niet onbehouwener en gevaarlijker sport is dan veldvoetbal. Het tegendeel is echter het geval. Ja, met enige regelmaat zie je ijshockeyers met elkaar op de vuist gaan, maar dankzij hun overmatige kledij levert dat nooit blessures of erger op. En wordt het te dol, dan zijn er altijd 2 of 3 scheidsrechters die adequaat en kordaat optreden. En als je het niet gelooft, ga dan maar eens turven per hoeveel strekkende spelersminuten er bij ijshockey en bij voetbal een blessure voorkomt. Dan blijkt voetbal de ruwere sport te wezen.

Maar dat is niet alles. IJshockeyers zijn tijdens de wedstrijd respectvoller dan voetballers, zeker binnen de spelregels. Het duidelijkst blijkt dat uit hun gedrag jegens de scheidsrechter. Bij ijshockey betekent een fluitsignaal van de scheidsrechter dat alle spelers daadwerkelijk stoppen en het verloop afwachten; alleen de aanvoerder, met de letter C op de borst, of zijn tijdelijk vervanger, herkenbaar aan een A op de borst mag zich met een van de scheidsrechters verstaan, om uitleg vragen, in discussie gaan. Wie zich niet daaraan houdt, kan naar de strafbank. Kom daar maar eens om bij voetbal. Daar betekent een fluitsignaal keer op keer het sein tot de vorming van een kluwen spelers die in woord en gebaar en duwend en trekkend duidelijk te maken dat de arbiter van dienst iets is tussen “onbenul” en “hondenlul”.

Voor mij begon het allemaal op 6 september 1965 toen Feijenoord in Rotterdam Real Madrid ontving en met 2-1 won. Na een overtreding op icoon Coen Moulijn ontstond er een knok- en schoppartij tussen de spelers, hetgeen verslaggever Bob Spaak bracht tot de bekende woorden “Coen, beheers je! Jongens, jongens, dat kan toch niet! Wat een afschuwelijke vertoning!
Zulk een intermezzo betekent niet alleen tijdverkwisting (vandaar mijn pleidooi voor zuivere speeltijd), maar ook slaan die emoties over op het publiek, met alle mogelijke gevolgen van dien, en bovendien levert het niks positiefs op, want de scheidsrechter komt toch niet terug van zijn beslissing; hooguit vallen er gewonden.
De invoering van de vele camera’s, de VAR, de herhalingen, zullen ongetwijfeld een gunstige invloed op spelers hebben, nu zij het risico lopen dat hun wangedrag op beeld vastligt en mogelijk een staartje gaat krijgen.

Discussie of gemekker
Mijn voorstel op dit punt is een regel invoeren dat tijdens en rond een wedstrijd uitsluitend en alleen de aanvoerders van beide partijen zich tot de scheidsrechter mogen wenden en dat de andere spelers op afstand afwachten wat het resultaat ervan is. En langs de lijn: alleen de trainers/coaches van beide teams mogen zich tot de vierde man wenden, of de clubarts van dienst ingeval hij medisch ingrijpen nodig acht. Ieder ander die zich in of rond het veld in woord of gebaar met de arbitrage bemoeit, kan een kaart tegemoet zien. Zo kan het zinloze en tenenkrommende gemekker tijdens een wedstrijd aanmerkelijk worden geminimaliseerd en komt fatsoenlijk gedrag het respect ten goede.

Kaarten
Al zo’n 50 jaar hanteren diverse sporten een systeem van kaarten die de scheidsrechter kan trekken om een speler of lid van de technische staf (soms zelf het hele team als collectief) te corrigeren en met enig vorm van consequentie te bestraffen. Het varieert van drie soorten kaarten (groene, gele en rode) bij het veldhockey, via twee (gele en rode bij veldvoetbal) tot nul (bij ijshockey). Maar in die laatste sport vigeren andere maatregelen: een speler die naar het oordeel van de arbitrage over de schreef gaat, kan vertrekken naar de strafbank, voor 2, of 5, of 10 minuten, of zelfs voor de hele wedstrijd. Daarvoor zijn geen kaarten nodig, en (respect!) die straffen worden doorgaans zonder al te veel gemekker of gemor geaccepteerd. Wat daarbij mijns inziens een grote rol speelt, is niet dat ijshockeyers in doorsnee nettere mensen zijn dan profvoetballers -waarschijnlijk is dat niet zo, als het al te meten is-, maar dat de spelregels en andere reglementen van ijshockey veel strikter, gedetailleerder zijn dan de voetbalspelregels, waardoor er minder ruimte is voor interpretatie en dus ook voor discussie, gemekker en gemauw, noch bij de spelers, noch bij de staf, noch bij het publiek. Dat impliceert dus ook dat ik pleit voor striktere spelregels bij het voetbal, opdat een ieder weet waaraan je je te houden hebt.

Daar bovenop: handhaaf rustig het uitdelen van gele en rode kaarten, maar voeg er, net als bij ijshockey en veldhockey, een strafbank aan toe, bijvoorbeeld 5 of 10 minuten (zuivere speeltijd uiteraard) bij een gele kaart en de hele wedstrijd bij een rode kaart, welk laatste nu ook al het geval is.

Bijkomend voordeel is de volgende overweging: Team A speelt tegen team B. Een speler van A krijgt een gele kaart, maar kan desalniettemin de wedstrijd voortzetten, ook al is het een beetje met de handrem erop om geen tweede gele kaart te incasseren, want geel+geel=rood. Maar het voordeel van B tijdens die wedstrijd is zeer beperkt. Zou de betreffende speler voor een aantal minuten van het veld moeten, dan is het numeriek voordeel voor B evident. Bovendien: als diezelfde speler van A door die gele kaart een schorsing oploopt en A moet volgende week tegen C spelen, dan is C bevoordeeld door de afwezigheid van die speler, en B benadeeld, want C pakt dan het voordeel dat B, tegen wie de overtreding is begaan, is misgelopen.

Technische complicatie: net als bij ijshockey zou bij veldhockey en veldvoetbal de bestrafte speler niet mogen plaatsnemen in de dug out van zijn team, maar plaats moeten nemen in een aan te leggen strafbank aan de andere kant van het veld, zulks ter voorkoming van contact tussen speler en staf waardoor de bestrafte speler ook nog eens tal van aanwijzingen kan meekrijgen en zo profiteert van zijn uitsluiting. Twee strafbanken zelfs, eentje per team, want het komt niet zelden voor dat van beide teams tegelijk een speler naar de strafbank moet, waarna dat tweetal buiten de lijnen met elkaar op de vuist gaat of zich anderszins misdraagt uit frustratie. Bijgaande uitzonderlijke foto maakte ik op 2 januari 2007 tijdens de kwartfinalewedstrijd Finland-USA (3-6) in het Zweedse Mora. Er zaten maar liefst 4 Finse spelers tegelijk in de strafbank en een van hen sloeg in drie houwen zijn stick op de plexiglas boarding kapot, hetgeen hem nog een bijkomende straf opleverde. Zo iemand wil je toch niet naast je in de dug out hebben zitten…
Tussen beide strafbanken bevindt zich een official die de toegang van de strafbank opent en, de stopwatch in de hand, na het uitzitten van de straf weer opent.

Heren, heren, gedraagt u alstublieft.
En dames binnenkort ook, valt te vrezen.

____________________________________________

Berichten in deze reeks:

  1. Zuivere speeltijd
  2. Respect en kaarten (dit bericht)
  3. Puntentelling
  4. Belijning

 

Het spel en de regels – zuivere speeltijd

Ik had me vlak na het afgelopen WK voorgenomen een viertal artikelen te schrijven over de regels van het edele voetbalspel. Omdat ik echter wel belangrijker zaken te doen had, was dat er nog niet van gekomen. Maar nu ga ik aftrappen met een verdediging van een voorstel tot verbetering: de invoering van de zuivere speeltijd.
Eigenlijk is er wel een meerderheid voor het vervangen van de huidige 2×45 minuten plus eventuele extra tijd, vooral om het spel eerlijker, sneller en aantrekkelijker te maken, maar tussen droom en daad staan logge instanties als FIFA en UEFA in de weg.

Waarom zuivere speeltijd?
Per wedstrijd gaat er zo’n 25 tot 40% aan tijd verloren met dode spelmomenten, dus de periode tussen het affluiten door de scheidsrechter en de daadwerkelijke spelhervatting. Naarmate de wedstrijd vordert en de eindstand waarschijnlijker wordt, neemt het tijdrekken door een van beide partijen merkbaar toe. Dat is onderdeel van het spel, maar daarvoor komt niemand naar het stadion.

Verder kan de arbitrage weliswaar aan het einde van elke helft een min of meer arbitrair aantal minuten aan extra speeltijd toevoegen, maar het spreekt voor zich dat een der partijen en een deel van het publiek die toegevoegde tijd absoluut te kort of juist te lang vinden.

Waarom geen zuivere speeltijd?
Allereerst doordat FIFA en UEFA logge, stoffige en conservatieve instanties zijn die een hekel hebben aan verandering, ook die van de spelregels.

Verder, zo wordt wel geopperd, is er het probleem dat de zendgemachtigden die een live verslag van een wedstrijd verzorgen in de knoop kunnen komen met de programmering, als de werkelijke wedstrijdduur ongewis is.

En ten derde is er het argument van het technische gedoe, want er is een tijdwaarnemer nodig die voortdurend registreert of het spel voortgaat of stil ligt.

Tegen bezwaar 1 breng ik in dat dat de verandering niet tegenhoudt, maar alleen opschort. Een bureaucratische vorm van tijdrekken dus. Maar ook binnen deze instanties zijn er Marco van Bastens genoeg om vroeg of laat de gewenste herzieningen door te voeren; zijn latere interview in De Volkskrant van 21 december 2018 biedt voldoende ondersteuning. Zo is dat ook ten lange leste met de doellijntechnologie en de VAR gegaan.

Bezwaar 2 is om minstens twee redenen volstrekte nonsens. Ten eerste is ook de werkelijke speeltijd van een wedstrijd nu ook al ongewis, nooit precies 2×45 minuten met een kwartier pauze ertussen, maar altijd langer, niet zelden variërend van 5 tot 20 minuten. Ten tweede moeten die zendgemachtigden dan maar eens een kijkje nemen in de keuken van Noord-Amerikaanse zenders van live wedstrijden (basketbal, ijshockey,..); bij die sporten wordt met zuivere speeltijd gewerkt, maar de zenders raken niet in paniek: zij programmeren ruim, en is er tijd over, dan lassen ze een of meer interviews in. Sterker nog: soms weten die commerciële zenders het zo te regelen dat een wedstrijd een minuut of wat wordt stilgelegd voor een zogenaamde commercial break. Niet dat ik daarvan voorstander ben, maar het zegt iets over de flexibiliteit van die omroepen bij wedstrijden met zuivere speeltijd.

Dan is bezwaar 3 een stuk reëler. Wie houdt die tijd bij? De scheidrechter die een accurate stopwatch heeft (dat ding heet niet voor niks zo)? Of een van zijn secondanten langs de lijn, de assistent-scheidsrechters of de vierde man? Of moet er een tijdofficial ergens langs de lijn zitten met één enkele opdracht: de tijdknop op de seconde af aan of uit zetten. En dan moet ook nog eens de verstreken of nog te spelen tijd exact op het scorebord of de jumbotron worden weergegeven, maar dat is bij de huidige stand van de (draadloze) techniek niet zo complex meer. Het antwoord op de vraag naar de tijdwaarnemer kan afhankelijk zijn van het belang/niveau van de wedstrijd: een recreatief potje op zaterdagochtend vereist minder dan een Champions League of WK-wedstrijd waarmee miljoenen zijn gemoeid.

Voorstel
Mijn idee is om een voetbalwedstrijd 2×35 minuten zuivere speeltijd te laten duren met een kwartier pauze ertussen. Dus geen extra/toegevoegde/blessuretijd meer.

Als de scheidrechter fluit om het spel te onderbreken, stopt de tijd. Als de scheidsrechter fluit om het spel te hervatten, start de tijd en zijn er zes piepjes te horen, elke seconde één. Heeft de betreffende partij bij het zesde piepje het spel nog niet hervat (ingooi/intrap, doeltrap, aftrap, enz.), dan fluit de scheidsrechter af en gaat de beurt naar de tegenpartij.

Het is aan de scheidsrechter om te bepalen wanneer hij voor spelhervatting fluit. Zo moet bij een doelpunt de bal naar de middenstip – nog steeds een doodspelperiode. Hoe lang hij echter wil wachten tot de kluwen gelukkige speler over elkaar heen tuimelen, kussend, aaiend, grabbelend, knuffelend, of zich tot de bank of het publiek wenden, lijkt me een kwestie van aanvoelen van de wedstrijd. Een doelpunt mag worden gevierd, maar niet ten koste van de zuivere speeltijd.

Van mij mag 2×35 ook 2×30 worden, en mogen de zes seconden er ook wel vijf worden; het is aan de statistici daarover een zinnige uitspraak te doen. En als er een verlenging noodzakelijk is: hooguit 2×10 minuten zuivere speeltijd.

Dit voorstel staat los van mijn voorstellen in de volgende artikelen, maar ook weer niet helemaal. Dat wordt binnenkort wel duidelijk.

____________________________________________

Berichten in deze reeks:

  1. Zuivere speeltijd (dit bericht)
  2. Respect en kaarten
  3. Puntentelling
  4. Belijning

Kassarol en pinguïn

In mijn vorige artikel refereerde ik aan de woorden kassarol en pinguïn die commentator Jeroen Grueter uitsprak tijdens zijn verslag van Kroatië-Denemarken op 1 juli jl. Ik kon mij de context van die ongebruikelijke sporttermen niet goed meer herinneren en daarom stoorde ik hem op zijn vakantieadres en vroeg hem enige toelichting.
Die ontving ik heel snel van hem, waarvoor mijn dank.

Een verslaggever moet ook van een slechte en saaie wedstrijd nog iets moois weten te maken. Han Hollander, Rik de Saedeleer en Theo Koomen konden dat, Frank Snoeks kan dat ook. Ik plaats Jeroen Grueter nu ook maar in dat rijtje.

Kroatië-Denemarken (1-1) was zo’n slechte wedstrijd. Niet saai, want het was een knock-outwedstrijd die de Kroaten uiteindelijk via strafschoppen in hun voordeel beslisten. Misschien was het meer de angst om te verliezen, dan het onvermogen om er een mooie wedstrijd van te maken, iets waarmee België en Brazilië vijf dagen later niet de minste moeite hadden.

Grueter gebruikt het woord kassarol als synoniem van “waslijst“. In zijn woorden:
Bij het gebruik van het woord kassa-rol is de context van de wedstrijd belangrijk, een duel waarin beide teams graag lijken te willen, maar gevangen zijn in een web van onvermogen en tactische beperkingen. De constatering is dat ook een aanzienlijke hoeveelheid goede bedoelingen niet genoeg zal zijn om de wedstrijd beter te maken. Sterker nog: de benodigde hoeveelheid past niet eens op een kassa-rol. Voor dit woord gekozen, omdat het, afgewikkeld, een stuk papier is van zeer aanzienlijke lengte“.

De gebruikte kwalificatie pinguïn viel ten deel aan de Kroaat Matteo Kovačić, die in de 71e minuut inviel voor Marcelo Brozović en niet veel later zelf een wat nare schouderblessure opliep. Jeroen Grueter over die blessure:
Het woord pinguïn was gezien de situatie eigenlijk vrij logisch. Een speler raakte geblesseerd aan de schouder, ogenschijnlijk was deze uit de kom geraakt of geweest. Toch wilde de speler doorspelen. Met een min of meer hangende arm. Daar concludeerde ik dat hij dan als een pinguïn over het veld zou lopen in de resterende speeltijd“.

Zo werd het gelukkig toch nog een wedstrijd om over door te praten.

 

 

Hele mooie bekers

Mijn grote interesse in het foutief gebruik van het bijwoord hele in plaats van heel zij inmiddels genoegzaam bekend. In hele mooie bekers slaat hele op mooie, en is dus een bijwoord (in de woordgroepleer: een “interne bijwoordelijke bepaling bij mooie“), dat volgens de grammatica’s geen buigings-e kan krijgen. Eerder al constateerde ik dat deze heel/hele-transitie zich wel handoverhand voordoet bij heel, maar niet bij veel, zodat de mogelijkheid dat het hier gaat om een taalverandering omwille van fonetisch gemak niet stand houdt. Niemand spreekt bijvoorbeeld van een vele mooiere beker.

Bovendien is het zo, dat de ‘moderne’ Nederlandssprekende zich bij dit gebruik van hele keurig netjes houdt aan de buigingsregels van Nederlandse bijvoeglijke naamwoorden. Je hoort dus tegenwoordig:

  • een hele mooie man (mannelijk)
  • een hele mooie vrouw (vrouwelijk)
  • een heel mooi kind (onzijdig)
  • een heel mooi dier (onzijdig)
  • hele mooie mannen/vrouwen/kinderen/dieren (meervoud)

De meest voor de hand liggende verklaring is dat mensen niet kunnen ontleden en dus denken dat dat bijwoord heel/hele, net als het erop volgende woord mooi(e) ook een bijvoeglijk naamwoord is en daarom hypercorrect in voorkomende gevallen de buigings-e krijgt.

Tot zover is dit allemaal oud nieuws, gelet op mijn eerdere artikel.

Het afgelopen WK-voetbal leverde mij, behalve twee mooie wedstrijden (Frankrijk-Argentinië en vooral Brazilië-België), ook enkele taalkundige verrassingen op:

– Tijdens die wedstrijd Frankrijk-Argentinië op 30 juni kwam NOS-commentator Philip Kooke opeens aanzetten met een behoorlijke valse nummer negen (al weet ik niet meer welke speler hij bedoelde). In die uitspraak verscheen dus het heel/hele-probleem opeens ook bij het woord behoorlijk. Dat is groot nieuws.

– Daags erop versloeg Jan Roelfs de wedstrijd Spanje-Rusland, gespeeld in het Loezjniki-stadion in Moskou. Roelfs roemde dat prachtige gebouwde stadion. Fout dus, ook fonetisch gezien, want prachtiggebouwde bekt makkelijker dan prachtigegebouwde. Zijn grammaticaal waninstinct won het dus van zijn spreekgemak. Dat is nog groter nieuws.

– Ja, dan hebben we ook nog Jeroen Grueter, voor mij na Frank Snoeks de beste NOS-sportcommentator, voornamelijk vanwege hun beider taalgebruik. Ook hij bezondigt zich aan de heel/hele-fout, maar ik vergeef het hem. Want tijdens Kroatië-Denemarken op 1 juli viel mij iets geweldigs op.
Ik beluister en bekijk sportuitzendingen al sinds 1958, waarmee ik een zestigjarige ervaring heb met stijl en taalgebruik van de verslaggevers. Voor Han Hollander was ik helaas te laat geboren, maar de stemmen van Dick van Rijn, Dick de Vree, Bob Spaak, Theo Koomen en de allergrootste: Rick de Saedeleer, herinner ik mij nog zeer goed. Op zeker moment trad er een soort ‘nieuwe zakelijkheid’ op in de verslaggeving. Bij voetbalverslagen begon dat in mijn beleving bij Theo Reitsma en Eddy Poelmann, en velen na hen bleven dat spoor der saaiheid volgen. Zo niet Frank Snoeks en Jeroen Grueter, die hun verslagen nog steeds met voldoende peper en zout kruiden.

Laatstgenoemde bestond het om tijdens zijn verslag van Kroatië-Denemarken op 1 juli 2018 het voetbalvocabulaire met twee woorden uit te breiden: kassarol en pinguïn. Zie voor een toelichting op beide termen mijn vervolgartikel.

Met al mijn zestig jaar kijk- en luisterervaring durf ik te zeggen dat die twee woorden nog  nimmer zijn gebezigd in een voetbal-, ijshockey- of schaatsverslag op de Nederlandse radio of tv. Hulde.

 

¿Sevilla? ¡Róterdam!

Zo op het eerste oog zijn er niet veel lijntjes die Sevilla met Rotterdam verbinden; een bijpassend plaatje ontbreekt dus ditmaal, maar na wat betere beschouwing heb ik toch twee verbanden kunnen vinden. Het ene heeft met bruggen te maken, het andere met voetbal.

Befaamd in Rotterdam is de Erasmusbrug, een ontwerp van architect Ben van Berkel, die in 1996 officieel werd geopend. Deze 800 meter lange tuibrug met één geknikte stalen pylon is al ruim 20 jaar een blikvanger in de stad. Maar het is niet de enige brug van een dergelijke constructie.


Alleen moeten we dan naar architect Santiago Calatrava. Die heeft, om de werkelijkheid maar even om te keren, een aantal Erasmusbruggen op zijn naam staan, maar niet die van Rotterdam. Je treft er onder meer eentje aan in Valencia, in Jeruzalem, in Redding (Californië), en dus ook in Sevilla. Alle van vergelijkbaar ontwerp. Die in Sevilla, gebouwd voor de Expo in 1992, luistert naar de naam Puente del Alamillo en is dus ouder dan de Erasmusbrug, maar wel ruim driemaal zo kort, ±250 meter en ontworpen als voetgangersbrug. Nergens heb ik kunnen vinden dat Ben van Berkel zich voor de Erasmusbrug door die Puente heeft laten inspireren, ook al zijn de overeenkomsten tussen beide bruggen nog zo frappant.

  • Bewust heb ik ervoor gekozen hierboven alleen zelfgemaakte foto’s te plaatsen, en niet her en der van internet wat te plukken, ook al zijn die vaak fraaier.

Een tweede lijntje tussen Sevilla en Rotterdam putte ik uit mijn geheugen. In 2014 troffen FC Sevilla en Feyenoord elkaar in de groepsfase van de Europa League. De buit werd eerlijk verdeeld: Sevilla won thuis met 2-0 en Feyenoord won in De Kuip met 2-0. Daarmee werd Feyenoord groepswinnaar en Sevilla tweede, maar dat terzijde.


Omdat het niet zo ver lopen was -het Estadio Ramón Sánchez Pizjuán ligt midden in de stad- wilde ik het wel eens bekijken. Ondanks de indrukwekkende naam haalt dat stadion het niet bij De Kuip, maar daar ging het mij niet om. Ik had eerder al eens gezien dat er vóór het stadion een reusachtige Wall of Fame staat, waarop, zegt men, de meest aansprekende tegenstanders van FC Sevilla staan afgebeeld. Dit nu is een leugen: er ontbreekt er minstens eentje: Feyenoord. Ik zal er toch niet overheen hebben gekeken. Mogelijk liggen ze wat achter met het bijwerken van het bord; beide clubs hadden elkaar nooit eerder ontmoet. Over een paar jaar nog maar eens gaan kijken.
Sevilla zelf is zeker een herbezoek waard.

_____________________________

Vorig bericht: http://nardloonen.nl/2018/04/26/sevilla-groen-en-blauw/

Wedden dat? (2)

Ik heb met mijn weddenschap van
9 maart maar half gelijk gekregen. Ook goed.
Ik had voorspeld dat Feyenoord op 11 maart AZ zou laten winnen om die club dichter bij plek 2 in de competitie te krijgen, in ruil waarvoor Feyenoord op 22 april de beker mocht winnen.
Maar wat gebeurde: Feyenoord won beide wedstrijden en AZ zit met de gebakken peren en het is maar de vraag of AZ dit seizoen nog in ieder geval een Europees ticket zal weten te bemachtigen. Van mij mogen ze; het is een prima voetballend team.
Maar mijn dag kan niet meer stuk, ondanks mijn half verloren weddenschap.

Wedden dat?

Ik lijd niet aan gokverslaving, maar zo af en toe zie ik wel iets aankomen: Feyenoord gaat komende zondag in Rotterdam verliezen van AZ en Feyenoord gaat op 22 april in Rotterdam winnen van AZ. Dat lijkt op een deal, en dat is het volgens mij ook, net zoals Feyenoord en Vitesse vorig jaar een perfecte dubbel afleverden.

Hoe zat dat in Arnhem? In januari 2027 speelden beide clubs in de kwartfinale van de KNVB-beker. Vitesse was al 125 jaar aan een prijs toe, en Feyenoord was voluit op weg naar het landskampioenschap. En dus werd het 2-0 voor Vitesse, dat daarmee doorging in de beker en die uiteindelijk ook won. Toen de clubs elkaar weer troffen in Arnhem, april 2017, was het landskampioenschap in het geding. Dus liet Vitesse Feyenoord winnen. Voor wat hoort wat.

Dit gaat zich nu weer afspelen: Feyenoord kan het kampioenschap niet meer prolongeren, maar gaat voluit voor de beker. De finale is op 22 april tegen AZ. Die moet Feyenoord dus winnen, om nog iets succesvols van het seizoen te maken. En dat zal ook wel gebeuren. Maar komende zondag staan ze tegenover elkaar in Rotterdam voor de competitie. AZ, met nu maar 2 punten achter Ajax, wil dolgraag tweede op de ranglijst worden om zich aldus via een achterdeur te kwalificeren voor de Champions League. En met winst komende zondag kunnen ze al tweede staan. Dus de deal zal gaan lijken op die met Vitesse vorig jaar: AZ mag opgaan voor plek 2 in de competitie, en Feyenoord mag de beker winnen. Wedden dat?

 

Verwachting – 1 van 2

Er staan de komende drie maanden drie wedstrijden op het programma die om diverse redenen van belang zijn.
(1): Nadat Feyenoord zijn tot nu toe meest aansprekende succes van het seizoen boekte door PSV met 2-0 uit te schakelen voor de KNVB-beker, volgt nu het rechte pad naar winst in de bekerfinale.
(2): Maar eerst moeten ze morgen een zoveelste blamage in Venlo zien te voorkomen.
(3): En de Spaanse soap gaat zijn sportieve hoogtepunt (?) beleven als de Catalanen het moeten opnemen tegende Castilianen.

In volgorde van opkomst:

Zondag 4 februari 2018: VVV-Feyenoord. Daarover heb ik me al eerder uitgelaten in het artikel Kuipkwartiertje. Ik citeer: Het eerste fabeltje is eerder een nachtmerrie: de Vloek Van Venlo, oftewel VVV-uit. Sinds de invoering van het betaalde voetbal moesten de Rotterdammers 20 maal naar Venlo afreizen en op drie overwinningen na moesten ze met de roodwitte staart tussen de benen huiswaarts keren.
Nu Feyenoord schier kansloos is in de competitie, maar het bekersucces lonkt, voorzie ik dat VVV de zogeheten Vloek Van Venlo wederom over Feyenoord zal weten af te roepen. Morgen zal ik verslag doen van de realiteit.
Mijn voorspelling: 3-1 voor VVV, nadat Feyenoord snel op 0-1 was gekomen.

Zondag 22 april 2018: Bekerfinale AZ-Feyenoord. Dat voorspel ik. In de halve finales gaat Feyenoord simpelweg Willem II aan de kant schuiven en gaat Twente met lege handen naar Tukkerland terugreizen ten gunste van AZ. En in de Kuip zal Feyenoord er geen supergras overlaten groeien wie er met de beker, en het ticket voor de (voorronde van de) Europa League vandoor gaat.
Mijn voorspelling: AZ-Feyenoord 1-2.

Zondag 6 mei 2018: FC Barcelona-Real Madrid. Op 23 december 2017 deelde Barcelona in Madrid al een tik uit aan de Koninklijke (het werd 0-3). In oktober 2017 voorspelde ik een doemscenario voor de Catalanen in mijn artikel Vergelijk. Vanuit dat artikel is mijn voorspelling 3-2 voor Barcelona, net als de 3-2 in de ijshockeywedstrijd ČSSR-USSR in 1972.

In december ging ik twijfelen.
In februari, april en mei weten we meer.

Tot morgen, 4 februari 2018.

 

 

Ontheiliging in Rotterdam

Dat secularisatie en ontzuiling al wat jaartjes aan de gang zijn, dat weten we wel. Maar dat er nu ene Pastoor wordt ontslagen, is een ongekende uitschieter. En niet wegens seksueel misbruik (dat is een bedrijfsrisico), maar wegens tegenvallende prestaties. Ook dat is een bedrijfsrisico. Arme Alex.

Gisteren verloor zijn Sparta op het eigen Kasteel de Rotterdamse stadsderby met 0-7 van Feyenoord. Had die club er nou gewoon 0-10 van gemaakt, dan zou het nog een geweldige knipoog zijn naar het bijbehorende netnummer. Maar zover kwam het niet. Niettemin dropen de Spartanen in shock af. Niet alleen de spelers, ook alle bestuursleden zakten door het ijs en ontsloegen de gedesillusioneerde trainer prompt na de wedstrijd. Verkeerd moment, verkeerde beslissing, klonk het daarna alom.
Ik deel dat oordeel.

Het was toch Alex Pastoor die als trainer Sparta in 2016 liet promoveren naar de eredivisie, zoals hij in 2011 ook al Excelsior had laten promoveren naar de eredivisie, door, nota bene, in ultimo een overwinning op Sparta. Hij was het die negen maanden geleden op het Kasteel aanstaand landskampioen Feyenoord op een 1-0 nederlaag trakteerde en ervoor zorgde dat de club de nacompetitie ontliep.

Voeg daar maar rustig bij dat de zevenklapper van gisteren weliswaar te wijten viel aan allerbelabberdst spel van zijn spelers, maar dat het toch vooral de verdienste van een wervelend Feyenoord was dat de Spartanen geen poot aan de grond kregen. Je kunt het ook positief bekijken.

De wedstrijd was historisch en statistisch overigens vrij uniek:

– de grootste thuisnederlaag ooit in enige Rotterdamse stadsderby,
– de hoogste score ooit in ontmoetingen tussen Sparta en Feyenoord, uit en thuis,
– Sparta’s grootste thuisnederlaag ooit in de geschiedenis sinds de oprichting in 1888,
– Feyenoords grootste overwinning van dit seizoen,
– Feyenoords grootste uit-overwinning sinds 1963 (Volendam-Feyenoord 0-8),
– en, voor het familiealbum, het doelpunt van Dylan Vente, wiens oudoom Leen Vente in 1937 het allereerste Feyenoorddoelpunt scoorde in de pas geopende Kuip.

En dat ook nog eens op nagenoeg identieke wijze, met het hoofd en vanuit dezelfde positie. Frank Snoeks werd er bijna lyrisch van.
(Bekijk evt. ook https://twitter.com/_/status/942753090477760513.)
Maar Alex Pastoor kan met een afkoopsom wellicht de kerstboom wat extra glans geven.
Het zij hem gegund.

________________________________

Foto’s: screenshots NOS/Foxsports