All my loving

In vervolg op mijn vorige bericht waarin ik onderaan aandacht besteed aan The Beatles en de twee anthologie-uitzendingen van France Musique wil ik hier een toevoeging plaatsen. Het gaat om een vierstemmig arrangement van All my loving dat Bernard Huijbers rond 1965 maakte en dat ook daadwerkelijk is uitgevoerd, maar ik mis allerhande gegevens daarover.
Vandaar mijn vraag naar verdere informatie.

Niet alleen bij de toen 16-jarige jeugd sloeg de muziek van The Beatles in als een bom, ook sommige volwassenen raakten erdoor geboeid. Zo ook onze koordirigent en componist Bernard Huijbers S.J. die zonder enige aanwijzing vooraf, en zonder enige toelichting achteraf, opeens kwam aanzetten met een a capella zetting van dit lied. Bernard Huijbers S.J., toch in hoofdzaak de muzikale brug waarover Huub Oosterhuis zijn teksten tot den volke kon voeren, maar die ons als koorleden helaas zelden of nooit tekst en uitleg gaf; Bernard Huijbers, die eerder al, rond 1960 even buiten het liturgische pad was getreden met zijn Muzeldicht en met Mozarts d’Bäurin hat Katz verlor’n, legde nooit uit waarom, en wat de muzikale of tekstuele achtergrond was van wat hij ons instudeerde. Jammer van die vele gemiste kansen.
En toen was er opeens All my loving. De cultuurshock was tot in het patershuis doorgedrongen. Waarom, wanneer precies? Ik weet het niet. Zelfs weet ik bij nader inzien niet eens of, en zo ja hoe vaak het is uitgevoerd.

Het enige bewijs dat ik heb, is dat ik de baspartij nog grotendeels in mijn hoofd heb zitten. Na zovele jaren laat mijn absoluut gehoor mij in de steek, maar ik schat dat het stuk in E groot was, zoals ook het origineel van The Beatles. Gelet op het bereik van de doorsnee bas kan ik er niet ver naast zitten. Van de alt- en tenorpartij weet ik helemaal niets meer.
Ik blijf dus zitten met de vraag of er misschien iemand is die zich dit arrangement herinnert, er een partituur van heeft of over andere relevante informatie beschikt.
Ik zou dat graag vernemen.

Er speelt daarnaast nog wel iets anders. Bernard trad in 1975 uit de orde. In de jaren ervoor, kan ik uit mijn vele contacten met hem vanaf 1959 opmaken, keek hij bij tijd en wijle al naar een amoureuze toekomst. Zeker weet ik dat (omdat hij mij dat ooit persoonlijk heeft bekend in zijn latere woonplaats Espeilhac) speelde dat heel sterk toen hij in 1973 de muziek componeerde bij Oosterhuis’ tekst “Delf mijn gezicht op, maak mij mooi. Wie mij ontmaskert, zal mij vinden. Ik heb gezichten, meer dan twee…“. Het was alsof Bernard zich in die tekst herkende. Van daaruit is een tekst als “Close your eyes and I’ll kiss you, tomorrow I’ll miss you… All my lovin’ I will send to you” niet echt een verrassing meer te noemen. Als het hem louter om de (Beatle-)muziek te doen was geweest, had hij misschien nog wel mooiere koorarrangementen kunnen maken van Yesterday of Michelle. Maar nogmaals: Bernard heeft mij dat nooit verteld, dus het blijft mijn eigen interpretatie.

Neemt niet weg dat mijn vragen overeind blijven. Graag dus wat aanvullende informatie.

Hans Kraan 1948-2019

Bijna zestig jaar vriendschap en trouw, dan valt het afscheid zwaar.
Op 26 september overleed Hans Kraan, met wie ik vanaf klas Gym-Ib 1960-1961 van het Ignatiuscollege zo veel en zo lang heb opgetrokken. Het ging al een jaar of wat fysiek niet goed met hem. Aanvankelijk waren de klachten vaag, later werd de oorzaak steeds duidelijker. Een kort ziekenhuisverblijf in april/mei 2019 leek het tij nog te kunnen keren, maar na enige maanden was de situatie uitzichtloos.

Op school was Hans een altijd vrolijke, optimistische knul met wie je geen ruzie kon krijgen, maar met wie je, integendeel, altijd ontzettend veel lol beleefde. In en om school, op het RKAVIC-voetbalveld, hier in 1963: Hans en ik waren de links- en rechtsbuitenbeentjes, hij vooraan links op de foto en ik rechts; op straat bij ons thuis, altijd leuk en opgewekt.

In 2000 is Hans nog een paar dagen in Rosoy op bezoek geweest. Zijn geopperde voornemen om met de scooter te komen, kon ik hem gelukkig uit het hoofd praten. In plaats daarvan haalde ik hem vanuit Boxmeer in Maastricht met de auto op. Oeverloos veel gedaan, bekeken en vooral gepraat, tot diep in de nacht. Open en eerlijk, veelzijdig en mateloos geïnteresseerd in zowat alles.
Voor de rest bestonden onze contacten voornamelijk uit vele mails en nog veel meer telefoongesprekken, waarvan de meeste de 60 minuten ruimschoots overschreden, en ik vrees dat ons 24-uursmenu van veel drank en sigaretten die gesprekken wel steeds op een hoger niveau tilden. Ik besef overigens dat het hodie mihi, cras tibi daarbij ook een akelig reliëf krijgt.

Vanaf 2014 was Hans een van de aanjagers van de jaarlijkse klassereünie van Gym-Ib 1960-1961. Samen met de andere vier leden van deze bende van vijf, Kees, Huub, Michel en ik, zocht hij naar een geschikte locatie en invulling en de nodige mail- en telefooncommunicatie om iedereen erbij te betrekken. Die eerste keer bezochten we de gebouwen van ons Ignatiuscollege; op de groepsfoto Hans staande als vierde van rechts. Tot en met dit jaar 2019 is dat steeds rimpelloos en drukbezocht verlopen. We raken nog steeds niet uitgepraat met elkaar, zeker als je anderen zo lang niet hebt gezien of gesproken, en met Hans erbij al helemaal niet, want die hield bij die gelegenheden de conversatie naar vorm en inhoud altijd wel op boven Amsterdams Peil. Jaar op jaar is bevestigd wat een hechte en geweldige klas er is gevormd op het IG in het schooljaar 1960-1961.

Begin mei zocht ik, samen met Huub, Hans nog op in het OLVG waar hij enige weken moest verblijven (“Het eten is niet te vreten hier“, maar de waarheid gebiedt te zeggen dat door zijn ziekte hem elke eetlust ontbrak). Wel deed hij er alles aan om bij de reünie van half mei 2019 aanwezig te kunnen zijn, hetgeen hem wonder boven wonder nog gelukt is ook.

Tijdens zijn uitvaart op 1 oktober op de Ooster Begraafplaats heb ik het woord mogen voeren, namens mezelf, namens de klas. Daarvan waren elf klasgenoten aanwezig; enkelen waren verhinderd vanwege het boerengedoe op het Malieveld, een paar anderen verbleven in het buitenland.
Ik spitste mijn verhaal voornamelijk toe op twee onderwerpen: mijn laatste contacten met Hans in september 2019 en de fameuze fietstocht door Zuid-Engeland die onder anderen Hans en ik gedurende 23 dagen in augustus 1964 maakten en waarbij hij vlak voor het einde zijn 16e verjaardag vierde.

Het eerste onderwerp was vrij lastig. Begin september belde Hans mij op omdat hij kort daarvoor het ultieme slechtnieuwsgesprek met de behandelende arts had gehad. Tijdens dat gesprek schijnt hij te hebben gezegd: “Dan had ik maar geen mens moeten worden“; typisch Hans, ook al is het slechts buitenkant. Hij vroeg mij onder meer wat hij het beste kon doen met zijn uitgebreide en gevarieerde collectie boeken, waarover ik met hem nog enige tijd heb gepraat. Een week daarna voerden wij ons laatste telefoongesprek, vlak na het weekend waarop het Nederlands Elftal van Estland en Duitsland had gewonnen. Ik vroeg hem of hij nog naar Duitsland-Nederland, 2-4, had gekeken. “Wat dacht je?“, zei hij opgewekt, “Het dak ging eraf bij ons“. Best link, als je in Kruitberghof woont.
Het werd een lang gesprek, maar niet langer dan een uur, zoals dat daarvoor steeds  schering en inslag was. Het werd een mengeling van onbekommerde lol en lastige gelatenheid. “Weet je wat jij moet doen, Hans? Regel het zo dat je Nederland nog Europees Kampioen ziet worden, komende zomer. Hij: “Dan wacht ik liever tot Ajax de Champions League wint”.
Ok”, zei ik, “whichever comes first, maar zorg wel dat je het meemaakt”.
Ik zal mijn best doen”, beloofde hij, maar het waren zijn laatste woorden tegen mij.
In al die vele jaren heeft onze Ajax-Feyenoord-tegenstelling op geen enkel moment tot ook maar één frictie geleid, zo diep en fanatiek als die clubliefde zat en zit. Alleen over MVV waren we het altijd eens, dat die maar weer gauw in de eredivisie moesten komen, al hadden wij daarvoor uiteenlopende argumenten. Als Hans en ik al eens over iets van mening verschilden, dan konden wij uitstekend polderen om er lachend uit te komen.
Op 18 september heeft hij nog gemaild over het IISG, dat ik hem had aangeraden voor een specifiek deel van zijn boeken. Daarna bleef het stil.
Verder zijn het van de klasgenoten vooral Kees en Huub geweest die Hans tot het einde toe met raad en daad hebben bijgestaan. Ik weet dat Hans dat heel erg heeft gewaardeerd.

Het tweede onderwerp was de fietstocht door Zuid-Engeland in augustus 1964 (zie daarvoor ook https://nardloonen.nl/2012/11/29/7-sacramenten-1959-1966-57/ bovenaan).
Met z’n vijven, Hans, Hugo, Leo, Carlo en ik, hadden met medewerking van Ted de Cloet, onze leraar Engels, een fraaie route uitgestippeld die ons langs onder meer Dover, Hastings, Chichester, Winchester, Salisbury, Stonehenge, Oxford, Londen en Canterbury zou voeren, 1235 kilometers in totaal. Hier staan wij gevijven keurig in balans na aankomst in Dover.

Alles was tot in de puntjes verzorgd: een routeboek met alle afstanden en overnachtingsplaatsen, jeugdherbergen gereserveerd en bevestigd (ook om de ouders gerust te stellen; wij waren toen zo rond de 16); een groot aantal niet-te-missen bezienswaardigheden genoteerd, zoals hiernaast een bezoek aan Chichester Cathedral, waar wij warm werden ontvangen door Walter Hussey, the Dean of Chichester; vlnr. ik, Leo, Walter Hussey, Hans, Hugo.
Vooraf waren alle kleren keurig gewassen, gestreken, gevouwen en logistiek verantwoord in de fietstassen gepropt; de fietsen opgepoetst, gecontroleerd en gesmeerd, wat voor Hans al helemaal geen probleem was, want zijn vader was fietsenmaker. Er kon niks meer misgaan.
1235 kilometer in totaal, maar na amper 70 kilometer, nog voor Dordrecht, was het uitgerekend Hans van wie de voorvork brak. Wij in onaangenaam verraste paniek. Zou de hele reis al op dag één in duigen vallen? Hans was de enige die er de humor wel van inzag. Hoe we het hebben geflikt, staat mij niet meer goed bij, maar we vonden in het nabije dorp een smid die het zaakje vakkundig heeft gelast, en voor de rest van de reis hebben we totaal geen materiaalpech meer gehad.
Die reis, nog steeds voor in het geheugen van ons allemaal, had nog een onverwacht geweldig positieve bijkomstigheid. The Beatles, die net anderhalve maand tevoren hun eerste optreden in Nederland hadden gehad, in Treslong te Hillegom voor de VARA, waren met hun onstuitbare opmars begonnen en dat was in Engeland goed te merken. Overal, in alle pubs, restaurants, jeugdherbergen, op straat, schalde hun muziek uit de luidsprekers. Wij vonden het geweldig en Hans nog wel het meeste. Die bleef ook lang een idolaat bewonderaar van die vier Liverpudlians. Het maakte de reis nog boeiender en succesvoller.

Toeval bestaat niet. Maar op 26 september reed ik terug van Boxmeer naar Rosoy. Ik was net de Luxemburgs-Franse grens gepasseerd op het moment van zijn overlijden, maar dat wist ik toen nog niet. Ik stemde de radio af op France Musique, zeg maar de Nederlandse radio 4, waar kort daarvoor een anderhalf uur durende special over The Beatles was gestart, deel 1 van een tweeluik, over hoe zij de historische brug vormden tussen de klassieke muziek en de popmuziek. Het was die dag precies 50 jaar geleden dat Abbey Road was uitgekomen.

’s Avonds thuis, toen de mail en de voice mail mij het schokkende, maar onverbiddelijke bericht hadden gemeld, heb ik een deel ervan gedownload ter afsluiting van mijn woorden tijdens de uitvaart. Let it be in een barokuitvoering à la Händel of Bach op klavecimbel, gearrangeerd door de Deense klavecinist Anders Danman, speciaal voor Hans. In onze ogen en ervaring was Hans een held, aan wie we nog heel lang met heel veel genoegen zullen terugdenken, zeker ik, na bijna 60 jaar vriendschap en trouw.
Terwijl die muziek klonk, legden de vier nog overgebleven reisgenoten vijf rozen op de kist, voor elke Engelandvaarder eentje, om Hans een goede reis te wensen, waarheen die ook moge voeren. “Want, Hans“, zo besloot ik mijn bijdrage, “When you find yourself in times of trouble, let it be”.

Onlangs nog mailde een klasgenoot: “Wat de Beatles betreft, dat is een schot in de roos. Hans was weg van hen. En niet alleen vanwege hun muziek. Ik herinner me nog dat ik in de vijfde of de zesde gym een tijdje naast hem in de klas heb gezeten. Ik kon toen goed zien hoe hij tijdens minder boeiende lessen Beatle-teksten zat uit te schrijven op een blocnote of in een schrift. Daar was hij steeds ijverig mee bezig. Blijkbaar herkende hij van alles in die teksten.

In de dagen erna heb ik beide uitzendingen van France Musique gedownload, elk bijna anderhalf uur lang. Zij vormen een prachtige hommage aan The Beatles, maar meer nog dan dat, zij geven inzicht in de enorme waarde van hun muziek. De uitzendingen zijn uiteraard in het Frans. Een uitnemend moment om je Frans weer eens wat op te poetsen, al zij gezegd dat meer dan de helft van de uitzendingen uit muziekvoorbeelden bestaat. Zolang  de site van France Musique  beide delen nog online heeft staan, kun je ze beluisteren op:
Deel 1 (26 september): https://www.francemusique.fr/emissions/arabesques/abbey-road-a-cinquante-ans-les-beatles-et-la-musique-classique-1-2-75917
Deel 2 (27 september): https://www.francemusique.fr/emissions/arabesques/abbey-road-a-cinquante-ans-les-beatles-et-la-musique-classique-2-2-75939
Wie de door mij gedownloade opnamen wil hebben, kan mij ook even mailen. Dan stuur ik ze als wav-bestand per wetransfer toe (samen ± 2Gb). Het op 1 oktober gespeelde barokke Let it be vind je in de uitzending van 26 september rond minuut 66.

Daags voor de uitvaart heb ik namens de bijna voltallige klas bijgaande advertentie in De Volkskrant geplaatst. Als motto daarboven staat Beter dan Elckerlyc. Hans en ik, beiden neerlandici, snappen dat wel. “Den spyeghel der salicheyt van Elckerlyc” is een moraliteit, een Middelnederlands allegorisch toneelstuk uit circa 1470 dat gaat over Elckerlyc, lees: Jan en alleman, die met één been in het graf staat en dan merkt dat, nu hem de dood is aangezegd, al zijn aardse waarden hem in de steek laten. Gezelschap, Familie, Vrienden, Bezittingen, zij weigeren hem te vergezellen. Alleen de Deugd is bereid tot in de dood bij hem te blijven.
Ik denk dat Hans het er dus beter heeft afgebracht. Niet alleen dat wij hem met z’n allen, familie, klasgenoten, vrienden, zelfs mede-Ajaxfans, tot het uiterste hebben begeleid. Ook zullen wij zorgen dat zo veel mogelijk van zijn ondernomen literair-maatschappelijke studies, onaf, maar stevig in de steigers, niet verloren zullen raken. Ook zullen de klasgenoten, ik graag voorop, de onschatbare waarden van wat wij met Hans hebben meegemaakt en ervaren, nog in grote dank blijven meevoeren.


Deze bijdrage is een aangepaste en sterk uitgebreide versie van mijn woorden tijdens de uitvaartplechtigheid op 1 oktober jl.


Spiegelrijm

Een oplettende lezer betrapte mij erop dat ik in mijn rijmoverzicht Een tien voor taal van januari jl. een rijmschema had vergeten op te nemen: het spiegelrijm. Eigenlijk twee schema’s: het scharnierrijm als uitgebreide vorm van het spiegelrijm. Ik ga die omissie hier goedmaken, en misbruik daarvoor het onvergetelijke Collegelied van het Amsterdamse St.-Ignatiuscollege.

De tekst van dat lied, gecomponeerd door Hubert Cuypers (1873-1960), werd geschreven door pater Louis Huf S.J. in 1946. De net voorbij oorlogsjaren klinken er nog in door. Het eerste couplet luidt:

Wij gaan langs Amstels wegen
Door ’t drukke stadsgewoel.
Bij zonneschijn en regen,
’t College blijft ons doel.
Wie ’t leven willen wagen
Die komen hier bijeen
Voor grootse levensvragen
En gaan ook graag weer heen.

Dat is dus een standaardvoorbeeld van gekruist rijm AB-AB-CD-CD.

Kenmerkend voor spiegelrijm is het veel moeilijker te maken rijmschema ABCD-DCBA, dat we ook wel kreeftrijm zouden kunnen noemen vanwege de omarmende scharen. In feite is het hogere rijkunst naast het al eerder behandelde omarmend rijm AB-BA.

Om het dan nog iets lastiger te maken bedenk je een extra middelste regel tussen de twee kwatrijnen, die rijmt op de eerste en laatste regel, waarbij je een tegenstelling of overgang illustreert tussen het eerste en laatste kwatrijn, dus zowel een vormelijk als een inhoudelijk scharnierpunt in het gedicht.

We krijgen dan mijn volgende proeve van bekwaamheid:

A  Wij gaan langs Amstels wegen
B  ’t College blijft ons doel.
C  Voor al die levensvragen
D  Komt ieder graag bijeen,

 

A  (al valt het soms wat tegen)

 

D  Dus gaat ook graag weer heen.
C  De lessen gaan vervagen.
B  Dat scheelt een heleboel:
A  Na zonneschijn komt regen.

Van wie ik het idee heb? Natuurlijk van Drs. P. Zie zijn uitleg op https://www.dbnl.org/tekst/_twe007198901_01/_twe007198901_01_0025.php

 

Huijbers-Oosterhuis op vinyl

In het kader van de grote schoonmaak doe ik zo af en toe een bepaalde partij in de aanbieding. Ditmaal betreft het mijn collectie grammofoonplaten met muziek van Bernard Huijbers en teksten van (meestal) Huub Oosterhuis. Niet dat ik erop ben uitgekeken of uitgeluisterd, maar je kunt niet alles blijven bewaren.
Wie belangstelling ervoor heeft, of iemand kent die erin is geïnteresseerd, kan mij een mailtje sturen om over de prijs te onderhandelen en de overdracht te regelen.

18 van de 23 platen zijn uit de reeks Didascalia, uitgegeven door Gooi & Sticht. Het betreft zowel 331/3– als 45-toerenplaten, alle goed speelbaar, al hebben sommige hoezen wel in wisselende mate onder de lange duur geleden. Ze stammen, voor zover ik weet, uit de periode 1959-1977.

Hier een korte omschrijving; voor meer details kun je me mailen.

  • Didascalia-1 : advent. 45t. Gaaf
  • Didascalia-2 : kersttijd. 45t. Gaaf
  • Didascalia-3 : epifanie en voorvasten. 45t. Gaaf
  • Didascalia-4 : vasten. 45t. Gaaf
  • Didascalia-5 : pasen. 45t. Gaaf
  • Didascalia-8 : tijd na pinksteren II. 45t. Gaaf
  • Didascalia-9 : tijd na pinksteren III. 45t. Gaaf
  • Didascalia-XI : de goede week – witte donderdag/goede vrijdag. 33t. Lichte hoesschade
  • Didascalia-XII : de goede week – de paasnachtwake. 33t. Lichte hoesschade en 1 nummer niet goed speelbaar
  • Didascalia-14 : Psalm 24 en 46/Het lied van de stad/Mensenlied. 45t. Gaaf
  • Didascalia-XV : heden en hier en in die dagen. 33t. Gaaf
  • Didascalia-XVI : open uw hart – gezangen om samen iets te vieren. 33t. Lichte hoesschade
  • Didascalia-XVIII : niemand leeft voor zichzelf – muziek voor en door gewone mensen. 33t. Lichte hoesschade
  • Didascalia-22 : gehoord in psalmen – gezangen uit “binnenkant”. 33t. Lichte hoesschade
  • Didascalia-27 : passage. 33t. Lichte hoesschade
  • Didascalia-29 : over de mensen. 33t. Lichte hoesschade
  • Didascalia-31-32 : zoiets als heb mij lief. 33t. dubbel-LP in kartonnen, beschadigde box
  • Ambrozijn en Groggelgijn – voor scholen van de Libanon. 45t. Gaaf
  • Iemand die recht doet. 45t. Gaaf
  • Het Woord is niet te hoog. Literama luisterplaat. 33t. Lichte hoesschade
  • Zijn liefde gaat van mond tot mond. 33t mono. Fontana (witte voorkant). Vochtschade hoes
  • Zijn liefde gaat van mond tot mond. 33t stereo. Philips (zwarte voorkant). Lichte hoesschade.

Liefst verkoop ik het geheel in één keer; dan kan het als pakketpost (bijna 4 kg) binnen Nederland worden verstuurd voor € 6,95 (voor andere landen: verzendkosten op aanvraag).

 

Cruquius

Een goed initiatief van Christiaan om naast onze jaarlijkse reünie van klas Gym-Ib uit 1960 ook een educatieve uitbreiding te verzorgen: een rondleiding in en om het Cruquiusgemaal aan de rand van de Haarlemmermeerpolder. Hij was daar enige tijd geleden min of meer bij toeval als rondleider ingerold, geheel buiten zijn eigenlijke vakgebied om, en wist er inmiddels zo veel over te vertellen dat het de moeite loonde zijn verhaal te aanhoren en met eigen ogen dit wonder van techniek en vernuft te aanschouwen.

De Cruquius is al lang niet meer functioneel (verrichtte zijn werk in hoofdzaak van 1849 tot 1852 ter drooglegging van de Haarlemmermeer), maar nog wel werkend. Vorige week werd het Wouda-stoomgemaal in Lemmer nog ingezet ter voorkoming van wateroverlast, maar er zal nog heel wat water over de dijken moeten klotsen om ook het Cruquius-reservegemaal een dergelijke beschermende functie te laten uitoefenen.

Het nu hydraulische gemaal was in feite een prestigeobject van Willem I, wiens PR na zijn echec in 1830, het verlies van België, wel een opkikkertje kon gebruiken. Over ’s konings verbittering dienaangaande heb ik al eerder bericht. Vanuit zijn kennis van en connecties met de Britse machine-industrie wist hij rond 1848 de bouw van het gemaal te realiseren, geheel in Engelse stijl, fraai afgewerkt en van ornamenten voorzien en van een degelijkheid die ervoor zorgt dat de hele machinerie nog steeds draaiende kan worden gehouden. Pronkstuk, in mijn ogen, van die artistieke afwerking is de gietijzeren wenteltrap; een excellent staaltje van functional design.

De halve klas van destijds heeft, op twee achtereenvolgende zaterdagen, aan de excursie deelgenomen en daardoor de eigen kennis weer wat weten op te vijzelen.

Vreemd eigenlijk: heb ik ongeveer 25 jaar in Amsterdam gewoond, en was ik in al die jaren nog nooit op deze zo unieke plek in de naaste omgeving geweest. Maar goed, een mens is nooit te oud om een verzuim uit het verleden alsnog goed te maken. Met dank aan Christiaan, en in de hoop dat het ook andere klasgenoten ertoe kan bewegen een van hun kunstjes aan de anderen te gaan vertonen.

Wat al onzin hebben wij gezongen

Als je in tien jaar tijd van, in mijn geval, je twaalfde groeit tot je tweeëntwintigste, heb je wellicht het idee dat de wereld om je heen verandert. Dat is waarschijnlijk ook wel zo, maar meer nog zul je moeten erkennen dat je zelf verandert. Daarom is het achteraf vaak zo lastig een onderscheid te maken tussen jouw eigen ontwikkeling en die van de grote wereldorde.
Dat is mij natuurlijk ook overkomen. Terwijl ik tussen 1959 en 1966 de middelbare school doorliep, daarna in dienst mocht, ging studeren, los kwam van thuis, op kamers ging &c. &c., dacht ik dat ik daar in Amsterdam in een tijd van politieke en volkstaalliturgische revolutie vertoefde en ik verwarde voortdurend mijn (post-)puberale fantasieën met de mij omringende werkelijkheid waarvan ik deel uitmaakte.
Eenmaal oud en grijs probeer je dan die twee werelden weer van elkaar te scheiden, en ik moet zeggen: dat valt niet mee.

Over de politieke situatie in het Amsterdam van de jaren-’60 zal ik het verder niet hebben. Genoeg bronnen elders, te beginnen met Bericht aan de rattenkoning, het boek dat mij op slag een fan van Harry Mulisch maakte. Hier beperk ik me tot de begintijd en verdere ontwikkeling van de volkstaalliturgie, een revolutie binnen de revolutie van de jaren-’60.

Die volkstaalliturgie, laten we als startpunt 1959 noemen en als plaats van oorsprong het Ignatiuscollege met Bernard Huijbers en Huub Oosterhuis als roergangers, was niet zo maar het vervangen van Latijnse teksten door Nederlandse, en niet zo maar het overstappen van koorzang naar volkszang. Het was meer. Amper zes jaar later bekrachtigde het Tweede Vaticaans Concilie dat niet alleen gezangen in de volkstaal werden toegestaan, maar dat zelfs de liturgie, die kerkelijke ritus, in de volkstaal mocht (niet: moest) plaatsvinden. Liedjes in de volkstaal waren al eeuwenlang in de katholieke (en uiteraard steevast in de protestante) kerken te horen. In de middeleeuwen en de daarop volgende eeuwen glipte daar nog wel eens een Latijnse frase tussendoor; wellicht ken je nog het refrein van “Wij komen tezamen onder ’t sterrenblinken” dat uit 1640 stamt: “Venite adoremus (ter) dominum“, soms in vertaling gezongen als “Komt, laten wij aanbidden (3x) den Heer“. Tal van geestelijke liederen in de volkstaal, in de kerk of thuis aan tafel gezongen, waren allang ingeburgerd, maar het revolutionaire aspect was de vervanging van de Latijnse mis door een volkstaalvariant. Evenzo was het revolutionair dat die volkstaalliturgie ook “door podium en zaal”, dus door koor en volk ging gezongen worden. Bernard Huijbers heeft zijn opvattingen dienaangaande in 1969 bij Gooi & Sticht als een becommentarieerd manifest uitgegeven onder de titel “Door podium en zaal tegelijk. Volkstaalliturgie en muzikale stijl. Vijf en een half essay over muzikale functionaliteit”. Ik heb van die uitgave heel veel geleerd. Maar dat had voornamelijk met volkstaalliturgische muziek te maken, niet met de daarbij gebezigde teksten.

Wat al onzin hebben wij gezongen – dit besef drong pas veel later tot mij door, toen Bernard Huijbers al lang van zijn geloof was afgevallen en in Frankrijk woonde en van daaruit met teksten kwam die mij al evenmin konden bekoren, over het Al en het Zijn en de Kosmos.

Ik moet mijn standpunt eerst wel even wat relativeren. Ik vind het inderdaad bijna beschamend dat wij, als koorknaapjes, zo argeloos en onnadenkend onze stembanden spendeerden aan teksten als:

Ik zing van ganser harte voor de Heer,
ben opgetogen om mijn God, de Redder.
Want Hij had oog voor mij, zijn dienares,
maar wie ben ik dat Hij mij heeft gevraagd.

(nr.78 bundel Volkstaalliturgie)

Huub Oosterhuis was bij repetities nooit aanwezig, en Bernard Huijbers deed niet bijster veel moeite ons wat tekstanalyse te presenteren. Hij lette op de nootjes en de harmonie. Wij dus ook.

Maar het zou te kort door de bocht zijn Marialiederen op de vuilnishoop te gooien omdat je er uit religieus oogpunt weinig voeling mee hebt. Toen ik mij in 1954 in de Vondelkerk moest voorbereiden op mijn Eerste Communie leerden wij onder andere dit lied van Guido Gezelle, daterend van ongeveer 1890:

Maria, mild en machtig
vereerd bij God en mens
Weest moeder mij indachtig
die mij te bet’ren wens
Ik heb mijn schone dagen
verroek’loosd en verdaan
En kom, O Moeder, klagen
bij u voortaan
(Beêvaartslied. Nr.9 uit Dertig geestelijke liederen van Guido Gezelle op oude en nieuwe zangwijzen geschikt door Remi Ghesquiere)

Dat is al even onbegrijpelijke onzin als Oosterhuis’ tekst hierboven, maar literair gezien is het een juweeltje. Naast het oerkatholieke onuitstaanbare educatieve monstrum dat wij ons als gelovigen voortdurend schuldig moeten voelen, met alle confiteors en mea culpa’s en biechtproblematiek, presenteerde Gezelle een prachtig taalgebruik met fraaie zinsconstructies. De bijzin “die mij te bet’ren wens” leent zich voortreffelijk voor een ontleedtoets!

  • Waarnaar verwijst “die” ?
  • Is “mij” een wederkerend of een persoonlijk voornaamwoord ?
  • Wat voor zinsdeel is “te bet’ren” ?

Daar bovenop trakteert hij ons ook nog eens op het fraaie woord verroek’loosd, waarvan de etymologie nog niet zo simpel is, maar ik vind verroeklozen doodgewoon een prachtig werkwoord, zozeer zelfs dat ik me zou kunnen voornemen elke dag een paar uurtjes te verroeklozen, gewoon voor de taalkundige kick. Het wint het voor mij zelfs van het etymologisch al even lastig te doorgronden verkwanselen, dat ook in de middeleeuwen al in zwang was.

Bedenk ook dat Godfried Bomans ons al heel lang geleden (ik kan de bron niet meer terugvinden) heeft uitgelegd dat de magische kracht van het onbegrepen woord en van onbegrijpelijke zinnen juist zit in die onbegrijpelijkheid: tabberd, kapoentje, kregen wij voor koek een gard, makkers staakt uw wild geraas, en zo. Hij had gelijk, maar dat was nou juist wat de volkstaalliturgie zo revolutionair maakte: al die onbegrijpelijke Latijnse formules voor den volke begrijpelijk maken. Dat heeft de Kerk heel wat trouwe leden gekost, nu die eenmaal, beroofd van hun mystieke Latijnstalige wierookwalm, konden inzien wat al onzin zij al die tijd hadden moeten aanhoren en zingen.

Het œuvre van Huub Oosterhuis laat zich in een aantal thema’s onderverdelen. Aanvankelijk betrof het de al dan niet kerkelijk goedgekeurde (“nihil obstat”) Nederlandse vertalingen van het Latijnse misformulier. Dat was dus de volkstaalliturgie in optima forma. Prima, en het kreeg een ruime verspreiding binnen het Nederlands taalgebied, tot op heden zelfs. Daarnaast een grote reeks van in het Nederlands vertaalde psalmen van een meer dan aanvaardbaar niveau, maar daarmee was hij niet uniek. Vondel en Hooft bijvoorbeeld, de Statenbijbel, Ida Gerhardt en Gabriël Smit gingen hem voor. Weer wat later vloeiden er teksten uit zijn pen (naar zeggen van zijn secretaresse is Huub Oosterhuis digibeet, dus hij zal wel met kroontjespen schrijven, of op twee stenen tafelen – mij best) die los stonden van de liturgische rite in strikte zin, maar meer het menselijke, sociale aspect bezongen. Daar treffen we de teksten aan die enerzijds al even onbegrijpelijk waren als de tabberds en het verroeklozen, maar die toch in mijn ogen een aantrekkelijke sfeer ademden van erbij horen, literaire fictie van niveau, geen bijbelse of sprookjes-, maar een geesteswereld waarin ik mij wel kon vinden. Hoogtepunt, wat mij betreft, Een lied voor de winter (“Geen zilveren sleeën, geen goud in de grond, enkel een hand op een hart en een mond op een mond”), maar, voor de kenners, ook teksten als: Hij is een zwarte vlek in het donker, Hij is een vochtige plek op de grond. Hij is een windvlaag, hij kan bewegen: draaien kruipen staan lopen rechtop. Zwemmen en varen, lopen de branding in, lopen maar, lopen over de zee” en “Vier muren en een dak van riet, meer is het niet, meer is het niet”. En natuurlijk “Zo maar een dak boven wat hoofden”, dat onze Bossche bisschop zich verwaardigde in de ban te doen, daarmee het demasqué, de ontbinding van de Nederlandse Katholieke kerkprovincie bewust manifesterend.

Een laatste hier te vermelden thema is zijn affectie voor het Oude Testament, voor de joodse geschiedenis. Ik weet dat Bernard Huijbers daar ook al op afknapte, en voor mij is het zelfs stuitend te merken hoe deze volkstaaldichter, die met al zijn kwaliteiten en fraaie producties toch maar mooi nergens in enig Nederlandse literaire canon wordt vermeld, met zo vele teksten komt aanzetten die lijken geschreven te zijn als reclamemateriaal voor de plaatselijke VVV van Tel Aviv.

In feite maakte hij dit soort teksten al van meet af aan. Ik pik er één voorbeeld uit. Een tekst waarover ik eigenlijk in een eerdere fase al een apart artikel had willen schrijven, maar nu bed ik het maar in dit bericht in. We schrijven 1961, schat ik zo, want ik ken zowel de alt- als de baspartij nog uit mijn hoofd, en in de grote vakantie van dat jaar brak mijn stem en werd ik kort daarop babybasje van het koor. Vastenliturgie-I. Bernard Huijbers begon zijn opvatting in praktijk te brengen dat oudere volksmuziek zich prima leent voor liturgische toepassingen. Op de wijze van het 16e-eeuwse Frans-Vlaamse visserslied “Allen die willen naar Island gaan” componeert hij een vierstemmig arrangement “voor vierstemmig gemengd koor, orgel en volkszang” bij teksten van Huub Oosterhuis over de uittocht van het joodse volk:

Hoort mensenbroeders die hier nu zijt.
Waarom zijt gij gekomen? Om te waken of te dromen?
Nu waakt en bidt om redding uit uw slavernij.
God weet gaat u de engel van de dood voorbij.
(nr.54 bundel Volkstaalliturgie)

Vreselijk. Allereerst vanuit literair-perspectivisch oogpunt: wie is hier aan het woord? God zelf? Nee. Mozes dan die “ons” wegvoert naar het beloofde land? De dienstdoende pastoor? Huub Oosterhuis zelf? En tot wie richt die alwetende spreker zich? Tot de uitsluitend mannelijke mensenbroeders die hier nu zijn, en al half ingedut zitten te luisteren?

Ik lig ’s avonds in bed. Gordijnen dicht, raam een beetje open, want de lente is in aantocht. Handjes niet boven dekens, want ik heb het druk en bovendien ben ik zojuist opgeroepen om tijdens de katholieke ramadan vooral niet in te slapen, maar te waken. Met halfdichte ogen dwemmel ik weg in genot maar met gespitste oren. Als mijn ouders maar niks ervan merken, want dat levert me wederom een pak slaag op; ook dat is nog eens een keer waar, en het blijft me dwarszitten.
En komt het gevaar niet van de gang achter mijn hoofdeinde, dan toch zeker van de raamzijde aan mijn voeteneinde, waar de passerende engel des doods mij komt bestraffen voor mijn verroekloosde brave opvoeding. Maar gelukkig heb ik één escape. Eén tegen honderd dat het lukt, maar ik kan het proberen:

Heer God wij hebben u kwaad gedaan,
Maar laat u toch verbidden, sla uw tent op in ons midden.
En mochten wij genade vinden in uw oog,
Dan zult Gij ons uw Glorie tonen van omhoog.

Veel geholpen hebben deze woorden mij niet, net zomin als ze er vandaag de dag in Gaza of de Westelijke Jordaanoever van wakker zullen liggen, ook niet met de reclameachtige slotscène:

Vader, wij hebben u nooit gezien.
Maar Jezus heeft gesproken en het woord voor ons gebroken,
Die eeuwig met u samen is en met uw Geest.
Heer God, alleen uw Zoon is onze gids geweest.

Woordbreuk als verkoopargument: je zou je bijna op die gids abonneren. Maar wat een onzin om daar anno 1961 de revolutionaire geesten-in-de-dop mee lastig te vallen en 120 koorleden, opgehokt voor het beruchte Pelsorgel in de Ignatiuskapel (zie de foto bovenaan uit 1961), daaraan medeplichtig te maken.

Des te jammerder, daar ik (ik geef het toe: veel te laat, te laat om het er met Bernard nog eens goed over te kunnen hebben) tot het inzicht ben gekomen dat zijn arrangement van dit Islandlied razend knap is gecomponeerd, zowel de vierstemmige intredezang met bijna een tweestemmige canon in het derde couplet, als de toccata- en fuga-achtige tussenzang (8′, 4′, 2′, Tranquillo, staat er bij), als de grande finale van de slotzang met de melodie in de bas+volk+orgelpedalen, en de sopranen, alten en tenoren daar fraai bovenuit.

Ik wil jullie deze compositie niet onthouden.

  • Voor een redelijke uitvoering van het “originele” visserslied Allen die willen naar Island gaan verwijs ik naar YouTube
  • Voor een door mij getranscribeerde volledige versie van Huijbers’ arrangement wav-file met ah’s als koorstemmen moet je me even mailen. Het ruim 42 Mb grote bestand stuur ik je dan per wetransfer toe.
  • Voor de partituur: zie hieronder.

 

Louis Grijp

Een kort eerbetoon aan Louis Grijp die op 9 januari 2016 overleed. Een man die het Nederlands muzikaal cultureel erfgoed bestudeerde, koesterde, toegankelijk en onvergetelijk maakte.
Ik heb met hem enkele malen contact gehad bij mijn zoektocht naar (de oorsprong van) de muziek van het Ignatiuslied. Opvallend waren enerzijds zijn grote kennis van het oude Nederlandse lied, anderzijds zijn bereidheid om daarover omslachtig en vakkundig te communiceren, hetgeen mij tot een herziene beschouwing noopte.

Wat blijft is zijn nalatenschap van de Nederlandse Liederenbank die voor velen een bron van kennis en muzikaal genoegen zal zijn. Een ook mijn dankbaarheid voor iemand die de openbaring daarvan voorop zag staan.

Het lied klinkt voort.

Sacrament 7a

Lezers van deze weblog zullen zich ongetwijfeld mijn bericht uit december 2012 herinneren waarin ik een vrij onverkwikkelijk voorval uit mijn Ignatiustijd beschreef. Daarop is nogal gereageerd, meestal buiten deze weblog om.
De tijd is nu daar om er een vervolg aan te geven, hoe zeer mij dat ook zwaar valt.
Wat ik in ieder geval herhaal, is mijn verzoek om ter zake te reageren, op welke geoorloofde manier dan ook.

In genoemd artikel doe ik drie algemene uitspraken.
De eerste is dat ik het bijkans naïef vind te veronderstellen dat het Ignatiuscollege de enige Heilige, Veilige Haven zou zijn waar niks voorviel, terwijl vanuit scholen, internaten, kloosters in Nederland, België, Frankrijk, Duitsland, Amerika, Ierland, … het ene na het andere schandaal boven tafel komt.

De tweede is dat het mij hogelijk zou verbazen, ik bedoel: dat ik niet geloof dat ik nou juist net de enige zou zijn die tegen een dergelijk evenement aanliep; het moeten er gewoonweg veel meer zijn geweest.daarmee leg ik de bal nadrukkelijk bij anderen. Ik heb gezegd”, besluit ik mijn betoog.

De derde is dat met het verbreken van het Grote Zwijgen in dit verband niet alleen mogelijk een persoonlijk belang is gediend, maar stellig ook een publiek belang. Zoiets als waarheidsvinding.

Ik kom op dat artikel terug na recentelijk telefonisch contact te hebben gehad met een oud-Ignatiaan die mij omstandig zijn ervaringen meedeelde. Het dreigt een beetje de allure te krijgen van een klassiek drama, want wederom is er sprake van een destijds (tweede helft jaren-’60) op het IG werkzame docent klassieken. Meer dan heer K. zal ik niet noemen. Ook niet met wie precies zich iets heeft voorgedaan, noch tijd, plaats of handeling – die drie eenheden zijn niet aan mij om hier te vermelden.

In genoemd geval betreft het iemand die vandaag de dag, na meer dan 45 jaar, nog steeds fysieke en psychische klachten ondervindt, die sterker zichtbaar worden zoals, in zijn woorden, “een foto in een bad ontwikkelaar steeds meer contouren en scherpte krijgt”.

Zeer binnenkort gaat de Commissie Hulp & Recht zich erover buigen. Voor betrokkene is dit geen pretje, zeker als je bedenkt dat er (uiteraard) geen getuigen zijn, en er voor zover hem en mij bekend ook geen andere klachten of meldingen tegen bedoelde docent zijn aangeleverd. En dan sta je niet zo sterk.

Als er lezers zijn die in dit specifieke geval een helpende hand kunnen bieden, zal dat de zware gang naar de Commissie wellicht wat verlichten. Een niet-anonieme reactie via deze weblog (die altijd eerst langs mij gaat ter plaatsing of niet) of per e-mail of telefoon direct naar mij is daarom meer dan welkom. Mijn gegevens staan op de Entrée-pagina van deze weblog. Enige haast is wel geboden, want uiterlijk 20 januari moeten alle relevante stukken zijn overlegd. Er is wellicht enige sterkte voor nodig, maar de dank zal, neem ik aan, zeer groot zijn.

Ignatiuslied – herziening

Tijden veranderen.
Sinds de publicatie van mijn uitgebreide artikel over het Ignatiuslied in december 2012 was er daarom een herziening nodig die ik inmiddels heb voltooid.

In het kort de wijzigingen:

 

  • De online te beluisteren uitvoering uit de Krijtberg is niet meer op internet te vinden; de link daarnaar heb ik dus maar verwijderd.
  • De te beluisteren harmonisatie die ik zelf had uitgeschreven met het programma Finale en die door Antoine Oomen is gecorrigeerd, heb ik daarvoor in de plaats geupload. Zie ook de afbeelding hierboven.
  • Van wijlen Louis Grijp (Meertensinstituut) heb ik uitgebreid antwoord gekregen op een aantal vragen over de muziek van het lied; ik heb zijn commentaar in de tekst verwerkt en bovendien een link geplaatst naar een vergelijkbare uitvoering van het vrolijke lied Ys-vreucht dat van rond 1600 stamt.
  • Verder nog wat schoonheidsfoutjes, een loei van een taalfout en wat kleine details. Enfin, kijk en luister maar naar de nu actuele versie van het artikel.

Trouwens, al snuffelend stiet ik in een toneeluitgave van 1738 op een Franse tekst, een zogenaamde vaudeville, uit de amusementswereld op een vergelijkbare melodie, een tekst die even harlekinesk is als calimeroachtig:


Je ne suis né ni roi ni prince
Je n’ai ni ville ni province,
Ni presque rien de ce qu’ils ont.
Et je suis plus content peut être:
Je ne suis pas tout qu’ils sont,
Mais je suis ce qu’ils veulent être 

 

Geboren ben ik niet als prins of als een koning,
Geen stad die ik bezit, noch een district.
Schier niets heb ik van wat aan hen behoort.
Ik ben nochtans misschien best wel gelukkig:
Ik ben geenszins datgene wat zij zijn,
Maar wel wat zij graag zouden willen wezen.

Iets memorabels voor een rouwadvertentie. Gewoon alle tegenwoordige tijden bij ik veranderen in verleden tijden. Durft u het aan?

 

Pijpenstorm geluwd (slot)

Mijn oproep in het vorige artikel werd snel bevredigend beantwoord. Orgelbouwer Flentrop, die het Ignatiusorgel had gedemonteerd, wist mij te melden dat mijn inblaasopening, een autobandventiel dat op de foto hiernaast links onder is te zien, veel te klein was, en dat er, als ik de volle diameter van de pvc-buis (40 mm) benutte, relatief maar weinig luchtdruk nodig zou hoeven zijn om te pijpen te laten klinken.

Mijn dank voor deze tip is uiteraard zeer groot.

 

Zo gezegd, zo gedaan, of, zoals hier in lokaal dialect wordt gezegd: fut dit fut fait.
Uit de rubriek Wat Onze Handen Kunnen Maken: Men neme een oude steelstofzuiger, die je nog wel ergens op zolder hebt liggen rondslingeren. Demonteer de 350 Watt motor, reinig die grondig en vervang eventueel de koolborsteltjes. Monteer hem dan in de belendende garage met een pvc-buis door de 60 cm dikke muur op de plek waar vroeger een ventilatie-opening zat; zo ben je van de herrie van die motor af in de kamer. Vervolgens bouw je in het snoer een lichtdimmer in (die heb je nog wel liggen in een kist vol elektrarommel), om het toerental van de stofzuiger te kunnen regelen, en dus ook de hoeveelheid ingeblazen lucht. Het effect is wonderbaarlijk: het werkt!

Ten bewijze, voor na de vastentijd: De aanhef van het Ignatiuslied, hier op mijn ooit eens opgelapte Jappenorgeltje, klinkt om en nabij ZO. En de niet zo perfecte microfoonopname van wat er, nagenoeg zuiver op toon, uit de vier orgelpijpen komt, klinkt ZO.

Nu alleen nog even alle verbindingen goed luchtdicht verlijmen en/of vastklemmen, de vier pijpen wat bijstemmen en de constructie een beetje netjes afwerken, en de herinnering is vereeuwIGd.
Ad Maiorem Mei Gloriam.

 

 

Pijpenstorm geluwd

Het was nog een heel gedoe en gepruts, maar uiteindelijk lukte het me een viertal zinken pijpen van het Ignatiusorgel voor de schroothoop te behoeden en hier in huis hunne laatste rustplaats te gunnen in een hoekje van de salon.
Ze rechtop in positie krijgen was geen probleem, het laten klinken echter des te meer.
Maar toch is voor mij nu definitief de pijpenstorm geluwd.

 

Zoals je van mij al kon verwachten, heb ik er niet zo maar vier uitgekozen die er wel mooi uitzagen. Ze zagen er allemaal mooi uit, want de pijpen die er nog bij de orgelbouwer stonden waren alle zogenaamde prestantpijpen, d.w.z. de pijpen die in de oorspronkelijke opstelling in het zicht stonden, de vooropstaanders dus. Welke het precies zijn op de foto hieronder, weet ik niet, maar ze staan ertussen.

Nee, met opzet wilde ik kiezen voor een B, een d een fis en een b.
De kenners weten dan al hoe laat het is: het zijn precies de vier tonen die het openings- en slotakkoord vormen van het Ignatiuslied (“Ignaci dat den Heer u seghen…”).
Je moet dat maar even geloven, want helaas kan ik ze nog niet laten horen.

Immers, zo simpel als het was de vier pijpen op te hangen aan een staketsel van eiken plankjes, die hier in huis in overvloed nog rondslingeren, zo moeilijk bleek het te zijn een aanblaasinrichting te fabrieken van spullen die hier in huis liggen. Ik had dat niet verwacht. Met de mond kun je elk van de vier pijpen moeiteloos aanblazen – en ze blijken ook nog eens goed gestemd te zijn en bovendien zijn ze ook nog ietsje bij te stemmen.
Maar hoewel ik een grote mond heb, vier dezulke pijpen krijg ik niet tegelijk tussen de lippen en mijn al dan niet aangetaste longen zullen ook niet genoeg druk voor vier pijpen kunnen produceren. Met nog aanwezig pvc-buis dus maar een constructie gebouwd die mechanisch is aan te blazen, maar noch met de forse blaasbalg van de houtkachel, noch met de fietspomp, noch met de vijfliterpulverisator voor de tuin kreeg ik de juiste luchtstroom om een welluidend akkoord ten gehore te brengen.

Ja, die oude pathéfoon ernaast, die werkt. Maar die heeft een sterke veer die je met een slinger kunt opwinden. En dat stopcontact bracht me op het idee er de compressor maar eens op aan te sluiten. Maar met 10 bar aanblazing gingen de pijpen zowat airborne. Bovendien maakt een compressormotor veel te veel herrie – dat kunnen we niet hebben. Misschien moet ik wachten tot er drie mensen op bezoek komen; dan kunnen we kwartetten. Een blaaskwartet voor orgel, dat heeft iets unieks.

Al mijn natuurkundekennis, en al die boeiende lessen van Sweerts ten spijt, ben ik er nog niet uit. Een goede tip zal ik harmonieus verwelkomen.

Tot die tijd moet je me dus maar even geloven en als goed katholiek in deze weken maar de versterving ondergaan van het auditief vasten.

Het afsluitende vervolgartikel maakt echter veel goed, hoop ik.

____________________________________

Vorige artikelen: Pijpenstorm en de daarop volgende delen (2), (3) en (4).

 

Dominicus 50

Ik had het me niet gerealiseerd. Dit jaar is het 50 jaar geleden dat onze uitbraakpoging met een deel van het IG-koor, weg van het Ignatiuscollege, uiteindelijk ertoe leidde dat het koor zijn nieuwe thuis vond in de Dominicuskerk in de Spuistraat. We worden oud.
(foto: amsterdam.nl

Over die middelpuntsvliedende kracht heb ik HIER al eens omstandig gepubliceerd. De jubileumcommissie heeft daarvan ook rijkelijk gebruik kunnen maken om de geheugens op te frissen en de nostalgie te koesteren.

Onlangs ontving ik bijgaande uitnodiging. Zelf zal ik er die dagen niet bij kunnen zijn, maar voor wie het interessant is, geef ik die invitatie hier weer.

_________________________________________________________________________
Aan alle oud-koorleden,

2014-2015 viert de Dominicuskerk het 50-jarig bestaan in huidige vorm. Dat is een prachtige aanleiding voor het koor om een speciaal feest voor alle oud-leden en huidige leden te organiseren! Het wordt een muzikale reünie, uiteraard in de kerk, op zaterdag 7 februari die we graag willen laten ‘naklinken’ tijdens de viering op zondag 8 februari 2015.

Zaterdag 7 februari 2015
Om 15.00 uur staat de kerkdeur open en heten we je hartelijk welkom met koffie, thee en lekkers.

Om 16.00 uur gaan we enkele prachtige Dominicus-liederen zingen. We willen ook een deel van het programma van de zondagviering voorbereiden.

Ca. 18.30 uur staat een heerlijk buffet klaar en is er volop gelegenheid elkaar te ontmoeten en te spreken.

Tussen 20.00 en 21.00 uur kraken we de laatste zangnootjes van deze dag. Om 21.00 uur eindigt het programma maar de Teerketel biedt alle gelegenheid om nog een uurtje door te babbelen.

Zondag 8 februari 2015
Wij hopen dat we tijdens de viering met een heel groot koor iets moois kunnen laten horen! De repetitie start zoals gebruikelijk om (uiterlijk) kwart over 10.

Opgave
Misschien heb je je al aangemeld, misschien wist je nog van niets, misschien ben je er nog niet toe gekomen je aan te melden. Hoe dan ook, je bent van harte welkom.

Bevestig dat a.u.b. via: carla.vanderheijden@upcmail.nl, of
Carla van der Heijden, Bickerswerf 66, 1013 KX Amsterdam, 06-11293224

 

 

Pijpenstorm (4) : weg is weg

Deze foto van het koor-met-het-verdwenen-orgel in de kapel van het Ignatiuscollege is door Huub Mous genomen op onze reünie van 3 mei.
Het orgel was weg, is weg en blijft weg, althans fysiek.


Gisteren liet Erik Winkel van Flentrop Orgelbouw mij het volgende weten:

Dag Nard,
Na een grondig onderzoek bleek dat de kosten voor herstel zo hoog waren dat de eigenaar niet meer tot overplaatsing wilde overgaan. De belangrijke, vitale onderdelen, zoals de windladen, blijken erg slecht te zijn gemaakt en kunnen daarom niet economisch verantwoord worden hersteld.
Dat betekent helaas dat het orgel niet wordt herplaatst, maar wordt afgevoerd.
Ik hoop je met deze teleurstellende info toch van dienst te zijn geweest,
Met vriendelijke groet,
Erik Winkel, Flentrop Orgelbouw B.V.

Ik ga ervan uit dat “afvoeren” een eufemisme is voor “naar de stort brengen” en met die jobstijding ben ik weer van een van mijn jeugdherinneringen beroofd.

Het enige is, en wellicht hebben anderen daar ook nog wat aan, dat het orgel niettemin toch nog altijd is te beluisteren. De volkstaalliturgische grammofoonplaten uit de beginperiode waren namelijk opgenomen in de kapel van het Ignatiuscollege. Later werd dat de Karmelkerk (Amstelveen) en de Dominicus (Spuistraat).
Maar op het in deze weblog al eerder besproken EP-tje Ambrozijn en Groggelgijn is het orgel uit de kapel nog te horen, evenals op de LP Zijn liefde gaat van mond tot mond. Ik meen dat dat ook de eerste LP was uit de Huijbers/Oosterhuisreeks. Een jaartal heb ik op de Fontana-hoes (uit de serie Gouden Harpen) niet kunnen ontdekken. Het moet begin jaren-’60 zijn geweest; latere LP’s verschenen in de reeks Didascalia. Wel, op de voorzijde, het prachtige glas-in-loodraam van de kapel (foto: Bart Mulder), en op de achterkant de geruststellende mededeling “Het stereo effect wordt slechts verkregen bij gebruik van stereo afspeelapparatuur”.

Hier een overzichtsfoto van 9 juni 1965, toen de LP werd opgenomen.

Het zijn galmende geluiden uit een vervlogen verleden, nu de pijpenstorm voorgoed is geluwd.

________________________________________________
Eerdere en latere pijpenstormberichten:
pijpenstorm
pijpenstorm-2
pijpenstorm-3
pijpenstorm-geluwd

 

Pijpenstorm (3)

Het orgelverhaal blijkt er een van lange adem te zijn. Prima; het gaat immers ook om een pneumatisch orgel.
Onlangs kreeg ik van Rolf Schoevaart nadere informatie over hoe het destijds allemaal is gelopen.
Hier een weergave van zijn bevindingen.

Rond eind jaren-’90 bleek het orgel in bedenkelijke staat te verkeren en was een prijzige opknapbeurt noodzakelijk, waarna bovendien de ruimte zou moeten worden voorzien van kostbare klimaatbeheersing.
Aanvankelijk leek het OLVG interesse in het orgel te hebben voor de toen nieuwe kapel aldaar, maar daar bleek het orgel toch niet in te passen.
Het is toen voor ƒ 20.000,= verkocht voor een of andere kerk in Italië, God mag weten waar precies, want Hij weet alles. Dat geld kon goed worden gebruikt voor het bouwbudget voor de renovatie van het IG.
Los daarvan is het Montessori Lyceum in die periode nog enige tijd in onderhandeling geweest met Sotheby’s met betrekking tot de glas-in-loodramen voor eventuele verkoop. Dat bleek echter geen haalbare kaart, zonder de ramen op te moeten delen in panelen. Inmiddels hebben de ramen monumentstatus, zodat verwijdering niet meer aan de orde kan zijn, laat staan verkoop.

Tot zover het IG-kapelfeuilleton voor dit moment.

Het is overigens een kwestie van toeval dat ik aan de metamorfose (eufemisme voor ontheiliging en aftakeling) van de Ignatiuskapel moest denken bij de opening van een tentoonstelling van de schilderacademie van Langres, afgelopen zaterdag, in de kapel van het ex-Jezuïetencollege in Langres. Ook daar was alles wat aan een kapel deed denken zorgvuldig weggewerkt: altaar, priesterkoor, orgel, alles verdwenen of aan het zicht onttrokken. Veel erger nog dan in de Ignatiuskapel: schrijnende voorbeelden van achterstallig onderhoud: afbladderende pleisterlagen, scheuren in plafond en muren, kaalgelopen vloer.


Kerk en staat zijn gescheiden in Frankrijk, dus waarom zou de overheid opdraaien voor het instandhouden van religieus erfgoed?

 

 

________________________________________
Vorige en volgende pijpenstormberichten:
http://nardloonen.nl/2014/05/05/pijpenstorm/
http://nardloonen.nl/2014/06/12/pijpenstorm-2/
http://nardloonen.nl/2014/11/12/pijpenstorm-4-weg-is-weg/ 
http://nardloonen.nl/2015/03/11/pijpenstorm-geluwd/

 

Pijpenstorm (2)

Op mijn eerdere artikel Pijpenstorm reageerde Erik Winkel van orgelbouwer Flentrop dat het orgel van de Ignatiuskapel bij hen in Zaandam ligt opgeslagen en te koop is.
Na enige verdere mailcorrespondentie wordt de situatie alsmaar duidelijker.

 

Eergisteren mailde hij mij:

“Dank voor je berichtje. Wat leuk om in contact te zijn met de mensen die destijds met dit instrument zijn opgegroeid!
Het orgel is niet te koop, maar er wordt door de eigenaar een locatie voor gezocht. Dat lijkt nu te lukken in Bosnie.
De vraagprijs is -zou het te koop zijn- moeilijk te geven. Als het orgel overbodig is, en er is geen koper, is de prijs nihil. De herbouwwaarde is tussen € 18.000 en € 30.000 per register.
Mag ik je vragen of er nog afbeeldingen zijn waarop meer van het orgel te zien is, zoals de speeltafel, of de positie op het balkon?
Met vriendelijke groet,
Erik Winkel”

Het orgel, met zijn 14 registers, is dus eventueel gratis te verwerven, maar om het weer op te bouwen ben je 2½ tot dik 4 ton kwijt. Het verbaast me niet.

Zijn vraag om meer foto’s heb ik alleen kunnen beantwoorden door te verwijzen naar de prachtige foto van Louis van Paridon in het boek “’n Eeuw IG”, waarover ik schreef in een ander artikel.


Zijn er misschien mensen die nog een foto van het orgel in de kapel hebben liggen of van het bestaan ervan afweten?

 

______________________________________
Eerder pijpenstormbericht: http://nardloonen.nl/2014/05/05/pijpenstorm/
Volgend pijpenstormbericht:  http://nardloonen.nl/2014/06/24/pijpenstorm-3/
Pijpenstorm-4 is op til.

Pijpenstorm

Mijn eindoordeel over de Ignatius-reünie van Gym-IB 1960 op 3 mei jl. luidt dat we in een halve dag tijds met z’n allen meer lol hebben gehad dan in al die jaren dat we samen in de klas zaten. En niet lol alleen; ook meer diepgang en saamhorigheid. Het laat zich niet allemaal in foto’s vangen, maar de reacties van dezen en genen spreken boekdelen.
Communis opinio: dit doen we gauw nog eens een keertje. Volgend jaar. Of over 3 jaar. Of over 5 jaar. Of over 54 jaar.

 

De klas verkeert in de gelukkige, en ook volstrekt unieke, denk ik, positie dat de klassepater van destijds, Jan-Maarten Bremer, 82 inmiddels, bij deze gelegenheid aanwezig kon zijn. Samen met de 20 leerlingen van zijn klas die waren bijeengekomen (“Wie ’t leven willen wagen, die komen hiehier bijhijeen…”) probeerden we de klassefoto van eind 1960 te reconstrueren en repeteren. Helaas, twee klasgenoten zijn in middels overleden (Kees van Rooijen en Co Oud), drie hadden we niet weten op te sporen (Mike Man, Rob de Jong en Rob Kupers), maar twee later bijgekomenen (Leo Reuser en Christiaan Verwer) waren er wel. Bovendien was ons bordes voor de helft afgebroken, zodat we ons nu op de andere helft min of meer in spiegelbeeld moesten posteren. Ziehier het resultaat. 

Voor alle duidelijkheid:

1 Jaap de Hoop Scheffer 14 Michel van Overbeek
2 Nard Loonen 15 Filibert Kint
3 Hugo van den Hombergh 16 Pieter Haverman
4 Co Oud 17 Jan-Maarten Bremer (Latijn)
5 Kees Philips 18 Rob Goorhuis
6 Rob de Jong 19 Michel de Lange
7 Carlo Knüppe 20 Eugène van der Kamp
8 Hans Kraan 21 Leonard van Oudheusden
9 Loek Nijman 22 Arnold Reuser
10 Huub Mous 23 Kees van Rooijen
11 George Maissan 24 Jan Kniesmeijer
12 Mike Man 25 Wim Jordans
13 Rob Kupers 26 Leo Reuser
27 Christiaan Verwer

Het begin van het door veldwerkers Hans, Kees en Michel succesvol voorbereide, en vooral niet te volle programma vond rond de middag plaats in café BinnenBuiten, schuin tegenover het IG aan de Ruysdaelkade. Kenmerkend was enige na 54 jaren niet geheel onverwachte stroef- en onwennigheid (“Wie is dat ook weer die daar net binnenkomt?”), maar al ras vormden zich groepjes geamuseerde en geïntereseerde klasgenoten in never-ending-gesprekken over alles van ooit, weleer, sindsdien, ondanks, wat jammer, en toch maar hertrouwd, nooit geweten, en nu, waarom, hoe, wanneer is de operatie, en wat nu verder.

Het gedroomde hoogtepunt was de remake van de klassefoto. Dat gebeurde ook, zoals hierboven geschetst. Na een korte inleiding door Rolf Schoevaart, zelf ook oud-Ignatiaan en al geruime tijd werkzaam bij het nu alhier gevestigde Montessori Lyceum Amsterdam, kregen wij in vogelvlucht een overzicht van alle veranderingen aan het gebouw tussen ons en nu, waarna wij onder meer de kapel gingen bezoeken.

Er zijn er onder ons die dat bezoek als het hoogtepunt beschouwden. Zelf noem ik het liever de spil waaromheen al het andere draaide. Ik had mij voorgenomen in die gewijde, maar inmiddels goeddeels ontheiligde ruimte het woord te vragen en vooreerst onze twee overleden klasgenoten te herdenken met een stilte die ze misschien hebben kunnen horen.
Wat ik daarna wilde voorstellen, moest ik van het moment en de omstandigheden laten afhangen. En zo geschiedde.

Het bericht had mij al eerder bereikt, maar eenmaal in de kapel beland sloeg het besef van de werkelijkheid onverbiddelijk toe. In een moderne variant van de beeldenstorm had er een pijpenstorm gewoed: het hele orgel was verdwenen, samen met al die 120 zangers, de organist, het manuaal, het orkest, de dirigent…
Al wat er restte waren de drie lampjes, die er begin jaren-60 ook al hingen. Die waren kennelijk niet de moeite. Vintage hanglampjes, zoals alles wat wij daarboven op het koor deden inmiddels vintage is. Toen nog dansten wij naar de pijpen; nu kunnen we ernaar fluiten.

Direct praktisch gevolg was dat mijn idee om het Ignatiuslied gezamenlijk aan te heffen (Ignaci dat de heer u seghen…) onuitvoerbaar was. HET ORGEL WAS WEG! Achteraf bezien niet zo’n ramp dat dat lied niet kon doorgaan, want je kunt die tekst de inmiddels vele atheïsten onder ons ook nauwelijks aandoen. Maar een alternatief had ik bij me: tekst (24 exx.) en partituur van het Collegelied (Wij gaan langs Amstels wegen…). Tot mijn stomme verrassing trokken we zomaar een piano tussen de coulissen vandaan, en die was niet eens heel vals. Rob, al eerder over dit plan ingeseind, bespeelde de toetsen, en 2×20 stembanden deden vol overtuiging de rest, “zo hard dat Kees en Co het gehoord moeten hebben”, meldt Huub Mous. Rillingen van saamhorigheid. Gelukzaligheid met terugwerkende kracht. Terwijl we allemaal wel beseffen dat behaalde resultaten in het heden geen garantie bieden voor het verleden.

Omdat dit voor niemand is te bevatten, togen we behoedzaam drentelend, serieus, maar niettemin onverdroten keuvelend naar het voortreffelijk stamineeke, restaurant Quinto in de Frans Halsstraat, door onze veldwerkers op ondemocratische wijze uitverkoren om ons in een aparte ruimte te onthalen. De vele heildronken waren een goed sociaal excuus om de eigen dorst te lessen en de doorelkaargeschudde emoties te laven; het erop volgende diner bood tevens voedsel voor de geest, gelet op de vele diepgaande onderonsjes.

Ad bene placitum hoorden we tot dan toe ongehoorde details, zegden we het destijds onzegbare, kwamen we in een halve dag verder met elkaar dan in al die jaren samen in de klas.
Het is waar, zonder Kees & Co, maar wel met alles wat er door ons en met ons en in ons tot stand kwam op die gedenkwaardige 3e mei 2014.
Bis, reageerden velen daags erna.

___________________________________
Volgende pijpenstormberichten:
pijpenstorm-2
pijpenstorm-3
pijpenstorm-4
pijpenstorm geluwd

 

7 Sacramenten (1959-1966) – 1/7

Een is een. ene God alleen, ene zaligmaker en anders geen.
Twee is twee. Twee stenen tafelen die Mozes sloeg aan wafelen.
   Ene God alleen. Ene zaligmaker en anders geen.
Drie is drie. Drie patriarchen: Abram, Isaak èèèn Jacobus.
   Twee stenen tafelen die Mozes sloeg aan wafelen.
   Ene God alleen. Ene zaligmaker en anders geen.
Vier is vier. Vier evangelisten die de waarheid wisten.
   Drie patriarchen: Abram, Isaak èèèn Jacobus.
   Twee stenen tafelen die Mozes sloeg aan wafelen.
   Ene God alleen. Ene zaligmaker en anders geen.
Vijf is vijf. Vijf dwaze maagden die den Heer behaagden.
   Vier evangelisten die de waarheid wisten.
   Drie patriarchen: Abram, Isaak èèèn Jacobus.
   Twee stenen tafelen die Mozes sloeg aan wafelen.
   Ene God alleen. Ene zaligmaker en anders geen.
Zes is zes. Zes kruiken wijn die er op de bruiloft van Kana zijn.
   Vijf dwaze maagden die den Heer behaagden.
   Vier evangelisten die de waarheid wisten.
   Drie patriarchen: Abram, Isaak èèèn Jacobus.
   Twee stenen tafelen die Mozes sloeg aan wafelen.
   Ene God alleen. Ene zaligmaker en anders geen.
Zeven is zeven. Zeven sacramenten. JEZUÏETEN HEBBEN CENTEN…

Verder ging het nooit, dit potjemetvetachtige tekstje dat als een van de “stoute” liedjes wel eens te horen was op de cour van het Sint-Ignatiuscollege, gezongen door aldaar rondmediterende Ignatianen.

De cour, winter 1959-1960, genomen vanaf het dak van de tram, het rijtje urinoirs langs de muur aan de Pieter de Hoochstraat


Aan de overkant van die befaamde R.K. Lagere School stond de muur die de cour van het Sint-Ignatiuscollege aan het zicht van de buitenwereld onttrok. Mijn zeven jaar oudere broer had op die school zojuist met glans zijn eindexamen gehaald, en nu was de beurt aan mij om tweemaal daags met de fiets door het beroemde kleine groene poortje in die muur te gaan.

“Wie ’t leven willen wagen
Die komen hier bijeen
Voor grootse levensvragen
En gaan ook graag weer heen”.

Dat zijn de laatste vier regels van het eerste couplet van Het Collegelied.

Wederom een voortreffelijke school, volgens de beste tradities en kwaliteiten geleid door paters Jezuïeten. Over de periode van 1959 tot mijn eindexamen in 1966 (de rekenkundigen onder ons zullen hier iets opmerken) valt heel veel te vertellen. Boeiend, misschien, schokkend voor mij zeker, want hoeveel ommekeren vinden er niet plaats tussen je 12e en je 20 e. Ik zal dit in zeven IG-bijdragen gaan doen, waarvan dit de eerste is.

7 Sacramenten (1959-1966) – 2/7

De standaardrite voor iedere nieuwe Ignatiaan was onverbiddelijk: er viel nauwelijks te ontsnappen aan muzikale vorming en misdienaar worden.

Die muzikale vorming omvatte in week 1 ten minste het volgende:

  • een stemtest, om te horen of je iets kon betekenen voor het schoolkoor
  • het Collegelied leren
  • het Ignatiuslied leren

Bernard Huijbers, aan de piano gezeten, testte het bereik en de kwaliteit van je stemgeluid en besliste daarop vakkundig of het niets was, of dat je sopraan mocht worden, of dat je, zoals in mijn geval, slechts alt mocht wezen.

Het schoolkoor, begin jaren-60 bejongend door 30 sopranen, 30 alten, 30 tenoren en 30 bassen, was bepaald niet misselijk. Kwaliteit en succes. Af en toe nog versterkt door het schoolorkest aangejaagd door Ted de Cloet, in het dagelijks leven leraar Engels.
Over dat koor en zijn bezigheden volgt er nog een apart bericht.

Het Collegelied hoorde onmisbaar tot het kennisdomein van iedere Ignatiaan, want het werd bij tal van officiële gelegenheden aangeheven. Voor wie het niet meer kent (schande!), dit is het en klik HIER om het te beluisteren in mp3:

Het is pas vrij recent dat ik me ervan bewust ben geworden hoe zeer deze tekst van Louis Huf uit 1946 is geïnspireerd door de nachtmerrie van de net voorbije bezettingsjaren.
Veel over de periode 1940-1945 is te zien en te lezen in het jubileumboek ’n Eeuw IG, samengesteld door G.A. Elsenaar en P.J. Verberne, uitgegeven t.g.v. het honderdjarig jubileum van het St.-Ignatiuscollege, helaas zonder ISBN-nummer en bij mijn weten ook nog maar moeilijk verkrijgbaar. Zoek maar bij www.boekwinkeltjes.nl of www.omero.nl op “Elsenaar” en “eeuw”.
Wat mij opvalt, is dat dit boek wel gewag maakt van oud-Ignatianen die zijn omgekomen tijdens de oorlog, een docent die moest onderduiken (Ed Bresser, leraar Duits, wegens “insubordinatie”) en een tweetal leerlingen dat in het verzet ging, maar niet van Ignatianen (paters, docenten of leerlingen) die zijn gedeporteerd of anderszins van school verdwenen. Deels is dat vermoedelijk te verklaren doordat de kans uiterst gering is dat er zich op het IG joden of communisten bevonden. In de zo sterk verzuilde Nederlandse maatschappij, met voor elke zuil aparte scholen, sportclubs, kranten, omroepen enz.  was het ook in Amsterdam ongetwijfeld niet acceptabel om als jood of (indien bekend) communist op het IG aan de slag te gaan.

Ja, op het IG moest je voor het zingen de kerk in, want bij mijn weten werd het Ignatiuslied alleen gezongen tijdens de mis bij de opening van het schooljaar (en bij de eucharistieviering tgv. het 100-jarig jubileum in 1995), maar ik kan me vergissen. Een interessante Loyola-tekst, toegeschreven aan Johannes Stalpaert van der Wielen van rond 1630 op muziek die we ook kennen van Valerius’ Gedenck-clanck : op de melodie van “Sal ick noch langher met heete tranan, &c.” staat daar het lied “Hoe groot (ô Heer) en hoe vervaerlic | Staet nu ons leven vol verdriet?”. (Dat is nog eens andere koek dan Gezelles motto bij het Collegelied “Ja, daar zijn blijde dagen nog in ’t leven”!). Het sidderde je door lijf en leden als het lied, uit 600 kelen en een tutti-orgel majestueus door de kerk galmde. Een wat magere impressie uit de Krijtberg op 31 juli 2011 was tot voor kort op internet te beluisteren met een wel erg gereformeerde (dus niet naar bedwelmende wierook riekende) orgelbegeleiding. Omdat ik op internet geen andere versie voorhanden trof, heb ik, met de bereidwillige en zeer betrouwbare medewerking van Antoine Oomen (“Deze muziek staat niet in b-klein maar in b-dorisch en precies dáárom komt de g er niet in voor. En het is uitgesloten dat ik ooit g i.p.v. gis zou hebben gespeeld. Dat moet iemand anders zijn geweest”) een digitale versie genoteerd die je HIER kunt beluisteren. Dirigent Bernard Huijbers dreigde furieus met hel en vagevuur, met pek en veren, als iemand het lef had de voorlaatste noot in “majeur” te zingen. Dus niet B-B-Ais-B, maar B-B-A-B. Identiek dus aan de eerste vier noten van de melodie. En terecht.

De tekst, waarover in de categorie taal en letterkunde nog een uitvoeriger bericht volgt, luidt :

Ignaci! dat den Heer u seghen.
Gh’en had niet minder/ als gelijck.
Het swaerste moet toch ’t swaerste weghen:
En d’aerd’ is min als ’t hemelrijck.
Bekeerd vry ’t mes
In Christus les;
Al slaet de kroon van Spangien goud;
Den Hemel geeft noch rijcker soud.

Neemt knechten aen/ beschrijft s’een reghel/
Van yver heet/ van rade koel.
En twijfelt niet ghy sult het seghel
Wel krijghen vande Roomsche Stoel;
Want sulcken plant
Die Godes’ Hand
Gepoottet heeft/ sal niet vergaen:
Soo lang z’in haer gelit blijft staen.

Verwint met offer/ en gebeden/
Verwint met lessen/ vroegh en laet/
Verwint met asch en hayre kleden/
Verwint met heusche caritaet.
En met de deughd
De teere jeughd
Te leeren/ in uw’ wijse school
Dit is het wapen van Loyool

Man Goods! die nu de gulde sterren
Betreedt met voeten/ als een vloer.
Helpt ons gebed/ stilt ons van verre/
Tot peys en vrede al ’t rumoer
Van Christus Kerck.
Of maeckt ons sterck;
Om op uw’ spoor door ’t enge pad
Te komen tot de rijcke stad.

Dat laatste couplet herinner ik me nog heel goed, want dat bestond in feite uit één zin die ik later, als student Nederlands aan de UvA, wel grappig vond als ontleedklus : Degenen die “met voeten als een vloer” als één zinsdeel zagen, hadden in ieder geval niet op het IG gezeten.

En als je dan, wegens schoolverlaten, of doordat je stem ging breken, niet meer bij het koor kon blijven, dan werd je jubelend uitgezongen met de standaard a capella canon. Mij overkwam dat voor het eerst in 1961. Ik ging van Gym-IB (zulks ten tweede male) naar Gym-IIB, en in de grote vakantie daartussen voltrok zich het drama.

Veel te vroeg, ik meen nog voor kerstmis, werd ik opnieuw ingelijfd. Als “babybasje” stond het tweedeklassertje opeens tussen de grote mannen achteraan. Het heeft mij in ieder geval een goede ontwikkeling van mijn zangstem gekost.

En over de misdienaars zul je in een ander bericht nog wel wat te lezen krijgen.

 

 

Ignatiuslied

Het wachten is op iemand die een gedegen tekstanalyse en -kritiek publiceert van het Ignatiuslied. Maar inmiddels is er al zo veel over dit lied te melden, dat ik er toch alvast maar een bespreking aan wijd.

Het Ignatiuslied, zoals ik in een ander bericht al aankondigde, is geschreven door Johannes Stalpaert van der Wiele (1579-1630) en gepubliceerd in de Gulde-Jaers Feest-dage of den schat der geestelycke lof-sangen gemaeckt op elcken feest dagh van ‘t geheele laer (postuum uitgegeven in 1635) als lied nr. 296, behorende bij de feestdag van Ignatius van Loyola, 31 juli. Dat lied bestaat uit 13 strofen; het Ignatiuslied zoals wij dat kennen, omvat daarvan alleen de strofen 8, 9, 11 en 13.

De Gulde-Jaers Feest-dage is de meest omvangrijke liedbundel uit de 17e eeuw. Stalpaert heeft voor elke dag van het jaar een tekst geschreven ter ere van de heilige van die dag, soms zelfs meer dan één voor een bepaalde heilige, zoals ook voor Ignatius: lied nr. 295 (Staet op Veneetschen Senateur/ Verlaet u bed/ ontsluyt uw’ deur), dat ik hier verder onbesproken laat, en nr. 296 met de volgende complete tekst:

{296} S. IGNATIUS LOYOLA, Fondateur van de Societeyt IESU – (31 juli)
Stem: De winter waeyt met.

(1) Treckt weer na uw’ verburghen holen
O ziel vergeten Kettery!
Siet hier Ignatius Loyole
Bedwinght u met sijn Compagny.
Die wel bequaem
In Iesus naem
Op u bedriegelijck gheweld
Den Heer ons heeft gebracht te veld. 

(2) O goedheyd Goods! ghedanckt gepresen
Moet altijd uw’ genade zijn.
Wy hadden toch wel moghen vreesen
Voor Luther en voor Ian Calvijn;
En had gh’ons niet
Op haer verdriet
Op haer bedroghop haer fenijn
Voorsien van sulcken Medicijn. 

(3) Dit kon men altijd in u mercken
(Ghy zijt een hulper inde nood)
G’onthieldt tot bystand uwer kercken
In’t swart Regael noyt Antidoot.
Den Arriaen
Deedt ghy weerstaen
Door Athanaas. En Manes list
Bracht eenen Augustijn te quist. 

(4) De Nectors en de Euthycheten
Dwonght ghy door Leoos wijsen raed.
Eusomius wierd neer gesmeten
Van Guldemond. En een Dalmaet
Dee ons vergaen
Ioviniaen,
Die menigh Monick hadd’ontkapt;
En ’t Bod- vast met de voet vertrapt.

(5) De dolingh van de Albigoysen,
Die nu vier hondert jaer gele’en
Een pest voor Spangiaerds en Françoysen
Was heeft Dominicus vertreen.
Ja daer en sproot
Noyt uyt de goot
Vand’helsche poel bedurve leer;
Of ghy en wrocht daer teghens weer.

(6) Dus doet gh’als noch in onse tijden
Broer Martens en Calvinus school
Met wijsheyd en met deughd bestrijden
Door Sint Ignatius Loyool.
Een Capiteyn
Die elck een pleyn
Van u daer toe geschickt kan sien
Om dit gespuys het hoofd te bien. 

(7) Het fijne volck sal ’t hen niet belgen
dat ick s’hier nommen dorst gespuys.
‘k En kon met Paolo niet verswelghen
Haer vyandschap op Christus Cruys.
’t Welck oock te recht
Den vromen knecht
Beweeghde ‘swaerd te legghen neer;
Om voor te staen sijns’ meesters eer. 

(8) Ignaci! dat den Heer u seghen.
Gh’en had niet minder als gelijck.
Het swaerste moet toch ’t swaerste weghen:
En d’aerd’ is min als ’t hemelrijck.
Bekeerd vry ’t mes
In Christus les;
Al slaet de kroon van Spangien goud;
Den Hemel geeft noch rijcker soud. 

(9) Neemt knechten aen beschrijft s’een reghel
Van yver heet van rade koel.
En twijfelt niet ghy sult het seghel
Wel krijghen vande Roomsche Stoel;
Want sulcken plant
Die Godes’ Hand
Gepoottet heeft sal niet vergaen:
Soo lang z’in haer gelit blijft staen. 

(10) Wel aen! wel aen het wilder gelden:
Neemt aen de wapenen des’ lichts.
Geeft u te veld als vrome helden
Men twist om saken vol gewights.
’t Is Goods Autaer
’t Zijn zielen daer
Ghy mannelijck om vechten sult;
Verwindt met raed en met geduld.          [1 Mach. vers 3

(11) Verwint met offer en gebeden
Verwint met lessen vroegh en laet
Verwint met asch en hayre kleden
Verwint met heusche caritaet.
En met de deughd
De teere jeughd
Te leeren in uw’ wijse school
Dit is het wapen van Loyool 

(12) De krijgh geluckt u goeden Vader!
Ghy veldt den vyand van het kruys:
Maer alsm’u scheldt voor een verrader
Zoo denckt dat tusschen kat en muys
Noyt vriendschap was.
Het trou gebas
Des honds by nacht mishaeght den dief.
En ’t licht was noyt den sondaer lief.        [Ioan. 3. vers 20] 

(13) Man Goods! die nu de gulde sterren
Betreedt met voeten als een vloer.
Helpt ons gebed stilt ons van verre
Tot peys en vrede al ’t rumoer
Van Christus Kerck.
Of maeckt ons sterck;
Om op uw’ spoor door ’t enge pad
Te komen tot de rijcke stad. 

De genoemde vier strofen 8, 9, 11 en 13 zingt men nu nog steeds aan het begin en einde van het schooljaar gezongen op het St.-Ignatiusgymnasium in Amsterdam.
Een opname daarvan uit de Krijtberg in 2003 is van het web verdwenen, maar een digitale versie die ik met behulp van Antoine Oomen heb kunnen maken, is HIER te beluisteren en afgebeeld.
Ook wordt het lied gezongen op bijeenkomsten van de Jezuïetenorde op of rond de feestdag van Ignatius, 31 juli.

Overigens, onderaan dit bericht, vlak boven de bronvermeldingen, kom ik nog met een zeer goed gelijkende, oude, profane versie van deze melodie.

De geschiedenis
Onderzoek loopt nog naar aanleiding van de vraag hoe, waar, wanneer en door wiens toedoen het Ignatiuslied in zijn huidige vorm in gebruik is genomen. De tot nu toe oudste vindplaats is in het archief van de Jezuïetenorde in Nijmegen. Daar bevindt zich onder inventarisnr. 3235 het tekstboekje van de eucharistieviering t.g.v. het 75-jarig bestaan van het IG in 1971, waarin het lied staat opgenomen. Ongetwijfeld echter dateert het van veel eerder. Misschien al wel van de door omstandigheden sterk versoberde openingsceremonie van het IG in 1895, maar daarvan is tot nu toe geen bron te vinden. Ook is het de vraag wanneer het lied binnen de orde is gaan functioneren bij de jaarlijkse feestdagviering op 31 juli, hetzij binnen de Nederlandse provincie (vanaf 1814), hetzij zelfs nog tijdens de oude sociëteit (tot 1773, toen de S.J. tijdelijk werd opgeheven).

Als iemand hieromtrent nadere informatie, bewijs- of vindplaatsen weet te melden, dan verneem ik dat graag. 

De auteur
Johan Stalpaert (of: Stalpart of Stalpert) van der Wiele wordt geboren in ‘s-Gravenhage op 22 november 1579. Hij groeit op in een traditioneel katholiek gezin. In 1592, 13 jaar oud, gaat hij in Leuven rechten studeren teneinde later advocaat te worden. In 1595 vervolgt hij deze studie aan de (protestante) universiteit te Leiden, en studeert uiteindelijk in 1598 af in Orléans, waar Hugo de Groot en Jacob Cats zijn studie- en jaargenoten zijn. Als advocaat wordt hij beëdigd aan het Hof van Holland en bij de Hoge Raad. In 1602 gaat hij opnieuw naar Leuven, nu om theologie te studeren, want hij voelt de roeping in hem. Vier jaar later wordt hij priester gewijd. Tot 1611 verblijft hij in Rome om zijn theologiestudie te vervolgen. Aldaar behaalt hij de doctorstitel en raakt hij in de ban van de missiegedachte. Hij keert terug naar de Republiek en wordt in 1612 pastoor te Delft, overigens wel gekweld door ziekte, waar hij in conflict komt met de eveneens in Delft gevestigde Jezuïeten. Door zijn benoeming tot aartspriester van Delft, Rotterdam en Schiedam (1613) kan hij de ideeën over de missie werkelijk gestalte geven. Hij overlijdt op 29 december 1630 in Delft aan de gevolgen van ziekte en zijn verzwakt gestel.
Tot zijn œuvre behoren onder meer:

  • Vrouwelick Cieraet van Sint’ Agnes versmaedt (1622)
  • Gulde-Jaer Ons Heeren Iesu Christi op alle de Zonnendagen des Iaers (1628)
  • Extractum Katholicum, tegen alle gebreken van Verwarde Harsenen (1631)
  • Gulde-jaers feest-daghen of den schat der geestelycke lof-sangen gemaeckt op elcken feest dagh van ’t geheele laer (1635) 

Voor een goed begrip van Stalpaerts denken en teksten is het van belang het Europese en nationale tijdsgewricht voor ogen te houden waarin hij leefde. Zijn leven (1579-1630) viel immers geheel binnen de Tachtigjarige oorlog (1568-1648), met inbegrip van het Twaalfjarig bestand (1609-1621). Voeg daarbij ook nog de angst in West-Europa voor het expanderende Ottomaanse Rijk dat zich tot aan Wenen uitstrekte, en besef dan welke tegenstellingen er zoal in Stalpaerts wereld actueel waren en met elkaar ook meer dan soms interfereerden: die tussen katholiek en protestant, die tussen Spanje en Nederland, die tussen Christenen en Islamieten, die tussen politiek en religie, die tussen seculiere geestelijken en de kloosterorden (zoals de Jezuïeten). Het valt dan ook niet te verbazen dat we veel van deze conflictstof in de werken van Stalpaert terugvinden.

De tekst
We moeten een onderscheid maken tussen de inhoud en de vorm van het gedicht. Over de inhoud wacht ik met spanning op een verantwoorde analyse die iemand ervan wil maken, of al ooit eens heeft gemaakt.


Is iemand bekend met een tekstanalyse van het Ignatiuslied of van het hele gedicht waar dat deel van uitmakt?
Of is er iemand bereid zich aan een dergelijke analyse te wagen?


Wat de vormelijke kant van de zaak betreft: ik ben ervan overtuigd dat Stalpaert de tekst van “Treckt weer na uw’ verburghen holen” heeft geschreven op de melodie die hij erbij in het hoofd had. Ik baseer dat op de strofebouw van het gedicht, die nagenoeg identiek is aan de strofebouw van de vele liederen die door anderen op deze melodie zijn gemaakt. Even een lesje Lodewick:
Metrum en ritme zijn in principe dus jambisch, maar het rijmschema is niet alledaags: a-B-a-B-(C)-C-D-D. Zowel deze opeenvolging, als de afwisseling tussen vrouwelijk rijm (a) en mannelijk rijm (B, C, D) als het opmerkelijke binnenrijm in de vijfde regel maken de strofebouw tamelijk apart. Voeg daar nog bij dat elke strofe uit zeven regels bestaat, niet zijnde een “normaal” kwatrijn + terzine, en het is duidelijk dat de toonzetting een even aparte melodie vereist. Zou je regel 5 willen splitsen in twee halve regels, dan zit je met het probleem van ongelijke regellengte, met alle muzikale consequenties van dien.
Ik gooi nu alvast maar even de knuppel in het hoenderhok: bij oppervlakkige beschouwing lijken jamben metrisch en ritmisch uit twee tellen te bestaan, afgezien van het nahuppeltje in regel 1 en 3. Maar het is in de voordracht- en zangcultuur niet ongebruikelijk een beklemtoonde lettergreep tweemaal zo lang te laten duren, en daarmee heb je metrisch drie tellen per maat. En daar bovenop: wie belet je het gedicht niet jambisch te scanderen, maar trocheïsch met een opmaat? Dan ziet het er zo uit:
Draag dit maar eens sterk scanderend voor: je hoort een dansende driekwartsmaat door de spontane verlenging van de beklemtoonde lettergrepen.
Los van deze discussie, die hieronder bij De muziek een grote rol gaat spelen, valt te constateren dat Stalpaert erin is geslaagd de tekst van alle 13 coupletten keurig binnen gegeven rijmschema te krijgen, bijna zonder al te geforceerde smokkellettergrepen. Af en toe past hij, heel fraai, enjambementen toe, zoals in strofe 5 (…Een pest voor Spangiaerds en Françoysen | was…), strofe 9 (…Die Godes’ hand | gepoottet heeft…), strofe 10 (…’t Zijn zielen daer | ghy mannelijck om vechten sult…), strofe 12 (…Het trou gebas | des honds bij nacht…) en de, wat mij betreft, geweldige volzin die heel stofe 13 omvat (…die nu de gulde sterren | betreedt met voeten als een vloer…) en (…al ’t rumoer | van Christus’ Kerck…).

De muziek
Van oorsprong was de melodie van het Ignatiuslied een gaillarde, of wellicht een volte, een soort langzamere gaillarde afkomstig uit Lombardije (XVe eeuw) die zich heeft verspreid naar naar Frankrijk (XVIe eeuw) en verder over Europa. Het is een liedvorm in driekwartsmaat. Die dansvorm was alom bekend. We komen hem dan ook opvallend vaak tegen. Een paar voorbeelden:

Het welbekende kerstliedje Hoe leit dit kindeken hier in de kou. Vermoedelijk ontstaan eind 19e eeuw in Vlaanderen, is het getoonzet op het metrum van een gaillarde:
Mozart past de gaillarde onder meer toe in zijn gelegenheidscompositie D’Bäurin hat d’katz verlor’n, KV 188, Anh. C 9.01; het thema komt ook terug in zijn divertimento in Bes KV 287; we hebben dit vierstemmig a capella tussendoortje ook nog op het IG met het schoolkoor gezongen, begin jaren ’60. Ik ken de baspartij nog steeds uit mijn hoofd.
Iets serieuzer wordt het als we bedenken dat de gaillarde ook ten grondslag ligt aan de Great-Britain Dominionwide Anthem God save the queen. Dat is eigenlijk heel vreemd, een nationaal volkslied in driekwartsmaat. De Britten doen het, maar dan heel gedragen, waardoor je het nauwelijks merkt. De Polen doen het ook, nota bene op een mazurka, per definitie in driekwartsmaat, en dat dan nog wel ondanks de refreintekst Marsz, marsz, Dąbrowski,…. Van een volkslied verwacht je namelijk iets anders (behalve in zich respecterende landen als Nederland en Zweden); iets alla marcia, zoals de Belgische Brabançonne, de Franse Marseillaise of het Italiaanse Fratelli d’Italia.

Het verhaal gaat dat Queen Elizabeth-I zelfs in haar mid-fifties ′s ochtends een gaillarde placht te dansen als een soort ochtendgymnastiek: the Queen is so well as I assure you, six or seven galliards in a morning, besides music and singing, is her ordinary exercise” (Brissenden, Alan (1981). Shakespeare and the Dance. Atlantic Highlands, N.J.: Humanities Press. pp. 4–5).
Alle ollekebollekes passen grappig genoeg ook in dit metrum, op de manier van God save the queen. Als je niet weet wat een ollekebolleke is, vraag het dan aan Drs.P, of aan Pieter Nieuwint, of aan mij, of kijk op Wikipedia.

Wellicht om het serieuze karakter meer te benadrukken, d.w.z. het speelse danselement te elimineren, wordt in de liedbundels van Valerius, Bredero, Stalpaert van der Wiele en Starter de melodie  in vierkwartsmaat gezet, of blijven de maatstrepen simpelweg achterwege, zoals hier bij Bredero’s vooisaanduiding “Zal ick noch lang in heete tranen”:
Dan ben je van het probleem af.
Er is in de diverse verhandelingen over het 17e eeuwse lied veel gediscussieerd over de vraag of de Ignaci-melodie nu in driekwarts- of in vierkwartsmaat moet worden genoteerd. Een uit de tweede helft van de 20e eeuw stammende getype versie houdt het op een driekwartsmaat:
Dan kan er wel onder staan dat het de melodie “Hoe groot o Heer…” uit Valerius is, maar die volte staat toch echt in vierkwartsmaat genoteerd:

In die vierkwartsmaatnotatie kun je zien dat er op diverse plaatsen syncopen gaan optreden, bijv. bij leven (r.2) en saem (r.5). Nog vervelender is het dat de tekstaccenten niet mooi samenvallen met de eerste tel van elke maat, terwijl toch doorgaans, en zeker bij de gaillarde en de volte, de eerste tel een benadrukte, beklemtoonde moet zijn. Het verschijnsel dat zich hier openbaart, kent de term hemiool of schijnmaat. Meer daarover in Willemze (1969:passim) en Willemze (1964: §92), waar staat: “Interessant worden syncopen wanneer zij systematisch en over geruime afstanden worden toegepast. Er ontstaan dan o.m. de vaak voorkomende schijnmaten (…) Hier strijden een (metrische) driekwarts-maat met een (ritmische) tweekwarts-maat om de voorrang”. Een kwestie dus van metrum en ritme, waarbij mijns inziens de uiteindelijke notatie niet dwingend mag zijn voor de uitvoeringswijze en de daarin te leggen accenten. In zijn latere druk (1979) besteedt Willemze uitgebreid aandacht aan hemiolen: hoofdstuk 19, §154-161.
Ik denk, al met al, dat de hierboven weergegeven getypte versie de meest gewenste notatie van het lied is, teneinde metrum en ritme van tekst en melodie het beste met elkaar te kunnen laten sporen, met als enige kritiek dat het rustteken aan het begin van de derde regel beter aan het einde van de tweede regel had kunnen staan, zoals ook in de drie daarop volgende regels het geval is.
Volgens Van Duyse, waar bovenstaande notatie van “Salick noch langher…” uit is overgenomen, heeft Valerius geput uit het Frans repertoire, maar, zegt het commentaar in dl.II, p. LVIII, Merkwaardig is het evenwel, dat Valerius dit lied noteert in vieren, terwijl de melodie veel beter klinkt in drieën, zooals zij ook is opgenomen in het Nederlandsch Volksliederenboek. In den Gedenck-clanck staat boven dit lied met kleine lettertjes: volte. Dit is dus weer een danslied, want de ‘volte’ is een langzamere vorm van de gaillarde. Stalpaert zou het echter hebben uit Bredero (zo stelt Van Leeuwen in De muziek…, met als argument dat het kopiëren van een melodie uit protestante bron niet comme il faut was voor een katholiek, ook al tilde Stalpaert daar niet zo zwaar aan) of hij zou het hebben uit Frankrijk, wat mij waarschijnlijker lijkt. Ik heb daarvoor de volgende argumentatie:

  • Wij weten niet precies wanneer Stalpaert zijn Ignatiustekst heeft geschreven. Vermoedelijk in zijn laatste, Delftse periode (1621-1630). Het is dan maar zeer de vraag of hij de recente publicaties van Bredero (1622) en Valerius (1626) met hun vrij beperkte verspreiding heeft gekend en eruit heeft gekopieerd.
  • Stalpaert was door zijn verblijf in Frankrijk en Italië goed op de hoogte van Franse en Italiaanse volksliedkunst en had dus geen “spiekbriefjes” nodig om aan passende melodieën te komen, of liever gezegd, om meer dan 500 teksten te maken op melodieën die tot zijn culturele bagage behoorden.
  • Het was Stalpaert evident te doen om zijn teksten binnen bereik van zoveel mogelijk mensen te krijgen, waartoe hij koos voor melodieën die alom bekend waren, dus reeds toe het algemeen cultuurgoed behoorden – niet tot dat van een poëet die een fraaie bundel in de markt zette. Schrijnend op dit punt is het feit dat zowel voorin Valerius’ Gedenck-Clanck als in Bedero’s Lied-Boeck een privilegie staat gedrukt, bij onstentenis van Stemra-Buma toch een soort voorloper van het copyright, waarin werd bepaald dat niets uit deze uitgave mag worden verveelvuldigd of in enige vorm mag worden gekopieerd voor een periode van ses iaren, op straffe van verbeurdverklaring van de onrechtmatige oplage en een boete van ƒ 150 (Valerius) of ƒ 300 (Bredero), welk bedrag, de Jort Kelders avant la lettre, zou worden toegekend voor ⅓ aan de erven van de helaas reeds overleden auteur, voor ⅓ aan de armen en voor ⅓ aan de officier die het proces-verbaal opmaakte. Maar de betreffende auteurs konden rechtens op geen enkele grond aanspraak maken op het auteurschap van de melodieën, die immers ofwel aantoonbaar niet van hen waren, ofwel zozeer behoorden tot het algemeen volkscultuurbezit, dat van enige persoonlijke auteursrechtelijke toeëigening geen sprake kon zijn. Dit ondanks de mededeling op de promo-pagina van Valerius (1626) “De Liedekens (meest alle nieu zijnde) gestelt op Musyck-noten…”. Als ze al nieuw waren, wat zeer te betwijfelen is, spoorde dat feit niet met de intentie de liedteksten snel en wijd te verbreiden; men moest immers nieuwe melodieën gaan leren en wie kon er in die tijd noten lezen?
  • Om de vergankelijkheid, maar tevens het bestaan van het public domain van volksliedjes te accentueren:  Toen in, meen ik 1751, dus ruim een eeuw later, een nieuwe uitgave van Stalpaerts liederen werd uitgebracht, voorzag de uitgever de meeste liederen van een nieuwe melodie, “omdat de oorspronkelijke melodieën nog maar door 1 op de 10 mensen worden gekend”.

Is het dan dus wel een kwestie van jatten? Als je bij bruiloften of partijen een feestbundel presenteert met een liedtekst voorzien van de vermelding “Op de wijze van Aan de Amsterdamse grachten, of Op een mooie Pinksterdag”, heb je dan een auteursrecht geschonden? In de 17e eeuw deed men niet anders. Bach ook niet. En daarna ook niet:
Bernard Huijbers toonzette een tekst van Huub Oosterhuis (“Wij die met eigen ogen de wereld zien verscheurd”) op de melodie van het Wilhelmus, nadat hij vele jaren eerder al een hele Adventsliturgie (“Hoort mensenbroeders die hier nu zijt…”) zeer vakkundig had getoonzet op de melodie van “Allen die willen naar Island gaan”, by the way een visserslied uit Frans-Vlaanderen uit de 16e eeuw.  Wim Kan opende al zijn oudejaarsavondconferences met “Uren, dagen, manden, jaren…” van Rheinvis Feith.
Haydn, Debussy, Bartók en Mahler zijn mede zo groot geworden doordat zij de lokale volksmuziek, dus het muzikale publieke domein, hebben gebruikt in hun composities, zonder auteursrechtelijke sancties.

Ons aller troetelkind Wolfje Mozart, 8 jaar oud, zei vader Leopold, maar hij was toen al 9, moest een keertje mee naar Den Haag. Uit verveling, of ijverzucht, componeerde hij ziek en wel te bedde liggend een aantal variaties op het Wilhelmus (KV 26, 1766). Een aantal jaren later (1781), maakte hij in Wenen een aantal voortreffelijke variaties op Altijd is Kortjakje ziek, althans op de Franse pendant Ah! Vous dirai-je maman (KV 265). Zullen we hem postuum een proces aan de broek doen?
En nog iets verder terug: wees er zeker van dat de melodieën in de liedbundels van Bredero, Hooft, Camphuysen, Starter en Valerius niet één melodie bevatten die op naam kan worden gesteld van de genoemde tekstdichters. Allemaal jatwerk? Nee, louter een manier om je liederen makkelijk te kunnen verspreiden onder een grotendeels analfabeet publiek dat geen elektriciteit, geen geluidsdragers, geen internet en geen smartphones had.

Zoals gezegd was er tekstdichters als Stalpaert veel aan gelegen te kiezen voor algemeen bekende muziek, omdat op deze wijzen de tekst een grotere, snellere en bredere verbreiding kon garanderen. Welnu, dat er bij de melodie van Ignaci dat… wel degelijk sprake was van een alom gekend wijsje moge blijken uit de vele teksten die ons zijn overgeleverd op deze muziek in enige variant.
Naast de hier aan de orde zijnde beginregel “Treckt weer na uw’ verburghen holen”, en de Franse (meer originele?) zogenaamde vaudevilles satiriques*), waarvan Veux tu savoir la difference hier als voorbeeld uit begin 18e eeuw te horen is, evenals het op vergelijkbare melodie bestaande “Marianne étoit coquette”, “Je vous le dit & le repete”, “J’ay laissé la veillesse en France” (volledige tekst HIER), “Je ne suis né ny roy ny prince”, “Le grand portail de Saint-Sulpice”, “Pour nouvelle, & qui n’est point fausse”, en “Amadis, par les soins d’Urgande” treffen we bij raadpleging van alleen nog maar Van Duyse, II, p.1608-1614, tussen ±1600 en ±1750 de melodie(-aanduiding) aan bij de volgende liederen in Nederlandse liedbundels:

  • Almachtigh Godt, vol heyl en zegen
  • Als ick u eerst begon te minnen
  • De menschen zijn zoo vaek genegen
  • Den Winter kout die ons seer quelden / Is nu vergaen in dit saysoen 
  • Een eenigh een heb ick verkooren
  • Gantsch slapperloot ‘k moet weer uit vryen
  • Ghy moet de feest met vreught vereeren
  • Ghy wack’re Nimphjens en Dryaden
  • Goddin, die voor veel hondert jaren
  • Heeft yemandt, door gestadigh draven
  • Het veldt en sal niet langer branden
  • Hoe groot, ô Heer, en hoe vervaerlic
  • Hoe langh mijn lief, mijn veltgodinne
  • Hoe zalig is de zoete minne
  • Ick heb bemindt, gevleydt, gebeden
  • Laetst als de Goden bancketeerden
  • Mayken, mijn lief, wat sullen wy maken
  • Mijn ziel wilt lof singhen den Heere
  • Myn geest, ô Heer! zoekt u te loven
  • Niet alle die den titul draghen
  • O edel wesen uyt Godt gevloten
  • O eeuwigh licht in duysterheden
  • O hoogh beroemde Nederlanden
  • Og of ik waerdig kon beschryven
  • Sal ick noch lang met heete tranen
  • Sing nu van vreugden, gy Batavieren
  • Waen-wyse lieden, valsch van oordeel
  • Wanneer de Heeren musicanten
  • Wanneer zal ik die vreugde ontvangen
  • Wel op mijn harp, wilt vrolijk wesen
  • Wyst my eens aen o fijne Broeders

Kortom: een breed scala aan stichtelijke en minnelijke teksten, zeker niet alle goedgekeurd voor kerkelijk gebruik. Wat maar aangeeft hoe populair de Ignaci-melodie lange tijd moet zijn geweest. Volgens Louis Grijp zijn er minstens 168 Nederlandse teksten op deze melodie bekend !

Hij was het ook die mij op het spoor bracht van de beloofde oude, profane variant van rond 1600. Meer daarover op de site van de Nederlandse Liederenbank, waar via de link “audio” deze melodie is te horen: Ys-vreucht. Dat is nog eens andere koek. Hoe blij waren wij niet op het IG als we een dagje, of zelfs maar een middag, ijsvrij kregen in plaats van manmoedig te moeten zingen “Verwint met offer en gebeden, Verwint met lessen vroegh en laet”.
Het zal bij vele oud-Ignatianen wel enige weemoed teweegbrengen, denk ik. Hoop ik.

Voor enkele herzieningen bij dit artikel: klik HIER.

Bronvermeldingen
Naast persoonlijke communicatie met een aantal personen, heb ik vooral gebruik gemaakt van de volgende uitgaven:

  • G.A. Bredero, Groot lied-boeck, 3 delen, editie G. Stuiveling, A. Keersmaekers, C.F.P. Stutterheim, F. Veenstra en C.A. Zaalberg (deel I); G. Stuiveling, A. Keersmaekers, C.F.P. Stutterheim, F. Veenstra, C.A. Zaalberg en P.J.J. van Thiel (deel II) en F.H. Matter (deel III). Culemborg: Tjeenk Willink-Noorduijn 1975 (deel I) / Leiden: Martinus Nijhoff 1983 (deel II) / Den Haag: Tjeenk Willink-Noorduijn 1979 (deel III). Te raadplegen op www.dbnl.org
  • Florimond van Duyse, Het oude Nederlandsche lied. Tweede deel. Den Haag / Antwerpen: Martinus Nijhoff / De Nederlandsche Boekhandel 1905. Te raadplegen op www.dbnl.org
  • Charles van Leeuwen, Hemelse voorbeelden. De heiligenliederen van Joannes Stalpart van der Wiele 1579-1630. Nijmegen: SUN 2001 (proefschrift Rijksuniversiteit Utrecht). te raadplegen op http://www.charlesvanleeuwen.nl/stalpart.php
  • Charles van Leeuwen, De muziek van de Gulde-Jaers Feest-dagen (niet in druk verschenen). te raadplegen op http://www.charlesvanleeuwen.nl/stalpart.php
  • Adriaen Valerius, Nederlandtsche gedenck-clanck. (ed. P.J. Meertens, N.B. Tenhaeff en A.Komter-Kuipers). Amsterdam: Wereldbibliotheek 1942. Te raadplegen op www.dbnl.org
  • Theo Willemze, Algemene muziekleer. Utrecht: Prisma 1964 (Prisma-Compendia 1)
  • Theo Willemze, Algemene muziekleer. Utrecht: Het Spectrum. 7e geheel herziene en uitgebreide druk 1979 (Aula-Boeken 644)
  • Theo Willemze, Het muzikaal gehoor. Utrecht: Het Spectrum 1969 (Aula-Boeken 385)

 

________________________
*) Een vaudeville satirique laat zich omschrijven als “une chanson satirique de circonstances, se chantant sur un air facile qui aidait à sa popularité. C’est en ce sens que Boileau le rattache à la satire, comme un genre éminemment français”. Het aspect van “algemeen bekend meezingertje” was dus ook in Frankrijk al in zwang. Deze airs waren vooral in zwang in de eerste helft van de 18e eeuw bij openluchtuitvoeringen van toneelstukjes die we kennen onder de verzamelnaam “Théâtre de la Foire”.

7 Sacramenten (1959-1966) – 3/7

Warming up of koude douche?

Het was maar een kwestie van tien meter, van de voordeur van de R.K. Schoolvereniging aan de Pieter de Hoochstraat naar het groene poortje van het St.-Ignatiuscollege, maar wat een overgang. Ik heb me daar, 12 of 13 jaar oud, behoorlijk op verkeken, maar achteraf moet ik maar mijn zegeningen tellen.

Dat eerste jaar op Gym IB bleef ik zitten. Zelden vertoond in de familie. Schande. Zelf snapte ik het ook niet: fluitend (en als een thee-tante kletsend!) de Lagere School afronden, en dan meteen de outcast van het IG worden. Ziehier het bewijs van het abrupte verval.
In de loop van dat jaar, toen ik merkte dat het aantal negens wat tegenviel, was ik ervan overtuigd dat men zich op het IG danig in mij vergiste en mij niet op mijn waarde wist te schatten. Het klopt, ik voerde geen moer uit, wat huiswerk betreft, maar dat had ik de jaren ervoor ook niet hoeven doen, dus aan mij kon het niet liggen. Ik stelde mezelf gerust met de veronderstelling dat ze mij gaandeweg wel beter zouden leren kennen.

Niettemin was het échec een feit, juli 1960, en op de dag van de rapportuitreiking moest ik thuis met de billen bloot. Alleen figuurlijk dit keer, wonderlijk genoeg, want ik werd voor beduidend minder wel mee de kelder in getroond. Maar mijn oudste zus Addy voorzag het drama en vertrok met mij die dag per fiets zo ver mogelijk van huis: naar het Centraal Station, daar met het pont over het IJ naar Noord en verder tot in Durgerdam. Ik zie ons daar nog zitten op de basaltblokken bij het IJsselmeer, waar ik rustig kon uitleggen hoe dit allemaal zo had kunnen gebeuren.

Mijn vader, in plaats van mij een stellig wel verdiend pak slaag te geven, redeneerde tot mijn stomme verbazing heel anders. Als calculerende en prestatiegerichte burger had hij voorzien dat ik nu mijn eindexamen zou gaan doen in het jaar waarin ik 20 werd, hetgeen inhield dat uitstel van militaire dienst om studieredenen niet meer mogelijk was. En hij ging ervan uit dat als je na school eerst in dienst ging, er van een vervolgstudie niet veel terecht zou komen. In dat laatste heeft hij overigens ongelijk gekregen. Zijn grieven richtten zich niet in eerste instantie op het lamlendige zoontje dat zijn plichten had verzaakt, maar op de paters van het IG die hem niet tijdig hadden gealarmeerd dat het wel eens mis zou kunnen gaan. Daarin had hij misschien wel gelijk, al ben ik sportief genoeg om te bekennen dat ik op eigen kracht best beter had gekund, dat jaar. De kwade pier was dus pater K. Verhofstad S.J. Hij had het helemaal verbruid. Als conrector van het gymnasium had hij zijn verantwoordelijkheid niet genomen (vond mijn vader); als leraar geschiedenis had hij mij ronduit genaaid (vond ik) door met een 4 die nergens op sloeg mijn doodvonnis te vellen.


Aan de kopse kant van het patershuis mochten wij jaarlijks opdraven voor het staatsieportret.

Tableau de la troupe. Ik wist alleen niet alle namen meer, vandaar mijn oproep om mijn geheugen op te frissen, wat Frans van Mierlo op 9 mei 2014 ook deed en Hans Huijboom op 1 november 2014.

 

 


 

 

 

 

1 Dhr. A. Bos (Latijn) 13 Hans Huijboom
2 Obbe Homan 14 Jacques Raeven 
3 Hessel vd. Kolk 15 Hans Jorna
4 Wim Jordans 16 Runsky Purvis 
5 Marc Jansen 17 Frans van Mierlo
6 Hans Mous 18 Frans Verberne
7 Gerard de Koning 19 Peter Pas 
8 Gerard Krikhaar 20 Adri Kaandorp
9 Joep Mirck 21 Tommie Kuypers 
10 Norbert Langemeijer 22 Hugo van den Hombergh
11 Theo Morssink 23 Herman Teunissen
12 Nard Loonen    

Veel van deze klasgenoten moeten er na dat jaar van het IG zijn verdwenen; alleen Hugo en Wim doubleerden net als ik en keerden het jaar erop in Gym-IB terug.
Van die klas kan ik mij verder niet zo bar veel meer herinneren, op twee dingen na:

De docenten van dat jaar, maar over hen zal ik elders in deze reeks van 7 sacramenten nog wel het heilig vitriool uitgieten, of, eerlijker gezegd, er de Heilige Lakmoes tegenaan houden, want er waren heel wat positieve uitschieters.

Het succesvolle team van Gym-IB in 1960, op het hoofdveld(!) van het oude R.K.A.V.I.C.-complex aan de Kalfjeslaan

Het andere was het klasse-elftal, dat op het traditionele Pinkstertoernooi (normaal op elke zaterdag voor Pinksteren, dus direct na luilak; ditmaal echter op Witte Donderdag 14 april) toch maar mooi met de eerste prijs ging strijken.
Staande vlnr.: A. Kaandorp (6), H. vd. Hombergh (1) (wat klein van stuk, maar als keeper onverschrokken), Fr. van Mierlo (res.), G. de Koning (4), N. Langemeijer (5) (aanvoerder; stopperspil als een terriër waar je niet voorbij kon komen), G. Krikhaar (3), W. Jordans (res.), J. Mirck (2).
Knielend vlnr. de zo gevreesde voorhoede: F. Verberne (7) (als een tank met turbo), H. vd. Kolk (8) (zo klein dat hij tussen de benen van verdedigers door kon pingelen; bij hem thuis in Oost heb ik in 1959 nog Nederland-België 9-1 op de radio beluisterd), Th. Morssink (9) (slangenmens dat door elke verdediging heen wist de slalommen en trefzeker kon scoren), H. Teunissen (10) (uit Nieuwkoop; toffe jongen die vaak met mij meefietste tot aan de Lomanstraat en dan, ocherm, nog dat hele eind naar Nieuwkoop moest afleggen; hij hoefde van de paters niet op R.K.A.V.I.C. te zitten – daarom heeft hij geen fatsoenlijke kousen aan), N.Loonen (11) (in ieder geval tweebenig; beetje technisch en snel en kleinzerig).


Wij speelden met een hypermodern systeem: dus gewoon met een stopperspil en 5 aanvallers; menig tegenstander verkeek zich op dat concept. Een Heuse Beker was ons deel. Hier na afloop uitgereikt aan aanvoerder Norbert Langemeijer met een glunderende pater Verhofstad op de achtergrond. Die plaatsvervangende grijns – wist ik veel, op dat moment…

 

 

 

 

Die beker mochten wij bij toerbeurt een tijdje mee naar huis nemen en ik was zo trots als een aap.

Het jaar verliep zoals geschetst, en met de kennis van nu kan ik zeggen dat het me al met al nog wel goed is uitgekomen in de erop volgende jaren op het IG. Maar dat is iets voor weer een ander sacramentsbericht.