Broodroof

FC Utrecht legt zich neer bij het niet spelen van de bekerfinale tegen Feyenoord en loopt dus Europees voetbal mis“. Dat is de uitkomst van de ‘onderhandelingen’ tussen de KNVB en de profclubs. Ik vind het je reinste broodroof en sportief gezien een blamage.

Ik ben sinds seizoen 1958-1959 fervent en belijdend Feijenoord-/Feyenoordfan en wilde die finale gespeeld zien met Feyenoord als terechte winnaar. Maar de KNVB schrapte om mistige redenen die finale en wees Feyenoord als winnaar aan. Maar dat is iets anders dan een overwinning.

Eerder heb ik al betoogd dat er een RIVM-proof oplossing was: beslis die bekerfinale door het nemen van strafschoppen. Mailtjes, telefoontjes, berichten in die richting werden door de KNVB genegeerd of hautain en afwijzend beantwoord.

Feyenoord kan er zijn gevoeg mee doen. FC Utrecht zit met de gebakken peren, en krijgt nu een fooi van een schamele zes ton om van verder gedonder af te wezen.

Ik betreur dat en heb voor deze keer opeens heel veel sympathie voor de Utrechtenaren.

Nee, KNVB

Het had wel wat eerlijker en charmanter gekund, het afronden van de onafgeronde competitie betaald voetbal. Nu legde de KNVB op vrijdag 24 april de bal bij de clubs door ze te laten kiezen uit drie slechte alternatieven, waarna de bond de stemming negeerde en koos voor een non-oplossing die meer schade aanricht dan tevredenheid wekt en waarvan de nasleep nog maandenlang een wrange smaak zal achterlaten.

Voor mij begon het te dagen bij een ingezonden brief in De Volkskrant van 20 april 2020, p.29. Daarin stond:

Eredivisie
Dit eredivisieseizoen kan nog op een mooie manier worden uitgespeeld door alle resterende wedstrijden met penaltyseries te beslissen. Per wedstrijd moet ieder team elf strafschoppen nemen. Een gelijkspel is dan mogelijk en de trainer moet tactische keuzes maken; wie neemt een penalty en in welke volgorde? Tevens is in deze spelvorm de 1,5 meter afstand te handhaven. Het kan zonder publiek, maar met camera’s. Mij lijkt het een betere oplossing dan afblazen. Een voordeel is ook dat het relatief snel kan gaan, want er kunnen meerdere strafschopwedstrijden per week gespeeld worden. Handig, want het wedstrijdschema ligt al overhoop.


Dat is nog eens een inventieve en zelfs charmante manier om de zo abrupt afgebroken competitie betaald voetbal toch nog tot een bevredigend einde te brengen. Eén nadeel, dat geenszins opweegt tegen de vele voordelen. Lees maar:

Een strafschopserie wordt alom beschouwd als een loterij. Daar zit wat in, maar zo maar de tussenstand na 25 of 26 wedstrijden beschouwen als de eindstand is al even idioot. Bovendien weten we dat juist in de laatste speeldagen opvallende en vreemde uitslagen op het scorebord verschijnen, zelfs bij de gedoodverfde kampioenen. Ik herinner mij Excelsior – AZ (29 april 2007, 3-2), waar AZ de titel voor het grijpen had, maar misgreep. Evenzo De Graafschap-Ajax (8 mei 2016, 1-1), waar de Amsterdamse droom in rook opging. Bij Excelsior-Feyenoord (7 mei 2017, 3-0) kun je nog vermoeden dat het een bewussie was, omdat Feyenoord liever de week erop in de eigen Kuip kampioen wilde worden tegen Heracles (3-1).

Dan maar liever een loterij waarbij spelers tenminste nog iets in eigen hand of voet hebben. Ik spits het even vooral toe op de eredivisie. De voordelen op een rijtje:

– Aan het einde van de rit hebben alle clubs na de reeksen strafschoppen 34 wedstrijden gespeeld en is er een bekerwinnaar bekend. Dan heb je een eindstand op grond waarvan je beslissingen kunt nemen over promotie en degradatie en toewijzing voor Europese plaatsing.

– Niet het bondsbestuur, niet de Uefa, zelfs niet de clubs beslissen van achter hun burelen wat de slotsom is, maar de spelers die, net als onder normale omstandigheden, scoren of falen.

– De onvermijdelijke consequentie van van bovenaf opgelegde besluiten is de onvrede van betrokkenen, het verzet, uitmondend in mogelijke slepende rechtsgangen. Een eindstand op grond van 34 uitslagen per club had dat kunnen voorkomen.

– Tot tweemaal toe heeft de KNVB mij schriftelijk laten weten dat de voorgestelde strafschoppenseries niet zouden zijn toegelaten omdat evenementen zoals voetbalwedstrijden tot zekere datum (1 september) zijn verboden. Maar strafschoppenseries zijn geen voetbalwedstrijden, zelfs geen evenementen in de juridische, technische, logistieke, preventieve zin van het woord. Er is immers geen sprake van een toestroom van publiek in de openbare ruimte en het openbaar vervoer, er treden slechts 2×11 spelers op, hun coaches, een scheidsrechter+assistent, een paar cameralieden en een verslaggever voor live tv-uitzendingen, en de spelers staan op minstens 11 meter van elkaar. Ter meerdere zekerheid kunnen de series ook op een verder afgeschermd Papendal worden afgewikkeld.

– Er zullen beduidend meer mensen thuisblijven om die beslissende series op tv te volgen, in plaats van de straat op te gaan, naar de bollenvelden of ergens te gaan rondhangen uit pure verveling.

– De clubs kunnen zich na afloop niet meer beklagen of in verzet komen tegen de KNVB. Het waren immers hun eigen spelers die, vanuit de laatst ontstane ranglijst, te vaak vanaf de strafschopstip faalden, terwijl anderen met enig recht hun overwinningen en resultaten konden vieren.

– Organisatorisch en logistiek waren de strafschoppenseries weinig kostbare en ingewikkelde operaties: begin op een (zon)dag op 12 uur met een serie van A tegen B; alle 11 spelers van elk team nemen een strafschop, om en om of via het ABBA-systeem, om zo een eindstand te realiseren, die overigens dus ook een gelijkspel kan inhouden. Daarna trekken ze hun trainingspak aan en gaan thuis douchen. Die serie neemt een half uur in beslag, teams C en D komen op het veld. Aldus kan er tussen 12 en 20 uur een reeks van 9 ‘wedstrijden’ worden afgehandeld, in hetzelfde tijdsbestek dat op elke traditionele speeldag ook al was ingeruimd. Vooraf wel eerst de twee inhaalwedstrijden (AZ-Feyenoord en Utrecht-Ajax) tot een beslissing laten komen, alsmede de bekerfinale Utrecht-Feyenoord. De resultaten van die drie wedstrijden alleen al konden cruciaal zijn voor een evident eerlijker stand van zaken en Europese toewijzingen.

– Zelfs als je strafschoppenseries beschouwt als een loterij (wat niet juist is; ook bij strafschoppen komt er techniek en tactiek ter sprake), kan er volop worden gegokt via allerhande toto’s, gokkerijen en weddenschappen – ook in Nederland een gewild soort amusement.

– Het hunkerende thuiszittende voetbalpubliek krijgt alsnog met de integrale tv-verslagen op het open net waar het om vraagt: spanning, sensatie, juichen en pruilen en de instemming met de loop en afloop der dingen zoals zich die nu eenmaal vanaf de strafschopstip hebben ontwikkeld. Daarmee kan een ieder zich tevreden stellen. Nu zijn verenigingen als Utrecht, AZ, De Graafschap, Cambuur (bij monde van Henk de Jong, Nêerlands meest sympathieke opgewonden standje), plus hun aanhang, het kind van de rekening, kunnen RKC en ADO opgelucht ademhalen en telt Feyenoord zijn knopen. Dat zijn consequenties die nog erger en oneerlijker zijn dan een glazen bol met loterijballetjes.

De KNVB wilde er niet aan. Verschool zich achter bepaalde vermeende restricties van het kabinet, dat zich verschuilt achter de adviezen die de Uitbraak Beleids Groep, ook wel in het Engels aangeduid als OMT, Outbreak Management Team, heeft ingefluisterd.

Er zijn bij clubs, spelers, aanhang te veel verliezers op de koop toe genomen. En dan heb ik het nog niet eens over de financiële, vaak niet te overziene consequenties voor de clubs en voor al die spelers die hun marktwaarde door bureaucratische maatregelen zien verdampen.

En dan maar volhouden dat we doen alsof dit competitiejaar als niet-bestaand moet worden beschouwd. Voetbal is oorlog. Klopt. Ook in seizoen 1944-1945 deed zich iets dergelijks voor als gevolg van een ander soort oorlog. Maar toen was ik gelukkig nog net niet geboren.

 

 

Cup 50

Geplukt van het AD: een opfrisbeurt van Feyenoords Europacup-1 in 1970. Als mijn informatie juist is, verschijnen er in de documentaire ook beelden die ik in maart 1970 maakte in/rond het Walter-Ulbricht Stadion in Oost-Berlijn. Een uitgebreid veslag van die wedstsrijd en de reis ernaartoe heb ik HIER al in 2012 geplaatst.

Dit meldt het AD:
“Een documentaire van filmmaker Thomas Vroege draait op 24 januari op het International Film Festival Rotterdam. De historische cupwinst komt ook op televisie, bij Andere Tijden Sport op 2 februari. Het programma is nog altijd op zoek naar meer filmbeelden van de wedstrijden, de reis naar Milaan en de huldiging op de Coolsingel. Wie materiaal heeft, kan dat sturen naar ats@ntr.nl. Schrijver/journalist Robert van Brandwijk brengt een boek uit over het seizoen 1969/’70. 

Feyenoord klopte op weg naar de finale tegen Celtic ook bekerhouder AC Milan. Thuis in de Kuip werden de veel sterker geachte Italianen met 2-0 geklopt. ,,In wat misschien wel de beste wedstrijd ooit van Feyenoord is geweest’’, aldus Van Brandwijk. Na AC Milan volgden overwinningen op Vorwärts Berlin (Oost-Duitsland) en Legia Warschau (Polen), voordat Feyenoord tegen Celtic echt voetbalgeschiedenis kon schrijven.

We hebben ‘m!!, Andere Tijden Sport, NPO 1, 2 feburari 2020;
We hebben ‘m!!, Thomas Vroege, International Film Festival Rotterdam,
24 januari 2020; 50 jaar Europa Cup 1, 6 mei 2020 Nieuwe Luxor Theater, Rotterdam.”

Afstamming

Nee, het valt niet mee een trouwe supporter te zijn dit jaar. En zoals gebruikelijk krijgt de trainer dan als eerste de schuld. Nog geen 23 uur nadat Jens Toornstra voor de camera had beweerd dat de spelers volledig achter de trainer staan (zoiets leer je op de PR-cursus te zeggen), gaf Jaap Stam de pijp aan Maarten, hem al dan niet ingefluisterd door het Feyenoord-management.

 

Dat ik de immer onbehouwen kauwgom etende trainer van meet af aan niet zo zag zitten, heeft andere oorzaken en doet ook eigenlijk niet ter zake. Dat de resultaten van het elftal zo bitter tegenvallen, is van belangrijker orde.
Er zaten opvallend goede westrijden bij, met als meest recente hoogtepunt wel de 2-0 thuis tegen FC Porto, maar verder was het vanaf competitedag 1 (thuis gelijk tegen Sparta) treurnis alom.
Natuurlijk kon Stam er niks aan doen dat hij een middelmatige selectie had, waarvan ook steeds spelers ofwel niet beschikbaar waren, ofwel niet in vorm, zodat hij dit seizoen al 24 verschillende spelers moest opstellen in plaats van 11 goede.
En spelers zijn geen kleine jongens, geen speelgoed dat je maar hoeft op te winden of er nieuwe batterijen in hoeft te stoppen om ze aan het rennen te krijgen.
Zij kunnen de hand maar beter in eigen boezem steken.

Maar goed, zulk soort seizoenen heb je er ook tussen. En een trainer is een passant. Het carrousel voor de opvolging draait op volle toeren. Voor mij hoeft dat niet eens een van de antieke monumenten te zijn als Advocaat, Hiddink of Van Gaal. Arne Slot bewijst met AZ dat ook (nog) niet zo gevestigde trainers tactisch en mentaal tot heel wat in staat zijn.
Ik spreek geen voorkeur uit, en mij is vanuit Rotterdam ook niks gevraagd, als het maar niet weer zo’n kauwgomkauwer wordt. Aan Amerikaanse toestanden heb ik geen behoefte.

Maar trouw aan Feyenoord blijf ik wel.

Finale

Een finale is een eindspel dat je kunt winnen of verliezen. Scherper gezegd, om het sentiment rond finalewedstrijden bij ijshockeytoernooien te citeren: “You lose the gold, but you win the bronze“. Ik ga voor brons, want ik ben een slecht verliezer.
In november 2012 begon ik met het publiceren van mijn weblog. Inmiddels staat de teller op 343 artikelen en 377 reacties. Het is een mengeling van feiten en meningen, ernst en luim, ver- en bewondering, humor en wetenschap, ergernissen en voorliefdes.

Natuurlijk was het mijn opzet mijn bevindingen en opvattingen, luchtig, maar vaker kritisch, kenbaar te maken aan wie ze wilden lezen of niet. Over taalkunde, politiek, films (alleen de betere, niet van die bagger uit Amerika, dus alleen met name  Spaanse, Duitse en vooral Italiaanse, d.w.z. Pasolini), jeugdherinneringen, muziek, de Abdij van Beaulieu, sport, literatuur, verkeer en vervoer, Sint Sebastiaan, het leven op het Franse platteland met al het bijbehorende verbouwen in huis en op het land, een aantal necrologieën,… In die zin heeft het ook wel gefunctioneerd, denk ik.

Jammer genoeg loopt soms een project stuk of spaak, of vertraging op, maar dat is een ernstig en verwerpelijk zeugma. Sorry.

Zo ligt mijn bemoeiing met Beaulieu  (zie beaulieu-1-van-vele voor het eerste bericht uit de reeks van vijf artikelen) al ruim een jaar stil, eigenlijk alleen doordat de Amerikaanse mevrouw wier eigendom het hele domein is, al die hele tijd niets meer van zich laat horen, niet reageert op mijn vele (aangetekende) brieven en mails, en doordat de gendarmerie mij op het hart drukt dat ik zonder door haar geschreven en geauthentificeerde uitdrukkelijke toestemming het terrein niet mag betreden, laat staan er werk verrichten of spullen in veiligheid brengen. Misschien is ze wel dood, of laat ze de boel de boel. Dat anderen intussen ongehinderd naar binnen kunnen en de halve kiet leegroven, is kennelijk geen bezwaar.

Ook mijn jongste project zit in de ijskast, zo het geen diepvries wordt. Ik ben halfweg met het schrijven van een omvangrijke studie waarin ik de parallellen beschrijf tussen Pasolini’s laatste twee films. De meeste van de 28 aspecten van die overeenkomsten heb ik al af, maar ik kan niet verder zonder diepgaande medewerking van het Centro Studi-Archivio Pasolini in Bologna voor tekstmateriaal en foto’s. Na hun aanvankelijk enthousiaste reacties hoor ik opeens al een tijdje niks meer.

En tot nu toe buiten de weblog om ligt mijn taalwetenschappelijk artikel over het verschil tussen ‘geven’ en ‘nemen’, met al zijn consequenties voor het voorzetselgebruik, al circa twee jaar op de plank te verstoffen. Ondanks de hulp van de universiteiten van Leiden en Gent lukt het me nog steeds niet een paar weken achtereen ongestoord te kunnen werken aan een drastische revisie van mijn concepttekst.

Een achterliggend doel van mijn weblog was van meet af aan ook om te dienen als een steeds aangroeiend archief en als documentatiemateriaal voor eigen behoef, zeg maar als mijn testament. Niet het echte natuurlijk, want dat ligt te bestemder plekke veilig opgeslagen, samen met mijn NVVE-wilsverklaring. En mocht de natuur mij te vlug af zijn, ook goed. Aisi soit-il. Maar wel als een scala van blijken van de veelzijdigheid die kenmerkend is voor een docent Nederlands.

Ik doe bar weinig dingen zo maar, of per ongeluk. Niks geen niemendalletjes. Ik ben geen vermakelijkheidsinstelling. Veel van mijn woorden, zinnen, artikelen bevatten dubbele bodems en vereisen meervoudige lezing. Simpel voorbeeldje: mijn beeldmerk (niet: logo, want een logo bevat de bedrijfsnaam; ‘logoV‘ betekent ‘woord’) dat hier bovenaan staat afgebeeld, en tevens de vaste achtergrond van al mijn artikelen vormt en van mijn visitekaartje, kun je van twee kanten bekijken: kantel je je hoofd een klein beetje naar links, dan heb je de horizontale Franse tricolore blauw-wit-rood; kantel je je hoofd meer naar rechts, dan staat er de verticale Nederlandse driekleur rood-wit-blauw. Maar nog steeds weet niemand waar ik het concept vandaan heb. Het is uit het Parijse Musée d’Orsay, en daar is lang aan gewerkt.

Vasthoudend ben ik wel, zo nodig met het geduld van een katachtig roofdier dat op zijn prooi loert: ik ben weinig toeschietelijk als het gaat om irritante taalfouten, of als ik mij erger aan de manier waarop wij allen door slinkse, infantiele reclame en asocial media worden besodemieterd en uitgebuit, of als ik dreig te worden meegezogen in modieuze, soms hufterige hypes waar velen als kippen zonder kop achteraan hollen, zoals bijvoorbeeld het wurgende en mensonwaardige neo-puritanisme.

Ook blijf ik mij met kracht verzetten tegen kwebbelboxen als whatsapp en twitter. Als je al meent iets de wereld kond te moeten doen, denk dan eerst eens rustig na over een passende en gepaste inhoud en over een daarbij behorende passende en gepaste taalvorm in hele, correcte, Nederlandse zinnen. Dus zonder kretologie en luchtbellen en beweringen waarvan je zelf de waarheid en werkelijkheid niet onomstotelijk kunt aantonen. Daarmee voorkom je oeverloos gezwets en zweefgezwatel en taalverloedering en vertrossing van ons denken. Veel berichten winnen aan kracht en informatieve waarde als je er eerst eens een nachtje over hebt geslapen. Soms wel twee.

En ik ben niet, in ieder geval niet meer, in de race om ongetwijfeld met goede bedoelingen verstrekte adviezen te aanhoren, al dan niet van medische zijde, die mij, voor mijn gezondheid en onbezorgde oude dag (vertel dat het ABP maar), achter de geraniums willen opbergen, mij van de genietingen des levens te laten beroven en mij op een dieet van worteltjes en sla als een konijn te laten vegeteren, mij 2x daags door de ADMR-dames op staatskosten te laten wekken, douchen, aankleden, die de vloer voor mij aanvegen, de kat te eten geven, wekelijks de vuilnisbak aan de stoeprand zetten en de 18 bellen als ik dat zelf niet meer kan of hoef. Evenmin, in ieder geval niet meer, om als een soort horecabedrijf jan en alleman hier gastvrij te onthalen die ‘toevallig’ en route toch net in de buurt is en zich ongevraagd een gratis diner, overnachting en ontbijt laat welgevallen. Ik ben geen sociale instelling. Net als met eten ben ik kieskeurig in mijn uitnodigingen en er zijn er genoeg die ik liefheb, met een sociale instelling.
Anderen kunnen terecht bij Au Lion d’Or = Au lit on dort of bij Het Hijgende Hert.

Waar ik mij verder mateloos aan erger of van walg:

  • honden;
  • bekrompen dorps- en boerenmentaliteit;
  • schurkenstaten als de USA en Israel en nog zo’n paar;
  • vis en kip (“geen veren en geen schubben“);
  • een automobiel van Japanse makelij (geldt voor mijn hele familie; zie het begin van mijn automobielshow);
  • ja zeggen en nee doen;
  • injecties;
  • de vernietiging van de PSP;
  • inhalende vrachtauto’s en caravans en sommiger mensen rijgedrag (niet uitsluitend vrouwen en bejaarden);
  • mensen die medelijden hebben met mensen die anders denken.

En valt er misschien dan ook nog wat positiefs te melden? Wel zeker:

  • van al mijn gezondheids-/ouderdomskwalen zijn er inmiddels enkele afdoende gerepareerd, andere onder controle en een paar nog te bevechten;
  • in 2019 zijn er in huis enorme stappen gezet met uiterlijk, comfort, isolatie en verwarming;
  • ook in 2019 belooft er een goede oogst aan te komen, kruiden, groenten, aardappelen, alleen wat minder fruit, schijnt het;
  • het aantal goede contacten dat ik heb en weet te onderhouden, met sommigen al meer dan 60 jaar lang, is uitermate bemoedigend;
  • dankzij mijn voortreffelijke camera heb ik hier in de buurt tussen 2017 en 2019 de schoonheid van het verval (“La beauté du délabrement“) in een fotoreeks kunnen vastleggen; gebouwen, landschappen, vervoer…; omdat het mp4-bestand van 8½ minuut te groot is, ± 265 Mb, heb ik het op youtube gezet. Bekijk het HIER, maar alleen op een groot scherm; op zo’n lullig minuscuul telefoonschermpje blijft er noch van de schoonheid, noch van het verval weinig over, en evenmin van de Vexations van Erik Satie die ik eronder heb gezet –  zonde van al het werk dat ik erin heb gestoken;
  • elke dag leer ik weer wat bij.

Voor de goede orde: reacties op dit artikel stel ik niet op prijs. Gelezen of ongelezen bereiken ze linea recta hun finale bestemming in het ronde archief. Ze worden hoe dan ook niet gepubliceerd.

Ik heb gezegd. Ik ga voor brons.

Leve de ongelijkheid

Het wordt niks met al die pogingen om mannen en vrouwen als dezelfde soort te zien. Niet dat mannen er geen recht op zouden hebben als vrouwen te worden behandeld, of omgekeerd, maar alle goedbedoelde intenties ten spijt zien ze er de zin niet van in. En daarvoor bestaan er tal van aanwijzingen, argumenten en tegenwerpingen.

Ik trap maar even af met het zojuist begonnen WK-vrouwenvoetbal in Frankrijk. Gisteren was Frank Wielaard de NOS-commentator van dienst bij Nieuw-Zeeland tegen Nederland. Het begon al goed. Zijn breed ontwikkelde taalkennis ten spijt opende hij met ons welkom te heten in Le HHHHHHHHHavre. Zoiets zegt geen Fransman. Vervolgens bezondigde hij zich aan het euvel van zovele commentatoren dat ze er meer voor zichzelf zaten dan voor de kijkers: met geen woord repte hij over de omstandigheden, het weer, het veld. In plaats daarvan vertelde hij hoofdzakelijk wie er aan de bal was, alsof wij dat niet konden zien. Maar wat, naast tal van andere taalfouten van het kaliber dat/wat, hen/hun en zo, het ergste van alles was: hij had blijkbaar niet in de gaten hem dat het om vrouwenvoetbal ging. Ik zou de hele 95 minuten nog eens goed erop moeten naluisteren (doe ik niet), maar hij heeft gedurende de hele wedstrijd het woord vrouw niet één keer genoemd. Wel wist hij te melden dat deze of gene speelster door twee man werd afgestopt en dat een andere speelster één man kwijt was. Wielaard is al tientallen jaren actief bij de NOS, maar wellicht is een overstap naar de commerciëlen beter passend bij zijn taalgebruik en informatieverstrekking. Dat hij daarnaast een hekel lijkt te hebben aan het woord Nederland en het steeds maar over oranje had, is leuk om de republikeinen (m/v) onder ons op de tenen te trappen. Het ontbrak er nog maar aan dat hij over Holland begon.

In de aanloop naar dat toernooi kwam de KNVB begin deze maand met het onzalige idee de beloning in het vrouwenvoetbal gelijk te trekken met die in het mannenvoetbal. Dat is de gekheid ten top. Voetbal is geen korfbal. Als de KNVB (en de UEFA en de FIFA) iets zouden willen doen aan de normalisatie van de geldstromen, dan moesten de de beloningen in het mannenvoetbal gelijk worden getrokken met die in het huidige vrouwenvoetbal. Salarissen, bonussen, transferbedragen aan de top zouden dan niet moeten gaan voldoen aan de Balkenendenorm, laat staan aan de Matthijs van Nieuwkerknorm, maar met minimaal een factor 100 moeten worden verlaagd tot iets modaals, iets wat mensen sociaal gerechtvaardigd vinden. Maar nu doemt er een scenario op dat van vrouwen hetzelfde soort haantjes moet gaan worden gemaakt die we maar al te vaak tegenkomen bij top van de HH.Stervoetballers waarvan de media smullen als het gaat over hun verkrachtingszaken, grove belastingmalversaties en andere soorten verslavingen. Miedema, Martens, trap er niet in en laat je niet defeminiseren.

Over Matthijs van Nieuwkerk gesproken: net als Herman van der Zandt dat doet in Met het mes op tafel, spreekt Van Nieuwkerk een reeks dames rond zijn DWDD-tafel steevast aan met “Jongens!“, wat je daarvan ook moge vinden. In een soort vroegtijdige reactie daarop mat ik mij de gewoonte aan voor de klas een groep jongens tot de orde te roepen met de kreet Meisjes! Het was dan gelijk helemaal stil.

Eigenlijk heeft het allemaal niks met voetbal te maken, hoe graag ik er ook naar kijk. Wie googelt op de trefwoorden “male female brain difference” loopt tegen “ongeveer 678.000.000 treffers” aan. Dat ongeveer verrast mij nog het meest. Enkele tientallen daarvan zijn de moeite waard. Maar eentje die ik niet tegenkwam, staat mij nog goed bij. Ergens begin jaren-’90 heb ik enkele groepen studenten (m/v), zowel de jongere van de voltijdopleiding als de oudere van de deeltijdopleiding geconfronteerd met bijgaande tekening. Ik meen dat die afkomstig was uit een artikel in Scientific American, maar dat weet ik niet zeker meer.
Hoe dan ook, het doet me denken aan het schilderij “Grandma Moses goes to the Big City
” uit 1946.
Ik projecteerde die tekening op het scherm met de vraag er gedurende één minuut goed naar te kijken. Daarna schakelde ik de overheadprojector uit en vroeg ik hun die tekening na te tekenen. En ja hoor: voltijd of deeltijd, jong of oud, er kwam steeds hetzelfde resultaat uit: de studenten leverden een redelijk correcte weergave van het wegenpatroon, de lange lijnen op, maar de details waren over het algemeen een grote zooi, vergeleken bij het origineel; bij de studentes zagen we grosso modo het omgekeerde: die waren volstrekt het spoor bijster waar het ging om de paden, straten en lanen, maar huisje-boompje-beestje werden met redelijk grote precisie naar het origineel weergegeven.

Of het iets bewijst, weet ik niet, maar een aanwijzing is het wel. Pogingen om de man/vrouwongelijkheid op te heffen zijn gedoemd te mislukken, en dat hebben we niet aan Frank Wielaard te danken.

De Zwarte Lage Landen

FILE – In this April 27, 1963 file photo, Brazilian footballer Edson Arantes do Nascimento, known as Pele, left, enjoys a chat with Eusebio da Silva Ferreira in Lisbon, Portugal. Eusebio, the Portuguese football star who was born into poverty in Africa but became an international sporting icon and was voted one of the 10 best players of all time, has died of heart failure aged 71, Sunday, Jan. 5 2014. (AP Photo, File) ORG XMIT: XAF103

Even een historisch zwartboekje opendoen. Onmiskenbaar is de acceptatie van zwarte of gekleurde buitenlanders in West-Europese landen enorm bespoedigd van de overkomst van voetballers van overzee. Italië was daarmee overigens een soort wegbereider door al in de jaren-’30 spelers uit Latijns-Amerika aan te trekken die over een dubbel paspoort beschikten, waardoor zij ook voor het Italiaanse nationale elftal konden uitkomen, iets wat Mussolini zeer goed uitkwam in zijn streven het aanzien van Italië op het wereldtoneel te verhogen. Maar in die gevallen betrof het geen zwarte of gekleurde spelers; die instroom kwam pas op gang vanaf 1950 en dan met name door koloniserende landen als Frankrijk, Engeland, Portugal (Eusebio, de parel van Mozambique! Hier op de foto met Pele), België en Nederland. Over het wel en wee van voornamelijk Congolese spelers in België bestaat een prima uitgebreide studie van Tim Vermeulen uit 2012, die online is te raadplegen. Datzelfde geldt voor het artikel van Bart Jungmann uit 2010 over de eerste Surinaamse spelers in Nederland vanaf eind jaren-’50.

Maar hoewel ontegenzeggelijk de invloed van deze gekleurde spelers groot is geweest, zowel voor de sportprestaties van Europese voetbalteams, als voor de integratie van deze spelers als gelijkwaardig aan blanke, Europese spelers, heeft er van meet af aan een racistisch luchtje aan gehangen. Zo citeert Bart Jungmann de eerste Suriprof in Nederland, Humphrey Mijnals, over zijn debuutwedstrijd: “Mijnals herinnert zich van die wedstrijd vooral een schop in zijn knieholte, waarna hij op een brancard het veld verliet. ‘Iemand op de tribune riep: plak een postzegel van 15 cent op zijn kont en stuur hem terug. Dat was mijn kennismaking met het Nederlandse voetbal.’” En nog steeds is het in de 21e eeuw zo dat spelers van Marokkaanse, Turkse, Molukse of Zwart-Afrikaanse herkomst hartstochtelijk worden bejubeld door de eigen fans, maar dat er door aanhangers van de tegenpartij zo af en toe racistische kreten worden geslaakt, dat zwarte spelers op oerwoudgeluiden worden onthaald en dat er met bananen naar hen wordt gegooid.
De weg van overzee naar Europese acceptatie blijkt toch een lange te zijn. De onophoudelijke pogingen van UEFA en FIFA om onder het motto “Nee Tegen Racisme” de aandacht op het fenomeen te vestigen, tonen in ieder geval aan dat het probleem nog lang niet uit de wereld is, alhoewel die officiële acties wel veel weg hebben van window dressing en voor de Bühne te zijn; aan de bobo’s zal het dus niet liggen.

Wel past er enige nuance in de mate waarin vijandig supportersgedrag een racistisch tintje heeft. Het voetbalplaatje van Humphrey Mijnals uit de serie van Dick Bruynestein moge dan wel karikaturaal heten, maar zijn hele serie plaatjes bestond uit karikaturen, ook dat van Abe Lenstra en Faas Wilkes, toch onversneden representanten van het zuivere blanke ras.
Bij mijn weten is het gescandeerde Hi Ha Hondelul! voornamelijk gericht tegen (blanke) scheidsrechters, en zullen velen zich nog herinneren dat Wim Jansen, Mister Feyenoord, na zijn onvergeeflijke overstap naar Ajax bij de eerstvolgende ontmoeting in De Kuip in december 1980 werd getrakteerd op een welgemikte ijsbal. De gooier uit het publiek, Youseph B., alias De Mascotte, vertelde jaren later: “Iedereen in het publiek gniffelde wat. ‘Wie heeft er gegooid?’, vroeg iedereen. Toen bleek het De Mascotte te zijn. Ik kon meteen alles krijgen: frikandellen, cola, friet, iedereen bood me van alles aan.” (bron: De Staantribune).
Ik ben ervan overtuigd dat zelfs de meest fervente PVV-stemmers in het stadion juichen voor ‘hun’ Marokkaanse spelers.

Maar een beetje zwart-wit blijft het toch nog wel even, zolang er nog steeds oerwoudgeluiden in stadions opklinken, er bananen door de lucht vliegen en de Zwarte-Pietendiscussie niet is teruggebracht tot de eigenlijke historische essentie: de zwarte raven Huginn en Muninn van Wodan. Met dank aan de kerstening van Europa.

de Vreugd Van Venlo

Zo zie je maar dat je niks hebt aan statistieken. Allemaal fake news.
– “Feyenoord kan geen uitwedstrijden meer winnen“.
– “Feyenoord kan niet uit bij VVV in De Koel winnen“. Dat had ik eerder al eens met afgrijzen in twee artikelen geconstateerd.

– Feyenoord wint er vandaag met 0-3, stapvoets wandelend over het plastic kunstgras; de grootste overwinning in Venlo ooit.
Zo is de Vloek Van Venlo omgetoverd tot de Vreugd Van Venlo en blijkt voor de Venloënaren De Koel opeens de Valkoel Van Venlo te zijn geworden. Hosanna.

 

De wraak op 1964

Op 29 november 1964 veegde Feyenoord in De Kuip Ajax van de mat met 9-4. Ik had een kaartje voor die wedstrijd, maar kon er niet naar toe. Waarom niet, dat heb ik eerder al beschreven, ongeveer middenin deel 2 van mijn Feyenoord-drieluik. Ik was die dag in 1964 niet eens in staat het radioverslag op Hilversum-1 te volgen, laat staan een tv-samenvatting te bekijken, en moest het dus doen met krantenverslagen.
Hoe anders nu, nu ik Foxsports heb en de wedstrijd van vandaag live en integraal kon volgen, met ontelbare herhalingen en analyses.

 

Er zijn wel wat parallellen tussen beide wedstrijden, die van 1964 en 2019. De absurde eindscore bijvoorbeeld, het feit dat in beide wedstrijden Ajax al vroeg op 0-1 kwam en er een tussenstand van 2-2 op het scorebord stond. Maar wat vandaag vooral overheerste, was de kwaliteit van Feyenoord in een topwedstrijd, zoals tegen PSV, en de hunkering van publiek, spelers en staf om na zo vele jaren weer eens De Klassieker te winnen.
Daarvoor moet je wel door diepe dalen; dit seizoen de uitwedstrijden tegen De Graafschap en PEC,  Fortuna thuis, of, vorig seizoen, tegen Trenčin uit en thuis bijvoorbeeld. Maar er zijn geen toppen zonder dalen.
Een samenvatting van de wedstrijd zal ongetwijfeld op youtube te vinden zijn. Anders heb ik die al wel op schijf staan.
En dan is er ook nog hoop op een herhaling van dit succes: over een week of vier in de halve finale KNVB-beker.

Misschien is wraak niet het goede woord. Genoegdoening voor wat ik 55 jaar geleden in 1964 niet mocht beleven.

 

Het spel en de regels – de puntentelling

Ik herhaal het nog maar even: mijn reeks van vier artikelen over de voetbalspelregels wil een bijdrage zijn aan de discussie hoe het voetbal sneller, aantrekkelijker, “eerlijker” kan worden, voor zowel spelers als publiek. Velen zijn mij voorgegaan, velen zullen volgen.
In dit bericht wil ik de puntentelling onder de loep nemen, waarbij ik met twee voorstellen kom, die eventueel nog combineerbaar zijn ook.

Historie
Vanaf het seizoen 1995-1996 ging voetballend Nederland over op het zogenaamde driepuntensysteem: de winnaar krijgt 3 punten, de verliezer 0, en bij gelijkspel elk team 1 punt. Daarvoor was het 2 punten voor de winnaar. In Engeland werd dit systeem al in 1981 ingevoerd. Het doorslaggevende argument daarbij was dat het aantrekkelijker werd voor de zege te gaan, dan te kiezen voor de optie “een half ei is beter dan een lege dop“, hetgeen maar al te vaak leidde tot een bloedeloze salonremise om tenminste nog één punt over te houden. Overigens bleven dat soort dramatische remises voorkomen: coaches zijn calculerende burgers, en bijvoorbeeld bij voorronden van een kampioenschap kan het halen van een enkel punt voldoende zijn voor plaatsing in de knockoutfase. Maar ook met het driepuntensysteem kan zoiets beschamends voorkomen: meest trieste voorbeeld daarvan dat ik heb mogen aanschouwen was Duitsland-Oostenrijk op 25 juni 1982 op het WK in Gijon. Door de vroege 1-0 waren beide teams “binnen” op doelsaldo, en dus speelden ze 80 minuten lang de bal in de rondte zonder de intentie ook maar één doelkans te creëren. “Raus! Raus!”, klonk het van de tribunes.

Maar ook het driepuntensysteem is geen garantie voor betere wedstrijden. Door de salonremise bij Groningen-PSV (0-0) op 29 mei 2003 wist PSV dat het niet meer door Ajax kon worden ingehaald en dus kampioen werd, terwijl Groningen wist dat het hiermee de nacompetitie kon ontlopen. Een schandalig wedstrijdverloop was het voorspelbare gevolg.

Er zijn varianten denkbaar om de kans op zo’n doemscenario te minimaliseren. Ik behandel er twee.

No more ties
Bij het ijshockey hebben ze een goede aanzet gegeven: geen enkele wedstrijd mag meer in een gelijkspel eindigen; elke wedstrijd kent een winnaar. Hoe werkt dat? Ik beroep mij op  de officiële regels van de IIHF, de Wereldijshockeybond, het Official Rule Book 2018-2022.

Een wedstrijd duurt 3×20  minuten zuivere speeltijd. Is er daarna geen winnaar, dan wordt er verlengd. Dat kan, afhankelijk van de competitie of het toernooi een periode van 5 of 10 of 20 minuten zijn, steeds volgens het principe van de “golden goal” (voor de winnaar) oftewel “sudden death” (in de ogen van de verliezer); de term “game winning goal” wordt voornamelijk bij American Football gehanteerd, maar duidt op hetzelfde.

De meest memorabele voor mij is de goal van Mike Obiku in de kwartfinale Ajax-Feyenoord van de KNVB-beker in 1995: nadat hij in de verlenging de 1-2 scoorde, was de wedstrijd meteen afgelopen en ging Feyenoord door naar de halve finale.

Mocht er, om terug te keren tot het ijshockey, ook na de verlenging nog geen winnaar zijn, dan volgen shoot outs, penalty shots, eerst 5 om 5, en zonodig daarna nog 1 om 1. Hoe dan ook, de wedstrijd duurt voort tot er een winnaar is.

Puntentelling: winst in reguliere speeltijd (3×20 minuten) levert 3 punten op en 0 punten voor de verliezer; winst in overtime, al dan niet na shoot outs: 2 punten voor de winnaar en 1 voor de verliezer. Dat klinkt al een stuk eerlijker, want de uiteindelijke verliezer wordt aldus toch nog beloond voor het gelijke spel na de reguliere speeltijd, en de uiteindelijke winnaar houdt er een punt meer aan over. Grootste winnaar is echter het publiek, dat meer spel, meer spanning en meer sensatie krijgt voorgeschoteld. De zendgemachtigden moeten het met hun programmering maar zien te plooien.

Zespuntensysteem
Maar nog is daarmee een bestaand onrecht niet verholpen: ook bij het nu vigerende driepuntensysteem levert een moeizame 1-0 thuisoverwinning evenzeer 3 punten op als een eclatante 0-7 zege in een uitwedstrijd. Weliswaar kan uiteindelijk het doelsaldo van beslissende waarde zijn, maar doorgaans is dat van secundair belang.
Ik stel daarom het volgende voor:

  • De winnaar krijgt 6 punten, de verliezer 0.
  • Bij een gelijkspel (als dat nog bestaat): beide teams 3 punten.
  • Voor elk gescoord thuisdoelpunt: 1 punt extra.
  • Voor elk gescoord uitdoelpunt: 2 punten extra.
  • Voor elk gescoord tegendoelpunt thuis: 2 punten aftrek.
  • Voor elk gescoord tegendoelpunt uit: 1 punt aftrek.

Voorbeelden:

  • A speelt thuis tegen B, uitslag 1-0
    A krijgt 6+1=7 punten; B krijgt 0-1=-1 punt.
  • A speelt thuis tegen B, uitslag 4-3
    A krijgt 6+4-6=4 punten; B krijgt 0-4+6=2 punten.
  • A speelt thuis tegen B en speelt 0-0 gelijk
    A en B krijgen elk 3 punten.
  • A speelt thuis tegen B en speelt 3-3 gelijk
    A krijgt 3+3-6=0 punten; B krijgt 3-3+6=3 punten.
  • A speel thuis tegen B en verliest met 1-2
    A krijgt 0+1-4=-3 punten; B krijgt 6-1+4=9 punten.
  • A speelt thuis tegen B en verliest met 3-6
    A krijgt 0+3-12=-9 punten; B krijgt 6-3+12=15 punten.

Je ziet: de score wordt direct in punten vertaald en de puntentotalen van alle teams op de ranglijst zullen verder uiteen gaan lopen. Daarmee wordt de amusementswaarde van de wedstrijd, voor zover doelpunten daaraan een bijdrage leveren, ook in punten uitgedrukt.

Ik zou een programma kunnen schrijven voor de consequentie die dit systeem voor de ranglijst gaat hebben, maar dat heb ik tot nu toe nog niet gedaan. Ik volsta hier even met een becijfering van de eerste 13 speelronden van de huidige eredivisie, dus tot en met 6 december 2018. Zie bijgaand overzicht. Daaruit blijkt dat maar liefst 14 van de 18 teams op een andere positie terechtkomen dan bij het huidige driepuntensysteem. Alleen PSV, Ajax, Feyenoord en Vitesse blijven staan waar ze nu staan. De kans is zeer groot dat het na 34 speeldagen belangrijke consequenties gaat hebben voor zowel kampioenschap, Europese deelname, play-offs, degradatie en nacompetitie. Geen club kan voorspellen of die er beter of slechter van wordt, maar elk team krijgt wel de stimulans om de score zo hoog mogelijk te laten worden en in ieder geval af te zien van de bloedeloze en armetierige salonremises van 0-0 of 1-1.

Laat het publiek de uiteindelijke winnaar zijn, waarvoor de betreffende clubs mede worden beloond.

Als Marco van Basten nog verdere toelichting wenst, nodig ik hem uit contact met mij op te nemen.

____________________________________________

Berichten in deze reeks:

  1. Zuivere speeltijd
  2. Respect en kaarten
  3. Puntentelling (dit bericht)
  4. Belijning

 

 

 

 

 

Het spel en de regels – respect en kaarten

Mijn tweede artikel dat de spelregels bij voetbal onder de loep neemt, gaat over respect als gedroomd gedrag en kaarten als arbitraal correctiemiddel. Het eerste is nog niet zo simpel; het tweede is veel eenvoudiger aan te scherpen. Maar omdat ze met elkaar hebben te maken, neem ik ze hier in één bericht samen.

Overwegingen vooraf
Respect dwing je af. Je krijgt het niet gratis. Maar van wat de voetbalorganisaties ervan proberen te maken, door spelers tot handenschudden vooraf te bewegen, of door alle spelers door elkaar te laten poseren voor een reclamebord voor respect (of tegen racisme) is nooit een positief effect hard gemaakt. Op mij komt het meer over als window dressing of voor de bühne, waarmee de organisaties hun handen in onschuld wassen en naar spelers en/of publiek kunnen wijzen als er iets misgaat. Dat laatste is nog ietsje complexer dan het lijkt, want het heeft er alle schijn van dat wangedrag van spelers overslaat op het publiek en omgekeerd. In die zin is een voetbalwedstrijd een interactieve gebeurtenis.

Even iets wat geen zijsprong is. In het algemeen wordt aangenomen dat ijshockey een veel ruwere, zo niet onbehouwener en gevaarlijker sport is dan veldvoetbal. Het tegendeel is echter het geval. Ja, met enige regelmaat zie je ijshockeyers met elkaar op de vuist gaan, maar dankzij hun overmatige kledij levert dat nooit blessures of erger op. En wordt het te dol, dan zijn er altijd 2 of 3 scheidsrechters die adequaat en kordaat optreden. En als je het niet gelooft, ga dan maar eens turven per hoeveel strekkende spelersminuten er bij ijshockey en bij voetbal een blessure voorkomt. Dan blijkt voetbal de ruwere sport te wezen.

Maar dat is niet alles. IJshockeyers zijn tijdens de wedstrijd respectvoller dan voetballers, zeker binnen de spelregels. Het duidelijkst blijkt dat uit hun gedrag jegens de scheidsrechter. Bij ijshockey betekent een fluitsignaal van de scheidsrechter dat alle spelers daadwerkelijk stoppen en het verloop afwachten; alleen de aanvoerder, met de letter C op de borst, of zijn tijdelijk vervanger, herkenbaar aan een A op de borst mag zich met een van de scheidsrechters verstaan, om uitleg vragen, in discussie gaan. Wie zich niet daaraan houdt, kan naar de strafbank. Kom daar maar eens om bij voetbal. Daar betekent een fluitsignaal keer op keer het sein tot de vorming van een kluwen spelers die in woord en gebaar en duwend en trekkend duidelijk te maken dat de arbiter van dienst iets is tussen “onbenul” en “hondenlul”.

Voor mij begon het allemaal op 6 september 1965 toen Feijenoord in Rotterdam Real Madrid ontving en met 2-1 won. Na een overtreding op icoon Coen Moulijn ontstond er een knok- en schoppartij tussen de spelers, hetgeen verslaggever Bob Spaak bracht tot de bekende woorden “Coen, beheers je! Jongens, jongens, dat kan toch niet! Wat een afschuwelijke vertoning!
Zulk een intermezzo betekent niet alleen tijdverkwisting (vandaar mijn pleidooi voor zuivere speeltijd), maar ook slaan die emoties over op het publiek, met alle mogelijke gevolgen van dien, en bovendien levert het niks positiefs op, want de scheidsrechter komt toch niet terug van zijn beslissing; hooguit vallen er gewonden.
De invoering van de vele camera’s, de VAR, de herhalingen, zullen ongetwijfeld een gunstige invloed op spelers hebben, nu zij het risico lopen dat hun wangedrag op beeld vastligt en mogelijk een staartje gaat krijgen.

Discussie of gemekker
Mijn voorstel op dit punt is een regel invoeren dat tijdens en rond een wedstrijd uitsluitend en alleen de aanvoerders van beide partijen zich tot de scheidsrechter mogen wenden en dat de andere spelers op afstand afwachten wat het resultaat ervan is. En langs de lijn: alleen de trainers/coaches van beide teams mogen zich tot de vierde man wenden, of de clubarts van dienst ingeval hij medisch ingrijpen nodig acht. Ieder ander die zich in of rond het veld in woord of gebaar met de arbitrage bemoeit, kan een kaart tegemoet zien. Zo kan het zinloze en tenenkrommende gemekker tijdens een wedstrijd aanmerkelijk worden geminimaliseerd en komt fatsoenlijk gedrag het respect ten goede.

Kaarten
Al zo’n 50 jaar hanteren diverse sporten een systeem van kaarten die de scheidsrechter kan trekken om een speler of lid van de technische staf (soms zelf het hele team als collectief) te corrigeren en met enig vorm van consequentie te bestraffen. Het varieert van drie soorten kaarten (groene, gele en rode) bij het veldhockey, via twee (gele en rode bij veldvoetbal) tot nul (bij ijshockey). Maar in die laatste sport vigeren andere maatregelen: een speler die naar het oordeel van de arbitrage over de schreef gaat, kan vertrekken naar de strafbank, voor 2, of 5, of 10 minuten, of zelfs voor de hele wedstrijd. Daarvoor zijn geen kaarten nodig, en (respect!) die straffen worden doorgaans zonder al te veel gemekker of gemor geaccepteerd. Wat daarbij mijns inziens een grote rol speelt, is niet dat ijshockeyers in doorsnee nettere mensen zijn dan profvoetballers -waarschijnlijk is dat niet zo, als het al te meten is-, maar dat de spelregels en andere reglementen van ijshockey veel strikter, gedetailleerder zijn dan de voetbalspelregels, waardoor er minder ruimte is voor interpretatie en dus ook voor discussie, gemekker en gemauw, noch bij de spelers, noch bij de staf, noch bij het publiek. Dat impliceert dus ook dat ik pleit voor striktere spelregels bij het voetbal, opdat een ieder weet waaraan je je te houden hebt.

Daar bovenop: handhaaf rustig het uitdelen van gele en rode kaarten, maar voeg er, net als bij ijshockey en veldhockey, een strafbank aan toe, bijvoorbeeld 5 of 10 minuten (zuivere speeltijd uiteraard) bij een gele kaart en de hele wedstrijd bij een rode kaart, welk laatste nu ook al het geval is.

Bijkomend voordeel is de volgende overweging: Team A speelt tegen team B. Een speler van A krijgt een gele kaart, maar kan desalniettemin de wedstrijd voortzetten, ook al is het een beetje met de handrem erop om geen tweede gele kaart te incasseren, want geel+geel=rood. Maar het voordeel van B tijdens die wedstrijd is zeer beperkt. Zou de betreffende speler voor een aantal minuten van het veld moeten, dan is het numeriek voordeel voor B evident. Bovendien: als diezelfde speler van A door die gele kaart een schorsing oploopt en A moet volgende week tegen C spelen, dan is C bevoordeeld door de afwezigheid van die speler, en B benadeeld, want C pakt dan het voordeel dat B, tegen wie de overtreding is begaan, is misgelopen.

Technische complicatie: net als bij ijshockey zou bij veldhockey en veldvoetbal de bestrafte speler niet mogen plaatsnemen in de dug out van zijn team, maar plaats moeten nemen in een aan te leggen strafbank aan de andere kant van het veld, zulks ter voorkoming van contact tussen speler en staf waardoor de bestrafte speler ook nog eens tal van aanwijzingen kan meekrijgen en zo profiteert van zijn uitsluiting. Twee strafbanken zelfs, eentje per team, want het komt niet zelden voor dat van beide teams tegelijk een speler naar de strafbank moet, waarna dat tweetal buiten de lijnen met elkaar op de vuist gaat of zich anderszins misdraagt uit frustratie. Bijgaande uitzonderlijke foto maakte ik op 2 januari 2007 tijdens de kwartfinalewedstrijd Finland-USA (3-6) in het Zweedse Mora. Er zaten maar liefst 4 Finse spelers tegelijk in de strafbank en een van hen sloeg in drie houwen zijn stick op de plexiglas boarding kapot, hetgeen hem nog een bijkomende straf opleverde. Zo iemand wil je toch niet naast je in de dug out hebben zitten…
Tussen beide strafbanken bevindt zich een official die de toegang van de strafbank opent en, de stopwatch in de hand, na het uitzitten van de straf weer opent.

Heren, heren, gedraagt u alstublieft.
En dames binnenkort ook, valt te vrezen.

____________________________________________

Berichten in deze reeks:

  1. Zuivere speeltijd
  2. Respect en kaarten (dit bericht)
  3. Puntentelling
  4. Belijning

 

Het spel en de regels – zuivere speeltijd

Ik had me vlak na het afgelopen WK voorgenomen een viertal artikelen te schrijven over de regels van het edele voetbalspel. Omdat ik echter wel belangrijker zaken te doen had, was dat er nog niet van gekomen. Maar nu ga ik aftrappen met een verdediging van een voorstel tot verbetering: de invoering van de zuivere speeltijd.
Eigenlijk is er wel een meerderheid voor het vervangen van de huidige 2×45 minuten plus eventuele extra tijd, vooral om het spel eerlijker, sneller en aantrekkelijker te maken, maar tussen droom en daad staan logge instanties als FIFA en UEFA in de weg.

Waarom zuivere speeltijd?
Per wedstrijd gaat er zo’n 25 tot 40% aan tijd verloren met dode spelmomenten, dus de periode tussen het affluiten door de scheidsrechter en de daadwerkelijke spelhervatting. Naarmate de wedstrijd vordert en de eindstand waarschijnlijker wordt, neemt het tijdrekken door een van beide partijen merkbaar toe. Dat is onderdeel van het spel, maar daarvoor komt niemand naar het stadion.

Verder kan de arbitrage weliswaar aan het einde van elke helft een min of meer arbitrair aantal minuten aan extra speeltijd toevoegen, maar het spreekt voor zich dat een der partijen en een deel van het publiek die toegevoegde tijd absoluut te kort of juist te lang vinden.

Waarom geen zuivere speeltijd?
Allereerst doordat FIFA en UEFA logge, stoffige en conservatieve instanties zijn die een hekel hebben aan verandering, ook die van de spelregels.

Verder, zo wordt wel geopperd, is er het probleem dat de zendgemachtigden die een live verslag van een wedstrijd verzorgen in de knoop kunnen komen met de programmering, als de werkelijke wedstrijdduur ongewis is.

En ten derde is er het argument van het technische gedoe, want er is een tijdwaarnemer nodig die voortdurend registreert of het spel voortgaat of stil ligt.

Tegen bezwaar 1 breng ik in dat dat de verandering niet tegenhoudt, maar alleen opschort. Een bureaucratische vorm van tijdrekken dus. Maar ook binnen deze instanties zijn er Marco van Bastens genoeg om vroeg of laat de gewenste herzieningen door te voeren; zijn latere interview in De Volkskrant van 21 december 2018 biedt voldoende ondersteuning. Zo is dat ook ten lange leste met de doellijntechnologie en de VAR gegaan.

Bezwaar 2 is om minstens twee redenen volstrekte nonsens. Ten eerste is ook de werkelijke speeltijd van een wedstrijd nu ook al ongewis, nooit precies 2×45 minuten met een kwartier pauze ertussen, maar altijd langer, niet zelden variërend van 5 tot 20 minuten. Ten tweede moeten die zendgemachtigden dan maar eens een kijkje nemen in de keuken van Noord-Amerikaanse zenders van live wedstrijden (basketbal, ijshockey,..); bij die sporten wordt met zuivere speeltijd gewerkt, maar de zenders raken niet in paniek: zij programmeren ruim, en is er tijd over, dan lassen ze een of meer interviews in. Sterker nog: soms weten die commerciële zenders het zo te regelen dat een wedstrijd een minuut of wat wordt stilgelegd voor een zogenaamde commercial break. Niet dat ik daarvan voorstander ben, maar het zegt iets over de flexibiliteit van die omroepen bij wedstrijden met zuivere speeltijd.

Dan is bezwaar 3 een stuk reëler. Wie houdt die tijd bij? De scheidrechter die een accurate stopwatch heeft (dat ding heet niet voor niks zo)? Of een van zijn secondanten langs de lijn, de assistent-scheidsrechters of de vierde man? Of moet er een tijdofficial ergens langs de lijn zitten met één enkele opdracht: de tijdknop op de seconde af aan of uit zetten. En dan moet ook nog eens de verstreken of nog te spelen tijd exact op het scorebord of de jumbotron worden weergegeven, maar dat is bij de huidige stand van de (draadloze) techniek niet zo complex meer. Het antwoord op de vraag naar de tijdwaarnemer kan afhankelijk zijn van het belang/niveau van de wedstrijd: een recreatief potje op zaterdagochtend vereist minder dan een Champions League of WK-wedstrijd waarmee miljoenen zijn gemoeid.

Voorstel
Mijn idee is om een voetbalwedstrijd 2×35 minuten zuivere speeltijd te laten duren met een kwartier pauze ertussen. Dus geen extra/toegevoegde/blessuretijd meer.

Als de scheidrechter fluit om het spel te onderbreken, stopt de tijd. Als de scheidsrechter fluit om het spel te hervatten, start de tijd en zijn er zes piepjes te horen, elke seconde één. Heeft de betreffende partij bij het zesde piepje het spel nog niet hervat (ingooi/intrap, doeltrap, aftrap, enz.), dan fluit de scheidsrechter af en gaat de beurt naar de tegenpartij.

Het is aan de scheidsrechter om te bepalen wanneer hij voor spelhervatting fluit. Zo moet bij een doelpunt de bal naar de middenstip – nog steeds een doodspelperiode. Hoe lang hij echter wil wachten tot de kluwen gelukkige speler over elkaar heen tuimelen, kussend, aaiend, grabbelend, knuffelend, of zich tot de bank of het publiek wenden, lijkt me een kwestie van aanvoelen van de wedstrijd. Een doelpunt mag worden gevierd, maar niet ten koste van de zuivere speeltijd.

Van mij mag 2×35 ook 2×30 worden, en mogen de zes seconden er ook wel vijf worden; het is aan de statistici daarover een zinnige uitspraak te doen. En als er een verlenging noodzakelijk is: hooguit 2×10 minuten zuivere speeltijd.

Dit voorstel staat los van mijn voorstellen in de volgende artikelen, maar ook weer niet helemaal. Dat wordt binnenkort wel duidelijk.

____________________________________________

Berichten in deze reeks:

  1. Zuivere speeltijd (dit bericht)
  2. Respect en kaarten
  3. Puntentelling
  4. Belijning

Kassarol en pinguïn

In mijn vorige artikel refereerde ik aan de woorden kassarol en pinguïn die commentator Jeroen Grueter uitsprak tijdens zijn verslag van Kroatië-Denemarken op 1 juli jl. Ik kon mij de context van die ongebruikelijke sporttermen niet goed meer herinneren en daarom stoorde ik hem op zijn vakantieadres en vroeg hem enige toelichting.
Die ontving ik heel snel van hem, waarvoor mijn dank.

Een verslaggever moet ook van een slechte en saaie wedstrijd nog iets moois weten te maken. Han Hollander, Rik de Saedeleer en Theo Koomen konden dat, Frank Snoeks kan dat ook. Ik plaats Jeroen Grueter nu ook maar in dat rijtje.

Kroatië-Denemarken (1-1) was zo’n slechte wedstrijd. Niet saai, want het was een knock-outwedstrijd die de Kroaten uiteindelijk via strafschoppen in hun voordeel beslisten. Misschien was het meer de angst om te verliezen, dan het onvermogen om er een mooie wedstrijd van te maken, iets waarmee België en Brazilië vijf dagen later niet de minste moeite hadden.

Grueter gebruikt het woord kassarol als synoniem van “waslijst“. In zijn woorden:
Bij het gebruik van het woord kassa-rol is de context van de wedstrijd belangrijk, een duel waarin beide teams graag lijken te willen, maar gevangen zijn in een web van onvermogen en tactische beperkingen. De constatering is dat ook een aanzienlijke hoeveelheid goede bedoelingen niet genoeg zal zijn om de wedstrijd beter te maken. Sterker nog: de benodigde hoeveelheid past niet eens op een kassa-rol. Voor dit woord gekozen, omdat het, afgewikkeld, een stuk papier is van zeer aanzienlijke lengte“.

De gebruikte kwalificatie pinguïn viel ten deel aan de Kroaat Matteo Kovačić, die in de 71e minuut inviel voor Marcelo Brozović en niet veel later zelf een wat nare schouderblessure opliep. Jeroen Grueter over die blessure:
Het woord pinguïn was gezien de situatie eigenlijk vrij logisch. Een speler raakte geblesseerd aan de schouder, ogenschijnlijk was deze uit de kom geraakt of geweest. Toch wilde de speler doorspelen. Met een min of meer hangende arm. Daar concludeerde ik dat hij dan als een pinguïn over het veld zou lopen in de resterende speeltijd“.

Zo werd het gelukkig toch nog een wedstrijd om over door te praten.

 

 

Hele mooie bekers

Mijn grote interesse in het foutief gebruik van het bijwoord hele in plaats van heel zij inmiddels genoegzaam bekend. In hele mooie bekers slaat hele op mooie, en is dus een bijwoord (in de woordgroepleer: een “interne bijwoordelijke bepaling bij mooie“), dat volgens de grammatica’s geen buigings-e kan krijgen. Eerder al constateerde ik dat deze heel/hele-transitie zich wel handoverhand voordoet bij heel, maar niet bij veel, zodat de mogelijkheid dat het hier gaat om een taalverandering omwille van fonetisch gemak niet stand houdt. Niemand spreekt bijvoorbeeld van een vele mooiere beker.

Bovendien is het zo, dat de ‘moderne’ Nederlandssprekende zich bij dit gebruik van hele keurig netjes houdt aan de buigingsregels van Nederlandse bijvoeglijke naamwoorden. Je hoort dus tegenwoordig:

  • een hele mooie man (mannelijk)
  • een hele mooie vrouw (vrouwelijk)
  • een heel mooi kind (onzijdig)
  • een heel mooi dier (onzijdig)
  • hele mooie mannen/vrouwen/kinderen/dieren (meervoud)

De meest voor de hand liggende verklaring is dat mensen niet kunnen ontleden en dus denken dat dat bijwoord heel/hele, net als het erop volgende woord mooi(e) ook een bijvoeglijk naamwoord is en daarom hypercorrect in voorkomende gevallen de buigings-e krijgt.

Tot zover is dit allemaal oud nieuws, gelet op mijn eerdere artikel.

Het afgelopen WK-voetbal leverde mij, behalve twee mooie wedstrijden (Frankrijk-Argentinië en vooral Brazilië-België), ook enkele taalkundige verrassingen op:

– Tijdens die wedstrijd Frankrijk-Argentinië op 30 juni kwam NOS-commentator Philip Kooke opeens aanzetten met een behoorlijke valse nummer negen (al weet ik niet meer welke speler hij bedoelde). In die uitspraak verscheen dus het heel/hele-probleem opeens ook bij het woord behoorlijk. Dat is groot nieuws.

– Daags erop versloeg Jan Roelfs de wedstrijd Spanje-Rusland, gespeeld in het Loezjniki-stadion in Moskou. Roelfs roemde dat prachtige gebouwde stadion. Fout dus, ook fonetisch gezien, want prachtiggebouwde bekt makkelijker dan prachtigegebouwde. Zijn grammaticaal waninstinct won het dus van zijn spreekgemak. Dat is nog groter nieuws.

– Ja, dan hebben we ook nog Jeroen Grueter, voor mij na Frank Snoeks de beste NOS-sportcommentator, voornamelijk vanwege hun beider taalgebruik. Ook hij bezondigt zich aan de heel/hele-fout, maar ik vergeef het hem. Want tijdens Kroatië-Denemarken op 1 juli viel mij iets geweldigs op.
Ik beluister en bekijk sportuitzendingen al sinds 1958, waarmee ik een zestigjarige ervaring heb met stijl en taalgebruik van de verslaggevers. Voor Han Hollander was ik helaas te laat geboren, maar de stemmen van Dick van Rijn, Dick de Vree, Bob Spaak, Theo Koomen en de allergrootste: Rick de Saedeleer, herinner ik mij nog zeer goed. Op zeker moment trad er een soort ‘nieuwe zakelijkheid’ op in de verslaggeving. Bij voetbalverslagen begon dat in mijn beleving bij Theo Reitsma en Eddy Poelmann, en velen na hen bleven dat spoor der saaiheid volgen. Zo niet Frank Snoeks en Jeroen Grueter, die hun verslagen nog steeds met voldoende peper en zout kruiden.

Laatstgenoemde bestond het om tijdens zijn verslag van Kroatië-Denemarken op 1 juli 2018 het voetbalvocabulaire met twee woorden uit te breiden: kassarol en pinguïn. Zie voor een toelichting op beide termen mijn vervolgartikel.

Met al mijn zestig jaar kijk- en luisterervaring durf ik te zeggen dat die twee woorden nog  nimmer zijn gebezigd in een voetbal-, ijshockey- of schaatsverslag op de Nederlandse radio of tv. Hulde.

 

¿Sevilla? ¡Róterdam!

Zo op het eerste oog zijn er niet veel lijntjes die Sevilla met Rotterdam verbinden; een bijpassend plaatje ontbreekt dus ditmaal, maar na wat betere beschouwing heb ik toch twee verbanden kunnen vinden. Het ene heeft met bruggen te maken, het andere met voetbal.

Befaamd in Rotterdam is de Erasmusbrug, een ontwerp van architect Ben van Berkel, die in 1996 officieel werd geopend. Deze 800 meter lange tuibrug met één geknikte stalen pylon is al ruim 20 jaar een blikvanger in de stad. Maar het is niet de enige brug van een dergelijke constructie.


Alleen moeten we dan naar architect Santiago Calatrava. Die heeft, om de werkelijkheid maar even om te keren, een aantal Erasmusbruggen op zijn naam staan, maar niet die van Rotterdam. Je treft er onder meer eentje aan in Valencia, in Jeruzalem, in Redding (Californië), en dus ook in Sevilla. Alle van vergelijkbaar ontwerp. Die in Sevilla, gebouwd voor de Expo in 1992, luistert naar de naam Puente del Alamillo en is dus ouder dan de Erasmusbrug, maar wel ruim driemaal zo kort, ±250 meter en ontworpen als voetgangersbrug. Nergens heb ik kunnen vinden dat Ben van Berkel zich voor de Erasmusbrug door die Puente heeft laten inspireren, ook al zijn de overeenkomsten tussen beide bruggen nog zo frappant.

  • Bewust heb ik ervoor gekozen hierboven alleen zelfgemaakte foto’s te plaatsen, en niet her en der van internet wat te plukken, ook al zijn die vaak fraaier.

Een tweede lijntje tussen Sevilla en Rotterdam putte ik uit mijn geheugen. In 2014 troffen FC Sevilla en Feyenoord elkaar in de groepsfase van de Europa League. De buit werd eerlijk verdeeld: Sevilla won thuis met 2-0 en Feyenoord won in De Kuip met 2-0. Daarmee werd Feyenoord groepswinnaar en Sevilla tweede, maar dat terzijde.


Omdat het niet zo ver lopen was -het Estadio Ramón Sánchez Pizjuán ligt midden in de stad- wilde ik het wel eens bekijken. Ondanks de indrukwekkende naam haalt dat stadion het niet bij De Kuip, maar daar ging het mij niet om. Ik had eerder al eens gezien dat er vóór het stadion een reusachtige Wall of Fame staat, waarop, zegt men, de meest aansprekende tegenstanders van FC Sevilla staan afgebeeld. Dit nu is een leugen: er ontbreekt er minstens eentje: Feyenoord. Ik zal er toch niet overheen hebben gekeken. Mogelijk liggen ze wat achter met het bijwerken van het bord; beide clubs hadden elkaar nooit eerder ontmoet. Over een paar jaar nog maar eens gaan kijken.
Sevilla zelf is zeker een herbezoek waard.

_____________________________

Vorig bericht: http://nardloonen.nl/2018/04/26/sevilla-groen-en-blauw/

Wedden dat? (2)

Ik heb met mijn weddenschap van
9 maart maar half gelijk gekregen. Ook goed.
Ik had voorspeld dat Feyenoord op 11 maart AZ zou laten winnen om die club dichter bij plek 2 in de competitie te krijgen, in ruil waarvoor Feyenoord op 22 april de beker mocht winnen.
Maar wat gebeurde: Feyenoord won beide wedstrijden en AZ zit met de gebakken peren en het is maar de vraag of AZ dit seizoen nog in ieder geval een Europees ticket zal weten te bemachtigen. Van mij mogen ze; het is een prima voetballend team.
Maar mijn dag kan niet meer stuk, ondanks mijn half verloren weddenschap.

Wedden dat?

Ik lijd niet aan gokverslaving, maar zo af en toe zie ik wel iets aankomen: Feyenoord gaat komende zondag in Rotterdam verliezen van AZ en Feyenoord gaat op 22 april in Rotterdam winnen van AZ. Dat lijkt op een deal, en dat is het volgens mij ook, net zoals Feyenoord en Vitesse vorig jaar een perfecte dubbel afleverden.

Hoe zat dat in Arnhem? In januari 2027 speelden beide clubs in de kwartfinale van de KNVB-beker. Vitesse was al 125 jaar aan een prijs toe, en Feyenoord was voluit op weg naar het landskampioenschap. En dus werd het 2-0 voor Vitesse, dat daarmee doorging in de beker en die uiteindelijk ook won. Toen de clubs elkaar weer troffen in Arnhem, april 2017, was het landskampioenschap in het geding. Dus liet Vitesse Feyenoord winnen. Voor wat hoort wat.

Dit gaat zich nu weer afspelen: Feyenoord kan het kampioenschap niet meer prolongeren, maar gaat voluit voor de beker. De finale is op 22 april tegen AZ. Die moet Feyenoord dus winnen, om nog iets succesvols van het seizoen te maken. En dat zal ook wel gebeuren. Maar komende zondag staan ze tegenover elkaar in Rotterdam voor de competitie. AZ, met nu maar 2 punten achter Ajax, wil dolgraag tweede op de ranglijst worden om zich aldus via een achterdeur te kwalificeren voor de Champions League. En met winst komende zondag kunnen ze al tweede staan. Dus de deal zal gaan lijken op die met Vitesse vorig jaar: AZ mag opgaan voor plek 2 in de competitie, en Feyenoord mag de beker winnen. Wedden dat?

 

Verwachting – 1 van 2

Er staan de komende drie maanden drie wedstrijden op het programma die om diverse redenen van belang zijn.
(1): Nadat Feyenoord zijn tot nu toe meest aansprekende succes van het seizoen boekte door PSV met 2-0 uit te schakelen voor de KNVB-beker, volgt nu het rechte pad naar winst in de bekerfinale.
(2): Maar eerst moeten ze morgen een zoveelste blamage in Venlo zien te voorkomen.
(3): En de Spaanse soap gaat zijn sportieve hoogtepunt (?) beleven als de Catalanen het moeten opnemen tegende Castilianen.

In volgorde van opkomst:

Zondag 4 februari 2018: VVV-Feyenoord. Daarover heb ik me al eerder uitgelaten in het artikel Kuipkwartiertje. Ik citeer: Het eerste fabeltje is eerder een nachtmerrie: de Vloek Van Venlo, oftewel VVV-uit. Sinds de invoering van het betaalde voetbal moesten de Rotterdammers 20 maal naar Venlo afreizen en op drie overwinningen na moesten ze met de roodwitte staart tussen de benen huiswaarts keren.
Nu Feyenoord schier kansloos is in de competitie, maar het bekersucces lonkt, voorzie ik dat VVV de zogeheten Vloek Van Venlo wederom over Feyenoord zal weten af te roepen. Morgen zal ik verslag doen van de realiteit.
Mijn voorspelling: 3-1 voor VVV, nadat Feyenoord snel op 0-1 was gekomen.

Zondag 22 april 2018: Bekerfinale AZ-Feyenoord. Dat voorspel ik. In de halve finales gaat Feyenoord simpelweg Willem II aan de kant schuiven en gaat Twente met lege handen naar Tukkerland terugreizen ten gunste van AZ. En in de Kuip zal Feyenoord er geen supergras overlaten groeien wie er met de beker, en het ticket voor de (voorronde van de) Europa League vandoor gaat.
Mijn voorspelling: AZ-Feyenoord 1-2.

Zondag 6 mei 2018: FC Barcelona-Real Madrid. Op 23 december 2017 deelde Barcelona in Madrid al een tik uit aan de Koninklijke (het werd 0-3). In oktober 2017 voorspelde ik een doemscenario voor de Catalanen in mijn artikel Vergelijk. Vanuit dat artikel is mijn voorspelling 3-2 voor Barcelona, net als de 3-2 in de ijshockeywedstrijd ČSSR-USSR in 1972.

In december ging ik twijfelen.
In februari, april en mei weten we meer.

Tot morgen, 4 februari 2018.