Meervoudsvorming in het Nederlands

In de nasleep van mijn artikel over morfologie stiet ik op een skripsie die ik als 4e-jaars kandidaatsstudent met een 3- of 4-tal medestudenten aan de UvA in juni 1972 bij elkaar schreef. Het is niet de bedoeling deze tekst te hanteren als lesstof voor de doorsnee brugklas vwo-havo; wel geeft hij aan op welk nivo wij destijds bezig waren en hoe diepgaand wij te werk gingen, zonder er overigens helemaal tevreden uit te komen. Dat vonden wij zelf, maar de dienstdoende docent Albert Kraak was er lyries over.

Ik herinner het mij als de dag van gisteren. Het was stralend weer, wij waren gedemokratiseerd en een deel van het Lambert ten Katehuis was bezet door de ASVA ter voorbereidng van aksies, of onbruikbaar vanwege interne troebelen binnen de staf van de neerlandistiek, of we hadden gewoon zin om buiten in de achtertuin in het gras te gaan zitten ter nabespreking van ons werk. We dronken tee, want koffie kostte een dubbeltje en tee was maar ƒ 0,05 (suiker gratis). Kraak, over wie in een volgend artikel nog wel wat meer, wilde kostwatkost weten door wie dit stuk was geschreven. Maar wij waren gedemokratiseerd en als doorgewinterde kollektivisten eisten wij op dat er een groepswaardering aan werd toegekend. Kraak hield maar vol, wilde dan op z’n minst weten wie de eindredaksie had verzorgd. Wij jokkebrokken zeiden dat die er niet was. Hij kon niet weten dat het lettertype onmiskenbaar van mijn Underwood mitrajeursnest was; misschien was ik ook wel de enige die op mijn kamer over een schrijfmasjien beschikte en het was het me zelfs gelukt de [ə] tevoorschijn te toveren, door gewoon een [e] te typen, die uit te knippen en dan met gluton omgekeerd op het te stensilen vel te plakken.
Wij kregen allen dezelfde hoge waardering, welke weet ik niet eksakt meer.

Toen ik onlangs het stuk nog eens doorlas, was ik nogal verrast over de inhoud, de uitgebreidheid, de diepgang en de gehanteerde werkwijze. Ik had dat in m’n eentje nooit voor elkaar kunnen krijgen, en je kunt studenten niet verwijten dat ze de uiteindelijke formalisering in bikkelharde regels niet als resultaat hadden weten te krijgen – wel een aanzet daartoe. Ik aksepteer immers alleen taalregels die zodanig zijn geformuleerd dat er geen uitzonderingen op hoeven te worden gemaakt met sterretjes en voetnoten. Je kunt het natuurlijk op z’n Paardekooperiaans doen: gewoon alle nederlandse zelfstandige naamwoorden opsommen met hun meervoudsvorm. Zo doen woordenboeken en woordenlijsten het ook. Maar daarvan is het nadeel dat zelfs de achterachterkleinkinderen van Piet Paardekooper nog niet erin zullen slagen zelfs maar de letter A te voltooien. Los daarvan: die metode zou bij Kraak een dikke onvoldoende hebben opgeleverd; daarover meer in mijn Kraakartikel.
Wat wel duidelijk werd, was dat de meervoudvorming van nederlandse woorden enorm kompleks is en nog lastiger te beschrijven dan de verkleinvormen van onze zelfstandige naamwoorden. En ook al is de skripsie nu bijna 50 jaar oud, de observasies zijn nog steeds geldig en bruikbaar, al zullen de inmiddels vele nieuwe uitheemse woorden nog wel tot wat verdere verfijning en beregeling dwingen. Mij schiet zo meteen alleen crash te binnen (nog niet in Van Dale 8e druk 1961), meervoud: crashes, dat door de toenmalige regels volgens mij niet wordt gedekt, of het zou moeten zijn dat het woord als [VREEMD] wordt gelabeld en zijn oorspronkelijke, engelse meervoud behoudt. Maar dan heb je ook nog putsch (al wel in Van Dale 8e druk 1961), ook [VREEMD], maar dat krijgt dan weer niet zijn duitse meervoud putsche, maar het vernederlandste putschen. Misschien een goed argument om maar liever over neerstorting(en) en staatsgreep/-epen te spreken.

Ik heb de 19 paginaas van het stuk niet overgetypt, maar gescand. Hieronder de gedigitaliseerde versie van de originele foliovellen:







Pas 31 jaar later zou Kraak erachter komen wie de typist van dit stuk was geweest. Dat verklap ik nou nog even niet.

 

Arboretum Trembloy

Het is zo’n plek waar ik tientallen, wat zeg ik, honderden keren ben langsgekomen, op krap 4 kilometer van ons huis, en waarvan je steeds denkt: “daar moet ik ook eens een keer gaan kijken“; maar het komt er niet van. Ongelooflijk, hoe je binnen een heel beperkte radius rond je woonst steeds weer nieuwe dingen kunt ontdekken.
Zo ook het Arboretum Trembloy, net op de grens van Rosoy en Celsoy.

In 1993 begon men met de aanleg van een arboretum op een 2 ha groot terrein net binnen de gemeente Celsoy op de grens met Rosoy-sur-Amance. In totaal werden er 650 verschillende soorten uitheemse bomen geplant, netjes in rijtjes, waardoor het ook wel iets weg heeft van een oorlogsgraventerrein zoals er in Frankrijk zo vele zijn na La Grande Guerre.

Van boomsoorten weet ik bijna niets af. Ik kan nog net een dennenboom van een kastanje onderscheiden. Maar, natuurlijk afhankelijk van het seizoen, is het een wonderbaarlijke ervaring er rond te lopen. Een kleine fotoimpressie, eind april 2020.
Van harte aanbevolen.

Nee, KNVB

Het had wel wat eerlijker en charmanter gekund, het afronden van de onafgeronde competitie betaald voetbal. Nu legde de KNVB op vrijdag 24 april de bal bij de clubs door ze te laten kiezen uit drie slechte alternatieven, waarna de bond de stemming negeerde en koos voor een non-oplossing die meer schade aanricht dan tevredenheid wekt en waarvan de nasleep nog maandenlang een wrange smaak zal achterlaten.

Voor mij begon het te dagen bij een ingezonden brief in De Volkskrant van 20 april 2020, p.29. Daarin stond:

Eredivisie
Dit eredivisieseizoen kan nog op een mooie manier worden uitgespeeld door alle resterende wedstrijden met penaltyseries te beslissen. Per wedstrijd moet ieder team elf strafschoppen nemen. Een gelijkspel is dan mogelijk en de trainer moet tactische keuzes maken; wie neemt een penalty en in welke volgorde? Tevens is in deze spelvorm de 1,5 meter afstand te handhaven. Het kan zonder publiek, maar met camera’s. Mij lijkt het een betere oplossing dan afblazen. Een voordeel is ook dat het relatief snel kan gaan, want er kunnen meerdere strafschopwedstrijden per week gespeeld worden. Handig, want het wedstrijdschema ligt al overhoop.


Dat is nog eens een inventieve en zelfs charmante manier om de zo abrupt afgebroken competitie betaald voetbal toch nog tot een bevredigend einde te brengen. Eén nadeel, dat geenszins opweegt tegen de vele voordelen. Lees maar:

Een strafschopserie wordt alom beschouwd als een loterij. Daar zit wat in, maar zo maar de tussenstand na 25 of 26 wedstrijden beschouwen als de eindstand is al even idioot. Bovendien weten we dat juist in de laatste speeldagen opvallende en vreemde uitslagen op het scorebord verschijnen, zelfs bij de gedoodverfde kampioenen. Ik herinner mij Excelsior – AZ (29 april 2007, 3-2), waar AZ de titel voor het grijpen had, maar misgreep. Evenzo De Graafschap-Ajax (8 mei 2016, 1-1), waar de Amsterdamse droom in rook opging. Bij Excelsior-Feyenoord (7 mei 2017, 3-0) kun je nog vermoeden dat het een bewussie was, omdat Feyenoord liever de week erop in de eigen Kuip kampioen wilde worden tegen Heracles (3-1).

Dan maar liever een loterij waarbij spelers tenminste nog iets in eigen hand of voet hebben. Ik spits het even vooral toe op de eredivisie. De voordelen op een rijtje:

– Aan het einde van de rit hebben alle clubs na de reeksen strafschoppen 34 wedstrijden gespeeld en is er een bekerwinnaar bekend. Dan heb je een eindstand op grond waarvan je beslissingen kunt nemen over promotie en degradatie en toewijzing voor Europese plaatsing.

– Niet het bondsbestuur, niet de Uefa, zelfs niet de clubs beslissen van achter hun burelen wat de slotsom is, maar de spelers die, net als onder normale omstandigheden, scoren of falen.

– De onvermijdelijke consequentie van van bovenaf opgelegde besluiten is de onvrede van betrokkenen, het verzet, uitmondend in mogelijke slepende rechtsgangen. Een eindstand op grond van 34 uitslagen per club had dat kunnen voorkomen.

– Tot tweemaal toe heeft de KNVB mij schriftelijk laten weten dat de voorgestelde strafschoppenseries niet zouden zijn toegelaten omdat evenementen zoals voetbalwedstrijden tot zekere datum (1 september) zijn verboden. Maar strafschoppenseries zijn geen voetbalwedstrijden, zelfs geen evenementen in de juridische, technische, logistieke, preventieve zin van het woord. Er is immers geen sprake van een toestroom van publiek in de openbare ruimte en het openbaar vervoer, er treden slechts 2×11 spelers op, hun coaches, een scheidsrechter+assistent, een paar cameralieden en een verslaggever voor live tv-uitzendingen, en de spelers staan op minstens 11 meter van elkaar. Ter meerdere zekerheid kunnen de series ook op een verder afgeschermd Papendal worden afgewikkeld.

– Er zullen beduidend meer mensen thuisblijven om die beslissende series op tv te volgen, in plaats van de straat op te gaan, naar de bollenvelden of ergens te gaan rondhangen uit pure verveling.

– De clubs kunnen zich na afloop niet meer beklagen of in verzet komen tegen de KNVB. Het waren immers hun eigen spelers die, vanuit de laatst ontstane ranglijst, te vaak vanaf de strafschopstip faalden, terwijl anderen met enig recht hun overwinningen en resultaten konden vieren.

– Organisatorisch en logistiek waren de strafschoppenseries weinig kostbare en ingewikkelde operaties: begin op een (zon)dag op 12 uur met een serie van A tegen B; alle 11 spelers van elk team nemen een strafschop, om en om of via het ABBA-systeem, om zo een eindstand te realiseren, die overigens dus ook een gelijkspel kan inhouden. Daarna trekken ze hun trainingspak aan en gaan thuis douchen. Die serie neemt een half uur in beslag, teams C en D komen op het veld. Aldus kan er tussen 12 en 20 uur een reeks van 9 ‘wedstrijden’ worden afgehandeld, in hetzelfde tijdsbestek dat op elke traditionele speeldag ook al was ingeruimd. Vooraf wel eerst de twee inhaalwedstrijden (AZ-Feyenoord en Utrecht-Ajax) tot een beslissing laten komen, alsmede de bekerfinale Utrecht-Feyenoord. De resultaten van die drie wedstrijden alleen al konden cruciaal zijn voor een evident eerlijker stand van zaken en Europese toewijzingen.

– Zelfs als je strafschoppenseries beschouwt als een loterij (wat niet juist is; ook bij strafschoppen komt er techniek en tactiek ter sprake), kan er volop worden gegokt via allerhande toto’s, gokkerijen en weddenschappen – ook in Nederland een gewild soort amusement.

– Het hunkerende thuiszittende voetbalpubliek krijgt alsnog met de integrale tv-verslagen op het open net waar het om vraagt: spanning, sensatie, juichen en pruilen en de instemming met de loop en afloop der dingen zoals zich die nu eenmaal vanaf de strafschopstip hebben ontwikkeld. Daarmee kan een ieder zich tevreden stellen. Nu zijn verenigingen als Utrecht, AZ, De Graafschap, Cambuur (bij monde van Henk de Jong, Nêerlands meest sympathieke opgewonden standje), plus hun aanhang, het kind van de rekening, kunnen RKC en ADO opgelucht ademhalen en telt Feyenoord zijn knopen. Dat zijn consequenties die nog erger en oneerlijker zijn dan een glazen bol met loterijballetjes.

De KNVB wilde er niet aan. Verschool zich achter bepaalde vermeende restricties van het kabinet, dat zich verschuilt achter de adviezen die de Uitbraak Beleids Groep, ook wel in het Engels aangeduid als OMT, Outbreak Management Team, heeft ingefluisterd.

Er zijn bij clubs, spelers, aanhang te veel verliezers op de koop toe genomen. En dan heb ik het nog niet eens over de financiële, vaak niet te overziene consequenties voor de clubs en voor al die spelers die hun marktwaarde door bureaucratische maatregelen zien verdampen.

En dan maar volhouden dat we doen alsof dit competitiejaar als niet-bestaand moet worden beschouwd. Voetbal is oorlog. Klopt. Ook in seizoen 1944-1945 deed zich iets dergelijks voor als gevolg van een ander soort oorlog. Maar toen was ik gelukkig nog net niet geboren.

 

 

Taalonderwijs en morfologie in het Nederlands

Binnen de taalwetenschap bestaan er enkele takken, waarvan iedereen wel de spelling kent en het redekundig en taalkundig ontleden. Minder algemeen bekend zijn de klankleer (fonologie en fonetiek, samen ook wel foniek genoemd), de betekenisleer (semantiek) en de leer van de woordbouw (morfologie). Over die laatste tak ga ik het hier hebben, maar dan wel in samenhang met de genoemde foniek, de semantiek en de spelling. Want die hebben veel met elkaar te maken, maar zij zorgen ook voor nogal wat problemen.

De morfologie is niet een onderzoeksterrein voor het Nederlands alleen, want alle talen gebruiken woorden en al die woorden zijn op een of andere manier gebouwd. Maar hier komt vooral de bouw van Nederlandse woorden ter sprake, anders wordt het verhaal veel te uitgebreid.

ENKELE BASISBEGRIPPEN UIT DE MORFOLOGIE
(zo zal ik ze ook hier in het vervolg hanteren)

  • MORFEEM: Een Nederlands woord bestaat uit één of meer morfemen; dat zijn de kleinst mogelijke lettercombinaties die in onze taal voorkomen, met of zonder betekenis. Dus huisangstbe--loosa-zijn allemaal morfemen.
  • STAMMORFEEM: Als een morfeem als alleenstaand woord kan voorkomen en het een betekenis heeft die verwijst naar iets of iemand in onze omringende werkelijkheid, noemen we het een stammorfeem of vrij morfeem. Het betreft dan een ongeleed woord dat niet verder uit elkaar kan worden gehaald, net zoals huis en angst. Elk Nederlands woord bestaat uit minstens één morfeem.
  • GEBONDEN MORFEEM: Als een morfeem niet los kan worden gebruikt, maar altijd aan een stammorfeem gehecht voorkomt, noemen we het een gebonden morfeem, zoals be-in beloven-loos in achteloos en a- in asociaal. Die gebonden morfemen zijn niet zonder betekenis, maar ze kunnen niet als losse woorden voorkomen.
  • AFFIX: Een gebonden morfeem staat in veruit de meeste gevallen vóór of na het stammorfeem; zie de voorbeelden hierboven. Het woord affix betekent aanhechting of toevoegsel. Staat het vóór het stammorfeem, dan noemen we het een prefix of voorvoegsel; staat het er achter, dan heet het een suffix of achtervoegsel. In sommige talen, maar in het Nederlands slechts uitzonderlijk, kan het affix ook midden in een woord staan, zoals de -s- in scheidsrechter. Die -s- is ingevoegd omdat bij weglating de uitspraak van het woord niet erg prettig overkomt. Iets dergelijks geldt voor de -e- in beginneling, die is ingevoegd omdat het zonder die overgangsklank lastig is uit te spreken. Zo’n affix binnen een woord heet in de vaktaal infix, en als het slechts dient als bindmorfeem tussen woorddelen, een interfix, op voorwaarde dat het geen zelfstandige betekenis heeft, maar alleen ten behoeve van de uitspraak is ingelast.
    Ook mag het niet zo zijn dat die tussenklank onderdeel uitmaakt van een van beide omringende morfemen: in damestasje en zienswijze kunnen we nog denken aan een bezitsaanduiding: het tasje van een dame, de wijze van zien. Dan heeft die -s wel degelijk een betekenis en staat er niet voor de klank. Inmiddels staan overigens de Nederlandse spellingregels toe dat zowel handelwijze als handelswijze aanvaardbare schrijfwijzen zijn en dat je zo’n tussen-s mag schrijven als je hem bij de uitspraak ook hoort.
  • SAMENSTELLING: Als twee of meer stammorfemen aan elkaar worden gekoppeld en zo een nieuw woord vormen, noemen we dat een samenstelling:
    tafel-blad of kachel-pijp-verbinding-stuk (de streepjes staan er alleen om de stammorfemen te onderscheiden). Het Nederlands kent, net als het Duits, geen bovengrens aan het aantal te koppelen stammorfemen.
  • AFLEIDING: als een stammorfeem wordt omgeven door een prefix en/of suffix, spreken we van een afleidinga-sociaalon-betaal-baarecht-heid.
  • MORFOLOGISCHE VALENTIE: Dat is de mogelijkheid van een taal om door middel van samenstelling en afleiding nieuwe woorden te vormen. Nederlands en Duits bezitten een veel grotere morfologische valentie dan bijvoorbeeld Engels, Frans en Italiaans.

Binnen de taalkunde worden afgeleide vormen als meervoud (stoel-en), verkleinwoord (bloem-e-tje of bloem-pje), buigingsuitgangen als goed-e en moerder-s mooiste, en verbuigingsaanduidingen als in ge-werk-t en wacht-te niet beschouwd als affixen, voornamelijk omdat die toevoegingen wel degelijk betekenisdragend zijn.
In heel veel gevallen komen we een combinatie van samenstelling en afleiding tegen en krijg je dus gauw vrij lange woorden, zoals oververmoeidheidsverschijnselen of ijsbereidingsmachineonderdelengroothandel.
De bewering dat het Duits met langere woorden werkt dan het Nederlands wordt niet door alle feiten bewaarheid. Er bestaan tellingen die uitwijzen dat de gemiddelde woordlengte van Nederlandse teksten (ietsje) hoger ligt dan van hun Duitse pendanten. Wel is het evident zo, dat de morfologische valentie van Nederlands en Duits aanmerkelijk groter is dan die van bijvoorbeeld Italiaans, Frans en Engels. We zien dat ook vaak terug in de verengelsing van het Nederlands, waarbij woorden die in het Nederlands aaneengeschreven moeten worden opeens als twee woorden verschijnen, omdat het Engels de valentie niet heeft om ze aaneen te schrijven, zoals het incorrect gespelde bagage depot (baggage room), ratten plaag (rat infestation), antwoord apparaat (answering machine) en vele andere.

En kom nou niet aanzetten met het Franse woord in de Almanach van La Poste 2011:
paraskevidekatriaphobie (angst voor vrijdag de 13e), want dat is gewoon Grieks, samengesteld uit Παρασκευή δεκατρία φόβος (“Vrijdag dertien angst“). Fransen kunnen zo’n samenstelling nooit maken.
Denk liever aan het voorbeeld dat ik elders al eens gebruikte:

derdewereldlandenontwikkelingshulpgeldstromenproblematieken

Dat zijn 59 letters. Laat ik welwillend zijn en de onderstreepte genitief-s als voorzetsel beschouwen – iets wat ik al langer doe. Dat kunnen ze in Duitsland ook:

Dritte-Weltländerentwicklungshilfegeldhähnerproblematik

(Naar mijn weten kent het Duitse woord Problematik geen meervoud.)
Ook maar één voorzetsel en een wat minder prettig verbindingsstreepje, maar met 54 letters net iets korter dan het Nederlandse origineel.
Arme Engelsen. die hebben er 4 voorzetsels voor nodig, want ze kunnen geen lange woorden maken:

Problems of the flow of money for development assistance to Third World countries

Maar liefst 13 woorden; altijd nog minder dan die nog armere Fransen en Italianen, die er 7 voorzetsels en 16 woorden voor nodig hebben door hun beperkte morfologische valentie:

Problématiques du flux d’argent pour aide aux pays du tiers-monde en voie de développement.
Problemi dei flussi di denari per aiuto ai paesi del terzo mondo in fase di sviluppo

Tsjechen eten van twee walletjes. Doordat zij maar liefst 7 naamvallen gebruiken, kunnen ze die inzetten naast ‘echte’ voorzetsels:

Problémy s toků kapitálů na rozvojovou pomoc zemím třetího světa

Maar met 2 voorzetsels (s en na) en 6 naamvalsvormen toch een stuk omslachtiger dan dat ene Nederlandse woord.
Maar misschien wisten jullie dat allemaal al lang.

HET BELANG VAN MORFOLOGIE IN HET ONDERWIJS
In het taalonderwijs is niet of nauwelijks plaats ingeruimd voor morfologie, net zomin als voor fonologie. De eeuwenoude term spraakkunst heeft niets te maken met uitspraak, maar met taal, als in het Duitse Sprache. Spraakkunst is dus gewoon taalkunde.
Al vanaf het basisonderwijs wordt er veel aandacht besteed aan spelling, zonder zich al te theoretisch te bekommeren over hoe spelling en fonologie verweven zijn met morfologische eigenschappen van woorden, en wat precies het verband en het verschil is tussen lettergrepen, syllaben en morfemen.

Als kinderen in het basisonderwijs woorden in delen moeten leren splitsen (ten behoeve van het spelonderwijs?) is een gebruikte methode hen ritmisch klassikaal die woorden uit te laten spreken, eventueel zelfs door erbij te klappen. Wat die kinderen dan doen, is syllabes isoleren.
Syllabes zijn immers klankgrepen, stukjes woord die je los van elkaar kunt uitspreken. Je hoort dan dus:
ho•ngərle•kər, voor•taanhee•lalwaa•rom.

Lettergrepen daarentegen zijn schrijfgrepen. Voor het opsplitsen van woorden in lettergrepen, belangrijk bijvoorbeeld voor het afbreken van woorden aan het regeleinde, worden bovengenoemde voorbeelden:
hon•gerlek•kervoort•aanheel•alwaar•om.

Bij een woord als meestal is het onduidelijk: de lettergrepen zijn meest•al, daarmee de morfologische regels volgend, maar mogelijk zullen in de klas de syllaben mee•stal klinken.
Over het algemeen volgt de lettergreepverdeling de morfologie van een woord, maar dat is geen absolute wet: bij drin•kenhon•ger en me•ten zijn het de fonologische regels van het Nederlands die de grens bepalen. Het is echter niet louter een onderwijsprobleem, elke taalgebruiker die schrijft loopt er met regelmaat tegenaan.

Wat dat afbreken van woorden aan het regeleinde betreft: er zijn drie mogelijkheden om daarmee om te gaan.

  • De eerste is te vertrouwen op de afbreekmodule van het tekstverwerkingsprogramma, bijvoorbeeld Word. Maar dat kan tot ongewenste resultaten leiden – dat zien we zelfs bij meer gevanceerde afbreekalgoritmen van de dagbladpers optreden. Bovendien moeten we alert zijn op dubbelzinnig samenstelde woorden als loods•pet/lood•spetbalk•anker/bal•kanker en vele andere, waar de lettergreepscheiding parallel loopt met de morfologische opbouw van de samenstelling, maar dat kan een tekstverwerker niet makkelijk doorzien.
  • De tweede methode is veiliger: zoek de afbreekregels op in een officiële spellinggids als het Witte Boekje, dat maar liefst vier pagina’s wijdt aan de zeer ingewikkelde regels voor het afbreken in het Nederlands, of zoek het op internet op bij de Taalunie.
  • De derde methode is de beste: breek woorden niet af aan het regeleinde; zet woordafbreken in Word gewoon uit. Dat is alleen heel vervelend bij teksten met lange woorden in smalle kolommen.

Een ander taalkundig probleem zien we bij de verklein- en meervoudsvormen in het Nederlands. Weliswaar zijn die de afgelopen eeuw omstandig en voortreffelijk beschreven, maar voor het onderwijs is dat allemaal teveel wetenschappelijke vaktaal. Ook bij deze vormen zien we dat morfologie, syllaben, lettergrepen, fonetiek en fonologie met elkaar om voorrang strijden.
Zo hebben we naast het morfeem hemd de verkleinvorm hempje (of hemdje, maar weingen zullen dat zo uitspreken) of in kindertaal hemmetje; naast gracht de verkleinvorm grachtje waarbij de t niet wordt uitgesproken, en bloem wordt tot bloempje of bloemetje;
kind wordt kindje, maar in het meervoud hebben we naast kindjes ook kindertjes; het enkelvoud *kindertje bestaat niet. Een klein blad wordt een blaadje, maar in het meervoud hebben we blaadjes en bladertjes, dat laatste echter alleen als het om boombladeren gaat, waarbij het enkelvoud *bladertje niet eens bestaat.
Gelukkig kunnen we ervan uitgaan dat kinderen al op basisschoolleeftijd over genoeg taalkennis en -ervaring beschikken om te weten wat de juiste verkleinvorm van een woord is. Kinderen weten dat met name, doordat in kindertaal veel vaker van verkleinwoordjes gebruikt wordt gemaakt (ook door hun ouders) dan in grotemensentaal, dus het probleem is bij hen niet zozeer de klank van het woord, maar hooguit de spelling en afbreekvorm ervan.

STAMMORFEEMPROBLEMEN
Ter afsluiting nog een tweetal probleemgevallen waarbij morfologie, fonologie, spelling en afbreking een rol spelen.

  • Het is van belang te weten wat de stam van een werkwoord is, voonamelijk vanwege de spelling van werkwoordsvormen. Het idee dat de stam de vorm is die achter ik komt, is niet geheel correct. Leef is niet de stam van leven, net zomin als vries de stam is van vriezen. Die stammen zijn namelijk resp. leev en vriez. Maar de fonologische wetten voor het Nederlands staan niet toe dat een woord of lettergreep in geschreven taal eindigt op een -v of een -z, (behoudens in leenwoorden als jazz•concert) en ook niet dat een woord of lettergreep met een stomme e. Dat verklaart de lettergreepscheiding be•le•ven in plaats van be•leev•en en be•vrie•zen in plaats van be•vriez•en, wat morfologisch gezien correcter zou zijn. Het Nederlands staat daarin niet alleen. Denk aan de Engelse koppels life en to live, of wife met meervoud wiveswolf met meervoud wolves, en komen to specialise en to specialize beide voor.
  • Een ander uitgangspunt is om als werkwoordsstam het hele werkwoord te nemen zonder de -en aan het einde. Dat werkt natuurlijk niet bij doen, gaan, zien en zijn, maar de bovengenoemde v en z komen dan wel correct in beeld. En daarmee zij dan tevens verklaard waarom leefde en geleefd, vreesde en gevreesd een d krijgen en niet een t, die ze volgens ’t kofschip zouden moeten krijgen bij de stam leef en vrees.
  • Bij woorden die het Nederlands aan een vreemde taal heeft ontleend, zeker als dat al lang geleden is gebeurd, is het maar de vraag of je de oorspronkelijke morfologie en lettergreepscheiding moet aanhouden of niet. Twee Griekse voorbeelden: de helikopter, “wentelwiek” komt uit het Griekse helikon(“spiraal“) en pterux (“vleugel“). In het Grieks breek je dat dus af als he•li•ko•pte•rux, maar het woord is zodanig vernederlandst, dat wij er he•li•kop•ter van maken, vooral doordat onze fonologische regels niet toestaan dat een Nederlands woord begint met pt- En dan natuurlijk morfologie, in het Grieks morf•o•lo•gie. Dat zou fonologisch gezien ook wel kunnen in het Nederlands, maar toch hebben wij het ‘aangepast’ en er mor•fo•lo•gie van gemaakt. Morfologisch incorrect dus.

Het moge duidelijk zijn dat Nederlands een lastige taal is, onder andere vanwege de voortdurende wisseling van prioriteit en botsende regels. Reden te over voor taaldocenten om zich goed in te werken in de morfologie van het Nederlands om zo tot meer heldere uitleg en een beter inzicht te kunnen komen.


Bronnen en referenties

  • – eigen lesmateriaal
  • – W.G. Klooster, Grammatica van het hedendaags Nederlands. SDU 2001
  • – Het Witte Boekje. Genootschap Onze Taal 2006
  • – M.C. van den Toorn, Nederlandse grammatica. Wolters-Noordhoff, 9e druk 1984
  • – Het verkleinwoord in het Nederlands. Instituut voor Algemene Taalwetenschap. UvA 1971
  • – Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS). Martinus Nijhoff, 2e druk 1997
  • – E-ANS op https://ans.ruhosting.nl/

 

Apetrots of kiplekker?

Beetje dom van mij. Of toch niet. Hoe kon ik paasbest nou vergeten?
Natuurlijk had ik te rade moeten gaan bij mijn oud-docent aan de UvA Hugo Brandt Corstius, alias Piet Grijs, alias Battus en zijn boek Opperlans!, voordat ik begon aan mijn queeste Apetrots en keileuk, naar versterkende voorvoegsels van bijvoeglijke naamwoorden.
Anderzijds: doordat ik erover begon, kwamen er wel mooi 90 reacties op, waarbij het achteraf opvallend is dat niemand ermee op de proppen kwam dat ik oud nieuws aan het vertellen was, althans het wiel opnieuw uitvond.

Ik ontdekte zijn lijst op de pagina’s KL en KM (zijn boek heeft geen paginanummers) en zag in een oogopslag dat die lijst ongeveer even lang is als de ‘mijne’, en dat het overgrote deel van zijn en mijn woorden identiek is. Dat wijst erop dat Battus en ik in hetzelfde taalregister aan het neuzen zijn geweest.
Aan de twee hoofdvoorwaarden voldoen beide lijsten:

– Het gaat om versterkende voorvoegsels in de geest van “helemaal; heel erg“.
– Het gaat om bijvoeglijke naamwoorden of bijwoorden (Battus spreekt van “bijvoeglijke (naam)-woorden”, maar ik neem voetstoots aan dat hij daarmee ook bijwoorden insluit.

Toch is het dan vreemd dat er in de lijst van Battus nog zo veel woorden staan die ten onrechte in mijn lijst ontbreken (41) naast nog eens 16 die ik niet wil opnemen, en, omgekeerd, dat hij zo veel woorden niet heeft opgenomen die in mijn lijst weer wel voorkomen; dat zijn er 57.
Een verklaring kan worden gezocht in het tijdverschil van rond de 20 jaar, maar zo snel verandert onze taal toch ook niet echt. Het verschil zit hem volgens mij grotendeels in de slordigheid, het niet lang genoeg gezocht en gevonden hebben. Dat geldt zowel voor hem als voor mij. Ook Hugo BC was slordig, hetgeen al blijkt uit zijn lijst op bladzij KL waar de woorden in principe in alfabetische volgorde zouden moeten staan, waarbij hij overigens de ij achter de x plaatst, terwijl ik de ij achter de h plaats – dit terzijde, maar op nogal wat plaatsen is die alfabetisering niet in orde. Typisch HBC, die nonchalante slordigheid. Ook geeft hij voorbeelden van voorvoegsels die hij niet in de lijst zelf heeft opgenomen, en omgekeerd.
Een andere verklaring is het filter dat hij en ik hebben gehanteerd om een woord juist wel of juist niet op te nemen. Ik loop de lijst met verschillen even langs.

Om maar te beginnen met de 41 HBC-voorvoegsels die ik zelf nog niet had opgenomen, maar dat wel had moeten doen; dat wordt dus een grote aanvulling van de lijst tot nu toe. Het betreft:

berstens- (als variant van barstens-)
been-(droog)
blak-(stil) (als variant op bladstil)
boom- (hij geeft geen voorbeeld, maar boomlang hoort er wel bij)
borende-(vol; variant op boordevol)(staat niet eens in zijn lijst, maar hij geeft wel het voorbeeld)
dik-(verdiend)
druip-(nat)
duif-(grijs; “zo grijs als een duif”)
duimen-(dik)
extreem-(rechts
; vroeger kwam extreemlinks ook voor)
hemels-(mooi)
kanon-(doof)
kanonnen(zat)
kikker-(groen)
koek-(warm
; al ken ik dat woord niet)
kwartel-(doof)
lammer-(zacht)
levens-(echt)
mollen-(vellig)
mes-(scherp)
naald-(scherp)
nok-(vol)
paarden-(slecht
of zat)
paas-(best)
paddenmoeder-(naakt)
papier-(dun)
pauw-(mooi)
pier-(naakt)
proppens-(vol
; variant op prop-)
puik-(best)
ras-(echt)
raven-(zwart)
spriet-(mager)
stampens-(vol
; variant op stamp-)
starnakel-(zat of gek)
stier-(vervelend)
tintel-(fris)
tjop-(vol
; variant op tjok-)
torre-(zat)
vlinder-(licht)
wild-(vreemd)

Dan de 16 HBC-voorvoegsels die ik niet opneem, tenzij iemand mij weet te overtuigen:
bagger- : ik ken geen bijv.naamwoord of bijwoord met bagger-. Ik hoop toch niet dat HBC doelt op baggerlui; dat zou een zeer vermakelijke misser zijn.
bok- : hij vermeldt bokbenig; dat komt ook voor in Van Dale, maar betekent niet: “heel erg benig“, maar slaat op het voorbeen van een paard dat niet in de juiste stand staat.
kladder- : daarvan kan ik geen voorbeeld vinden en HBC geeft het ook niet.
loop- : ik ken geen bijvoeglijk naamwoord of bijwoord met loop-. HBC geeft het ook niet. Aan loopduur wil ik niet denken.
moederziel- : ken ik niet als voorvoegsel; volgens mij schrijf je moederziel alleen steeds als twee woorden.
nacht- : daarvan kan ik geen voorbeeld vinden en HBC geeft het ook niet.
nood- : HBC geeft geen voorbeeld; mocht hij aan nooddruftig denken, dan zie ik er niet de versterkende vorm van druftig in, want dat woord komt mij onbekend voor; ook Van Dale en het WNT vermelden het niet. Ook helpt het me niet als ik nood niet lees in de betekenis “SOS“, maar als “dat wat je nodig hebt; wat je node mist“.
pak- : mij onbekend als versterkend voorvoegsel; in de war met pakgoed?
parel- : als in parelgrijs heeft niet de betekenis “heel erg“, maar duidt een soort grijs aan; een specificatie dus.
puur- : is mij onbekend; HBC geeft er ook geen voorbeeld bij.
ree- : als in reebruin heeft niet de betekenis “heel erg“, maar duidt een soort bruin aan, wederom dus een specificatie.
reiger- : is mij onbekend; HBC geeft er ook geen voorbeeld bij.
rot- : idem.
stinkend- : idem.
ui- : HBC noemt uivol, maar dat woord is mij onbekend.
zwaan- : is mij onbekend; HBC geeft er ook geen voorbeeld bij.

APETROTS (mijn lijst) KIPLEKKER (uit Opperlans!)
211 214
1.        aalglad 1. aal
2.        aardedonker 2. aarde
3.        aartslui 3. aarts
4.        almachtig *) 4. al
5.        apetrots 5. ape
6.        appelweek
7.        asgrauw 6. as
7. bagger
8.        barstensvol 8. barstens
9.        beeldschoon 9. beeld
10. been
10.      bekaf
11.      beresterk 11. bere
12. berstens
12.      bikkelhard 13. bikkel
13.      bitterkoud 14. bitter
14.      bladstil 15. blad
15.      blafheet
16. blak
16.      bliksemsnel 17. bliksem
17.      bloedserieus 18. bloed
18.      blokkoud
19. bok
19.      bom(metje)vol
20. boom
20.      boordevol 21. boorde
21.      boterzacht 22. boter
22.      brandschoon 23. brand
23.      bremzout 24. brem
24.      brilfokkingjant **)
25.      broodnodig 25. brood
26.      dagenlang
27.      dieptriest 26. diep
27. dik
28.      doldriest 28. dol
29.      donszacht
30.      doodsbang 29. doods
31.      doodziek 30. dood
32.      doornat
33.      drijfnat 31. drijf
32. druip
33. duif
34. duimen
34.      eeuwenlang
35.      eivol 35. ei
36.      ellenlang 36. ellen
37. extreem
37.      ezelsdom 38. ezels
38.      felbegeerd 39. fel
39.      fliederdun
40.      flinterdun 40. flinter
41.      fluweelzacht 41. fluweel
42.      foeilelijk 42. foei
43.      fonkelnieuw 43. fonkel
44.      gifgroen
45.      gigagroot
46.      gitzwart 44. git
47.      glashelder 45. glas
48.      gloednieuw 46. gloed
49.      gloeiendheet 47. gloeiend
50.      godsonmogelijk 48. gods
51.      gortdroog 49. gort
52.      goudeerlijk 50. goud
53.      graatmager
54.      grootmoedig
55.      haarfijn 51. haar
56.      hagelblank 52. hagel
57.      helverlicht 53. hel
58.      hemelhoog 54. hemel
55. hemels
59.      hondsmoe 56. honds
60.      honingzoet 57. honing
61.      hoogbejaard 58. hoog
62.      hoogstwaarschijnlijk
63.      hoorndol 59. hoorn
64.      huize(n)hoog 60. huizen
65.      hyperintelligent 61. hyper
66.      ijskoud 62. ijs
67.      ijzersterk
68.      inktzwart 63. inkt
69.      intriest 64. in
70.      kaarsrecht 65. kaars
71.      kakelvers 66. kakel
67. kanon(nen)
72.      katjelam
73.      keileuk 68. kei
74.      kerngezond 69. kern
75.      kersvers 70. kers
76.      kiezelhard
71. kikker
77.      kipfit 72. kip
78.      klaarwakker 73. klaar
74. kladder
79.      kleddernat
80.      klemvast
81.      kletsnat 75. klets
82.      klinkklaar 76. klink
83.      knakeduur
84.      knalrood 77. knal
85.      knaphandig
86.      kneite(r)hard
87.      knettergek 78. knetter
88.      knoepduur
89.      knoerthard 79. knoert
90.      knotsgek 80. knots
81. koek
91.      koekerond
92.      kogelrond 82. kogel
93.      kokendheet
94.      kotsmisselijk 83. kots
95.      kraakhelder 84. kraak
96.      krijtwit
97.      kristalhelder
98.      kurkdroog
85. kwartel
99.      ladderzat 86. ladder
87. lammer
100.   lelieblank 88. lelie
101.   lentefris
102.   leplazarus
89. levens
103.   lijkbleek 90. lijk
104.   lijnrecht 91. lijn
105.   loeihard 92. loei
106.   loepzuiver
107.   loodzwaar 93. lood
94. loop
108.   megagroot
109.   melkwit 95. melk
96. mes
110.   metershoog
111.   mierzoet 97. mier
112.   mijlenver
113.   moddervet 98. modder
99. moederziel
100. mollen
114.   mokerhard
115.   morsdood 101. mors
116.   mud(je)vol 102. mud
117.   muisstil 103. muis
118.   muurvast 104. muur
105. naald
106. nacht
119.   nagelvast 107. nagel
108. nok
109. nood
120.   oersaai 110. oer
121.   okselfris
122.   oliedom 111. olie
123.   oppermachtig 112. opper
124.   ovenvers
125.   overheerlijk 113. over
114. paarden
115. paas
116. paddenmoeder
117. pak
126.   panklaar ***)
118. papier
119. parel
120. pauw
121. pek
127.   peperduur 122. peper
128.   piekfijn 123. piek
129.   piemelnaakt 124. piemel
130.   piepklein 125. piep
126. pier
131.   pijlsnel 127. pijl
128. pijp
132.   pik(ke)donker 129. pik(ke)
133.   pimpelpaars 130. pimpel
134.   pislink 131. pis
132. plank
135.   poedelnaakt 133. poedel
136.   poep(ie)link 134. poep(ie)
137.   poeslief 135. poes
138.   pokkensaai 136. pokke
139.   pompaf 137.
140.   potdicht 138. pot
141.   prinsheerlijk
139. proppens
142.   propvol 140. prop
143.   pufheet
141. puik
144.   puntgaaf 142. punt
143. puur
145.   ragfijn 144. rag
145. ras
146. raven
146.   razendsnel 147. razend
148. ree
149. reiger
147.   retegoed 150. rete
148.   reuzeblij
149.   roetzwart 151. roet
150.   roodgloeiend
151.   roomblank 152. room
153. rot
152.   rotsvast 154. rots
153.   schathemeltjerijk
154.   schatrijk 155. schat
155.   schijtnerveus
156.   smoorverliefd 156. smoor
157.   sneeuwwit 157. sneeuw
158.   snikheet 158. snik
159.   snipverkouden 159. snip
160.   snoeihard
161.   snorziek
162.   snotverkouden 160. snot
163.   spekglad 161. spek
164.   spiegelglad 162. spiegel
165.   spierwit 163. spier
166.   spijkerhard 164. spijker
167.   spiksplinternieuw 165. spiksplinter
168.   spinnijdig 166. spin
169.   splinternieuw 167. splinter
170.   spotgoedkoop 168. spot
169. spriet
171.   springlevend 170. spring
172.   spuugzat 171. spuug
173.   staalblauw
172. stampens
174.   stampvol 173. stamp
175.   stapelgek 174. stapel
175. starnakel
176.   steenrijk 176. steen
177.   stekeblind 177. steke
178.   stervenskoud
178. stier
179.   stijfbevroren
180.   stikgoedkoop 179. stik
180 stinkend
181.   stinkrijk
182.   stokstijf 181. stok
183.   stomverbaasd 182. stom
184.   straalbezopen 183. sreaal
185.   straatarm 184. straat
186.   strakblauw
187.   strontziek 185. stront
186. suiker
188.   supergaaf 187. super
188. tintel
189.   tjokvol 189. tjok
190. tjop
190.   toeterzat 191. toeter
191.   ton(ne)rond 192. ton
192.   topfit 193. top
193.   torenhoog 194. toren
195. torre
196. ui
194.   ultramodern 197. ultra
195.   vederlicht 198. veder
196.   vliegensvlug 199. vliegens
197.   vliesdun 200. vlies
198.   vlijmscherp
201. vlinder
199.   vogelvrij 202. vogel
200.   volvet 203. vol
201.   vuistdik
202.   vuurrood 204. vuur
203.   wagenwijd 205. wagen
204.   watervlug 206. water
205.   wijdverbreid
207. wild
206.   witheet 208. wit
207.   wonderschoon 209. wonder
208.   zeiknat 210. zeik
209.   zielsgelukkig 211. ziels
210.   zijdezacht 212. zijde
211.   zonneklaar 213. zonne
214. zwaan

Cronfeld en Andrea

Ik had in het artikel over Corsini, Institutiones Mathematicæ toegezegd nog terug te komen op de inscriptie (zie hiernaast) die Frater Barnabas Cronfeld voorin had geschreven en waaruit bleek dat het afkomstig was van ene Andrea. Inmiddels heb ik zo veel gegevens kunnen vergaren, dat die aanvulling nu kan volgen. Dat alles dankzij de hulp van een Kroatische theoloog die verbonden is aan een universiteit in München.

Allereerst de tekst van de inscriptie zelf. Daar had ik toch een en ander niet correct gelezen, deels door onbekendheid met de situatie in 1760. Er staat nu zeker:

Fr. Barnabas Cronfeld | acquisivit a M.V.P. Andrea | ab egge A° 1760
dat betekent dan: Fr[ater] Barnabas Cronfeld verwierf [dit boek] van M.V.P. Andrea uit Egge in het jaar 1760.

De afkorting M.V.P. staat tegenwoordig voor “Minimal Viable Product” of “Most Valuable Player”, maar in de 18e eeuw was het “Multum Venerabilis Pater“, oftewel “Zeer Hoogwaardige Vader“.

En in plaats van “esse“, wat ik eerst las, staat er “Egge”, en dat is een van de oude benamingen van de stad Eger, wat weer de Duitse benaming is van het huidige Cheb aan de Tsjechische westgrens. Je moet het allemaal maar weten en beseffen. Pater Andrea kwam dus uit Cheb.

Cheb ligt aan de rivier de Eger, die in het Tsjechisch de Ohře heet, maar vanaf de Duitse grens weer Eger, voor het gemak. Zoek maar even op de kaart. (kaart © Auto Atlas ČSSR 1971)
Er zit wel een aardige anekdote aan vast, die mijn visie op de Koude Oorlog heeft beïnvloed.

 

De allereerste keer dat ik naar Tsjechoslowakije ging, najaar 1968, namen een van mijn zussen en ik de weg die via Marktredwitz en Schirnding naar de grens voerde, en vandaar via Pomezí, Cheb en Karlový Vary naar Praag.
Die grens was al een belevenis op zich. Uren wachten, paspoorten en visa afgeven, alles uit de auto, controle van binnen en van onderen met en spiegel aan een lange stok, een soort selfie stick avant la lettre; geen toiletten, niks te drinken.
Ik nam schielijk bijgaande foto, wat absoluut streng verboden was, maar ik had lef genoeg me die scène niet te laten ontglippen. Het vervelendste was, dat het al aan de late kant was, en omdat we in het laatste stuk West-Duitsland helaas geen tankstations meer waren tegengekomen, waren we aangewezen op wat we in de 200 km naar Praag nog zouden kunnen vinden, wetende dat we Praag zelf op onze tank niet meer zouden halen. De mistroostigheid van de omgeving en bebouwing bood weinig hoop, tot ik ergens tussen Pomezí en Cheb (of was het bij Sokolov, meer rechts op de kaart?) een ommuurd terrein zag met prikkeldraad en gietijzeren hekwerken. Ik vermoedde een politie- of legerbasis en verwachtte daar de nodige hulp te kunnen krijgen. Aan de poort werden wij resoluut staande gehouden. In mijn beste Tsjechisch legde ik verontschuldigend uit dat we bekant zonder benzine zaten. De schildwacht legde vervolgens in zijn beste Russisch uit dat dit geen tankstation was, maar militair terrein. Verboden toegang. We waren het volkomen eens, al waren we nu wel door eigen toedoen in Sovjet-Russische handen gevallen.

Inmiddels had een half peloton Sovjets zich rond ons opgesteld. Een Austin Maxi? Nog nooit gezien. Een Nederlands nummerbord? Waar ligt dat ergens? Misschien wisten zij ook al niet eens in welk land zij zich zelf nu bevonden. Vol trots showde ik de auto, welke rondleiding eindigde bij de tankdop. We kregen prompt een halve tank vol Siberische benzine (vermoedelijk zwaar loodhoudend) gratis en voor niks. Wederzijds goedmoedig zwaaiend reden we door naar Praag.

Een paar jaar later stond ik met een paar vrienden op het station van het nu Slowaakse Banská Bystrica te wachten op de trein naar Praag, maar die bleek pas uren later te vetrekken. We raakten in gesprek met een legerofficier, zo aan al zijn insignes te zien. Toen hij ons vertelde dat de trein pas om 8 uur vertrok, zei hij “wosemj” voor “acht” in plaats van gewoon Slowaaks “osem” en wist ik daardoor meteen dat we met een Rus te maken hadden. Hij nodigde ons vieren uit met hem mee naar huis te gaan waar we een paar glazen vodka kregen en een grote kom aardappelsoep, die nog net te hachelen was. Ruim op tijd bracht hij ons weer naar het station.

En tien jaar na mijn eerste Cheb-ervaring waren we eind december 1978 in Praag. Bij 12º konden we zonder jas langs de Moldau wandelen. Maar die nacht viel pardoes de vorst in en de volgende ochtend was het -35°. De sloten van onze Saab 99, geparkeerd voor hotel Olympik****/Garni***, zaten potdicht, en toen de deur met kunst- en vliegwerk open was, bleek de accu bevroren, althans leeg te zijn. Het waren Sovjetsoldaten met een vette Russische legertruck die met startkabels hun 24-Volt accu kortstondig aan onze 12-Volt startmotor hield en de motor liep weer.

Ik geef het onmiddellijk toe, een Buk-raket is andere koek, maar de waarheid ligt in het midden.

Cheb dus, want dat was het tussenstation op weg naar de onthulling van de geheimen achter de inscriptie die Cronfeld ons naliet. Cheb heeft een Franciscaans klooster dat uit de 13e eeuw stamt. In 1951 werd het onteigend en moesten de religieuzen vertrekken, maar in 1991 kwam het weer in kerkelijk bezit. Het was dus daar dat we onze nog steeds mysterieuze M.V.P. Andrea moesten zoeken.

Een speld in een hooiberg. Googelen helpt niet. Maar als je eenmaal gepensioneerd bent, zoek je niet de speld, maar zoek je de hooiberg, waarna je tijd zat hebt om ergens die speld te vinden. En zo geschiedde.

Vanuit München kreeg ik een link doorgestuurd naar het boek van Franjo Emanuel Hoško, Pejo Ćošković & Vicko Kapitanović  (red.) : Hrvatski franjevacki biografski leksikon, Zagreb 2010. Een Kroatisch Franciscaans biografisch lexicon dus. Daarin trof ik twee spelden aan in de 18e eeuwse Midden-Europese hooiberg. Ik geef er maar even een Nederlandse vertaling van.

Op p.110:
CRONFELD, Barnabas, filosoof en schrijver (* Frankenstein, Silezië, tegenwoordig Ząbkowice Śląskie, 12.XI.1730 – † Mohač, 13.IX.1788). In 1750 werd hij lid van de [kerk-]provincie Bosnië-Srebrena in Velika, en na de opdeling van Bosnië-Srebrena in 1757 werd hij lid van de [kerk-]provincie Sv. Ivan Kapistran [=Joannis a Capistrano]. Hij doceerde filosofie in Vukovar van 1758-1761 en hield een openbaar debat in de filosofie. Hij slaagde voor het examen voor hoogleraar theologie in Osijek in 1763 en was leraar aan de Theologische Scholen in Timișoara van 1763-1765, in Petrovaradin van 1765-1768 en in Buda[pest] van 1774-1777; voor zijn verblijf in Buda was hij van 1768-1774 in Dakovo adviseur van twee bisschoppen, Joseph Antun Colnic en Matthew Francis Krtica.
Van hem zijn vier uitgaven bekend, tussen 1760 en 1776 in Valcovarini (dat is dus Vukovar) en Essekini, oftewel Osijek. Het is wat met die plaatsnamen.
Niet zo vreemd dus dat hij in 1760 het boekje van Corsini goed kon gebruiken

En dan, tot mijn grote verbazing die andere kleine speld, op p. 222:
HEITZER, Andrija, filosoof en schrijver (* Cheb, -in het Duits: Eger-, Tsjechië, 1.IX.1732 – † Radna kraj Recaș, 9.III.1803). Hij was lid van de [kerk-]provincie St. Ivan Kapistran [=Joannis a Capistrano]. Hij trad eerst op als professor in de filosofie aan het College van Brod aan de Sava in 1764-1765, waar hij in de Franciscaanse kerk een openbaar debat in de filosofie leidde, en hij presenteerde 59 scripties in de filosofie. Hij zette zijn pedagogische en didactische werk niet voort, maar werd ouderling van de kloostergemeenschappen in Vukovar in 1775-1776, in Radna van 1776-1777, 1778-1791 en 1800-1803, en in Osijek in 1783-1784. Hij was definitor [=een soort kloosterbeleidmaker] van 1777-1780. Hij heeft veel moeite gestoken in de ontwikkeling van het Maria-heiligdom in Radna, waar Kroatische, Duitse en Hongaarse gelovigen bijeenkwamen.
Van zijn hand verscheen Propositiones selectæ ex universa philosophia. Essekini [=Osijek], Typis Francisc., 1765.

Zo had ik dus in één klap een antwoord op zowat alle vragen en onduidelijkheden die de magere inscriptie voorin het boek van Corsini vermeldde.

En nog meer dan dat. Terwijl ik eerder van mening was dat het werkgebied van Cronfeld beperkt bleef tot het Donau-stroomgebied van Boedapest tot Vukovar, zodat hij het per schip afkon, blijkt hij ook werkzaam geweest te zijn in het Roemeense Radna (boven Recaș, ten oosten van Arad) en in Timișoara. En Andrija Heitzer werkte niet alleen in Vukovar, maar onder meer ook in het genoemde Radna en in Osijek. Dat zijn nogal wat grensoverschrijdende afstanden voor die tijd. Toen ik mijn verbazing daarover liet blijken, kreeg ik vanuit München ook nog een kopie van de prachtige kaart uit 1830 toegestuurd van de Franciscaanse provincie Joannis a Capistrano. Ik ben dol op landkaarten. En deze maakt duidelijk welk een gebied die ordeprovincie omvatte: van Sankt-Pölten bij Wenen links boven, tot Belgrado rechts onder; van Timișoara en Radna rechts tot Požega en Cernik links onder. Als je op de kaart klikt, zie je hem voor een betere leesbaarheid in hoge resolutie (5760 x 3840 px; 7,5 Mb).

Eigenlijk had ik het dus helemaal voor niets over Cheb, met zijn Franciscaanse klooster, zijn grens, zijn Sovjet-legerplaats. Het was alleen maar de geboortestad van M.V.P. Andrea. Maar intussen heb ik weer een hoop bijgeleerd en kon ik dat vermengen met eigen herinneringen van 50 jaar geleden.