Hans Kraan 1948-2019

Bijna zestig jaar vriendschap en trouw, dan valt het afscheid zwaar.
Op 26 september overleed Hans Kraan, met wie ik vanaf klas Gym-Ib 1960-1961 van het Ignatiuscollege zo veel en zo lang heb opgetrokken. Het ging al een jaar of wat fysiek niet goed met hem. Aanvankelijk waren de klachten vaag, later werd de oorzaak steeds duidelijker. Een kort ziekenhuisverblijf in april/mei 2019 leek het tij nog te kunnen keren, maar na enige maanden was de situatie uitzichtloos.

Op school was Hans een altijd vrolijke, optimistische knul met wie je geen ruzie kon krijgen, maar met wie je, integendeel, altijd ontzettend veel lol beleefde. In en om school, op het RKAVIC-voetbalveld, hier in 1963: Hans en ik waren de links- en rechtsbuitenbeentjes, hij vooraan links op de foto en ik rechts; op straat bij ons thuis, altijd leuk en opgewekt.

In 2000 is Hans nog een paar dagen in Rosoy op bezoek geweest. Zijn geopperde voornemen om met de scooter te komen, kon ik hem gelukkig uit het hoofd praten. In plaats daarvan haalde ik hem vanuit Boxmeer in Maastricht met de auto op. Oeverloos veel gedaan, bekeken en vooral gepraat, tot diep in de nacht. Open en eerlijk, veelzijdig en mateloos geïnteresseerd in zowat alles.
Voor de rest bestonden onze contacten voornamelijk uit vele mails en nog veel meer telefoongesprekken, waarvan de meeste de 60 minuten ruimschoots overschreden, en ik vrees dat ons 24-uursmenu van veel drank en sigaretten die gesprekken wel steeds op een hoger niveau tilden. Ik besef overigens dat het hodie mihi, cras tibi daarbij ook een akelig reliëf krijgt.

Vanaf 2014 was Hans een van de aanjagers van de jaarlijkse klassereünie van Gym-Ib 1960-1961. Samen met de andere vier leden van deze bende van vijf, Kees, Huub, Michel en ik, zocht hij naar een geschikte locatie en invulling en de nodige mail- en telefooncommunicatie om iedereen erbij te betrekken. Die eerste keer bezochten we de gebouwen van ons Ignatiuscollege; op de groepsfoto Hans staande als vierde van rechts. Tot en met dit jaar 2019 is dat steeds rimpelloos en drukbezocht verlopen. We raken nog steeds niet uitgepraat met elkaar, zeker als je anderen zo lang niet hebt gezien of gesproken, en met Hans erbij al helemaal niet, want die hield bij die gelegenheden de conversatie naar vorm en inhoud altijd wel op boven Amsterdams Peil. Jaar op jaar is bevestigd wat een hechte en geweldige klas er is gevormd op het IG in het schooljaar 1960-1961.

Begin mei zocht ik, samen met Huub, Hans nog op in het OLVG waar hij enige weken moest verblijven (“Het eten is niet te vreten hier“, maar de waarheid gebiedt te zeggen dat door zijn ziekte hem elke eetlust ontbrak). Wel deed hij er alles aan om bij de reünie van half mei 2019 aanwezig te kunnen zijn, hetgeen hem wonder boven wonder nog gelukt is ook.

Tijdens zijn uitvaart op 1 oktober op de Ooster Begraafplaats heb ik het woord mogen voeren, namens mezelf, namens de klas. Daarvan waren elf klasgenoten aanwezig; enkelen waren verhinderd vanwege het boerengedoe op het Malieveld, een paar anderen verbleven in het buitenland.
Ik spitste mijn verhaal voornamelijk toe op twee onderwerpen: mijn laatste contacten met Hans in september 2019 en de fameuze fietstocht door Zuid-Engeland die onder anderen Hans en ik gedurende 23 dagen in augustus 1964 maakten en waarbij hij vlak voor het einde zijn 16e verjaardag vierde.

Het eerste onderwerp was vrij lastig. Begin september belde Hans mij op omdat hij kort daarvoor het ultieme slechtnieuwsgesprek met de behandelende arts had gehad. Tijdens dat gesprek schijnt hij te hebben gezegd: “Dan had ik maar geen mens moeten worden“; typisch Hans, ook al is het slechts buitenkant. Hij vroeg mij onder meer wat hij het beste kon doen met zijn uitgebreide en gevarieerde collectie boeken, waarover ik met hem nog enige tijd heb gepraat. Een week daarna voerden wij ons laatste telefoongesprek, vlak na het weekend waarop het Nederlands Elftal van Estland en Duitsland had gewonnen. Ik vroeg hem of hij nog naar Duitsland-Nederland, 2-4, had gekeken. “Wat dacht je?“, zei hij opgewekt, “Het dak ging eraf bij ons“. Best link, als je in Kruitberghof woont.
Het werd een lang gesprek, maar niet langer dan een uur, zoals dat daarvoor steeds  schering en inslag was. Het werd een mengeling van onbekommerde lol en lastige gelatenheid. “Weet je wat jij moet doen, Hans? Regel het zo dat je Nederland nog Europees Kampioen ziet worden, komende zomer. Hij: “Dan wacht ik liever tot Ajax de Champions League wint”.
Ok”, zei ik, “whichever comes first, maar zorg wel dat je het meemaakt”.
Ik zal mijn best doen”, beloofde hij, maar het waren zijn laatste woorden tegen mij.
In al die vele jaren heeft onze Ajax-Feyenoord-tegenstelling op geen enkel moment tot ook maar één frictie geleid, zo diep en fanatiek als die clubliefde zat en zit. Alleen over MVV waren we het altijd eens, dat die maar weer gauw in de eredivisie moesten komen, al hadden wij daarvoor uiteenlopende argumenten. Als Hans en ik al eens over iets van mening verschilden, dan konden wij uitstekend polderen om er lachend uit te komen.
Op 18 september heeft hij nog gemaild over het IISG, dat ik hem had aangeraden voor een specifiek deel van zijn boeken. Daarna bleef het stil.
Verder zijn het van de klasgenoten vooral Kees en Huub geweest die Hans tot het einde toe met raad en daad hebben bijgestaan. Ik weet dat Hans dat heel erg heeft gewaardeerd.

Het tweede onderwerp was de fietstocht door Zuid-Engeland in augustus 1964 (zie daarvoor ook https://nardloonen.nl/2012/11/29/7-sacramenten-1959-1966-57/ bovenaan).
Met z’n vijven, Hans, Hugo, Leo, Carlo en ik, hadden met medewerking van Ted de Cloet, onze leraar Engels, een fraaie route uitgestippeld die ons langs onder meer Dover, Hastings, Chichester, Winchester, Salisbury, Stonehenge, Oxford, Londen en Canterbury zou voeren, 1235 kilometers in totaal. Hier staan wij gevijven keurig in balans na aankomst in Dover.

Alles was tot in de puntjes verzorgd: een routeboek met alle afstanden en overnachtingsplaatsen, jeugdherbergen gereserveerd en bevestigd (ook om de ouders gerust te stellen; wij waren toen zo rond de 16); een groot aantal niet-te-missen bezienswaardigheden genoteerd, zoals hiernaast een bezoek aan Chichester Cathedral, waar wij warm werden ontvangen door Walter Hussey, the Dean of Chichester; vlnr. ik, Leo, Walter Hussey, Hans, Hugo.
Vooraf waren alle kleren keurig gewassen, gestreken, gevouwen en logistiek verantwoord in de fietstassen gepropt; de fietsen opgepoetst, gecontroleerd en gesmeerd, wat voor Hans al helemaal geen probleem was, want zijn vader was fietsenmaker. Er kon niks meer misgaan.
1235 kilometer in totaal, maar na amper 70 kilometer, nog voor Dordrecht, was het uitgerekend Hans van wie de voorvork brak. Wij in onaangenaam verraste paniek. Zou de hele reis al op dag één in duigen vallen? Hans was de enige die er de humor wel van inzag. Hoe we het hebben geflikt, staat mij niet meer goed bij, maar we vonden in het nabije dorp een smid die het zaakje vakkundig heeft gelast, en voor de rest van de reis hebben we totaal geen materiaalpech meer gehad.
Die reis, nog steeds voor in het geheugen van ons allemaal, had nog een onverwacht geweldig positieve bijkomstigheid. The Beatles, die net anderhalve maand tevoren hun eerste optreden in Nederland hadden gehad, in Treslong te Hillegom voor de VARA, waren met hun onstuitbare opmars begonnen en dat was in Engeland goed te merken. Overal, in alle pubs, restaurants, jeugdherbergen, op straat, schalde hun muziek uit de luidsprekers. Wij vonden het geweldig en Hans nog wel het meeste. Die bleef ook lang een idolaat bewonderaar van die vier Liverpudlians. Het maakte de reis nog boeiender en succesvoller.

Toeval bestaat niet. Maar op 26 september reed ik terug van Boxmeer naar Rosoy. Ik was net de Luxemburgs-Franse grens gepasseerd op het moment van zijn overlijden, maar dat wist ik toen nog niet. Ik stemde de radio af op France Musique, zeg maar de Nederlandse radio 4, waar kort daarvoor een anderhalf uur durende special over The Beatles was gestart, deel 1 van een tweeluik, over hoe zij de historische brug vormden tussen de klassieke muziek en de popmuziek. Het was die dag precies 50 jaar geleden dat Abbey Road was uitgekomen.

’s Avonds thuis, toen de mail en de voice mail mij het schokkende, maar onverbiddelijke bericht hadden gemeld, heb ik een deel ervan gedownload ter afsluiting van mijn woorden tijdens de uitvaart. Let it be in een barokuitvoering à la Händel of Bach op klavecimbel, gearrangeerd door de Deense klavecinist Anders Danman, speciaal voor Hans. In onze ogen en ervaring was Hans een held, aan wie we nog heel lang met heel veel genoegen zullen terugdenken, zeker ik, na bijna 60 jaar vriendschap en trouw.
Terwijl die muziek klonk, legden de vier nog overgebleven reisgenoten vijf rozen op de kist, voor elke Engelandvaarder eentje, om Hans een goede reis te wensen, waarheen die ook moge voeren. “Want, Hans“, zo besloot ik mijn bijdrage, “When you find yourself in times of trouble, let it be”.

Onlangs nog mailde een klasgenoot: “Wat de Beatles betreft, dat is een schot in de roos. Hans was weg van hen. En niet alleen vanwege hun muziek. Ik herinner me nog dat ik in de vijfde of de zesde gym een tijdje naast hem in de klas heb gezeten. Ik kon toen goed zien hoe hij tijdens minder boeiende lessen Beatle-teksten zat uit te schrijven op een blocnote of in een schrift. Daar was hij steeds ijverig mee bezig. Blijkbaar herkende hij van alles in die teksten.

In de dagen erna heb ik beide uitzendingen van France Musique gedownload, elk bijna anderhalf uur lang. Zij vormen een prachtige hommage aan The Beatles, maar meer nog dan dat, zij geven inzicht in de enorme waarde van hun muziek. De uitzendingen zijn uiteraard in het Frans. Een uitnemend moment om je Frans weer eens wat op te poetsen, al zij gezegd dat meer dan de helft van de uitzendingen uit muziekvoorbeelden bestaat. Zolang  de site van France Musique  beide delen nog online heeft staan, kun je ze beluisteren op:
Deel 1 (26 september): https://www.francemusique.fr/emissions/arabesques/abbey-road-a-cinquante-ans-les-beatles-et-la-musique-classique-1-2-75917
Deel 2 (27 september): https://www.francemusique.fr/emissions/arabesques/abbey-road-a-cinquante-ans-les-beatles-et-la-musique-classique-2-2-75939
Wie de door mij gedownloade opnamen wil hebben, kan mij ook even mailen. Dan stuur ik ze als wav-bestand per wetransfer toe (samen ± 2Gb). Het op 1 oktober gespeelde barokke Let it be vind je in de uitzending van 26 september rond minuut 66.

Daags voor de uitvaart heb ik namens de bijna voltallige klas bijgaande advertentie in De Volkskrant geplaatst. Als motto daarboven staat Beter dan Elckerlyc. Hans en ik, beiden neerlandici, snappen dat wel. “Den spyeghel der salicheyt van Elckerlyc” is een moraliteit, een Middelnederlands allegorisch toneelstuk uit circa 1470 dat gaat over Elckerlyc, lees: Jan en alleman, die met één been in het graf staat en dan merkt dat, nu hem de dood is aangezegd, al zijn aardse waarden hem in de steek laten. Gezelschap, Familie, Vrienden, Bezittingen, zij weigeren hem te vergezellen. Alleen de Deugd is bereid tot in de dood bij hem te blijven.
Ik denk dat Hans het er dus beter heeft afgebracht. Niet alleen dat wij hem met z’n allen, familie, klasgenoten, vrienden, zelfs mede-Ajaxfans, tot het uiterste hebben begeleid. Ook zullen wij zorgen dat zo veel mogelijk van zijn ondernomen literair-maatschappelijke studies, onaf, maar stevig in de steigers, niet verloren zullen raken. Ook zullen de klasgenoten, ik graag voorop, de onschatbare waarden van wat wij met Hans hebben meegemaakt en ervaren, nog in grote dank blijven meevoeren.


Deze bijdrage is een aangepaste en sterk uitgebreide versie van mijn woorden tijdens de uitvaartplechtigheid op 1 oktober jl.


Finale

Een finale is een eindspel dat je kunt winnen of verliezen. Scherper gezegd, om het sentiment rond finalewedstrijden bij ijshockeytoernooien te citeren: “You lose the gold, but you win the bronze“. Ik ga voor brons, want ik ben een slecht verliezer.
In november 2012 begon ik met het publiceren van mijn weblog. Inmiddels staat de teller op 343 artikelen en 377 reacties. Het is een mengeling van feiten en meningen, ernst en luim, ver- en bewondering, humor en wetenschap, ergernissen en voorliefdes.

Natuurlijk was het mijn opzet mijn bevindingen en opvattingen, luchtig, maar vaker kritisch, kenbaar te maken aan wie ze wilden lezen of niet. Over taalkunde, politiek, films (alleen de betere, niet van die bagger uit Amerika, dus alleen met name  Spaanse, Duitse en vooral Italiaanse, d.w.z. Pasolini), jeugdherinneringen, muziek, de Abdij van Beaulieu, sport, literatuur, verkeer en vervoer, Sint Sebastiaan, het leven op het Franse platteland met al het bijbehorende verbouwen in huis en op het land, een aantal necrologieën,… In die zin heeft het ook wel gefunctioneerd, denk ik.

Jammer genoeg loopt soms een project stuk of spaak, of vertraging op, maar dat is een ernstig en verwerpelijk zeugma. Sorry.

Zo ligt mijn bemoeiing met Beaulieu  (zie beaulieu-1-van-vele voor het eerste bericht uit de reeks van vijf artikelen) al ruim een jaar stil, eigenlijk alleen doordat de Amerikaanse mevrouw wier eigendom het hele domein is, al die hele tijd niets meer van zich laat horen, niet reageert op mijn vele (aangetekende) brieven en mails, en doordat de gendarmerie mij op het hart drukt dat ik zonder door haar geschreven en geauthentificeerde uitdrukkelijke toestemming het terrein niet mag betreden, laat staan er werk verrichten of spullen in veiligheid brengen. Misschien is ze wel dood, of laat ze de boel de boel. Dat anderen intussen ongehinderd naar binnen kunnen en de halve kiet leegroven, is kennelijk geen bezwaar.

Ook mijn jongste project zit in de ijskast, zo het geen diepvries wordt. Ik ben halfweg met het schrijven van een omvangrijke studie waarin ik de parallellen beschrijf tussen Pasolini’s laatste twee films. De meeste van de 28 aspecten van die overeenkomsten heb ik al af, maar ik kan niet verder zonder diepgaande medewerking van het Centro Studi-Archivio Pasolini in Bologna voor tekstmateriaal en foto’s. Na hun aanvankelijk enthousiaste reacties hoor ik opeens al een tijdje niks meer.

En tot nu toe buiten de weblog om ligt mijn taalwetenschappelijk artikel over het verschil tussen ‘geven’ en ‘nemen’, met al zijn consequenties voor het voorzetselgebruik, al circa twee jaar op de plank te verstoffen. Ondanks de hulp van de universiteiten van Leiden en Gent lukt het me nog steeds niet een paar weken achtereen ongestoord te kunnen werken aan een drastische revisie van mijn concepttekst.

Een achterliggend doel van mijn weblog was van meet af aan ook om te dienen als een steeds aangroeiend archief en als documentatiemateriaal voor eigen behoef, zeg maar als mijn testament. Niet het echte natuurlijk, want dat ligt te bestemder plekke veilig opgeslagen, samen met mijn NVVE-wilsverklaring. En mocht de natuur mij te vlug af zijn, ook goed. Aisi soit-il. Maar wel als een scala van blijken van de veelzijdigheid die kenmerkend is voor een docent Nederlands.

Ik doe bar weinig dingen zo maar, of per ongeluk. Niks geen niemendalletjes. Ik ben geen vermakelijkheidsinstelling. Veel van mijn woorden, zinnen, artikelen bevatten dubbele bodems en vereisen meervoudige lezing. Simpel voorbeeldje: mijn beeldmerk (niet: logo, want een logo bevat de bedrijfsnaam; ‘logoV‘ betekent ‘woord’) dat hier bovenaan staat afgebeeld, en tevens de vaste achtergrond van al mijn artikelen vormt en van mijn visitekaartje, kun je van twee kanten bekijken: kantel je je hoofd een klein beetje naar links, dan heb je de horizontale Franse tricolore blauw-wit-rood; kantel je je hoofd meer naar rechts, dan staat er de verticale Nederlandse driekleur rood-wit-blauw. Maar nog steeds weet niemand waar ik het concept vandaan heb. Het is uit het Parijse Musée d’Orsay, en daar is lang aan gewerkt.

Vasthoudend ben ik wel, zo nodig met het geduld van een katachtig roofdier dat op zijn prooi loert: ik ben weinig toeschietelijk als het gaat om irritante taalfouten, of als ik mij erger aan de manier waarop wij allen door slinkse, infantiele reclame en asocial media worden besodemieterd en uitgebuit, of als ik dreig te worden meegezogen in modieuze, soms hufterige hypes waar velen als kippen zonder kop achteraan hollen, zoals bijvoorbeeld het wurgende en mensonwaardige neo-puritanisme.

Ook blijf ik mij met kracht verzetten tegen kwebbelboxen als whatsapp en twitter. Als je al meent iets de wereld kond te moeten doen, denk dan eerst eens rustig na over een passende en gepaste inhoud en over een daarbij behorende passende en gepaste taalvorm in hele, correcte, Nederlandse zinnen. Dus zonder kretologie en luchtbellen en beweringen waarvan je zelf de waarheid en werkelijkheid niet onomstotelijk kunt aantonen. Daarmee voorkom je oeverloos gezwets en zweefgezwatel en taalverloedering en vertrossing van ons denken. Veel berichten winnen aan kracht en informatieve waarde als je er eerst eens een nachtje over hebt geslapen. Soms wel twee.

En ik ben niet, in ieder geval niet meer, in de race om ongetwijfeld met goede bedoelingen verstrekte adviezen te aanhoren, al dan niet van medische zijde, die mij, voor mijn gezondheid en onbezorgde oude dag (vertel dat het ABP maar), achter de geraniums willen opbergen, mij van de genietingen des levens te laten beroven en mij op een dieet van worteltjes en sla als een konijn te laten vegeteren, mij 2x daags door de ADMR-dames op staatskosten te laten wekken, douchen, aankleden, die de vloer voor mij aanvegen, de kat te eten geven, wekelijks de vuilnisbak aan de stoeprand zetten en de 18 bellen als ik dat zelf niet meer kan of hoef. Evenmin, in ieder geval niet meer, om als een soort horecabedrijf jan en alleman hier gastvrij te onthalen die ‘toevallig’ en route toch net in de buurt is en zich ongevraagd een gratis diner, overnachting en ontbijt laat welgevallen. Ik ben geen sociale instelling. Net als met eten ben ik kieskeurig in mijn uitnodigingen en er zijn er genoeg die ik liefheb, met een sociale instelling.
Anderen kunnen terecht bij Au Lion d’Or = Au lit on dort of bij Het Hijgende Hert.

Waar ik mij verder mateloos aan erger of van walg:

  • honden;
  • bekrompen dorps- en boerenmentaliteit;
  • schurkenstaten als de USA en Israel en nog zo’n paar;
  • vis en kip (“geen veren en geen schubben“);
  • een automobiel van Japanse makelij (geldt voor mijn hele familie; zie het begin van mijn automobielshow);
  • ja zeggen en nee doen;
  • injecties;
  • de vernietiging van de PSP;
  • inhalende vrachtauto’s en caravans en sommiger mensen rijgedrag (niet uitsluitend vrouwen en bejaarden);
  • mensen die medelijden hebben met mensen die anders denken.

En valt er misschien dan ook nog wat positiefs te melden? Wel zeker:

  • van al mijn gezondheids-/ouderdomskwalen zijn er inmiddels enkele afdoende gerepareerd, andere onder controle en een paar nog te bevechten;
  • in 2019 zijn er in huis enorme stappen gezet met uiterlijk, comfort, isolatie en verwarming;
  • ook in 2019 belooft er een goede oogst aan te komen, kruiden, groenten, aardappelen, alleen wat minder fruit, schijnt het;
  • het aantal goede contacten dat ik heb en weet te onderhouden, met sommigen al meer dan 60 jaar lang, is uitermate bemoedigend;
  • dankzij mijn voortreffelijke camera heb ik hier in de buurt tussen 2017 en 2019 de schoonheid van het verval (“La beauté du délabrement“) in een fotoreeks kunnen vastleggen; gebouwen, landschappen, vervoer…; omdat het mp4-bestand van 8½ minuut te groot is, ± 265 Mb, heb ik het op youtube gezet. Bekijk het HIER, maar alleen op een groot scherm; op zo’n lullig minuscuul telefoonschermpje blijft er noch van de schoonheid, noch van het verval weinig over, en evenmin van de Vexations van Erik Satie die ik eronder heb gezet –  zonde van al het werk dat ik erin heb gestoken;
  • elke dag leer ik weer wat bij.

Voor de goede orde: reacties op dit artikel stel ik niet op prijs. Gelezen of ongelezen bereiken ze linea recta hun finale bestemming in het ronde archief. Ze worden hoe dan ook niet gepubliceerd.

Ik heb gezegd. Ik ga voor brons.

Fred van der Spek 1923-2017

Fred van der Spekt tijdens het PSP-congres te Utrecht 1985

Als je, na een zo hectisch, bewogen, onvermoeibaar en standvastig leven, bijna 94 jaar wordt, mag je dat met recht respectabel noemen. Ik heb het over Fred van der Spek, december 1923-november 2017, medeoprichter van de PSP in 1957, later Eerste- en Tweede-Kamerlid, tot de PSP op het congres in Wijk-aan-Zee in 1985 werd verkwanseld aan de verwaterde ideeën van wat later Groen Links zou worden. Hij vertrok, met zo’n 300 getrouwen, maar zijn idealen bleven rotsvast overeind.

Fred van der Spek (links) in debat met Marcus Bakker

Velen zullen zich Fred herinneren om zijn onwrikbare principes en ideeën, zijn uiterst gedegen geografische en politieke dossierkennis op zowat alle binnen- en buitenlandse terreinen, zijn onvermoeibare inzet voor het PSP-gedachtegoed, maar wellicht nog het meest om zijn scherpe discussies, in en buiten het Kamergebouw. Met, wellicht na en naast CPN-fractieleider Marcus Bakker, gold hij als de beste spreker in onze parlementaire geschiedenis, iets waarvan ik altijd zeer gecharmeerd ben geweest. Dat geldt voor beiden, overigens. Scherp, ter zake, goed onderbouwd, en vaak uiterst sardonisch en sarcastisch legde hij menig minister of andere politieke opponent het vuur aan de schenen.

Met Fred van der Spek op het PSP-congres te Utrecht 1985

Als PSP-lid van 1968 tot 1985 ben ik in de periode na 1975 steeds frequenter met Fred in contact geweest, aanvankelijk vanuit mijn bestuurswerk binnen het PSP-gewest Noord-Brabant. Nadat eind 1985 de PSP vanuit interne tegenstellingen de nek werd omgedraaid en Fred, uiteraard, want op persoon verkozen, zijn Kamerzetel behield tot de TK-verkiezingen van mei 1986, werd ik op het Binnenhof zijn secretaris. Gedurende die maanden heb ik erg veel van Fred geleerd, zowel op inhoudelijk terrein als in het verscherpen van argumentatie, en het verkiezen van principes boven gewin, noch persoonlijk, noch als het gaat om aantallen zetels. Fred wekte ook nooit de indruk dat hij zijn eigen belang voorop stelde; het ging niet om hem, maar om het uitdragen en verdedigen van zijn standpunten in de politieke arena die hij als platform beschouwde van de buitenparlementaire actie die voor de PSP steeds de basis van denken en handelen vormde. Een voorbeeld van zijn onbaatzuchtigheid was het feit dat hij het de afscheidsreceptie die wij in 1986 als fractiemedewerkers voor hem hadden georganiseerd in Nieuwspoort, resoluut van de hand wees. Hij zag er volstrekt niets in om zich door jan en alleman in de bloemetjes te laten zetten.

Door interne onenigheid werd het niets met de Partij voor Socialisme en Ontwapening, de logische opvolger van de PSP. Om het maar even kort samen te vatten: men was het grosso modo wel eens over waar men tegen was, maar niet over waar men vóór was. Persoonlijke wrevels deden vervolgens de rest, en Fred trok zijn kandidatuur voor het lijsttrekkerschap in. Ook pogingen om vanaf 1992 via PSP’92 opnieuw te worden verkozen, leidden tot niets: op geen enkel niveau werd bij opeenvolgende verkiezingen ook maar één zetel behaald.

Betekent dat, dat in de woorden van Fred zelf, met zijn dood het pacifistisch-socialisme in Nederland is uitgestorven? Electoraal gezien zou je denken van wel. Zelf ben ik minder pessimistisch. Er zijn voldoende tekenen herkenbaar van onvrede met het huidige nationale en mondiale bestel. Er lopen genoeg mensen rond die de aloude erfenis van de PSP nog in hun hart dragen, maar vooralsnog politiek dakloos zijn, of zich als meest nabije alternatief maar hebben aangesloten bij Groen Links of de SP.

Niemand is onmisbaar, maar met Fred hebben we wel een enorm boegbeeld verloren. Ik ben hem voor zijn inzet zeer dankbaar.

______________________________

Alle foto’s © Nationaal Archief

Joep Baartmans-van den Boogaard

Joep (3e van links) tijdens een toneelopvoering door de sectie Nederlands op het Elzendaalcollege te Boxmeer ±1980

Gisteren overleed op 77-jarige leeftijd mijn oud-collega Joep Baartmans-van den Boogaard (1939-2017). Naast haar docentschap-Nederlands aan het Elzendaalcollege in Boxmeer was zij politiek actief in Boxmeer en het provinciaal bestuur van Noord-Brabant in Den Bosch, waarna enkele functies als burgemeester volgden. Ik heb haar, in mijn Elzendaalperiode van 1973-1983 dagelijks meegemaakt en bewaar er warme herinneringen aan.

Als collega-Nederlands maakte zij op mij grote indruk. Enerzijds als vakvrouw, niet zozeer op taalkundegebied, maar bovenal op het terrein van de literatuur. Haar belezenheid was voor mij van een onhaalbaar niveau. Geen literair werk, of zij had het wel gelezen, Nederlands- of buitenlandstalig, iets waaraan ik nooit kon tippen. Dat had zijn onherroepelijke weerslag of haar visie op het wereldgebeuren, en dat moet zeker hebben meegespeeld bij haar besluit, al noemde zij dat onbedoeld, maar het was onontkoombaar, als politica. Eerst als PvdA-raadslid in Boxmeer, later als Statenlid in Den Bosch en gedeputeerde voor Cultuur, Onderwijs en Welzijn. Van 1995-2007 was ze (waarnemend) burgemeester van achtereenvolgens Heusden, Schijndel, Son en Breugel en het VVD-nest Vught.

Ik leerde haar als sectiegenoot-Nederlands kennen en waarderen als uiterst toegankelijk, vriendelijk, warm, bekwaam en oplossingsgericht collega. Dat was zij overigens niet alleen tegenover collega’s, maar ook tegenover leerlingen. Ik herinner me goed de vele tientallen mondelinge schoolonderzoeken Letterkunde voor HAVO- en VWO-leerlingen die wij, als examinator of assessor, samen afnamen en waarin zij moeiteloos al het mogelijke deed het beste uit leerlingen tevoorschijn te halen. Als nieuwbakken docent-Nederlands (1973) trof ik in haar ook een bijna moederfiguur bij wie ik altijd terecht kon om vragen van allerhande soort aan een goed antwoord te helpen. En in haar vaak principiële stellingname toonde zij zich zeer standvastig, iets wat mij bijzonder trof.

Toen zij eenmaal in de Boxmeerse gemeenteraad zitting had, kon ik haar stellingname steeds wel billijken, al was ik daarmee binnen de PSP-Land van Cuijk een van de weinigen. Ik snapte ook wel dat een vanouds KVP-bolwerk als Boxmeer niet op stel en sprong een socialistisch paradijs kon worden. Een discrepantie die haar man, Jacques Baartmans, eveneens PvdA-lid en ex-collega-Nederlands, mij ooit eens treffend verwoordde: “Als ik net als jij in Amsterdam woonde, zou ik PSP gestemd hebben“.

Na haar en mijn vertrek van het Elzendaalcollege ontmoette ik Joep nog maar zelden of nooit, vooral vanwege de geografische afstand. Maar de herinneringen bleven, zulks in positieve zin.

Ik hoop van harte dat Jacques en hun zoon Bart-Jan de kracht vinden hun leven zonder vrouw en moeder in gunstige zin te vervolgen.

____________________________

Nagekomen:

Medio januari 2018 kreeg ik nevenstaande groepsfoto van het Nijmeegs Studentencabaret uit 1961 toegestuurd, met Joep van den Boogaard, bovenste rij, tweede van rechts. Dank daarvoor.
De foto komt uit de collectie van Riet Lousberg.

 

 

Louis Grijp

Een kort eerbetoon aan Louis Grijp die op 9 januari 2016 overleed. Een man die het Nederlands muzikaal cultureel erfgoed bestudeerde, koesterde, toegankelijk en onvergetelijk maakte.
Ik heb met hem enkele malen contact gehad bij mijn zoektocht naar (de oorsprong van) de muziek van het Ignatiuslied. Opvallend waren enerzijds zijn grote kennis van het oude Nederlandse lied, anderzijds zijn bereidheid om daarover omslachtig en vakkundig te communiceren, hetgeen mij tot een herziene beschouwing noopte.

Wat blijft is zijn nalatenschap van de Nederlandse Liederenbank die voor velen een bron van kennis en muzikaal genoegen zal zijn. Een ook mijn dankbaarheid voor iemand die de openbaring daarvan voorop zag staan.

Het lied klinkt voort.

Frida Balk-Smit Duyzentkunst

Vandaag, bijna een maand na haar overlijden, publiceerde Peter de Waard in de Volkskrant een necrologie van Frida Balk-Smit Duyzentkunst (1929-2013). Wel wat laat, maar wellicht kwam haar overlijden toch nog onverwacht en had de redactie niets op de plank klaarliggen voor het geval dat. De necrologie is netjes en eervol, zij het wat afstandelijk van toonzetting. En niet erg compleet, maar dat is ook ondoenlijk na haar zo veelzijdige wetenschappelijke carrière. Als student Nederlands aan de UvA (1968-1973) heb ik veel met haar te maken gehad. Reden om wat aanvullende bespiegelingen aan de necrologie toe te voegen.

Frida was, in het roerige jaar 1968, de mentrix van de groep eerstejaars studenten waarvan ik deel uitmaakte. Ik herinner mij dat ze samen met ons het curriculum van de opleiding doornam, met wat daarvan in het eerste jaar aan bod zou komen. Op innemende, haast moederlijke toon wijdde ze ons in in wat ons op deze opleiding te wachten stond. Mijn verbazing was echter groot: had ik niet gekozen voor een opleiding Nederlands omdat op de middelbare school mijn opstellen bovenmodaal werden gewaardeerd en het inderdaad zo was dat ik graag non-fictie schreef, zoals ook nu nog? Hoe kon het dan zijn dat in het hele curriculum aan de UvA het onderdeel “creatief schrijven”, “opstellen schrijven”, “artikelen redigeren”, of hoe je het wilt noemen, in geen velden of wegen te bekennen viel? Ik vroeg het haar tijdens die inaugurale bijeenkomst.

De revolutie was nog niet tot in alle haarvaten doorgesiepeld. Wij werden nog met “u” aangesproken. Maar het was niet alleen dat, dat ervoor heeft gezorgd dat haar antwoord mij tot op de dag van vandaag is bijgebleven: “Mijnheer, als u denkt dat u een begenadigd schrijver bent, moet u een uitgever zoeken, maar niet hier komen studeren.”

Ik heb vervolgens een heerlijke en zinvolle studententijd gehad, deels ook door haar inzet en fascinerende bekwaamheid. Haar colleges close reading, uit een tekst halen wat er in zit, bezaten een onweerspreekbare overtuigingskracht. Met haar scherpe redeneerwijze wist zij Harry Mulisch danig van repliek te dienen toen die in zijn wetenschappelijk weinig hoogstaande pamflet Soep lepelen met een vork (1972) fulmineerde tegen spellingshervormers.

Of ik het helemaal scherp heb kunnen analyseren weet ik niet, maar zij wekte op mij de indruk dat ze, samen met haar collega’s, tevens mijn docenten Hugo Brandt Corstius en Herman Pleij bijvoorbeeld, geen uitgesproken exponenten waren binnen de richtingenstrijd die rond 1970 op de UvA in alle hevigheid losbarstte. De breuk die daarvan het gevolg was, met de traditionele oude garde van Hellinga en Lulofs aan de ene kant en de TGG-vernieuwers Kraak, Klooster, Van Dort en Verkuyl aan de andere kant, heb ik altijd in hoge mate betreurd. Binnen de wetenschap is elke nieuwe ontwikkeling schatplichtig aan oudere inzichten en verworvenheden. En ook al was en ben ik fervent aanhanger van het generatieve taalkundedenken (zinnen worden in ons hoofd opgebouwd, gegenereerd, niet afgebroken, ontleed), de hele TGG had nooit kunnen ontstaan als er niet het structuralisme aan voorafgegaan was, om maar een voorbeeld te noemen. En waarom Den Hertog als 19e-eeuws taalschoolmeester verguizen als diens scherpe grammaticale analyses niet tot op de dag van vandaag nog steeds uiterst waardevol blijken te zijn, niet op de laatste plaats voor het taalonderwijs? Ik ben dus ook altijd een ontleedbeest gebleven. Overigens vond ik niet dat Frida Balk de “beste”, “meest complete” of wat dan ook grammatica heeft geschreven. Peter de Waard noemt het “het standaardwerk”, maar ten eerste verzuimt hij de juiste titel te noemen: De woorden en hun zin; hij volstaat met de ondertitel Grammatica voor iedereen, terwijl juist de hoofdtitel zo prachtig homoniem is, typisch Balk. Verder haalt deze grammatica uit 1994 het qua omvang en diepgang niet bij die van Den Hertogs Nederlandsche Spraakkunst (3 delen; rond 1900), Van den Toorns Nederlandse Grammatica (laatste druk 1984), de ANS (1997) of Kloosters Grammatica van het hedendaags Nederlands (2001). Wel ben ik uitermate gecharmeerd van haar bijna furieuze inleiding (“… Geen wonder dat zoveel mensen met een recent vwo-diploma slecht lezen en schrijven en geen vreemde talen kennen, behoudens een beetje Engels. Dat komt door de waanideeën van modieuze onderwijshervormers. In recordtempo ontwierpen zij nieuwe vaagheid die uitmondde in het bureaucratisch terrorisme dat van het Nederlandse onderwijs een puinhoop heeft gemaakt. Of er sprake is van bewuste misleiding of van louter onbenul is moeilijk uit te maken,…”; p.7). Typisch Balk, wederom.

Bij mijn afstuderen was Frida Balk de voorzitter van de examencommissie waarbij zij, samen met Marjolein van Dort, mij in een mondelinge, niet geheel pro-formazitting nog enkele vragen stelde en raadgevingen meegaf. Haar laatste opmerking voordat ik het diploma kreeg uitgereikt was dat zij hoopte mij ooit nog eens binnen de taalwetenschap terug te kunnen zien. Ik heb dat ten dele waargemaakt, want die woorden bleven maar in mijn hoofd rondzingen. Het resulteerde erin dat ik, zij het pas tussen 1997 en 2003, aan een promotie-onderzoek heb gewerkt over voorzetsels o.a. in het Nederlands, Italiaans en Tsjechisch. Helaas was zij daarbij niet actief betrokken, wel Marjolein van Dort en Wim Klooster, als meelezers. En Henk Verkuyl trad op als promotor. Misschien speelde hier toch nog iets van de richtingenstrijd uit de zeventiger jaren mee; in ieder geval spijt het me dat ik haar aanmoediging bij mijn afstuderen niet met haar persoonlijk heb weten waar te maken.

Ook als blijk van waardering voor iemand wiens stimulerende invloed voor een groot deel steeds de sleutel is geweest en gebleven voor mijn interesse in taal en taalkunde. Ik blijf mij Frida met grote dank en bewondering herinneren.

_________________________

(De foto bovenaan is genomen uit Folia Civitatis van 28 oktober 1972, p.10, bij een recensie van haar inaugurale rede “Een referentiële identiteitskrisis“)