7 Sacramenten (1959-1966) – 4/7

Ik neem de klassen Gym-IB² t/m Gym-IIIB in één bericht bijeen. Niet omdat er zo weinig gebeurde – er gebeurde heel veel. Wel omdat al die gebeurtenissen zich redelijk als geheel laten beschouwen.

Ik groeide van puber tot puber. Zoiets doe je immers niet overnight of in een verloren weekend. Het bleef niet beperkt tot allerhande lichamelijke veranderingen, waarmee ik net als alle anderen in mijn uppie maar moest zien klaar te komen. Ik was ook al vrij snel in de overgang, van alt naar bas op het koor. En ik werd mij bewust van uitersten en van het feit dat je noodgedwongen meer dan één leven tegelijk leeft. Ik ging dus inzien dat ik een dubbelleven leidde.

Eerst maar even het uitgangspunt. Aan de kopse kant van het patershuis mochten wij jaarlijks opdraven voor het staatsieportret. Tableau de la troupe. Dit keer weet nagenoeg alle namen nog wel, met dank aan Huub Mous, die mijn geheugensteun in dezen is geweest. Het klassebestuur mocht ditmaal op de stoeltjes zitten: twee doubleurs en een NAVO-opperhoofd (dat zelf ook zou doubleren, maar dat nog even uitstelde tot III-Gym). Een enkele aanvulling en evt. correcties blijven zeer welkom. De foto dateert van het eerste trimester 60-61; Leo Reuser en Christiaan Verwer kwamen pas na kerstmis erbij in de klas.

1 Jaap de Hoop Scheffer 14 Michel van Overbeek
2 Nard Loonen 15 Filibert Kint
3 Hugo van den Hombergh 16 Pieter Haverman
4 Co Oud 17 Jan-Maarten Bremer (Latijn)
5 Kees Philips 18 Rob Goorhuis
6 Rob de Jong 19 Michel de Lange
7 Carlo Knüppe 20 Eugène van der Kamp
8 Hans Kraan 21 Leonard van Oudheusden
9 Loek Nijman 22 Arnold Reuser
10 Huub Mous 23 Kees van Rooijen
11 George Maissan 24 Jan Kniesmeijer
12 Mike Man 25 Wim Jordans
13 Rob Kupers  

Hoezo dubbelleven? Ik som maar eens een aantal opmerkelijke, en meestal ook wel hinderlijke tegenstellingen op.

  • Thuis was ik een nakomertje, dus veruit de jongste. Op school was ik in klas 1 t/m 3 na mijn zittenblijven veruit de klasseoudste.
  • Thuis was ik door de gezinssamenstelling eigenlijk altijd maar alleen (zonder dat toen heel erg te vinden). Op school begon ik me in het schoolse en buitenschoolse bestaan actief in te werken en maakte zo heel wat vriendjes (uiteraard zonder dat heel erg te vinden).
  • Ik voerde qua huiswerk en zo in feite nog steeds geen klap uit. De voorsprong die een zitteblijver altijd heeft, bezorgde mij zeker in klas Gym-IB en ook nog wel in Gym-IIB een basis waarop ik weer het ene rapportsucces na het andere kon boeken.
  • Zonder dat ik het nu exact kan preciseren was ik op sommige punten erg conservatief, op andere juist heel progressief. Iets met rechts en links, met braaf en stout, met defensief en aggressief.
  • Thuis had ik in zekere zin vijf moeders (mijn vier oudere zussen meegerekend). Op school waren geen moeders, laat staan meisjes. Dat was op de Lagere School trouwens ook al zo. Thuis leefde ik dus in een omgeving die in hoofdzaak feminine was, op school (en later in dienst ook nog) in een overduidelijke masculine cultuur.

Ik ga er wat dieper op in, want een en ander bleef niet zonder consequenties voor mij (en anderen).

Destijds was ik me er niet zo van bewust, geloof ik, maar het moet toch een hele klus zijn geweest om elke dag, op de fiets van huis naar school vv. die knop een halve slag om te gooien van kleintje naar oudste vv. Het heeft gevolgen voor je kleding, haardracht, uiterlijk tout court, je taalgebruik, je gedrag, je hele handelen, het actief of passief zijn, noem maar op. Uit je rol vallen was ongepast, zo niet gevaarlijk. Ik weet niet zo goed wat ik daarmee aan moet; in ieder geval kan ik het niet terugdraaien.

Veel alleen zijn in je jeugd heeft als voordel dat je leert alleen te zijn. Dat is meer dan een platitude of een open deur. Het brengt je verantwoordelijkheid bij voor je iegen doen en laten; het dwingt je tot het aanboren en cultiveren van brede interesses. Het noopt tot nadenken in plaats van anderen voor jou te laten beslissen. De nadelen ervan zijn eveneens evident: je dreigt een sociaal wrak te worden en je kunt je ego onvoldoende relativeren door het met dat van anderen te vergelijken. Ik denk dat ik van beide vruchten heb gesnoept en ik zal het er maar mee doen.

Ik geef er geen plaatje bij, maar de curve van mijn schoolprestaties van de tweede eerste klas t/m het eindexamen vormen in feite een rechte lijn omlaag. Maar het begin was zo hoog, dat ik aan het einde nog net genoeg overhield.

De Jezuïeten, prestatiebelust en als zij waren en daarom nimmer het competitie-element schuwend, loofden bij elke rapportuitreiking Rode en Zwarte Kaarten uit. De rode waren voor de beste van de klas in enig vak, de zwarte voor nummer twee. Brons bestond niet.

 

 

 

 

Bovendien kon je aan het einde van het jaar nog een Eervolle Vermelding verwerven, als je door het jaar heen constant goed was geweest in een bepaald vak. Maar die EV’s waren niet eens in het Latijn, dus daar viel niet echt veel eer aan te behalen. Ik heb heel wat van die kaarten vergaard. En om die competitie maar te koesteren: recentelijk nog heb ik van Michel en Huub de indruk gekregen dat zij de indruk hadden dat zij de meeste kaarten van de klas hadden verzameld. Dat staat nog te bezien. Zeker in de tweede eerste klas zal ik de strijd wel hebben gewonnen; daarna, en in het totaal van zes jaren, ben ik daar niet zeker van. Het toeval wil overigens dat ik zowel Huub als Michel graag die eer gun, want zij hoorden tot mijn binnenkring van vriendjes, en dat gevoel gaat nooit verloren.

Wat die vriendjes betreft: per saldo kan ik ze wegen naarmate ik er langer contact mee ben blijven houden. Dat geldt niet alleen Louis Levelt (familie van de De Ster, makelaar in koffi aan de Prins Hendrikkade) bij wie ik op de Lagere School in de klas zat, met wie ik oeverloos heb gestraatvoetbald (“putten”), en die ik nog regelmatig spreek, maar ook met enkele Ignatianen: Jaap, zij het in afnemende mate, maar in de schoolperiode kwamen wij zowat dagelijks bij elkaar over de vloer; Hugo, die ik af en toe nog spreek; Michel met wie ik recentelijk nog steeds contact heb; Huub en Hans die ik nog steeds met grote frequentie aan de telefoon of mail heb. Jammer dat het er niet meer zijn, maar je moet de tand des tijds en de geografische afstanden hun afkalvende werking maar laten doen. Ik tel, wederom, mijn zegeningen en, om een Russische wijsheid te koesteren: ik ben blij met wat ik heb in plaats van te zeuren over wat ik mis.

Non scolæ sed vitæ discimus, pueri. Dat was niet aan dovemansoren gezegd. Meer en meer ging ik mij richten op buitenschoolse activiteiten. Daarvoor kregen wij op school ook voluit de gelegenheid. Naast het koor, dat in toenemende mate mijn bezigheden ging bepalen, waren dat ook vele vormen van sport: een fietsenrally, handbal, volleybal, tennis, schaken en bovenal natuurlijk voetbal. En de culturele noot ontbrak ook niet. Eenmaal zelfs wist ik de hele klas bij ons thuis in de Lomanstraat over de vloer te krijgen voor een opvoering van De Menæchmi. Daarover heeft Huub een en ander op zijn weblog staan, inclusief foto’s. Kijk maar op http://www.huubmous.nl/2007/02/03/de-menaechmi/ voor meer info. Overigens, ik weet nog donders goed dat ik, klasseoudste, de rol van senex had. Daarvoor hoefde me ik dus helemaal niet te verkleden. Een Jaap, de krullenjongen, was parasiet die na afloop onze rommel mocht opruimen.

Sport in beeld. Er zullen altijd wel mensen zijn die de nostalgie willen opsnuiven. Een zevental foto’s als getuigen van een o zo gelukkig leven (en ik denk dat ik dat nog meen ook).
Volleybal op de cour. Ik sta daar te scheidsrechteren. Achter mij “bello”, Leonard van Oudheusden. Als je dat tegen hem zei, kreeg je een dreun. Rechts aan het net ontwaar ik Gerard Weesing. En zo aan zijn houding te zien staat op de achtergrond Co Oud in het doel een bal door te laten.

Fietsenrally 1962. Uitreiking tweede prijs door de immer enthousiaste Ed Seebregts. Achter hem, gelet op die strooien hoed, Piet Fontaine. De krasse fietsers: Filibert Kint, Arnold Reuser, Leo Reuser, Nard Loonen. Ik ben vergeten wat de prijs was. Een chocolade fietsbel misschien. In het Latijn.

Een volleybalwedstrijd in 1962. Co Oud staat achter de linker paal klaar om de bal op te vangen die ik als keeper ga doorlaten. Maar dat was niet zo: die bal ging er niet in. Misschien klapt Co wel voor de knappe redding. Rechts naast de rechter paal Arnold Reuser. De andere personen herken ik niet.

 Ik meen dat het Jaap was (die op tannis zat) die bedacht dat we dat ook maar eens moesten gaan doen. Ik was alleen maar goed in kathedraaltennis (de gotische variant: alle ballen zo hoog mogelijk opdat ze over het net belanden). Staande: Nard Loonen, Michel de Lange, Carlo Knüppe; zittend: Leo Reuser, Jaap de Hoop Scheffer, Huub Mous, Hugo van den Hombergh en Loek Nijman (die er echt weer eens goed zin in had, zo te zien; met Hugo gaat het prima verder).

Ook al in 1962: een prima klasse-handbalteam. Ik geef het je te doen als tegenstander. Staande vanaf links: Leonard van Oudheusden (het kanon; die kon je maar beter in je team hebben dan als tegenstander, want dan had die keeper ongetwijfeld gekneusde polsen na afloop; of een trauma; of beide), Co Oud (altijd vrolijk en nuchter), Arnold Reuser (altijd de beste in gymnastiek), George Maissant (niet tegenop te spelen), Michel de Lange, Nard Loonen. Vooraan: Jan Kniesmeijer, Hugo van den Hombergh (die het goed vond dat ik ook eens keepte), Leo Reuser, Carlo Knüppe.

Het klopt: een groot deel van mijn schoolleven speelde zich af op de velden van R.K.A.V.I.C. Hier het klasse-elftal van Gym IIIB dat de ongelijke strijd aanging met Gym IIB en dus met 7-3 won. We zien achteraan van links af: Carlo Knüppe, Loek Nijman, Arnold Reuser, de zwarte panter Hugo van den Hombergh, Michel van Overbeek en Jaap de Hoop Scheffer. Gehurkt de productieve voorhoede met Hans Kraan, Huub Mous, Leo Reuser, Filibert Kint en Nard Loonen.


Ter afsluiting van dit sportieve uitstapje een solo’tje. Pater Zaat, de hoffotograaf van het IG, vroeg mij bij het Luilaktoernooi op 28 mei 1966 (mijn eindexamenjaar dus) om voor zijn camera te poseren. Geen punt natuurlijk. Het zou ook de laatste foto zijn die hij van mij maakte, tevens jammer genoeg de enige die hij mij ooit heeft gegeven om te bewaren. Al die andere heb ik proberen te achterhalen, maar dat heeft tot nu toe niks opgeleverd.

 

 

Het schooljaar 1962-1963 was voor Gym-IIIB een rampjaar. Ik denk dat het dat ook in IIIA en IIIC was. Ik overdrijf, maar niet heel veel: zo ongeveer de helft van de nog maar 17 leerlingen bleef zitten. Laten de psycho- en pedagogen zich er maar over buigen. Ik herinner me dat daarbij een (bescheiden?) rol speelde dat je dan al zo lang op school zit en beseft dat je nog zo lang moet. Dat vreet aan de motivatie en het uithoudingsvermogen. Maar er zal vast wel veel meer hebben gespeeld.
Ik kwam wonder boven wonder ongedeerd, zonder ook maar één onvoldoende, uit het slagveld tevoorschijn. Dat is te zeggen: op school. Thuis was het andere koek. Met een niet te weerspreken, maar niettemin erg rechtlijnige redenering had mijn vader geconstateerd, dat als de neergang van kerst- naar paasrapport zich zou voortzetten, ik dat jaar opnieuw zou doubleren. En of ik dus maar weer eens mee naar de kelder wou gaan, om daar in een niet al te charmante pose voor hem staande te moeten vernemen dat hij mij in dat geval van school zou nemen en naar de leerlooiersschool of banketbakkerschool zou sturen. Ik wist van meet af aan waar deze nutteloze preek op zou uitdraaien: om mij exta te overtuigen sloot hij zijn monoloog af met een bovenmodaal hard pak slaag op mijn blote kont. Wat moet hij daarbij voor ogen hebben gehad, letterlijk en figuurlijk? Het was overigens wel de laatste keer dat hij mij zo behandelde – ik was tenslotte al 16½. Achteraf snap ik niet dat ik dat toen heb gepikt. Niet vanwege de pijn, die gaat wel over. Maar vanwege de schaamte en de vernedering. Het zal wel het conservatieve Nardje zijn geweest dat zo braaf en gezagsgetrouw was. Het progressieve Nardje had zich niet zo in zijn hemd laten zetten, of nog net iets minder.
Een en ander bleef niet zonder consequenties, schreef ik hierboven al. Voor mijzelf is deze gebeurtenis een keerpunt geweest dat al dan niet toevallig samenviel met de overgang van klas I-III naar IV-VI. Ik ging mij terugtrekken. Thuis, heel sterk: zo veel mogelijk alleen zijn. Op school, waar ik me allengs in al mijn activiteiten ging beperken tot het koor. Voetballen deed ik alleen nog maar op VIC, in de B- en A-junioren. Ik organiseerde verder niks meer. Vanaf de vierde klas waren alle klassen  ook anders samengesteld, ofwel door hergroepering, ofwel door de onvermijdelijke splitsing in α en β. Nieuwe vriendjes kwamen er niet meer bij. Sommige van de oude vriendjes waren van school verdwenen, andere bleven, zoals Michel, Huub, Leo, Hans en Jaap. Het kringetje werd kleiner en kleiner. De lol was er voortaan af.

 

 

7 Sacramenten (1959-1966) – 5/7

De lol was er voortaan af, schreef ik aan het einde van mijn vorige bericht. Dat klopt ook wel, maar het betekende niet dat ik helemaal niks meer ondernam.
Bovenal was er het koor, waar ik helemaal aan verslingerd raakte. Het levert nu een aparte bijdrage op. Naar er waren mog minstens twee memorabele activiteiten: de fietstocht door Engeland en mijn poging een schooljaar in te lopen.

Laat ik maar positief beginnen. In 1964, ik zat in Gym IV-a, kwam ik op het lumineuze idee om met een paar lieve vriendjes een fietstocht door Zuid-Engeland te gaan maken. Ik ben zoals ik ben: ik stippelde een hele route uit, vanaf Dover langs de kust  met Hastings (1066) naar Chichester en Winchester, dan via Stonehenge naar boven en over Oxford en London terug naar Dover. Alles bij elkaar rond de1200 km in 23 dagen. Ik ben zoals ik ben, dus dat plakboek heb ik nog en ook de routebeschrijving, uitgetikt op een Underwood mitrailleursnest op flinterdun papier met carbonnetjes ertussen zodat je in één klap 5 exemplaren had. Omdat we in jeugdherbergen verbleven, die je ruim tevoren moest reserveren, lagen data en route vast, reden ook dat alle betrokken ouders helemaal gerustgesteld waren en hun toestemming gaven.
Wie waren de gelukkigen die met mij mee gingen? Vanaf rechts op de foto vlak voor ons vertrek:
Carlo: Altijd rustig en een bindende factor in de groep.
Hans: Altijd goed voor de vrolijke noot. Nu nog steeds trouwens. Zo presteerde hij het, zoon van een fietsenmaker, om al op de eerste dag ergens in de buurt van Dordrecht de voorvork van zijn fiets te breken. Is stante pede bij een plaatselijke smid gelast, zodat we weer verder konden.
Leo: Gaaf jong. Ik geloof niet dat er iemand was die ook maar ooit iets tegen hem had of kon hebben.
Hugo: Tot hem was ik, nadat we samen waren blijven zitten in Gym-IB, min of meer veroordeeld. Ik bedoel dat niet negatief, het was meer een soort broederschap en we hebben jaren lang heel veel met elkaar opgetrokken, ook bij hem en mij thuis.

Bij de voorbereiding van de reis was ook Ted de Cloet betrokken, ons aller leraar Engels. Hij had mij (ons?) bij hem thuis zelfs geadviseerd omtrent de route en bezienswaardigheden en voor ons vertrek kregen we van hem zowaar een briefje van £ 1/0/0 (een heel Brits Pond) mee ter aanmoediging en besteding. Bedenk dat dat destijds een waarde van meer dan ƒ 10,= vertegenwoordigde.

Mijn herinnering zegt mij dat het een heerlijke en geslaagde vakantie was, maar de andere vier moeten dat in een reactie maar beamen of weerspreken.

Project nummer twee was een solo-actie en tevens minder succesvol. Ik heb al eerder vermeld dat het mijn vader dwars zat dat ik geen uitstel van militaire dienst zou kunnen krijgen omdat ik eindexamen zou doen in het jaar waarin ik 20 werd. Hij kwam met een geweldig plan: in Culemborg was het door paters Augustijnen gerunde Nederlands Schriftelijk Studiecentrum. Een soort voorloper van wat we nu kennen als LOI of PBNA. Je kon daar, net als nu nog bij Luzac, “2 jaar in 1” doen, dus het rekensommetje was gauw gemaakt: als ik op het IG Gym-V deed en daarnaast bij het NSSC V en VI in datzelfde jaar, kon ik een jaar eerder klaar zijn. We gingen er samen naartoe om een kijkje te nemen, het contract werd getekend en ik bouwde op mijn kamer een apart kastje met allemaal verticale schotjes om het schriftelijke materiaal ordelijk in te bewaren.

Op het IG (ik was daar niet bij betrokken, dat regelde mijn vader) zullen ze er niet blij mee zijn geweest, shoppen bij de concurrent. Maar ze konden hem niet tegenhouden; hooguit hadden ze mij van school kunnen trappen wegens “ongeoorloofde nevenactiviteiten” of zoiets. Er waren leerlingen voor minder van school gestuurd (luiheid bijvoorbeeld!). Mijn schatting was dat ik het, met de steun van familieleden, wel zou trekken, zeker de ß-vakken en de moderne talen. Alleen voor Latijn en Grieks was ik beducht. Dat werd opgelost doordat Jan-Maarten Bremer S.J. zich bereid verklaarde geheel belangeloos mij van tijd tot tijd te assisteren. Een werkelijk genereus gebaar van hem, waarvan ik ook gretig gebruik heb gemaakt. Verder was met school afgesproken dat het in de docentenkamer bekend werd gemaakt, maar dat het ook binnen die muren zou blijven. Geen rumor naar buiten toe, geen slapende honden, &c. Logisch en geheel in orde.

Ik deed heel erg mijn best en de start, al in de grote vakantie tussen klas IV en V, was voortvarend. Ik geloof dat ik nog nooit zo veel tijd aan mijn huiswerk had besteed. Maar een tweetal zware klappen gooiden zand en suiker in de tank.

De eerste werd me uitgedeeld door Louis Lorié S.J. Ik weet het nog goed: we hadden Latijn in het hoofdgebouw, oude vleugel, eerste verdieping, einde van de gang links. Ik zal wel een of ander dom antwoord hebben gegeven, waarop hij snerpend de klas in riep, met de voor hem zo kenmerkende grijns om de lippen en zelfgenoegzame pretoogjes achter zijn +12-bril: “O, en jij wou nog wel eindexamen doen dit jaar!”

In een bevroren pose reageerde ik niet; van binnen kookte ik. Hij had de code doorbroken, en net als bij de meeste van zijn geweldige grappen ging dat natuurlijk weer ten koste van een van zijn leerlingen. Zelden heb ik iemand zo gehaat als hem op dat moment.

Na afloop van die les liepen we over de gang naar de cour. Michel kwam vlak naast me lopen en vroeg zachtjes: “Wat bedoelde hij daarmee?” “Ach, niks”, zei ik. “Die man is gek.” Ik was nog steeds te zeer van mijn stuk om er een serieus gesprek over te beginnen. Ook later niet. Dat is wel jammer, want hij bood me werkelijk een opening. En tot op de dag van vandaag ben ik Michel innig dankbaar dat hij zich op zo’n precair moment om mij heeft willen bekommeren. Ik bracht hem dit voorval nog in herinnering via de mail in juli 2007, waarop hij reageerde: De Lorié-stoot: goed dat ik je daar mee heb kunnen helpen, hoewel ik me het moment niet meer voor de geest kan halen. Fijn dat ik je met mijn belangstelling toen even uit de shit heb kunnen helpen. Lorié was een valse pater, een slecht mens, hield van sarren en kleineren, kortom, een gefrustreerd wezen. Wijs mij een deur, en ik garandeer je dat Michel en ik daar ook nu nog samen doorheen kunnen.

De tweede klap kwam in de kerstvakantie eind 1964. Al deed ik nog zo mijn best, het lukte niet. De waarderingen voor mijn ingestuurde huiswerk liepen achteruit, ik kon het vereiste tempo niet meer volhouden, waardoor er te veel in de fraaie schapjes bleef steken. Mijn vader zag dat ook wel in. En omdat ik vermoed dat er in termijnen betaald moest worden, zette hij het project stop, om niet nog meer geld in tranen te moeten zien oplossen.

Ik bleef dus braaf een gewone volbloed Ignatiaan, ging over naar de zesde en slaagde uiteindelijk met twee kletsnatte hakken over de sloot: met vier 5-en. Hoe je dat flikt? Destijds, toen er nog geen Mammoet was, stond het in de kleitabletjes geschreven dat het eindexamen was onderverdeeld in groepen. Bepalend voor slagen, zakken of herexamen waren de gemiddelden binnen één groep. Ik had het keurig voor elkaar:

  • groep Nederlands: 8-8-8 ; gemiddelde 8
  • groep Latijn-Grieks: 6-5 ; gemiddelde 6
  • groep Frans-Duits-Engels: 7-7-5 ; gemiddelde 6⅓
  • groep wiskunde  (algebra, gonio, stereo): 5-6-7 ; gemiddelde 6
  • groep NSB-vakken (nat., scheik., biol.): 5-6-7 ; gemiddelde 6

Je kunt dus ook zeggen dat ik slaagde met geen een onvoldoende. En ik kon op naar het grote leven.
Het blijft een a-von-tuur, met ingespannen streven, met plichten zwaar en duur.

 

 

 

 

7 Sacramenten (1959-1966) – 6/7

Het is puur geluk dat ik net in de goede periode (1959-1966) op het IG en het schoolkoor zat. Het was de revolutionaire omwenteling van Latijn naar volkstaalliturgie, van besloten naar open, van uittredende en al dan niet trouwende Jezuïeten, van Mgr. Bekkers en Vaticanum-II. En voor mij bleef dit allemaal behapbaar op tonen van gezang.

Het begon in 1959 nog wel zo klassiek: een mis van Perosi (ben vergeten welke precies), muziek van Buxtehude, Schütz (“Da Jesu an dem Kreuze stund”) en Mozart (“D’Bäurin hat d’Katz verlor’n”) en heel af en toe iets Engels of Nederlands daarnaast, waaronder een complete Johannespassie.
Het eerste hoogtepunt dat ik beleefde, was een opname voor een heus singletje “Ambrozijn en Groggelgijn” dat werd opgenomen ten bate van “scholen op de Libanon”.
OP DE Libanon.
OP: alsof de Libanon een paramilitaire missiepost was, een soort Kamp Holland, in plaats van een land.
DE: alsof Libanon geen onafhankelijke staat was, maar dat was het sinds 1943 wel: het was daarvoor een Frans mandaat, en dan krijg je dat lidwoord, net als bij DE (Belgische) Congo en DE (Sovjet) Ukraïne. Maar goed, (neo-)koloniale en missietradities laten zich niet zomaar uitroeien.
En om die arme schoolkindjes in de Libanese schoolbankjes een beetje te helpen, gingen wij zingen en een 45-toerenplaatje verkopen.
En kroketten. Of waren het croquetten? Ik had nog nooit zo’n ding gegeten; het kwam bij ons thuis niet voor op de postkoloniale Nederlandsch-Indische menukaart. Voor ƒ 0,25 waagde ik mij eraan, en nu nog steeds proef ik die eerste croquette mijns levens. Daarna oeverloos veel gegeten. Bij de FeBo, ook voor een kwartje uit de muur, maar die waren minder lekker.
Op het singletje “Ambrozijn en Groggelgijn” stonden wel vijf nummers bijeengeperst: op kant A “Het lied van de uittocht” met Bernard Huijbers als baritonsolo (“Toen Israël uit Egypte trok…”; trokken ze maar uit de Libanon, dacht ik een kwart eeuw later) en “Het lied van de wederkomst”. Op kant B “Het lied van de wijnstok”, de niet-vertaalde spiritual “Live a-humble”, en dan eindelijk, omdat er nog plek op het vinyl over was, “Muzeldicht”.

(Spreekt na afloop van de opnamen de oude pater Minderop mij aan: “Heb je dat goed gehoord, Nardje, dat je humble moet leven! Humble!”)

Al die kerkelijke liederen waren natuurlijk onvermijdelijk; het project moest immers vooralsnog worden gefinancierd door de school. En Jezuïeten kunnen dan wel centen hebben, maar als het op uitgeven aankomt, kijken ze wel uit. Dat is oorzaak en gevolg tegelijk, uiteraard.
Voor ons als koorleden waren het verplichte nummertjes waar we niet moeilijk over deden. Die spiritual bracht de stemming er wel goed in, maar het toppunt was toch echt dat Muzeldicht. Het hardnekkige verhaal gaat dat Pieter Nieuwint die tekst, zie de achterkant van het hoesje hierboven, had geschreven toen hij op III-Gym zich tijdens een les Latijn stierlijk zat te vervelen. Se non è vero…
Mocht iemand heel erg geïnteresseerd zijn: ik heb nog de vierstemmige partituur met pianobegeleiding liggen in Huijbers’ handschrift. Gescand heb ik die foliobladen nog niet, maar bij leven en welzijn, en voor twee croquetten, wil ik dat wel doen.

In die eerste jaren dat ik er deel van uitmaakte, was het koor een grootse eenheid van 30 sopranen, alten, bassen en tenoren, 120 man sterk dus, bij uitvoeringen dan ook nog vaak in samenspel met het niet onverdienstelijke schoolorkest. In ’n Eeuw IG staat deze prachtfoto van Louis van Paridon. Hoe langer ik ernaar kijk, hoe meer ik me daar nog zie staan op die veel te kleine koorvloer boven-achterin de kapel. De ruimte was zo krap, dat de bassen (rechts) zelfs nog achter de manualen van het orgel moesten plaatsnemen. Midden voor staat dirigent Bernard Huijbers, op de rug gezien. Vlak voor hem zit orkestleider Ted de Cloet. Verder herken ik mezelf, rechts bij de alten in mijn rood-geruite kiel met rechts naast mij Hugo van den Hombergh. Bij de sopranen, links, Michel van Overbeek in zijn ook al rode, gestreepte trui en links van hem Huub Mous met lichtgrijze stropdas. Is het jullie ook opgevallen dat al deze vier klasgenoten dezelfde kleding aan hebben als op de klassefoto 1960-1961 in een eerder Sacramentsbericht op deze weblog? Misschien is die klassefoto wel genomen op dezelfde septemberdag als de koorfoto hierboven. Want wij hadden heus wel nog meer kleren in de kast liggen.

De jaren gingen voorbij en de tandem Oosterhuis-Huijbers bleek niet meer te stoppen, tot verdriet van sommige paters op het IG, tot vreugd van vele anderen. Nog voordat Rome de altaren 180° had laten omdraaien en de liturgie had vervolkstaald, deden wij in de IG-kapel allang niets anders meer. Wij hadden collectief het gevoel dat we, althans in de liturgische beweging, voor de troepen uit marcheerden. Dat het ging rommelen binnen de orde (met Oosterhuis, Vrijburg, Van Kilsdonk, Huijbers &c.) vonden wij een min of meer logisch en geaccepteerd uitvloeisel daarvan.

Binnen de veilige muren aan de Hobbemakade, voornamelijk in die magnifieke grote kapel, maar en petit comité ook wel eens in de huiskapel in het patershuis, draaiden wij onze gezongen missen. Buiten de deur werd de Studentenekklesia steeds prominenter, met vooral Huub Oosterhuis en Jan van Kilsdonk als roer- en voorgangers aan het Amstelveld, en met Antoine Oomen als uiterst betrouwbaar organist/pianist. De liedproductie van het duo Huijbers-Oosterhuis was overstelpend, werd ook een waar exportartikel binnen en buiten Nederland, maar toch werden vanaf 1964, zo ongeveer, de eerste barstjes zichtbaar, iets wat mij niet geruststelde, maar niettemin onvermijdelijk bleek. Uiteindelijk zou dat tot een soort van breuk leiden tussen beiden, althans op religieus vlak (Bernard Huijbers werd zo goed als atheïstisch), maar veel minder op persoonlijk vlak. Bernards vrouw, Annelou Koens, vertelde mij vlak na zijn dood in 2003, dat hij kort daarvoor nog een lang, ontroerend telefoongesprek met Huub Oosterhuis had gevoerd – tegelijk een afscheid en een vriendschapsbetoon. Ten bewijze hier het Laatste lied dat Huub schreef en dat Bernard nog wist te toonzetten, mij door Annelou toegestuurd in december 2003:

Ook het koor ging veranderen. Niet alleen werd het in de jaren na 1964 een gemengd koor, met aanvulling van meisjes van Fons Vitæ, zodat het koor verder door het leven ging als het Fons- en Igkoor, maar ook gebeurde er in 1964 of 1965 iets waarvan Bernard Huijbers tot aan zijn dood is blijven roepen tegen wie het horen wilde of niet dat ik het was die dat heeft veroorzaakt. Wat had ik op mijn geweten?

Het geviel op een dag dat ik werd benaderd door een aalmoezenier die onder andere diensten verzorgde in de Huizen van Bewaring bij het Haarlemmermeerstation en aan het Kleine Gartmanplantsoen, met de vraag of wij niet met een paar man op een zondag bij zo’n dienst wilden komen zingen. Mij leek dat wel wat, maar ik zag vooralsnog geen mogelijkheid tot praktische uitvoering. Ik zat, mijn denken zat zo ingesloten binnen de IG-muren dat ik elke uitbraak voelde als een vergrijp en regelrecht verraad. Maar het avontuur lonkte en ik pleegde in ’t geniep overleg met Eddy Poelman, die twee klassen onder mij zat en ook heel actief was binnen het koor. Ook benaderde ik Thom Jansen en Theo Spook die als organisten al geruime tijd hun sporen hadden verdiend bij de diverse liturgievieringen. Met nog een paar, maar er schieten mij nu geen namen te binnen, ontstond er zo een uiterst subversief groepje dat de klus wel aandurfde. Tijd hadden we wel, op zondagochtend om 10 uur of zo, want voetballen deden we op zaterdag en Eddy hoefde toen nog niet met de NOS-microfoon de tribunes op.
Nog één horde was er te nemen: hoe kwamen we aan zangbundels voor het koor en het volk in de kerk? Hoe ik het heb gedurfd, snap ik nog steeds niet, maar tientallen keren ben ik op een vrijdag of zaterdag het patershuis binnengeslopen en heb de benodigde bundels en partituren tijdelijk gejat, ervoor zorgend dat ze zondagavond of maandagochtend heel vroeg weer keurig op hun plek terug lagen. Nooit betrapt.
Die diensten in het HvB waren ervaringen op zich. We stonden, veilig afgezonderd van al die voorlopig vastzittende criminelen (in mijn herinnering voor 95% donker gekleurden, maar pin me er niet op vast), met een man of 8 tot 12, een organist en ik als dirigent ons repertoire ten gehore te brengen. Echte volkszang werd het niet, maar, zo vertrouwde de aalmoezenier ons herhaaldelijk toe, die gedetineerden waren o zo blij dat ze op zondag even extra uit hun cel konden om naar de mis te gaan.
Na verloop van enige maanden kreeg ik het toch wel te benauwd: dit móest een keer uitkomen en dan had ik het allemaal op mijn geweten. Er waren intussen al zo veel Ignatianen bij dit ongepermitteerde gedoe betrokken, dat ik het ergste begon te vrezen. En zoals een kind loert op het geschiktste moment om van zijn ouders een ijsje los te weten te peuteren, stapte ik op een dag de kamer van Bernard Huijbers binnen, trok mijn humbleste gezicht (dat woord had ik goddank onthouden!) en biechtte schuldbewust het hele verhaal op.
Zijn pijp viel uit zijn mond van verbazing. En waar ik er toch ernstig rekening mee had gehouden dat ik nu standrechtelijk onthoofd, ontmand of op z’n minst van school getrapt zou worden, deelde hij mij welhaast extatisch mee dat dit het beste was wat de volkstaalliturgie in deze tijd kon gebruiken: weg van het IG, de muren gesloopt, de wijde wereld in. Hij ging in datzelfde gesprek zelfs zo ver, dat hij mij bijna bedeesd vroeg of hij er ook een keer bij mocht zijn – dan mocht ik nog wel blijven dirigeren.
We hebben wat afgelachen in ons kleine subversieve clubje. Maar wel is het zo dat toen in rap tempo de hele beweging in groter formaat zich ging verplaatsen naar de Thomaskerk (Rijnstraat) en niet veel later, met de geestdriftige medewerking van Wim Tepe, naar de Dominicuskerk aan de Spuistraat. Daar kun je, meen ik, nu nog steeds terecht om te horen wat al schoons er uit dit penitentiair uitbraakje is ontsproten.
Daar ook was het dat ik, met nog enkele anderen, van Bernard Huijbers een tijd lang gratis een dirigentencursus heb gekregen. Als dank voor bewezen Diensten, zal ik maar zeggen.

 

 

7 Sacramenten (1959-1966) – 7/7

Het wordt in dit zevende en laatste Sacramantsbericht tijd voor de finale afrekening. Niet zo zalvend als het Heilig Oliesel, maar meer een balans met zware gewichten “ter rechter en ter luchter side”. Uiterst subjectief, zoals alles van mij in deze weblog. Zoals het in mijn hoofd zit. Zoals het hoort.

Laat ik maar weer positief beginnen: ik heb het St.-Ignatiuscollege tussen 1959 en 1966 ervaren als een zeer goede school, misschien wel een van de beste van Nederland. Ik heb er uitermate veel geleerd, niet alleen in de achttien vakken die mij werden onderwezen, maar ook van de vormende, geestelijke ontwikkeling die ons werd bijgebracht, zo niet ingeslepen, en de vele mogelijkheden om je ook buitenschools te bekwamen en verrijken, variërend van liturgische muziek tot ordinair voetbal. Ik heb er een aantal zeer goede contacten aan overgehouden, zowel met (ex-)docenten als met (ex-)klasgenoten. Het IG heeft voor vele procenten de mens gemaakt die ik daarna bleek te zijn en nog ben.

Dat niet alles daarvan positief te noemen is, wil ik met nadruk in eerste instantie op het bord leggen van mijn eigen verantwoordelijkheid. Ik kan niet zo veel IG-invloeden noemen waarvan valt te beweren dat ze mij hebben misvormd.

Hieronder zal ik, in navolging eigenlijk van wat ik op de weblog van Jos Heitmann aantrof, een aantal van mijn ex-docenten en enkele andere paters aan een eindoordeel onderwerpen. Ik wijk daarbij wat af van zijn inhoud en werkwijze: hij zat op de HBS en had dus met veel anderen te maken dan ik, maar bovendien is hij over het algemeen voortdurend gematigd tot zeer positief. Ik betoon mij veel zwart-witter, want zo ben ik. Voor sommige besprokenen geldt dan ook, dat (om maar eens een gruwelijke stijlfout te hanteren) als ze nog leefden, zij zich zouden omdraaien in hun graf. Leg er je eigen oordeel maar naast, het mijne zal er niet wezenlijk door veranderen.

Ik heb me beperkt tot een achttiental personen. Er liepen er natuurlijk veel meer rond, maar de eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat die voor mij terecht zijn gekomen in een grote, grijze middenmoot; prima docenten ongetwijfeld, maar in mijn geval niet imposant genoeg, en zij brengen mij ook geen smeuïge details in herinnering die ik jullie niet zou willen onthouden. Een enkeling komt bovendien al aan de orde in eerdere Sacramentsberichten. Ik noem er een aantal op als voorbeeld:

Wim Bennink S.J. (Nederlands)(Den Haag 1920-Nijmegen 2000)
Jan Brinkhoff S.J. (Duits)(Nijmegen1912-Nijmegen 1996)
Paul Dresen S.J. (Maastricht 1919-Nijmegen 1991)
Nol Janssen S.J. (Nederlands)(Weert 1924-Helmond 2009), uitgetreden 1966
Wim van der Lee S.J. (biologie)(Amsterdam 1925-Nijmegen 2014)
Dionysius (Nies) vanLier S.J. (geb. Roggel 1925), woont nog in Heythuysen
Jan Mooijman S.J. (Engels)(Stompwijk 1915-Nijmegen 2003)
Huub Oosterhuis S.J. (geb. Amsterdam 1933), uitgetreden 1969, woont nog in Amsterdam
Kees Wessels S.J. (Helmond 1880-Maastricht 1964)
Ton Wiewel S.J. (natuurkunde)(Amsterdam 1925-Nijmegen 1997)
Hans Wilting S.J. (geb. Pengkalan Brandan, Indonesia 1932), woont nog in Nijmegen

Maar voor ik aan die eindlijst begin, nog eerst even twee andere memorabilia.

Het eerste is de onuitwisbare herinnering aan het misdienaar zijn op het IG. Je moest, of mocht, of kon, bij toerbeurt misdienaar zijn bij een van de vele missen die er uiteraard dagelijks werden gelezen. Dan moest je wel eerder op school zijn, maar daar stond vaak wat tegenover, zo niet diezelfde dag, dan ongetwijfeld in het hiernamaals. Voor mij was het echter niet de vrome bijgedachte die mij in de superplie deed glijden. Wat mij bijstaat, was dat het een voortdurende competitie met de anderen was, wie er het eerste klaar was met de mis. Waarschijnlijk waren het nog niet gewijde paters die dagelijks bepaalden wie bij wie moest dienen, waarna zij met een zak vol tennisballen op de cour moesten gaan surveilleren. Alleen eersteklassers mochten met een tennisbal op het geasfalteerde middenterrein ballen, de grote jongens mochten alleen mediterende rondjes lopen rond de cour, en zulks uitsluitend linksom, net als op de atletiekbaan of bij het langebaanschaatsen. De dictatuur van de rechtshandigen dus.
Die misdienaarsbeurten werden volgens mij wel eerlijk verdeeld, zodat je niet dag na dag de klos was. Een beetje mis duurde tegen de 25 minuten. Had je geluk, bijvoorbeeld bij Zaat of Lorié, dan was je in een kwartier klaar. Ooit heb ik een record van 13 minuten geklokt. Had je pech, dan werd je verbannen naar boven in het patershuis om pater Wessels van dienst te zijn, die er standaard meer dan 35 minuten voor nodig had. Slaapverwekkend.
Ik herinner mij nog goed de triomfantelijke blik waarmee je, komend van een van de zijaltaren van die geweldig mooie kapel, hierboven met koor en orkest, oogcontact zocht met de zich verbijtende klasgenoot die op een van de andere altaren nog bezig was de consecratie met een rinkelbelletje aan te kondigen voor een niet aanwezig publiek. Had je hem even mooi met 5 à 7 minuten verslagen die dag!
En dan verder: als het even meezat, in de sacristie wachten tot de anderen weg zijn en dan gauw een stuk of 10 van die kleine hosties in je mond proppen. Niet van die tegenwoordige dikke volkorenhosties, maar die lekkere ouwe witte van ouwel. Had je veel geluk en lef, dan deed je het met een of twee van die grote hosties, maar die waren er niet zoveel voorhanden. De ampullen leegdrinken, vooral die met miswijn, was tamelijk riskant, want dat zouden ze wellicht gaan ruiken in de eerste les.

Heilige, veilige haven
Het tweede memorabilium is een vandaag de dag onontkoombare.

In ’n Eeuw IG (1995) staat op blz. 13 een citaat van Midas Dekker: “Jezuïeten staan erom bekend heel goed op het randje te kunnen manoeuvreren… Zij gingen bij mijn weten dus nooit over de schreef, in tegenstelling tot de paters franciscanen, waar we iedere zondag naar de mis gingen en die hun handen níet konden thuis houden…”. Ik vind het oneerlijk om nu de franciscanen alle schuld in de schoenen te schuiven. Waarom niet dan ook de Salesianen, of gewone seculieren, of voor mijn part bisschop Gijsen? Erger nog is dat het niet aannemelijk is dat Dekker gelijk heeft. Zelfs de eenvoudigste wetten der kansberekening wijzen uit dat als het rapport van de commissie-Deetman op zo grote schaal overal in Nederland poelen des verderfs heeft geboekstaafd (en in Vlaanderen kan een soortgelijk verhaal worden volgehouden), dat het dan uitgerekend de Jezuïetenscholen zouden zijn geweest waar in de tweede helft van de 20e eeuw helemaal niks gebeurde, met aan de blanke top der zuiverheid het Sint-Ignatiuscollege te Amsterdam als de Enige Echte Veilige Heilige Haven des Lands. Het is tè argeloos, zo niet naïef je aan die illusie te blijven laven.

Waarom staat er dan niks over het IG? Simpel: onze cultuur zorgt er niet alleen voor dat bepaalde spannende dingen alleen in het duister en in afzondering dienen plaats te vinden, maar tevens dat het niet well done is dat later nog eens uitgebreid aan de grote klok te hangen. Schaamte dus, vermoedelijk ontstaan uit een (opgedrongen) gevoel van mogelijke medeplichtigheid en zondigheid. Als je openlijk verklaart dat je aan je hebt laten zitten of zoiets, word je mogelijk maatschappelijk net zo gewantrouwd als al die verkrachte vrouwen die immers toch ook duidelijk aanleiding hebben gegeven tot. Had je toen maar niet zo jong en zo mooi moeten wezen, dan was hij wel van je afgebleven.

Het is niet alleen niet aannemelijk dat Midas Dekker ongelijk had, het is gewoonweg ook niet waar. Alleen moet je dan helaas dit hele artikel tot de bodem toe doorlezen om het bewijs ervoor te vinden. Sorry, maar ik zal het nu alvast van commentaar voorzien.

Eerlijk gezegd kijk ik er een beetje tweeslachtig tegenaan. Wat mij rond 1965 is overkomen vond ik op zich helemaal niet zo erg. Ik was oud genoeg (18 of zo) om te weigeren of me eraan te onttrekken. Het was niet zo dat ik meeging in de avances om een beter punt te krijgen of om juist te voorkomen dat ik bij weigering een slechter punt zou krijgen. Zo was hij niet. Eerder voelde ik me wel gevleid door deze vorm van aandacht die voor mij geheel nieuw was. Maar met die insteek kon ik moeilijk bij Deetman aankloppen.

Vrij recente gesprekken met oud-klasgenoten leverden een boeiend scala van reacties op, variërend van “Heel schokkend dat zoiets op het IG heeft plaatsgevonden”, via “Laten we van de doden de goede dingen onthouden en de slechte vergeten” tot “Ach gut, de ouwe snoeperd!”. Daarmee schoot ik dus ook niet zo veel op. Het zijn uiteindelijk twee overwegingen geweest die mij hebben doen besluiten een melding bij de commissie-Deetman in te dienen. Uit die melding heb ik hele passages geciteerd hier verderop onder de letter Z. Niet een klacht dus; de man is dood en een zak met geld hoef ik niet. En als ik hem met e.e.a. een plezier heb gedaan, dan zij hem dat van harte gegund. Wat dan wel?

De eerste is deze: bij een affaire als de onderhavige is niet alleen een persoonlijk belang gediend, maar ook een publiek belang. Daarmee bedoelde degene die mij deze fraaie formulering influisterde dat het niet alleen zo is dat ik er persoonlijk in eniger mate last van heb kunnen gaan krijgen, maar eerder dat het niet verborgen mag blijven dat ook in die veilige, heilige haven van het IG wel eens een deurtje op slot, gordijntje dicht, snaveltje toe en gulpje open ging. Ik vind dat een legitiem argument om een melding te doen.

De tweede is een direct uitvloeisel van het alom gepredikte non scolæ sed vitæ discimus, pueri. Ik heb in de bewuste fase onbewust, onwillekeurig, ongewild een attitude aangeleerd gekregen, dat er weliswaar geschreven en ongeschreven regels bestaan, normen en wetten, maar dat het heel simpel mogelijk en uitvoerbaar is die ten eigen gerieve te omzeilen. En dat heeft bij mij niet goed uitgepakt, vind ik nu. Het is iets anders dan door oranje rijden of 60 waar maar 50 mag.

De commissie-Deetman heeft de Orde op de hoogte gebracht. Ik heb de schriftelijke excuses van pater Provinciaal ontvangen. Sterker nog, ik heb een jaar geleden een heel prettig en lang gesprek met hem gehad in Den Haag. Daarin verklaarde hij overigens dat dit de eerste melding vanuit het IG was, en dat er vanuit alle andere Nederlandse Jezuïetenscholen ook geen klachten of meldingen waren ontvangen, behoudens een aantal uit Canisius (Nijmegen), die al met al op één persoon blijken te zijn terug te voeren.

Ik handhaaf mijn argwaan die ik hierboven uitsprak op grond van de wetten der kansberekening. Ik geloof er geen barst van dat ik in 100 jaar IG de enig uitverkorene geweest zou zijn die dit heeft mogen ervaren. Maar daarmee leg ik de bal nadrukkelijk bij anderen. Ik heb gezegd.

 

Dramatis personæ (in alfabetische volgorde)

Pater Jan-Maarten BREMER S.J. (Wijk bij Duurstede 1932), uitgetreden 1964
De enige pater die in onze beperkte optiek nou eens niet 70 of 80 was. Klopt ook, want toen wij hem in 1960 voor Latijn kregen, was hij 28. Dat hij, zoals Jezuïeten betaamt, uitermate intellectueel was, viel ons in eerste instantie nog niet zo zeer op. Hij doceerde ons, net als heer Bos die ik het jaar daarvoor had gehad, keurig netjes het hele Tirocinium Latinum, van rosa rosæ rosæ rosam rosa tot en met fero – tuli – latus. Bos was uit een ander hout gesneden, by the way. Van een degelijke oude stempel. Een van de zeer weinigen die plat Amsterdams praatte, bovendien. Befaamd is zijn gevleugelde oneliner: “Je èètsproak is fnèèkent foor je èndeksoame”.
Jan-Maarten Bremer ging anders met zijn vak om. Die kreeg het georganiseerd dat wij klassikaal bij ons thuis in de Lomanstraat tussen de schuifdeuren in het Latijn een opvoering gaven van Plautus’ komedie De Menæchmi. Dat hij na zijn uittreden in 1964 academisch verder ging met een promotie in 1969, gevolgd door een hoogleraarschap aan de UvA was ons (en hem) toen uiteraard nog niet bekend. Wel is blijven hangen dat het altijd een plezier was om met hem samen in één klaslokaal te vertoeven.

Pater Herman BRUSEKER S.J. (Amsterdam 1924-Amsterdam 2003)
Voor ons Pater Prefect, alias Pater Pens. Vanaf de cour de trappen van het bordes op, patershuis in en dan eerste deur rechts om een strafbriefje te halen of om andere praktische niet-vakgebonden zaken te regelen. Een uiterst joviaal man die wel met iedereen goed leek te kunnen opschieten. Zie mijn voorbeeld bij de letter R van Reijnders hieronder. Een meester in conflictbeheersing en voor iedereen aanvaardbare, creatieve oplossingen. Zijn populariteit werd nog aanmerkelijk vergroot in de periode van de verbouwing (1964-1965) toen de oude gymzaal was afgebroken en wij voor gymnastiek naar de Rozengracht moesten, ik meen in het Roothaanhuis. Niet zelden was hij daar dan ook om met ons als vijfdeklassers mee te gymmen.

Dhr.Ted DE CLOET (Rotterdam 1913-Amsterdam 1982)
Even vooraf: het is echt DE CLOET en niet DE CLOETH zoals in diverse bronnen abusievelijk wordt vermeld. Dus zonder H, gewoon de arme tak. Zie zijn stamboom.
Er zijn twee soorten mensen: degenen die hem enorm mochten, en degenen die hem vreselijk vonden. Ik geloof dat het van hem uit ook zo was gesteld. Ik heb nooit een andere leraar Engels gehad dan hem, dus op dat punt kan ik geen vergelijking maken, maar wel weet ik dat ik altijd erg met hem wegliep. Dat is eigenlijk vreemd, want op bijna alle punten des levens was ik het van harte met hem oneens. Zijn conservatieve inslag, zijn houding t.a.v. volkstaalliturgie e.d. botste voortdurend met mijn visie, maar er heeft al die jaren kennelijk een soort niet-aanvalsverdrag tussen hem en mij bestaan.
Hij beschikte over een niet onaanzienlijke dosis humor, maar ook daarover zijn de meningen weer erg verdeeld: sommigen konden er kostelijk van genieten, anderen vonden het geprogrammeerde, ingestudeerde grapjes voor de Bühne waar hoofdzakelijk hijzelf het hardste om moest lachen. Zoiets wat ik zelf sterk voel bij Paul de Leeuw en vooral Jörgen Raymann.
Bij Ted de Cloet viel het muntje voor mij toch de andere kant op. Zo kon ik het erg waarderen dat hij ook actief was als violist, pianist en organist (dat laatste overigens ook in de Engelse Hervormde Kerk op het Begijnhof) in het schoolorkest, waarmee het schoolkoor zo vaak samenwerkte.
Eveneens was ik uitermate gecharmeerd van zijn presentatie van
Winnie-the-Pooh, de psychologie van het boek, de humor, het fraaie taalgebruik. Zo sterk zelfs, dat ik het boek in diverse talen ben gaan verzamelen en lezen, bijvoorbeeld in het Latijn (Winnie ille Pu) en in het Tsjechisch (Medvídek Pú), welke titel ik op de literatuurlijst van mijn mondeling bijvakexamen Tsjechisch heb weten te plaatsen.
Oorzaak en gevolg van onze goed werkende verstandhouding was natuurlijk ook de fietstocht door Engeland in 1964, waarbij De Cloet ons enthousiast en zinvol heeft ondersteund. En last but not least, hij was de enige der docenten die bij de diploma-uitreiking in 1966 naar mij toe kwam om over het resultaat (en de verbazingwekkende 5 voor Engels!) met mij nog even door te praten.

Dhr. Piet FONTAINE (1921-2012)
Over de doden niets dan goeds. Dat moeten de journalisten van De Volkskrant en de NRC hebben gedacht toen ze in september 2012 een necrologie over hem publiceerden. Veel interessanter, want veel genuanceerder en beter onderbouwd, was de bespiegeling in de weblog van Huub Mous, al ben ik van mening dat je niet, zoals Huub doet, alle Jezuïeten uit die tijd over één kam mag scheren. Ook binnen die kring viel namelijk zo af en toe een scherpe tweedeling te bespeuren.
Fontaine was wel iemand die met grote overtuigingskracht, soms zelfs wat verongelijkt, zijn historische opvattingen aan de man wist te brengen. Voortdurend straalde hij klasse uit, maar had moeite met tegenspraak. Zijn (in De Volkskrant zo bejubelde) leermethode Van oermens tot wereldburger -wij kregen al die jaren geen enkel ander boek onder ogen, dus misten wij elke referentie naar alternatieven- werd door mij al vrij vroeg verafschuwd. Niet om zijn filosofische, of noem het spirituele, dualistische insteek, maar omdat de inhoud van de leergang zo onbeschaamd indoctrinerend was. Al vanaf de tweede klas weigerde ik daar in te trappen. Ik heb de boeken niet meer. In een grimmige bui van mij zijn ze bij het oud papier beland, dus ik kan er nu niet meer uit citeren. Maar mijn herinnering is nog vrij levend. Zolang het over de Babyloniërs of Farao’s ging, kon ik geen weerwoord bieden, maar vanaf het heidense Romeinse Rijk ging bij Fontaine de deksel van de beerput. Katholicisme en anti-communisme waren de peilers die in elk volgend deel in beton waren gegoten.

Nu trof het dat ik op een Jezuïetenschool zat (dus toch weer die Jezuïeten, Huub) die onder meer erop hamerden dat je je gelijk moest halen uit eigen bevindingen, eigen analyse en goed geformuleerde conclusies. Zo liet pater Dionysius (Nies) van Lier S.J. mij in IV-Gym een werkstuk schrijven over Kerk, Communisme en Wereldvrede, waarin ik mijn standpunten voor of tegen scherp op papier moest zien te krijgen. Het vervelende (voor Fontaine) was dat ik het communisme hoger aansloeg dan de Kerk. De door hem aangedragen schrijfsels van pater Werenfried van Straten over de “pletrol van het communisme” die weldra “Europa zou vermorzelen” beschouwde ik als drogredenen en een bewijs van onmacht en Koude-oorlogsretoriek.
Een jaar later schreef ik bij Nederlands, voor pater Merx (hé, alweer een Jezuïet) een opstel onder de titel “verwachting”. Zonder hoofdletters en in de voor die tijd gebruikelijke spelling -dat mocht van Merx-, waarin ik konsekwent het woord god had vervangen door goed. Links boven stond, zoals bij al onze schriftelijke producties “A.M.D.G.” met daaronder de datum, i.c. 24.3.1965. Rechts boven mijn naam en de klas. Enkele citaten: “Op school leert de mens de tegenpolen kennen van vrede en welvaart”; en over de mens die eindelijk van school af is en dan voor twee jaar met een geweer het veld wordt ingestuurd: “hij sukkelt maar door tot zijn dood, het summum van rust, misschien wel het summum van vrede. Maar is dat de zin van het leven?”; en, over het merendeel van de bevolking: “moeten zij zich maar troosten met de verwachting van het komende rijk?”. Ik kreeg een 8 voor dit opstel, vanwege twee vermeende stijlfouten, hetgeen ik vermag te betwisten.
Maar hoe het gebeurde, weet ik niet, dit opstel kwam Fontaine ter oge en de rapen waren gaar. Subiet werd ik ontboden te zijnen huize. Ergens in Nieuw-West, ik fiets er nu niet meer blindelings naar toe. En ik moest zowat regel voor regel uitleggen wat ik er mee bedoelde en waar ik dat allemaal vandaan had gehaald. En als klap op de vuurpijl kwam de slotvraag of ik eigenlijk überhaupt nog wel in God geloofde. “Ja, maar ik geloof op mijn manier”, gaf ik toen als dubbelzinnig antwoord.
Gelukkig was geschiedenis geen eindexamenvak en het opstel is me bij Nederlands op mijn eindexamen nog goed van pas gekomen; even doorscrollen tot de letter M van Merx.
Knappe man, die Fontaine, maar mij een beetje te eenkennig.

Pater Jan HIRS S.J. (Zandvoort 1913), uitgetreden 1977
Ik herinner mij hem als een degelijke, serieuze godsdienstleraar (mijn eerste eerste klas), waar niet mee te sollen viel, maar die altijd vriendelijk en soms zelfs humoristisch overkwam. Wel een beetje van bovenaf. Een aantal malen is hij bij ons thuis geweest om samen met Jan van Kilsdonk als partner te bridgen met mijn ouders, iets wat na mijn zittenblijven wel zal zijn bekoeld, schat ik zo.
Dat ik hem hier in beeld breng, heeft echter te maken met een detail dat verre van onbenullig bleek te zijn; het trof mij als een bliksemschicht in mijn vroegrijpe kijk op lichamelijkheid. Ik herinner mij nog goed die les waarin hij aandacht besteedde aan het verschil dat er bestaat tussen de religieuze en de historische waarde van de bijbel. Hij adstrueerde dat met voorbeelden als van het scheppingsverhaal, dat fysisch gezien natuurlijk nooit in zeven dagen kon zijn voltooid, maar de getallensymboliek en Gods almacht mochten het desondanks wel zo verwoorden. Had hij het daar nou maar bij gelaten, maar hij kwam nog met een ander voorbeeld: alle ons bekende bestaande afbeeldingen van Christus aan het kruis ten spijt beweerde hij dat het historisch gezien waarschijnlijk was dat de Zoon van God spiernaakt aan het kruis had gehangen. Op dat moment gingen bij mij alle zwaailichten op 78 toeren tollen. Net in een periode waarin mijn adrenaline, tegen alle geschreven en ongeschreven verboden in, zich onbeheersbaar en hardvochtig en met toenemend repeterend succes een weg poogde te banen naar mijn voor-uitgang, kreeg ik opeens, nota bene tijdens godsdienstles, het beeld voorgeschoteld dat mijn voorgeschreven R.K.-Idool, weerloos en wijdarms vastgenageld aan een houten kruis, in de Golgotha-etalage te bezichtigen zou zijn geweest in zijn blote piem.
Hirs had dat vast niet zo bedoeld. Hij had het overigens ook niet zelf bedacht, heb ik pas veel later ontdekt toen er eenmaal internet en Google bestonden, want hij stond op de schouders van bijvoorbeeld ene Michelangelo die dat in 1493 ook al had laten aanschouwen. En voor hem ook al Donatello (1460) en Michelozzo (1440) om er maar een paar te noemen. Maar Hirs wist dat, en had dat, zonder plaatjes, speciaal voor ons gegoogled. En het verhaal kunnen we dan ook nog wel even rondmaken: nu pas enkele jaren geleden liet beeldhouwer Marcel Joosen een aantal kleine, heel erg blote Christusjes in brons gieten, waarvan er prompt enkele werden verkocht aan… een pater Jezuïet die ze als relatiegeschenk aan vrienden wilde geven.

Bij mij braken tijdens die godsdienstles een aantal remleidingen. Gedekt, nee, liever geruggesteund door een serieuze pater, besefte ik dat zelfs de Groten der Aarde Naakten zijn. En wij die Hen moeten volgen, wat zouden wij meer of minder zijn dan zulk een ontwapenend, onbedekt vel? Ik betrok dat in een flits op mezelf. Telkens als ik thuis weer alles moest uittrekken om helemaal bloot een pak slaag in ontvangst te mogen nemen, of als ik in identiek costuum bad zat, of in bed lag, dan wist ik: zo zag X-tus er dus normaal gesproken ook uit. Wat mooi. Wat geweldig. Ik werd er bijna vroom van. En vanaf dat moment was ik van mening dat ieder mens recht heeft op zijn eigen naaktheid, waarbij ik meer dan eens in botsing kwam met het besef dat die dan wel het voorwerp diende te zijn van je ultieme zeggenschap.
Niet dat ik er beter van ben geworden; de maatschappij hanteert kennelijk andere normen, enkele excentrieke kunstenaars daargelaten. Het werd voor mij dus een lang gevecht tussen natuurlijke vrijheid, “normaal fatsoen” en afgedwongen oneer. Met ook een wel verrassende wending, maar we zijn nog niet bij de letter Z aanbeland.

Misschien is uit dit alles ook wel te verklaren dat ik aan de films van Pasolini verslingerd ben geraakt. En aan De Sade. En aan de Heilige Sebastiaan. Met dank aan pater Hirs.

Pater Bernard HUIJBERS S.J. (Rotterdam 1922-Espeilhac 2003), uitgetreden 1974
De naam is in heel wat Sacramentsberichten van deze weblog al gevallen. Niet voor niets. Ik denk dat van alle mensen die ik in mijn IG-tijd ben gaan leren kennen hij degene is aan wie ik het meeste heb te danken, te beginnen met de stemtest toen ik voor het eerst door het groene poortje was geslopen, tot vlak voor zijn dood bij hem op bezoek in Espeilhac (aan de ene kant van het dorp staat een bordje Espeillac, aan de andere kant heet het Espeilhac). Het was een optelsom van feiten en ontwikkelingen. De muzieklessen (klas 1, 2 en 4) vond ik heerlijk en leverden mij ook constant negens en tienen op het rapport op. Dat Orff-instrumentarium was mij een zegen; in de tweede klas moesten wij daarop de Bolero van Ravel in Klavarskribo spelen, en ik kreeg zowaar de zo cruciale partij van de kleine trom toebedeeld. In de vierde ging het meer om muziektheorie en compositieleer, uiterst nuttig voor je begrip van klassieke muziek. En dan was er natuurlijk door al die jaren heen, en nog lang daarna, het koor, de ontsnapping naar het Huis van Bewaring, de dirigentencursus, waarover ik in het zesde Sacramentsbericht uitvoerig heb gesproken. Sinds zijn verterk naar Zuid-Frankrijk heb ik hem daar nog een aantal malen bezocht en altijd bleef die goede verstandhouding, bijna een vader-zoonrelatie, waarin ik met mijn leergierigheid veel van mijn muzikale behoeften bevredigd kon zien.
Lange tijd heb ik gedacht dat de wereld zou instorten, althans de volkstaalliturgie, als hij zou komen te overlijden. Maar gelukkig heeft hij voldoende gezaaid om tal van vruchten levend te laten doorwerken.
Neemt niet weg dat ik hem erg mis.

Pater Jan VAN KILSDONK S.J. (Zeeland 1917-Amsterdam 2008)
“Ik ben geboren in het dorpje Zeeland”, sprak hij vele malen met die kenmerkende, sonore stem.
Les heb ik nooit van hem gehad, maar ik was wel met hem verbonden al die tijd. Voor zeer vele Amsterdammers, voor het IG, voor de hele Jezuïetenorde was hij een monument dat nauwelijks verdere introductie behoeft. Onverslijtbaar, onvermoeibaar (lange tijd dacht ik ook: onsterfelijk) met een fabelachtig geheugen. Had je hem 20 jaar niet ontmoet of gesproken, dan nog wist hij feilloos zich de namen van mijn broer en zussen te noemen. Hij was er mede de aanstichter van, ik geloof samen met Huub Oosterhuis, dat mijn broer Piet na zijn eindexamen in 1959 en een paar maanden studie aan de UvA besloot in te treden in de orde, zulks zeer tegen de wens van mijn vader, die weinig heil zag in een vage, celibataire en quasi-intellectuele toekomst van zijn oudste zoon, maar daarentegen liever gewoon een stamhouder uit hem zag groeien. Dat ben ik dan uiteindelijk geworden, met hangen en wurgen.

In zeker jaar werd De Kils mijn biechtvader. Dat had je toen nog. Op zijn kamer in de Pieter de Hoochstraat, bezijden het IG, zaten we dan op twee lullige stoeltjes tegenover elkaar, hij om functionele redenen met een paarse stola om zijn nek, en ik mij suf piekerend wat ik nou weer moest verzinnen aan stouts. Als ik dan, na de suikerpot en door rood fietsen, bij de climax was beland en ruiterlijk bekende dat ik weer eens x-maal per dag aan mezelf zat, hield hij de ogen gesloten en lachte hij minzaam. Meer dan wat Weesgegroetjes had hij niet als reactie. Tot het hem op een dag de keel begon uit te hangen en hij mij ronduit vroeg of ik niks beters kon verzinnen. Met jezelf bezig zijn was immers heel gezond en nodig om je voor te bereiden op een gelukkig leven.
Sindsdien heb ik nooit meer gebiecht. Ik had wel wat beters te doen.

Dhr. Ben KORSTJENS (Haarlem 1927-Amsterdam 2014)
Klassicus met een aan lompigheid grenzende nonchalance. Het zou best wel eens kunnen dat hij goed les gaf. Hoe beoordeel je dat op die leeftijd? Maar wat blijft hangen is die ene les in II-Gym toen ik weer eens zat te kloten en hij me zonder enige gele kaart vooraf toeblafte: “3x bladzij 24 en 25 vanEllhmikh Glotta overschrijven voor volgende les”. Ik nog protesteren ook, want ik had niks misdaan, vond ik. “6x bladzij 24 en 25”, was zijn koele reactie. Gemummel in de klas, die het kennelijk ook wel wat grof vond. En toen ik zelfs het lef had om ook daartegen in beroep te gaan: “9x bladzij 24 en 25”. Ik heb dat die avond thuis opgelost met carbonpapier, waardoor ik het per saldo toch maar 3x hoefde uit te schrijven. En zoals te verwachten viel, gooide hij het werk ongelezen in de prullenbak nog voor ik het goed en wel had ingeleverd. Zo lomp was hij inderdaad. Mooi zo.
Later kwam ik hem weer eens tegen, toen ik anderhalf jaar als invaldocent wat uren Nederlands op het IG gaf. Nu dus als collega. Hij vroeg of hij mijn Gotisches Elementarbuch van H. Hempel een tijdje mocht lenen. Ik had kort tevoren op de UvA mijn verplicht bijvak Gotisch net afgerond, dus dat was geen probleem. Tot op de dag van vandaag heb ik het boek nimmer teruggezien. Daarmee is hij voor mij echt door het ijs gezakt. En ditmaal definitief.

Pater Louis LORIÉ S.J. (Den Haag 1916-Groesbeek 1997)
Het boek ’n Eeuw IG leunt nogal sterk op deze klassicus die zo lang aan het IG was verbonden. Het begint al meteen op blz. 7 en siepelt door alle hoofdstukken heen tot hij achteraan op blz. 143 wordt bedankt. Misschien was hij een der Mohikanen die nog niet dood was, over een nog zeer geslepen geheugen beschikte en gaarne tot medewerking bereid was. Misschien ook liepen de auteurs van het boek erg met hem weg. Ik weet het niet.
De man is te waarderen om zijn eruditie en fabelachtige kennis van de klassieke wereld en de kerkgeschiedenis die hij met grote stelligheid en drang aan ons openbaarde, zij het onder Latijn of Grieks, zij het onder godsdienstlessen.
Maar bovenal is hij te herinneren als een man met een uitermate grote dosis onvoorspelbare humor, absurdistisch tot op het morbide af, die hij met zijn snerpende stem over ons heen stortte. Daar zou ik op zich ook nog wel waardering voor kunnen opbrengen, ware het niet dat telkenmale bleek dat hij anderen, bijna altijd dus leerlingen voor hem in de klas, tot mikpunt en slachtoffer van zijn eigen idioterieën maakte. Daardoor riep hij elke keer angsten op, nog voordat hij ook maar één woord had gesproken. Voor je het wist, ging jíj er immers aan deze les.
Mij overkwam dat in de vijfde, zoals ik in een ander Sacramentsbericht al uit de doeken heb gedaan. Noem mij maar rancuneus, maar weet dat ik in mijn hele IG-tijd niemand meer als deze man zo hartgrondig heb gehaat.

Pater Ad MERX S.J. (Nijmegen 1920-Nijmegen 2005)
Erudiet, innemend en sympathiek, ook al ken ik ook wel signalen dat hij minder positief werd beoordeeld: als te afstandelijk bijvoorbeeld. Dat speelde bij mij allerminst, misschien wel omdat hij Nederlands doceerde en dat nou net voor mij het vak bij uitstek was – al heel vroeg in mijn IG-tijd. De enige keer dat hij mij in negatieve zin heeft verbaasd, was tijdens een ontleedles in II-Gym toen ik hem vroeg hoe je eigenlijk de zin “Laat hem dat maar doen” redekundig moest ontleden. Hij dacht even na, en zei toen: “Ik weet het niet”. Ik zou over die zin wel een apart artikeltje kunnen schrijven, maar dat laat ik voorlopig maar even achterwege. In ieder geval ken ik intussen het antwoord.
Ik kwam hem weer tegen als docent Nederlands in V- en VI-Gym. Nog steeds werd hij voor mij gekermerkt door de gunstige eigenschappen waarmee ik dit hoofdstukje begon. Ik herinner me alleen geen voorbeelden meer om dat te staven. Het enige wat ik wel weet: op mijn eindexamen-cijferlijst prijken drie achten voor Nederlands. Ik schrijf die voor een deel aan hem toe, want een docent kan de prestaties van een leerling sterk beïnvloeden, twee kanten op. En dan nog iets: nadat ik in januari van mijn eindexamenjaar had besloten dat de KMA echt niks voor mij was, wist ik één ding zeker: als een man als Merx neerlandicus is, wil ik ook neerlandicus worden. En zo is het gekomen.

Bij het Schriftelijk Eindexamen der Gymnasia in 1966, vrijdag 29 april 13.30-16.00 uur Nederlands (Opstel) deed zich een saillant detail voor. Zoals gebruikelijk kregen we 8 titels voorgeschoteld. De nummers 2 t/m 8 daarvan met een vast omschreven titel, de eerste echter met de opdracht “Schrijf onder een zelfgekozen titel een beschouwing naar aanleiding van bovenstaand citaat”. En dat citaat was een gedeelte uit de Troonrede van koningin Juliana, september 1965, beginnend met: “Wij moeten vaststellen dat vele landen steeds verder in welvaart bij ons achterblijven…”. Weliswaar was ik al sinds enige jaren overtuigd republikein, maar ditmaal zag ik mijn kans schoon om het inkoppertje van die dame uit Soestdijk met een flitsgoal te verzilveren. Mede dankzij de voorbereiding op mijn verdediging van mijn vijfdeklasopstel in huize Fontaine kende ik de tekst van dat opstel nog steeds compleet uit mijn hoofd. Het sloot naadloos aan op gemeld citaat. Ik schreef dus, eerst in klad, toen in net, hetzelfde verhaal neer als een jaar tevoren, de twee vermeende stijlfouten inkluis. En Merx zou geen Jezuïet zijn als hij me niet consequent weer met een 8 beloonde.
Als eerste van de klas stond ik weer op straat.

Pater Kees MINDEROP S.J. (Rotterdam 1888-Nijmegen 1970)
Een man van imposante statuur, nog uit de vorige eeuw en niet weg te denken van het IG. Tijdens de wiskundeles stond hij vaak aan de zijkant van de klas, tegen het raam of de verwarming geleund, nagelbijtend van ergernis te staren naar wat wij, na lange aarzeling, allemaal aan onzin op het bord krijtten. Niet zelden vloog er dan een bordenwisser door de klas, want hij kon het niet langer aanzien.
Befaamd was ook zijn plastische uitleg over het begrip “congruente driehoeken”, de befaamde propositie IV van Euclides. Je tekende een driehoek, zei hij, en schreef dan op een papiertje de lengte van twee zijden ervan en de grootte van de ingesloten hoek. Dan stencilde je dat papiertje duizenden malen, stapte in een vliegtuig en strooide die papiertjes boven Afrika uit. Alle negertjes die zo’n papiertje vonden, haalden dan hun passertjes uit hun zwembroekjes en tekenden daarmee precies dezelfde driehoek als die van jou. Wij waren volstrekt overtuigd van zijn gelijk door deze mondiale evidentie.
Als eersteklasser zie je dat natuurlijk niet, maar ik denk dat we heel veel van hem hebben geleerd.
Vooral door hun toga’s waren alle paters voor ons minstens 70 jaar oud, maar in zijn geval was dat nog waar ook.

Dhr. A. PELS
Uit Alkmaar. Zoiets onthoud je. Gaf tot en met mijn eindexamen uitstekend wiskundeles. Elders heb ik eens gelezen dat hij zelfs bereid en in staat was zijn vak met oeverloos geduld aan alfa’s uit te leggen. Ik heb dat als ß niet kunnen nagaan. Wat ik met hem deelde, was zijn grote passie voor het spoorwezen. Ik had de indruk dat hij het hele NS-spoorboekje uit z’n hoofd kende en hij genoot zichtbaar als hij ons uitgebreid kon toelichten hoe de NS-dienstregeling wiskundig verantwoord werd ontworpen.
Op mijn mondeling eindexamen stereometrie had hij mij helaas tuk. Het was mijn beste wiskunde-onderdeel waarvoor ik over het hele zesde jaar op een dikke 8 gemiddeld stond. Hij meende mij dus wel iets pittigs te kunnen voorleggen, wetende dat ook vliegtuigen tot mijn grote hobby’s behoorde. Je vliegt van Amsterdam naar New York. Hoe teken je op een aardbol de kortste route?
Ik wist het niet. Ik wist alleen dat de KLM van Amsterdam naar Tokyo vloog over de Noordpool, dus om tijd te winnen begon ik te zeggen dat je natuurlijk niet op een platte, tweedimensionale wereldkaart een rechte lijn van A’dam naar NY moest trekken. Mijn 8 stond nog overeind. Maar het juiste antwoord moest ik hem helaas schuldig blijven. Hij heeft mij toen, ook weer heel geduldig en misschien ook wel om tijd te rekken, uitgelegd dat er door drie punten één en niet meer dan één vlak gaat. En dat het dus logisch was dat je Amsterdam, New York en het middelpunt der aarde als drie punten moest beschouwen waardoorheen je virtueel een vlak projecteerde. De snijlijn van dat vlak met de aardbol was dan de kortste te vliegen route. Ik snapte het meteen helemaal en ik vond mezelf vreselijk stom dat ik dat niet zelf had weten te bedenken. Met een nederige 7 moest ik het toen voor de rest van mijn leven maar doen.

Dhr. Carel REIJNDERS
Alles en iedereen bij elkaar genomen meen ik te mogen stellen dat hij de meest vooruitstrevende docent was die ik in al die jaren heb gehad. Met een vanzelfsprekende, bijna ontwapenende allure koppelde hij de droge geografiestof aan bij de tijd passende opvattingen over natuur en milieu. Dat deed hij thuis, aan de Cornelis Krusemanstraat, ook, getuige de carrière van zijn zoon Lucas.
Dat wij daarop maar matig waren voorbereid blijkt uit zo’n op zich onbelangrijk moment waarop hij uitlegde dat je steentjes in je fietsband maar beter met een mesje eruit kon peuteren om erger te voorkomen. Wij, in onze meer destructieve leeftijd bivakkerend, konden met messen alleen maar fietsbanden lek prikken.
Ik doe hem dan waarschijnlijk ook alleen maar oneer aan door me een voorval te herinneren dat zich zo sterk in mijn geheugen heeft vastgezet:
Reijnders was niet alleen groot van stuk, maar beschikte ook over een bovenmodaal grote neus. Wij zaten in III-Gym, en Jaap en ik zaten meestal naast elkaar helemaal achterin de klas bij het raam. Dat was voor Jaap didactisch gezien niet zo best, want hij kon onmogelijk over al die hoofden voor hem heen kijken en bovendien kon hij van die afstand volgens mij ook niks lezen van wat er op het bord stond, maar de gezelligheid vergoedde veel. Op dien fatalen dag kwam Reijnders de klas binnen met aan zijn neus een pulkje hangend. Een kodok, noemden wij dat thuis, refererend aan het Maleise woord kodok (=kikker). Zo slechtziend was Jaap nou ook weer niet, of hij merkte het op en stootte mij aan. Wij schoten in een volstrekt zinloze, maar niettemin onbedaarlijke lachbui. Toen die niet na vijf seconden over was, vroeg Reijnders ons wat er aan de hand was. Tja, wat moet je dan. Jaap, klein van stuk, edoch reeds goed voorbereid op zijn aanstaande carrière, kon zich met de hem toebedeelde atletische vermogens moeiteloos onder de schoolbanken laten wegglijden, de verdere afhandeling dezer precaire quæstie aan zijn eerste secretaris overlatend. Onopgemerkt kon hij daar zijn proestbui voortzetten. Het was aan mij om tot niets anders te komen dan een ontwijkend “niets; zo maar”. Reijnders echter was behalve vooruitstrevend ook opvallend recht door zee en gesteld op eerlijkheid. Hij stuurde mij de klas uit.
Ik zag het niet zitten om naar de prefect te gaan, zoals voorgeschreven. Wat moest ik dan? Over de cour, de trappen van het bordes op, patershuis in, eerste deur rechts en dan stamelend “Tuan besar hidung kodok” opbiechten? Ik ging dus door het groene poortje naar buiten, naar de sigarenboer op de hoek van de Pieter de Hoochstraat en de Ruysdaelstraat, die, slimmerik, sigaretten per stuk verkocht voor 1 cent (of misschien was het toen al 5 cent).
De volgende aardrijkskundeles begon opwindend. Reijnders vroeg mij koeltjes of ik er al achter was gekomen waarom het vorige les zo lollig was. Ik was me van het hele voorval helaas niet meer bewust. Ik kon opnieuw inrukken. De jurist in mij zei dat ik ditmaal niet de klas was uitgestuurd, maar dat mij slechts de toegang tot het klaslokaal was ontzegd, dus hoefde ik niet naar de prefect. Maar toen de komedie zich de daarop volgende les wederom voordeed, en ik er dus weer uit moest, vond ik het welletjes, tevens onhoudbaar. Ik liep over de cour, de trappen van het bordes op, patershuis in, eerste deur rechts en vertelde pater Bruseker onomwonden wat de aanleiding en het gevolg van de situatie was. Zijn reactie was ongeveer dezelfde lachbui als die van Jaap en mij. Hij loste de situatie op zijn geheel eigen wijze op. Ik kreeg een strafbriefje, voor de pura pura, en hij zou er in de docentenkamer dan wel voor zorgen dat het conflict de wereld uit werd geholpen, om te beginnen bij Reijnders.
Nooit meer iets over gehoord verder. 

Dhr. Wim SLIJPEN
De vleesgeworden kettingroker (zo leer je van iedereen weer iets anders); hij stak in de klas elke volgende sigaret aan de vorige aan. Chief Whip, meen ik. Of was het Golden Fiction? Stom dat ik dat niet meer weet.
De compromisloze Carillonbespeler. Aan het eind van het eerste jaar kende je de helft of meer van Tervoorts gedichtenbundel uit je hoofd en moest je daaruit ook “voor punt” declameren voor de klas, iets waarin Huub Mous aanmerkelijk beter was dan ik, al laat hij zelf in zijn weblog de eer liever aan Martine Bijl. Ik meen dat Slijpen “De achttien doden” van Jan Campert voor iedereen verplicht stelde; verder mocht je je eigen keuzes maken. Dit feit heeft overigens niks te maken met het feit dat ik hier 18 docenten bespreek.
Groot liefhebber van Velogram, welke ontleedmethode ik bij het schrijven van mijn proefschrift (1997-2003) nog eens grondig tegen het licht heb gehouden en waarvan ik heb geconstateerd dat die een lust voor docenten was vanwege het nakijkgemak, maar voor leerlingen nogal tweeslachtig: de goede leerling leerde er scherp analytisch door denken en ontleden, de wat zwakkere leerling was de klos, want er werd totaal niets uitgelegd wat zijn positie ook maar iets kon verbeteren.
Oprichter en eerste directeur van het Contardo Ferrinicollege in Amsterdam, een avondschool als een soort tweede-kansonderwijs voor mensen die het regulier niet hadden gered, om wat voor reden ook. Dat konden mensen zijn die door de oorlog niet aan hun eindexamen waren toegekomen (zoals ik er later bij de C-cursus in Eindhoven en de MO-opleidingen van de Hogeschool Arnhem-Nijmegen ook talrijke heb gehad: ofwel vroegtijdig afgebroken door de oorlog, zodat ik wel eens heb meegemaakt dat ik als docent de jongste van de klas was, ofwel vrouwen die kinderen hadden gekregen en dus moesten stoppen met hun opleiding. Eens de kinderen de deur uit, pakten ze hun studie weer op).

Nu we het toch over de oorlog hebben: bijna geen enkele docent op het IG liet daarover ook maar iets los. En ze wisten zo veel. Jammer. Maar zo niet Wim Slijpen. Meer dan eens per jaar, namelijk iedere keer als hij had geconstateerd dat een leerling zijn brood niet opat, maar in de prullenbak deponeerde, vertelde hij roodaangelopen en met trillende stem hoe hij had gezien dat in de oorlogswinter een meneer, een echt heel nette mijnheer in colbert en stropdas, over straat liep, dan een lepel uit zijn binnenzak haalde, en daarmee in vuilnisbakken ging schrapen om er nog iets eetbaars uit te halen. Je schaamde je kapot als je net van thuis weer veel te veel brood had meegekregen met iets erop wat niet lekker was.
Nu nog steeds heb ik moeite met het weggooien van etensresten. Zal ook wel iets met Jappenkampen te maken hebben.

Dhr. L. SWEERTS (Haarlem 1896-Amsterdam 1980)
Naast het feit dat hij, als zovele andere docenten, een uitstekend vakman was, was hij in mijn ogen ook degene met het grootste didactisch vermogen. Altijd met dat aanwijsstokje in de hand wist hij iedereen van de eerste tot de laatste minuut prikkelend te boeien met natuurkundige theorieën (prakticumlokalen voor natuurkunde waren er nog niet – of niet door hem gebruikt), waarvan ik eerlijk moet bekennen dat ze me wat vaag bleven totdat ik later ging ontdekken dat je op de fiets zittend het hele natuurkundeboek aan het berijden bent: versnelling en vertraging, snelheid, gyroscopische werking, koppel, arbeid, vermogen, dynamo, warmte, wrijving, alles zit er in en op en aan een fiets.
Was er een stoel onbezet vanwege een zieke leerling, dan kwam hij quasi verbaasd daar naartoe lopen, tikte met het stokje op het tafeltje en vroeg ons bezorgd en tragi-komisch: “Sede vacante?”. Soms ook, als het over energie, arbeid en warmte ging, begon hij opeens te zingen: “Energie gaat NOOIT verloren!”. Indringend poogde hij ons ervan te overtuigen dat er helemaal geen middelpuntsvliedende kracht bestaat, maar dat alleen de wet van de traagheid functioneert. Louter het feit dat hij het zei, deed ons geloven dat het ook zo was. Werkelijk een topdocent.

Pater Karel VERHOFSTAD S.J. (Amsterdam 1905-Amsterdam 1982)
Meestal actief in HBS-gelederen, maar net in mijn eerste eerste jaar conrector van het Gym en mijn leraar geschiedenis.
Over hem deden verhalen de ronde dat hij het in de oorlog niet bepaald prettig had gehad. Iets met geïnterneerd of kamp. Maar net als zowat iedereen van het docentencorps liet hij daar geen woord over los. Alleen van Wijdeveld had ik dat kunnen begrijpen, achteraf.
Van meet af aan was hij niet bepaald mijn type, te grof, te ruw, onbenaderbaar. Bovendien tracteerde hij me aan het eind van het jaar op een 4 voor geschiedenis, waardoor ik bleef zitten. In de periode daarvoor heeft hij me nooit ertoe bewogen wat meer uit te voeren, noch heeft hij daarover met mijn ouders gesproken, hetgeen hem in huize Lomanstraat uitermate kwalijk is genomen. Omdat ik nog steeds het gevoel heb dat ik toen door hem mateloos ben genaaid, staat hij bijna onderaan mijn ladder van sympathie. Laat ik het daar maar bij laten.

Dhr. Gerard WIJDEVELD (Duiven 1905-Nijmegen 1997)
Tja. Met de kennis van nu…
Een wijs, gezaghebbend en sympathiek man, sterk als klassicus en vertaler van vooral Augustinus, maar ook enorm goed in de persoonlijke communicatie. Strikt in de leer, scherp in de humor. Als je, zoals zo vaak bij een vraag, zei: “Ik zou het niet weten”, verbeterde hij zelfs dát nog: “Je bedoelt: Ik weet het niet?”
En het getuigt toch ook wel van doceerkracht als je elk jaar opnieuw met aan geestdrift grenzende verve de eerste regels van de Odyssee voordraagt.
Ook hij dus zweeg over de oorlog, en dat was maar goed ook. Eigenlijk verbaast het me dat hij op het IG werd aangenomen, maar ik ken de bijbehorende beweegredenen niet, dan hooguit dat dat met Augustinus te maken had.
Misschien is dit wel even het moment om op te merken dat er in alle lagen van de Amsterdamse samenleving, het IG niet uitgezonderd, vaak behoorlijk werd geworsteld met de vraag hoe je met mensen moest omgaan die fout waren geweest, of waarvan dat althans werd beweerd. De tijd van de volkswoede en wraakacties was dan wel voorbij, maar in hoeverre kregen deze mensen de gelegenheid en ruimte het leven weer enigermate leefbaar in te richten? Typerend was het ook dat we in de jaren dat ik als docent aan het IG verbonden was, en we zowat een generatie verder waren wat de leerlingen betreft, de vervolgvraag in discussie kregen: hoe ga je in de klas om met leerlingen waarvan de ouders fout waren. Ik had er zo een in de klas, vandaar. De communis opinio op het IG was dat je kinderen nooit mag nadragen wat je hun ouders te verwijten hebt. Maar voor je het weet, ga je dan positief discrimineren of juist net de verkeerde grapjes maken. Er zat best wel wat spanning op deze kwestie.

Ik heb Wijdeveld in ieder geval nooit iets verweten, maar hem, in tegendeel, steeds erg gewaardeerd.

Pater Gerard ZAAT S.J. (Den Haag 1921-Den Haag 1999)
What’s in a name. Of, om in zijn stijl te blijven: Nomen est omen.
Zo af en toe rook je in de gangen sigarenlucht en daar bleek dan Pater Zaat aan vast te zitten met zijn typerende, huppelende tred alsof hij op Nike Air liep (Jaap dHS vond dat altijd geweldig karakteristiek en imiteerde het ook graag).
Hoewel in principe altijd vriendelijk, op het minzame af, straalde hij in de klas in hoofdzaak gezag uit. Mocht ook wel voor iemand die klassieken gaf op het Gym, vaak klassepater was, op een gegeven moment ook zelfs rector van het Gym en/of van het patershuis. Ik heb zijn hele cv niet precies meer voor de geest.
Net als bij Verhofstad gingen er ook over Zaat wel wat verhalen rond; over vroeger bij hem thuis en heksen en kelders, maar het bleef voor mij bij dat soort ongeordende rumor.
Als bijbaantje was hij ook zo’n beetje de interne hoffotograaf van het IG. Als er maar iets collectiefs buitenschools plaatsvond schoot hij vele rolletjes vol, waarvan je dan later wel of niet nog iets te zien kreeg. In ieder geval staan er in n Eeuw IG wel een paar foto’s die tot zijn œuvre behoren. Op het IG genomen, binnen of op de cour, op de VIC-velden bij wat voor toernooi dan ook, alles werd minutieus op de gevoelige plaat vastgelegd. En hoe korter de witte of zwarte broekjes, hoe kleurrijker de foto’s. We zien op blz. 52 van genoemd boek een klein fotootje met bijschrift “Pater Vlugt schrobt een zwarte Piet schoon 1955-60”. Ik ken de auteur, want ik speelde zelf ook jaren lang voor Piet. Nog los van het feit dat het arme gefotografeerde jong, inmiddels gelukkig wel bijna helemaal blank op zijn gezicht na, daar blijkbaar 5 jaar in dat bad heeft moeten zitten (hoeveel foto’s heeft dat opgeleverd?), is op de foto ook het zwembroekje te zien dat tot de zwartepietenoutfit behoorde. Je kreeg namelijk een zwartepietenpak incl. zwembroek om te voorkomen dat moeders later kwam te zitten met een hele trommel vol zwartdoorlopen wasgoed. Wij vonden het allemaal prima. Ik heb nooit, maar dan ook nooit ook maar iemand een opmerking horen maken over het feit dat al dat gepoets en gebadder telkens weer werd vereeuwigd.

Ik zou deze Sinterklaasactie misschien helemaal niet hebben gememoreerd als zich niet jaren later een pikant vervolg had voorgedaan. Op zekeren dag… (daar ga ik al: ik weet de datum niet meer, niet eens precies het jaar, dus juridisch kan het de prullenbak in). Op zekeren dag vroeg deze fotograaf mij of ik na afloop van de lessen even op zijn kamer wilde komen. Voor mij was dat niets vreemds; ik kwam zeer frequent bij deze of gene pater op de kamer vanwege mijn uitbundige buitenschoolse betrokkenheden.
Na een hoop koetjes en kalfjes en meer van dat gedrentel kwam de prangende vraag of ik misschien (maar het hoefde niet als ik niet wilde) voor zijn camera wilde poseren. Ik had geen benul welke kant hij op wilde, enerzijds misschien door argeloosheid, anderzijds omdat ik me vrij genoeg voelde om ja of nee te zeggen. Per slot van rekening was ik al 18 of daaromtrent – geen klein kind meer dat zich makkelijk laat in- of uitpakken. De eerste fotosessie vond geheel gekleed plaats, op zijn kamer. En of ik nog eens terug wilde komen. En of ik er dan misschien bezwaar tegen zou hebben om ook in zwembroek te poseren. Ik zei hem dat dat in orde was en dat ik thuis wel een tweetal geschikte exemplaren had liggen, maar dat hoefde niet, want die had hij zelf ook wel genoeg op voorraad.
De volgende keer vroeg ik allereerst of ik de vorige reeks foto’s mocht zien. Het bleken kleurendia’s te zijn, die hij zonder aarzeling ook voor mij projecteerde. Ik was niet ontevreden, maar was er ook niet ondersteboven van, noch van de kwaliteit, noch van de mate waarin het mijn al dan niet latente narcisme wist te prikkelen.
Van onder zijn bed haalde hij een grote bananendoos tevoorschijn waarin zich allerhande aquatisch textiel bevond. Het waren de zwartepietenbroekjes. Hij zocht een geschikt exemplaar uit en vroeg me dat aan te trekken. Ik deed het, trok daarna de rest van mijn kleren uit en liet me in alle gewenste standen fotograferen. Maar, om met zijn woorden te spreken, variatio delectat, en dus vroeg hij mij een aantal keren van zwembroekje te wisselen. Niks op tegen, op zich, maar alleen stond je dan enige seconden met zonder niks aan. Daarvan maakte hij geen foto’s, maar hij hield wel nauwlettend in de gaten of ik wel het goede broekje pakte en of het wel paste. De volle glorie is hem dus meermaals bepaald niet ontgaan. Ik herinner me daarbij één voorval in het bijzonder: hij had uit de doos een echt heel mooi, sensueel, spierwit zwembroekje gepakt en vroeg me dat aan te trekken. Ik deed het vorige uit en stapte in het gewenste broekje, maar dat bleek toch meer een maat voor 12-jarigen te zijn. Wat ik ook sjorde, ik kreeg het zijdeachtige ding maar net tot boven de knieën getrokken. Ik voelde me bijna schuldig, en zei: “Kijk, ik denk dat dit veel te klein is. Hij bestudeerde de situatie zorgvuldig, zag dat broekje daar klem zitten en ongetwijfeld ook vlak daarboven wat er allemaal hulpeloos hing te bungelen. Zijn conclusie was, dat ik maar een ander broekje moest proberen.
Sessies van dit soort hebben zich een paar maal herhaald, in totaal zo’n drie tot vijf keer, ik weet het niet meer, maar het doet ook niet ter zake. De laatste ontwikkeling in het proces was dat hij mij vroeg of ik misschien namen kon noemen van andere jongens op school waarvan ik het vermoeden zou hebben dat ze dit misschien ook wel wilden doen voor hem. Handig maakte hij daarbij dus gebruik van mijn wijdvertakte vriendenkring op school. Ik zei hem dat ik geen geschikte kandidaten kende. Deels was dat ook waar, maar vooral was het zo dat ik er geen zin in had anderen erin te betrekken, niet thuis, niet op school, al was het maar omdat dan zou blijken dat ik me met dat soort praktijken inliet, en ik ook wel op mijn klompen aanvoelde dat er grenzen werden overschreden. Daarom zei ik hem dat ik alleen een aantal namen kon noemen (en dat deed ik ook) van jongens van wie ik zeer zeker wist dat hij het ze juist NIET moest vragen. Daarmee was de kous verder af. Nooit heeft hij mij gevraagd om zonder zwembroekje te poseren. Ik heb het hem ook niet aangeboden. En nooit is hij in zijn activiteiten verder gegaan dan wat hierboven staat.
Of zijn latere overplaatsing van het IG naar Nijmegen enig verband houdt met eventueel uitgelekte praktijken, is mij niet bekend; Jezuïeten werden met regelmaat overgeplaatst zonder dat er van een disciplinaire maatregel sprake was.

Pater Zaat is dood, en naar de foto’s, die ik de laatste tijd heel erg graag terug zou willen hebben, kan ik gevoeglijk fluiten. De Orde heeft verklaard in geen enkel archief in Nijmegen of Amsterdam er nog iets van terug te hebben kunnen vinden, en aan de familie zijn ze na zijn dood ook stellig niet overgedragen. Ik kan dat allemaal natuurlijk niet controleren, maar ik moet het er maar mee doen.
Voor de rest verwijs ik naar wat ik hieromtrent heb vermeld in het hoofdstukje Heilige, veilige haven hierboven.

Ik sluit hiermee mijn IG-tijd af. Maar niet in mijn hoofd. Dat mag ook niet:

En komt het grote leven
-het blijft een avontuur-
met ingespannen streven,
met plichten zwaar en duur,
dan willen wij met ere
de levensstrijd doorstaan
voor land en volk ons weren
als oud-Ignatiaan.