ange en inge

Het zal velen bekend voorkomen: rijdend vanaf Metz via Luxemburg (en natuurlijk Martelange) naar Luik wordt je aandacht getrokken door de vele plaatsnamen op wegwijzerborden die eindigen op -ange. Omdat ik die route heen en weer zo vaak rijd, is me dat steeds meer gaan intrigeren. Wat betekent dat -ange? En waarom liggen die plaatsen zo geclusterd zo precies in dat gebied, terwijl ze elders maar zo sporadisch voorkomen? Het antwoord is wel te geven, maar het vergt wel veel speurwerk, historisch, geografisch, politiek en taalkundig. Dat betekent voor dit artikel dat het slechts een summier overzicht kan bieden en ik de geboeide lezer dringend adviseer er een internet-zoektocht van een paar weken van te maken. Hint: begin dan maar met zoeken naar Lotharingen, want daar ligt de kern van de oplossing.

Dat clusteren van plaatsnamen met gelijkluidend woordeinde ken ik al vanaf de lagere school, toen we van alle provincies de voornaamste plaatsen moesten opdreunen: Dordrecht-Sliedrecht-Zwijdrecht-Barendrecht. Of Amsterdam-Edam-Monnikendam-Volendam.
En van de acht selligheden: Duizel (<Duijsel)-EerselHulsel-KnegselNeterselReuselSteensel Wintelre (<Wintersel).
Al die opeenhopingen zijn intussen wel goed onderzocht en beschreven. Zo ook de plaatsnamen op -ange.

De uitgang -ange wordt in de meeste beschrijvingen aangeduid als “behorende tot“, “eigendom van“, die wordt voorafgegaan door de naam van een heer of het geslacht tot wie het gebied behoorde. Hetzelfde geldt voor zijn Germaanse pendant –inge(n).

Lotharingen dus, een streek waarover boeken vol zijn geschreven. Ik beperk me tot Opper-Lotharingen (in Noordoost-Frankrijk) en het zuidelijk deel van Neder-Lotharingen (Luxemburg en Oost-België). Dat is het gebied waar we -ange zo vaak tegenkomen. Maar bedenk daarbij dat het ook een gebied is waar het in de loop der eeuwen, tot het einde van de Tweede Wereldoorlog, voortdurend stuivertje wisselen was tussen Frankrijk en Duitsland, beter gezegd: tussen Gallische en Germaanse overheersing en invloed. Deels had dat natuurlijk te maken met de rijkdom aan delfstoffen in die streek, die zelfs doorliep tot de voormalige Limburgse kolenmijnen. Om aan al dat gesteggel een eind te maken ontstond in 1952 de EGKS, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. Die kolen zijn nu wel een beetje passé, maar de zieltogende staalindustrie is in Noordoost-Frankrijk nog alom aanwezig.

Die Frans-Duitse strijd om Lotharingen had mede tot gevolg dat er een soort taalgrens ontstond, dwars door het gebied heen. Aan de westkant het Franstalige gebied, aan de oostkant het Duitstalige. Dat is heel grof gesteld, want die grens is niet alleen nogal rafelig, maar bovendien hebben we ook nog eens te maken met tal van subtalen en dialecten, waarbij het in Luxemburg, het Belgische deel en het Groothertogdom, nog veel complexer is. Maar grosso modo komt het erop neer dat al die toponiemen die eindigen op -ange, uitgesproken als [angzje], aan de Gallische kant liggen, en dat we aan de oostkant een overvloed aan plaatsnamen op -inge(n) vinden. België zal België niet zijn als we langs de rafelrand niet ook nog eens tweetalige plaatsnamen tegenkomen, zoals MartelangeMartelingen.
En omdat het in de provincie Luxemburg ligt, wordt dat ook nog min of meer fonetisch gespeld als MartelengMârtelengen en Maartel en in het plat-Waals dan nog eens als Måtlindje

Op internet staat een uitgebreid artikel o.a. over het voorkomen van toponiemen die eindigen op -ange en op -anges in Frankrijk. Bijgaand kaartje geeft overduidelijk de Lotharingse concentratie van toponiemen op -ange aan (alle rode stippen rechtsboven). Jammer genoeg beperken dat onderzoek en dat kaartje zich tot het huidige Franse grondgebied. Weliswaar levert dat honderden treffers op, alleen al in het departement Moselle (57) zijn het er al meer dan 120, maar onze rit voert verder, door Luxemburg en Oost-België.

In het Groothertogdom wemelt het van de plaatsnamen op -ange: Differdange, Dudelange, Livange, Rumelange,… Op Wikipedia vind je er zo 86 bijeen staan. Ze komen voor tot in het noordelijkste puntje, waar op nog geen 5 km van elkaar van zuid naar noord Drinklange, Wilwerdange, Goedange en Huldange liggen.
Op -inge(n) vind ik er maar rond de 20, voornamelijk in het oostelijk deel van het land. Zo je van een taalgrens mag spreken, loopt die dus door het oostelijke kwart van Luxemburg.

Vervolgen we onze reis, dan komen we weer iets merkwaardigs tegen in het gebied tussen Luik en Hasselt. Daar treffen we zowel de beschreven Gallisch-Germaanse taalgrens tegen, als de Vlaams-Waalse, die tegelijk politiek als taalkundig een scheiding vormt. Veel plaatsen langs die Vlaams-Waalse grens dragen ook tweetalige namen. Ik noem Hoepertingen (Houppertange), Bitsingen (Bassenge), Kuringen (Curange), Ordingen (Ordange), Piringen (Pirange), Rukkelingen (Roclenge) en Wouteringen (Otrange). Iets zuidelijker, en 100% Waals, is Tihange, berucht om zijn onbetrouwbare kerncentrale. De naam betekent “gebied behorende tot Thibaut“; er bestaat geen gangbare Duitstalige variant, maar oorspronkelijk schijnt het iets als *Tihondinga geweest te zijn.

Gaan we vervolgens iets dieper Vlaanderland in, dan komen we ten noorden van de lijn Maastricht – Tongeren – Sint-Truiden plaatsen als Ketsingen, Mopertingen en Riksingen tegen, waarvoor geen Franstalige pendanten als *Quetsange, *Maupertange of *Rixange bestaan. De taalgrens lijkt behoorlijk scherp te zijn; de taalstrijd heeft zijn werk gedaan.

Lotharingen zelf heette oorspronkelijk Lotharii regnum, “het rijk van Lothaire“, een benaming die in de 10e eeuw tot Lotharingia werd. Het maakt de huidige Franse naam Lorraine ook aannemelijk; was het een streeknaam op -inge(n) geweest zoals zo vele plaatsnamen ten oosten van de taalgrens, dan zou die in het Frans iets als *Lotharange geweest moeten zijn, maar dat is niet zo. Ook de Nederlandse benaming Lorreinen doet meer aan regnum denken dan aan -inge(n).

We rijden Nederland binnen, op zoek naar –ange en -inge(n). Dat voert ons allereerst op een zijspoor dat een dwaalspoor blijkt te zijn.
In Nederland zijn er bij mijn weten geen plaatsnamen die op -ange eindigen, behalve Bourtange. Nu is het al hoogst onwaarschijnlijk dat je helemaal naar Groningen moet afreizen om een Franstalige invloed waar te nemen – de Gallisch-Germaanse taalgrens in Nederland loopt parallel aan de grote rivieren, maar bovendien is het niet Bourt-ange, maar Bour-tange, met -tange als variant van (land-)tong(-e). Boeren-tange dus. De Frans ogende spelling Bourtange in plaats van Boertange maakt het allemaal nog verwarrender.
Ook als je wat ruimer wil denken en de in Nederland voorkomende uitgang -enge(n) ziet als een variant van -ange, kom je bedrogen uit: plaatsnamen als Kockengen en Portengen lijken fantasienamen te zijn, ontstaan bij de ontginningen in de 12e eeuw. Kockengen zou een verbastering zijn van (het land van) Cocagne, d.w.z. Luilekkerland, en Portenge een verbastering van Bretagne. Zo vermeldt De Vries het in elk geval in zijn Woordenboek van Noord- en Zuid-Nederlandse plaatsnamen (Aula 85).

Anders ligt dat met -inge(n) in Nederland. Als ik vlotweg Everdingen, Grevelingen, Groeningen, Groningen (?), Harlingen, Kloetinge, Millingen (2x), Scheveningen, Vlaardingen (?), Vlissingen, Wageningen, Wateringen, Wemeldinge en Wieringen uit mijn mouw schud, heb ik vermoedelijk nog niet een tiende deel van alle voorkomens vermeld. Maar het blijft oppassen. De vraagtekens bij Groningen en Vlaardingen bijvoorbeeld geven aan dat het allerminst duidelijk is of daarin wel het ‘echte’ -ingen moet worden gezien in de betekenis “behorende tot“, “eigendom van“. Zoveel als er in de afgelopen twee eeuwen aan toponymisch onderzoek is verricht, zoveel blijft er onduidelijk als we over te weinig of te mistige bronnen beschikken.

Wat wel vaststaat is dat de behandelde grens tussen het Franstalige –ange en het Duitstalige –inge(n) ophoudt ten zuiden van het huidige Nederland, namelijk ergens langs de lijn van Luik naar Hasselt in België.

Het is alles bij elkaar genoeg om over te mijmeren als je de urenlange rit maakt over Metz en Martelange naar Maastricht.
______________________________________________________________________

Een paar verwijzingen naar geraadpleegde websites:
https://nl.wikipedia.org/wiki/Lotharingen_(Frankrijk)
https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_Franse_en_Duitse_plaatsnamen_in_Lotharingen
https://fr.wikipedia.org/wiki/Toponymie_de_la_Belgique
https://fr.wikipedia.org/wiki/Correspondance_des_toponymies_lorraines_en_fran%C3%A7ais_et_en_allemand
en nog tientallen andere.

 

 

100 ?

Al lang voordat het in Den Haag een Urgenda-dingetje werd, was ik al woest voorstander van het terugbrengen van de maximum snelheid op snelwegen tot 100 km/u, maar dan niet op z’n VVD’s, dus gewoon dag en nacht, 24/7. De argumenten daarvoor zijn de bekende: minder uitstoot, minder ongelukken en minder verbruik.
Ik ben het vandaag eens gaan uitzoeken op mijn rit van Boxmeer naar Rosoy, 540 km waarvan de laatste 25 km binnenwegen en dwars door Luik; de rest snelweg.

Het resultaat verbaasde me. Vooral omdat ik gewend ben dat de officiële verbruikcijfers meestal overoptimistische leugens zijn: als ze 1 op 20 beloven in de folder, mag je in de praktijk blij zijn met 1 op 16 of zo.

Met mijn in de prak gereden vorige Peugeot 407sw, 2 liter diesel automaat, lukte het me met moeite om bij de genoemde standaardrit 1 op 19 te halen, wat ik toch al niet slecht vond. Nu ik sinds kort een 1 jaar jongere 308 cc heb met dezelfde motor, maar dan handgeschakeld, was ik benieuwd hoe die het eraf zou brengen.

Officieel meldt Peugeot voor die auto en dat type een gemiddeld verbruik van 5,7 of 5,9 l/100 km. Dat is dus tussen de 1:17 en 1:17,5 km/l (ik denk altijd nog in km/l, zoals er ook mensen zijn die alles nog terugrekenen naar guldens of francs). Lees je testresultaten van vakbladen en zeurende gebruikers, dan kom ik 6,0 of 6,4 of 7,3 l/100 km tegen; zoals te verwachten: duidelijk onzuiniger dan de schone schijn in de folder.

Maar wie schetst mijn verbazing: Het traject Boxmeer-Luik, bijna alles snelweg behalve alleen dwars door Luik heen, 146 km lang, leverde een werkelijk verbruik op van 3,6 l/100 km, oftewel 1 op 27,78 km/l, ruim 10 km/l meer dan beloofd. Zie het bovenste dashboard. Even dacht ik nog dat dat wel drastisch omhoog zou vliegen als ik de Ardennen ging passeren. Hoogste punt 660 meter. Maar aangekomen in Rosoy (280 m hoogte) gaf de totale rit een verbruik te zien van 4,2 l/100 km, oftewel 1 op 23,8. Zie het onderste dashboard.

Aan het weer lag het niet: droog, licht bewolkt, zwakke wind van opzij, en tussen de 18 en 25 graden en spiksplinternieuwe banden, maar natuurlijk niet met open dak, want dat slurpt brandstof; de blits wordt duur betaald. Het geheim zat hem in het gaspedaal: tot de Belgische grens niet boven de 100 gereden; aan de Belgische grens controle, dus stilstand met draaiende motor, documenten laten zien en alles in orde; van Luik tot Bastogne niet boven de 115 gereden; het stuk N4 Bastogne-Martelange-Arlon doorgaans 90; Arlon-Luxemburg-Franse grens max 115; dan tot Toul max. 110; stuk snelweg tot Montigny max. 120 en het rurale eindtraject tot Rosoy niet boven de 80. Dan scoor je mooie cijfers. Al die teleurgestelde testpiloten die klagen dat de optimistische folder niet deugt, moeten eens aan hun rechtervoet denken.

Mijn wereldrecord Rosoy-Boxmeer staat op 5 uur en 3 minuten. Maar dat was rond de eeuwwisseling, toen je in Frankrijk nog bijna overal 130 mocht en in Nederland 120. Nu klok ik meestal rond de 5¾ uur.
Het tijdverlies wordt aan de pomp ruimschoots gecompenseerd.

Hebbedingetje of akkefietje?

Na mijn recente artikelen over morfologie en lettergreepscheiding, en dat over de vorming van het meervoud in het Nederlands, voltooi ik mijn taaltrilogie nu met enige overpeinzingen over de verkleinvormen in het Nederlands, ook al zo’n gruwel om snel even aan iemand uit te leggen. Je kunt het fenomeen van de technische, meer formele kant benaderen of van de praktische, meer pragmatische kant, maar simpeltjes gaat het in beide gevallen niet.
Wat hieronder volgt is geen proeve van cursusmateriaal, maar een verzameling van overpeinzingen over het verkleinwoord, die ik min of meer geordend wil presenteren.

Hierboven staat pagina 17 uit Het verkleinwoord in het Nederlands. Publikatie nr.1 van het Instituut voor Algemene Taalwetenschap van de UvA, 1971. Dat was in de periode dat er naarstig werd gezocht naar passende formalisaties binnen het Transformationeel-generatieve kader. Hoewel die studie heel gedegen, diepgaand en vernieuwend was, zal de doorsnee taalgebruiker er niet erg blij mee zijn. Maar voor hen was het dan ook niet bedoeld.
Dat de werkgroep er niet helemaal uit is gekomen, is geen schande. Het was in feite een nieuw onderzoeksterrein binnen een nieuwe wijze van taalbeschrijving, en al formaliserend doemden er steeds weer meer nieuwe probleemgevallen op.
Daar doorheen speelde ook de tegenstellingen tussen de othodoxe, Chomskiaanse syntactici, die puur op de vorm letten, en de daarop volgende stroming van de generatieve semantici, die de betekenis erin verwerkt wilden zien.
Op geen enkele manier wordt in die Publikatie verklaard waarom we naast bloempjes ook bloemetjes hebben, terwijl dat toch niet zo’n probleem zou hoeven zijn: onderscheid gewoon bloem1 (vruchtdragend deel van een plant, met bloempje als diminutief) en bloem2 (drie of meer bijeengebonden elementen uit de verzameling van bloem1, met bloemetje als collectief diminutief), al heb je daarmee nog niet kunnen verklaren waarom we kindjes naast kindertjes hebben (en in mindere mate het dialectische kinders naast kinderen).
Ook in meer leesbare publicaties zien we de complexiteit van het verkleinwoord. Naast elkaar hier bij Van den Toorn, Klooster en de AWS (klik om te vergroten):

Van den Toorn (1984) besteedt er nauwelijks 1 volle bladzij aan (deel van p.155-156), waarbij het me opvalt dat er boven de eerste regel een of meer regels ontbreken (zetfout?).

Klooster (2001) heeft er rond de 2 bladzijden voor nodig (deel van p.15-17), maar net als bij Van den Toorn zie je dat het niet bepaald gaat om brugklasleerstof.

De AWS (Afrikaanse Woordelys & Spelreëls) (2018) is nog de meest uitgebreide (p.209-213).
Mense wat dink dat Afrikaans ’n eenvoudige taaltjie is, oorspronklik uit die 17de-eeuse Nederlands, ook grammaties, is verkeerd: die verkleiningsvorme in Afrikaans is ook baie ingewikkeld vir Afrikaanssprekendes.

Dat het verkleinwoord in het Nederlands behoorlijk ingewikkeld kan zijn, blijkt uit de probleemgevallen, waarvan bij gebrek aan een deugdelijke, complete beschrijving maar al te vaak wordt gezegd dat het “uitzonderingen” betreft. Dat is wetenschappelijk onverantwoord. Daarmee wordt het gebrek aan studieresultaat teveel verdoezeld; een beschrijving dient compleet en allesomvattend te zijn.
Als voorbeeld beperk ik me hier nu even tot de problematiek bij woorden als:
Plas ® plasje, maar glas ® glaasje. Pad (dier) ® padje, maar pad (weg) ® padje of paadje en pad (koffiecup) ® padje. Meer daarover is te vinden op https://taaladvies.net/taal/advies/vraag/1514.

Nog ietsje (of: een pietsie) ingewikkelder wordt het als we zien dat verkleinvormen niet alleen bestaan bij zelfstandige naamwoorden, wat iedereen wel denkt en weet, maar dat er ook een niet erg productieve verzameling van bijwoorden en telwoorden bestaat op -je(s):
warmpjes, koeltjes, eventjes, netjes (“keurig“), strakjes (“zo dadelijk“), vlotjes, simpeltjes, dunnetjes. En dan hebben we ook nog eentje, tweetjes, drietjes en zijn er veel ditjes en datjes, waarbij de -s evident een meervoud aanduidt.
Is die -s in de andere gevallen een zgn. adverbiale -s ? En vindt die zijn oorsprong in een Oud-Nederlandse 5e of 6e naamval, bv. de instrumentalis of ablatief? Ik heb dat altijd vermoed bij woorden als hebbes en lopes (“Ga je met de fiets? Nee, ik ga lopes.”)? Maar daarvan heb ik tot nu toe nergens een sluitend bewijs kunnen vinden.

Al deze genoemde voorbeeldwoorden hebben een zekere sfeer van colloquiaal gemak of nonchalance om zich hangen en zullen in officiële en serieuze taal weinig te vinden zijn. Mijn inschatting is dat de gebruikte verkleinvorm iets familiairs of minzaams heeft, die aansluit bij de knussigheid die we ook bij veel zelfstandige naamwoorden in de verkleinvorm kennen. Het is de vermeende oer-Hollandse gezelligheid, welk woord Jaap de Hoop Scheffer vergeefs poogde uit te leggen aan Bush jr. Daarna had hij het woord knus nog ter tafel kunnen brengen. Laten we die verkleinwoorden maar eens wat nader bekijken.
Immers, er zijn zeker vier domeinen waarbinnen we in het Nederlands de verkleinvorm van zelfstandige naamwoorden hanteren.

Allereerst is dat natuurlijk de mogelijkheid om aan te geven dat er sprake is van een klein exemplaar: een tafeltje is kleiner dan een tafel, een wokpan is geen pannetje, een ommetje of een blokje om is geen rondrit, een kruimeltje is geen homp, en wie het hoekje om gaat, is op z’n Amsterdams kassiewijle of kassieses, wat ook verkleinvormen zijn van een zeswandige kast. Maar bij “mag het een onsje meer zijn?” blijft het helaas vaak niet beperkt tot minder dan 100 gram, en bij een koopje is niet de gekochte waar klein, maar de ervoor betaalde prijs. En wat we met de vormen centje (pijn), fluitje (van een cent), stuivertje (wisselen), dubbeltje (op zijn kant, of geboren zijn voor een ~), kwartje (kan vallen) en oortje (versnoept hebben) aan moeten, is niet zo simpel te duiden ter verklaring van de verkleinvorm.
Hoe subjectief vaak ook, dit is een woordgebruik dat je niemand hoeft uit te leggen.

Iets anders ligt dat bij het tweede domein: woorden waarvan de grondvorm eigenlijk niet, althans niet in dezelfde betekenis voorkomt: een hebbedingetje, een akkefietje, een kattebelletje, een niemendalletje, een rozenhoedje, een hopje, een saucijzenbroodje of worstenbroodje, een dropje/snoepje (telbaar; drop/snoep is dat niet), snotje (iets in het ~ hebben; als je tenminste snot niet ziet als een variant van snuit), en in de categorie flora en fauna: madeliefje, herderstasje, sneeuwklokje, stokstaartje, zilvervisje, … Hier speelt ofwel het in de loop der eeuwen verloren zijn gegaan van de niet-verkleinvorm, of de aanduiding van een geheel ander begrip dan door de niet-verkleinvorm wordt bedoeld.

In mei 2005 bracht ik een bezoek aan de universiteit van het Russische Pskov, op 300 km van Leningrad, waar een groep studenten zich onder de vastberaden, wakende hoede van Lenin bekwaamden in het Nederlands, en daar wonderbaarlijk goed in slaagden.
Het leverde mij een onverwacht inzicht op; zoals zo vaak moet je buitenlands taalgebied betreden om het Nederlands beter te kunnen analyseren. Daarzonder had ik ook nooit mijn studie naar Nederlandse voorzetsels kunnen voltooien.

Zowel de colleges als het lesmateriaal van docent Poda vertoonden ontegenzeggelijk Vlaamse invloeden, maar dat was op zich geen probleem. Wat mij frappeerde, was de nadruk die hij erop legde dat het Nederlands zich veel meer dan bijvoorbeeld het Russisch bedient van verkleinwoordjes, vooral voor begrippen die helemaal niet zo klein zijn. De studenten en studentes pikten het wel op, maar zij misten de taalroutine om het vlekkeloos toe te passen, hetgeen geen wonder is.

 

Dat is dus de derde mogelijkheid: met het verkleinwoord druk je de bovengenoemde knussigheid uit; in de consumptieve sfeer: een kopje koffie, een borreltje/biertje, een hapje eten, een vorkje prikken, een frietje/patatje,… Je zult niet gauw een bezoekje aan de paus afleggen; dan noem je het hooguit een bliksembezoek of korte audiëntie, waarvoor het Witte Boekje zelfs geen verkleinvorm aangeeft, maar je neemt wel graag een bloemetje mee (geen bloempje aub!), of een bosje bloemen, waarvoor je met Pasen met een kort woordje wordt bedankt.
Aan de andere kant kan het ook een zekere minachting uitdrukken, in elke geval iets minder vleiends: een Pietje precies, een haantje de voorste, lekker weertje, hè? (als het stortregent).

Dat alles verklaart wellicht ook het vierde domein: dat van de kindertaal. Dat is een wisselwerking. Aan de ene kant zijn kinderen klein en bezien zij veel dingen ook in miniformaat, maar aan de andere kant zijn het ook de ouders of opvoeders, thuis, op school, op straat, die de vreemdsoortige eigenschap hebben tegen kinderen in bovenmatig veel verkleinwoorden te spreken, waardoor die kinderen dat als norm gaan overnemen. Taalontwikkeling verloopt immers grotendeels via analogie en nabootsen. Van slabbetje tot hansopje, van bordje tot lepeltje, drankje, pilletje, vitamientjes, van bedje tot slaapje doen. Ons nationale kinderliedrepertoir doet er graag aan mee: Slaap, kindje, slaap. Een karretje op de zandweg reed. Lammetje loop je zo eenzaam te dwalen. Daar zaten zeven kikkertjes. Advocaatje, leef je nog. Zakdoekje leggen. Berend Botje, Moriaantje zo zwart als roet (…) bolletje (…) parasolletje, …
Bij wat ik in mijn schoentje vind en een snoezig jurkje kant en klaar kun je nog vermoeden dat het gaat om ritmische dwang, maar toch komt het verkleinwoord wel binnen. Waarom vatte Katharina Leopold in 1898 de koetjes niet bij de ritmisch passender hoorntjes: Een pop met vlechtjes in het haar, een snoezig jurkje kant en klaar, drie kaatseballetjes in een net, een lettertje van banket. Zo klaar als een klontje toch?
Maar dan hebben we natuurlijk nog altijd uit de Fabeltjeskrant: oogjes dicht en snaveltjes toe.

Geen wonder dat kinderen dus ook graag doktertje, tikkertje, krijgertje, verstoppertje of diefje met verlos spelen.

Allemaal knusse gezelligheid, voor de veilige geborgenheid van de tere kinderziel.

 

Straatnamen en voorzetsels

Bovenste foto: © Nationaal Archief. Onderste foto: eigen opname

In heel veel talen is de keuze voor het juiste voorzetsels een lastig probleem, ook voor moedertaalsprekers. Dat geldt zeker ook voor het Nederlands met zijn vele voorzetsels. Een af te bakenen groep taaluitingen waar dit speelt zien we bij straatnamen: woon je nu IN, OP of AAN de Steenstraat? Wat zijn daarbij de overwegingen en waarom geven we de voorkeur aan het een of het ander?


Voordat die vragen aan een beantwoording toekomen, dienen we eerst vast te stellen wat het woord “straat” eigenlijk inhoudt. Het blijkt namelijk dat “straat” op twee verschillende begrippen kan slaan.

Enerzijds kennen we allemaal “straat” als laatste deel van een bepaalde begaanbare doorgang van punt A naar punt B waarlangs zich huizen bevinden: de Kerkstraat, Hoofdstraat, Anne Frankstraat enzovoort. Dit in tegenstelling tot uitgangen als -weg, -laan, -baan, -gracht, -dreef, -kade en nog veel meer.

Bron: Google Maps


Soms is dat een beetje verwarrend. Zo bevindt zich in het Belgische Sint-Niklaas zowel een Nijverheidslaan als een Nijverheidsstraat. De lokale Commissie had dat beter kunnen voorkomen.

 

 

Anderzijds gebruiken we “straat” ook als een verzamelbegrip voor alle begaanbare doorgangen van A naar B, ongeacht of die benamingen nu eindigen op -straat, -laan,
-weg
enzovoort. In die betekenis is “straat” een collectivum, een soort categorie om alle mogelijke benamingen onder één term te vangen. Zo zul je bij een stadsplattegrond vaak een straatnamenregister aantreffen, waarin niet alleen de Parkstraat, maar ook de Parkweg, Parklaan en Parkdreef kunnen staan vermeld. Voor dat collectieve begrip “straat” hebben we eigelijk geen echt Nederlands woord beschikbaar. Slechts weinigen zullen de officiële term “hodoniem” kennen. Dat woord is uit het Grieks (via het latijn) overgenomen en is samengesteld uit οδός (“weg, straat”) en όνομα (“naam”). Dat “odos” kennen we nog wel in woorden als “methode” (“de weg waarlangs“), “exodus” (“uitweg“) en “synode” (“samen op weg“).

In het verloop van dit bericht zal ik het woord “straat” in principe in de eerstgenoemde betekenis gebruiken; voor de tweede, collectieve betekenis, zal het woord “hodoniem” voorkomen. Over het algemeen zal dit onderscheid overigens eerder warrig zijn dan verwarrend. Bedenk dat we in het Nederlands binnen de bebouwde kom doorgaans spreken van het “stratenplan“, maar buiten de bebouwde kom van het “wegennet“, maar dat de Nederlandse Spoorwegen en gemeente-vervoerbedrijven als GVB, HTM en RET een “lijnenkaart” presenteren. Ook bij woorden als “uitweg“, “luchtweg“, “vluchtweg“, “vaarweg” kiezen we voor “weg“.
En in het Engels zien we de woorden “airlines” en “airways” naast elkaar bestaan. Maar het Engelse “tramway” is opmerkelijk genoeg niet vernederlandst, in tegenstelling tot talen als het Frans (“tramway“), Tsjechisch (“tramvaj“) en Spaans (“tranvía“).


Met dit alles in het achterhoofd kunnen we kijken naar het voorzetsel dat bij een straat hoort, want velen zullen twijfelen of je nu IN de Tulpstraat woont, of OP de Tulpstraat of AAN de Tulpstraat. Waar komt die twijfel vandaan?

Die heeft van alles te maken met het concept “straat“, dat wil zeggen: bij wat we ons moeten voorstellen bij een straat. Er zijn minstens twee nogal verschillende ideeën over.

Ofwel we zien een straat als een tweedimensionaal begrip, een doorgang met uitsluitend een lengte en een breedte, en daarbinnen kunnen we nog onderscheid maken tussen een breedte tot aan de perceelsgrenzen aan weerszijden, in welk geval je AAN de Tulpstraat woont, en een breedte inclusief de bebouwing, in welk geval je OP de Tulpstraat woont. Alleen dan kun je je OP straat bevinden, dus zonder lidwoord; AAN straat en IN straat zijn incorrect Nederlands.
Ofwel we beschouwen een straat als een driedimensionaal begip, een doorgang als een soort tunnel met lengte, breedte en hoogte, in welk geval je IN de Tulpstraat woont.
Het een is niet beter of slechter dan het ander; het is de manier van beschouwen van het begrip “straat” en/of het is in de taaltraditie zo gegroeid dat een van de voorzetsels het meest is ingeburgerd.

Dat laatste zien we vaker op treden bij hodoniemen eindigend op -weg. Je zult niet vaak horen zeggen “Ik woon IN de Amstelveenseweg“. Vermoedelijk komt dat doordat van oorsprong een weg een verbinding is tussen twee bebouwde kommen, maar zelf geen bebouwing kent, waarvoor alleen bovengenoemde tweedimensionale betekenis van “doorgang met lengte en breedte” geldt, en perceelsgrenzen niet aan de orde waren. Als dan in de loop der tijd toch de twee bebouwde kommen aaneengesloten worden dichtgebouwd, zal hooguit “Amstelveenscheweg” worden aangepast tot “Amstelveenseweg“, maar kun je er nog steeds niet IN wonen.

Het voorzetsel in brengt een zekere omsluiting met zich mee, dus een ruimte met lengte, breedte en hoogte. Die visie dringt zich op als die hoogte ook evident is, bijvoorbeeld door bomenrijen met bijbehorende hodoniemen als “-laan” of “-dreef“, terwijl we in het omgekeerde geval, waarin er niet van hoogte maar van diepte sprake is, het gebruik van in uit den boze is: je kunt kwalijn beweren dat je IN de Keizersgracht woont.

In sommige gevallen is de derde dimensie, hoogte of diepte, voor het gevoel afwezig. Dan kun je er ook niet IN wonen, maar alleen OP (dus met een breedte inclusief bebouwing) of AAN (dus met een breedte tot aan de perceelsgrenzen). Zo kun je dus wonen OP of AAN het Keizer Karelplein of OP dan wel AAN de Champs Élysées. Achterliggende overweging daarbij is dat “plein” en “veld” (“champ” betekent “veld“) een platte ruimte voorstellen met een omvangrijk oppervlak zonder daarbij aan een verticale dimensie te denken.

Dat er desondanks een Nederlandse achternaam als In ’t Veld” voorkomt, heeft met hodoniemen niets te maken, of het zou op een vlakte met heel hoog gras moeten duiden. De ook voorkomende naam “Op ’t Veld” verwijst meer naar de (tweedimensionale) vlakte.
En voor de doordenkers: Waarom gebruiken we OP straat, OP weg en OP pad, maar IN de weg lopen?

 

Toneelhuis

Getipt door de nieuwsbrief van het Reynaertgenootschap: een wel zeer excentrieke eigentijdse bewerking van Van den vos Reynaerde door FC Bergman uit 2013, getypeerd als “krankzinnig straf theater“.
Mocht er voor het afspelen een wachtwoord (“mot de passe”) worden gevraagd, dan is dat: “Huistoneel” (zonder aanhalingstekens).

https://www.toneelhuis.be/nl/huistoneel/van-den-vos/

Het Reynaertgenootschap verwoordt de aanprijzing als volgt:

Herbekijk Van den vos van FC Bergman. Een aanrader. Bekijk op dezelfde site ook de integrale versie van Van den vos voorzien van audiodescriptie door Marie Vinck, Stef Aerts en Thomas Verstraeten: de makers becommentariëren de volledige voorstelling door te vertellen over hun keuzes tijdens het creatieproces. Vijf sterren!

In het kader van de aansporing “Blijf in uw Malpertuus” een goede gelegenheid voor zeker 1 uur en drie kwartier thuisplezier.