Arboretum Trembloy

Het is zo’n plek waar ik tientallen, wat zeg ik, honderden keren ben langsgekomen, op krap 4 kilometer van ons huis, en waarvan je steeds denkt: “daar moet ik ook eens een keer gaan kijken“; maar het komt er niet van. Ongelooflijk, hoe je binnen een heel beperkte radius rond je woonst steeds weer nieuwe dingen kunt ontdekken.
Zo ook het Arboretum Trembloy, net op de grens van Rosoy en Celsoy.

In 1993 begon men met de aanleg van een arboretum op een 2 ha groot terrein net binnen de gemeente Celsoy op de grens met Rosoy-sur-Amance. In totaal werden er 650 verschillende soorten uitheemse bomen geplant, netjes in rijtjes, waardoor het ook wel iets weg heeft van een oorlogsgraventerrein zoals er in Frankrijk zo vele zijn na La Grande Guerre.

Van boomsoorten weet ik bijna niets af. Ik kan nog net een dennenboom van een kastanje onderscheiden. Maar, natuurlijk afhankelijk van het seizoen, is het een wonderbaarlijke ervaring er rond te lopen. Een kleine fotoimpressie, eind april 2020.
Van harte aanbevolen.

Tannery restauratie-inleiding

Wat moet je anders in deze weken van confinement, bijna absolute opsluiting in huis, waarbij je alleen maar met een speciaal formulier op zak eventjes de deur uit mag om boodschappen te doen of naar de dokter te gaan, op straffe van een subiete boete van €135 voor het niet bij je hebben van dat formulier of om een niet-geldige reden?

Ik verveel me nooit, en vooralsnog denk ik dat goed vol te kunnen houden.

 

Onlangs kreeg ik een verzameling oude wetenschappelijke boeken in handen ter beschrijving en eventuele verkoop. Toen ik daarmee zo goed als klaar was, resteerden er nog drie die in te slechte staat verkeerden om ze te koop aan te bieden. Ik besloot toen een van die exemplaren grondig te gaan restaureren en dat proces hier met een aantal artikelen te begeleiden.

Het gaat om de tweede druk van een werk van de Franse wetenschapper Paul Tannery (1843-1904): Pour l’histoire de la science hellène uit 1930; oorspronkelijke druk 1887. Het boek lag zowat helemaal uit de band, voor- en achterplat lagen los, van rug en rugtekst was hoegenaamd niets meer over, het beloofde portret op het frontispice ontbrak en links en rechts waren er zo nog wel meer beschadigingen. En omdat het werk antiquarisch een bescheiden handelswaarde heeft van hooguit enkele tientjes, vond ik het wel verantwoord mijn boekbindkunde eraan te wijden. Het boek is bovendien in een facsimile-herdruk in 1990 heruitgegeven en het is integraal digitaal gratis beschikbaar.
Ook in bibliofiel opzicht is het weinig uitzonderlijk: de onderhavige editie is geen eerste druk, en daarbovenop tamelijk goedkoop bezorgd, waardoor met name de sobere bindwijze niet bleek opgewassen tegen het volume en gewicht van het werk: 24x17x4 cm en 1010 gram zwaar.
Voordat ik echter die restauratie ga beschrijven, wil ik eerst wat opmerkingen kwijt over oude boeken, hun waarde en hun eventuele restauratie.

Je kunt een boek waarderen om zijn inhoud, los van de staat van het werk; de inhoudelijke waarde. Je kunt een boek waarderen om zijn uiterlijke kwaliteit, zowel van de band als van de vormgeving van het boekblok; de bilbliofiele waarde. Je kunt een boek waarderen om zijn kostbaarheid, evt. verhandelbaarheid; de economische waarde. En vaak is je waardering een combinatie van genoemde waarden.

Om dat te illustreren, wijd ik de komende tijd eerst een drietal artikelen aan andere oude boeken in mijn bezit waaruit blijkt welke afwegingen voor mij de doorslag geven om wel of vaak ook niet tot restauratie te willen overgaan. Klik op de titels voor die betreffende artikelen. Het betreft, van links naar rechts, De Boecken Genaemt Apocryphe uit 1670, Aran en Titvs van Jan Vos uit 1656 en de Institutiones mathematicæ van Eduard Corsini uit 1743.
Daarna kom ik ter zake met de restauratie van bovengenoemd werk van Paul Tannery.

Aoûtat

In het Nederlands wordt hij wel ‘oogstmijt‘ genoemd, maar die benaming is onjuist. Een aoûtat is veel kleiner, met zijn 0,1-0,3 mm is hij met het oog niet waarneembaar; een oogstmijt is dat wel. De enige overeenkomst zit in de benaming zelf, want aoûtat en oogst en de maandnamen août en augustus hebben we allemaal te danken aan keizer Augustus. Oogstmijt en aoûtat zijn wel van dezelfde mijtenfamilie.

Ze doen hun naam eer aan, die aoûtats, in ieder geval hier op het platteland. In de steden, en in Nederland, hoor je er niemand over. Maar klokslag 1 augustus begint het feest. De larfjes (onvolwassen aoûtats, die nog maar zes poten hebben) bespringen je kleren en benen en dan is het raak: ze prikken een klein gaatje in je huid -dat doet geen pijn; je merkt het niet eens- en met hun speeksel als digestief enzym maken ze een eetbaar papje van je huidschilfers, waarmee zij zich een dag of vier voeden. Ze zuigen zich niet, zoals muggen, vol met je bloed, ook al beweren sommige websites dat wel.

Eenmaal verzadigd vertrekken ze weer en worden volwassen (waarbij ze opeens acht poten hebben en zich verder voeden met wat ze op de grond vinden en verder voor hun nageslacht zorgen).


Wij zitten intussen met de gebakken peren: op de plek van hun beet vormt zich een rood puntje met een klein roze kringetje eromheen, kleiner en platter dan een muggebult, maar even irritant jeukerig. Gevaarlijk is het op zich niet, maar voor honden en katten en mensen is het aan te raden er niet de hele tijd aan te krabben, want dan kan er een open wondje ontstaan dat infectiegevoelig is. Afblijven dus, hooguit insmeren met een anti-jeukmiddel.

Ik gebruik daarvoor Onctose, samengesteld o.a. uit hydrocortisone, lidocaïne en mefenidramium. Dat is weliswaar curatief, dus je loopt achter de feiten aan, maar het werkt geweldig. Met azijn deppen helpt ook goed, en een van mijn buurvrouwen beweert dat eau-de-cologne eveneens een gewenst effect heeft, namelijk dat de jeuk een tijdje ophoudt, alleen heb ik dat laatste niet in huis, dus ik kan daaarover niet oordelen.

Preventief valt er weinig aan te doen, want die beestjes nestelen zich overal: langs je benen omhoog kruipend zoeken ze naar lekker warme, vochtige plekken waar de huid het dunste is, dus je knieholtes, je liezen, heel graag daar waar je broekband zit, je oksels; maar ook in je kleren, handdoek, beddegoed. En dan krijg je in Frankrijk het advies dat allemaal te wassen op 55° of heter. Maar dat impliceert dat je dagelijks de was moet doen op 60°, en dat je alles wat je buiten aan wasgoed te drogen hangt, meteen na droging weer moet wassen, want tijdens dat wapperen zijn de aoûtats er natuurlijk weer als vlooien opgesprongen.
De middenstand spint er garen bij door spuitbussen te verkopen, zoals Insect Écran, een spray op basis van permetrine die je op je kleding en lakens moet spuiten om allerhande insecten, waaronder aoûtats, te doden. Maar ja, een broekspijp of plooi is al licht overgeslagen en dan heb je er niks meer aan. Behalve de middenstander natuurlijk. Gewoon dus een tubetje onctose kopen; voor 5 euro heb je een tube waar je een paar jaar mee toe kunt.

Zo tegen eind september zit hun seizoensarbeid erop en is het met al die jeuk gedaan, op voorwaarde dan het dan niet alsnog muggentijd wordt.

Finale

Een finale is een eindspel dat je kunt winnen of verliezen. Scherper gezegd, om het sentiment rond finalewedstrijden bij ijshockeytoernooien te citeren: “You lose the gold, but you win the bronze“. Ik ga voor brons, want ik ben een slecht verliezer.
In november 2012 begon ik met het publiceren van mijn weblog. Inmiddels staat de teller op 343 artikelen en 377 reacties. Het is een mengeling van feiten en meningen, ernst en luim, ver- en bewondering, humor en wetenschap, ergernissen en voorliefdes.

Natuurlijk was het mijn opzet mijn bevindingen en opvattingen, luchtig, maar vaker kritisch, kenbaar te maken aan wie ze wilden lezen of niet. Over taalkunde, politiek, films (alleen de betere, niet van die bagger uit Amerika, dus alleen met name  Spaanse, Duitse en vooral Italiaanse, d.w.z. Pasolini), jeugdherinneringen, muziek, de Abdij van Beaulieu, sport, literatuur, verkeer en vervoer, Sint Sebastiaan, het leven op het Franse platteland met al het bijbehorende verbouwen in huis en op het land, een aantal necrologieën,… In die zin heeft het ook wel gefunctioneerd, denk ik.

Jammer genoeg loopt soms een project stuk of spaak, of vertraging op, maar dat is een ernstig en verwerpelijk zeugma. Sorry.

Zo ligt mijn bemoeiing met Beaulieu  (zie beaulieu-1-van-vele voor het eerste bericht uit de reeks van vijf artikelen) al ruim een jaar stil, eigenlijk alleen doordat de Amerikaanse mevrouw wier eigendom het hele domein is, al die hele tijd niets meer van zich laat horen, niet reageert op mijn vele (aangetekende) brieven en mails, en doordat de gendarmerie mij op het hart drukt dat ik zonder door haar geschreven en geauthentificeerde uitdrukkelijke toestemming het terrein niet mag betreden, laat staan er werk verrichten of spullen in veiligheid brengen. Misschien is ze wel dood, of laat ze de boel de boel. Dat anderen intussen ongehinderd naar binnen kunnen en de halve kiet leegroven, is kennelijk geen bezwaar.

Ook mijn jongste project zit in de ijskast, zo het geen diepvries wordt. Ik ben halfweg met het schrijven van een omvangrijke studie waarin ik de parallellen beschrijf tussen Pasolini’s laatste twee films. De meeste van de 28 aspecten van die overeenkomsten heb ik al af, maar ik kan niet verder zonder diepgaande medewerking van het Centro Studi-Archivio Pasolini in Bologna voor tekstmateriaal en foto’s. Na hun aanvankelijk enthousiaste reacties hoor ik opeens al een tijdje niks meer.

En tot nu toe buiten de weblog om ligt mijn taalwetenschappelijk artikel over het verschil tussen ‘geven’ en ‘nemen’, met al zijn consequenties voor het voorzetselgebruik, al circa twee jaar op de plank te verstoffen. Ondanks de hulp van de universiteiten van Leiden en Gent lukt het me nog steeds niet een paar weken achtereen ongestoord te kunnen werken aan een drastische revisie van mijn concepttekst.

Een achterliggend doel van mijn weblog was van meet af aan ook om te dienen als een steeds aangroeiend archief en als documentatiemateriaal voor eigen behoef, zeg maar als mijn testament. Niet het echte natuurlijk, want dat ligt te bestemder plekke veilig opgeslagen, samen met mijn NVVE-wilsverklaring. En mocht de natuur mij te vlug af zijn, ook goed. Aisi soit-il. Maar wel als een scala van blijken van de veelzijdigheid die kenmerkend is voor een docent Nederlands.

Ik doe bar weinig dingen zo maar, of per ongeluk. Niks geen niemendalletjes. Ik ben geen vermakelijkheidsinstelling. Veel van mijn woorden, zinnen, artikelen bevatten dubbele bodems en vereisen meervoudige lezing. Simpel voorbeeldje: mijn beeldmerk (niet: logo, want een logo bevat de bedrijfsnaam; ‘logoV‘ betekent ‘woord’) dat hier bovenaan staat afgebeeld, en tevens de vaste achtergrond van al mijn artikelen vormt en van mijn visitekaartje, kun je van twee kanten bekijken: kantel je je hoofd een klein beetje naar links, dan heb je de horizontale Franse tricolore blauw-wit-rood; kantel je je hoofd meer naar rechts, dan staat er de verticale Nederlandse driekleur rood-wit-blauw. Maar nog steeds weet niemand waar ik het concept vandaan heb. Het is uit het Parijse Musée d’Orsay, en daar is lang aan gewerkt.

Vasthoudend ben ik wel, zo nodig met het geduld van een katachtig roofdier dat op zijn prooi loert: ik ben weinig toeschietelijk als het gaat om irritante taalfouten, of als ik mij erger aan de manier waarop wij allen door slinkse, infantiele reclame en asocial media worden besodemieterd en uitgebuit, of als ik dreig te worden meegezogen in modieuze, soms hufterige hypes waar velen als kippen zonder kop achteraan hollen, zoals bijvoorbeeld het wurgende en mensonwaardige neo-puritanisme.

Ook blijf ik mij met kracht verzetten tegen kwebbelboxen als whatsapp en twitter. Als je al meent iets de wereld kond te moeten doen, denk dan eerst eens rustig na over een passende en gepaste inhoud en over een daarbij behorende passende en gepaste taalvorm in hele, correcte, Nederlandse zinnen. Dus zonder kretologie en luchtbellen en beweringen waarvan je zelf de waarheid en werkelijkheid niet onomstotelijk kunt aantonen. Daarmee voorkom je oeverloos gezwets en zweefgezwatel en taalverloedering en vertrossing van ons denken. Veel berichten winnen aan kracht en informatieve waarde als je er eerst eens een nachtje over hebt geslapen. Soms wel twee.

En ik ben niet, in ieder geval niet meer, in de race om ongetwijfeld met goede bedoelingen verstrekte adviezen te aanhoren, al dan niet van medische zijde, die mij, voor mijn gezondheid en onbezorgde oude dag (vertel dat het ABP maar), achter de geraniums willen opbergen, mij van de genietingen des levens te laten beroven en mij op een dieet van worteltjes en sla als een konijn te laten vegeteren, mij 2x daags door de ADMR-dames op staatskosten te laten wekken, douchen, aankleden, die de vloer voor mij aanvegen, de kat te eten geven, wekelijks de vuilnisbak aan de stoeprand zetten en de 18 bellen als ik dat zelf niet meer kan of hoef. Evenmin, in ieder geval niet meer, om als een soort horecabedrijf jan en alleman hier gastvrij te onthalen die ‘toevallig’ en route toch net in de buurt is en zich ongevraagd een gratis diner, overnachting en ontbijt laat welgevallen. Ik ben geen sociale instelling. Net als met eten ben ik kieskeurig in mijn uitnodigingen en er zijn er genoeg die ik liefheb, met een sociale instelling.
Anderen kunnen terecht bij Au Lion d’Or = Au lit on dort of bij Het Hijgende Hert.

Waar ik mij verder mateloos aan erger of van walg:

  • honden;
  • bekrompen dorps- en boerenmentaliteit;
  • schurkenstaten als de USA en Israel en nog zo’n paar;
  • vis en kip (“geen veren en geen schubben“);
  • een automobiel van Japanse makelij (geldt voor mijn hele familie; zie het begin van mijn automobielshow);
  • ja zeggen en nee doen;
  • injecties;
  • de vernietiging van de PSP;
  • inhalende vrachtauto’s en caravans en sommiger mensen rijgedrag (niet uitsluitend vrouwen en bejaarden);
  • mensen die medelijden hebben met mensen die anders denken.

En valt er misschien dan ook nog wat positiefs te melden? Wel zeker:

  • van al mijn gezondheids-/ouderdomskwalen zijn er inmiddels enkele afdoende gerepareerd, andere onder controle en een paar nog te bevechten;
  • in 2019 zijn er in huis enorme stappen gezet met uiterlijk, comfort, isolatie en verwarming;
  • ook in 2019 belooft er een goede oogst aan te komen, kruiden, groenten, aardappelen, alleen wat minder fruit, schijnt het;
  • het aantal goede contacten dat ik heb en weet te onderhouden, met sommigen al meer dan 60 jaar lang, is uitermate bemoedigend;
  • dankzij mijn voortreffelijke camera heb ik hier in de buurt tussen 2017 en 2019 de schoonheid van het verval (“La beauté du délabrement“) in een fotoreeks kunnen vastleggen; gebouwen, landschappen, vervoer…; omdat het mp4-bestand van 8½ minuut te groot is, ± 265 Mb, heb ik het op youtube gezet. Bekijk het HIER, maar alleen op een groot scherm; op zo’n lullig minuscuul telefoonschermpje blijft er noch van de schoonheid, noch van het verval weinig over, en evenmin van de Vexations van Erik Satie die ik eronder heb gezet –  zonde van al het werk dat ik erin heb gestoken;
  • elke dag leer ik weer wat bij.

Voor de goede orde: reacties op dit artikel stel ik niet op prijs. Gelezen of ongelezen bereiken ze linea recta hun finale bestemming in het ronde archief. Ze worden hoe dan ook niet gepubliceerd.

Ik heb gezegd. Ik ga voor brons.

Savigny

Wie, om aan de hitte in Nederland te ontsnappen, naar de Spaanse costa’s reist, en dat niet per vliegtuig doet, passeert normaal gesproken op korte afstand een alleraardigste plaats in de Haute-Marne: Savigny (52500). Niet zozeer omdat die plaats slechts rond de 60 inwoners telt, maar wel omdat zich daar een heus Château bevindt dat een bezoek alleszins rechtvaardigt.

In feite omvat het domein twee gebouwen: het 19e-eeuwse Château Le Bocage en het 200 jaar oude jachtslot St.-Hubert, alles gesitueerd op een prachtig, uitgestrekt park. Het geheel heeft uiteenlopende bestemmingen: je kunt er overnachten (individueel of met een groep van max. 50 personen, de architectuur en natuur bewonderen, ontspannen, sporten, aan zweverige dingen doen, en gedurende juni-augustus 2019 een expositie bewonderen van Art au Vert, een kunstenaarscollectief uit de wijde omtrek, dat nu al voor de achtste keer de poorten opent voor een gratis bezoek. Elke zondag van 11-18 uur betreft dat een overzichtstentoonstelling in het kasteel van Savigny, terwijl in de weekenden van 6-7 juli en 17-18 augustus de deelnemende artiesten hun eigen ateliers openstellen.

De hier afgebeelde folders en de website www.lebocage.nl geven verdere uitgebreide informatie. Direct boeken via de site lijkt niet mogelijk te zijn.

Een paar correcties zijn wel op hun plaats. Het informatiemateriaal is nogal verouderd. Zo bestaat de genoemde regio Champagne-Ardennes al sinds begin 2016 niet meer en heet nu, samen met Lotharingen en de Vogezen de regio Grand-Est. De in de folder genoemde prijs van € 35,00 pp/pn is wat optimistisch geschat: een (minimaal vereist) verblijf van 2 nachten voor twee personen komt via Tripadvisor op € 1.961,00 waarbij niet is vermeld of daarbij ontbijt is inbegrepen. Wel is er gratis wifi. Bezoek je alleen de gratis expositie, dan kun je vervolgens elders in de omtrek zeker tien keer goedkoper overnachten.

Verder barst de uit 2017 stammende website van de taalfouten (bijvoorbeeld “Klik om cookies te accepteren deze inhoud te activeren“; “Leylijnen” die een regel later opeens foutief “leilijnen” heten; onjuistheden in de eigen adresgegevens, &c).

En ten slotte: de Bocagisten kunnen er ook niks aan doen dat het openbaar vervoer in Frankrijk zo belabberd is, maar dat rechtvaardigt nog niet de in de folder aangegeven reisroutes en afstanden met ontoelaatbaar optimisme te afficheren. Parijs-Savigny is per auto niet de genoemde 220 km (en al zeker niet via de A4), maar ±330 km (snelste route via de A5 en de N19), Langres niet 28, maar minstens 34 km, en van het dichtstbijzijnde treinstation Culmont-Chalindrey is het niet de vermelde 15 km, maar 23 km lopen naar Savigny, want busvervoer is niet voorhanden.

Neemt allemaal niet weg dat Château Savigny en het hele domein eromheen een prachtig voorbeeld is van veelzijdige rijkdom in een nog niet door toerisme geteisterde Haute-Marne. Je moet de gegeven foute/misleidende beschrijvingen maar voor lief nemen, maar eenmaal daar gearriveerd zul je niet teleurgesteld zijn.

 

QR-code VESI

Na een aantal jaren had ik het helemaal gehad met de administratieve stompzinnigheid van de firma Strato, waarbij ik mijn website rond La vérité et son image had gehuisvest.
Uiteindelijk verloste een deurwaarder/incassobureau uit Dijon mij uit mijn lijden door onterechte incasso’s van Strato naar de prullenbak te verwijzen. Gevolg was wel dat ik de hele website elders moest onderbrengen, maar dat was niet zo’n probleem.

Vanaf nu is die site te vinden onder https://www.rosoy.nl/parisot, wat je ook direct kunt bereiken door onderstaande QR-code even te scannen:

En voor een betere hartslag: ga nooit of te nimmer met Strato in zee. Het is een incompetent bedrijf met ongetwijfeld veel winst, maar nul klantvriendelijkheid.

 

Kattentaal

Over Louki heb ik het zes jaar geleden al uitgebreid gehad. Ze dateert van april 2010 en telt nu dus zo ongeveer 50 mensenjaren. Die gaat dus nog wel een tijdje mee.
Ze heeft, na allerhande perikelen, ziekten en ongevallen in de eerste twee jaar, nu verder een onbezorgd, gelukkig en gezond leven en vertoont nog immer de aanhankelijkheid en gezeggelijkheid die een Noorse boskat eigen zijn, maar ze is kats genoeg om ook over het egoïsme te beschikken dat we van alle volwassen katten kennen en ook haar kopieergedrag als een nog niet volleerde baby laat niets te wensen over.

Om van dat laatste een paar voorbeelden te geven: in al die jaren is ze nog nooit op de keukentafel of aanrecht gesprongen, want daar zitten wij ook nooit op. Maar als je van je stoel opstaat, vooral die bij de lekker warme cuisinière, is ze er als de kippen bij om jouw plaats in te nemen. Daar past ze eigenlijk helemaal niet op en er hangt van alles buitenboord, maar katten mauwen niet zoals mensen.
Net als wij ligt zij graag op bed; als wij daar ook liggen, tolereert zij dat. Maar niet zelden treffen we haar alleen op bed aan zoals wij doorgaans ook liggen: aan het hoofdeinde met haar kop precies op het kussen. En als de kookwekker afloopt, komt ze aangesneld, want ze weet dat er dan wordt gegeten.

Maar ik zou het over kattentaal hebben, en ook op dat gebied gaat de gelijkenis met een baby aardig op.
In de loop der jaren is het mij gaan opvallen dat zij over enige vorm van taalvermogen beschikt, zowel receptief als productief, zelfs zo, dat onze Franse buurvrouw zich erover verbaasde dat Louki Nederlands verstond.
Het begon met het moment waarop wij tot onze stomme verbazing constateerden dat zij haar naam verstond en begreep. Als je Louki roept, of zegt, want je hoeft niet eens te schreeuwen, kijkt ze je meteen aan of komt ze uit een hoekje tevoorschijn. En bij een gedecideerd Nee! trekt ze zich terug of gaat ze bedremmeld naar buiten als een stout kind dat de klas wordt uitgestuurd.
Later ontdekte ik dat zij, als je met de hoofden dicht bij elkaar bent en je zegt op neutrale toon Neusje, de kop spitst en haar neus tegen de mijne drukt. Zeg je Handje, of zoiets, dan doet ze dat niet. Honden geven pootjes, katten trekken hun neus daarvoor op.
Als je haar aanmoedigt om mee naar binnen of naar buiten te gaan dan reageert zij niet op Kom maar! of op Doe maar!, maar steevast wel op Toe maar! Geloof het of niet, het is zo. Het ligt dus niet puur aan de intonatie of situatie; het is taalgebonden adequaat gedrag.
Als je haar wil vragen of ze naar een van de slaapkamers boven wil -we hebben daar een rode, gele en blauwe kamer-, dan volstaat het om te vragen Wil je naar de rooie kamer? Eenmaal boven zoekt ze dan zelf wel uit welk van de drie kamers ze prefereert, maar als je haar boven op de overloop corrigeert en zegt Nee, niet de bláuwe kamer, de róoie, dan loopt ze netjes naar de desbetreffende deur.

Alsof dat alles nog niet menselijk genoeg is, heeft ze ook enige vorm van productief taalgebruik ontwikkeld. In ieder gezin floreert wel een soort familietaal, met woorden en formuleringen die alleen door de gezinsleden worden gebezigd en begrepen, en Louki is evident lid van de familie.
Natuurlijk schreeuwt ze het uit als je per ongeluk op haar poten trapt, want ze loopt je voortdurend voor de voeten, maar dat is nog niet echt wat ik taal noem. Anders wordt dat als ze wil eten en dat kenbaar maakt met een hoog piepje op één toon. Je hoeft niet eens te kijken; met dichte ogen herken en begrijp je haar mededeling. Produceert ze een mauwtje op hoge toon met stijgende toonhoogte: je hoeft niet te kijken, dan zit ze bij de deur naar boven en wil ze naar een van de slaapkamers. Daarbij helpt ze je ook een beetje, door met beide voorpoten omhoog tegen de deur te drukken, dan gaat het wat makkelijker. (Ter vergelijking: de onbehouwen kat van de buren, zo eentje van vuilnisbakkenras, heeft jou daarbij niet nodig. Die springt gewoon op om zelf aan de deurkruk te trekken en zich toegang tot het door haar gewenste deel van haar territorium te verschaffen, maar Louki is te netjes om zoiets ongevraagd te doen.)
En het blijft niet bij een mauwtje zus of zo. Haar door ons verstrekt voedsel bestaat uit brokjes, die hier “croquettes” heten, en één zakje natvoer ’s daags, dat wij gemakshalve “warm eten” noemen, omdat ze dat meestal krijgt in de loop van de middag als wij ook aan warm eten beginnen te denken. Daar zij nagenoeg volstrekt vegetarisch is, hoef je haar geen vlees of vis voor te schotelen; kaas, slagroom of abrikozenvlaai gaat er nog wel in. Maar natvoer is voor haar toch wat voor velen biefstuk met doperwtjes is: het lekkerste wat je kunt bedenken. En tot mijn stomme verbazing viel het me vanaf een gegeven moment op dat zij er een woord voor heeft bedacht om daarom te schooien. Hoor je haar Auw! piepen, ongelogen: dan moet er een zakje natvoer worden aangerukt en geserveerd.

De eeuwigdurende baby die haar eerste woordjes heeft leren gebruiken en waarop wij als ouders maar wat trots zijn.
Zo vindt zij vakkundig, zonder staart, maar toch niet minder behendig, ook in taalgebruik de balans tussen mens en dier, als lid van de familie waarvan zij al zolang deel uitmaakt. En taal is toch immers niets anders dan een samenstel van conventies binnen een beperkte gemeenschap.

 

 

 

 

 

11 oktober

Fransen geven meer om naamdagen dan om verjaardagen. De heiligen van de dag kom je dan ook op allerhande Franse kalenders tegen.
11 oktober is de naamdag van de 9e-eeuwse hymnograaf Théophane, een soort voorloper dus van Bernard Huijbers, en veel van zijn hymnen worden nu nog steeds in Franse kerken gezongen.
Ik had, eerlijk gezegd, nog nooit van de man gehoord, en ik heb er ook niks mee.

 

 

Ook kerkelijk is 11 oktober als “feestdag van het moederschap van Maria“. Althans, dat had paus Pius XI in 1931 zo bepaald, totdat paus Paulus VI in 1968 het feest verschoof naar 1 januari. Het is en was overigens toch maar een feestdag 2e rang, dus verwacht er niet te veel van. “De Engel des Heren heeft aan Maria geboodschapt. En zij heeft ontvangen van de Heilige Geest“. Twee bekende zinnen die grammaticaal incorrect zijn vanwege het ontbreken van de vereiste lijdend voorwerpen bij boodschappen en ontvangen.
Haar op zich onbetwiste moederschap wordt naar de achtergrond gedrongen door de zinloze discussie over haar bovennatuurlijke maagdelijkheid.
De Kerk en seks, al meer dan 2000 jaar is dat geen geslaagd huwelijk gebleken.

Op 11 oktober 1900 werd Solange Parisot geboren, de laatste bewoonster van mijn huidige huis, waaruit zij in 1984 noodgedwongen vertrok naar een maison de retraite. Maar ze hield het huis aan om er weer te kunnen terugkeren als “ze weer beter was”. Fransen bewaren alles en weggooien kan altijd nog. Maar ze werd niet beter, want ze was helemaal niet ziek, alleen maar oud. Ze hield het daar nog 14 jaar uit voordat ze overleed en wij het te koop staande huis konden verkrijgen. Nog steeds waart Solanges herinnering door alle vertrekken hier, inrichting, keukengerei, meubels, kleinere en grotere dingetjes; en te harer ere heb ik een buste van haar in een gedachtenisje in de salon geplaatst, in 2015 gemaakt door Ellen Beljaars naar een foto van Solange uit 1915.

Op 11 oktober 1946 werd ik geboren. Mijn rubriek levensloop op deze weblog is nog steeds verre van compleet. Misschien is dat maar goed ook. Maar uit de inmiddels ruim meer dan 300 berichten valt er veel te lezen en te interpreteren. Voor elk wat wils, dunkt me.

 

Kortom, 11 oktober, een dag om nooit te vergeten.

 

Bureaucratie

Nederland mag dan wereldwijd koploper zijn in het zetten van telefoontaps, het volhangen van het hele land met bewakingscamera’s en tenenkrommende formulieren en formaliteiten, maar vlak Frankrijk op dit punt ook niet uit. Ik zou er talloze voorbeelden van kunnen geven, maar om webvervuiling te voorkomen, beperkt ik me tot één enkel voorbeeldje dat ik afgelopen week in de brievenbus vond.

Het gaat om de halfjaarlijkse aanslag voor de lokale vuilnisophaaldienst, die elke donderdagochtend tussen 3 en 5 uur ’s nachts de zakken huisvuil plus afwisselend de gele zakken met oud plastic of de blauwe zakken met oud papier van de stoep komt halen. Dat kost geld en om dat te innen is er een speciaal formulier ontworpen.

In principe ben ik geïnteresseerd in het bedrag, de gefactureerde periode en of de aanslag wel voor mij is bestemd. Die gegevens trof ik aan en klopten. Maar daarnaast viel het mij op welk een bureaucratie er komt kijken bij zo’n simpele aanslag. Dat een formulier een nummer heeft in plaats van een naam (de meeste Franse officiële formulieren hebben een CERFA-nummer; dit formulier vreemd genoeg niet) en dat ik een nummer heb of ben in plaats van een naam, daaraan ben ik intussen wel gewend, ook in Nederland. Een nummer is unieker dan een naam, en namen leiden te vaak tot spelfouten, dat weet iedere genealoog. Zelfs mijn geslacht doet niet ter zake: het briefhoofd vermeldt M. LOONEN LEONARDUS, waarbij de M. staat voor Monsieur, de heer, doch de tekst begint met de aanhef Madame, Monsieur. Hadden ze me maar met mijn nummer moeten aanspreken, bijvoorbeeld mijn numéro fiscal. En totalité, de wirwar, embrouillamini in het Frans, die ik hier ontwaarde, staat hoog in de top-10 van overregulering en formele mistigheid.

Ik laat datum, periode, huisnummers, postcodes, telefoonnummers, openingsuren, wetsartikelen en bedragen maar even voor wat ze zijn; er blijft dan nog genoeg over:

Het formulier heeft van Président Eric Darbot de naam HASP VS9.1_22052018 FC01 gekregen, een waarlijk makkelijke naam om het document aan zijn employés te duiden. Denk nu niet dat die 22052018 de datum van de aanslag is (dat is de Date d’émission du titre de recette, 03/08/2018. Dit is heel belangrijk om niet te laat, namelijk binnen 30 dagen, te betalen, want dan krijg je onherroepelijk aanmaningen en boetes); het is vermoedelijk de datum waarop HASP-formulier versie 9.1 ter wereld is gebracht. Over het onderliggende streepje achter 9.1 is heel goed nagedacht; zou er een minteken hebben gestaan, dan kwam de oplettende lezer wellicht in de verleiding 22052018 te gaan aftrekken van 9.1, hetgeen toch niet de bedoeling kan zijn, met mogelijk een verkeerde betaling tot gevolg.
Rechtsboven twee scancodes. Dat zijn geen QR-codes, maar Data Matrix Codes. Wij worden verzocht die niet te lezen, daar zijn vele nijvere ambtenaren voor die over intelligente elektronica beschikken, maar ik ontcijfer ze toch. Het vierkante exemplaar luidt: LP22200553648; het rechthoekige rechts ervan LP22200553648109027. Op de achterzijde bevindt zich er nog eentje, met code LP22200553648109028. (Pas op! Verwar die niet met de rechthoekige op de voorzijde! Overigens lijkt mij de vierkante code volstrekt overbodig, want die bevat precies de eerste dertien tekens van de andere twee. Er moeten toch programma’s zijn die [links;13] kunnen isoleren van de langere codes)

Dan moet ik goed opletten bij betaling de juiste referenties te vermelden:

  • Budget: 50000 (had ik dat maar)
  • Exercise: 2018 (snap ik)
  • No bordereau: 148 (bordereau zonder hoofdletter!)
  • No Titre: 3979
  • Identifiant collectivité: 017658
  • Référence: 2018-3979-1 (die getallen hadden we al eerder gehad; de -1 aan het eind zal wel betekenen dat het een eerste aanslag betreft, geen aanmaning)
  • Feuillet 1 sur 1 (dat is om niet in verwarring te raken, bijvoorbeeld als je vier huizen in Frankrijk hebt, of een heel appartementencomplex met verschillende huisnummers). Toch zou ik graag wel eens feuillet 2 sur 2 ontvangen.
  • No Emetteur: 850033
  • CC des savoir faire: LP22200553648109028 (verwar dit nummer a.u.b. niet met de vierkante DM-code rechtsboven!)
  • Poste 052031 (vermoedelijk slaat die 52 op mijn departement Haute-Marne (52), maar die voorloop-0 is dan wel vreemd; geen enkel Frans departement beslaat drie posities, behalve de overzeese gebiedsdelen die departementsnummers 971 t/m 978 hebben, maar ik weet niet of daar ook een vuilnisophaaldienst actief is)
  • Titre de recette: 50000-2018-3979 (maar dat wisten we al)
  • Onderaan, waar je vooral niet mag schrijven of vouwen!, een volstrekt nieuw gegeven: 000000500180
  • Daaronder, tot slot,
    850033000159 69100000039790000010520315984806 5450 (je moet toch toegeven dat er dan niks meer fout kan gaan)
  • En dit alles kwam tot mij in een envelop met kenmerk
    856-CEM-BONG-2018 0161157ND (100% recyclable).

Het interessantste verschil met de vorige aanslag, 2e halfjaar 2017, is dat het te betalen bedrag is verlaagd van € 56,00 naar € 54,50. Maar dat hebben de nachtelijke vuilnisophaalmedewerkers ruimschoots gecompenseerd door de zinken teil, waarin ik de huisvuilzak stop om te voorkomen dat die door loslopende honden, katten of vossen aan stukken wordt gereten, ook maar mee te nemen. Handig voor thuis als plantenbak in de voortuin, of om op een brocante te verpatsen voor 5 euro.

Ik ken literaire producties van een appetijtelijker allure, maar voor een half uurtje leesplezier kan dit er wel mee door. Ik moet toch eens Macron bellen om te vragen of hier niet een enorme kans ligt op besparing van kosten en bureaucratie.

Tot aan zijn reactie laaf ik mij aan de parodiërende Sonatine bureaucratique van Erik Satie uit 1917, over de bureaucraat die in de buurt Clementi’s sonatine uit 1797 hoort spelen.

 

Respijt

Het valt deze weken niet mee om met gewenste regelmaat nieuwe berichten online te krijgen: de Tour de France, het WK-voetbal, vrij veel archiefwerk en vooral het vele, dankbare, maar tijdverslindende werk in de tuin en op het land. Dat laatste verschaft veel plezier, want alles groeit en bloeit als zelden tevoren. De foto getuigt daarvan: tussen de drie rijen aardappelen (links) is het nu keurig schoongemaakt, met de freesmachine en deels met de hand, en de rijen snij- en sperziebonen (rechts) staan op het punt hun eerste vruchten tevoorschijn te laten komen.

Maar er komt wel weer het moment voor een aantal nieuwe berichten. In mijn hoofd zoemen er vier over voetbalspelregels en eentje naar aanleiding van de documentaire Shoah, zo vlak na het overlijden van regisseur Lanzmann vorige week en mijn min of meer toevallige passeren van de afslag Mauthausen op de A1 in Oostenrijk, op weg van Rosoy naar de omgeving van Wenen, een paar weken geleden.

Dat zijn echter geen berichten die ik zo maar uit mijn mouw schud, dus enig respijt zij mij gegund.

 

Droogte

Ook zo’n last van het mooie weer? Na het veel te natte voorjaar (maar gelukkig zonder nachtvorst) kijken we nu aan tegen een droogteperiode. Het is ook nooit goed. Maar ik zeur er niet over, want watergebrek kennen we hier nauwelijks. Gewoon boven aan de straat bij het spoor een kubus met duizend liter water vullen en die voor het huis parkeren en dan kun je aan de slag.

Enkele malen per dag dus is het af- en aanlopen om twee emmertjes water te halen en de meest kwetsbare gewassen goed nat te houden. Bij voorkeur vroeg in de ochtend en begin van de avond, tussen de WK-wedstrijden door.

 

Vandaag, 1 juli, is het buiten maximaal 35°. Net iets te heet om je in het zweet te werken. Dus stond ik vanochtend tussen 8 en 10 al wat snoei- en sproeiwerk te verrichten. Als je ’s ochtends aan de voorkant van het huis, de oostkant, de luiken en ramen dichthoudt en die aan de achterkant, de westkant, openzet, en dan rond een uur of twee de zaak omkeert, blijft het binnen heerlijk koel: in de salon meet ik nu 23° en als dat nog te heet blijkt, dan maar even in de cave, waar het 18° is.

Al in het voorjaar beloofde het een jaar met rijke oogst te gaan worden, maar door de droogte vallen er al heel wat onrijpe appels spontaan, maar niet ver van de boom. Voor de perziken en wijnperziken dreigt hetzelfde, want bomen van voldoende water voorzien is onbegonnen werk. Komende week belooft de météo vijf dagen met onweersbuien. Het is ook nooit goed. Dan riskeren vooral de tomaten kapot te hagelen.

Maar goed, de aardbeienoogst was overvloedig en ook de kapucijners zijn de dans der droogte wel ontsprongen. De erg zoete en smaakvolle aardbeien werden in hoofdzaak tot mierzoete jam; de kapucijners verdwijnen voor het merendeel in de tweede diepvries. Ik hoop dat daar nog grote hoeveelheden sperziebonen (haricots nains, van die lange dunne) en snijbonen (haricots coco; snijbonenmolentjes kennen ze hier in Frankrijk niet) bijkomen, maar daarvoor is het nu nog een paar weken te vroeg. En dan in september/oktober kisten vol met aardappelen (Nicola’s en niet anders) die ik bij het spoorviaduct heb staan dit jaar.

Als tableau de la troupe wat foto’s van een deel der beloften die, naar ik hoop, toch nog tot rijping gaan komen.
Vanaf linksboven: perzik, vlier, mirabelle; kerstomaat, appel, wijnperzik; cayennepeper (nu nog groen, maar op termijn knalrood en vlijmscherp), kapucijner, framboos (als ik daarvan 1 kilo heb, gaat dat samen met het sap van 2 kilo al eerder geplukte cassis weer heel wat potjes jam opleveren).

     
     

 

 

 

Beaulieu, 5 van vele

O, mirakel. Een paar dagen na de verdwijning van het glas-in-loodraam (zie vorig bericht), ging ik het drama met een expert bekijken, et voilà, het raam zat weer op zijn plek. Weliswaar weinig professioneel teruggeplaatst, beetje scheef en met een paar simpele houten spietjes bevestigd, maar verder onbeschadigd. We hebben het zekere voor het onzekere genomen, en een herhaling van dit mysterie voorkomen.

Het lijkt op het mirakel van het houten Mariabeeld bij een bron in de vallei van Presles, hier zo’n 4 km vandaan, dat ergens in de 13e eeuw door een boer werd gevonden en naar de kerk van Marcilly werd gebracht. Daags erop lag het echter weer bij de bron. Dat herhaalde zich nog tweemaal, waarop de pastoor besloot dat het een wonder moest zijn en dat de Heilige Maagd wenste daar te blijven, waarop men er een kapel bouwde die er nu nog steeds staat.
Een beetje verdacht is het wel, dat exact eenzelfde wonder zich rond die tijd voltrok in de buurt van Sint-Anthonis (bij Boxmeer), hetgeen enerzijds iets zegt over de betrouwbaarheid van het voorval, anderzijds iets over Maria’s alomtegenwoordigheid.

Samen met een professioneel glas-in-loodzetter heb ik gisteren het raam nu maar zelf gelicht, overigens met telefonische toestemming van de eigenares in Amerika, waarzonder de Gendarmerie alhier zei dat wij van diefstal zouden kunnen worden beticht. Ik heb het vooralsnog schoongemaakt en veilig bij mij opgeborgen, in afwachting van verdere instructies van de eigenares van het complex.

Maar ik schat zo dat geen enkele goddelijke of goddeloze maagd het in haar miraculeuze hoofd zal halen het raam voor die tijd bij mij weg te halen. Zo toch, dan lever ik haar uit aan Berlusconi, Trump of Duterte. Naar keuze.
En verder blijven we speuren naar de betekenis van het erop afgebeelde.

De geschiedenis van Beaulieu is nog lange niet ten einde.

____________________________________

Vorig bericht: http://nardloonen.nl/2018/05/27/beaulieu-4-van-vele/
Volgend bericht: 

Beaulieu, 4 van vele

Mocht iemand dit glas-in-loodraam in bezit hebben, dan wordt het zeer op prijs gesteld het bij mij terug te bezorgen.
Mocht iemand dit glas-in-loodraam ergens tegenkomen, bijvoorbeeld op een (rommel)markt, veiling of websites als Ebay of Leboncoin, of bij iemand thuis aan de muur of als salontafeltje, dan wordt het zeer op prijs gesteld dat mij snel te melden.

Het medaillon is rond met een diameter van ± 64 cm. Vermoedelijk is het 19e eeuws en een analyse van de inhoud heeft tot nu toe nog niet veel opgeleverd. Maar dat neemt niet weg dat je het beter kunt laten hangen dan het zich schielijk toe te eigenen. Gevalletje kunstroof.


Bruikbare tips mogen desgewenst ook anoniem zijn.


Vorig bericht: http://nardloonen.nl/2017/11/29/beaulieu-3-van-vele/
Volgend bericht: https://nardloonen.nl/2018/06/05/beaulieu-5-van-vele/


Tenzij anders vermeld, zijn alle foto’s door mij genomen.
Overname toegestaan, mits met bronvermelding “© 2017-2018 Leonard Loonen”

Hirondelles

Hoera! Wij zijn er weer!

Teruggekeerd op het oude nest in de garage hebben we 4 (geloven we) eitjes gelegd die binnenkort wel zullen gaan uitkomen, als de bewoners en ook Louki en Pepette ons een beetje met rust laten, want alles wat fladdert is potentiële prooi voor hen.

 

Van alle mogelijkheden hebben we voor het gemak maar een bestaand nest betrokken, veilig hoog tegen het plafond, en van alle gemakken voorzien.
De auto ’s eronder hebben een paar weken pech.


 

Over een een week of zes zullen de jonkies het nest schoorvleugelend gaan verlaten en gaan we ze vliegles geven op de rand van de dakgoot.
Zit alles mee, dan overwegen we nog een tweede of derde nest.

Stay tuned.

Blundertje

In mijn lyrische bericht over 1 mei was ik helaas wat overmoedig geweest. Het bleek dat ik de 100 aardappelen had gepoot in het stukje land van een ander nabij het spoorviaduct.
Niet alleen in Nederland wonen hufters; die eigenaar, ik ken zijn naam, wetende dat ik dat had gedaan per ongeluk, freesde de aanplant rücksichtlos overhoop, waardoor alle pootaardappeltjes kapotgesneden waren. Toen ik hem daarop aansprak, haalde hij hautain de schouders op.

Maar niet getreurd. Afgelopen weekend kon ik in Ottersum alsnog een doos nieuwe kopen. Omdat het zo’n zielig verhaal was, en de nicola’s al erg ver waren gaan uitlopen, kreeg ik er nu 150, die ik gisteren in de natte, vette klei in drie rijen heb gepoot, met wat patentkali voor de betere groei. Het is het stuk grond van zo’n 23 bij 7 meter tussen de liggende balkjes; de rijen zijn met groen touw gemarkeerd.

Ik hoop er dik 200 kilo van te kunnen gaan oogsten, genoeg tot in april volgend jaar.

 

1 mei

Tussen het gedicht Máj van Karel Hynek Mácha uit 1836 en Herman Gorters Mei (1886) ligt een halve eeuw en een wereld van verschil, hoewel beide dichtwerken baanbrekend waren en lange tijd een pijler vormden in de Tsjechische resp. Nederlandse literatuur.
Máj kende tot nu toe 279 herdrukken, Mei wel veel heruitgaven, maar veel minder herdrukken, ik meen rond de 40. De twee gedichten zijn alles behalve kopieën van elkaar, maar ook niet helemaal elkaars tegendeel.

 

 

De overeenkomst zit hem in de uitbeelding van de vergankelijkheid. Bij Máj is dat de beschrijving van de avond van 1 mei voorafgaand aan de executie van de hoofdpersoon daags erop. In die zin doet het even denken aan het welbekende De achttien doden van Jan Campert.
Mei (foto omslag © KB) situeert die vergankelijkheid door, min of meer als onafwendbare natuurlijkheid, de meimaand te plaatsen tussen april en juni. Ook corresponderen romantiek en liefdesverdriet in beide werken. Maar toch ademt het begin van Máj (Byl pozdní večer – první máj – večerní máj – byl lásky čas”; “Het was laat op de avond – de eerste mei – meiavond – liefdestijd”) een geheel andere geest dan de beroemde beginregels van Mei: “Een nieuwe lente, een nieuw geluid”. Máj bezingt het einde, Mei het begin. En over dat laatste wilde ik het eigenlijk hier hebben.

 

Een amateurboer als ik heeft de tijd niet om lang stil te staan bij verheven versregels. Eind april, begin mei moeten de handen uit de mouwen en wroeten in de grond, met vette klei achter de nagels, niet als rouwranden, maar als tekenen van aanstaande groei en bloei. Nachtvorst vormt de grootste bedreiging, zoals vorig jaar bijkans alle fruitbomen naar de knoppen gingen – geen appels, perziken, mirabellen dat jaar. Maar vooralsnog ziet het weer er een stuk gunstiger uit.

Het is de tijd van spitten en wieden, zaaien, poten en planten en met een gunstige mix van zon en regen schiet de voorspoed de grond uit. Een beetje poëtisch en lyrisch, arcadisch ook wel, mag het klinken, maar het is vooral hard werken. Het is de mooiste tijd van het jaar, doordat het, als het meezit, de belofte herbergt van een oogstperiode later, in de zomer. Het is de tijd dat de kapucijners, de uien, de aardappels (Nicola’s uiteraard), de rucola, de cayennepepers, de kerstomaten, de appels, mirabellen, perziken, wijnperziken en vlierbessen, de aardbeien, de frambozen, de zwarte bessen als om strijd hun best doen om hun beloofde opbrengst naar boven te halen, de tijd dat de kruiden weelderig groeien, maar liever niet bloeien. Peterselie en bieslook, lavas, dille, citroentijm en salie; basilicum, selderie en munt – misschien vergeet ik er nog een paar.

Het is de mooiste tijd van het jaar. Het is genieten.

 

 

 

 

Beaulieu, 3 van vele

Dit is het derde van een reeks artikelen die vermoedelijk heel lang gaat worden. Ik nummer ze daarom maar  1-100 “van vele”.
Het gaat om de voormalige Cisterciënzer abdij van Beaulieu, hier zo’n 4 km vandaan. Als abdij functioneert het perceel niet meer sinds de Franse revolutie, eind 18e eeuw, maar wat ervan rest is alleszins de moeite van een studie en een openbaarmaking waard.
Hier vooralsnog het laatste bericht over de kapel, voordat we een kijkje gaan nemen op het terrein en in het Château
.

Zoals ik in het vorige bericht al aangaf, was het grootste risico voor het glas-in-loodraam van St.-Nicolaas het zwiepen van de takken naast de kapel. Vandaar dat ik als eerste voorzorg was begonnen met enig snoeiwerk tussen de openbare weg en de kapel. Het heeft weinig zin hier nu te vermelden dat ik daarbij per ongeluk met de motorkettingzaag een stuk prikkeldraad te pakken had, dat zich in de ketting wrong en daarbij de ketting, het kettingzwaard en een remklauw onherstelbaar vernielde. Dat kwam me dus op nieuwe onderdelen te staan, waarna ik weer onverdroten verder kon.
Inmiddels is het snoeiwerk verricht en zijn de bijbehorende bomen geveld, waardoor de restanten van Sinterklaas, in het bijzonder de drie jongelingen in de tobbe aan zijn voeten, weer zorgeloos de winter in kunnen.

Een laatste bijzonderheid van de kapel is dat ik op een gegeven moment ontdekte dat er aan de zijkant een ingang is naar een crypte. Pikdonker, en zonder zaklantaarn lastig te onderzoeken. Natuurlijk was mijn hoop er de graftombes te vinden van helaas overleden abten of prelaten, en eventueel een bijbehorend kistje met gouden muntstukken voor hunne zielenreis. Dat zoeken was niet geheel risicoloos, want zo te zien kwam er nogal eens een brokstuk van het plafond naar beneden en een helm heb ik niet.
Jammer genoeg was de crypte geheel leeg; het enige wat ik er aantrof, was een oud, half verroest wijnrek, helemaal leeg.
Misschien moet ik nog eens wat dieper gaan graven.

 

 

Vorig bericht: http://nardloonen.nl/2017/11/02/beaulieu-2-van-vele/
Volgend bericht: http://nardloonen.nl/2018/05/27/beaulieu-4-van-vele/


Tenzij anders vermeld, zijn alle foto’s door mij genomen.
Overname toegestaan, mits met bronvermelding “© 2017 Leonard Loonen”

11-11

In Nederland kenen we het niet, maar in Frankrijk is 11 november traditioneel een nationale feestdag ter herdenking van de wapenstilstand in 1918. Zo ook dit jaar, waarbij de gemeente Haute-Amance (Hortes, Rosoy-sur-Amance, Troischamps en Montlandon) flink uit de slof was geschoten met een expositie in de Salle des Fêtes in Hortes, 10, 11 en 12 november, geanimeerd door de Association Militaria uit Chaumont.
Men was er zeer zeker vroeg bij om al in 2017 de ‘centenaire’ van 1918 te vieren, dat moet gezegd. Zuid-Nederlandse carnavalvierders lopen met hun 11.11. slechts drie maanden vooruit.

Op 10 november werd een en ander in Hortes geïnstalleerd en kwam er een aantal schoolklasjes op bezoek voor een voorbeschouwing met tekst en uitleg. Dat is iets waar Frankrijk een goede beurt maakt: het betrekken van schoolkinderen bij culturele en historische evenementen, of het nu vaste exposities in musea betreft of incidentele gebeurtenissen als deze tentoonstelling.
Het betekent evenwel meteen al dat ik er nogal tweeslachtig tegenaan kijk: de kinderen raakten in hoofdzaak geobsedeerd door het modelkanon dat stond opgesteld en de ‘echte’ schietgeweren uit ’14-’18 die ze maar wat graag in hun handen hadden. Evident loopt daardoor de verheerlijking van wapentuig en patriottisme ver vooruit op het leggen van nadruk op oorlogsellende en vredespromotie, zeker als je ziet dat enkele jongelui vol trots zich in nepuniformen tooiden en zich al doende een vechtjas-in-de-dop waanden. Het ophemelen van militaria: quel exemple pour les petits.

Gedurende de twee officiële expositiedagen vertoonde het scherm af en toe een foto-diaporama van mijn Parisot-boek, maar verder voornamelijk een continue DVD met een Apocalypsflim van de Eerste Wereldoorlog. Een indrukwekkende documentaire, maar eerlijk gezegd keek er geen hond naar. Veel meer was men geïnteresseerd in het uitgestalde wapentuig en het met elkaar kletsen over wat dan ook, waarbij helaas moet worden gezegd dat het zeer slechte weer, twee dagen onophoudelijke regen, het aantal bezoekers tot een bedenkelijk minimum reduceerde.

Hoewel Hortes ongetwijfeld boven zichzelf uitsteeg met de verzorging van dit driedaagse evenement, bleek ook uit van alles en nog wat de schrijnend lage organisatiegraad. Dat begon al op de 11e: na de obligate kranslegging bij het monument in Hortes, buiten ieders schuld compleet verregend, volgde als goedmakertje een vin d’honneur in het gemeenschapshuis; drank maakt veel goed. Die werd gevolgd door een zeer geanimeerde lunch voor de organisatoren. Dat tafelen liep echter uit tot na half vier, voor Franse begrippen heel vanzelfsprekend, terwijl de tentoonstelling volgens plan om 14 uur zou opengaan. Ik heb niemand ontmoet die zich daarover opwond.
Verder was er geen georganiseerd optreden, noch enige toespraak, noch enig gepland discussiemoment.


Ook verbazingwekkend was dat mij op zondagmiddag door de secretaris van de Association Militaria, minder vriendelijk dan dringend werd verboden foto’s te maken, met als argument dat het ‘zijn privécollectie’ betrof. Alsof hij zich er voor schaamde al dat tuig in een openbare ruimte uit te stallen, waaronder een hier afgebeelde Pruisische punthelm (“Zur Treue Fest”), waarvan ik uit eerstehand bronnen weet dat het de ultieme oorlogsbuit was voor Franse militairen in ’14-’18. Ik hield me, hoewel hogelijk verbaasd over dit mallotige vertoon van protectionisme, verder maar op de vlakte. Ik had toch al rond de 100 foto’s gemaakt, ruimschoots genoeg voor dit artikel en ter aanvulling van mijn eigen privécollectie, en dacht er vervolgens het mijne van.


Het aantal uitgestalde oorlogshebbedingetjes was groot, sommige vooral illustratief zoals medische attributen, instrumenten en andere voorzieningen, sommige die eerder een wrange verheerlijking waren van artistieke uitbating van oorlogsherinneringen, zoals de vele bewerkte granaathulzen, ook in België en Nederland wel bekend.
Verder was er opvallend veel aandacht besteed aan de Amerikaanse inbreng in de bevrijdingsoperatie, die ook in Hortes sterk voelbaar is geweest, maar was er nauwelijks enige aandacht voor het leed en alle andere ellende die voor WO-I, zoals voor alle oorlogen, toch het meest kenmerkend zijn.


Slechts een enkele foto liet iets zien van de tristesse van deze zwarte periode, maar dan moet je er toch nog enige tijd goed naar kijken. Desgevraagd was de keuze voor de tentoongestelde collectie simpel en tweeledig: de Association toont wat zij in huis heeft, en dat zijn memorabilia van militaire en nationalistische snit, en voorts werden er veel kinderen verwacht, aan wie je al die ellende niet moet laten zien. Nee, maar wel de aanleiding daartoe. De logische vervolgstap blijft aldus achterwege. Laat staan dat er enige diepgang of discussie plaatsvond.

Maar à la, al met al was het toch veel meer dan de alledaagse attitude in deze contreien, waarbij men hoopt dat morgen alsjeblieft hetzelfde zal zijn als gisteren, en waarbij het verre verleden net zo oninteressant is als de verre toekomst. Ik meen daarover al eens eerder iets te hebben geschreven.

 

Beaulieu, 2 van vele

Dit is het tweede van een reeks artikelen die vermoedelijk heel lang gaat worden. Ik nummer ze daarom maar  1-100 “van vele”.
Het gaat om de voormalige Cisterciënzer abdij van Beaulieu, hier zo’n 4 km vandaan. Als abdij functioneert het perceel niet meer sinds de Franse revolutie, eind 18e eeuw, maar wat ervan rest is alleszins de moeite van een studie en een openbaarmaking waard.
Hier het vervolg van een verhaal waarvan ik vooralsnog het einde niet ken:
La Chapelle.

Het kapelletje is niet groot. Uit nevenstaande maatvoering valt af te lezen dat het grofweg 9×3½ meter groot is. Zowel achter het altaar als links en rechts ervan zijn neogotische ramen waarin zich glas-in-lood bevindt. Bevond, kan ik beter zeggen, want het meeste van de ramen verkeert in allerbelabberste staat.

Ook van die raampartijen heb ik de maatvoering ingetekend. In het midden het grootste raam, achter het altaar, de abside of koornis dus. Dat raam is nog redelijk intact. Links en rechts twee behoorlijk gehavende ramen, min of meer symmetrisch, zowel qua maat als vlakvulling. Van geen van de ramen is de auteur bekend; ze zijn niet gesigneerd en er is geen andere bron waaruit de vervaardiger zou kunnen blijken. Op enkele details na (zie onder), schatten experts ze op 19e-eeuwse panelen, hetgeen klopt met bestaande meldingen dat de kapel in de 19e eeuw is herschapen of herbouwd, remaniée in het Frans. Of dat duidt op aanpassing van een oudere kapel op dezelfde plaats, dan wel op het bouwen van een geheel nieuwe kapel op een andere plaats, is vooralsnog een onopgeloste vraag. Ik beperk me nu even tot de gebrandschilderde ramen.

Links treffen we de restanten aan van een Josef met de kleine Jesus. Het gebrandschilderde paneel heeft, zelfs in pefecte conditie, het nadeel dat het aan de noordzijde van de kapel is aangebracht, waardoor er nooit direct zonlicht op valt en de figuren in feite alleen maar goed zichtbaar zijn van buitenaf, via het licht dat door het raam aan de overzijde invalt. De foto hiernaast is dus ook van buitenaf genomen. Restauratie zal wel mogelijk zijn, omdat de hoofdfiguren nagenoeg geheel bewaard zijn gebleven en de entourage min of meer indentiek is aan die van het tegenoverliggende raam. We praten gemakshalve even niet over de kosten, maar dat kan ik wel achter elke paragraaf hierna toevoegen.

Rechts moet een afbeelding zijn geweest van Sint-Nicolaas, gelet op de drie jongens in de tobbe aan zijn voeten en de (gouden?) bal in zijn hand. Het voordeel van het grote analfabetisme destijds was, dat schilders en beeldhouwers aan afbeeldingen iconografische, liever hagiografische attributen toevoegden, waarmee een ieder die een beetje was ingewijd, precies wist wie er was afgebeeld. De in alle katholieke kerken aanwezige kruiswegstatie, sinds 1741 pauselijk verplicht, “leest” dan ook als een soort veertiendelig stripverhaal.
Van deze Sinterklaas resteert helaas alleen de onderste helft, maar hagiografisch is dat wel het belangrijkste, meest herkenbare gedeelte. Het bovenstuk is verdwenen. Ik heb er nog wel enkele brokstukken van weten terug te vinden, maar te weinig om er nog wat van te maken. Mogelijke oorzaken: wind en hagel, baldadig geworpen stenen (dit raam ligt letterlijk op een steenworp afstand van de openbare weg, de D103), maar nog waarschijnlijker zijn het de takken van de naastgelegen bomen die deels tot tussen de dakpannen zijn doorgegroeid en waarvan vele al zwiepend tegen het raam de vernieling hebben veroorzaakt. Flat tempestas per arborum (Hoor de wind waait door de bomen), om maar in Sinterklaasstijl te blijven.
Ik ben inmiddels al begonnen met die takken te snoeien, om nog erger beschadiging te voorkomen. Immers, de eigenares van het hele perceel is oud en woont in Amerika, en zij bekommert zich allerminst om de kapel, hooguit om het kasteel van de oude abdij. En het aanbrengen van een Lexan (slagvast polycarbonaat) schutpaneel aan de buitenzijde is te kostbaar op dit moment; het zou ver boven de € 500 uitkomen.

Komen we toe aan het belangrijkste paneel.
Net als de twee zijpanelen is ook dit centrale paneel 19e-eeuws, maar er is een wezenlijk verschil: er zijn 6 ronde of ovale medaillons in gevat die overduidelijk op vroeger datum wijzen. Zowel hun techniek, maar meer nog de afgebeelde figuren en een enkele maal een jaaraanduiding brengen ons naar de 17e eeuw. Het vermoeden bestaat, maar zekerheid moet nog worden geboden, dat deze medaillons afkomstig zijn van de oudere Abdijkerk of -kapel en die na verwoesting of anderszins afbraak daarvan bewaard zijn gebleven en in het nieuwe 19e-eeuwse kapelletje zijn gevat in een nieuw groot paneel. Ik loop die medaillons even langs:

Over het centrale bovenste stuk, net geen rozet, wil ik het nu niet hebben, want ook dat stamt uit de 19e eeuw en ik ben er nog niet achter wat die 4 met rechtsliggend kruis betekent, noch wiens initialen “PB” zijn afgebeeld. Dat vinden wel nog wel uit.


Daaronder zien we de volgende twee oude medaillons:

Rechts in het ovale medaillon zien we overduidelijk wederom Sint-Nicolaas: bisschopsmantel, mijter, staf, aureool en de drie tobbende jongelieden aan zijn voeten. Wat hij hun met de rechter hand aanbiedt, is niet te zien. Merk ook het boek op dat schier achteloos naast de tobbe ligt.

 

De linker afbeelding is vooralsnog een raadsel. Het lijkt om twee vrouwen te gaan, waarvan de rechter oudere de linker jongere de les leest, met een boek tussen hen beiden in. Ik zie geen verdere hagiografische attributen, zo het hier al om heiligen gaat.
Mogelijk duidt het op educatieve aspiraties van de kloosterorde, maar de Cistersiënzer abdij van Beaulieu kende alleen mannelijke bewoners (sporadische, vluchtige uitzonderingen daargelaten; zie in een van de volgende artikelen uit deze reeks het verhaal van de tunnel).

Daaronder een volgend tweetal medaillons:
Rechts zien we Saint Amance, want dat staat erbij vermeld, plus nog het jaartal 1609 of 1699, dat moeten we bij nadere bestudering en reiniging nog zien te bevestigen.
Er zijn zeker drie heiligen met de naam Sint-Amantius. Of het hier gaat om Amantius van Rodez, heiligverklaarde (aureool!) bisschop (mantel, mijter en staf; twee opgestoken vingers!) is niet zeker, maar wel waarschijnlijk, want zo te zien verrichtte hij hier een van zijn vele wonderen, d.w.z. je ziet de duivel uit de te bekeren vrouw wegfladderen, en om wonderen verrichten en bekeren stond deze Zuid-Franse heilige bekend.
Links moet Maragreta van Antiochië zijn, een heilige die in het kader van #SheToo wel een en ander zou kunnen verklappen, zie bv. op heiligen.net, maar die in ieder geval vaak wordt afgebeeld als bedwingster van de draak, een kruis in haar hand, aureool achter haar hoofd. Er zijn bronnen die haar in verband brengen met de Franse stad Terrasson, in de buurt van Brive, als zou zij het zijn die de stadsbevolking wist te bekeren door de draak te verslaan die het dorp in zijn greep hield. Ook heet het dat onder meer zij eeuwen later verscheen aan Jeanne d’Arc om die haar missie te duiden.

De onderste twee medaillons ten slotte leveren ook wat mysteries op:
Uiteraard kan aan wat er resteerde van de rechter afbeelding onmogelijk worden afgeleid met welke al dan niet heilige bisschop we hier hebben te maken. Een van mijn eerste projecten nu is resterende brokstukken te vinden in de hoop tot een completer beeld te komen. Zie daarvoor onderaan dit artikel.
Links laat de afbeelding minder te wensen over. Immers, er hebben nogal wat heilige martelaren bestaan die het bestonden om met hun afgehakte hoofd verder door te lopen om hun zaligmakende activiteiten voort te zetten, zoals Dionysius. Een ander voorbeeld daarvan was Saint Didier, Sint-Desiderius, bisschop van Langres, alwaar de aan hem gewijde kapel nu onderdeel is van het gemeentelijk museum, maar die ook in Hortes sterk wordt vereerd met een kapel en een straatnaam, naar hem vermoemd. Het lijdt geen twijfel dat hij hier staat afgebeeld. Kenmerken: de bisschopsmantel en -staf, en de mijter. Mogelijk is de rots rechtsboven een verwijzing naar Langres, dat immers hoog op een rots is gebouwd en dat hij tegen de Alemannen poogde te verdedigen.

Rest dan nog de zoektocht naar de bijna verdwenen afbeelding in het medaillon rechts onder. Al gravend en wroetend in de aarde onder het raam tot onder het altaar, en achter het raam aan de buitenkant, vond ik een aantal brokstukjes die als een legpuzzel aan elkaar passen. Daarmee wordt in ieder geval de afbeelding duidelijk; wat er nog ontbreekt zijn enkele details van de entourage en het achtergronddecor.
Maar daarmee is de puzzel nog bij lange na niet opgelost.

Wie helpt?
Het gaat om een bisschop: wederom de mantel, mijter en staf en de twee opgestoken vingers.
Maar voor wie of wat staan de letters “GP”;
waarop duidt de inscriptie “PREVOIN”, welk woord ik in geen van mijn vele Franse woordenboeken heb kunnen terugvinden, en op internet al evenmin;
wat mogen we afleiden uit de zetel op het blazoen met die vijfpuntige ster die ervoor ligt?

Vragen te over, dus nogmaals: wie helpt?


Vorig bericht: http://nardloonen.nl/2017/10/25/beaulieu-1-van-vele/
Volgend bericht: http://nardloonen.nl/2017/11/29/beaulieu-3-van-vele/


Tenzij anders vermeld, zijn alle foto’s door mij genomen.
Overname toegestaan, mits met bronvermelding “© 2017 Leonard Loonen”