Broodroof

FC Utrecht legt zich neer bij het niet spelen van de bekerfinale tegen Feyenoord en loopt dus Europees voetbal mis“. Dat is de uitkomst van de ‘onderhandelingen’ tussen de KNVB en de profclubs. Ik vind het je reinste broodroof en sportief gezien een blamage.

Ik ben sinds seizoen 1958-1959 fervent en belijdend Feijenoord-/Feyenoordfan en wilde die finale gespeeld zien met Feyenoord als terechte winnaar. Maar de KNVB schrapte om mistige redenen die finale en wees Feyenoord als winnaar aan. Maar dat is iets anders dan een overwinning.

Eerder heb ik al betoogd dat er een RIVM-proof oplossing was: beslis die bekerfinale door het nemen van strafschoppen. Mailtjes, telefoontjes, berichten in die richting werden door de KNVB genegeerd of hautain en afwijzend beantwoord.

Feyenoord kan er zijn gevoeg mee doen. FC Utrecht zit met de gebakken peren, en krijgt nu een fooi van een schamele zes ton om van verder gedonder af te wezen.

Ik betreur dat en heb voor deze keer opeens heel veel sympathie voor de Utrechtenaren.

Roofkunst

Ik ben van plan volgende maand een bezoek te brengen aan Vukovar, de herrezen stad in Oost-Kroatië, door de Donau gescheiden van Servië. Maar omdat je een reisverslag beter achteraf kunt maken dan vooraf, heb ik nu ruim de tijd voor enkele bespiegelingen over de Balkanproblematiek. En die is niet zo simpel, met maar matige dank aan alle media en propaganda en een oorverdovend gebrek aan historisch besef.

In dit kader zal het me niet lukken die problematiek eventjes afdoende uit de doeken te doen. Ik licht er dus maar een en ander uit.

Allereerst: mijn motief om naar Vukovar te gaan heeft niks te maken met Kroatië, noch met Servië, noch met hun niet-bestaande banden van innige vriendschap. De trip is puur bedoeld om het boek van Corsini met de inscriptie van frater Barnabas Cronfeld terug te bezorgen op de plek waar het thuishoort. Net als roofkunst behoor je objecten een definitieve plek te geven op de meest authentieke plaats van herkomst, en dat is in dit geval de Franciscaner orde in Vukovar. Per slot van rekening was het boek bij de communistische machtsovername in 1951 met alle bezittingen van religieuzen en rijken geconfisceerd en daarna werd al die buit verdeeld over publieke sectoren zoals bibliotheken; voor de rest werd het geschonken of voor een zacht prijsje verkocht aan antiquairs, in dit geval in Boedapest. Via een enorme omweg heb ik het nu hier voor mijn neus liggen en ik ga 3.000 kilometer rijden om het weer terug thuis te brengen – via PostNL gaat het ongetwijfeld spoorloos verdwijnen.
Maar kijkend naar Kroatië en Servië gaan er bij mij allerhande zwaailichten branden.

Laat ik beginnen met de ‘publieke opinie’ in Nederland, en in mindere mate ook Frankrijk: er lijkt een overwegend algemeen idee te bestaan dat Serviërs niet deugen en dat men van Kroaten niets afweet. Zo onterecht als dat ook moge zijn, het heeft zijn verklaring, maar daartoe dient enig historisch besef. Doordat het kortetermijngeheugen bij tal van mensen overheerst, is dat wel begrijpelijk. Milošević, Mladić, Karadzić, Srebrenica hebben, zeker in Nederland, weinig bijgedragen aan de positieve beeldvorming rond Servië.

Nu wilde het toeval dat ik, als vrijwiller actief bij het WK ijshockey van 2010 in Tilburg, werd aangewezen als host van het Servische team. Vermoedelijk omdat ik de enige leek te zijn die wat Tsjechisch sprak en alles is één pot nat. Maar Servisch en Tsjechisch verhouden zich ongeveer als Nederlands en Zweeds, who cares. Misschien speelde ook mee dat niemand anders er ook maar iets voor voelde om van 19-25 april 2010, 24 uur per dag/nacht te worden opgezadeld met een stel Serviërs. Zij arriveerden op een ongelukkige wijze: door de vulkaanuitbarsting op IJsland vlogen er geen vliegtuigen en moest het hele team drie dagen lang in een gammele bus de reis van Belgrado naar Tilburg doorstaan. In zekeren zin maakte dat hen al sympathiek. Mijn contacten met hen, in slecht Engels en slecht Tsjechisch verliepen verder uiterst hoffelijk, praktisch, en uiteindelijk ook wel een beetje amicaal. Ik mocht, nee: moest, met hen op de obligate officiële IIHF-groepsfoto, helemaal links, tot mijn afgrijzen getooid in het verplichte oranje shirt.

Ik had me voorgenomen het met die Serviërs nou maar niet te gaan hebben over politiek, over bepaalde gevoelens in Nederland, Joegoslavië-tribunaal, Kroatië, Bosnië, Kosovo, Milošević, Mladić, Karadzić, Srebrenica, … Het leken me vrij vervelende onderwerpen tijdens een sporttoernooi. Zijn sport en politiek niet gescheiden (???). Maar tot mijn grote verrassing begonnen ze er meer dan eens zelf over, zo maar aan tafel, op het terras, aan de tap. Degraderen zouden ze toch wel, dus waarom niet een paar pilsjes extra. En nooit op verontwaardigde of oververhitte toon, maar steeds opvallend rustig, ongeëmotioneerd en vooral ook vragend. Enkelen van hen hadden tijdens de oorlogen van de afgelopen tien jaar zelfs in het Servische leger gediend, maar een verwijt richting Nederland, de NAVO, het Westen, klonk er niet. Ik vermeed de vraag wat ze in die tijd allemaal hadden uitgevroten. En wat er zich in Srebrecica had afgespeeld bracht ik om de lieve vrede maar niet ter sprake.

Wel uitten zij veel onbegrip. Bijvoorbeeld over waarom de NAVO alle bruggen van Novi Sad en Belgrado over de Donau met precisie kapotbombardeerde, terwijl in de jaren daarna die bruggen weer konden worden herbouwd dankzij Westerse financiële steun. De 10-jarige herdenking daarvan in 2009 was net achter de rug; zat dus vers in hun geheugen. Op het aanplakbliljet staat boven het prikkeldraad naast de 10 vingers van de bebloede handen: “[10] JAAR NA NATO BEZETTING”.
Was het niet economischer en menslievender geweest dan maar niet te bombarderen, maar te investeren in iets heilzamers, vroegen zij zich af. Of, ander voorbeeld, hoe het toch kan dat er in heel wat Westerse landen anti-islamtendenzen floreren (denk aan de voorgestelde kopvoddentaks in Nederland, het burqaverbod in Frankrijk, voorstellen voor immigratiestops in diverse landen, weerstanden alom tegen het Turkse lidmaatschap van de EU), terwijl datzelfde Westen in het Servisch-Bosnische conflict bijna zonder uitzondering de kant koos van de Bosnische moslims en de (christelijke) Serviërs te boek kwamen te staan als oorlogsmisdadigers en onbetrouwbare schurken. Want ze bleken van al die geluiden zeer goed op de hoogte te zijn. Ik kon het ze allemaal niet verklaren, want ik ben niet de stem (van de heffe) des volks of van Wakker Nederland. Als iemand ze al crimineel wil noemen, tijdens dit WK-toernooi bewezen ze het tegendeel.

Dat wil allerminst zeggen dat ik een Servië-vriendje ben geworden, ook al eet ik nu al tien jaar lang op de place mat die hun spelersbank markeerde. Met alles wat er tussen 1989 en 2008 gebeurde is er weinig mogelijkheid vriendschappen te sluiten, zo hectisch, onoverzichtelijk en vooral dramatisch als de zich steeds wijzigende situatie ontwikkelde. Bezie alle verschuivingen in bijgaande gif-animatie van driekwart minuut:

Maar ik had het over historisch besef, liefst over een wat langere periode. Zoals Nederland rond 75 jaar bevrijding nog heel wat herinneringen boven tafel weet te krijgen en wonden nog lang niet blijken te zijn geheeld, zo herinnert de doorsnee Serviër zich nog hoe in WO-II Kroatië, aan de zijde van nazi-Duitschland en Italië, circa 1 miljoen Serviërs, joden en Roma en anderen de dood in joegen. Daarmee maak je geen vriendjes. Het artikel in HP-De Tijd uit 2016 (helaas met die afgrijselijke, maar onuitroeibare haar-fout in de kop!) geeft een kort, maar bondig inkijkje in die complexe situatie.

Nog iets verder terug kom ik dichter bij huis, namelijk in 1636, toen ‘de Kroaten’ door de streek hier rond Rosoy trokken en daar een spoor van vernielingen trokken, op weg van het Alpengebied noordwaarts via Boxmeer tot in Sleeswijk-Holstein. Een zogenaamde godsdienstoorlog, maar die was net zo min godsdienstig van aard als de kruistochten en de Ulster-gevechtsperiode het niet waren.
Wat er zich in 1636 in het hier nabije Hortes afspeelde aan verwoestingen, brandstichtingen, plunderingen; aan het verkrachten (van vrouwen), uitmoorden (van mannen) of beide (kinderen), heb ik omstandig beschreven, zoals ook veel andere bronnen eraan herinneren, tot de Kroatenstraße in Kevelaer aan toe.

Dat het om Kroaten ging, moeten we overigens wel met een korrel zout nemen; vermoedelijk betrof het eerder een zootje ongeregelde huursoldaten van allerhande snit en allooi, waaronder zich Kroaten bevonden, maar zij zijn het die er in de volksmond hun naam aan hebben verleend. Ook daarmee maakten ze geen vrienden.

Ik ben geen Servië-vriendje geworden. Evenmin ben ik Kroatië-vriendje, ook al hebben ze de Nederlandse vlag met iets als de rood-wit geblokte Brarants-bontvlag van Noord-Brabant in de witte middenstrook. Meer dan symboolpolitiek is dat allemaal niet.

Misschien ben ik af en toe behoorlijk rancuneus, maar het gevaar van generalisatie ligt op de loer.
Als ik dus over een paar weken, mits alles goed gaat, Kroatië binnenrijd, probeer ik al dat soort gedachten even terzijde te kunnen schuiven. Ik ga erheen om een object van roofkunst terug te bezorgen naar waar het thuishoort.

Wat ik dan verder allemaal nog tegenkom, vertel ik wel na afloop.

 

Wat een troep!

Eindelijk eens goed nieuws in De Volkskrant van gisteren.

Arnout Brouwers begon zijn artikel als volgt: Niet alleen Duitse politici en generaals vielen van hun stoel toen ze vrijdag de Wall Street Journal openden – ook hun Amerikaanse collega’s. Want ook voor het Pentagon en Republikeinen in het Congres kwam het als een verrassing dat Trump de aanwezigheid van 34.500 Amerikaanse troepen in Duitsland met 9.500 militairen wil verminderen.

 

Dat het slechts om een kwart ging van de Amerikaanse troepenmacht, en dat dan alleen nog maar in Germanië, valt te betreuren. Maar na 75 jaar Amerikaanse militaire en economische bezetting van West-Europa moet je blij zijn met elke verbetering. Zweden, Denemarken, Frankrijk en Oostenrijk komen er gezegender van af, zo aan het kaartje te zien. Dat heeft met hun verstandige politieke keuzes te maken. Wellicht zal Polen pogen er munt uit te slaan; daar omarmen ze al decennia lang alles wat lijkt op Margareth Thatcher en Donald Trump en alles wat daar tussenin zit, en bekommeren ze zich allerminst om de onverholen kritiek vanuit de EU door op of ruim over de rand te gaan van de regelen der Europese beschaving.

Toch was het niet dat politieke gedoe, al dan niet fake, al dan niet bedoeld als proefballonetje. Er is taalkundig iets aan de hand wat mij nog meer frappeerde.

Denk even terug aan mijn uiteenzetting over collectiva. In dat artikel noemde ik troep een enkelvoudig collectivum, een woord dus in het enkelvoud waarachter een meervoudig begrip schuilgaat, zoals je één doos hebt met daarin veel foto’s, of een vlucht regenwulpen. Bij troep kun je denken aan wolven (ook wel als roedel samengenomen), meer nog dan aan soldaten. Maar het Volkskrantartikel spreekt van “34.500 Amerikaanse troepen“, en het bovenschrift boven het kaartje van “meer dan 100 troepen actief militair personeel“. Dat kan dus niet.
Dat kan niet, want het is ongebruikelijk over “een troep soldaten” te spreken; soldatentroep is van een andere orde. Gebruik dan troepenmacht, wat weer wel een correct enkelvoudig collectivum is.

Als daarentegen De Volkskrant wil suggereren dat troepen synoniem is met militairen, dan hebben ze het mis. Bij levende wezens, anders dan bij Jan Steen, is troep een enkelvoudig collectivum als een verzamelnaam voor een aantal wezens, en zijn troepen meerdere verzamelingen van nog meer aantallen wezens. Zo zijn dus 34.500 troepen niets anders dan 34.500 bases of hangplekken waarop zich een veelvoud aan militairen bevindt, en moeten we de genoemde getallen dus helaas met honderden of duizenden vermenigvuldigen om het werkelijke aantal betreffende militairen te benaderen.

Kon het beter? Jazeker.
Ofwel je brengt het aantal troepen terug tot nul, want nul keer honderd of duizend is nog steeds nul, dan zijn we van alle troep verlost.
Ofwel gebruik in plaats van troepen het woord manschappen. Want dat is een meervoudig collectivum, waarvan je er niet zo makkelijk eentje kunt hebben: *een manschap is geen gebruikelijke aanduiding voor wat dan ook, net zoals het onbestaande *timmerlied of *zeelied als enkelvoud van timmerlieden of zeelieden; wel natuurlijk als enkelvoud van timmer-of zeeliederen.

Ik heb De Volkskrant op deze subtiele kwestie gewezen. Maar sinds de door mij openlijk diep betreurde verkwanseling van de PSP vanaf 1985 sta ik daar op de zwarte lijst en worden al mijn ingezonden bijdragen categorisch geweigerd.
Wat een troep!