Beaulieu, 4 van vele

Mocht iemand dit glas-in-loodraam in bezit hebben, dan wordt het zeer op prijs gesteld het bij mij terug te bezorgen.
Mocht iemand dit glas-in-loodraam ergens tegenkomen, bijvoorbeeld op een (rommel)markt, veiling of websites als Ebay of Leboncoin, of bij iemand thuis aan de muur of als salontafeltje, dan wordt het zeer op prijs gesteld dat mij snel te melden.

Het medaillon is rond met een diameter van ± 64 cm. Vermoedelijk is het 19e eeuws en een analyse van de inhoud heeft tot nu toe nog niet veel opgeleverd. Maar dat neemt niet weg dat je het beter kunt laten hangen dan het zich schielijk toe te eigenen. Gevalletje kunstroof.


Bruikbare tips mogen desgewenst ook anoniem zijn.


Vorig bericht: http://nardloonen.nl/2017/11/29/beaulieu-3-van-vele/
Volgend bericht: https://nardloonen.nl/2018/06/05/beaulieu-5-van-vele/


Tenzij anders vermeld, zijn alle foto’s door mij genomen.
Overname toegestaan, mits met bronvermelding “© 2017-2018 Leonard Loonen”

¿Sevilla? ¡Róterdam!

Zo op het eerste oog zijn er niet veel lijntjes die Sevilla met Rotterdam verbinden; een bijpassend plaatje ontbreekt dus ditmaal, maar na wat betere beschouwing heb ik toch twee verbanden kunnen vinden. Het ene heeft met bruggen te maken, het andere met voetbal.

Befaamd in Rotterdam is de Erasmusbrug, een ontwerp van architect Ben van Berkel, die in 1996 officieel werd geopend. Deze 800 meter lange tuibrug met één geknikte stalen pylon is al ruim 20 jaar een blikvanger in de stad. Maar het is niet de enige brug van een dergelijke constructie.


Alleen moeten we dan naar architect Santiago Calatrava. Die heeft, om de werkelijkheid maar even om te keren, een aantal Erasmusbruggen op zijn naam staan, maar niet die van Rotterdam. Je treft er onder meer eentje aan in Valencia, in Jeruzalem, in Redding (Californië), en dus ook in Sevilla. Alle van vergelijkbaar ontwerp. Die in Sevilla, gebouwd voor de Expo in 1992, luistert naar de naam Puente del Alamillo en is dus ouder dan de Erasmusbrug, maar wel ruim driemaal zo kort, ±250 meter en ontworpen als voetgangersbrug. Nergens heb ik kunnen vinden dat Ben van Berkel zich voor de Erasmusbrug door die Puente heeft laten inspireren, ook al zijn de overeenkomsten tussen beide bruggen nog zo frappant.

  • Bewust heb ik ervoor gekozen hierboven alleen zelfgemaakte foto’s te plaatsen, en niet her en der van internet wat te plukken, ook al zijn die vaak fraaier.

Een tweede lijntje tussen Sevilla en Rotterdam putte ik uit mijn geheugen. In 2014 troffen FC Sevilla en Feyenoord elkaar in de groepsfase van de Europa League. De buit werd eerlijk verdeeld: Sevilla won thuis met 2-0 en Feyenoord won in De Kuip met 2-0. Daarmee werd Feyenoord groepswinnaar en Sevilla tweede, maar dat terzijde.


Omdat het niet zo ver lopen was -het Estadio Ramón Sánchez Pizjuán ligt midden in de stad- wilde ik het wel eens bekijken. Ondanks de indrukwekkende naam haalt dat stadion het niet bij De Kuip, maar daar ging het mij niet om. Ik had eerder al eens gezien dat er vóór het stadion een reusachtige Wall of Fame staat, waarop, zegt men, de meest aansprekende tegenstanders van FC Sevilla staan afgebeeld. Dit nu is een leugen: er ontbreekt er minstens eentje: Feyenoord. Ik zal er toch niet overheen hebben gekeken. Mogelijk liggen ze wat achter met het bijwerken van het bord; beide clubs hadden elkaar nooit eerder ontmoet. Over een paar jaar nog maar eens gaan kijken.
Sevilla zelf is zeker een herbezoek waard.

_____________________________

Vorig bericht: http://nardloonen.nl/2018/04/26/sevilla-groen-en-blauw/

¿Sevilla? Groen en blauw

Als verstokt republikein wil ik niet te lang stilstaan bij de vele sinaasappels die je overal in Sevilla in de publieke ruimte tegenkomt, maar ze vielen me wel op.
Meer geboeid was ik door twee andere prominente kleuren in de stad: groen en blauw, de eerste min of meer natuurlijk, de tweede min of meer kunstmatig.

Het groen manifesteert zich in de vele aanplant van bomen en struiken, jonge en heel oude. Natuurlijk wil een en ander wel groeien en bloeien in een klimaat als dat ter plaatse. Folders beweren dat Sevilla de warmste stad van Europa is. Daar valt overigens wel wat op af te dingen: toen wij vertrokken was het in Boxmeer/Eindhoven blauwe lucht en 20°; bij aankomst in Sevilla troffen we zwaar bewolkt weer aan, regenval en niet meer dan 13°. Dat herstelde zich later die week wel in temperaturen tussen 27 en 29, maar dat was het in Rosoy en Boxmeer ook. Dat alles neemt niet weg dat Sevilla als “ville fleurie” heel prettig overkomt met al die bomen en plantenbakken.
Hoogtepunt vond ik het schitterend aangelegde Parque Maria Luisa tegenover het Plaza de España, een oase van rust in een drukke stad. (Kleine linguïstische twijfel: moet je nu de of het Parque en Plaza schrijven?). Maar de veel te veel auto’s verpesten daarbij natuurlijk wel het klimaatvoordeel van al dat groen. Nog meer paardenkoetsen en een uitgebreider OV zouden er wat aan kunnen doen; nu wurmen zich onophoudelijk auto’s door de steegjes van de binnenstad en lijden de grotere verkeersaders aan een vervoersinfarct. Tja, in andere grote steden is het niet veel beter gesteld. Ik zie ze in Sevilla niet 1-2-3 de oude binnenstad autovrij maken.

Het blauw hebben mensen aan al dat groen toegevoegd. Het manifesteert zich in de vele blauwe tegels tegen muren, op vloeren, op pilaren enzovoort. Dat fraaie (dat is subjectief, maar hun veelvoud is objectief waarneembaar) tegelwerk was mij al eerder opgevallen in Porto, toen ik dacht dat het iets typisch Portugees betrof, maar ook Andalusië blijkt er patent op te hebben. Sterker nog: Portugal heeft deze kunstvorm uit Andalusië geïmporteerd. Echt Delfts Blauw zul je niet meer zo veel overal in een stad tegenkomen, maar het bestond destijds wel op het Iberisch schiereiland.
De kunstvorm heeft in hoofdzaak een decoratieve functie; het plakken van blauwe tegels onder tegen je balkonvloeren dient geen enkel praktisch doel, soms ook een commercieel om als een soort keramische bill boards artikelen aan te prijzen. Vanwege de rijke variëteit en de kunstzinnigheid van deze Azulejos reik ik er hier nog een paar aan uit Sevilla.
Gaat dat zien.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

______________________________
Vorig bericht: ¿Sevilla Vlaams?
Volgend bericht: ¿Sevilla? ¡Róterdam!

 

 

¿Sevilla Vlaams?

Ik had me er onvoldoende op voorbereid toen ik vorige week een flamencoshow bezocht in  de Tablao Flamenco Los Gallos in Sevilla. Mijn vermoeden dat het in hoofdzaak zou gaan om bronstige paringsdansen van Zuid-Amerikaanse snit werd in ieder geval gelogenstraft, maar wat het dan wèl inhield, kreeg ik pas weer terug thuis te lezen op internet.

In het knusse zaaltje werd ook niet overmatig veel informatie verstrekt; wel was er een gratis drankje bij de entreeprijs inbegrepen. Weliswaar werd er vooraf wat tekst op een filmdoek geprojecteerd, maar die was hoofdzakelijk in het Spaans en bleef te kort staan om te ontcijferen, en bovendien zaten we wat opzij op de eerste rij, zodat we toch al niks op het scherm konden lezen. Dat op de eerste rij zitten had wel het voordeel dat we heel goed zicht hadden op het razend knappe voetenwerk van de dansers en danseressen.

Ook over de herkomst van het woord flamenco had ik mij nooit eerder gebogen. Zo her en der tref je aan:

  • Flamenco is een Spaans bijvoeglijk naamwoord dat “Vlaams” betekent, verwijzend naar de periode rond Karel I die in de 16e eeuw veel Vlaamse zangers naar de Spaanse kathedralen haalde. Dat moge zo zijn, maar het is even speculatief als dat het Tsjechische werkwoord flámovat (“boemelen, zuipen, kroeglopen“) een Vlaamse uitvinding zou zijn. Het is wat met die Belgen.
  • Flamenco is een afleiding van het Provençaalse flamenc en/of Catalaanse flamench dat is afgeleid van Latijns flamma (“vlam“).
  • Flamenco is een verbastering van het Arabische felah-mengu (of afgeleide vormen) met als oorspronkelijke betekenis “loslopende/gevluchte boer“.

Kortom: men weet het niet, wat op zich niet zo vreemd is, doordat de eeuwenoude flamencotraditie weinig schriftelijke bronnen, noch muzieknotaties kent, daar destijds in en rond Andalusië het analfabetisme hoogtij vierde.

De gezongen teksten waren voor mij niet te verstaan. Ik vermoedde dat het iets van oud-Spaans was, of dat ze in het Andalusisch waren. Na afloop buiten vroeg ik het aan een van de zangers, maar die beweerde bij hoog en bij laag dat het echt Spaans was. Het zal wel.

Een soortgelijk probleem was de muziek. Geen touw aan vast te knopen. Ik weet nu dat het hoofdzakelijk om twaalfkwartsmaten gaat (ik telde eerder groepen van 4xdriekwartsmaat, maar misschien is dat hetzelfde); opzwepend ritmisch is de muziek in elk geval wel, maar ook op grondtoon en gebezigde toonladders van de zang en de begeleidende gitaren kreeg ik geen vat. Daaraan kan ten grondslag liggen dat deze muziek door de eeuwen heen een mix is geweest van diverse culturen, van Fenicisch tot joods, van Arabisch tot christelijk, van Vlaams tot zigeuners, zeg maar een Grieks-Romeinse worsteling van cultuur- en muziekinvloeden. Dat maakt het uitermate boeiend, als je er tenminste wat van afweet of er uitvoerig over wordt geïnformeerd. Helaas ontsteeg het dus door die slechte voorbereiding niet het niveau van Omroep Max of AvroTros, en bleef het noodgedwongen een beetje bij genieten van het spektakel, de soepele danskunst, het virtuoze gitaarspel, de klepklakkende voetzolen, de zwierende rokken.

Wat dat laatste betreft: de lokale traditie schrijft voor dat de vrouwen gehuld gaan in dat soort kledij. Net vorige week was het in Sevilla Feria de Abril (nog net iets minder erg dan carnaval), wat onder meer inhoudt dat ook op straat heel wat dames en meisjes gekleed gaan in van die lange, kleurige  folkloresoepjurken met een wespentaille en breed uitlopende onderkant. Met nog een bloem in het hoofd gestoken. Echt iets om mij een plezier mee te doen.

Maar in Los Gallos zag ik de functionaliteit van die wapperende rokken. Ik zie het de Vlamingen voor- noch nadoen.
_________________________________
Volgend bericht: ¿Sevilla? Groen en blauw

Hommage Bach hommage Varga

Ik bedoel het niet persoonlijk, maar zo af en toe kun je pas postuum iemand op waarde schatten. Dat overkwam Johann Sebastian Bach na 1750, dat overkwam Marián Varga na 2017. Ik kom er daarom niet omheen, om na mijn artikel over Collegium Musicum en Varga er een van zijn composities even uit te lichten.

Het was 1970 of 1971 toen ik in Praag min of meer bij toeval bovenstaand EP’tje in een winkel aantrof. Ik moest nog van alles ontdekken in de ČSSR, maar wist qua muziek wel af van het bestaan van de Slowaakse progressive rockgroep Collegium Musicum, en uit louter nieuwsgierigheid en hang naar excentrieke dingen liet ik het singletje niet liggen voor, meen ik, Kčs 12 (omgerekend ± ƒ 1,20 oftewel € 0,55).

Er gingen 48 jaren overheen. Bach was al lang dood, Varga nog niet zo lang. Het reorganiseren van mijn collectie grammofoonplaten, internet en youtube deden de rest.

Was het niet Felix Mendelssohn, ooit verguisd, want joods, die pas na bijna 100 jaar Bachs vergeten Matthäus Passion weer voor het voetlicht haalde en zich met die revival van ’s werelds beste muziekstuk van ’s werelds beste componist ooit onsterfelijk maakte?
Ik ga voor de helft, en vraag attentie voor Marián Varga’s Hommage à J.S. Bach, in 1970 op 45t-singletje uitgebracht, en nadien in diverse uitvoeringen bewaard gebleven.
Varga, met zijn klassieke conservatoriumopleiding, kende natuurlijk heel wat befaamde en minder befaamde voorbeelden uit de klassieke muziek. Waarom hij nu juist de partita nr.8 van Bachs Sarabande in C, BWV 990 uitkoos, is mij een raadsel. Maar dat mag zo blijven. Misschien was het een studieobject tijdens zijn opleiding die hem erg aansprak. Mij ook.

Ik doe een beroep op jullie om 22 minuten van je kostbare tijd te reserveren. Zet al je hinderlijke stoorzenders uit. Telefoon, smartphone, whatsapp, tv en wat al niet, eindelijk even rust en onbereikbaar, want ook daarop heeft een mens recht. Doe de gordijnen dicht en de volumeknop open, maar ga vooral niet rustig slapen. En benut die vrijgekomen tijd door even mijn viertrapsraket te beluisteren en te bekijken, waardoor je naar grote hoogte stijgt. Realiseer je a.u.b. dat de componisten, Johann Sebastian Bach en Marián Varga er meer tijd en kwaliteit en vakmanschap aan hebben gespendeerd dan jij ooit zult kunnen, waarschijnlijk. Honoreer dat door het tot je te nemen.

Trap 1: De originele Sarabande van Bach, daarvan partita nr.8 (in nevenstaande partituur IX genoemd). Trek er even 1:16 voor uit. Ik heb die partita uitgelicht uit de opname door pianist Romualdo Lucchi, die op youtube is te vinden. 

Trap 2: De uitvoering ervan door Marián Varga op het EP’tje uit 1970, bij mijn weten de oudst bewaard gebleven versie door Varga. Ik heb die van afgebeeld grammofoonplaatje gedigitaliseerd. Knap dat Panton 7:10 minuut in 1970 op één kant van een 45-toerenplaatje kreeg geperst. Je hoort Marián Varga (orgel), Fedor Frešo (gitaar) en Dušan Hájek (slagwerk). Zie https://youtu.be/DH7xmNTOpZ4

Trap 3: Het nummer kent vele uitvoeringen. Allereerst beveel ik de acht minuten durende versie aan uit november 2009 (live-opname in Bratislava) (https://www.youtube.com/watch?v=sleNjIk9Ukw) met Marián Varga (orgel), Fedor Frešo (basgitaar),  František Griglák en de fabelachtig goede drummer Martin Valihora (slagwerk), die er ook zichtbaar enorm plezier aan beleeft.
Zie ook de aftiteling met verdere verwijzingen helemaal aan het einde. Op de foto vlnr: Frešo, Varga, Valihora, Griglák.

Trap 4: De qua bezetting meest uitgebreide versie, met het Slowaaks Kamerorkest, is te zien en te horen op https://www.youtube.com/watch?v=1z15JcnIigw. Het lijkt een live-opname te zijn die door de Slowaakse TV is uitgezonden, maar een exacte datum weet ik niet. De youtube-film is in ieder geval in april 2008 geüpload en duurt minder lang dan de andere hierboven genoemd: nog nèt geen vijf minuten. Er zitten wat schoonheidsfoutjes in de uitvoering, maar dat is bij een live-opname onvermijdbaar.
We zitten dan toch bijna 40 jaar na het ontstaan van het nummer en is het inderdaad een stuk volwassener geworden. Voor de uitvoerenden en verdere informatie kun je de Engelstalige beschrijving bij de youtube-film lezen.
Pure kwaliteit allemaal. En puur muzikaal genot.
Er circuleert op YouTube nog een opname uit 2018, “In Memoriam Marián Varga“. Ik apprecieer die wat minder. Te hoog tempo en te weinig virtuoos. Varga is niet vervangbaar, zelfs niet kopieerbaar.

Marián Varga en Collegium Musicum

Het is dit jaar 50 jaar geleden dat ik voor het eerst lijfelijk kennismaakte met Tsjechoslowakije, oftewel de Tsjechoslowaakse Socialistische Republiek, ČSSR.
Meer dan 50 maal heb ik daarna, tot 2008, dat land bezocht, na 1992 alleen nog de Tsjechische Republiek. Ik kan daarover heel veel vertellen, maar ik beperk me nu even tot muzikale herinneringen. Dat op zich is al complex genoeg.

 

Inleiding
Al vrij snel vanaf dat eerste bezoek aan de ČSSR kwam ik in aanraking met de “muziek van eigen bodem”, hetzij via de radio, waar vooral naast klassieke muziek lokale Egerländermuziek te beluisteren viel, hetzij via gesprekken met Tsjechen en Slowaken, waarbij de verworvenheden van mijn bijvakstudie Tsjechich aan de UvA van eminent belang bleken, hetzij via grammofoonplaten die ik in winkels zag liggen en die voor een habbekrats te koop waren. LP’s van Supraphon of de Slowaakse pendant Opus, van welk genre dan ook, gingen doorgaans voor bedragen tussen de 40 en 60 kroon over de toonbank. Met de door mij gepraktijkte (zwarte) wisselkoers kwam dat neer op rond de € 2,50 per plaat. Daarvoor hoefde je ze dus niet te laten liggen.

Sporadisch lieten de autoriteiten ook verfoeilijke, decadente Westerse muziek toe, maar dan wel liefst in Tsjechische vertaling. Dan betrof het bijvoorbeeld Beatle-nummers op z’n Tsjechisch. Ooit, ik meen in 1970 of 1971, kwam ik tot mijn stomme verbazing een singletje tegen met daarop een Tsjechische variant van het Nederlandse (Nederlandse?) Ma belle amie van de Tee Set. Een overigens afgrijselijk nummer dat in de originele versie door Peter Tetterode in uiterst belabberd Engels en Frans gekweeld diverse top-10 noteringen haalde. Het EP-tje heb ik een keer aan iemand in Nederland uitgeleend. Nooit meer teruggekregen. Schande.
Gelukkig is er nu internet en kunnen we  DAAR het gewraakte nummer alsnog horen, in een vertaling van Jiří Štaidl en in 1970 gezongen/uitgevoerd door niemand minder dan Karel Gott himself (je bevindt je dan op het niveau van James Last en Rudi Carrell, wat het er al niet beter op maakt). De “officiële video” ervan staat HIER. Nog een tikkeltje erger vanwege de hele setting en de slechte nasynchronisatie. Je gaat er bijna van houden.

Maar overigens omvat mijn aldus opgebouwde Tsjechoslowaakse collectie een grote reeks klassieke muziek, volksmuziek, muziek op oude instrumenten, religieuze muziek, orgelmuziek en moderne muziek van rock tot jazz. Ook in die veelheid moet ik me hier helaas beperken.

Collegium Musicum
Ik kom dan uit bij de Slowaakse rockgroep Collegium Musicum uit Bratislava, actief tussen 1969 en 1981, met als meest sturende kracht toetsenist Marián Varga (1947-2017). Verder zijn rond die groep tekstschrijvers Kamil Peteraj (1945-…) en Boris Filan (1949-…), gitarist Radim Hladík (1946-2016) en gitarist en zanger Pavol Hammel (1948-…) als prominente representanten te noemen. Het is wat lastig vrij exacte samenstellingen te noemen, want vaak wisselden muzikanten van groep waarmee zij optraden, in het geval van Collegium Musicum betrof dat bijvoorbeeld de groepen Prúdy (1963-…), Jazz Q (1964-…, mede opgericht door Martin Kratochvil op keyboard) en Modrý Efekt, aka M Efekt, aka Blue Efekt.

De muziek van Collegium Musicum kan in grote lijnen worden gekwalificeerd als symfonische, of liever: progressieve rock. Dat houdt onder andere in dat veel van hun nummers een link vertonen met de traditionele klassieke muziek en van grote lengte zijn, variërend van 1 tot 4 kanten van een LP of dubbel-LP. Meezingers zijn het niet: het is vooral luistermuziek die je moet ondergaan. Daarnaast produceerde Collegium Musicum ook kortere nummers, meestal liedjes, die ofwel op singeltjes werden uitgebracht, ofwel op verzamel-LP’s. Veel van hun werk is nu nog steeds te beluisteren, bijvoorbeeld op internet via YouTube. De platen zelf raken steeds lastiger verkrijgbaar, maar er zijn heruitgaven, al dan niet geresampled, op CD te koop, in Tsjechische platenzaken als Bonton op het Wenceslasplein in Praag en webshops. Je betaalt daarvoor nu een slordige 200 tot 600 kroon voor. Reken tegenwoordig daarvoor op prijzen tussen de € 8 en € 25 per CD.

De wel gehoorde bewering dat hun muziek gelijkenis vertoont met die van Emerson, Lake & Palmer, waaraan ik meteen de Nederlandse groep Focus (met o.m. Jan Akkerman en Thijs van Leer) wil toevoegen, vind ik correct om een aantal redenen. Genoemde groepen zijn alle ontstaan in de tweede helft van de jaren-’60; de bandleden zijn ook voor het merendeel geboren vlak na de oorlog en hebben dus zo’n beetje mijn leeftijd. Om in de tijd te plaatsen: ze volgen vrij direct op de Beatles en de Rolling Stones, die qua ontstaan en geboortedatums van de leden 5 jaar eerder zijn te situeren. Een andere overeenkomst is de muzikale achtergrond van de bandleden: in bijna alle gevallen betreft het klassiek opgeleide conservatorium-abituriënten die hun gedegen opleiding gingen uitbaten in eigentijdse composities.

Marián Varga
Marián Varga (1947-2017) is daarvan een uitnemend voorbeeld. Op de meeste LP’s bespeelt hij een Hammondorgel. Met zijn jaloersmakende grote handen en lange vingers bedient hij het instrument op virtuoze wijze, niet alleen binnen de aanvankelijk wat gesloten Tsjechoslowaakse rockmuziekcultuur, maar ook naar West-Europese maatstaven. Ik durf hem de duivelskunstenaar op toetsen te noemen à la Paganini op viool.Frequent zijn zijn improvisaties op klassieke composities van o.a. Bach (luister eens naar https://www.youtube.com/watch?v=1z15JcnIigw), Haydn, Rimsky-Korsakoff (luister eens naar https://youtu.be/EDtG252ej2A), Bartók, Strawinsky. Het merendeel van zijn muziek betreft eigen composities. Een uitgebreid, Engelstalig in memoriam vind je in The Slovak Spectator van augustus 2017, te raadplegen op https://spectator.sme.sk/c/20623080/music-legend-marian-varga-dies-at-70.html.

Een ander, uitgebreid Engelstalig artikel over de speelwijze en invloed van Marián Varga vind je op http://www.muzikus.cz/pro-muzikanty-workshopy/Rockove-klavesy-The-Influence-of-Marian-Varga~02~rijen~2016/.
Het loont de moeite verder zelf maar te googelen op “Marián Varga” en/of “Collegium Musicum”.

Zelená Pošta
Het is ondoenlijk hier een compleet overzicht te geven van de door Varga uitgebrachte nummers. Ik pik er één voorbeeldje uit: Cesty bláznov, te vinden op de LP Zelená Pošta (De groene postkoets). Dat nummer is o.a. bijzonder vanwege de tekst en het opmerkelijke basritme.

De tekst, geschreven door Boris Filan, valt te kwalificeren als surrealistische, voor mijn part psychedelische poëzie, zo’n beetje in de trant van Yellow submarine en de LSD-tekst Lucy in the Sky with Diamonds (Beatles), of teksten van Lennart Nijgh als Land van Maas en Waal en Verdronken vlinder, of Visite van Lenny Kuhr. Ik geef hier de originele tekst van Cesty bláznov in het Slowaaks met mijn Nederlandse vertaling:

Sú mestá, mestá, mestá bez domov,
Sú lesi, lesi, lesi bez domov,
Sú rána, rána keď sa nik nebudí,
Sú plné vlaky, vlaky bez ľ udí,
Sú noci zvláštne, dávajú skúsiť
Ľahké a vláčne dotyky múz.
Sú studne dávne, kde voda skrýva
Poklady slávne, mám k nim kľúč.
Sú ženy krásne, môžeš si kúpit
Za lacné básne klamstvo ich rúk.
Sú cesty bláznov, kde každý vláči
Krajinou bláznov slnečný lúč.

Malle wegen
Het zijn steden, steden, steden zonder huizen,
Het zijn bossen, bossen, bossen zonder bomen,
Het zijn ochtenden, ochtenden dat niemand opstaat,
Het zijn volle treinen, treinen zonder mensen,
Het zijn vreemde nachten die je de kans geven
Licht en week de muze aan te raken.
Het zijn aloude putten, waarin het water
Heilige schatten verbergt, ik heb er de sleutel van.
Het zijn schone vrouwen bij wie je bijna voor nop
Verzen kunt kopen, bedrog van hun handen.
Het zijn malle wegen waarlangs een ieder
Een zonnestraal sleept door een vreemd landschap.

Beluister het nummer maar eens op YouTubeJe hoort dan ook meteen aan het begin al een ander opmerkelijk aspect van de muziek: het ritme, liever gezegd: de maat: het nummer is gebaserd op een uiterst curieuze 19/16e maat (en dus niet op een 9/8e maat, zoals elders op internet wel vermeld). Zie de afbeelding hiernaast.

IJzeren Gordijn
Ik kan niet voorbijgaan aan de politieke situatie in de ČSSR, of liever gezegd: de rol van het IJzeren Gordijn in de jaren 1968-1992. Dat werkte naar twee kanten als een barrière tot behoud van de status quo in Europa, zoals door de geallieerden op Yalta afgesproken. Het moest voorkomen dat invloeden van Oost naar West vloeiden en omgekeerd. De wurgende suprematie van Washington en Moskou diende zo veel mogelijk gerespecteerd te blijven. Dat had zo zijn politieke, maatschappelijke en culturele consequenties. Oost-Europa liep decennia lang zeker tien jaar achter bij het Westen. Ik herinner me nog goed dat begin jaren-’70 ‘opeens’ het plastic werd uitgevonden in Tsjechslowakije. Waar tot dan toe alles was verpakt in papier, hout, glas, textiel, en werd verkocht met touwtjes en kunstig aangebrachte linten om de verpakking, werd alles ineens van plastic: de draagtasjes, het fraaie houten speelgoed, alles nu verpakt in plastic en meegegeven in plastic zakken, huishoudelijke en andere gebruiksvoorwerpen, het interieur van de Škoda’s; voortaan allemaal plastic. Het was het begin van de kapitalistische reformatie die Praag maakte tot de eenheidsworst van een doorsnee Europese stad, gedomineerd door Coca Cola en McDonald’s, Ik hoef er dus niet meer zo nodig heen.

Maar het IJzeren Gordijn was niet waterdicht, hooguit een slecht werkend filter. Ik kan mij geen van mijn meer dan 50 bezoeken herinneren dat ik niet, en zulks zonder enig probleem, heen en weer door het Gordijn reed zonder iets bij me te hebben wat streng verboden was. Of het nu strafbare in- en uitvoer van Tsjechoslowaakse Kronen was, of sterke drank, of muziekcassettes, of kunstvoorwerpen, of tijdschriften, of zelfs complete apparatuur, alles glipte door de Westerse en Oosterse mazen van het Gordijn. Soms hielp het enorm als ik de Tsjechoslowaakse grensposten, die de hele auto scrupuleus doorsnuffelden, vol trots wees op de gastank die ik voorin mijn Škoda had laten monteren en waarin zij mateloos waren geïnteresseerd, dan wel doordat ik op het dashboard quasi achteloos een netje mandarijnen of flesje Bols Jenever had liggen, hetgeen zij zonder verdere vragen blij in ontvangst namen en de rest van de controle maar lieten zitten.

Tsjechische en Slowaakse vrienden baden mij om uit Nederland asjeblieft dit of dat mee te nemen, een bepaald boek, schoenen, een radio-cassettespeler, en vooral veel Westerse muziek op cassette of LP. In ruil kreeg ik dan fraaie dingen die in het Westen absoluut onverkrijgbaar waren, maar ontegenzeggelijk een enorme verrijking van mijn bezit betekenden.

Voor de mensen van Collegium Musicum lag de zaak net iets simpeler: hun muziek werd door de overheid oogluikend, zij het schoorvoetend, toegestaan, waarmee zij een opening hadden tot de Staatsomroep en aan hun bekendheid konden werken. Bovendien ligt Bratislava, hun thuisbasis, vlak aan de Oostenrijkse grens en vlakbij Wenen, waardoor zij, allerhande filters ten spijt, moeiteloos konden luisteren naar de vervloekte Westerse radio-uitzendingen en aldus redelijk op de hoogte konden zijn van de ontwikkelingen in de West-Europese en Amerikaanse popmuziek. Natuurlijk is het zo dat Marián Varga een andere carrière zou hebben beleefd, een betere of slechtere, als hij aan de andere kant van het IJzeren Gordijn zou zijn geboren en had gewerkt, maar het is slechts een door politici aan beide zijden gedroomde fictie dat het Gordijn als afsluiter deugdelijk functioneerde.

Maar laat ik er verder maar geen politieke discussie van maken nu.

Discografie
Het is in dit bestek ondoenlijk een complete discografie te geven van Marián Varga/Pavol Hammel en/of de groepen Prúdy en Collegium Musicum. Ik beperk me maar even tot het volgende lijstje:

1970   Collegium Musicum, (EP) Hommage à J.S. Bach
1970   Collegium Musicum, (EP) Ulica plná plášťov do dažďa
1971   Collegium Musicum, (2LP) Konvergencie
1972   Hammel/Varga, (LP) Zelená pošta
1972   Skupina Prúdy, (LP) Šlehačková princezna
1973   Collegium Musicum, (LP) Live
1974   Skupina Prúdy, (LP) Hráč
1975   Marián Varga & Collegium Musicum, (LP)
1976   Hammel/Varga/Hladík, (LP) Na II. programe sna
1976   Skupina Prúdy, (EP) 3375 ( tri tri sedem päť )
1976   Skupina Prúdy, (EP) Stále je láska
1977   Collegium Musicum, (LP) Continuo
1977   Skupina Prúdy, (LP) Stretnutie s tichom
1978   Hammel/Varga, (LP) Cyrano z predmestia
1979   Collegium Musicum, (LP) On a ona
1981   Collegium Musicum, (2LP) Divergencie

2018   Marián Varga solo in concert

Zowat alles daarvan, en nog heel veel meer, is op YouTube te beluisteren.
De laatste titel is recentelijk (febr.2018) op CD verschenen; daarover meer in een volgend artikel.

 

 

 

 

Huijbers-Oosterhuis op vinyl

In het kader van de grote schoonmaak doe ik zo af en toe een bepaalde partij in de aanbieding. Ditmaal betreft het mijn collectie grammofoonplaten met muziek van Bernard Huijbers en teksten van (meestal) Huub Oosterhuis. Niet dat ik erop ben uitgekeken of uitgeluisterd, maar je kunt niet alles blijven bewaren.
Wie belangstelling ervoor heeft, of iemand kent die erin is geïnteresseerd, kan mij een mailtje sturen om over de prijs te onderhandelen en de overdracht te regelen.

18 van de 23 platen zijn uit de reeks Didascalia, uitgegeven door Gooi & Sticht. Het betreft zowel 331/3– als 45-toerenplaten, alle goed speelbaar, al hebben sommige hoezen wel in wisselende mate onder de lange duur geleden. Ze stammen, voor zover ik weet, uit de periode 1959-1977.

Hier een korte omschrijving; voor meer details kun je me mailen.

  • Didascalia-1 : advent. 45t. Gaaf
  • Didascalia-2 : kersttijd. 45t. Gaaf
  • Didascalia-3 : epifanie en voorvasten. 45t. Gaaf
  • Didascalia-4 : vasten. 45t. Gaaf
  • Didascalia-5 : pasen. 45t. Gaaf
  • Didascalia-8 : tijd na pinksteren II. 45t. Gaaf
  • Didascalia-9 : tijd na pinksteren III. 45t. Gaaf
  • Didascalia-XI : de goede week – witte donderdag/goede vrijdag. 33t. Lichte hoesschade
  • Didascalia-XII : de goede week – de paasnachtwake. 33t. Lichte hoesschade en 1 nummer niet goed speelbaar
  • Didascalia-14 : Psalm 24 en 46/Het lied van de stad/Mensenlied. 45t. Gaaf
  • Didascalia-XV : heden en hier en in die dagen. 33t. Gaaf
  • Didascalia-XVI : open uw hart – gezangen om samen iets te vieren. 33t. Lichte hoesschade
  • Didascalia-XVIII : niemand leeft voor zichzelf – muziek voor en door gewone mensen. 33t. Lichte hoesschade
  • Didascalia-22 : gehoord in psalmen – gezangen uit “binnenkant”. 33t. Lichte hoesschade
  • Didascalia-27 : passage. 33t. Lichte hoesschade
  • Didascalia-29 : over de mensen. 33t. Lichte hoesschade
  • Didascalia-31-32 : zoiets als heb mij lief. 33t. dubbel-LP in kartonnen, beschadigde box
  • Ambrozijn en Groggelgijn – voor scholen van de Libanon. 45t. Gaaf
  • Iemand die recht doet. 45t. Gaaf
  • Het Woord is niet te hoog. Literama luisterplaat. 33t. Lichte hoesschade
  • Zijn liefde gaat van mond tot mond. 33t mono. Fontana (witte voorkant). Vochtschade hoes
  • Zijn liefde gaat van mond tot mond. 33t stereo. Philips (zwarte voorkant). Lichte hoesschade.

Liefst verkoop ik het geheel in één keer; dan kan het als pakketpost (bijna 4 kg) binnen Nederland worden verstuurd voor € 6,95 (voor andere landen: verzendkosten op aanvraag).

 

Schumann

 

Ongetwijfeld heeft Erik Scherder gelijk als hij betoogt dat bezig zijn met muziek een enorme invloed heeft op de ontwikkeling van de hersenen, zeker bij kinderen tot 11 jaar. Wat dat betreft heb ik geboft: vroeger bij ons thuis plaatste mijn vader, slechthorend, met grote regelmaat schellakplaten op de Philips draaitafel en moesten wij allen stilzwijgend meeluisteren, anders kon hij de muziek niet goed horen. His Master’s Voice was wet. Die muziek werd slechts afgewisseld op zondag. Eerst rond het middaguur via de draadomroep met het politieke commentaar van Mr. G.B.J. Hilterman, waarvan ik pas later de afgrijselijke politieke kleur ben gaan inzien, maar dat destijds toch een hoogtepunt werd doordat wij tijdens die uitzending steevast een gevulde koek kregen  met een amandel erop. Dan, tegen het einde van de middag, ook via de draadomroep, met de voetbaluitslagen, gelezen door Frits van Turenhout, van Eredivisie tot en met 2e-divisie-B. Dat ging mij pas jaren later interesseren.

Niet dat klassieke muziek het enige genre was dat mijn hersenontwikkeling stimuleerde, maar ik wil me nu even wel daartoe beperken.

Iedereen zal wel het mysterieuze effect kennen dat sommige muziek de luisteraar (of uitvoerder) letterlijk tot tranen kan bewegen. Wat dat betreft legde Erik Scherder duidelijk minder de nadruk op twee andere eigenschappen van muziek: de emotionele uitwerking ervan en de een-op-een-associatie die ik maak van een bepaald muziekstuk met een bepaalde locatie of gebeurtenis. En zo kom ik bij Schumann terecht.

Op gezette tijden stapte mijn vader op de fiets met de kleine Nardje voorop het zitje dat aan het stuur hing, en zo gingen wij Amsterdam verkennen. Een blijvende herinnering is een rit naar de Oranjesluizen (of de Schellingwouderbrug, maar die kwam er pas later, meen ik), terwijl kort daarvoor het pianoconcert van Schumann door de veel te kleine huiskamer in de Anna Vondelstraat had geschald. Terwijl ik voorop de fietsstang grote moeite had met de vingertjes niet bekneld te raken tussen het samenstel van de nikkelen stangetjes langs het stuur van de trommelremmen, zoemde die muziek de hele tijd door mijn hoofd. Zo sterk zelfs, dat ik die associatie nu nog steeds maak. Slaat nergens op, behalve dat er een eenheid van tijd, plaats en handeling is, zoals een klassiek drama betaamt, en zulks ditmaal in zeer positieve zin. Alleen dat al helpt Schumann aan een plaats in mijn top-10 van favoriete componisten.

Maar dan nog iets. Afgelopen zondag reed ik van Boxmeer terug naar Rosoy. Eenmaal voorbij Arlon kun je dan op de autoradio France Musique ontvangen, de Hilversum-4 van Frankrijk met muziek van klassiek tot jazz, van middeleeuwen tot avant-garde. Dat is andere koek dan Hilterman of Van Turenhout, laat staan gevulde koek. Die middag had de omroep een speciale uitzending gewijd aan Sviatoslav Richter, voor mij de beste pianist ooit (al wil ik Arthur Rubinstein, Ingrid Hæbler, Dinu Lipatti, Wibi Soerjadi, de broertjes Jussen e.v.a. geenszins te kort doen). Zo ergens tussen Metz en Nancy kwamen opeens de tranen. Slaat nergens op, behalve dat het om het kwintet voor piano en strijkers ging, opus 44, van Robert Schumann. Oorzaak was het tweede deel: In modo d’una Marcia (un poco largamento). Een beetje te vergelijken met de Marche funéraire (prélude) van Chopin, maar ook weer niet helemaal. Ik kan het niet rationeel verklaren, maar dat tweede deel ging dwars door mij heen en laat mij nu al dagenlang niet los. De beruchte oorwurm met weerhaakjes. En Schumann is weer een paar plaatsen gestegen op mijn klassieke ladder.

Wie daarop nog meer een plek hebben, kan ik niet definitief zeggen. Wel weet ik dat Bach bovenaan staat; bijna alle anderen staan als componist op zijn schouders. Verder vermoed ik om uiteenlopende redenen een ereplaats voor, in alfabetische volgorde: Chopin, Mahler, Mendelssohn, Mozart, Paganini, Satie, Schumann natuurlijk, …

Een hartgrondig hekel heb ik aan Van Beethoven. Niet omdat hij een slecht componist was, niet omdat hij voortborduurde op de erfenis van Mozart en Haydn, zelfs niet om zijn pompeuze Romantiek, waarbij een muziekstuk aan het einde maar steeds niet wil ophouden, maar juist om dat associatie-element dat ik hierboven uiteenzette. Tot driemaal toe heeft hij het voor elkaar gekregen mij tot walgens toe te kwellen.
Eerst toen op een dag, ik moet 10 of 11 zijn geweest, het mijn vader had behaagd die vreselijke 6e symfonie op te zetten, toen ik geboeid aan het lezen was in de zo spannende Prisma Juniores 32: Alfred Hageni, 50 dagen oerwoud. Net op het moment dat Beethoven het tijd vond om een van zijn romantische erupties door de luidspreker te schallen, was ik net op een bladzij met een heel spannend en eng moment in het verhaal. Gevolg: iedere keer als ik die symfonie hoor, val ik weer ten prooi aan de gevaren van de jungle. Ook nu nog.

Het tweede moment was de eerste (en laatste) keer dat ik meemaakte dat mijn moeder in een overspannen bui door het lint ging. Ik had zoiets nog nooit beleefd en schrok. Door de kamer en suite in de Lomanstraat klonk Beethovens 6e symfonie. De gevolgen waren desastreus. Ook nu nog steeds.

Het derde moment is geweest om voor het zogenaamde Europese Volkslied te kiezen voor Alle Menschen werden Brüder (Ode an die freude) uit Beethovens 9e symfonie. Welke oen heeft dat bedacht? Behalve dat Alle Menschen werden Brüder niet bepaald genderneutraal is, eerder voor 50% der Menschen transseksueel, is het ook je reinste science fiction, of op z’n minst wishful thinking. Dan hadden ze net zo goed kunnen kiezen voor Einigkeit und Recht und Freiheit, für das deutsche Vaterland! Danach laßt uns alle streben, brüderlich mit Herz und Hand! Evenmin genderneutraal, maar het benadert wel beter wie er in Europa de baas is, en het komt net iets minder kwetsend over dan Deutschland, Deutschland über alles, über alles in der Welt, al komt het wel op hetzelfde neer. Nu kan ik me voorstellen dat Angela Merkel (ex-DDR) niet erg was geporteerd voor die Einigkeit und Recht und Freiheit, omdat dat het begin is van het eerste couplet van het DDR-volkslied. Maar ze had toch ook kunnen kiezen voor iets Zweeds (geen Abba a.u.b.), iets Italiaans (geen Pavarotti a.u.b.) of desnoods iets Nederlands (geen Wien Neêrlands bloed a.u.b.)?

Beethoven staat dus niet in mijn top-10; sterker nog, hij staat onderaan en moet voor degradatie vrezen. Als de man nog leefde, zou hij zich omdraaien in zijn graf.

Van het tweede deel van Schumanns kwintet staan diverse uitvoeringen op YouTube.
Niet slecht vind ik die uit 2010 van de Meadowmount School of Music.
De complete partituur van het kwintet is HIER te downloaden.
Voor de pianisten heb ik In modo d’una Marcia gearrangeerd voor pianosolo; alleen het hoofdthema, zeg maar de eerste twee minuten, dat verderop nog in diverse varianties terugkeert.
Afbeelding staat hiernaast.


Had ik niet al anders besloten, dan zou ik misschien dat tweede deel van Schumanns kwintet wel op mijn uitvaart hebben willen gespeeld horen.
Maar ja, toekomstmuziek, hè. Ongetwijfeld.

 

 

 

Beaulieu, 2 van vele

Dit is het tweede van een reeks artikelen die vermoedelijk heel lang gaat worden. Ik nummer ze daarom maar  1-100 “van vele”.
Het gaat om de voormalige Cisterciënzer abdij van Beaulieu, hier zo’n 4 km vandaan. Als abdij functioneert het perceel niet meer sinds de Franse revolutie, eind 18e eeuw, maar wat ervan rest is alleszins de moeite van een studie en een openbaarmaking waard.
Hier het vervolg van een verhaal waarvan ik vooralsnog het einde niet ken:
La Chapelle.

Het kapelletje is niet groot. Uit nevenstaande maatvoering valt af te lezen dat het grofweg 9×3½ meter groot is. Zowel achter het altaar als links en rechts ervan zijn neogotische ramen waarin zich glas-in-lood bevindt. Bevond, kan ik beter zeggen, want het meeste van de ramen verkeert in allerbelabberste staat.

Ook van die raampartijen heb ik de maatvoering ingetekend. In het midden het grootste raam, achter het altaar, de abside of koornis dus. Dat raam is nog redelijk intact. Links en rechts twee behoorlijk gehavende ramen, min of meer symmetrisch, zowel qua maat als vlakvulling. Van geen van de ramen is de auteur bekend; ze zijn niet gesigneerd en er is geen andere bron waaruit de vervaardiger zou kunnen blijken. Op enkele details na (zie onder), schatten experts ze op 19e-eeuwse panelen, hetgeen klopt met bestaande meldingen dat de kapel in de 19e eeuw is herschapen of herbouwd, remaniée in het Frans. Of dat duidt op aanpassing van een oudere kapel op dezelfde plaats, dan wel op het bouwen van een geheel nieuwe kapel op een andere plaats, is vooralsnog een onopgeloste vraag. Ik beperk me nu even tot de gebrandschilderde ramen.

Links treffen we de restanten aan van een Josef met de kleine Jesus. Het gebrandschilderde paneel heeft, zelfs in pefecte conditie, het nadeel dat het aan de noordzijde van de kapel is aangebracht, waardoor er nooit direct zonlicht op valt en de figuren in feite alleen maar goed zichtbaar zijn van buitenaf, via het licht dat door het raam aan de overzijde invalt. De foto hiernaast is dus ook van buitenaf genomen. Restauratie zal wel mogelijk zijn, omdat de hoofdfiguren nagenoeg geheel bewaard zijn gebleven en de entourage min of meer indentiek is aan die van het tegenoverliggende raam. We praten gemakshalve even niet over de kosten, maar dat kan ik wel achter elke paragraaf hierna toevoegen.

Rechts moet een afbeelding zijn geweest van Sint-Nicolaas, gelet op de drie jongens in de tobbe aan zijn voeten en de (gouden?) bal in zijn hand. Het voordeel van het grote analfabetisme destijds was, dat schilders en beeldhouwers aan afbeeldingen iconografische, liever hagiografische attributen toevoegden, waarmee een ieder die een beetje was ingewijd, precies wist wie er was afgebeeld. De in alle katholieke kerken aanwezige kruiswegstatie, sinds 1741 pauselijk verplicht, “leest” dan ook als een soort veertiendelig stripverhaal.
Van deze Sinterklaas resteert helaas alleen de onderste helft, maar hagiografisch is dat wel het belangrijkste, meest herkenbare gedeelte. Het bovenstuk is verdwenen. Ik heb er nog wel enkele brokstukken van weten terug te vinden, maar te weinig om er nog wat van te maken. Mogelijke oorzaken: wind en hagel, baldadig geworpen stenen (dit raam ligt letterlijk op een steenworp afstand van de openbare weg, de D103), maar nog waarschijnlijker zijn het de takken van de naastgelegen bomen die deels tot tussen de dakpannen zijn doorgegroeid en waarvan vele al zwiepend tegen het raam de vernieling hebben veroorzaakt. Flat tempestas per arborum (Hoor de wind waait door de bomen), om maar in Sinterklaasstijl te blijven.
Ik ben inmiddels al begonnen met die takken te snoeien, om nog erger beschadiging te voorkomen. Immers, de eigenares van het hele perceel is oud en woont in Amerika, en zij bekommert zich allerminst om de kapel, hooguit om het kasteel van de oude abdij. En het aanbrengen van een Lexan (slagvast polycarbonaat) schutpaneel aan de buitenzijde is te kostbaar op dit moment; het zou ver boven de € 500 uitkomen.

Komen we toe aan het belangrijkste paneel.
Net als de twee zijpanelen is ook dit centrale paneel 19e-eeuws, maar er is een wezenlijk verschil: er zijn 6 ronde of ovale medaillons in gevat die overduidelijk op vroeger datum wijzen. Zowel hun techniek, maar meer nog de afgebeelde figuren en een enkele maal een jaaraanduiding brengen ons naar de 17e eeuw. Het vermoeden bestaat, maar zekerheid moet nog worden geboden, dat deze medaillons afkomstig zijn van de oudere Abdijkerk of -kapel en die na verwoesting of anderszins afbraak daarvan bewaard zijn gebleven en in het nieuwe 19e-eeuwse kapelletje zijn gevat in een nieuw groot paneel. Ik loop die medaillons even langs:

Over het centrale bovenste stuk, net geen rozet, wil ik het nu niet hebben, want ook dat stamt uit de 19e eeuw en ik ben er nog niet achter wat die 4 met rechtsliggend kruis betekent, noch wiens initialen “PB” zijn afgebeeld. Dat vinden wel nog wel uit.


Daaronder zien we de volgende twee oude medaillons:

Rechts in het ovale medaillon zien we overduidelijk wederom Sint-Nicolaas: bisschopsmantel, mijter, staf, aureool en de drie tobbende jongelieden aan zijn voeten. Wat hij hun met de rechter hand aanbiedt, is niet te zien. Merk ook het boek op dat schier achteloos naast de tobbe ligt.

 

De linker afbeelding is vooralsnog een raadsel. Het lijkt om twee vrouwen te gaan, waarvan de rechter oudere de linker jongere de les leest, met een boek tussen hen beiden in. Ik zie geen verdere hagiografische attributen, zo het hier al om heiligen gaat.
Mogelijk duidt het op educatieve aspiraties van de kloosterorde, maar de Cistersiënzer abdij van Beaulieu kende alleen mannelijke bewoners (sporadische, vluchtige uitzonderingen daargelaten; zie in een van de volgende artikelen uit deze reeks het verhaal van de tunnel).

Daaronder een volgend tweetal medaillons:
Rechts zien we Saint Amance, want dat staat erbij vermeld, plus nog het jaartal 1609 of 1699, dat moeten we bij nadere bestudering en reiniging nog zien te bevestigen.
Er zijn zeker drie heiligen met de naam Sint-Amantius. Of het hier gaat om Amantius van Rodez, heiligverklaarde (aureool!) bisschop (mantel, mijter en staf; twee opgestoken vingers!) is niet zeker, maar wel waarschijnlijk, want zo te zien verrichtte hij hier een van zijn vele wonderen, d.w.z. je ziet de duivel uit de te bekeren vrouw wegfladderen, en om wonderen verrichten en bekeren stond deze Zuid-Franse heilige bekend.
Links moet Maragreta van Antiochië zijn, een heilige die in het kader van #SheToo wel een en ander zou kunnen verklappen, zie bv. op heiligen.net, maar die in ieder geval vaak wordt afgebeeld als bedwingster van de draak, een kruis in haar hand, aureool achter haar hoofd. Er zijn bronnen die haar in verband brengen met de Franse stad Terrasson, in de buurt van Brive, als zou zij het zijn die de stadsbevolking wist te bekeren door de draak te verslaan die het dorp in zijn greep hield. Ook heet het dat onder meer zij eeuwen later verscheen aan Jeanne d’Arc om die haar missie te duiden.

De onderste twee medaillons ten slotte leveren ook wat mysteries op:
Uiteraard kan aan wat er resteerde van de rechter afbeelding onmogelijk worden afgeleid met welke al dan niet heilige bisschop we hier hebben te maken. Een van mijn eerste projecten nu is resterende brokstukken te vinden in de hoop tot een completer beeld te komen. Zie daarvoor onderaan dit artikel.
Links laat de afbeelding minder te wensen over. Immers, er hebben nogal wat heilige martelaren bestaan die het bestonden om met hun afgehakte hoofd verder door te lopen om hun zaligmakende activiteiten voort te zetten, zoals Dionysius. Een ander voorbeeld daarvan was Saint Didier, Sint-Desiderius, bisschop van Langres, alwaar de aan hem gewijde kapel nu onderdeel is van het gemeentelijk museum, maar die ook in Hortes sterk wordt vereerd met een kapel en een straatnaam, naar hem vermoemd. Het lijdt geen twijfel dat hij hier staat afgebeeld. Kenmerken: de bisschopsmantel en -staf, en de mijter. Mogelijk is de rots rechtsboven een verwijzing naar Langres, dat immers hoog op een rots is gebouwd en dat hij tegen de Alemannen poogde te verdedigen.

Rest dan nog de zoektocht naar de bijna verdwenen afbeelding in het medaillon rechts onder. Al gravend en wroetend in de aarde onder het raam tot onder het altaar, en achter het raam aan de buitenkant, vond ik een aantal brokstukjes die als een legpuzzel aan elkaar passen. Daarmee wordt in ieder geval de afbeelding duidelijk; wat er nog ontbreekt zijn enkele details van de entourage en het achtergronddecor.
Maar daarmee is de puzzel nog bij lange na niet opgelost.

Wie helpt?
Het gaat om een bisschop: wederom de mantel, mijter en staf en de twee opgestoken vingers.
Maar voor wie of wat staan de letters “GP”;
waarop duidt de inscriptie “PREVOIN”, welk woord ik in geen van mijn vele Franse woordenboeken heb kunnen terugvinden, en op internet al evenmin;
wat mogen we afleiden uit de zetel op het blazoen met die vijfpuntige ster die ervoor ligt?

Vragen te over, dus nogmaals: wie helpt?


Vorig bericht: http://nardloonen.nl/2017/10/25/beaulieu-1-van-vele/
Volgend bericht: http://nardloonen.nl/2017/11/29/beaulieu-3-van-vele/


Tenzij anders vermeld, zijn alle foto’s door mij genomen.
Overname toegestaan, mits met bronvermelding “© 2017 Leonard Loonen”

 

Exit ReVox

Nadat vorige maand mijn Dauphine ten prooi was gevallen aan de voorjaarsopruimwoede, is het nu de beurt aan het ReVox tape deck waarvan ik na 45 jaar nauwelijks nog gebruik maak. Eigenlijk komt dat doordat de banden beginnen te slijten (rek en slijpsel) en het, net als oude super-8 films en cassettebandjes, veiliger is de oude opnamen te digitaliseren voor de eeuwigheid.

Dat ik die ReVox kocht, was de zoveelste invloed van Bernard Huijbers op mij. Hij wist mij in de jaren-’60 ervan te overtuigen dat ReVoxen de beste bandrecorders waren, dat een Quad versterker het topmerk voor de huiskamer was en dat elektrostatische boxen het summum van luisterplezier waarborgden. En dus kocht ik van mijn goed betaalde vakantiebaantje een Quad 33-303 combinatie, die het nu, 50 jaar later, nog steeds naar tevredenheid doet en zich ook nog steeds kwalitatief kan meten met wat er momenteel verkrijgbaar is. Toen ik in 1972 als invaldocent op het Ignatiuscollege weer genoeg had gespaard, schafte ik de ReVox A77 aan (Bernard had de oudere A76, die nog op buizen werkte, in plaats van de getransistoriseerde A77), en half jaren-’70 was er geld genoeg in kas om twee elektrostatische Janszen boxen aan te schaffen. Ook die doen hun werk nog steeds naar behoren.

Het nadeel van de ReVox is niet het apparaat zelf, maar de banden, die na zovele jaren ernstig kwaliteitsverlies vertonen. De opnamen zelf zijn niet aangetast, maar het materiaal van de banden is sterk aan het achteruitgaan, zodat het raadzaam is digitale kopieën te maken voor het te laat is. Een nadeeltje van de ReVox zelf is dat er maar zes maanden garantie op werd gegeven, die bovendien alleen in Nederland geldig was. Dat steekt wel erg schril af bij de levenslange garantie die de firma Transtec gaf op de Quad-apparatuur, al moet gezegd dat Transtec inmiddels failliet is.

Wat ik in een paar dagen nog aan oud geluidsmateriaal heb weten te redden, levert ook wel stof op voor deze blog. Ik noem allereerst een aantal radiocolumns die ik rond 1990 voor de Boxmeerse Lokale Omroep Stichting over voetbal maakte onder de titel De Zijkanter. Vervolgens enkele hoorspelen van Theun de Vries, destijds opgenomen van de radio, en een lang interview met hem. Verder een NOS-radiouitzending uit 1985 over de gevaren van hydrazine, de zeer giftige noodbrandstof van F16-straaljagers, een onderwerp waar ik destijds een hele studie van heb gemaakt. En ten slotte een goede opname van Muzeldicht, het vierde nummer op het 45-toerenplaatje Ambrozijn en Groggelgijn. Dat nummer, waarover ik EERDER al schreef, heb ik inmiddels op YouTube geplaatst. Zoek daar maar op “Muzeldicht”.

Al met al zitten er voor deze weblog weer een aantal artikelen-uit-de-oude-doos in het vat.

Het ReVox A77 tape deck, met een aantal accessoires als bandreparatiesets en lege metalen spoelen van 26½ cm, is vanaf nu te koop. Over de marktconforme prijs kunnen we het nog wel hebben.

Wat al onzin hebben wij gezongen

Als je in tien jaar tijd van, in mijn geval, je twaalfde groeit tot je tweeëntwintigste, heb je wellicht het idee dat de wereld om je heen verandert. Dat is waarschijnlijk ook wel zo, maar meer nog zul je moeten erkennen dat je zelf verandert. Daarom is het achteraf vaak zo lastig een onderscheid te maken tussen jouw eigen ontwikkeling en die van de grote wereldorde.
Dat is mij natuurlijk ook overkomen. Terwijl ik tussen 1959 en 1966 de middelbare school doorliep, daarna in dienst mocht, ging studeren, los kwam van thuis, op kamers ging &c. &c., dacht ik dat ik daar in Amsterdam in een tijd van politieke en volkstaalliturgische revolutie vertoefde en ik verwarde voortdurend mijn (post-)puberale fantasieën met de mij omringende werkelijkheid waarvan ik deel uitmaakte.
Eenmaal oud en grijs probeer je dan die twee werelden weer van elkaar te scheiden, en ik moet zeggen: dat valt niet mee.

Over de politieke situatie in het Amsterdam van de jaren-’60 zal ik het verder niet hebben. Genoeg bronnen elders, te beginnen met Bericht aan de rattenkoning, het boek dat mij op slag een fan van Harry Mulisch maakte. Hier beperk ik me tot de begintijd en verdere ontwikkeling van de volkstaalliturgie, een revolutie binnen de revolutie van de jaren-’60.

Die volkstaalliturgie, laten we als startpunt 1959 noemen en als plaats van oorsprong het Ignatiuscollege met Bernard Huijbers en Huub Oosterhuis als roergangers, was niet zo maar het vervangen van Latijnse teksten door Nederlandse, en niet zo maar het overstappen van koorzang naar volkszang. Het was meer. Amper zes jaar later bekrachtigde het Tweede Vaticaans Concilie dat niet alleen gezangen in de volkstaal werden toegestaan, maar dat zelfs de liturgie, die kerkelijke ritus, in de volkstaal mocht (niet: moest) plaatsvinden. Liedjes in de volkstaal waren al eeuwenlang in de katholieke (en uiteraard steevast in de protestante) kerken te horen. In de middeleeuwen en de daarop volgende eeuwen glipte daar nog wel eens een Latijnse frase tussendoor; wellicht ken je nog het refrein van “Wij komen tezamen onder ’t sterrenblinken” dat uit 1640 stamt: “Venite adoremus (ter) dominum“, soms in vertaling gezongen als “Komt, laten wij aanbidden (3x) den Heer“. Tal van geestelijke liederen in de volkstaal, in de kerk of thuis aan tafel gezongen, waren allang ingeburgerd, maar het revolutionaire aspect was de vervanging van de Latijnse mis door een volkstaalvariant. Evenzo was het revolutionair dat die volkstaalliturgie ook “door podium en zaal”, dus door koor en volk ging gezongen worden. Bernard Huijbers heeft zijn opvattingen dienaangaande in 1969 bij Gooi & Sticht als een becommentarieerd manifest uitgegeven onder de titel “Door podium en zaal tegelijk. Volkstaalliturgie en muzikale stijl. Vijf en een half essay over muzikale functionaliteit”. Ik heb van die uitgave heel veel geleerd. Maar dat had voornamelijk met volkstaalliturgische muziek te maken, niet met de daarbij gebezigde teksten.

Wat al onzin hebben wij gezongen – dit besef drong pas veel later tot mij door, toen Bernard Huijbers al lang van zijn geloof was afgevallen en in Frankrijk woonde en van daaruit met teksten kwam die mij al evenmin konden bekoren, over het Al en het Zijn en de Kosmos.

Ik moet mijn standpunt eerst wel even wat relativeren. Ik vind het inderdaad bijna beschamend dat wij, als koorknaapjes, zo argeloos en onnadenkend onze stembanden spendeerden aan teksten als:

Ik zing van ganser harte voor de Heer,
ben opgetogen om mijn God, de Redder.
Want Hij had oog voor mij, zijn dienares,
maar wie ben ik dat Hij mij heeft gevraagd.

(nr.78 bundel Volkstaalliturgie)

Huub Oosterhuis was bij repetities nooit aanwezig, en Bernard Huijbers deed niet bijster veel moeite ons wat tekstanalyse te presenteren. Hij lette op de nootjes en de harmonie. Wij dus ook.

Maar het zou te kort door de bocht zijn Marialiederen op de vuilnishoop te gooien omdat je er uit religieus oogpunt weinig voeling mee hebt. Toen ik mij in 1954 in de Vondelkerk moest voorbereiden op mijn Eerste Communie leerden wij onder andere dit lied van Guido Gezelle, daterend van ongeveer 1890:

Maria, mild en machtig
vereerd bij God en mens
Weest moeder mij indachtig
die mij te bet’ren wens
Ik heb mijn schone dagen
verroek’loosd en verdaan
En kom, O Moeder, klagen
bij u voortaan
(Beêvaartslied. Nr.9 uit Dertig geestelijke liederen van Guido Gezelle op oude en nieuwe zangwijzen geschikt door Remi Ghesquiere)

Dat is al even onbegrijpelijke onzin als Oosterhuis’ tekst hierboven, maar literair gezien is het een juweeltje. Naast het oerkatholieke onuitstaanbare educatieve monstrum dat wij ons als gelovigen voortdurend schuldig moeten voelen, met alle confiteors en mea culpa’s en biechtproblematiek, presenteerde Gezelle een prachtig taalgebruik met fraaie zinsconstructies. De bijzin “die mij te bet’ren wens” leent zich voortreffelijk voor een ontleedtoets!

  • Waarnaar verwijst “die” ?
  • Is “mij” een wederkerend of een persoonlijk voornaamwoord ?
  • Wat voor zinsdeel is “te bet’ren” ?

Daar bovenop trakteert hij ons ook nog eens op het fraaie woord verroek’loosd, waarvan de etymologie nog niet zo simpel is, maar ik vind verroeklozen doodgewoon een prachtig werkwoord, zozeer zelfs dat ik me zou kunnen voornemen elke dag een paar uurtjes te verroeklozen, gewoon voor de taalkundige kick. Het wint het voor mij zelfs van het etymologisch al even lastig te doorgronden verkwanselen, dat ook in de middeleeuwen al in zwang was.

Bedenk ook dat Godfried Bomans ons al heel lang geleden (ik kan de bron niet meer terugvinden) heeft uitgelegd dat de magische kracht van het onbegrepen woord en van onbegrijpelijke zinnen juist zit in die onbegrijpelijkheid: tabberd, kapoentje, kregen wij voor koek een gard, makkers staakt uw wild geraas, en zo. Hij had gelijk, maar dat was nou juist wat de volkstaalliturgie zo revolutionair maakte: al die onbegrijpelijke Latijnse formules voor den volke begrijpelijk maken. Dat heeft de Kerk heel wat trouwe leden gekost, nu die eenmaal, beroofd van hun mystieke Latijnstalige wierookwalm, konden inzien wat al onzin zij al die tijd hadden moeten aanhoren en zingen.

Het œuvre van Huub Oosterhuis laat zich in een aantal thema’s onderverdelen. Aanvankelijk betrof het de al dan niet kerkelijk goedgekeurde (“nihil obstat”) Nederlandse vertalingen van het Latijnse misformulier. Dat was dus de volkstaalliturgie in optima forma. Prima, en het kreeg een ruime verspreiding binnen het Nederlands taalgebied, tot op heden zelfs. Daarnaast een grote reeks van in het Nederlands vertaalde psalmen van een meer dan aanvaardbaar niveau, maar daarmee was hij niet uniek. Vondel en Hooft bijvoorbeeld, de Statenbijbel, Ida Gerhardt en Gabriël Smit gingen hem voor. Weer wat later vloeiden er teksten uit zijn pen (naar zeggen van zijn secretaresse is Huub Oosterhuis digibeet, dus hij zal wel met kroontjespen schrijven, of op twee stenen tafelen – mij best) die los stonden van de liturgische rite in strikte zin, maar meer het menselijke, sociale aspect bezongen. Daar treffen we de teksten aan die enerzijds al even onbegrijpelijk waren als de tabberds en het verroeklozen, maar die toch in mijn ogen een aantrekkelijke sfeer ademden van erbij horen, literaire fictie van niveau, geen bijbelse of sprookjes-, maar een geesteswereld waarin ik mij wel kon vinden. Hoogtepunt, wat mij betreft, Een lied voor de winter (“Geen zilveren sleeën, geen goud in de grond, enkel een hand op een hart en een mond op een mond”), maar, voor de kenners, ook teksten als: Hij is een zwarte vlek in het donker, Hij is een vochtige plek op de grond. Hij is een windvlaag, hij kan bewegen: draaien kruipen staan lopen rechtop. Zwemmen en varen, lopen de branding in, lopen maar, lopen over de zee” en “Vier muren en een dak van riet, meer is het niet, meer is het niet”. En natuurlijk “Zo maar een dak boven wat hoofden”, dat onze Bossche bisschop zich verwaardigde in de ban te doen, daarmee het demasqué, de ontbinding van de Nederlandse Katholieke kerkprovincie bewust manifesterend.

Een laatste hier te vermelden thema is zijn affectie voor het Oude Testament, voor de joodse geschiedenis. Ik weet dat Bernard Huijbers daar ook al op afknapte, en voor mij is het zelfs stuitend te merken hoe deze volkstaaldichter, die met al zijn kwaliteiten en fraaie producties toch maar mooi nergens in enig Nederlandse literaire canon wordt vermeld, met zo vele teksten komt aanzetten die lijken geschreven te zijn als reclamemateriaal voor de plaatselijke VVV van Tel Aviv.

In feite maakte hij dit soort teksten al van meet af aan. Ik pik er één voorbeeld uit. Een tekst waarover ik eigenlijk in een eerdere fase al een apart artikel had willen schrijven, maar nu bed ik het maar in dit bericht in. We schrijven 1961, schat ik zo, want ik ken zowel de alt- als de baspartij nog uit mijn hoofd, en in de grote vakantie van dat jaar brak mijn stem en werd ik kort daarop babybasje van het koor. Vastenliturgie-I. Bernard Huijbers begon zijn opvatting in praktijk te brengen dat oudere volksmuziek zich prima leent voor liturgische toepassingen. Op de wijze van het 16e-eeuwse Frans-Vlaamse visserslied “Allen die willen naar Island gaan” componeert hij een vierstemmig arrangement “voor vierstemmig gemengd koor, orgel en volkszang” bij teksten van Huub Oosterhuis over de uittocht van het joodse volk:

Hoort mensenbroeders die hier nu zijt.
Waarom zijt gij gekomen? Om te waken of te dromen?
Nu waakt en bidt om redding uit uw slavernij.
God weet gaat u de engel van de dood voorbij.
(nr.54 bundel Volkstaalliturgie)

Vreselijk. Allereerst vanuit literair-perspectivisch oogpunt: wie is hier aan het woord? God zelf? Nee. Mozes dan die “ons” wegvoert naar het beloofde land? De dienstdoende pastoor? Huub Oosterhuis zelf? En tot wie richt die alwetende spreker zich? Tot de uitsluitend mannelijke mensenbroeders die hier nu zijn, en al half ingedut zitten te luisteren?

Ik lig ’s avonds in bed. Gordijnen dicht, raam een beetje open, want de lente is in aantocht. Handjes niet boven dekens, want ik heb het druk en bovendien ben ik zojuist opgeroepen om tijdens de katholieke ramadan vooral niet in te slapen, maar te waken. Met halfdichte ogen dwemmel ik weg in genot maar met gespitste oren. Als mijn ouders maar niks ervan merken, want dat levert me wederom een pak slaag op; ook dat is nog eens een keer waar, en het blijft me dwarszitten.
En komt het gevaar niet van de gang achter mijn hoofdeinde, dan toch zeker van de raamzijde aan mijn voeteneinde, waar de passerende engel des doods mij komt bestraffen voor mijn verroekloosde brave opvoeding. Maar gelukkig heb ik één escape. Eén tegen honderd dat het lukt, maar ik kan het proberen:

Heer God wij hebben u kwaad gedaan,
Maar laat u toch verbidden, sla uw tent op in ons midden.
En mochten wij genade vinden in uw oog,
Dan zult Gij ons uw Glorie tonen van omhoog.

Veel geholpen hebben deze woorden mij niet, net zomin als ze er vandaag de dag in Gaza of de Westelijke Jordaanoever van wakker zullen liggen, ook niet met de reclameachtige slotscène:

Vader, wij hebben u nooit gezien.
Maar Jezus heeft gesproken en het woord voor ons gebroken,
Die eeuwig met u samen is en met uw Geest.
Heer God, alleen uw Zoon is onze gids geweest.

Woordbreuk als verkoopargument: je zou je bijna op die gids abonneren. Maar wat een onzin om daar anno 1961 de revolutionaire geesten-in-de-dop mee lastig te vallen en 120 koorleden, opgehokt voor het beruchte Pelsorgel in de Ignatiuskapel (zie de foto bovenaan uit 1961), daaraan medeplichtig te maken.

Des te jammerder, daar ik (ik geef het toe: veel te laat, te laat om het er met Bernard nog eens goed over te kunnen hebben) tot het inzicht ben gekomen dat zijn arrangement van dit Islandlied razend knap is gecomponeerd, zowel de vierstemmige intredezang met bijna een tweestemmige canon in het derde couplet, als de toccata- en fuga-achtige tussenzang (8′, 4′, 2′, Tranquillo, staat er bij), als de grande finale van de slotzang met de melodie in de bas+volk+orgelpedalen, en de sopranen, alten en tenoren daar fraai bovenuit.

Ik wil jullie deze compositie niet onthouden.

  • Voor een redelijke uitvoering van het “originele” visserslied Allen die willen naar Island gaan verwijs ik naar YouTube
  • Voor een door mij getranscribeerde volledige versie van Huijbers’ arrangement wav-file met ah’s als koorstemmen moet je me even mailen. Het ruim 42 Mb grote bestand stuur ik je dan per wetransfer toe.
  • Voor de partituur: zie hieronder.

 

32-voets

Tot mijn stomme verbazing en prettige verrassing oefende organist Julien Bret afgelopen zaterdag op het majestueuze Cavaillé-Coll orgel van de Abbatiale Saint-Ouen in Rouen voor zijn concert aldaar, daags erop. Het was net toen ik bezig was foto’s te maken van die kerk en van dat orgel tijdens mijn eerste bezoek aan Rouen ooit. Het zware 32-voetsregister deed mijn buik trillen en mijn hoofd suizen.

In feite betrof het een soort thuiswedstrijd van Bret, die immers aan het conservatorium van Rouen zijn opleiding tot organist volgde. Momenteel is hij de vaste bespeler (“titulaire du grand-orgue Merklin”) van het grootorgel van de Saint-Ambroise in Parijs, een orgel dat overigens geen 32-voetsregister heeft, net zoals veruit de meeste orgels. Daarvoor moet je echt bij de zware jongens wezen, in Nederland bijvoorbeeld de Haarlemse Bavo of de Bossche Sint-Jan. De machtige orgels van de Týnkerk en de barokke Nicolaaskerk in Praag, aan welke instrumenten ik warme herinneringen bewaar, hebben het niet eens.

Maar ook het orgel van de Saint-Ouen in Rouen mag er wezen met zijn 64 registers, waaronder 2 pedaalregisters van 32 voet, een soubasse en een contre-bombarde. Die twee registers produceren zeer lage tonen, de laagste van ruim 16 Hz, met moeite hoorbaar, maar des te beter voelbaar aan de trillingen in je buik. Het betreft pijpen van bijna 10 meter lengte die aan weerszijden van het front in de pedaaltorens staan opgesteld. Ter vergelijking: de Ignatiuspijpen die ik heb staan zijn 8-voets (dus 2 octaven hoger dan de 32-voets) met een lengte van ±2½ meter, en ook die doen bij vol volume de schilderijen al bungelen aan de wand. Een zeer fraaie demonstratie op YouTube, gepaard aan al even fraaie beelden van de gotische kerk, is de Toccata uit de 5e orgelsymfonie van de Franse organist/componist Charles-Marie Widor, die de compositie nog zelf speelde als slotstuk bij de inauguratie van het orgel in 1890. In de YouTubefilm is het de Fin Kalevi Kiviniemi die de toetsen en de pedalen bedient. Mocht je deze uitvoering beluisteren, zet dan een koptelefoon op, zet het volume op maximaal, om de buren niet te bruuskeren; geniet van de indrukwekkende impact op je innerlijk en neem eventuele gehoorschade voor lief.

Het kan nog zwaarder: er zijn ter wereld twee orgels, een in de Boardwalk Hall in Atlantic City (New Jersey) en het andere is het Town Hall Organ in Sydney, met een 64-voetsregister. Met hun frequentie van 10 Hz liggen ze buiten ons gehoorspectrum en er wordt nogal getwijfeld aan het muzikale nut van deze 20 meter lange pijpen, die, laat het zich aanzien, meer te maken hebben met een poging een wereldrecord te breken en toeristen te trekken.

Het orgel van de Saint-Ouen in Rouen klinkt al imposant genoeg. Ik meen dat serieus, ook al vind ik het orgel eerlijk gezegd wat steriel, koel gestemd, bepaald niet barokkerig, de lage pedaaltonen zetten rauw en wat vertraagd aan, en de nagalm van 3 à 4 seconden is rijkelijk lang. Maar wat wil je ook in een verder vrij kale, gotische kerk van 135 meter lengte en 33 meter hoogte.

Overigens heeft Rouen nog wel meer verrassingen in petto.

Wie denkt dat vakwerkhuizen een typisch verschijnsel zijn voor noordoost-Frankrijk, de Vogezen, de Elzas, komt in Rouen bedrogen uit: het wemelt er van de huizen in deze specifieke bouwtrant, sommige van wat recenter datum, andere zichtbaar ouder, soms zelfs met scheef gebouwde constructies. Wat precies daarbij de rol is geweest van de geallieerde bombardementen in 1944, kan ik niet helemaal overzien – wel weet ik dat er toen in la semaine rouge heel wat is vernield.

Naast als die vakwerkhuizen is niet alleen het aantal kerken in het centrum van een middelgrote stad (Rouen telt al met al niet veel meer dan 110.000 inwoners, vergelijkbaar met Dordrecht en Leeuwarden), maar vooral dat het allemaal gotische kerken zijn, wellicht op romaanse grondvesten herbouwd, maar toch. Barok heb ik er niet gezien.

En Rouen timmert aan de culturele weg, op de vleugelen van Jeanne d’Arc 1431. Elke avond vindt er een beeld- en geluidspektakel plaats waarbij op de voorgevel van de kathedraal een schitterende animatie wordt geprojecteerd. Ik verwijs hiervoor ook maar weer naar YouTube. Ik weet het, de Burj Khalifa in Dubai heeft ook zoiets, maar daar zou je het ook eerder verwachten dan in een provinciestadje als Rouen.

 

Misschien nog wel indrukwekkender is het Panorama XXL, waarvoor een apart gebouw aan de kade van de Seine is neergezet. Met behulp van 200.000 foto’s, vanaf een van de kathedraaltorens gemaakt, is een 3D-collage geprint op linnen doek van 35 meter hoog, dat in een 360° cilindervorm is gebogen en zicht geeft op het Rouen van 1431. Ik zal me in de gebruikte techniek van deze compositie nog verder moeten verdiepen om de speciale effecten van perspectief, lichtinval en schaduwwerking beter te kunnen duiden.

En wat me op een gegeven moment ook nog ging opvallen: iedereen in Rouen oogt zo rustig en tevreden. Zittend op een terrasje zag ik honderden mensen voorbij lopen, alleen of in paartjes, zonder enige stress of haast, luchtig converserend, opgewekt. Niet de beklemmende gehaastheid van Parijs, niks geen lompigheid of onverschilligheid. Er straalt een vriendelijkheid van af die zich ook openbaart in de bediening in de horeca-gelegenheden in deze stad die voor de rest best wel vies is, kwestie van gebrek aan asbakken en overdaad aan honden(poep),vol ook met opbrekingen, maar nog steeds rijp voor een enorme inhaalslag aan restauraties en facelift.

En als we het dan over gastronomie hebben: een absolute aanrader zijn restaurant La Walsheim (een vakwerkpand op nog geen 200 meter van de kathedraal) en Brasserie Paul, aan de zijkant van het kathedraalplein, waar je nog tot 23 uur kunt bestellen. Dat is een zeldzaamheid in Frankrijk.


En als we het dan toch over Brasserie Paul hebben: merk in Rouen, met zijn Britse verleden, ook op hoeveel borden en beletteringen zijn gesteld ofwel in varianten op het art-nouveauachtige Broadway lettertype, ofwel in Keltisch aandoende lettertypen – alsof Rouen nooit meer afkomt van zijn Noormannenverleden.


Ik was ruim 32 uur in Rouen, zonder er uitgekeken te raken, maar van 32 voet raakte ik van mijn stuk.

 

 

Nationale Volksliederen

Ik heb iets met nationale volksliederen. Steeds rond een EK of WK blijken het melodieën te zijn die zich lange tijd als oorwurmen met weerhaakjes in mijn hoofd vastzetten.
Dan zoemt de hele dag het Zweedse, Zwitserse of Spaanse volkslied door mijn oren en lukt het me niet me ervan te ontdoen.
Over nationale volksliederen heb ik me al eerder uitgelaten, maar nu ga ik er wat specifieker op in.

 

 

Als we de zin of onzin van nationale volksliederen willen duiden, moeten we een drietal terreinen van elkaar onderscheiden: de pure muziek ervan, de tekst ervan, de huidige functionele waarde ervan.

Om met dat laatste te beginnen: het lijkt soms een beetje op de beruchte zwartepietendiscussie, waar volstrekt onvergelijkbare argumenten van allerhande snit strijden om het eigen gelijk en waar uiteindelijk een polderoplossing uit tevoorschijn komt. Om me maar even tot het Wilhelmus te beperken: tegenstanders ervan beweren terecht dat wij heden ten dage niets meer hebben of willen hebben met het Dietsche Bloed of met de Koning van Hispaniën. Voorstanders benadrukken de mogelijkheid om verbondenheid tot uitdrukking te brengen, een soort Community Singing, dat het bij de verzamelde massa zoals in stadions goed doet. Het doet me ook denken aan het gebruik bij de goede oude radio in de periode na de oorlog, waar ’s ochtends de VARA-uitzendingen steevast werden geopend met een socialistisch strijdlied, en waar alle omroepen als dagsluiting rond middernacht het Wilhelmus speelden. Ik meen dat de AVRO de laatste (en meest gezagsgetrouwe) omroep was die dat nog placht te doen. En als tegenstanders van het Wilhelmus er in het geheel niets op tegen hebben dat voetbalpubliek voor en tijdens wedstrijden clubliederen aanheft, iets waarvan in Nederland Feyenoord met afstand het meest veelzijdige repertoire bezit, en waarvan Engelse clubs bol staan, waarom zou je dan ingeval van het Nederlands elftal niet het Nationale Clublied mogen zingen?
Maar ook daar is wel wat op af te dingen; ik kom dan op de discussie over de (on-)wenselijkheid van het begrip Nationale Staten, iets wat mede door het handhaven van het Nationale Volkslied in stand wordt gehouden. Waar volksliederen zo uitbundig en hartstochtelijk worden gezongen -ik heb de Braziliaanse mascottemeisjes al eerder vertoond-, is het veelzeggend dat het zogenaamde Europese Volkslied door geen enkele meute wordt aangeheven. De nationale staat gaat kennelijk ver boven de Europese droom.
Pogingen het Wilhelmus af te schaffen en te vervangen door een ander lied is in ieder geval oude wijn in nieuwe zakken. Het nationalistische gevoel blijft overeind.

Het tweede terrein is dat van de tekst.  Een globaal overzicht leert dat de meeste volksliederen ofwel de schoonheid van het land bezingen (Denemarken, Zweden, Finland, Bulgarije, Tsjechië, Wales, de Filippijnen, zelfs Noord-Korea), ofwel het moedige volk dat zich aan de onderdrukking heeft ontworsteld (een heel lange lijst van landen), ofwel de monarchie en derzelver godsvrucht bezingen (Groot-Brittannië, Nederland), ofwel de nationale eenheid van land en volk vooropstellen (West-Duitsland en de DDR na 1945, Micronesië en nog vele andere), ofwel zelfs geen tekst heeft (Spanje, Argentinië, Verenigde Arabische Emiraten). Voor Argentinië geldt overigens dat het volkslied wel degelijk 9 coupletten tekst en een refrein kent, maar de opera-achtige muziek wordt door het publiek met la-la-la meegezongen, net als door het Spaanse publiek, waar na Franco niemand zich meer aan een tekstontwerp heeft gewaagd.
Er valt inderdaad veel af te dingen op de “wenselijkheid” van veel van deze krijgshaftige teksten en het in ere houden van de bloedige frasen (l’étendard sanglant est levé!). Je kunt ook veel afdingen op de “onbegrijpelijkheid” van veel teksten of tekstgedeelten. Maar dan komen we terecht in dezelfde discussie die in de jaren-’60 ontstond rond de volkstaalliturgie: omdat alles “begrijpelijk” moest worden (een soort democratisering van het katholicisme), moest het Latijn wijken voor normaal Nederlands, met nogal wat afhakers als gevolg, die nu opeens in de gaten kregen wat al onzin ze al die tijd in de kerk hadden gezongen en gemurmeld. Op dat specifieke onderwerp kom ik in een ander artikel later nog wel terug. Dan gaat het over Huub Oosterhuis en zijn teksten.
Maar, zoals Godfried Bomans al heel lang geleden beweerde, het is deels juist die onbegrijpelijkheid van een tekst (kapoentje, tabberd,…) die aan een tekst iets magisch verleent, alsof je door het samen zingen samen op een hoger plan wordt getild. Dan doet het er dus helemaal niets toe wat Mijn schild ende betrouwen betekent, als je het maar samen zingend kunt beleven. Of, zoals Gerard Wijdeveld schreef: Maar wat uw hart hier heeft gekregen aan ware klank, aan edel woord, samen gezongen, samen gehoord, bewaar dat, vriend, op al uw wegen.

Ik begon dit artikel met de oorwurmpjes, en die hebben uitsluitend betrekking op de muziek, het laatste van de drie terreinen ter bespreking van het Nationale Volkslied.
Ik kan het ook niet helpen dat ik bij het afgelopen EK-voetbal voortdurend het Zweedse en Zwitserse volkslied de hele dag door in mijn hoofd hoorde zoemen; bij WK’s ijshockey is dat steeds het Canadese – dat wordt nou eenmaal het meeste gespeeld in die branche.

De meeste nationale volksliederen zijn hymnen of marsen en, vooral in Latijns-Amerika, operacomposities, om daarmede de plechtstatigheid dan wel de fierheid van land en volk ten toon te spreiden. Veel volksliederen stammen uit de 19e eeuw, en dat verklaart al veel van hun karakter, of uit de 20e eeuw. Grotendeels heeft dat ermee te maken dat in die perioden nieuwe nationale staten ontstonden. Maar er zijn uitzonderingen: het Japanse volkslied schijnt de oudste der nationale volksliederen te zijn, gevolgd door het Nederlandse en het Britse; de Nederlandse tekst is wel de oudste die nog als nationaal volkslied fungeert.

Hoe kleiner het land, hoe langer het volkslied. Een soort Calimero-achtige compensatie, lijkt het wel. Beluister er maar een paar op http://www.lengua.com/hymnen.htm. Hoge scores boeken Vaticaanstad, Monaco, Oost-Timor, Luxemburg en IJsland, maar over dat laatste land geen kwaad woord meer sinds het EK. Dat van de DDR ontbreekt overigens op die website, althans het geeft een dode link, maar dan kun je op https://www.youtube.com/watch?v=DTV92wqYjfA constateren dat dat land met bijna 3 minuten wel een van de langste aller landen heeft. Alhoewel, ik herinner me dat een of andere malloot in de organisatie van een schaatstoernooi het in zijn hoofd haalde om van het Sovjet-volkslied (of de huidige Russische variant ervan) alle 12 coupletten te laten schallen ter ere van de goudenmedaillewinnaar; duur: dik 3½ minuut. Frank Snoeks kon er zijn besmuikte humor wel over kwijt, en de drie op het ereschavot stonden er wat lacherig bij te kijken.

Ik schat dat de meeste nationale volksliederen in vierkwartsmaat staan, wat voor een mars ook een must is. Polen heeft weliswaar als volkslied de “Mars van Dąbrowski“, maar het is een mazurka in driekwartsmaat, met in het refrein de tekst “Marsz, marsz, Dąbrowski “. Hoe dat marcheert, weet ik niet. Het Britse “God save the Queen” is een gaillarde in statige driekwartsmaat, zoals ik in een eerder bericht al heb toegelicht.
Nederland en Friesland hebben de eigenaardigheid van een wisselend metrum. Italië lijkt dat ook te hebben, maar halverwege verandert niet de vierkwartsmaat, maar wel de toonsoort en het ritme.

Wat ik misschien wel het meest opmerkelijke vind, besefte ik toen ik heel lang geleden Christian Chivu, die toen nog in Nederland bij de verkeerde club speelde, voor een interlandwedstrijd vol overgave het nieuwe, post-Ceauşescu volkslied zag meezingen. Het was zoals wij het nu zo goed kennen van Gianluigi Buffon, de absolute meester van de dramatische volksliedvertolking.
Maar wat mij opviel, was dat dat nieuwe Roemeense volkslied in mineur was. Het zal toch niet waar wezen. Er schijnen verhalen te bestaan dat er een muzikaal verband is tussen dat Roemeense en het Israëlische volkslied, dat eveneens in mineur is trouwens. Het derde trieste land dat maar niet Europees wil worden is Turkije: ook al een volkslied in mineur. Geen wonder dat het voetbal van die landen nooit tot grote hoogte zal stijgen als je je wedstrijden al in mineur moet beginnen.

Elk nationaal volkslied kent wel zijn eigen verhaal over oorsprong, verspreiding, verguizing, verheerlijking en onaantastbaarheid. In dat laatste verband: voor een vertolking van een volkslied toon je enig respect en van een nationaal volkslied blijf je af. De betekenis ervan is voor te veel mensen te groot. Ik vond het dan ook misschien wel Bernard Huijbers’ grootste misser ooit dat hij Lied tegen de Derde Wereldoorlog (“Wij die met eigen ogen de wereld zien verscheurd”), een van Oosterhuis’ betere teksten, toonzette op de melodie van het Wilhelmus. Zoiets vond en vind ik dus niet kunnen. Gelukkig dat Antoine Oomen enige tijd later er een magnifieke andere composite onder zette. Die zal wel ergens op internet of via een andere bron te beluisteren zijn. Probeer bijvoorbeeld eens HIER.

Behalve informatie bij Wikipedia is er in 2000 een voortreffelijke verzameling van nationale volksliederen bijeengebracht door Margreet Fogteloo en Bert Wiskie. Een ruim 5 cm dikke pil waarin rond de 200 nationale volksliederen onder de loep worden genomen met tekst en Nederlandse vertaling erbij, plus de bladmuziek van 23 ervan in een apart boekje en een audio-cd met 25 uitvoeringen. Dat alles in een kartonnen doos. In ons antiquariaat Lu & approuvé hebben we er een exemplaar van in de verkoop (€ 32,75 plus € 2,25 bijdrage in de verzendkosten).

Of je nationale volksliederen mooi vind of niet, laat ik hier buiten beschouwing.
Zoals ik Bach verafgood en Beethoven haat, is voor mij de appreciatie van om het even welk volkslied geen punt van discussie. Het ging mij in dit bericht om andere waarden ervan.

 

 

Kunst-en-meeragenda 2016

Fransen zijn tuk op afkortingen, meer nog dan Nederlanders, lijkt het wel. En als zo’n afkorting dan ook nog een homoniem blijkt te zijn, is het dubbel genieten.
Ik bedoel dan niet van die perongelukke homoniemen zoals wij die kennen van HBO, HR en PSP. Een schrandere slimneus uit Langres heeft bedacht dat ML niet alleen staat voor
Musées de Langres, maar sinds 2013 ook voor het Maison de Lumière, het Huis der Verlichting, geopend bij de viering van de 300e geboortedag van Denis Diderot, afkomstig uit Langres.

Dat museum is gevestigd in het tussen 2009 en 2013 schitterend gerenoveerde Hôtel du Breuil de Saint-Germain. Kosten bijna € 1½ miljoen, maar het is de moeite. Als je tenminste houdt van de versmelting van kunsten en wetenschappen, filosofie en cartografie, een soort van renaissance van de Renaissance waarop wij tot op de dag van vandaag voortborduren; een interdisciplinaire bloei waarvan wij, gemerkt of ongemerkt, nog steeds profiteren. Voor een gedegen uitleg over gebouw en museum, ingericht rond leven en werk van Diderot, kun je deze PDF raadplegen.

Langres biedt meer, zoals ik vorig jaar ook al opmerkte. Een breed scala aan culturele evenementen staat er op het zomerprogramma van mei-oktober 2016.
Zonder veel moeite zijn de details op internet te vinden.

Daaronder ook het concours Peintres & Sculpteurs dans la rue op 26 en 27 augustus. Voor de artiesten zijn in de diverse categorieën prijzen tot € 500 te winnen, en bovendien worden er op zondag 28 augustus kunstwerken openbaar verkocht.


Komend weekend, 16 en 17 juli, is er tussen Langres en Jussey het traditionele evenement Art au Vert: 15 Franse, Nederlandse en Britse artiesten houden open huis en tonen in hun ateliers nieuwer en ouder werk van allerhande snit en kwaliteit. Omdat mij de eer te beurt viel om het juli-uitstapje van de plaatselijke oldtimerclub Les Pistons du Bassigny te verzorgen, heb ik georganiseerd dat we in drie groepen langs een aantal artiesten gaan rijden. Er hebben zich inmiddels ongeveer 60 deelnemers met 25 oude auto’s aangemeld, dus de regio -zie het overzicht hieronder- staat een heuse parade van klassieke voertuigen te wachten, en de ateliers kunnen rekenen op een voor hen ongekende invasie van kunstliefhebbers.

Niet ver van Langres, in Bourbonne-les-Bains, is er dit jaar ook weer traditiegetrouw een opeenvolging van culturele activiteiten.
Ik licht er eerst even de 41e salon de peinture & sculpture uit, een expositie in Centre Borvo van schilder Pierre Bassard en beeldhouwster Ellen Beljaars, die nog tot 24 juli loopt.
Op die zondag heeft ook Bourbonne-les-Bains zijn jaarlijkse Peintres dans la Rue, waar professionelen en amateurs de hele dag op straat hun schilderwerk maken en vertonen (en verkopen).

 

En nu maar hopen dat het hier eens een paar dagen niet regent en onweert;
te veel gedonder.

 

 

Amsterdamsche Tentoonstelling Marsch

Wie er ƒ 0,40 voor over heeft: in 1895 verscheen de Amsterdamsche Tentoonstelling Marsch, gecomponeerd voor piano door ene C.S.
Ik heb die partituur al tientallen jaren liggen, en naar het schijnt is niemand ooit op het idee gekomen er iets over te schrijven.
Daarom geef ik maar even een aanzet, in de hoop dat deze merkwaardige compositie wat bredere aandacht zal krijgen.

 

 

Evident is dat C.S., achter welke initialen vermoedelijk Charles Stanley schuilgaat, het stuk heeft gecomponeerd ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling van 1895 in Amsterdam. De frontpagina laat daarover geen misverstand bestaan.

Als je het stuk beluistert, merk je een historisch correct feit op: de mars bevat een passage die is ontleend aan Tollens’ hoogstandje “Wien Neêrlands bloed”, tot 1932 min of meer het nationale volkslied, maar even later ook een passage met een variatie op het Wilhelmus, dat vanaf 1932 het officiële volkslied werd (naar verluidt op aandringen van de SGP in de Tweede Kamer). We weten ook dat Wilhelmina, ook al was zij toen nog pas 15, een voorliefde voor het Wilhelmus had.

Dat had ook te maken met de heruitgave in 1871 van Valerius’ Gedenck-Clanck uit 1626 door theoloog A.D. Loman Sr. (jawel, die van de Lomanstraat), waarmee tal van liederen uit die bundel weer ‘herontdekt’ werden en aan populariteit gingen winnen.

Wat dat allemaal met Amsterdam heeft te maken, weet ik niet, tenzij Nederland bestaat uit Amsterdam en wat provincie eromheen.

Ik heb de partituur getranscribeerd en op YouTube geplaatst.

 

Wie o wie kan over dit curieuze stuk muziek wat meer informatie verschaffen?

 

 

Salò en het gedonder in Keulen (vervolg)

In de uitzending van Per seconde wijzer van 12 februari werd mij een lijstje van negen schuinsmarcheerders in de schoot geworpen bij een vraag die werd ingeleid met de bekende sigaar uit eigen doos die Bill Clinton in 1995 aan Monica Lewinsky serveerde. Clinton kwam ermee weg, zelfs in het zo preutse Amerika, zelfs bij zijn carrièrebeluste echtgenote. En wij kunnen er wel een beetje lacherig en schouderophalend op reageren.
Bij Strauss-Kahn en de anderen begint het allengs wat bedenkelijker vormen aan te nemen.

Moeiteloos kan ik het rijtje nog uitbreiden met machtige figuren als Jeltsin, Mitterand, en natuurlijk Berlusconi. Op een iets lager niveau speelt ook Nederland een bescheiden bijrol: het gonst van de geruchten rond koning Willem III en Prins Bernhard, en meer recent bij premiers als Lubbers en Balkenende, staatssecretaris Jack de Vries, bisschop Gijsen.
De grootste gemene deler van al deze gevallen is dat politieke of financiële macht leidt tot machtsmisbruik en opvallend vaak tot seksuele uitspattingen. En daar ligt nu precies de link met Salò.

Maar -tegenwerping- de binnenkomende vluchtelingen zijn toch allesbehalve gezagsdragers? Nee en ja.

Nee: Concreet beschouwd staan ze onderaan de ladder en mogen ze al blij zijn als hun de sobere bed-bad-broodregeling ten deel valt. Dat dat tot spanningen kan leiden, met hun recente vluchtoorzaak en -gevaren in het achterhoofd, is niet bijster vreemd. Maar als een soort tweederangsburgers hebben ze het inderdaad niet voor het zeggen.

Ja: kenmerk van xenofobie, waarvan islamofobie een onderdeel vormt, is dat de authentieke bevolking in binnendringers een gevaar ziet, van welke snit of aard dan ook; zij verstoren de bestaande orde en rust, en nemen daarmee en stuk van de regie over. Dat heet dan: onveiligheid. De binnendringer, het zo vaak in films en literatuur optredende motief, vormt in feite, maar zeker in het denkpatroon van bestaande vooroordelen, een machtsfactor waartegen het eigen volk zich niet denkt te kunnen weren, onschuldig en machteloos als het zich voelt.

De hier bovenaan genoemde voorbeelden van stoute gezagsdragers hebben, in dat licht bezien, een totaal ongewenst neveneffect. Want wat nu opvalt, is dat er vanuit diverse hoeken (van PVV en VVD tot een heel scala aan media) een argument tegen de vluchtelingeninstroom wordt gezocht in hun potentiële ontucht. De zondebok wordt afgeschilderd als een seksbeluste crimineel, het liefst al bij voorbaat, als het maar om Arabieren gaat, ongeacht of die uit Syrië of Marokko komen; immers, Berbers en Arabieren zijn één pot nat: ze komen hier profiteren van onze meisjes en uitkeringen. Mijn dochter kan niet meer veilig naar school rijden. Borstvergroting. Misschien hebben de islamofoben te veel naar Drs. P geluisterd die, in het kader van een KRO-radioserie over fruit, de banaan onder de loep nam zonder dat woord ook maar één keer te noemen, maar wel door alle regels erop te laten rijmen. Het lied heet dus “Orgaan” en bevat de volgende strofe:

De ongedwongen Arabier kan zich laten gaan
Bij voorbeeld in het speelkwartier van zijn karavaan
Want daar ontspant men zich van harte en simultaan
Niet dat angstvallige aparte, maar zwaan-kleef-aan

Het vluchtelingendrama leidt daarnaast tot anti-AZC-protesten vanwege “te veel en te lang”, “Vol = vol”. In WO-I nam Nederland echter wel 1 miljoen Belgische vluchtelingen op (maar die spraken een soort Nederlands, waren doorgaans gewoon katholiek en wilden ook graag weer terugkeren naar hun thuisland). Tussen 1935 en 1940 wilde Nederland niet meer dan tussen de 25.000 en 30.000 Duits-joodse vluchtelingen opnemen omdat het zijn neutraliteit wilde waarborgen. Ook een argument. Van de 140.000 joden in Nederland werden er vervolgens meer dan 100.000 weer Nederland uitgedeporteerd. De geschiedenis strooit met getallen en statistieken en ieder kan er zijn gevoeg mee doen.

Waarom monden macht en angst vanuit onmacht zo haast vanzelfsprekend uit in seks? Ik leg weer de link met Salò.
In de woorden van Pasolini: “Salò is de enige film die over de werkelijkheid gaat”. Dat had hij ten tijde van Berlusconi met kracht van feiten kunnen staven, maar nu tijdens wat wij zo vlot ‘vluchtelingencrisis’ noemen al evenzeer.
En ter verduidelijking verklaart hij: “Seks in Salò is de metafoor van de macht. Alle seksualiteit die in Salò aanwezig is, vormt ook een metafoor van de verhouding tussen machthebbers en die aan hen zijn onderworpen. In andere woorden is het de al dan niet gedroomde uitbeelding van wat Marx ‘het tot handelswaar maken van de mens’ noemt: de reductie van het lichaam tot een voorwerp middels uitbuiting. In mijn film speelt derhalve de seks de metaforische rol van het verschrikkelijke”. – Zie hier voor meer (in het Italiaans).

Ik kan niet waarmaken dat er in Keulen (en enkele meer noordelijke steden) geen gedonder is geweest, maar waarom zijn er geen beelden van? Waarom zijn er geen daders of verdachten opgepakt (“er zijn 17 verdachten in beeld”; dat is alles)? Zou er misschien dan toch sprake zijn van een opgeklopte hysterie en fantoomdenken, zoals wij nog wel kennen van Oude Pekela of de Clown van Enschede, waar puntje bij paaltje helemaal niets van waar bleek te zijn? Kom met bewijzen vooraleer te (ver)oordelen en de vluchtelingen bij voorbaat collectief te stigmatiseren en criminaliseren, onze huidige aangepaste variant op de Kristallnacht.

Ik laat het niet bij deze deprimerende klaagzang. Ik wil wel twee aanzetten geven tot een iets realistischer en menselijker optreden jegens mensen die om welke reden dan ook liever in Nederland verblijven dan in hun thuisland.

Remedie 1: Zonder een cordon sanitair rond de PVV voor te staan, propageer ik het wat selectiever publiceren in deze kwesties en het niet meeliften op populistische prietpraat; kom in de pers en op bijeenkomsten liever maar met talloze voorbeelden van geslaagde opvang. Laten we er maar van uitgaan dat ruim 99,9% van de mannelijke vluchtelingen geen sekspiraten zijn – vrouwen en kinderen tellen we niet mee, want die doen dat soort dingen immers toch niet.

Remedie 2: Spreek niet langer over vage grote aantallen van anonieme vluchtelingen/gelukzoekers, maar focus op één persoon of één familie en probeer die te volgen van de reden tot ontvluchten tot de opvang ergens in Europa. Dat is ook precies mijn insteek geweest bij mijn historische miniroman Hortes 1636: niet de 600 inwoners van Hortes collectief laten afslachten, maar één lid van één Hortse familie de camera laten voeren en via hem alle anderen te schilderen. Evenzo was dat mijn insteek bij mijn jongste WO-I-boek La vérité et son image: de documenten van één vader van één familie uit Rosoy vanuit diverse optieken aan het woord laten en zo de hele oorlog tot leven brengen. Want het kleine leed is groter dan de Grote Oorlog.

Ik maak hier graag webruimte vrij voor het relaas van één zo’n Syriër in Nederland, en één verhaal zegt meer dan tienduizend vluchtelingen. Het Volkskrantartikel van 3 maart 2016 over de Urker zalmsnijder vervult daarvan een prima voorbeeld.

 

 

Salò en het gedonder in Keulen

Onlangs is er een DVD-box beschikbaar gekomen met daarin de gereviseerde versie van Salò (na een zeer ingrijpende kleurcorrectie) en een tweede DVD met een overvloed aan achtergondbeelden, foto’s en interviews rond die nu 40 jaar oude film. Ook in de box: een boekwerkje met teksten van en over Pasolini en Salò in het bijzonder. Deze gereviseerde versie leverde de eerste prijs op die de film ooit te beurt is gevallen.

Over Salò ga ik hier niet veel vertellen, want dat heb ik eerder al uitvoerig gedaan in een achtdelige serie. Hooguit verklap ik hier dat de box voor slechts € 17 is te bestellen bij de Cineteca di Bologna. Dat gaat per internet via http://cinestore.cinetecadibologna.it/bookshop/dettaglio/99.

Houd er wel rekening mee dat de Italiaanse portotarieven even schandalig zijn als de Nederlandse; ik moest € 20 bijbetalen voor de verzending per TNT. Maar dan leveren ze erg snel, voor Italiaanse begrippen: drie dagen na bestelling had ik de box in de bus.

Al kijkende en lezende bekroop mij het akelige gevoel dat er een verband bestaat tussen Salò en de oudjaarsfestiviteiten in Keulen (en elders). Over dat gedonder moet ik nog even piekeren, maar ik kom er gauw mee voor de draad.

Louis Grijp

Een kort eerbetoon aan Louis Grijp die op 9 januari 2016 overleed. Een man die het Nederlands muzikaal cultureel erfgoed bestudeerde, koesterde, toegankelijk en onvergetelijk maakte.
Ik heb met hem enkele malen contact gehad bij mijn zoektocht naar (de oorsprong van) de muziek van het Ignatiuslied. Opvallend waren enerzijds zijn grote kennis van het oude Nederlandse lied, anderzijds zijn bereidheid om daarover omslachtig en vakkundig te communiceren, hetgeen mij tot een herziene beschouwing noopte.

Wat blijft is zijn nalatenschap van de Nederlandse Liederenbank die voor velen een bron van kennis en muzikaal genoegen zal zijn. Een ook mijn dankbaarheid voor iemand die de openbaring daarvan voorop zag staan.

Het lied klinkt voort.

Der Rosenkönig (Portugal 1986)

Het heeft me bijna drie jaar gekost om over Der Rosenkönig een enigszins samenhangend verhaal te schrijven. Dat heeft zo zijn oorzaken, want nog los van de klus zich te moeten inlezen in de acteurs en personages, is er nog een veel groter probleem: Der Rosenkönig is eigenlijk geen film, althans niet in traditionele zin, het is veeleer een verfilmd dramatisch epos, waarbij de teksten in beelden zijn gevangen. En dat vraagt om een heel andere benadering dan die bij “gewone” films.

 

Der Rosenkönig ging in première op het Rotterdams Film Festival op 1 februari 1986 en kenmerkt zich door een aantal zeer verschillende eigenschappen.

Zo was er, om te beginnen, geen script. Er werd min of meer uit de losse pols gespeeld en gesproken. In de uitvoering die ik heb, is dat afwisselend Portugees, Engels, Frans, Italiaans, Arabisch en Duits. Dat die uitvoering ook nog eens Engelse ondertitels heeft, is prettig voor mij (ik spreek/versta Portugees noch Arabisch), maar zonde van de beelden en, nog veel belangrijker, door regisseur Werner Schroeter ook absoluut verboden. Maar Schroeter is dood (2010) en de filmwereld doet met zijn nalatenchap wat zij wil. Zo kan ik je ook nog een Spaanstalig .srt-bestand leveren voor Spaanse ondertitels.

Die afwezigheid van een script had te maken met haast, en wel om een reden die ook niet alledaags en des films is: Schroeter had als een der hoofdpersonages wederom en beroep gedaan op Magdalena Montezuma (1942-1984; Duitse van origine) van wie ten tijde van de opnamen al bekend was dat ze ongeneeslijk ziek was. Voor hem was dat aanleiding haar niet te strak te binden aan een filmscript en bovendien, zo blijkt uit de aftiteling, de hele film aan haar op te dragen. Zij overleed enkele weken na de laatste filmopnamen.

Schrijnend genoeg was het ook voor de Italiaanse Antonio Orlando (1960-1989), hier rechts in beeld, de laatste speelfilm waarin hij zou acteren. Vóór Der Rosenkönig had hij in tientallen andere films en tv-series gespeeld, onder meer ook in Pasolini’s Salò, waarin hij de rol van Tonino speelt. Naar verluidt kwam hij bij een auto-ongeluk in Napels op 28 september 1988 om het leven.
Voor de derde hoofdrolspeler, Mostáfa Djadjam, links op de foto, van Algerijnse afkomst, was Der Rosenkönig de eerste grote speelfilm waarin hij als acteur optrad.

Vooral de naderende dood van Magdalena Montezuma overheerst de film, zonder er qua plot of beelden ook maar iets mee te maken te hebben.

Heeft de film wel een plot? Ja, eventueel. Verstrikt en verscholen in beelden, metaforen en symboliek valt er wel een soort van verhaal van te vertellen.
Anna Rahma en haar zoon Albert runnen een rozenkwekerij in een vervallen complex aan het strand van een Portugees dorpje. Exacte tijd en plaats zijn niet gegeven, maar ook niet bijster terzake doende. Het zal wel een dorpje aan zee, niet ver van Lissabon zijn, want de acterende kinderen komen uit Sintra en Montijo, twee gemeenten onder de rook van de Portugese hoofdstad.
Zowel uit de sfeerbeelden van het deprimerende pand vol rommel en spinnenwebben, als uit de schaarse informatie die we te horen krijgen, valt op te maken dat de handel niet echt floreert: in de hele film wordt er niets verkocht, terwijl de ene lening slechts met de andere kan worden 
afgelost.
Dan is er opeens Fernando. Waar hij vandaan komt, wordt niet duidelijk. Maar als hij in de kapel stiekem het offerblok licht (met de overbekende Italiaanse smoes “voor mijn zieke moeder”), wordt hij betrapt door Albert en prompt onstaat er tussen beiden een vreemdsoortige relatie. Fernando wordt ‘gehuisvest’ op het stro in de schaapstal en ondergaat de steeds verder gaande avances van Albert lijdzaam (of is het gewillig?).
Terwijl de moeder steeds dieper wegzinkt in haar persoonlijke en bedrijfsellende, die haar tot over de rand der waanzin voert, zet Albert alles op alles om Fernando tot het summum van zijn kwekerijkunst te brengen: Fernando moet de Rozenkoning worden, wat er kort en goed op neerkomt dat Albert in Fernando’s lijf diepe sneden kerft waarin hij rozen ent. In die uitdossing legt hij hem in de rozentuin op de grond. Fernando wordt, als object van een onbereikbaar verlangen, tot idool, waarin Albert zijn ‘vakmanschap’, het enten van rozen, weet te leggen, ook al vernietigt hij daarmee zijn eigen liefdesobject (geen onbekend literair motief!).

Maar voor het verhaal alleen hoef je de DVD niet te kopen, of te downstreamen, of naar de bioscoop te gaan. Het zijn de beelden die het hem doen. Telkens weer, tussen de scènes of vaak zelfs midden in scènes word je uit het verhaal en in de symboliek getrokken, waarvan zelfs de duiding het aflegt tegen de verrassing, verbazing, verdwazing. Daarbij zijn wel enkele constanten aan te geven:

Allereerst het kleurgebruik: het veelvuldig optredende rood; niet alleen van de rozen -de kwekerij heeft alleen rode rozen in de aanbieding-, maar ook van de kleding en, naar het einde toe, van het bloed. We kennen de symboliek van ‘rood’ genoegzaam.
Verder het blauw, koel en onbegrepen als het is, die blauwe zweem van dampende landschappen, de branding van de oceaan, de herhaaldelijk in beeld gebrachte close-ups van typisch Portugese ‘Delftsblauwe’ muurtegels.
En het zwart van de dood, het zwart dat we Anna enkele malen op haar gezicht en zelfs de piano zien smeren.

Vervolgens de viezigheid, als ik er dat tenminste onder mag verstaan, van de overal in huis aanwezige spinnenwebben, de verfletste foto’s. Daarnaast de kikkers, in water gevangen, die schier doelloos wachten op wat er gaat komen. En niet op de laatste plaats het vuur: de brandende kapel, de verbrande foto’s, het stro in brand (aangestoken met de laatste lucifer uit een niet onbekend doosje), de hele rozenkwekerij in vlammen, de dorpskinderen die rond een stapel brandend hout dansen – dat allemaal is geen toeval meer.
Vergeet ook niet de muziek en ander geluid in het geheel te betrekken, de 19e-eeuwse operafragmenten; de gedeclameerde gedichten; de in de verte wegtrekkende treinen.
Dan is er het water, onontbeerlijk voor de mens, maar evenzeer voor een bloemenkwekerij. Bij voortduring zien we iemand de rozen besproeien, bossen rozen druipen van het water, de golven van de zee in de blauwe nacht aankomen op het strand.

Dat laatste krijgt nog een extra dimensie. Natuurlijk is het niet voor niets dat we die branding in totaal 23 maal kortstondig (meestal maar zo’n 4 seconden) in beeld krijgen, zonder enige tekst of uitleg. Maar in de helft van de gevallen biedt die branding nog iets meer: we zien Fernando aanspoelen aan het strand, de golven slaan nog over hem heen, maar de voetstappen in het zand lijken erop te wijzen dat hij, eenmaal aangespoeld in het vreemde land, naar het dorpje is getrokken. Vanuit zijn eigen perspectief is hij de Odysseus of andere literaire held, denk ook aan Yunan in “Il fiore delle 1001 notte” van Pasolini, die schipbreuk lijdt, naakt aanspoelt en dan belandt op een ‘gevaarlijk’ eiland waar hem een zware klus wacht. Vanuit het perspectief van moeder en zoon is hij de onverwachte indringer, het ook al zo vaak gebezigde literaire/filmische motief om spanning in de plot te brengen. Ik besprak het eerder al bij mijn verhaal over Tras el cristal van Villaronga, waar de plotsklaps binnendringende Angelo de hele huishouding op zijn kop zet, sterker nog, die het hele verhaal naar zich toetrekt. Zo is het in Der Rosenkönig ook min of meer: de opeens ten tonele verschenen Fernando drijft een wig tussen moeder en zoon, die er beiden wanhopig onder worden.

Dat er, en passant, een scene is waarin Albert ‘zijn’ Fernando tegen een boomstam plaatst en hem omstandig gaat staan wassen (“Waarom was je mij?” – “Omdat ik je moet wassen.”) levert in de wat langere artikelen over deze film de vreemde discrepantie op, dat de een Fernando hier vergelijkt met Sebastiaan, de ander met Christus. Voor beide opties is wat te zeggen, alhoewel beide symbolen uit de religie in hun terminale positie niet werden gewassen – integendeel. Fernando mist te veel eigenschappen die hem ondubbelzinnig met een van de twee zou kunnen identificeren.

De film roept meer emoties op dan begrip. Misschien vind ik het wel juist daarom een goede film, omdat ik hem niet begrijp, maar er lang en vaak naar kan kijken.

_________________________

Der Rosenkönig (Portugal 1986). Regie: Werner Schroeter. 110 minuten.
Alternatieve titel: Le roi des roses.
Details: http://www.imdb.com/title/tt0091871/
Geen ondertitels toegestaan, maar ze bestaan wel in Engels en Spaans.

Voor meer info: lees de bespreking door Dietrich Kuhlbrodt op http://www.filmzentrale.com/rezis/rosenkoenigdk.htm
en een bespreking op 16.internationales Forum des jungen Films (Berlin 1986), HIER als pdf te downloaden.

 

 

 

 

Langres fait son mieux

Vanuit Rosoy bezien is Langres de dichtstbijzijnde grote stad. Nou ja, niet overdrijven, met z’n 7.500 inwoners is het bijna viermaal zo klein als de gemeente Boxmeer. Vanouds is het ook een heel Nederlandse stad: zomer en winter is het vol met Nederlanders, vaak op weg tussen het moederland en de Spaanse costa’s.
Maar ondanks de vele potenties die de vestingstad heeft, zien we in toenemende mate een leegloop, vooral van de middenstand, terwijl het stadsbestuur er toch veel aan doet er een bruisende, en vooral cultureel gezien aantrekkelijke plaats van te maken. Langres fait son mieux – Langres doet zijn best.

Om dat laatste te onderstrepen:
ik beperk me hier even tot de culturele agenda van het zomerseizoen 2015.

Versierde en verlichte straten en pleinen, tal van festivals en exposities, veel voor de jeugd, maar ook voor de toeristen – het kan niet op.

 

 

 

Er zijn drie ruimtes waar het meeste valt te beleven, cultureel gezien dan:

Het museum (Musée d’Art et d’Histoire) met een permanent gedeelte van oude opgravingen tot moderne kunst en steeds ook nog een wisseltentoonstelling;

het Maison de Lumière, in 2013 geopend ter gelegenheid van de 300ste geboortedag van Denis Diderot, en geheel gewijd aan de periode van de Verlichting.

Voor beide: zie ook http://www.musees-langres.fr/.

de gemeentelijke bibliotheek/mediatheek (Bibliothèque Arland) met een vrij grote collectie boeken en tijdschriften alsmede wisselende tentoonstellingen en culturele activiteiten voor de jeugd; zie de website.

Uit de culturele folder 2015 van Langres staan hierboven een paar voorbeelden.
Mocht je dus alsnog met camper of caravan naar het zuiden trekken en onderweg belanden op camping Navarre in Langres, verzuim dan niet een en ander te bezoeken.