All my loving

In vervolg op mijn vorige bericht waarin ik onderaan aandacht besteed aan The Beatles en de twee anthologie-uitzendingen van France Musique wil ik hier een toevoeging plaatsen. Het gaat om een vierstemmig arrangement van All my loving dat Bernard Huijbers rond 1965 maakte en dat ook daadwerkelijk is uitgevoerd, maar ik mis allerhande gegevens daarover.
Vandaar mijn vraag naar verdere informatie.

Niet alleen bij de toen 16-jarige jeugd sloeg de muziek van The Beatles in als een bom, ook sommige volwassenen raakten erdoor geboeid. Zo ook onze koordirigent en componist Bernard Huijbers S.J. die zonder enige aanwijzing vooraf, en zonder enige toelichting achteraf, opeens kwam aanzetten met een a capella zetting van dit lied. Bernard Huijbers S.J., toch in hoofdzaak de muzikale brug waarover Huub Oosterhuis zijn teksten tot den volke kon voeren, maar die ons als koorleden helaas zelden of nooit tekst en uitleg gaf; Bernard Huijbers, die eerder al, rond 1960 even buiten het liturgische pad was getreden met zijn Muzeldicht en met Mozarts d’Bäurin hat Katz verlor’n, legde nooit uit waarom, en wat de muzikale of tekstuele achtergrond was van wat hij ons instudeerde. Jammer van die vele gemiste kansen.
En toen was er opeens All my loving. De cultuurshock was tot in het patershuis doorgedrongen. Waarom, wanneer precies? Ik weet het niet. Zelfs weet ik bij nader inzien niet eens of, en zo ja hoe vaak het is uitgevoerd.

Het enige bewijs dat ik heb, is dat ik de baspartij nog grotendeels in mijn hoofd heb zitten. Na zovele jaren laat mijn absoluut gehoor mij in de steek, maar ik schat dat het stuk in E groot was, zoals ook het origineel van The Beatles. Gelet op het bereik van de doorsnee bas kan ik er niet ver naast zitten. Van de alt- en tenorpartij weet ik helemaal niets meer.
Ik blijf dus zitten met de vraag of er misschien iemand is die zich dit arrangement herinnert, er een partituur van heeft of over andere relevante informatie beschikt.
Ik zou dat graag vernemen.

Er speelt daarnaast nog wel iets anders. Bernard trad in 1975 uit de orde. In de jaren ervoor, kan ik uit mijn vele contacten met hem vanaf 1959 opmaken, keek hij bij tijd en wijle al naar een amoureuze toekomst. Zeker weet ik dat (omdat hij mij dat ooit persoonlijk heeft bekend in zijn latere woonplaats Espeilhac) speelde dat heel sterk toen hij in 1973 de muziek componeerde bij Oosterhuis’ tekst “Delf mijn gezicht op, maak mij mooi. Wie mij ontmaskert, zal mij vinden. Ik heb gezichten, meer dan twee…“. Het was alsof Bernard zich in die tekst herkende. Van daaruit is een tekst als “Close your eyes and I’ll kiss you, tomorrow I’ll miss you… All my lovin’ I will send to you” niet echt een verrassing meer te noemen. Als het hem louter om de (Beatle-)muziek te doen was geweest, had hij misschien nog wel mooiere koorarrangementen kunnen maken van Yesterday of Michelle. Maar nogmaals: Bernard heeft mij dat nooit verteld, dus het blijft mijn eigen interpretatie.

Neemt niet weg dat mijn vragen overeind blijven. Graag dus wat aanvullende informatie.

Hans Kraan 1948-2019

Bijna zestig jaar vriendschap en trouw, dan valt het afscheid zwaar.
Op 26 september overleed Hans Kraan, met wie ik vanaf klas Gym-Ib 1960-1961 van het Ignatiuscollege zo veel en zo lang heb opgetrokken. Het ging al een jaar of wat fysiek niet goed met hem. Aanvankelijk waren de klachten vaag, later werd de oorzaak steeds duidelijker. Een kort ziekenhuisverblijf in april/mei 2019 leek het tij nog te kunnen keren, maar na enige maanden was de situatie uitzichtloos.

Op school was Hans een altijd vrolijke, optimistische knul met wie je geen ruzie kon krijgen, maar met wie je, integendeel, altijd ontzettend veel lol beleefde. In en om school, op het RKAVIC-voetbalveld, hier in 1963: Hans en ik waren de links- en rechtsbuitenbeentjes, hij vooraan links op de foto en ik rechts; op straat bij ons thuis, altijd leuk en opgewekt.

In 2000 is Hans nog een paar dagen in Rosoy op bezoek geweest. Zijn geopperde voornemen om met de scooter te komen, kon ik hem gelukkig uit het hoofd praten. In plaats daarvan haalde ik hem vanuit Boxmeer in Maastricht met de auto op. Oeverloos veel gedaan, bekeken en vooral gepraat, tot diep in de nacht. Open en eerlijk, veelzijdig en mateloos geïnteresseerd in zowat alles.
Voor de rest bestonden onze contacten voornamelijk uit vele mails en nog veel meer telefoongesprekken, waarvan de meeste de 60 minuten ruimschoots overschreden, en ik vrees dat ons 24-uursmenu van veel drank en sigaretten die gesprekken wel steeds op een hoger niveau tilden. Ik besef overigens dat het hodie mihi, cras tibi daarbij ook een akelig reliëf krijgt.

Vanaf 2014 was Hans een van de aanjagers van de jaarlijkse klassereünie van Gym-Ib 1960-1961. Samen met de andere vier leden van deze bende van vijf, Kees, Huub, Michel en ik, zocht hij naar een geschikte locatie en invulling en de nodige mail- en telefooncommunicatie om iedereen erbij te betrekken. Die eerste keer bezochten we de gebouwen van ons Ignatiuscollege; op de groepsfoto Hans staande als vierde van rechts. Tot en met dit jaar 2019 is dat steeds rimpelloos en drukbezocht verlopen. We raken nog steeds niet uitgepraat met elkaar, zeker als je anderen zo lang niet hebt gezien of gesproken, en met Hans erbij al helemaal niet, want die hield bij die gelegenheden de conversatie naar vorm en inhoud altijd wel op boven Amsterdams Peil. Jaar op jaar is bevestigd wat een hechte en geweldige klas er is gevormd op het IG in het schooljaar 1960-1961.

Begin mei zocht ik, samen met Huub, Hans nog op in het OLVG waar hij enige weken moest verblijven (“Het eten is niet te vreten hier“, maar de waarheid gebiedt te zeggen dat door zijn ziekte hem elke eetlust ontbrak). Wel deed hij er alles aan om bij de reünie van half mei 2019 aanwezig te kunnen zijn, hetgeen hem wonder boven wonder nog gelukt is ook.

Tijdens zijn uitvaart op 1 oktober op de Ooster Begraafplaats heb ik het woord mogen voeren, namens mezelf, namens de klas. Daarvan waren elf klasgenoten aanwezig; enkelen waren verhinderd vanwege het boerengedoe op het Malieveld, een paar anderen verbleven in het buitenland.
Ik spitste mijn verhaal voornamelijk toe op twee onderwerpen: mijn laatste contacten met Hans in september 2019 en de fameuze fietstocht door Zuid-Engeland die onder anderen Hans en ik gedurende 23 dagen in augustus 1964 maakten en waarbij hij vlak voor het einde zijn 16e verjaardag vierde.

Het eerste onderwerp was vrij lastig. Begin september belde Hans mij op omdat hij kort daarvoor het ultieme slechtnieuwsgesprek met de behandelende arts had gehad. Tijdens dat gesprek schijnt hij te hebben gezegd: “Dan had ik maar geen mens moeten worden“; typisch Hans, ook al is het slechts buitenkant. Hij vroeg mij onder meer wat hij het beste kon doen met zijn uitgebreide en gevarieerde collectie boeken, waarover ik met hem nog enige tijd heb gepraat. Een week daarna voerden wij ons laatste telefoongesprek, vlak na het weekend waarop het Nederlands Elftal van Estland en Duitsland had gewonnen. Ik vroeg hem of hij nog naar Duitsland-Nederland, 2-4, had gekeken. “Wat dacht je?“, zei hij opgewekt, “Het dak ging eraf bij ons“. Best link, als je in Kruitberghof woont.
Het werd een lang gesprek, maar niet langer dan een uur, zoals dat daarvoor steeds  schering en inslag was. Het werd een mengeling van onbekommerde lol en lastige gelatenheid. “Weet je wat jij moet doen, Hans? Regel het zo dat je Nederland nog Europees Kampioen ziet worden, komende zomer. Hij: “Dan wacht ik liever tot Ajax de Champions League wint”.
Ok”, zei ik, “whichever comes first, maar zorg wel dat je het meemaakt”.
Ik zal mijn best doen”, beloofde hij, maar het waren zijn laatste woorden tegen mij.
In al die vele jaren heeft onze Ajax-Feyenoord-tegenstelling op geen enkel moment tot ook maar één frictie geleid, zo diep en fanatiek als die clubliefde zat en zit. Alleen over MVV waren we het altijd eens, dat die maar weer gauw in de eredivisie moesten komen, al hadden wij daarvoor uiteenlopende argumenten. Als Hans en ik al eens over iets van mening verschilden, dan konden wij uitstekend polderen om er lachend uit te komen.
Op 18 september heeft hij nog gemaild over het IISG, dat ik hem had aangeraden voor een specifiek deel van zijn boeken. Daarna bleef het stil.
Verder zijn het van de klasgenoten vooral Kees en Huub geweest die Hans tot het einde toe met raad en daad hebben bijgestaan. Ik weet dat Hans dat heel erg heeft gewaardeerd.

Het tweede onderwerp was de fietstocht door Zuid-Engeland in augustus 1964 (zie daarvoor ook https://nardloonen.nl/2012/11/29/7-sacramenten-1959-1966-57/ bovenaan).
Met z’n vijven, Hans, Hugo, Leo, Carlo en ik, hadden met medewerking van Ted de Cloet, onze leraar Engels, een fraaie route uitgestippeld die ons langs onder meer Dover, Hastings, Chichester, Winchester, Salisbury, Stonehenge, Oxford, Londen en Canterbury zou voeren, 1235 kilometers in totaal. Hier staan wij gevijven keurig in balans na aankomst in Dover.

Alles was tot in de puntjes verzorgd: een routeboek met alle afstanden en overnachtingsplaatsen, jeugdherbergen gereserveerd en bevestigd (ook om de ouders gerust te stellen; wij waren toen zo rond de 16); een groot aantal niet-te-missen bezienswaardigheden genoteerd, zoals hiernaast een bezoek aan Chichester Cathedral, waar wij warm werden ontvangen door Walter Hussey, the Dean of Chichester; vlnr. ik, Leo, Walter Hussey, Hans, Hugo.
Vooraf waren alle kleren keurig gewassen, gestreken, gevouwen en logistiek verantwoord in de fietstassen gepropt; de fietsen opgepoetst, gecontroleerd en gesmeerd, wat voor Hans al helemaal geen probleem was, want zijn vader was fietsenmaker. Er kon niks meer misgaan.
1235 kilometer in totaal, maar na amper 70 kilometer, nog voor Dordrecht, was het uitgerekend Hans van wie de voorvork brak. Wij in onaangenaam verraste paniek. Zou de hele reis al op dag één in duigen vallen? Hans was de enige die er de humor wel van inzag. Hoe we het hebben geflikt, staat mij niet meer goed bij, maar we vonden in het nabije dorp een smid die het zaakje vakkundig heeft gelast, en voor de rest van de reis hebben we totaal geen materiaalpech meer gehad.
Die reis, nog steeds voor in het geheugen van ons allemaal, had nog een onverwacht geweldig positieve bijkomstigheid. The Beatles, die net anderhalve maand tevoren hun eerste optreden in Nederland hadden gehad, in Treslong te Hillegom voor de VARA, waren met hun onstuitbare opmars begonnen en dat was in Engeland goed te merken. Overal, in alle pubs, restaurants, jeugdherbergen, op straat, schalde hun muziek uit de luidsprekers. Wij vonden het geweldig en Hans nog wel het meeste. Die bleef ook lang een idolaat bewonderaar van die vier Liverpudlians. Het maakte de reis nog boeiender en succesvoller.

Toeval bestaat niet. Maar op 26 september reed ik terug van Boxmeer naar Rosoy. Ik was net de Luxemburgs-Franse grens gepasseerd op het moment van zijn overlijden, maar dat wist ik toen nog niet. Ik stemde de radio af op France Musique, zeg maar de Nederlandse radio 4, waar kort daarvoor een anderhalf uur durende special over The Beatles was gestart, deel 1 van een tweeluik, over hoe zij de historische brug vormden tussen de klassieke muziek en de popmuziek. Het was die dag precies 50 jaar geleden dat Abbey Road was uitgekomen.

’s Avonds thuis, toen de mail en de voice mail mij het schokkende, maar onverbiddelijke bericht hadden gemeld, heb ik een deel ervan gedownload ter afsluiting van mijn woorden tijdens de uitvaart. Let it be in een barokuitvoering à la Händel of Bach op klavecimbel, gearrangeerd door de Deense klavecinist Anders Danman, speciaal voor Hans. In onze ogen en ervaring was Hans een held, aan wie we nog heel lang met heel veel genoegen zullen terugdenken, zeker ik, na bijna 60 jaar vriendschap en trouw.
Terwijl die muziek klonk, legden de vier nog overgebleven reisgenoten vijf rozen op de kist, voor elke Engelandvaarder eentje, om Hans een goede reis te wensen, waarheen die ook moge voeren. “Want, Hans“, zo besloot ik mijn bijdrage, “When you find yourself in times of trouble, let it be”.

Onlangs nog mailde een klasgenoot: “Wat de Beatles betreft, dat is een schot in de roos. Hans was weg van hen. En niet alleen vanwege hun muziek. Ik herinner me nog dat ik in de vijfde of de zesde gym een tijdje naast hem in de klas heb gezeten. Ik kon toen goed zien hoe hij tijdens minder boeiende lessen Beatle-teksten zat uit te schrijven op een blocnote of in een schrift. Daar was hij steeds ijverig mee bezig. Blijkbaar herkende hij van alles in die teksten.

In de dagen erna heb ik beide uitzendingen van France Musique gedownload, elk bijna anderhalf uur lang. Zij vormen een prachtige hommage aan The Beatles, maar meer nog dan dat, zij geven inzicht in de enorme waarde van hun muziek. De uitzendingen zijn uiteraard in het Frans. Een uitnemend moment om je Frans weer eens wat op te poetsen, al zij gezegd dat meer dan de helft van de uitzendingen uit muziekvoorbeelden bestaat. Zolang  de site van France Musique  beide delen nog online heeft staan, kun je ze beluisteren op:
Deel 1 (26 september): https://www.francemusique.fr/emissions/arabesques/abbey-road-a-cinquante-ans-les-beatles-et-la-musique-classique-1-2-75917
Deel 2 (27 september): https://www.francemusique.fr/emissions/arabesques/abbey-road-a-cinquante-ans-les-beatles-et-la-musique-classique-2-2-75939
Wie de door mij gedownloade opnamen wil hebben, kan mij ook even mailen. Dan stuur ik ze als wav-bestand per wetransfer toe (samen ± 2Gb). Het op 1 oktober gespeelde barokke Let it be vind je in de uitzending van 26 september rond minuut 66.

Daags voor de uitvaart heb ik namens de bijna voltallige klas bijgaande advertentie in De Volkskrant geplaatst. Als motto daarboven staat Beter dan Elckerlyc. Hans en ik, beiden neerlandici, snappen dat wel. “Den spyeghel der salicheyt van Elckerlyc” is een moraliteit, een Middelnederlands allegorisch toneelstuk uit circa 1470 dat gaat over Elckerlyc, lees: Jan en alleman, die met één been in het graf staat en dan merkt dat, nu hem de dood is aangezegd, al zijn aardse waarden hem in de steek laten. Gezelschap, Familie, Vrienden, Bezittingen, zij weigeren hem te vergezellen. Alleen de Deugd is bereid tot in de dood bij hem te blijven.
Ik denk dat Hans het er dus beter heeft afgebracht. Niet alleen dat wij hem met z’n allen, familie, klasgenoten, vrienden, zelfs mede-Ajaxfans, tot het uiterste hebben begeleid. Ook zullen wij zorgen dat zo veel mogelijk van zijn ondernomen literair-maatschappelijke studies, onaf, maar stevig in de steigers, niet verloren zullen raken. Ook zullen de klasgenoten, ik graag voorop, de onschatbare waarden van wat wij met Hans hebben meegemaakt en ervaren, nog in grote dank blijven meevoeren.


Deze bijdrage is een aangepaste en sterk uitgebreide versie van mijn woorden tijdens de uitvaartplechtigheid op 1 oktober jl.


Finale

Een finale is een eindspel dat je kunt winnen of verliezen. Scherper gezegd, om het sentiment rond finalewedstrijden bij ijshockeytoernooien te citeren: “You lose the gold, but you win the bronze“. Ik ga voor brons, want ik ben een slecht verliezer.
In november 2012 begon ik met het publiceren van mijn weblog. Inmiddels staat de teller op 343 artikelen en 377 reacties. Het is een mengeling van feiten en meningen, ernst en luim, ver- en bewondering, humor en wetenschap, ergernissen en voorliefdes.

Natuurlijk was het mijn opzet mijn bevindingen en opvattingen, luchtig, maar vaker kritisch, kenbaar te maken aan wie ze wilden lezen of niet. Over taalkunde, politiek, films (alleen de betere, niet van die bagger uit Amerika, dus alleen met name  Spaanse, Duitse en vooral Italiaanse, d.w.z. Pasolini), jeugdherinneringen, muziek, de Abdij van Beaulieu, sport, literatuur, verkeer en vervoer, Sint Sebastiaan, het leven op het Franse platteland met al het bijbehorende verbouwen in huis en op het land, een aantal necrologieën,… In die zin heeft het ook wel gefunctioneerd, denk ik.

Jammer genoeg loopt soms een project stuk of spaak, of vertraging op, maar dat is een ernstig en verwerpelijk zeugma. Sorry.

Zo ligt mijn bemoeiing met Beaulieu  (zie beaulieu-1-van-vele voor het eerste bericht uit de reeks van vijf artikelen) al ruim een jaar stil, eigenlijk alleen doordat de Amerikaanse mevrouw wier eigendom het hele domein is, al die hele tijd niets meer van zich laat horen, niet reageert op mijn vele (aangetekende) brieven en mails, en doordat de gendarmerie mij op het hart drukt dat ik zonder door haar geschreven en geauthentificeerde uitdrukkelijke toestemming het terrein niet mag betreden, laat staan er werk verrichten of spullen in veiligheid brengen. Misschien is ze wel dood, of laat ze de boel de boel. Dat anderen intussen ongehinderd naar binnen kunnen en de halve kiet leegroven, is kennelijk geen bezwaar.

Ook mijn jongste project zit in de ijskast, zo het geen diepvries wordt. Ik ben halfweg met het schrijven van een omvangrijke studie waarin ik de parallellen beschrijf tussen Pasolini’s laatste twee films. De meeste van de 28 aspecten van die overeenkomsten heb ik al af, maar ik kan niet verder zonder diepgaande medewerking van het Centro Studi-Archivio Pasolini in Bologna voor tekstmateriaal en foto’s. Na hun aanvankelijk enthousiaste reacties hoor ik opeens al een tijdje niks meer.

En tot nu toe buiten de weblog om ligt mijn taalwetenschappelijk artikel over het verschil tussen ‘geven’ en ‘nemen’, met al zijn consequenties voor het voorzetselgebruik, al circa twee jaar op de plank te verstoffen. Ondanks de hulp van de universiteiten van Leiden en Gent lukt het me nog steeds niet een paar weken achtereen ongestoord te kunnen werken aan een drastische revisie van mijn concepttekst.

Een achterliggend doel van mijn weblog was van meet af aan ook om te dienen als een steeds aangroeiend archief en als documentatiemateriaal voor eigen behoef, zeg maar als mijn testament. Niet het echte natuurlijk, want dat ligt te bestemder plekke veilig opgeslagen, samen met mijn NVVE-wilsverklaring. En mocht de natuur mij te vlug af zijn, ook goed. Aisi soit-il. Maar wel als een scala van blijken van de veelzijdigheid die kenmerkend is voor een docent Nederlands.

Ik doe bar weinig dingen zo maar, of per ongeluk. Niks geen niemendalletjes. Ik ben geen vermakelijkheidsinstelling. Veel van mijn woorden, zinnen, artikelen bevatten dubbele bodems en vereisen meervoudige lezing. Simpel voorbeeldje: mijn beeldmerk (niet: logo, want een logo bevat de bedrijfsnaam; ‘logoV‘ betekent ‘woord’) dat hier bovenaan staat afgebeeld, en tevens de vaste achtergrond van al mijn artikelen vormt en van mijn visitekaartje, kun je van twee kanten bekijken: kantel je je hoofd een klein beetje naar links, dan heb je de horizontale Franse tricolore blauw-wit-rood; kantel je je hoofd meer naar rechts, dan staat er de verticale Nederlandse driekleur rood-wit-blauw. Maar nog steeds weet niemand waar ik het concept vandaan heb. Het is uit het Parijse Musée d’Orsay, en daar is lang aan gewerkt.

Vasthoudend ben ik wel, zo nodig met het geduld van een katachtig roofdier dat op zijn prooi loert: ik ben weinig toeschietelijk als het gaat om irritante taalfouten, of als ik mij erger aan de manier waarop wij allen door slinkse, infantiele reclame en asocial media worden besodemieterd en uitgebuit, of als ik dreig te worden meegezogen in modieuze, soms hufterige hypes waar velen als kippen zonder kop achteraan hollen, zoals bijvoorbeeld het wurgende en mensonwaardige neo-puritanisme.

Ook blijf ik mij met kracht verzetten tegen kwebbelboxen als whatsapp en twitter. Als je al meent iets de wereld kond te moeten doen, denk dan eerst eens rustig na over een passende en gepaste inhoud en over een daarbij behorende passende en gepaste taalvorm in hele, correcte, Nederlandse zinnen. Dus zonder kretologie en luchtbellen en beweringen waarvan je zelf de waarheid en werkelijkheid niet onomstotelijk kunt aantonen. Daarmee voorkom je oeverloos gezwets en zweefgezwatel en taalverloedering en vertrossing van ons denken. Veel berichten winnen aan kracht en informatieve waarde als je er eerst eens een nachtje over hebt geslapen. Soms wel twee.

En ik ben niet, in ieder geval niet meer, in de race om ongetwijfeld met goede bedoelingen verstrekte adviezen te aanhoren, al dan niet van medische zijde, die mij, voor mijn gezondheid en onbezorgde oude dag (vertel dat het ABP maar), achter de geraniums willen opbergen, mij van de genietingen des levens te laten beroven en mij op een dieet van worteltjes en sla als een konijn te laten vegeteren, mij 2x daags door de ADMR-dames op staatskosten te laten wekken, douchen, aankleden, die de vloer voor mij aanvegen, de kat te eten geven, wekelijks de vuilnisbak aan de stoeprand zetten en de 18 bellen als ik dat zelf niet meer kan of hoef. Evenmin, in ieder geval niet meer, om als een soort horecabedrijf jan en alleman hier gastvrij te onthalen die ‘toevallig’ en route toch net in de buurt is en zich ongevraagd een gratis diner, overnachting en ontbijt laat welgevallen. Ik ben geen sociale instelling. Net als met eten ben ik kieskeurig in mijn uitnodigingen en er zijn er genoeg die ik liefheb, met een sociale instelling.
Anderen kunnen terecht bij Au Lion d’Or = Au lit on dort of bij Het Hijgende Hert.

Waar ik mij verder mateloos aan erger of van walg:

  • honden;
  • bekrompen dorps- en boerenmentaliteit;
  • schurkenstaten als de USA en Israel en nog zo’n paar;
  • vis en kip (“geen veren en geen schubben“);
  • een automobiel van Japanse makelij (geldt voor mijn hele familie; zie het begin van mijn automobielshow);
  • ja zeggen en nee doen;
  • injecties;
  • de vernietiging van de PSP;
  • inhalende vrachtauto’s en caravans en sommiger mensen rijgedrag (niet uitsluitend vrouwen en bejaarden);
  • mensen die medelijden hebben met mensen die anders denken.

En valt er misschien dan ook nog wat positiefs te melden? Wel zeker:

  • van al mijn gezondheids-/ouderdomskwalen zijn er inmiddels enkele afdoende gerepareerd, andere onder controle en een paar nog te bevechten;
  • in 2019 zijn er in huis enorme stappen gezet met uiterlijk, comfort, isolatie en verwarming;
  • ook in 2019 belooft er een goede oogst aan te komen, kruiden, groenten, aardappelen, alleen wat minder fruit, schijnt het;
  • het aantal goede contacten dat ik heb en weet te onderhouden, met sommigen al meer dan 60 jaar lang, is uitermate bemoedigend;
  • dankzij mijn voortreffelijke camera heb ik hier in de buurt tussen 2017 en 2019 de schoonheid van het verval (“La beauté du délabrement“) in een fotoreeks kunnen vastleggen; gebouwen, landschappen, vervoer…; omdat het mp4-bestand van 8½ minuut te groot is, ± 265 Mb, heb ik het op youtube gezet. Bekijk het HIER, maar alleen op een groot scherm; op zo’n lullig minuscuul telefoonschermpje blijft er noch van de schoonheid, noch van het verval weinig over, en evenmin van de Vexations van Erik Satie die ik eronder heb gezet –  zonde van al het werk dat ik erin heb gestoken;
  • elke dag leer ik weer wat bij.

Voor de goede orde: reacties op dit artikel stel ik niet op prijs. Gelezen of ongelezen bereiken ze linea recta hun finale bestemming in het ronde archief. Ze worden hoe dan ook niet gepubliceerd.

Ik heb gezegd. Ik ga voor brons.

Spiegelrijm

Een oplettende lezer betrapte mij erop dat ik in mijn rijmoverzicht Een tien voor taal van januari jl. een rijmschema had vergeten op te nemen: het spiegelrijm. Eigenlijk twee schema’s: het scharnierrijm als uitgebreide vorm van het spiegelrijm. Ik ga die omissie hier goedmaken, en misbruik daarvoor het onvergetelijke Collegelied van het Amsterdamse St.-Ignatiuscollege.

De tekst van dat lied, gecomponeerd door Hubert Cuypers (1873-1960), werd geschreven door pater Louis Huf S.J. in 1946. De net voorbij oorlogsjaren klinken er nog in door. Het eerste couplet luidt:

Wij gaan langs Amstels wegen
Door ’t drukke stadsgewoel.
Bij zonneschijn en regen,
’t College blijft ons doel.
Wie ’t leven willen wagen
Die komen hier bijeen
Voor grootse levensvragen
En gaan ook graag weer heen.

Dat is dus een standaardvoorbeeld van gekruist rijm AB-AB-CD-CD.

Kenmerkend voor spiegelrijm is het veel moeilijker te maken rijmschema ABCD-DCBA, dat we ook wel kreeftrijm zouden kunnen noemen vanwege de omarmende scharen. In feite is het hogere rijkunst naast het al eerder behandelde omarmend rijm AB-BA.

Om het dan nog iets lastiger te maken bedenk je een extra middelste regel tussen de twee kwatrijnen, die rijmt op de eerste en laatste regel, waarbij je een tegenstelling of overgang illustreert tussen het eerste en laatste kwatrijn, dus zowel een vormelijk als een inhoudelijk scharnierpunt in het gedicht.

We krijgen dan mijn volgende proeve van bekwaamheid:

A  Wij gaan langs Amstels wegen
B  ’t College blijft ons doel.
C  Voor al die levensvragen
D  Komt ieder graag bijeen,

 

A  (al valt het soms wat tegen)

 

D  Dus gaat ook graag weer heen.
C  De lessen gaan vervagen.
B  Dat scheelt een heleboel:
A  Na zonneschijn komt regen.

Van wie ik het idee heb? Natuurlijk van Drs. P. Zie zijn uitleg op https://www.dbnl.org/tekst/_twe007198901_01/_twe007198901_01_0025.php

 

Ik heb een tien voor taal

De heruitzending op 6 januari 2019 van het programma TV Monument: Drs.P. (2017, BNNVARA) bracht mij in herinnering dat ik mij tijdens mijn docentjaren op het Elzendaalcollege te Boxmeer vrij intensief heb beziggehouden met het liedrepertoire van de Drs. en vooral met zijn ongeëvenaarde rijmkunst.
Onder het motto “Ik heb een tien voor taal, maar rijmen doe ik niet aan mee” stelde ik in 1980, in de aanloop naar Sinterklaas, een overzicht samen van soorten rijm in het Nederlands. Het werd een beknopt, maar alleszins veelomvattend taalwetenschappelijk werkje met een vette glimlach. Getypt op mijn elektrische IBM-bolletjesschrijfmachine, want tekstverwerken was er toen nog niet bij.
Omdat ik niet wil uitsluiten dat sommige leerlingen van destijds het boekje niet meer beschikbaar hebben, en omdat er wellicht ook nog anderen in zijn geïnteresseerd, laat ik het hier gescand en integraal volgen, met alleen een kleine aanpassing op pagina 2.
Vrij te gebruiken/verspreiden voor wie daaraan behoefte gevoelt.


11 oktober

Fransen geven meer om naamdagen dan om verjaardagen. De heiligen van de dag kom je dan ook op allerhande Franse kalenders tegen.
11 oktober is de naamdag van de 9e-eeuwse hymnograaf Théophane, een soort voorloper dus van Bernard Huijbers, en veel van zijn hymnen worden nu nog steeds in Franse kerken gezongen.
Ik had, eerlijk gezegd, nog nooit van de man gehoord, en ik heb er ook niks mee.

 

 

Ook kerkelijk is 11 oktober als “feestdag van het moederschap van Maria“. Althans, dat had paus Pius XI in 1931 zo bepaald, totdat paus Paulus VI in 1968 het feest verschoof naar 1 januari. Het is en was overigens toch maar een feestdag 2e rang, dus verwacht er niet te veel van. “De Engel des Heren heeft aan Maria geboodschapt. En zij heeft ontvangen van de Heilige Geest“. Twee bekende zinnen die grammaticaal incorrect zijn vanwege het ontbreken van de vereiste lijdend voorwerpen bij boodschappen en ontvangen.
Haar op zich onbetwiste moederschap wordt naar de achtergrond gedrongen door de zinloze discussie over haar bovennatuurlijke maagdelijkheid.
De Kerk en seks, al meer dan 2000 jaar is dat geen geslaagd huwelijk gebleken.

Op 11 oktober 1900 werd Solange Parisot geboren, de laatste bewoonster van mijn huidige huis, waaruit zij in 1984 noodgedwongen vertrok naar een maison de retraite. Maar ze hield het huis aan om er weer te kunnen terugkeren als “ze weer beter was”. Fransen bewaren alles en weggooien kan altijd nog. Maar ze werd niet beter, want ze was helemaal niet ziek, alleen maar oud. Ze hield het daar nog 14 jaar uit voordat ze overleed en wij het te koop staande huis konden verkrijgen. Nog steeds waart Solanges herinnering door alle vertrekken hier, inrichting, keukengerei, meubels, kleinere en grotere dingetjes; en te harer ere heb ik een buste van haar in een gedachtenisje in de salon geplaatst, in 2015 gemaakt door Ellen Beljaars naar een foto van Solange uit 1915.

Op 11 oktober 1946 werd ik geboren. Mijn rubriek levensloop op deze weblog is nog steeds verre van compleet. Misschien is dat maar goed ook. Maar uit de inmiddels ruim meer dan 300 berichten valt er veel te lezen en te interpreteren. Voor elk wat wils, dunkt me.

 

Kortom, 11 oktober, een dag om nooit te vergeten.

 

Vooralsnog gelijk

In mijn oktober-artikel had ik voorspeld dat Barcelona-Real Madrid op 6 mei zou eindigen in 3-2. Het werd gisteren 2-2 in een bepaald onvriendelijke wedstrijd. Daarmee is aangetoond dat de strijd tussen Rajoy en Puigdemont in een impasse verkeert.
Is het een aflopende zaak of slechts stilte voor de storm?
Ik durf er niks meer over te zeggen.

 

Huijbers-Oosterhuis op vinyl

In het kader van de grote schoonmaak doe ik zo af en toe een bepaalde partij in de aanbieding. Ditmaal betreft het mijn collectie grammofoonplaten met muziek van Bernard Huijbers en teksten van (meestal) Huub Oosterhuis. Niet dat ik erop ben uitgekeken of uitgeluisterd, maar je kunt niet alles blijven bewaren.
Wie belangstelling ervoor heeft, of iemand kent die erin is geïnteresseerd, kan mij een mailtje sturen om over de prijs te onderhandelen en de overdracht te regelen.

18 van de 23 platen zijn uit de reeks Didascalia, uitgegeven door Gooi & Sticht. Het betreft zowel 331/3– als 45-toerenplaten, alle goed speelbaar, al hebben sommige hoezen wel in wisselende mate onder de lange duur geleden. Ze stammen, voor zover ik weet, uit de periode 1959-1977.

Hier een korte omschrijving; voor meer details kun je me mailen.

  • Didascalia-1 : advent. 45t. Gaaf
  • Didascalia-2 : kersttijd. 45t. Gaaf
  • Didascalia-3 : epifanie en voorvasten. 45t. Gaaf
  • Didascalia-4 : vasten. 45t. Gaaf
  • Didascalia-5 : pasen. 45t. Gaaf
  • Didascalia-8 : tijd na pinksteren II. 45t. Gaaf
  • Didascalia-9 : tijd na pinksteren III. 45t. Gaaf
  • Didascalia-XI : de goede week – witte donderdag/goede vrijdag. 33t. Lichte hoesschade
  • Didascalia-XII : de goede week – de paasnachtwake. 33t. Lichte hoesschade en 1 nummer niet goed speelbaar
  • Didascalia-14 : Psalm 24 en 46/Het lied van de stad/Mensenlied. 45t. Gaaf
  • Didascalia-XV : heden en hier en in die dagen. 33t. Gaaf
  • Didascalia-XVI : open uw hart – gezangen om samen iets te vieren. 33t. Lichte hoesschade
  • Didascalia-XVIII : niemand leeft voor zichzelf – muziek voor en door gewone mensen. 33t. Lichte hoesschade
  • Didascalia-22 : gehoord in psalmen – gezangen uit “binnenkant”. 33t. Lichte hoesschade
  • Didascalia-27 : passage. 33t. Lichte hoesschade
  • Didascalia-29 : over de mensen. 33t. Lichte hoesschade
  • Didascalia-31-32 : zoiets als heb mij lief. 33t. dubbel-LP in kartonnen, beschadigde box
  • Ambrozijn en Groggelgijn – voor scholen van de Libanon. 45t. Gaaf
  • Iemand die recht doet. 45t. Gaaf
  • Het Woord is niet te hoog. Literama luisterplaat. 33t. Lichte hoesschade
  • Zijn liefde gaat van mond tot mond. 33t mono. Fontana (witte voorkant). Vochtschade hoes
  • Zijn liefde gaat van mond tot mond. 33t stereo. Philips (zwarte voorkant). Lichte hoesschade.

Liefst verkoop ik het geheel in één keer; dan kan het als pakketpost (bijna 4 kg) binnen Nederland worden verstuurd voor € 6,95 (voor andere landen: verzendkosten op aanvraag).

 

Schumann

 

Ongetwijfeld heeft Erik Scherder gelijk als hij betoogt dat bezig zijn met muziek een enorme invloed heeft op de ontwikkeling van de hersenen, zeker bij kinderen tot 11 jaar. Wat dat betreft heb ik geboft: vroeger bij ons thuis plaatste mijn vader, slechthorend, met grote regelmaat schellakplaten op de Philips draaitafel en moesten wij allen stilzwijgend meeluisteren, anders kon hij de muziek niet goed horen. His Master’s Voice was wet. Die muziek werd slechts afgewisseld op zondag. Eerst rond het middaguur via de draadomroep met het politieke commentaar van Mr. G.B.J. Hilterman, waarvan ik pas later de afgrijselijke politieke kleur ben gaan inzien, maar dat destijds toch een hoogtepunt werd doordat wij tijdens die uitzending steevast een gevulde koek kregen  met een amandel erop. Dan, tegen het einde van de middag, ook via de draadomroep, met de voetbaluitslagen, gelezen door Frits van Turenhout, van Eredivisie tot en met 2e-divisie-B. Dat ging mij pas jaren later interesseren.

Niet dat klassieke muziek het enige genre was dat mijn hersenontwikkeling stimuleerde, maar ik wil me nu even wel daartoe beperken.

Iedereen zal wel het mysterieuze effect kennen dat sommige muziek de luisteraar (of uitvoerder) letterlijk tot tranen kan bewegen. Wat dat betreft legde Erik Scherder duidelijk minder de nadruk op twee andere eigenschappen van muziek: de emotionele uitwerking ervan en de een-op-een-associatie die ik maak van een bepaald muziekstuk met een bepaalde locatie of gebeurtenis. En zo kom ik bij Schumann terecht.

Op gezette tijden stapte mijn vader op de fiets met de kleine Nardje voorop het zitje dat aan het stuur hing, en zo gingen wij Amsterdam verkennen. Een blijvende herinnering is een rit naar de Oranjesluizen (of de Schellingwouderbrug, maar die kwam er pas later, meen ik), terwijl kort daarvoor het pianoconcert van Schumann door de veel te kleine huiskamer in de Anna Vondelstraat had geschald. Terwijl ik voorop de fietsstang grote moeite had met de vingertjes niet bekneld te raken tussen het samenstel van de nikkelen stangetjes langs het stuur van de trommelremmen, zoemde die muziek de hele tijd door mijn hoofd. Zo sterk zelfs, dat ik die associatie nu nog steeds maak. Slaat nergens op, behalve dat er een eenheid van tijd, plaats en handeling is, zoals een klassiek drama betaamt, en zulks ditmaal in zeer positieve zin. Alleen dat al helpt Schumann aan een plaats in mijn top-10 van favoriete componisten.

Maar dan nog iets. Afgelopen zondag reed ik van Boxmeer terug naar Rosoy. Eenmaal voorbij Arlon kun je dan op de autoradio France Musique ontvangen, de Hilversum-4 van Frankrijk met muziek van klassiek tot jazz, van middeleeuwen tot avant-garde. Dat is andere koek dan Hilterman of Van Turenhout, laat staan gevulde koek. Die middag had de omroep een speciale uitzending gewijd aan Sviatoslav Richter, voor mij de beste pianist ooit (al wil ik Arthur Rubinstein, Ingrid Hæbler, Dinu Lipatti, Wibi Soerjadi, de broertjes Jussen e.v.a. geenszins te kort doen). Zo ergens tussen Metz en Nancy kwamen opeens de tranen. Slaat nergens op, behalve dat het om het kwintet voor piano en strijkers ging, opus 44, van Robert Schumann. Oorzaak was het tweede deel: In modo d’una Marcia (un poco largamento). Een beetje te vergelijken met de Marche funéraire (prélude) van Chopin, maar ook weer niet helemaal. Ik kan het niet rationeel verklaren, maar dat tweede deel ging dwars door mij heen en laat mij nu al dagenlang niet los. De beruchte oorwurm met weerhaakjes. En Schumann is weer een paar plaatsen gestegen op mijn klassieke ladder.

Wie daarop nog meer een plek hebben, kan ik niet definitief zeggen. Wel weet ik dat Bach bovenaan staat; bijna alle anderen staan als componist op zijn schouders. Verder vermoed ik om uiteenlopende redenen een ereplaats voor, in alfabetische volgorde: Chopin, Mahler, Mendelssohn, Mozart, Paganini, Satie, Schumann natuurlijk, …

Een hartgrondig hekel heb ik aan Van Beethoven. Niet omdat hij een slecht componist was, niet omdat hij voortborduurde op de erfenis van Mozart en Haydn, zelfs niet om zijn pompeuze Romantiek, waarbij een muziekstuk aan het einde maar steeds niet wil ophouden, maar juist om dat associatie-element dat ik hierboven uiteenzette. Tot driemaal toe heeft hij het voor elkaar gekregen mij tot walgens toe te kwellen.
Eerst toen op een dag, ik moet 10 of 11 zijn geweest, het mijn vader had behaagd die vreselijke 6e symfonie op te zetten, toen ik geboeid aan het lezen was in de zo spannende Prisma Juniores 32: Alfred Hageni, 50 dagen oerwoud. Net op het moment dat Beethoven het tijd vond om een van zijn romantische erupties door de luidspreker te schallen, was ik net op een bladzij met een heel spannend en eng moment in het verhaal. Gevolg: iedere keer als ik die symfonie hoor, val ik weer ten prooi aan de gevaren van de jungle. Ook nu nog.

Het tweede moment was de eerste (en laatste) keer dat ik meemaakte dat mijn moeder in een overspannen bui door het lint ging. Ik had zoiets nog nooit beleefd en schrok. Door de kamer en suite in de Lomanstraat klonk Beethovens 6e symfonie. De gevolgen waren desastreus. Ook nu nog steeds.

Het derde moment is geweest om voor het zogenaamde Europese Volkslied te kiezen voor Alle Menschen werden Brüder (Ode an die freude) uit Beethovens 9e symfonie. Welke oen heeft dat bedacht? Behalve dat Alle Menschen werden Brüder niet bepaald genderneutraal is, eerder voor 50% der Menschen transseksueel, is het ook je reinste science fiction, of op z’n minst wishful thinking. Dan hadden ze net zo goed kunnen kiezen voor Einigkeit und Recht und Freiheit, für das deutsche Vaterland! Danach laßt uns alle streben, brüderlich mit Herz und Hand! Evenmin genderneutraal, maar het benadert wel beter wie er in Europa de baas is, en het komt net iets minder kwetsend over dan Deutschland, Deutschland über alles, über alles in der Welt, al komt het wel op hetzelfde neer. Nu kan ik me voorstellen dat Angela Merkel (ex-DDR) niet erg was geporteerd voor die Einigkeit und Recht und Freiheit, omdat dat het begin is van het eerste couplet van het DDR-volkslied. Maar ze had toch ook kunnen kiezen voor iets Zweeds (geen Abba a.u.b.), iets Italiaans (geen Pavarotti a.u.b.) of desnoods iets Nederlands (geen Wien Neêrlands bloed a.u.b.)?

Beethoven staat dus niet in mijn top-10; sterker nog, hij staat onderaan en moet voor degradatie vrezen. Als de man nog leefde, zou hij zich omdraaien in zijn graf.

Van het tweede deel van Schumanns kwintet staan diverse uitvoeringen op YouTube.
Niet slecht vind ik die uit 2010 van de Meadowmount School of Music.
De complete partituur van het kwintet is HIER te downloaden.
Voor de pianisten heb ik In modo d’una Marcia gearrangeerd voor pianosolo; alleen het hoofdthema, zeg maar de eerste twee minuten, dat verderop nog in diverse varianties terugkeert.
Afbeelding staat hiernaast.


Had ik niet al anders besloten, dan zou ik misschien dat tweede deel van Schumanns kwintet wel op mijn uitvaart hebben willen gespeeld horen.
Maar ja, toekomstmuziek, hè. Ongetwijfeld.

 

 

 

Boter op wiens hoofd?

Het wordt hoog tijd dat ik mijn stamkaart en distributiebonnen uit de archiefdoos tevoorschijn haal om nog enigermate aan mijn boterrantsoen te kunnen komen:
in Frankrijk is er sinds half oktober zowat geen boter meer te krijgen. Niet bij de Colruyt, niet bij Leclerc, niet bij de Carrefour, niet bij de Intermarché, nergens. Wat is er aan de hand? Geen melkquota meer? Geen melkplas meer? En waarom wel in Frankrijk, maar niet in België en Nederland?

Er circuleren diverse verklaringen in de media. Een daarvan is dat de boterprijzen dermate hoog zijn gestegen, in een jaar tijd van € 2.500 per ton tot wel € 8.000, dat de tussenhandel, lees de supermarkten, het verrekken die hogere prijzen aan hun leveranciers te betalen en vervolgens te moeten doorberekenen aan hun klanten. Daardoor ontstaat er een vreemd soort prijzenoorlog, waarbij de Franse winkelketens hun hakken in het zand hebben gezet en liever niet verkopen dan veel te duur. Typisch Franse koppigheid.

Een andere gemelde verklaring is dat Nieuw-Zeeland, ’s werelds grootste melkexporteur, met een tekort aan melkvolume kampt.
Pardon? Nieuw-Zeelandse melk in Europa? Daar waar wij gewend zijn aan boterbergen, koelhuisboter, melkplassen en overschotten bij de vleet, hebben wij Nieuw-Zeelandse melk nodig om onze boterhammen te smeren? En waarom dan bij uitstek in Frankrijk, en niet in zijn noordelijke buurlanden? Is er iets mis met de Europese samenwerking, vrijhandel, open grenzen?

Ik weet het goed gemaakt. Ik keer terug naar de jaren-’50. Ik rijd naar Nederland. Koop daar een bult boter en smokkel die als vanouds de Belgische grens over. En de Luxemburgse. Daar bevoorraad ik me ook nog eens met aanmerkelijk goedkopere benzine, diesel, alcohol en tabak en rijd met een auto vol smokkelwaar de Franse grens over. Word ik daar niet door de douane betrapt, dan ben ik hem gesmeerd en kan hier weer rustig volop genieten van mijn slinks vergaarde ravitaillering.
Vive l’Europe.

 

Joep Baartmans-van den Boogaard

Joep (3e van links) tijdens een toneelopvoering door de sectie Nederlands op het Elzendaalcollege te Boxmeer ±1980

Gisteren overleed op 77-jarige leeftijd mijn oud-collega Joep Baartmans-van den Boogaard (1939-2017). Naast haar docentschap-Nederlands aan het Elzendaalcollege in Boxmeer was zij politiek actief in Boxmeer en het provinciaal bestuur van Noord-Brabant in Den Bosch, waarna enkele functies als burgemeester volgden. Ik heb haar, in mijn Elzendaalperiode van 1973-1983 dagelijks meegemaakt en bewaar er warme herinneringen aan.

Als collega-Nederlands maakte zij op mij grote indruk. Enerzijds als vakvrouw, niet zozeer op taalkundegebied, maar bovenal op het terrein van de literatuur. Haar belezenheid was voor mij van een onhaalbaar niveau. Geen literair werk, of zij had het wel gelezen, Nederlands- of buitenlandstalig, iets waaraan ik nooit kon tippen. Dat had zijn onherroepelijke weerslag of haar visie op het wereldgebeuren, en dat moet zeker hebben meegespeeld bij haar besluit, al noemde zij dat onbedoeld, maar het was onontkoombaar, als politica. Eerst als PvdA-raadslid in Boxmeer, later als Statenlid in Den Bosch en gedeputeerde voor Cultuur, Onderwijs en Welzijn. Van 1995-2007 was ze (waarnemend) burgemeester van achtereenvolgens Heusden, Schijndel, Son en Breugel en het VVD-nest Vught.

Ik leerde haar als sectiegenoot-Nederlands kennen en waarderen als uiterst toegankelijk, vriendelijk, warm, bekwaam en oplossingsgericht collega. Dat was zij overigens niet alleen tegenover collega’s, maar ook tegenover leerlingen. Ik herinner me goed de vele tientallen mondelinge schoolonderzoeken Letterkunde voor HAVO- en VWO-leerlingen die wij, als examinator of assessor, samen afnamen en waarin zij moeiteloos al het mogelijke deed het beste uit leerlingen tevoorschijn te halen. Als nieuwbakken docent-Nederlands (1973) trof ik in haar ook een bijna moederfiguur bij wie ik altijd terecht kon om vragen van allerhande soort aan een goed antwoord te helpen. En in haar vaak principiële stellingname toonde zij zich zeer standvastig, iets wat mij bijzonder trof.

Toen zij eenmaal in de Boxmeerse gemeenteraad zitting had, kon ik haar stellingname steeds wel billijken, al was ik daarmee binnen de PSP-Land van Cuijk een van de weinigen. Ik snapte ook wel dat een vanouds KVP-bolwerk als Boxmeer niet op stel en sprong een socialistisch paradijs kon worden. Een discrepantie die haar man, Jacques Baartmans, eveneens PvdA-lid en ex-collega-Nederlands, mij ooit eens treffend verwoordde: “Als ik net als jij in Amsterdam woonde, zou ik PSP gestemd hebben“.

Na haar en mijn vertrek van het Elzendaalcollege ontmoette ik Joep nog maar zelden of nooit, vooral vanwege de geografische afstand. Maar de herinneringen bleven, zulks in positieve zin.

Ik hoop van harte dat Jacques en hun zoon Bart-Jan de kracht vinden hun leven zonder vrouw en moeder in gunstige zin te vervolgen.

____________________________

Nagekomen:

Medio januari 2018 kreeg ik nevenstaande groepsfoto van het Nijmeegs Studentencabaret uit 1961 toegestuurd, met Joep van den Boogaard, bovenste rij, tweede van rechts. Dank daarvoor.
De foto komt uit de collectie van Riet Lousberg.

 

 

Cruquius

Een goed initiatief van Christiaan om naast onze jaarlijkse reünie van klas Gym-Ib uit 1960 ook een educatieve uitbreiding te verzorgen: een rondleiding in en om het Cruquiusgemaal aan de rand van de Haarlemmermeerpolder. Hij was daar enige tijd geleden min of meer bij toeval als rondleider ingerold, geheel buiten zijn eigenlijke vakgebied om, en wist er inmiddels zo veel over te vertellen dat het de moeite loonde zijn verhaal te aanhoren en met eigen ogen dit wonder van techniek en vernuft te aanschouwen.

De Cruquius is al lang niet meer functioneel (verrichtte zijn werk in hoofdzaak van 1849 tot 1852 ter drooglegging van de Haarlemmermeer), maar nog wel werkend. Vorige week werd het Wouda-stoomgemaal in Lemmer nog ingezet ter voorkoming van wateroverlast, maar er zal nog heel wat water over de dijken moeten klotsen om ook het Cruquius-reservegemaal een dergelijke beschermende functie te laten uitoefenen.

Het nu hydraulische gemaal was in feite een prestigeobject van Willem I, wiens PR na zijn echec in 1830, het verlies van België, wel een opkikkertje kon gebruiken. Over ’s konings verbittering dienaangaande heb ik al eerder bericht. Vanuit zijn kennis van en connecties met de Britse machine-industrie wist hij rond 1848 de bouw van het gemaal te realiseren, geheel in Engelse stijl, fraai afgewerkt en van ornamenten voorzien en van een degelijkheid die ervoor zorgt dat de hele machinerie nog steeds draaiende kan worden gehouden. Pronkstuk, in mijn ogen, van die artistieke afwerking is de gietijzeren wenteltrap; een excellent staaltje van functional design.

De halve klas van destijds heeft, op twee achtereenvolgende zaterdagen, aan de excursie deelgenomen en daardoor de eigen kennis weer wat weten op te vijzelen.

Vreemd eigenlijk: heb ik ongeveer 25 jaar in Amsterdam gewoond, en was ik in al die jaren nog nooit op deze zo unieke plek in de naaste omgeving geweest. Maar goed, een mens is nooit te oud om een verzuim uit het verleden alsnog goed te maken. Met dank aan Christiaan, en in de hoop dat het ook andere klasgenoten ertoe kan bewegen een van hun kunstjes aan de anderen te gaan vertonen.

Macron

Als mij als “insider” wordt gevraagd hoe ik de Franse verkiezingsuitslagen van 2017 beoordeel, kan ik daarop geen eenduidig of simpel antwoord geven. Niet omdat ik een en ander niet zou volgen – dat doe ik wel degelijk, maar eerder omdat ik niet kan voorzien wat Macron c.s. ervan gaan maken, en al helemaal niet omdat de Franse situatie niet los gezien kan worden van die in andere landen binnen en buiten Europa.

In mijn Nieuwjaarsbericht 2017 waarschuwde ik voor naderende verkiezingen (NL-F-D), gealarmeerd als ik was door de ontwikkelingen in de USA. En daar kwam het Verenigd Koninkrijk ook nog eens ongevraagd bij. Met Duitsland in september voor de boeg kunnen we al een beetje de balans opmaken.

Bovenal blijkt hoe het vigerende kiesstelsel in elk land zijn genadeloze consequenties heeft. Van de twee uitersten: een de facto eenpartijenstelsel (in China en Rusland) tot het nog steeds sterk naar verzuiling riekende heelveelpartijenstelsel (Nederland) kan rustig worden gezegd dat ze hun nadelen hebben.

Bij een eenpartijenstelsel valt er niks te kiezen, maar daar lijken de Russen (tsaar, Lenin, Stalin, Brezjnjev, Poetin) wel aan gewend en misschien ook stiekem wel van gediend; toen Gorbatsjov daar iets aan leek te willen veranderen, kostte dat hem de kop, en de hele Sovjet-Unie met hem.

Bij een tweepartijenstelsel als in Amerika, gevoegd bij het principe van “the winner takes it all” zien we al tijden lang de situatie (zie Gore en H.Clinton) dat degene met de meeste stemmen de verliezer is, maar, erger nog, dat er een zodanige 50-50 verdeling is, dat het land sterk verdeeld blijft. En Obama kan ervan meepraten hoe verlammend het werkt als je in congres en senaat geen meerderheid hebt.

Bij een ietsmeerpartijenstelsel komt het op coalitievorming aan. Vraag ze in België en Spanje maar wat dat kan betekenen, of vraag het Rutte, Buma, Pechtold en Klaver.

Maar we hadden het over Frankrijk.
Na de presidentsverkiezingen placht ik hier her en der tegen Fransen te zeggen dat het desastreuzer had gekund, waarop doorgaans instemmend werd geknikt. Hoewel: bij mij in de streek liep het Front National met 35-45% van de stemmen fier voorop. Nu Macron lijkt af te stevenen op een meerderheid in de Assemblée (met zo vele nieuwe, onervaren, en mogelijk nog onbedorven parlementsleden), krijgt hij de handen vrij om zijn beleid uit te venten. fijn in ieder geval dat hij zei “Let’s make the planet great again” in plaats van De Gaulles slogan “Vive la France – vive la République“.

Toch is de Franse situatie niet geheel zorgenvrij: van de 47.571.350 kiesgerechtigden kwamen er 23.170.218 opdagen. Het regende niet. Integendeel: het was prachtig weer alom in den lande. “Ach ja, mensen gingen liever op het terras zitten“, zei mijn fysiotherapeut vanmorgen tegen me.
Van die dik 23 miljoen stemmers, van welke groep ik de leeftijdsopbouw niet weet, stemden er ook nog eens 354.391 blanco en 161.263 ongeldig. Ga dan liever op het terras zitten. Een opkomst onder de 50 procent is zorgelijk; Nederlandse TK-verkiezingen scoren toch meestal tussen de 70 en 80 procent.

Er is echter wel een verklaring voor. In Frankrijk is de presidentsverkiezing de belangrijkste. Hoe hij (zij) het in de jaren erop allemaal fikst, dat moeten ze in Parijs zelf maar uitzoeken. Anders dan in Nederland zijn de te kiezen a.s. parlementariërs behoorlijk onbekende personen – niet bepaald stemmentrekkers. Vergelijk ze liever maar met de kandidaten voor de Nederlandse Provinciale-Statenverkiezing, of de Waterschapsverkiezingen, waarvoor je ook geen lange rijen in het stemlokaal kunt verwachten. Bovendien is het zo dat in Frankrijk, en al helemaal buiten Parijs, men niks moet hebben van die kamerleden, die minder worden gezien als (mede-)beleidsbepalers, maar eerder als baantjesjagers en zakkenvullers. Dat neemt overigens niet weg dat men in Frankrijk niet echt geporteerd is van lieden waaraan schandaaltjes kleven. Veel van de Franse presidenten (minus De Gaulle, geloof ik) of presidentskandidaten (Strauss-Kahn bijvoorbeeld, of Fillon), worden genadeloos afgerekend op hun grillen. Men is hier niet zo gediend van typen als Berlusconi, en ook Bill Clinton zou hier een zware sigaar gerookt hebben.

Ik vertel het maar niet tegen mijn Franse gesprekspartners, want ik krijg het ze toch niet uitgelegd: in Nederland is de politieke partij met kwantitatief en kwalitatief de meeste schandalen de grootste van het land, op de voet gevolgd door een partij die geen partij is, maar zulks wel met abjecte standpunten die Marine le Pen niet zou durven uitdragen. En dat ’s lands derde partij een christelijke is, is voor Fransen al helemaal middeleeuws.

 

Exit ReVox

Nadat vorige maand mijn Dauphine ten prooi was gevallen aan de voorjaarsopruimwoede, is het nu de beurt aan het ReVox tape deck waarvan ik na 45 jaar nauwelijks nog gebruik maak. Eigenlijk komt dat doordat de banden beginnen te slijten (rek en slijpsel) en het, net als oude super-8 films en cassettebandjes, veiliger is de oude opnamen te digitaliseren voor de eeuwigheid.

Dat ik die ReVox kocht, was de zoveelste invloed van Bernard Huijbers op mij. Hij wist mij in de jaren-’60 ervan te overtuigen dat ReVoxen de beste bandrecorders waren, dat een Quad versterker het topmerk voor de huiskamer was en dat elektrostatische boxen het summum van luisterplezier waarborgden. En dus kocht ik van mijn goed betaalde vakantiebaantje een Quad 33-303 combinatie, die het nu, 50 jaar later, nog steeds naar tevredenheid doet en zich ook nog steeds kwalitatief kan meten met wat er momenteel verkrijgbaar is. Toen ik in 1972 als invaldocent op het Ignatiuscollege weer genoeg had gespaard, schafte ik de ReVox A77 aan (Bernard had de oudere A76, die nog op buizen werkte, in plaats van de getransistoriseerde A77), en half jaren-’70 was er geld genoeg in kas om twee elektrostatische Janszen boxen aan te schaffen. Ook die doen hun werk nog steeds naar behoren.

Het nadeel van de ReVox is niet het apparaat zelf, maar de banden, die na zovele jaren ernstig kwaliteitsverlies vertonen. De opnamen zelf zijn niet aangetast, maar het materiaal van de banden is sterk aan het achteruitgaan, zodat het raadzaam is digitale kopieën te maken voor het te laat is. Een nadeeltje van de ReVox zelf is dat er maar zes maanden garantie op werd gegeven, die bovendien alleen in Nederland geldig was. Dat steekt wel erg schril af bij de levenslange garantie die de firma Transtec gaf op de Quad-apparatuur, al moet gezegd dat Transtec inmiddels failliet is.

Wat ik in een paar dagen nog aan oud geluidsmateriaal heb weten te redden, levert ook wel stof op voor deze blog. Ik noem allereerst een aantal radiocolumns die ik rond 1990 voor de Boxmeerse Lokale Omroep Stichting over voetbal maakte onder de titel De Zijkanter. Vervolgens enkele hoorspelen van Theun de Vries, destijds opgenomen van de radio, en een lang interview met hem. Verder een NOS-radiouitzending uit 1985 over de gevaren van hydrazine, de zeer giftige noodbrandstof van F16-straaljagers, een onderwerp waar ik destijds een hele studie van heb gemaakt. En ten slotte een goede opname van Muzeldicht, het vierde nummer op het 45-toerenplaatje Ambrozijn en Groggelgijn. Dat nummer, waarover ik EERDER al schreef, heb ik inmiddels op YouTube geplaatst. Zoek daar maar op “Muzeldicht”.

Al met al zitten er voor deze weblog weer een aantal artikelen-uit-de-oude-doos in het vat.

Het ReVox A77 tape deck, met een aantal accessoires als bandreparatiesets en lege metalen spoelen van 26½ cm, is vanaf nu te koop. Over de marktconforme prijs kunnen we het nog wel hebben.

Domweg de Amstel uit

Ik zou er nooit op zijn teruggekomen, die duik van motorwagen 263 van lijn 4 die vanuit de Bakkerstraat domweg de Amstel in dook, als ik niet bij toeval het themanummer over verkeer in Amsterdam van het maandblad Ons Amsterdam uit februari 1951 in handen kreeg, waarin onderstaande foto prijkt. Die foto is er eentje uit een reeks foto’s die van dat ongeval bewaard zijn gebleven; ik heb er inmiddels 7 kunnen opsporen, en wie er goed naar kijkt, kan er ook veel details op ontdekken.
Het nummer van Ons Amsterdam is om nog een andere reden interessant, dus ik wijd er maar even een apart berichtje aan.

Allereerst de 263 die uit de Amstel wordt getrokken. Die kraanwagen is ook al voor een deel te zien op een van de foto’s uit mijn eerdere bericht. Ons Amsterdam meldt op p.70: “Kort na de oorlog bleek het mogelijk uit een dump voor een spotprijs een 15-tons Mack-kraanwagen aan te schaffen. Het gevaarte was practisch in staat van nieuw en werd in de blauwe politiekleur overgespoten. Al spoedig bleek de wagen een onschatbare aanwinst voor de politie te zijn en het aantal gevallen, waarin zij spoedig en voldoende hulp heeft verschaft, is legio”.

Tien jaar later, in 1960, werd de 263 als een van de laatst overgebleven grootbordeswagens, gesloopt. Zie het uitgebreide artikel van Cor Fijma over de hele reeks Amsterdamse grootbordessers.

De eigenlijke reden waarom ik genoemd themanummer van Ons Amsterdam aanschafte, was de door mij eerder al, onder het kopje ‘Stoplichten’, opgeworpen vraag of de verkeerslichten op de hoek Overtoom-Anna Vondelstraat er begin jaren-’50 al stonden, maar niet werkten, of dat zij opnieuw werden geplaatst en in werking traden. Ik krijg de indruk dat ze er al stonden, maar een tijd lang buiten werking waren. Ik citeer Ons Amsterdam, p.48-49, een artikel van W.F. Tielrooy: “In 1942 kwam weliswaar de reeds in 1939 geprojecteerde installatie Overtoom tot stand, doch deze is maar zeer korte tijd over de hele linie in werking geweest; tot op vandaag de dag (februari 1951 dus. ljml) zijn nog steeds niet alle lichten in bedrijf! Al spoedig bleek toch dat de intensiteit van het verkeer de aanleg van deze installatie niet rechtvaardigde, met als gevolg nodeloos oponthoud en terecht klachten van de zijde van de weggebruikers. Ook thans nog zou de politie, niettegenstaande het motorisch verkeer ongeveer de dubbele intensiteit heeft van voor de oorlog, vermoedelijk niet tot signalering van de Overtoom, afgezien dan van van de kruispunten Overtoom/Stadhouderskade en Overtoom/1e Constantijn Huygensstraat, en wellicht óók nog afgezien van het kruispunt Overtoom/J.P. Heijestraat, overgaan.
Rest over het tijdvak 1940-1945 nog te vertellen, dat in het kader van de verduisteringsmaatregelen de lampen der verkeerssignalen tijdens duisternis in plaats van op 220 V op 60 V brandden, dat de lichtsignalen op een groot aantal kruispunten moesten worden gedoofd tengevolge van het door het publiek als schoenzolen aanwenden van de rubber matten van de verkeersdrempels en dat tenslotte eind 1944 alle installaties uitvielen, daar het Gemeente-Energiebedrijf de stroomvoorziening staakte”.
Ze stonden er dus vermoedelijk al, op het kruispunt Anna Vondelstraat, maar gingen na 1951 ‘opeens’ branden, en dat was wat mij toen zo fascineerde.
Overigens vermeldt het artikel ook dat in Amsterdam in oktober 1947 alle verkeerslichten weer in werking waren, behalve nou juist die op de Overtoom.

Dit alles dus ter aanvulling van eerdere berichten.

 

 

 

Anna Vondelstraat 2B/2

Het valt niet mee thuis terug te keren in het huis dat wij in 1948 betrokken. Afgelopen maand, gelogeerd in het recent geopende Pillows Hotel op Anna van den Vondelstraat 2-6, hadden wij vanuit de speciaal gevraagde kamers op nr. 2 vrij zicht op onze voormalige woonst recht tegenover ons.
We hebben die ook bezocht, van onder tot boven en we kwamen unaniem tot twee tegengestelde reacties.

– Huis
Natuurlijk is het niet zonder emoties dat je alles na meer dan 60 jaar weer onder ogen krijgt, de lange trappen vanwege de hoge plafonds, de kamers en de maatvoering, ondanks alles wat er in al die jaren aan is veranderd. Dat is goed ter afsluiting van een periode. Daar staat tegenover dat we al relativerend de vele tekortkomingen beseften van de zo kleine ruimte waarin wij destijds acht jaar hadden moeten verblijven, ook al ziet het huis er van binnen en van buiten nu piekfijn uit. Aandrang om er weer in te mogen trekken hadden we dan ook allerminst. Wie er een literaire schildering van verlangt, verwijs ik naar het verhaal De elektriseermachine van Wimshurst van W.F. Hermans, waarvan de sfeer van het vijftigerer jaren Oud-West zo treffend en identiek staat beschreven.

Toch waren er details waarvan de weemoed nog wel even zal blijven hangen. Ik beperk me hier tot 1950, het jaar waarin mijn moeder met hernia op bed lag en ik, noodgedwongen en 3½ jaar oud, de hele dag in de box, met mijn door moeder gebreide rood-witte trui, voor het raam moest blijven staan, schuin uitkijkend op de Overtoom, en daar alle tramstellen van lijn 1 zag voorbijkomen. Misschien heb ik daar wel mijn passie voor trams aan overgehouden; toch nog iets positiefs. Een paar weken terug stond ik dus in diezelfde hoek om weer even naar de Overtoom te kijken, met het uitzicht zoals op onderstaande ingekleurde prentbriefkaart. 

– Vondel zelf
Toen ik later wèl los mocht rondlopen en ik me stierlijk verveelde, had het gezin voor mij altijd wel iets spannends in petto. Hoogtepunt was dat ze mij naar het beeld van Vondel in het Vondelpark lieten lopen of steppen, met de mededeling dat als de klok van de Vondelkerk het hele uur sloeg, Vondel een bladzij omsloeg van het boek waarin hij aan het schrijven was.

 

Hoewel mij dat wat vreemd voorkwam voor een stenen beeld, was mijn geloof in Vondels almacht even groot als mijn geloof in Sinterklaas, dus een half uur vantevoren stepte ik derwaarts om er maar zeker van te zijn dat ik niets van het schouwspel zou missen, ook als Vondel zich iets in de tijd vergiste. Maar ja, je zult het altijd zien, steeds was het zo dat op het moment suprème, als de torenklok sloeg, ik uit verveling net even was afgeleid door een voorbijrijdende fietser, een ijscoman (van CJamin) die bij de kerk stond of, het ergste van alles, een loslopende hond. Dan sloeg de klok en was ik dus weer eens te laat. Onbewogen zat Vondel op zijn volgende bladzij verder te schrijven en ik kon teleurgesteld naar huis, waar ze drie kwartier van mij af waren geweest en geïnteresseerd vroegen of ik het nu eindelijk eens wèl had gezien. Nee? Volgende keer beter.

– Paardentram
Misschien is het niet verkeerd het verdere verhaal te vertellen vanuit de trams in de Vondelparkbuurt en de Overtoom, te beginnen bij de paardentram vanaf 10 oktober 1872 tot de gelede tramstellen vanaf juni 1957. Veel van de afbeeldingen in het vorige artikel zijn hierbij van nut.
Tussen 1873 en 1880 werd de Vondelkerk gebouwd, het nog steeds prachtige ontwerp van Pierre Cuypers, dat tot 1977 als kerk in gebruik is gebleven. De kerk verrees aan het einde van de Vondelstraat, gezien vanaf de Stadhouderskade. Daar reed sinds 10 oktober 1872 omnibuslijn DV van de AOM, de Amsterdamsche Omnibus Maatschappij. DV staat voor Dam-Vondelstraat via de Leidschestraat. Een omnibus was een soort personenwagon op wielen, voortgetrokken door een of meer paarden. Omdat het plaveisel in Amsterdam nogal hobbelig was met klinkers en kinderhoofdjes, besloot men in januari 1877 rails aan te leggen om een wat comfortabeler rit te kunnen rijden. Vanaf dat moment, om exact te zijn: 9 januari 1877, mag je dus eigenlijk pas spreken van een paardentram.

Toen tussen 1880 en 1896 de Vondelstraat (als Verlengde Vondelstraat) achter de Vondelkerk werd aangelegd, met op nummer 77-79 dat prachtige woonhuis Oud Leyerhoven I van Cuypers aan de Vondelparkzijde, waar hij tot 1894 zelf in heeft gewoond, werd op 22 juni 1893 ook de paardentram doorgetrokken langs de ingang van de Hollandsche Manege. Deze lijn werd op 27 juli 1903 opgeheven, maar de rails bleven nog even liggen.

Op 8 augustus 1877 startte de paardentramlijn LO, die liep van het Leidscheplein via de Vondelkade (het eerste deel van de Overtoom aan de zuidzijde van het water) tot iets voorbij de overhaal aan het begin van de Amstelveenscheweg, de zogenaamde Dubbelebuurt. LO staat dus voor Leidseplein-Overtoom.
Nevenstaande foto, genomen vóór november 1901, moet ongeveer zijn gemaakt op de hoek van de Anna Vondelstraat; zij is bijzonder vanwege de nog niet gedempte Overtoomse Vaart, de paardentram op rails, de Pestbrug iets verderop, en helemaal links op de voorgrond, naast het aanplakbord, de krul.

– Krul
Een krul (zie de uitvoerige website en die van Joost de Vree) is een openbaar urinoir of pissoir voor mannen, waarvan er in Amsterdam nog een veertigtal staan. De krul op de foto hierboven zal zijn verwijderd bij de demping van de Overtoomse Vaart in 1903, maar hij is nog vaagjes in de verte te zien op de foto hiernaast van de Anna Vondelstraat richting Overtoom, waardoor wij die foto kunnen dateren tussen 1896 (voltooiing bouw huizen Anna Vondelstraat) en 1903 (demping Vaart), vermoedelijk zelfs nog vóór november 1901, want er zijn geen tramrails zichtbaar.
Een ander interessant detail op deze foto is dat op nr.1, rechts, bijna achteraan, een loopplankje is te zien waaroverheen de kolenboer zijn karretje met steenkool het huis in kon rijden, antraciet, eierkolen en briketten.
Tussen 1884 en 1896 werd de Anna Vondelstraat stukje bij beetje volgebouwd, eerst alleen nr.1, later in groepjes de andere oneven nummers, eerst 1a, dan 3 en 5 architectonisch in spiegelbeeld, daarna 7-9-11 met de patrijspoorten, ten slotte 13 tot 25, het hoekpand met de Vondelstraat, stuk voor stuk, alsmede de even nummers 2 t/m 30. Daarmee kreeg de Vondelstraat dus een verbinding met de Overtoom. Nummer 2 is later herbouwd, neem ik aan, want het heeft de stijl van de jaren-’20.

– Veranderingen Overtoom
Per 1.1.1900 werd de AOM door de gemeente Amsterdam genaast en ging verder als GTA (Gemeentetram Amsterdam) en vanaf 1943, na een fusie met de Gemeenteveren, als GVB (Gemeente Vervoer Bedrijf), dat nu nog steeds het stadsvervoer in Amsterdam in handen heeft. Maar rond 1900 voltrokken zich nog meer ontwikkelingen, die eigenlijk los van elkaar stonden, maar min of meer toevallig samenkwamen. Een daarvan was de demping van een aantal Amsterdamse grachten en vaarten, waaronder in 1903 de Overtoom. Over die dempingen is een illustratieve video (eigenlijk slide show) te zien. Voor de passage over de Overtoom even doorscrollen naar 12’45”, doorlopend tot 14’25”. De foto hierboven van de krul en de paardentram is een screen shot uit deze video. Er is weinig fantasie nodig om te beseffen dat deze demping enorme invloed had op het karakter van de Overtoom, zijn bewoners, zijn activiteiten en het vervoer.
De werkzaamheden rond die demping hadden tot gevolg dat tijdelijk, d.w.z. van 27 november 1901 tot 4 december 1903, lijn LO niet over de Vondelkade kon rijden, maar werd verlegd naar Vondelstraat, waar de rails nog steeds aanwezig waren, en de Anna Vondelstraat, en dan linksaf verder de Overtoom op. Er hebben dus wel degelijk paardentrams gereden door de Anna Vondelstraat. De lijn LO werd per 20 februari 1904 opgeheven, althans gewijzigd in de elektrische tramlijn 1.
Al deze exacte data, en nog veel meer, zijn te vinden in  W.J.M. Leideritz, Van paardetram naar dubbelgelede. Zandvoort aan Zee : Minerva boekuitgaven 1966, in het bijzonder de aanhangsels I en II op p.169-175, een boek dat her en der nog antiquarisch verkijgbaar is voor prijzen tussen de € 3,00 en € 37,00(!).

Wat die overgang naar de elektrische tram betreft: de rails van de paardentram werd verlegd naar het midden van de nieuwe straatweg, maar tevens (andere ontwikkeling) werd dus op 20 februari 1904 de paardentram vervangen door een elektrische tram, die sindsdien niet meer lijn LO heette, maar lijn 1, zoals nu nog steeds, met als lijnkleur het nog steeds bestaande diagonale geel-groen. Diagonaal betekent: vanaf Centraal Station naar Zuid en West rijdend. Dat hebben bijvoorbeeld lijn 2 en 16 dus ook; verticaal betekent vanaf Centraal Station naar Oost-Zuidoost.
Zie de door mij ingekleurde lijnkleuren van lijn 1 op onderstaande foto uit 1957.
Het heet dat die lijnkleuren destijds zijn ingevoerd om aan het analfabete deel van de bevolking duidelijk te maken welke tramlijn er aan kwam. Mooi systeem, dat elders in Nederland en Europa echter bijna overal is opgeheven, maar Amsterdam handhaaft het systeem, ook voor de metrolijnen.

Wie werkelijk is geïnteresseerd in historie, routes en data van alle bus-/tram-/veer- en metrolijnen in Amsterdam raadplege primair het standaardwerk: H.J.A. Duparc, Lijnenloop openbaar vervoer Amsterdam 1839-1989, Amsterdam : Gemeentevervoerbedrijf Amsterdam. 96 pagina’s op A4-formaat om van te smullen. Voor minder dan een tientje her en der nog spaarzaam aangeboden. Mijn exemplaar verkoop ik niet.

– Middenstand
Was voor de middenstand vanaf 1515 de overhaal bij de Schinkel het centrum van activiteit, met herbergen, koffie- en theehuizen, kroegen, marktkramen e.d., dus daarheen ging men schuitje varen, theetje drinken…, later werd de ruim anderhalve kilometer Overtoom vanaf de Stadhouderskade zoetjesaan volgebouwd met woonhuizen, gast-/rusthuizen, winkelpanden en fabrieksgebouwen, zeker toen in 1895 het Overtoomgedeelte van Anna Vondelstraat tot Amstelveenseweg tot de gemeente Amsterdam ging behoren. Daarvóór was het gemeente Nieuwer-Amstel, maar met Koninklijke Goedkeuring werd het in 1896 door Amsterdam geannexeerd.

Tot op heden is de straat ook een aaneenschakeling van winkels en horecagelegenheden. Dat was in onze tijd (1948-1956) ook al zo: op de hoek slager Pol (nr.217), daarnaast delicatessenzaak Fa. Jules Hosman. Ik vermoed dat nevenstaande foto het interieur van Hosman is; het Stadsarchief vermeldt dat niet, maar ik herken de inrichting zeer goed.
Na 1950 werd de zaak Hosman overgenomen door levensmiddelenbedrijf E. Nummerdor (nr.215). Twee huizen verderop zat groentenboer C. Kroon (nr.207). “Aardappelen enz.”, vermeldt de telefoongids uit 1950; ik moest daar meermaals per week met een geëmailleerd emmertje naartoe om 3 kg gekrabde aardappelen te halen voor 8 personen, en van hem moest ieder van ons 300 gram groente dagelijks eten om aan te sterken; de andere kant op zaten een tabakszaak en een drankenhandel. Naast ons, op nr.1Ahs, zat iets van een drukkerij, waar we niks mee hadden, behalve dat het er altijd naar drukinkt stonk. Tegenover ons, zie bijvoorbeeld op bovenstaande prentbriefkaart, de derde afbeelding van boven, die uitkijkt op de Overtoom, een tamelijk louche en bouwvallige motorfietsenwerkplaats met scheefgetrokken voorgevel, waar een tijdje ook de BMW Isetta (driewieler met de neus als deur) en de Messerschmidt Kabinenroller (driewieler met die openklappende cockpit) werden verkocht, of alleen maar opgelapt als ze waren omgevallen in het verkeer.
Maar al met al was daarmee in veel van de dagelijkse behoeften voorzien. Daar bovenop kwam er nog veel langs de deur: de melkboer (met verse melk van de VAMI-fabriek, 50 meter voorbij groentenboer Kroon, naast de RIVA-garage die Opels verkocht), de schillenboer, de lompen-en-oud-ijzerboer (“oud inkoop – vodduh”), het draaiorgel (cent of stuiver van 2 hoog naar beneden gooien en dan maar zien of hij het muntje terugvond), de vuilnisophaal, ’s zomers de Sierkan (“roomijs en chocola”), dezelfde man die ’s winters als kolenboer langs de deuren ging, enzovoort. Kortom zo’n beetje zoals het vandaag de dag nog in Rosoy eraan toegaat.

– Stoplichten
Opeens waren ze er. Of misschien lieg ik, en waren ze er al vanaf 1942, maar gingen ze rond 1950 opeens weer branden, de stoplichten op de hoek Anna Vondelstraat-Overtoom. Langdurig kon ik op de stoeprand gaan zitten om er gebiologeerd naar te kijken, vooral naar die kleur groen (die in mijn beleving maar een paar seconden brandde om daarna 3 seconden oranje en heel veel minuten rood te geven). Het was een soort groen dat ik nog niet kende, maar die nu nog steeds in mijn geheugen staat gegrift, zoals ik nog steeds de elektrische geur ruik van de Blauwe Tram van de Spuistraat naar Zandvoort.

Op bovenstaande foto uit maart 1969 staan ze er nog, maar in 1972 zijn ze definitief verdwenen, die stoplichten.
Er zit een boeiend verhaal aan vast. Al voor de oorlog waren gemeente en politie helemaal in de ban geraakt van verkeerslichten, vanwege het toenemende verkeersaanbod en ter ontlasting van de agenten die met STOP-borden (in de oorlog werden dat HALT-borden, want de Duitschers waren niet te stoppen) de kruispunten bemanden. Een en ander leidde ertoe dat in 1942 een heuse groene golf werd ingericht op de Overtoom: acht stoplichten tussen Amstelveenseweg en Stadhouderskade, waaronder eentje op de hoek Anna Vondelstraat. De bedoeling was een groene golf te creëren voor het autoverkeer à 40 km/u. Maar helaas, vanaf 1942 was er nauwelijks nog autoverkeer op de Overtoom, en daarom werden de lichten afgesteld op den gemiddelden fietser, dus à 25 km/u. Zij brandden alleen in de spits, en vanaf 1943 helemaal niet meer vanwege elektriciteitstekort. Bovendien werden de rubberen luchtslangen of -matten, in de zijstraten vlak voor de Overtoom dwars geplaatst als voelers voor aankomend verkeer, door de bevolking gesloopt om er schoenzolen van te maken. Na de oorlog ging een aantal van de lichten weer functioneren.
Bijgaand schema uit 1957 laat het ontwerp zien van die groene golf, nu dus weer bij 40 km/u. Meer informatie ovder de Amsterdamse verkeerslichtregeling in het algemeen en de Overtoom in het bijzonder staat in het boek STOP. 100 jaar verkeer regelen in Amsterdam 1912-2012 (ISBN 9789461900838) door Sjoerd Linders die mij ook het hier weergegeven Overtoomschema toestuurde.
Nog veel meer informatie hieromtrent staat in het verkeersspecial van Ons Amsterdam uit februari 1951 (jaargang 3).

– Hotels
Begin jaren-’50 durfde een jong echtpaar het aan. Hun naam ligt ons op de lippen, maar wil maar niet tevoorschijn komen. In de hausse van recreatie en toerisme na de oorlog openden zij op Anna Vondelstraat 6 Hotel De Nederlanden. Nooit binnen geweest overigens. Zij hebben het tot zeker 1975 weten vol te houden, getuige bijgaande foto van de Beeldbank Amsterdam, waarop hun uithangbord nog zichtbaar is. Waarom zij ermee zijn gestopt, is mij niet bekend, maar de hotelfunctie bleef intact, want later vestigde zich daar Hotel De Filosoof, dat tot 1 november 2015 is blijven bestaan.
Dat hotel beschikte uiteindelijk over 38 kamers, waaruit ik afleid dat het was gevestigd in Anna Vondelstraat 2, 4 en 6, logistiek gezien een hele operatie, omdat nr. 2 een totaal ander bouwjaar en andere bouwstijl heeft dan de nummers 4 en 6. Van nummers 4 en 6 weet ik verder niet zo veel, maar van nummer 2, recht tegenover ons huis op nr.1, wel. Daar woonden destijds de familie Poot (ik meen op 1 hoog), waarvan dochter Joke staat afgebeeld rechts van mij op de foto uit 1949 in het eerste artikel. Een etage hoger woonde de familie Burgman. Zoon Freddy had ongeveer mijn leeftijd, en ik heb nog een foto uit ±1954 waarop Freddy en ik samen gezellig een ijsco eten, zo’n heerlijk blok vanille-roomijs met chocola eromheen van CJamin dat je voor een dubbeltje kon kopen. Wanneer de familiën Poot en Burgman zijn vertrokken, weet ik niet, maar wel dat van 1978 tot 1984 Anna Vondelstraat 2 huis en 1 hoog was bewoond door schrijver Hans Verhagen, die er niet de beste periode van zijn leven doormaakte (heroïne, alcohol). De Filosoof zal dus pas na 1984 nummer 2 bij het hotelcomplex kunnen hebben getrokken.
Toen ik in mei 2015 door de Anna Vondelstraat liep, viel mijn oog op de prachtige tekstschildering op de kopse kant van nummer 2, zowel naar inhoud als vormgeving beschouwd.
In augustus 2016 zag ik dat die tekst was verdwenen en nummer 2 een maagdelijk witte kopse kant had. Dat klopt met het gegeven dat Hotel De Filosoof, deel uitmakend van de Sandton-keten, was gesloten en zou worden verbouwd tot Hotel Pillows Anna van den Vondelstraat. De bedoeling was dat dat nieuwe hotel de deuren zou openen medio 2016, maar het werd 23 januari 2017, hetgeen mij niet verbaast, nu ik heb gezien wat er allemaal aan de drie belendende panden is gerenoveerd, een operatie die ettelijke miljoenen heeft gekost. Het management hoopt binnen 2 jaar rendabel te kunnen zijn.
Ambiance en styling zijn danig geüpgraded, aan de tuinzijde bevindt zich nu een grote serre met buffet en ontbijtruimte, het aantal kamers is teruggebracht van 38 naar 31, vermoedelijk deels door het installeren van een lift, en alles is stijlvol in grijs en blauw uitgevoerd. Ook op een luxe uitstraling is bepaald niet bezuinigd. Wie niet echt op de portemonnee hoeft te letten en goed ter been is (het hotel is qualitate qua niet senior-proof) zal er zich prima gehuisvest voelen, met uiterst sympathiek en voorkomend personeel en prima voorzieningen.
Ik had voor mijn drie nog levende zussen en mij twee kamers gereserveerd bij Pillows op nummer 2, dus precies tegenover onze voormalige etages 2 en 3 op nummer 1. De eerste foto van dit artikel is daarvan een bewijs. Met dat al was voor ons de cirkel rond, die begon in 1948 en dus met een ruime boog doorliep tot 2017, bijna 70 jaar na dato.

_____________________

Tenzij anders vermeld zijn alle afbeeldingen van de Beeldbank van het Stadsarchief Amsterdam, behalve de allereerste foto (van mij, feb.2017), die waar ik op sta (genomen door mijn vader, 1950 resp. 1953; in mijn bezit), het bonnetje van Nummerdor (in mijn bezit), en de laatste twee foto’s, genomen door mij in mei 2016 resp. feb.2017.

Eerdere berichten in deze reeks:
Anna Vondelstraat 1
Anna Vondelstraat 2A

 

Anna Vondelstraat 2A/2

Ik zie aankomen dat het tweede deel over de Anna Vondelstraat nogal uitgebreid gaat worden. Daarom dat ik het nu eerst laat voorafgaan door een toponymische voorbeschouwing om alvast wat basisgegevens te kunnen aanreiken. In alfabetiche volgorde enkele relevante straatnamen en andere toponiemen.

Anna Vondelstraat
Verbindingsstraat tussen Overtoom en Vondelstraat.
Vernoemd naar Anna van den Vondel (±1620-1675),
dochter van Joost van den Vondel.
1882-1884: “geprojecteerde straat“.
1884-29 nov.1986: Anna Vondelstraat.
vanaf 29 nov.1986: Anna van den Vondelstraat (om verwarring met “Vondelstraat” te voorkomen).
Huisnummers en postcodes: nrs. 1-25 (1054 GX) en 2-30 (1054 GZ).

Heiligeweg
1345-heden: Verbindingsweg tussen de Kapel ter Heilige Stede (Kalverstraat) en het dorp Sloten, via de huidige Stadhouderskade en de overtoomse overlaat. Het tracé liep min of meer van de kapel via het Koningsplein, Leidsestraat, de voormalige Heiligewegspoort, Overtoom, Sloterweg.
De poort sloot om 22 uur; vandaar:
Schuitje varen, theetje drinken, varen we naar de overtoom.
Drinken we zoete melk met room, zoete melk met brokken,
Tien uur slaat de klokke. (en dus niet, zoals mij steeds voorgehouden, “Nardje mag niet jokken“.)
Het was niet alleen de toegangsweg vanuit Haarlem en Sloten tot de bedevaartsplek van het Mirakel van Amsterdam, maar tot ± 1500 tevens de enige landverbinding tussen Amsterdam en het Kennemerland.
Momenteel loopt de Heiligeweg nog slechts tussen Kalverstraat en Singel. De noordzijde van de Heiligeweg, langs de Overtoomse Vaart, heet sinds 1901 Overtoom. De zuidzijde heette van 1875-1901 Vondelkade (zie onder), daarna Overtoom.

Heiligewegsevaart
Waterloop die de Heiligeweg scheidt in een noorderlijk pad en een zuidelijke weg.
1625: Op de kaart van Van Berckenrode (zie detail hiernaast) aangeduid als “Vaart na den Overtoom“.
Later werd deze vaart Overtoomse Vaart genoemd, meestal kortweg aageduid als Overtoom

Luiebrug
Eerste brug over de Overtoomsche Vaart, vanuit de stad gezien, dus waar nu Nassaukade overgaat in Stadhouderskade en waar van 1923-1983 het GVB-hoofdkantoor stond.
Zo genoemd omdat hij maar traag open en dicht ging.
De brug verdween uiteraard bij de demping van de Overtoomse Vaart in 1904.

overtoom (overhaal)
1432-1809: Handbediende, mechanische overhaal om schepen van de Schinkel naar de Kostverlorenvaart te hevelen.
1809-1942: De overhaal vervangen door een schutsluis.
1942-heden: De schutsluis vervangen door brug 199.

Overtoom (straat)
Verbindingsweg van ±1.800 meter lengte tussen de overtoomse overlaat en de huidige Stadhouderskade.
1345-1901: Heiligeweg (zie hierboven).
1875-1901: Vondelkade (zie hieronder).
1901-heden: Overtoom (foto: briefkaart uit ±1920).
Bekijk ook op Youtube de analyse door Kees Fens van het gedicht “Op de Overtoom” van Remco Campert. 

Overtoom (water)
Waterloop over de hele lengte van de Overtoom (straat).
1345-: Heiligewegsevaart (zie hierboven).
-1902: Overtoomse Vaart.
1903: Demping van de Overtoom. Zie video “Gedempte grachten…“; even doorspoelen naar fragment tussen 12’47” en 14’25”.
Gravure gezien vanaf de Luiebrug, in westelijke richting.

Pestbrug
Tweede brug over de Overtoomsche Vaart, vanuit de stad gezien, gelegen tussen de 2e Constantijn Huygensstraat en de Anna Vondelstraat, niet ver van de melkfabriek en de RIVA-Fordgarage aan de Overtoom. Via die brug bereikte men het Pesthuis, oftewel Buitengasthuis, later Wilhelminagasthuis.
De brug werd ook wel “latjesbrug” (vanwege de lattenconstructie) of eufemistisch “Gasthuisbrug” genoemd. “Je moet over de latjesbrug” betekende overigens dat je je moest melden in het gekkenhuis dat in het Buitengasthuis was gevestigd…
De passagiers op de schuit op de voorgrond gingen wellicht schuitje varen, theetje drinken verderop.

Vondelbrug
Amsterdamse brug 200 over het Vondelpark die de Eerste Constantijn Huygensstraat verbindt met de Van Baerlestraat.
1942-1947: ontwerp en begin aanleg, door de oorlog onderbroken.
1947: officiële opening. Zie o.m. Polygoonfilm op YouTube.
1958: ook trams (lijn 2 en 3) rijden over de brug, waardoor lijn 2 niet meer door de P.C. Hooftstraat hoeft, die nu verder tramloos blijft.

Vondelkade
1875-1901: benaming van het zuidelijk deel van de Heilige Weg langs de Overtoomse Vaart tussen de huidige Stadhouderskade en ongeveer Anna van den Vondelstraat, destijds de gemeentegrens tussen Amsterdam en Nieuwer-Amstel.
Omdat de verwachting was dat ook de (nog niet tot de openbare weg behorende) noordzijde Vondelkade zou gaan heten, kregen de percelen aan de zuidzijde alleen oneven huisnummers.
1901-heden: Overtoom.
Zie annotatie op internet, waar ook interessant beeldmateriaal is te vinden.
Foto uit ±1901 genomen vanaf de Luiebrug. Te zien is het begin van de dempingswerkzaamheden.

Vondelkerk
R.K. kerkgebouw in de as van de Vondelstraat, ontworpen door architect Pierre Cuijpers als onderdeel van een stedebouwkundige eenheid van de Vondelstraat e.o.
Gebouw in neogotische stijl. Eerste steen 1872, in 1880 ingewijd als parochiekerk “Allerheiligst Hart van Jezus“.
Sinds 1977 buiten gebruik als kerk, daarna enige tijd gekraakt. Momenteel voornamelijk in gebruik als cultureel centrum en officieel aangewezen trouwlocatie van de gemeente Amsterdam. Meer info: zie HIER.

Vondelpark
In 1865 aangelegd langwerpig “Rij- en Wandelpark” tussen Stadhouderskade en Amstelveenseweg in Engelse landschapsstijl. Twee jaar later werd aan de hoofdingang Stadhouderskade een standbeeld van Joost van den Vondel geplaatst. Vlak daarbij ligt het Vondelparkpaviljoen waar van 1972-2012 het Filmmuseum was gevestigd. Momenteel biedt het als VondelCS (=cum suis) onderdak aan AVROTROS.
Eigen foto: “In het Vondelpark. Maart 1950″.

Vondelkerkstraat
Doodlopende verbindingsstraat tussen Overtoom en Vondelpark, tussen Reyer Anslostraat en Frederiksstraat. Toegang tot Vondelpark voor voetgangers en fietsers.
Zie AT5-uitzending over deze straat.
Naar verluid (AT5) is de straat vernoemd naar het kapelletje aan de Heilige Weg (=Overtoom), waar Vondel placht te bidden als zijn drukproeven in de nabijgelegen drukkerij werden gedrukt.

Vondelstraat
Straat ten noorden van het Vondelpark vanaf het Leidsebosje naar de Anna van den Vondelstraat.
Vernoemd naar dichter Joost van den Vondel (1587-1679).
1864-heden: Vondelstraat (tot aan Vondelkerk).
1881 tot 1896: Verlengde Vondelstraat (vanaf Vondelkerk).
1896-heden: Vondelstraat.

_______________________

Eerder bericht: Anna Vondelstraat 1/2
Volgend bericht: Anna Vondelstraat 2B/2

Anna Vondelstraat 1/2


Anna Vondelstraat 1, Amsterdam Oud-West, werd in 1882 gebouwd toen de Anna Vondelstraat nog niet bestond. Daarover meer in dl.2 dat begin maart hier zal verschijnen.
In oktober 1948 kwam de familie Loonen, vader, moeder en zes kinderen, daar te wonen op de tweede (woonkamer, keuken) en derde verdieping (3 slaapkamers). Over de weinig florissante situatie van dat onderkomen heb ik onder de titel Schaalvergroting in november 2012 al bericht.
Hoog tijd voor wat meer diepte-informatie.


In 1882 liet slachter A.J.W. Helleganger (what’s in a name!) een spiksplinternieuw slachthuis bouwen aan de Overtoom 101, gemeente Nieuwer-Amstel, later, na de annexatie door Amsterdam hernummerd tot Overtoom 217. Boven de varkensslachterij bevatte het hoekpand drie verdiepingen met bovenwoningen. Bouwtekeningen zijn te vinden in de beeldbank Amsterdam, met zoekopdracht “Anna Vondelstraat 1”. Voor het grootste gedeelte lag dat pand om de hoek van de Overtoom aan “een geprojecteerde straat”, de Anna Vondelstraat, die tussen 1890 en 1894 werd volgebouwd en de Overtoom ging verbinden met de Vondelstraat.

De Overtoom was toen nog niet gedempt; dat gebeurde pas twintig jaar later. Het zal den slachter wel van logistiek belang zijn geweest dat hij zijn varkens per boot kon laten aanvoeren, en het uitgebeende vleesch weer kon verschepen. Misschien zag hij de bui al hangen, want rond 1900 deed hij de zaak over aan Gerrit Pol, die er een vleeschhouwerij van maakte, d.w.z. dat hij de geslachte en uitgebeende koeien en varkens van het abattoir betrok en er zelf eindproducten van maakte, waaronder fijne vleeswaren. Ik vermoed dus ook dat de koeien voor de deur eerst naar het abattoir gingen; Pol slachtte niet aan huis. Overigens, de Beeldbank heeft de foto niet gedateerd (vermoedelijk tussen 1900 en 1920), en evenmin verklaard hoe daar opeens huisnr. 29 te zien is, in plaats van 217. Ik probeer dat nog wel uit te vissen.

Zoon Johan Pol nam rond 1920 de zaak over en hij was van 1948-1956 onze slager-op-de-hoek. Ik bewaar er prima herinneringen aan. We hadden uiteraard geen koelkast, dus elke dag moest iemand van ons even het eten van de dag gaan halen, tot ±1950 met distributiebonnen, later in de vrije verkoop.

Toen wij het huis betrokken had daar een zekere heer Weehuizen gewoond, werkzaam bij de N.V. Werkspoor. Ik heb van hem nog enige correspondentie liggen, met name vanwege zijn klacht uit november 1947, gericht aan het Prijzenbureau voor Onroerende Zaken aan de Stadhouderskade. Hij beklaagt zich omstandig over het feit dat hij als huurder van de eigenaar, mejuffrouw E. Frank, wonende op de Stalinlaan, te horen kreeg dat die voornemens was de maandelijkse huur voor Anna Vondelstraat 1-II en -III exorbitant te verhogen van ƒ 35,= naar ƒ 60,=. Kort daarvoor was het hele pand Anna Vondelstraat 1 getaxeerd op ƒ 10.000,= (ik bied nu graag het dubbele ter verkrijging!), hetgeen een huurprijs van ca. ƒ 35,=/maand billijkte.

Ruim een maand later komt het Prijzenbureau met een soort Salomonsoordeel dat mede was gebaseerd op de overweging dat een maandhuur van ƒ 60,= “boven het op 9 mei 1940 (!) voor soortgelijke objecten gebruikelijke huurpeil ligt“. Als “hoogst toelaatbare huurprijs” noemt het Prijzenbureau een bedrag van ƒ 42,50 met de toevoeging “dat ten aanzien van het gebruik van electrische stroom, gas en verwarming niet meer in rekening mag worden gebracht dan de kosten van het werkelijk gebruik“. De eigenaresse gaat prompt akkoord en dat zal inhouden dat mijn vader enige maanden later ook datzelfde bedrag aan huur moest gaan betalen.

Naar huidige maatstaven van woningcorporaties hield mejuffrouw Frank zich vrij lang opvallend koest. Maar in januari 1952 stuurt zij mijn vader een kort briefje (“Met alle hoogachting“) dat zij zich genoodzaakt voelt de huur per 1 februari 1952 in één klap met 15% te verhogen tot ƒ 48,30 hetgeen gelijkstaat aan een jaarlijkse verhoging van 4%.

Over wat voor een pand hebben we het eigenlijk?
Via een stoepje voor de voordeur (hier op een foto uit 1949) kwam je in een halletje met rechts de trap naar boven en links een vrij grote ruimte die een driedubbele functie had: allereerst konden we daar de fietsen stallen, verder was er achterin een luik waardoor de steenkool werd gestort die de bewoners gebruikten om de kolenhaard te stoken, ten slotte stond er een piano waarop de zus van mejuffrouw Frank, Annie Zieren-Frank pianolessen gaf. Op de dagen dat zij lessen gaf, moesten wij de fietsen uit de ruimte halen (eerst het vloerkleed opzij rollen!). Mevrouw Zieren was, net als haar zus en nog een andere zus, blind, hetgeen haar niet belemmerde uitstekend pianolessen te geven. Met haar handen voelde ze of je vingerzetting wel deugde. Zij genoot landelijk wel enige bekendheid, niet in het minst bij het koninklijk huis: van Wilhelmina kreeg zij ooit eens een vleugel cadeau en Juliana inviteerde haar diverse malen op Soestdijk om kinderliedjes te komen begeleiden. Geboren in 1890 haalde zij de respectabele leeftijd van 103 jaar. Van haar is nog een NOS-radiointerview te beluisteren en op internet tref je nog een bericht over haar aan. Verder wijdde het Goois Weekblad van 7-8 november 1984 een paginagroot artikel aan de toen 94-jarige pianiste.

Drie van mijn zussen en mijn broer hebben pianoles bij haar gevolgd; ik was nog te jong, maar ik herinner me wel dat je eerst vanaf de begane grond de ene etude van Czerny na de andere hoorde spelen, waarna die boven in onze huiskamer nog eens dunnetjes werden verder gestudeerd.

Dan maar de trap op. Op 1 hoog woonde de familie Chung. Hij een Chinees waarvan ik niet weet of hij uit Indië was gerepatrieerd; in ieder geval was zijn Nederlands een garantie voor bijna geen communicatie. Mevrouw Annie Chung-Marx sprak met een sterk Duits accent, hetgeen haar in die tijd, en dan nog wel in Amsterdam, ongetwijfeld van de straat hield. Zij hadden één zoon, Kok Han, ongeveer van mijn leeftijd, maar dikke vriendjes zijn we nooit geworden. Het frequentste contact dat wij met de Chungs hadden was het toilet, het enige dat er aanwezig was op de 1e, 2e en 3e verdieping. Het had twee deuren, eentje voor de Chungs, de andere voor ons. Zij en wij moesten dus steeds twee deuren op het haakje doen, hetgeen wel eens achterwege bleef. De anekdote die mij het meest is bijgebleven is dat mijn vader op een dag de wc-bril had gevernist. Pa Chung, die het woord “NAT” niet kende, ging erop zitten en riep toen: “Annie, ikke zitte vasseplak!”

Nog maar een trap op, die uitkwam op een halletje. Rechts de keuken, klein, maar afdoende, met een aanrecht (ik weet niet of er ook warm water was), een gasfornuis op stadsgas, want aardgas was er nog lang niet, en een voorraadkast. Vanuit het halletje rechtdoor was de woonkamer, ik heb het inmiddels nagemeten: 6 bij een kleine 5 meter. Die moest niet alleen plaats bieden aan 8 personen, maar ook had mijn vader op het pandhuis of bij veiling De Zwaan een compleet ameublement gekocht, zwaar en massief, geproduceerd door H. Pander & Zonen te ‘s-Gravenhage. Het omvatte een groot buffet, een ovale uitschuifbare eettafel met tussenblad, twee zware stoelen met leuningen en vier zonder leuningen (twee van ons moeten dus op keukenstoeltjes hebben gezeten), een theetafel en wat bijzettafeltjes. Het meeste daarvan staat nu bij mij in Rosoy, met aanmerkelijk meer rumte eromheen. Via de hijsbalk was alles vakkundig omhoog getakeld, samen met een djatihouten bureau, twee rookstoelen en een piano. Later kwam er nog een radio/grammofoonmeubel bij met ingebouwde luidsprekers. Hoe het er allemaal in heeft gepast, is me nog steeds een raadsel. Eigenlijk geen wonder dat Van der Schaal het niet wilde geloven.

In het halletje links liep de trap naar zolder, met daaronder een bergkast. Op die zolder waren drie slaapkamers, eentje voor mijn ouders, met een lampetkan op een toilettafeltje, eentje voor mijn oudste twee zussen met een wastafel die koud stromend water leverde, behalve ’s winters, want dan waren de leidingen steevast bevroren, en eentje voor het jongere kroost: een tweepersoonsbed voor mijn jongste twee zussen en een stapelbed waar mijn broer bovenin lag en ik onderin. Die kamer was daarmee compleet gevuld; voor enig meubilair of een wastafel was er absoluut geen plek. Mijn oudste zussen konden door het dakraam in de goot aan de tuinzijde klimmen om te zonnen, huiswerk te maken of de was te drogen te hangen aan provisorisch bevestigde waslijnen aldaar.

Zelf heb ik dat opgehokte verblijf nooit zo rampzalig gevonden, bij gebrek aan enig referentiekader. Voor mij was het dus “normaal”. De anderen hadden wel een referentiekader: dat van de Jappen-vrouwenkampen op Java cq. de werkkampen langs de Birmaspoorlijn. Het is voorstelbaar dat zij het gevoel hadden er in Anna Vondelstraat 1 op vooruit te zijn gegaan.

Desalniettemin heeft mijn vader bijna van meet af aan stad en land bewogen om een meer passende woonruimte beschikbaar te krijgen, direct via het CBH, indirect via zijn werkgever, de Marine op Kattenburg waar hij in een civiele functie tot zijn pensioen heeft gewerkt. Maar zelfs een persoonlijke interventie in augustus 1951 van H.C.W. Moorman, Staatssecretaris van Marine, die beloofde “nogmaals persoonlijk een beroep te doen op de Burgemeester van Amsterdam”, mocht niet baten. De woningschaarste was te nijpend.

Makelaar Lemmens te Amsterdam probeerde in september 1954 nog wat schot in de zaak te brengen: middels een kil schrijven verzoekt hij mijn vader “hoezeer het mij spijt” binnen drie weken de woning te ontruimen en te verlaten, in de verwachting “dat het U nu moge gelukken een woning te vinden die het U en Uw gezin mogelijk zal maken eindelijk eens menschwaardig te wonen“.

Ook dat mocht niet baten, al weet ik niet hoe het is gelukt om het nog bijna twee jaar uit te houden daar. Maar op 8 mei 1956 kwam van het CBH, na een wachttijd van 6 jaar, het felbegeerde voorrangsbewijs met een woonvergunning voor het pand Lomanstraat 6 hs+I.
Die verhuizing was vlot geregeld.

 ___________________

Volgend bericht: Anna Vondelstaat 2a

 

 

Wat al onzin hebben wij gezongen

Als je in tien jaar tijd van, in mijn geval, je twaalfde groeit tot je tweeëntwintigste, heb je wellicht het idee dat de wereld om je heen verandert. Dat is waarschijnlijk ook wel zo, maar meer nog zul je moeten erkennen dat je zelf verandert. Daarom is het achteraf vaak zo lastig een onderscheid te maken tussen jouw eigen ontwikkeling en die van de grote wereldorde.
Dat is mij natuurlijk ook overkomen. Terwijl ik tussen 1959 en 1966 de middelbare school doorliep, daarna in dienst mocht, ging studeren, los kwam van thuis, op kamers ging &c. &c., dacht ik dat ik daar in Amsterdam in een tijd van politieke en volkstaalliturgische revolutie vertoefde en ik verwarde voortdurend mijn (post-)puberale fantasieën met de mij omringende werkelijkheid waarvan ik deel uitmaakte.
Eenmaal oud en grijs probeer je dan die twee werelden weer van elkaar te scheiden, en ik moet zeggen: dat valt niet mee.

Over de politieke situatie in het Amsterdam van de jaren-’60 zal ik het verder niet hebben. Genoeg bronnen elders, te beginnen met Bericht aan de rattenkoning, het boek dat mij op slag een fan van Harry Mulisch maakte. Hier beperk ik me tot de begintijd en verdere ontwikkeling van de volkstaalliturgie, een revolutie binnen de revolutie van de jaren-’60.

Die volkstaalliturgie, laten we als startpunt 1959 noemen en als plaats van oorsprong het Ignatiuscollege met Bernard Huijbers en Huub Oosterhuis als roergangers, was niet zo maar het vervangen van Latijnse teksten door Nederlandse, en niet zo maar het overstappen van koorzang naar volkszang. Het was meer. Amper zes jaar later bekrachtigde het Tweede Vaticaans Concilie dat niet alleen gezangen in de volkstaal werden toegestaan, maar dat zelfs de liturgie, die kerkelijke ritus, in de volkstaal mocht (niet: moest) plaatsvinden. Liedjes in de volkstaal waren al eeuwenlang in de katholieke (en uiteraard steevast in de protestante) kerken te horen. In de middeleeuwen en de daarop volgende eeuwen glipte daar nog wel eens een Latijnse frase tussendoor; wellicht ken je nog het refrein van “Wij komen tezamen onder ’t sterrenblinken” dat uit 1640 stamt: “Venite adoremus (ter) dominum“, soms in vertaling gezongen als “Komt, laten wij aanbidden (3x) den Heer“. Tal van geestelijke liederen in de volkstaal, in de kerk of thuis aan tafel gezongen, waren allang ingeburgerd, maar het revolutionaire aspect was de vervanging van de Latijnse mis door een volkstaalvariant. Evenzo was het revolutionair dat die volkstaalliturgie ook “door podium en zaal”, dus door koor en volk ging gezongen worden. Bernard Huijbers heeft zijn opvattingen dienaangaande in 1969 bij Gooi & Sticht als een becommentarieerd manifest uitgegeven onder de titel “Door podium en zaal tegelijk. Volkstaalliturgie en muzikale stijl. Vijf en een half essay over muzikale functionaliteit”. Ik heb van die uitgave heel veel geleerd. Maar dat had voornamelijk met volkstaalliturgische muziek te maken, niet met de daarbij gebezigde teksten.

Wat al onzin hebben wij gezongen – dit besef drong pas veel later tot mij door, toen Bernard Huijbers al lang van zijn geloof was afgevallen en in Frankrijk woonde en van daaruit met teksten kwam die mij al evenmin konden bekoren, over het Al en het Zijn en de Kosmos.

Ik moet mijn standpunt eerst wel even wat relativeren. Ik vind het inderdaad bijna beschamend dat wij, als koorknaapjes, zo argeloos en onnadenkend onze stembanden spendeerden aan teksten als:

Ik zing van ganser harte voor de Heer,
ben opgetogen om mijn God, de Redder.
Want Hij had oog voor mij, zijn dienares,
maar wie ben ik dat Hij mij heeft gevraagd.

(nr.78 bundel Volkstaalliturgie)

Huub Oosterhuis was bij repetities nooit aanwezig, en Bernard Huijbers deed niet bijster veel moeite ons wat tekstanalyse te presenteren. Hij lette op de nootjes en de harmonie. Wij dus ook.

Maar het zou te kort door de bocht zijn Marialiederen op de vuilnishoop te gooien omdat je er uit religieus oogpunt weinig voeling mee hebt. Toen ik mij in 1954 in de Vondelkerk moest voorbereiden op mijn Eerste Communie leerden wij onder andere dit lied van Guido Gezelle, daterend van ongeveer 1890:

Maria, mild en machtig
vereerd bij God en mens
Weest moeder mij indachtig
die mij te bet’ren wens
Ik heb mijn schone dagen
verroek’loosd en verdaan
En kom, O Moeder, klagen
bij u voortaan
(Beêvaartslied. Nr.9 uit Dertig geestelijke liederen van Guido Gezelle op oude en nieuwe zangwijzen geschikt door Remi Ghesquiere)

Dat is al even onbegrijpelijke onzin als Oosterhuis’ tekst hierboven, maar literair gezien is het een juweeltje. Naast het oerkatholieke onuitstaanbare educatieve monstrum dat wij ons als gelovigen voortdurend schuldig moeten voelen, met alle confiteors en mea culpa’s en biechtproblematiek, presenteerde Gezelle een prachtig taalgebruik met fraaie zinsconstructies. De bijzin “die mij te bet’ren wens” leent zich voortreffelijk voor een ontleedtoets!

  • Waarnaar verwijst “die” ?
  • Is “mij” een wederkerend of een persoonlijk voornaamwoord ?
  • Wat voor zinsdeel is “te bet’ren” ?

Daar bovenop trakteert hij ons ook nog eens op het fraaie woord verroek’loosd, waarvan de etymologie nog niet zo simpel is, maar ik vind verroeklozen doodgewoon een prachtig werkwoord, zozeer zelfs dat ik me zou kunnen voornemen elke dag een paar uurtjes te verroeklozen, gewoon voor de taalkundige kick. Het wint het voor mij zelfs van het etymologisch al even lastig te doorgronden verkwanselen, dat ook in de middeleeuwen al in zwang was.

Bedenk ook dat Godfried Bomans ons al heel lang geleden (ik kan de bron niet meer terugvinden) heeft uitgelegd dat de magische kracht van het onbegrepen woord en van onbegrijpelijke zinnen juist zit in die onbegrijpelijkheid: tabberd, kapoentje, kregen wij voor koek een gard, makkers staakt uw wild geraas, en zo. Hij had gelijk, maar dat was nou juist wat de volkstaalliturgie zo revolutionair maakte: al die onbegrijpelijke Latijnse formules voor den volke begrijpelijk maken. Dat heeft de Kerk heel wat trouwe leden gekost, nu die eenmaal, beroofd van hun mystieke Latijnstalige wierookwalm, konden inzien wat al onzin zij al die tijd hadden moeten aanhoren en zingen.

Het œuvre van Huub Oosterhuis laat zich in een aantal thema’s onderverdelen. Aanvankelijk betrof het de al dan niet kerkelijk goedgekeurde (“nihil obstat”) Nederlandse vertalingen van het Latijnse misformulier. Dat was dus de volkstaalliturgie in optima forma. Prima, en het kreeg een ruime verspreiding binnen het Nederlands taalgebied, tot op heden zelfs. Daarnaast een grote reeks van in het Nederlands vertaalde psalmen van een meer dan aanvaardbaar niveau, maar daarmee was hij niet uniek. Vondel en Hooft bijvoorbeeld, de Statenbijbel, Ida Gerhardt en Gabriël Smit gingen hem voor. Weer wat later vloeiden er teksten uit zijn pen (naar zeggen van zijn secretaresse is Huub Oosterhuis digibeet, dus hij zal wel met kroontjespen schrijven, of op twee stenen tafelen – mij best) die los stonden van de liturgische rite in strikte zin, maar meer het menselijke, sociale aspect bezongen. Daar treffen we de teksten aan die enerzijds al even onbegrijpelijk waren als de tabberds en het verroeklozen, maar die toch in mijn ogen een aantrekkelijke sfeer ademden van erbij horen, literaire fictie van niveau, geen bijbelse of sprookjes-, maar een geesteswereld waarin ik mij wel kon vinden. Hoogtepunt, wat mij betreft, Een lied voor de winter (“Geen zilveren sleeën, geen goud in de grond, enkel een hand op een hart en een mond op een mond”), maar, voor de kenners, ook teksten als: Hij is een zwarte vlek in het donker, Hij is een vochtige plek op de grond. Hij is een windvlaag, hij kan bewegen: draaien kruipen staan lopen rechtop. Zwemmen en varen, lopen de branding in, lopen maar, lopen over de zee” en “Vier muren en een dak van riet, meer is het niet, meer is het niet”. En natuurlijk “Zo maar een dak boven wat hoofden”, dat onze Bossche bisschop zich verwaardigde in de ban te doen, daarmee het demasqué, de ontbinding van de Nederlandse Katholieke kerkprovincie bewust manifesterend.

Een laatste hier te vermelden thema is zijn affectie voor het Oude Testament, voor de joodse geschiedenis. Ik weet dat Bernard Huijbers daar ook al op afknapte, en voor mij is het zelfs stuitend te merken hoe deze volkstaaldichter, die met al zijn kwaliteiten en fraaie producties toch maar mooi nergens in enig Nederlandse literaire canon wordt vermeld, met zo vele teksten komt aanzetten die lijken geschreven te zijn als reclamemateriaal voor de plaatselijke VVV van Tel Aviv.

In feite maakte hij dit soort teksten al van meet af aan. Ik pik er één voorbeeld uit. Een tekst waarover ik eigenlijk in een eerdere fase al een apart artikel had willen schrijven, maar nu bed ik het maar in dit bericht in. We schrijven 1961, schat ik zo, want ik ken zowel de alt- als de baspartij nog uit mijn hoofd, en in de grote vakantie van dat jaar brak mijn stem en werd ik kort daarop babybasje van het koor. Vastenliturgie-I. Bernard Huijbers begon zijn opvatting in praktijk te brengen dat oudere volksmuziek zich prima leent voor liturgische toepassingen. Op de wijze van het 16e-eeuwse Frans-Vlaamse visserslied “Allen die willen naar Island gaan” componeert hij een vierstemmig arrangement “voor vierstemmig gemengd koor, orgel en volkszang” bij teksten van Huub Oosterhuis over de uittocht van het joodse volk:

Hoort mensenbroeders die hier nu zijt.
Waarom zijt gij gekomen? Om te waken of te dromen?
Nu waakt en bidt om redding uit uw slavernij.
God weet gaat u de engel van de dood voorbij.
(nr.54 bundel Volkstaalliturgie)

Vreselijk. Allereerst vanuit literair-perspectivisch oogpunt: wie is hier aan het woord? God zelf? Nee. Mozes dan die “ons” wegvoert naar het beloofde land? De dienstdoende pastoor? Huub Oosterhuis zelf? En tot wie richt die alwetende spreker zich? Tot de uitsluitend mannelijke mensenbroeders die hier nu zijn, en al half ingedut zitten te luisteren?

Ik lig ’s avonds in bed. Gordijnen dicht, raam een beetje open, want de lente is in aantocht. Handjes niet boven dekens, want ik heb het druk en bovendien ben ik zojuist opgeroepen om tijdens de katholieke ramadan vooral niet in te slapen, maar te waken. Met halfdichte ogen dwemmel ik weg in genot maar met gespitste oren. Als mijn ouders maar niks ervan merken, want dat levert me wederom een pak slaag op; ook dat is nog eens een keer waar, en het blijft me dwarszitten.
En komt het gevaar niet van de gang achter mijn hoofdeinde, dan toch zeker van de raamzijde aan mijn voeteneinde, waar de passerende engel des doods mij komt bestraffen voor mijn verroekloosde brave opvoeding. Maar gelukkig heb ik één escape. Eén tegen honderd dat het lukt, maar ik kan het proberen:

Heer God wij hebben u kwaad gedaan,
Maar laat u toch verbidden, sla uw tent op in ons midden.
En mochten wij genade vinden in uw oog,
Dan zult Gij ons uw Glorie tonen van omhoog.

Veel geholpen hebben deze woorden mij niet, net zomin als ze er vandaag de dag in Gaza of de Westelijke Jordaanoever van wakker zullen liggen, ook niet met de reclameachtige slotscène:

Vader, wij hebben u nooit gezien.
Maar Jezus heeft gesproken en het woord voor ons gebroken,
Die eeuwig met u samen is en met uw Geest.
Heer God, alleen uw Zoon is onze gids geweest.

Woordbreuk als verkoopargument: je zou je bijna op die gids abonneren. Maar wat een onzin om daar anno 1961 de revolutionaire geesten-in-de-dop mee lastig te vallen en 120 koorleden, opgehokt voor het beruchte Pelsorgel in de Ignatiuskapel (zie de foto bovenaan uit 1961), daaraan medeplichtig te maken.

Des te jammerder, daar ik (ik geef het toe: veel te laat, te laat om het er met Bernard nog eens goed over te kunnen hebben) tot het inzicht ben gekomen dat zijn arrangement van dit Islandlied razend knap is gecomponeerd, zowel de vierstemmige intredezang met bijna een tweestemmige canon in het derde couplet, als de toccata- en fuga-achtige tussenzang (8′, 4′, 2′, Tranquillo, staat er bij), als de grande finale van de slotzang met de melodie in de bas+volk+orgelpedalen, en de sopranen, alten en tenoren daar fraai bovenuit.

Ik wil jullie deze compositie niet onthouden.

  • Voor een redelijke uitvoering van het “originele” visserslied Allen die willen naar Island gaan verwijs ik naar YouTube
  • Voor een door mij getranscribeerde volledige versie van Huijbers’ arrangement wav-file met ah’s als koorstemmen moet je me even mailen. Het ruim 42 Mb grote bestand stuur ik je dan per wetransfer toe.
  • Voor de partituur: zie hieronder.